Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:496

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-05-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
18/04298
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Aardbevingsschade in Groningen. Gronden voor aansprakelijkheid. Verband tussen aansprakelijkheidsgrond en omvang schadevergoedingsverplichting (art. 6:177 BW; art. 6:162 BW; art. 6:98 BW). Exploitant als bedoeld in art. 6:177 lid 2 BW. Aansprakelijkheid overheid. Formele rechtskracht. Bewijsvermoeden van art. 6:177a BW. Schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Bijzondere kwetsbaarheid van benadeelde en van onroerende zaak. Condicio sine qua non-verband. Waardevermindering woning. Gederfd woongenot. Immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0710
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/04298 (Prejudicieel) mr. Wattel

Datum: 10 mei 2019 Conclusie inzake:

1. [eiseres 1]

2. [eiser 2]

(gezamenlijk te noemen: [eisers] )

tegen

1. Maatschap Groningen

2. Nederlandse Aardolie

Maatschappij B.V.

3. EBN B.V.

4. De Staat der Nederlanden

Inhoudsopgave

1. Inleiding en overzicht 1.1-1.1.3.9c

1.1 De prejudiciële vragen 1.1

1.2 Enige algemene gezichtspunten 1.2.1-1.2.10

1.3 Korte versie van de voorgestelde beantwoording 1.3.1-1.3.9c

2. De feiten 2.1-2.24

3. De eisen en weren 3.1-3.14

3.1 De vordering 3.1-3.3

3.2 De eis jegens NAM en dier verweer 3.4-3.6

3.3 De eis jegens EBN en dier verweer 3.7-3.8

3.4 De eis jegens de Maatschap en dier verweer 3.9-3.10

3.5 De eis jegens de Staat en diens verweer 3.11-3.16

4. Beantwoording van de prejudiciële vragen 4.0.1-4.9.26

4.0 Inleiding 4.0.1-4.0.13

- Algemene opmerkingen 4.0.1-4.0.5

- De art. 6:177, 177a, 178 en 182 BW 4.0.6-4.0.13

4.1 Vraag 1 (gevolgen onderscheid art. 6:177(1)(b) BW en

art. 6:162 BW voor (im)materiële schadevergoeding) 4.1.1-4.1.12

- Algemene opmerkingen 4.1.1-4.1.5

- Standpunt [eisers] en NAM 4.1.6

- Beantwoording 4.1.7-4.1.12

4.2 Vraag 2 (‘exploitant’ ex art. 6:177 BW) 4.2.1-4.2.20

- Algemene opmerkingen 4.2.1-4.2.2

- Herformulering van de vraag 4.2.3-4.2.4

- Standpunt [eisers] 4.2.5-4.2.7

- Standpunt EBN 4.2.8-4.2.12

- Beantwoording 4.2.13-4.2.20

4.3A Preliminaire verweren bij de vragen 3 en 4 4.3.1-4.3.6

4.3B Vraag 3 (Staatsaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW?) 4.3.7-4.3.18

- Algemene opmerkingen 4.3.7-4.3.8

- Standpunt [eisers] 4.3.9

- Standpunt Staat 4.3.10

- Beschouwing 4.3.11-4.3.18

4.4 Vraag 4 (formele rechtskracht instemmingsbesluit) 4.4.1-4.4.19

- Algemene opmerkingen 4.4.1-4.4.3

- Standpunt [eisers] 4.4.4-4.4.6

- Standpunt van de Staat 4.4.7

- Beschouwing 4.4.8-4.4.19

4.5 Vraag 5 (kracht bewijsvermoeden ex art. 6:177a BW) 4.5.1-4.5.21

- Algemene opmerkingen 4.5.1

- Standpunt [eisers] 4.5.2

- Standpunt NAM 4.5.3-4.5.5

- Beantwoording 4.5.6-4.5.21

4.6 Vraag 6 (predispositie en toerekening ex art. 6.98 BW) 4.6.1-4.6.17

- Algemene opmerkingen 4.6.1-4.6.3

- Standpunt [eisers] 4.6.4-4.6.7

- Standpunt NAM 4.6.8-4.6.9

- Beantwoording 4.6.10-4.6.17

A. Personenschade 4.6.11-4.6.14

B. Zaakschade 4.6.15-4.6.17

4.7 Vraag 7 (waardedaling woningen door bevingsrisico) 4.7.1-4.7.35

- Algemene opmerkingen 4.7.1-4.7.6

- Standpunt [eisers] 4.7.7-4.7.9

- Standpunt NAM 4.7.10-4.7.17

- Beantwoording 4.7.18-4.7.35

4.8 Vraag 8 (vergoeding voor gemist woongenot?) 4.8.1-4.8.22

- Algemene opmerkingen 4.8.1-4.8.3

- Standpunt [eisers] 4.8.4-4.8.5

- Standpunt NAM 4.8.6-4.8.10

- Beantwoording 4.8.11-4.8.22

4.9 Vraag 9 (aantasting in de persoon (art. 6:106(1)(b) BW)?) 4.9.1-4.9.26

- Algemene opmerkingen 4.9.1-4.9.4

- Standpunt [eisers] 4.9.5-4.9.7

- Standpunt NAM 4.9.8-4.9.12

- Beantwoording 4.9.13-4.9.26

Bijlage: Historische, politieke, wetenschappelijke en juridische achtergronden

1. Het Gasgebouw en de daarbij betrokkenen 1.1-1.12

2. De relevante Mijnbouwwet- en regelgeving 2.1-2.15

3. Bodembeweging en schade 3.1-3.7

4. Schadeafhandeling en maatregelen 4.1-4.5

5. Chronologie 5.1-5.6

5.1 Inleiding 5.1.1-5.1.5

5.2 De periode 1959-1986 5.2.1-5.2.5

5.3 De periode 1986-2012 5.3.1-5.3.32

5.4 De periode 2012-2014 5.4.1-5.4.18

5.5 De periode 2014-2019 5.5.1-5.5.72

- Het wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen 5.5.68-5.5.72

5.6 Vanaf 1 januari 2019 5.6.1-5.6.9

- Advies en beleid inzake waardedaling van woningen 5.6.8-5.6.9

6. De Groningse aardbevingen in de civiele rechtspraak 6.1-6.20

Lijst van gebruikte afkortingen

BOA Begeleidingscommissie Onderzoek Aardbevingen

(het) CBS Centraal Bureau voor de Statistiek

(de) CBS Commissie Bijzondere Situaties

Commissie Meijdam Adviescommissie Omgaan met risico’s van geïnduceerde aardbevingen

Commissie Meijer Commissie Duurzame Toekomst Noord-Oost Groningen

CVW Centrum Veilig Wonen

DSM-5 Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, versie 5 (2013)

EBN Energie Beheer Nederland B.V.

EMS European Microseismic Scale

EZ Economische Zaken

EZ&K Economische Zaken en Klimaat

GBB Groninger Bodem Beweging

GFR Groningen Field Review

GTS Gasunie Transport Services B.V.

Gw Gaswet

IGM Inspecteur-generaal der mijnen

IMG Instituut Mijnbouwschade Groningen

KNMI Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

Mbw Mijnbouwwet

MIT Massachusetts Institute of Technology

MvT Memorie van toelichting

NAM Nederlandse Aardolie Maatschappij

NCG Nationaal Coördinator Groningen

NEN Nederlands Normalisatie-Instituut

NOGEPA Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie

NPR Nederlandse Praktijk Richtlijn

NSTB Noordelijk Schade Taxatie Bureau B.V.

NWO Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

OCS Onafhankelijke Commissie Schadeafhandeling

Onderzoeksraad Onderzoeksraad voor Veiligheid

OvS Overeenkomst van Samenwerking 1963

PGA Peak ground acceleration

PTSS Post-traumatische stress stoornis

SodM Staatstoezicht op de Mijnen

SvR Schaal van Richter

Tcbb Technische commissie bodembeweging

TCMG Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen

TNO Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek

TNO-AGE TNO Advisory Group for Economic Affairs

TU Delft Technische Universiteit Delft

Verdrag Verdrag in zake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie ten gevolge van opsporing en winning van minerale rijkdommen in de zee, 1 mei 1977, Trb. 1978/9 (niet in werking getreden)

zbo zelfstandig bestuursorgaan

1 Inleiding en overzicht

1.1

De prejudiciële vragen

Bij vonnis van 10 oktober 20181 heeft de rechtbank Noord-Nederland u de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. In hoeverre heeft het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW en op grond van artikel 6:162 BW gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade?

2. Is er ruimte voor het aansprakelijk houden van EBN op grond van artikel 6:177 lid 2 sub b BW naast het aansprakelijk zijn van NAM op grond van artikel 6:177 lid 2 sub a BW? Kan EBN mede gelet op haar bijzondere positie als staatsdeelnemer in de maatschap, als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 sub b BW, worden aangemerkt?

3. Onder welke omstandigheden kan de Staat - mede gelet op de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM- aansprakelijk worden gehouden voor aardbevingsschade op grond van artikel 6:162 BW?

4. Verhindert de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat? Onder welke omstandigheden kan de Staat ondanks de formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk worden gesteld?

5. Hoe ver moet het tegenbewijs gaan om het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 6:177a BW te kunnen weerleggen; moet het tegendeel komen vast te staan of kan twijfel zaaien voldoende zijn?

6. Als bij de partij die schade lijdt als gevolg van mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant aansprakelijk is, sprake is van een (al dan niet latente) kwetsbaarheid van hemzelf en/of van de aan hem toebehorende onroerende zaak, dient de exploitant alle schade te vergoeden die als gevolg van de mijnbouwactiviteiten is ontstaan of verergerd of is er ruimte voor het oordeel dat vanwege die (al dan niet latente) kwetsbaarheid niet alle schade op de voet van artikel 6:98 BW naar redelijkheid aan de exploitant kan worden toegerekend dan wel dat de schade deels voor rekening komt voor de eigenaar vanwege eigen schuld of voordeelverrekening?

7a. Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?

7b. Indien vraag 7a. positief beantwoord wordt, geldt dit dan voor alle woningen die blootstaan aan het aardbevingsrisico van het Groningerveld of kan daarbij een gevalsdifferentiatie gemaakt worden, en welke omstandigheden zijn daarbij van belang?

7c. Indien vraag 7a. positief beantwoord wordt, in hoeverre hebben de eigenaren van de woning respectievelijk de voor de waardedaling aansprakelijke partijen de mogelijkheid om in geval van verdere waardedaling respectievelijk waardestijging ten opzichte van de peildatum die verdere daling of stijging (alsnog) terug te vorderen?

8. Onder welke omstandigheden behoort ook het gemis van onstoffelijk voordeel, te weten het ongestoorde woongenot, omdat daarvoor onnodig uitgaven (zoals hypotheekrente) zijn gedaan, tot de door de exploitant te vergoeden (vermogens)schade?

9a. Is bij schade op grond van de exploitatie van een mijnbouwwerk - in algemene zin of in bijzondere gevallen - plaats voor het oordeel dat sprake is van een zodanige aantasting van persoonlijkheidsrechten dat gesproken kan worden van een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW?

9b. Als het antwoord op vraag 9a bevestigend is, welke eisen moeten worden gesteld aan het bewijs dat de partij die aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding op andere wijze in zijn persoon is aangetast? Volstaat daarvoor de vaststelling dat een partij woont in het gebied waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt gelden in combinatie met een persoonlijke verklaring van die partij over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben?

9c. In hoeverre verdraagt het hoogst persoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding zich met het min of meer ‘forfaitair’ vaststellen van schadevergoeding?”

1.2

Enige algemene gezichtspunten

1.2.1

Deze prejudiciële procedure is voor u de eerste en wellicht enige kans om richting te geven aan de Groningse aardbevingsschadezaken. De regering wil de rechtsmacht over de vergoeding van Groningse aardbevingsschade verplaatsten van de burgerlijke rechter naar een zelfstandig bestuursorgaan en de bestuursrechter. Er zijn over die schade al eerder enige civiele procedures gevoerd, maar de Staat en NAM hebben ondanks een deels voor hen ongunstig resultaat geen hoger beroep of cassatieberoep ingesteld. Zie onderdeel 6 van de bijlage (De Groningse aardbevingen in de civiele rechtspraak). De civiele rechter heeft een beperkte rol gespeeld bij de afdoening van de Groningse aardbevingsschade2 en de regering meent dat het bij de Groningse aardbevingsschade om een publiek belang gaat dat de overheid zich moet aantrekken en niet langer aan het privaatrecht moet overlaten. Zij wil daarom het parlement voorstellen om de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG; zie onderdeel 1.12 en 4.4 van de bijlage) om te zetten in een zelfstandig bestuursorgaan, het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), dat alle verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van bodembeweging door aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk voor de gaswinning uit het Groningenveld of van de gasopslag bij Norg zal afhandelen op basis van de relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek,3 een en ander bij beschikking waartegen bezwaar en beroep op de bestuursrechter open zal staan. Het wetsvoorstel ligt bij de Afdeling advisering van de Raad van State.4 Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, zal de civiele rechter nog slechts restrechter zijn.5 Ook prejudiciële vragen over de uitleg van het civiele recht in verband met de aardbevingsschade, zullen dan in beginsel aan de bestuursrechter moeten worden voorgelegd.6 Zie over het in consultatie gegane wetsvoorstel de onderdelen 5.5.68-5.5.72 hieronder.

1.2.2

Over de beperkte betrokkenheid van de civiele rechter en de verdere beperking van diens betrokkenheid door het wetsvoorstel zijn zorgen geuit door met name Van Dunné7 en De Bock.8 De eerste vraagt zich af of ook de Staat, gezien diens met de gaswinning vervlochten belangen, niet op afstand moet worden gehouden bij de schadeafwikkeling; de laatste wijst erop dat juist de civiele rechter is gespecialiseerd in schadevergoedingsrecht, de rechtseenheid kan bewaken en tot taak heeft het schadevergoedingsrecht te ontwikkelen. Deze prejudiciële procedure biedt daartoe in elk geval gelegenheid, wellicht de laatste. Positiever over het wetsvoorstel zijn Van de Bunt9 en Marseille, Bröring en De Graaf,10 die de voordelen op de punten toegankelijkheid, kosten en snelheid benadrukken, al plaatst Van de Bunt ook kritische kanttekeningen. Maar volgens De Bock11 gaan zij voorbij aan de voorvraag of überhaupt enige noodzaak bestaat om de gespecialiseerde civiele rechter van de Groningse aardbevingsschade af te halen, met alle rechtseenheidsproblemen van dien. De vraag welke vergoeding een gedupeerde volledig compenseert voor zijn door de aardbevingen geleden schade is volgens haar bepaald een andere dan de vraag of een besluit van een bestuursorgaan daarover al dan niet rechtmatig is.12

1.2.3

De maatschappelijke opvattingen over de gaswinning in Groningen hebben meebewogen met de Groningse bodem; zij veranderden met de toename in aantal en intensiteit van de aardschokken als gevolg van de gaswinning en met de toename van kennis over de aan de aardgaswinning verbonden risico’s. Aanvankelijk stond de Groningse bevolking positief tegenover de gaswinning. Zij genereerde weliswaar geen directe inkomsten voor de regio, maar leidde wel tot werkgelegenheid en investeringen. Een korting op de gasprijs (de potjesgasregeling) trok energiegrootverbruikers aan, boeren verpachtten land voor boorlocaties en NAM ondersteunde lokale activiteiten.13 Voor de Staat resulteerde de aardgaswinning in zeer aanzienlijke aardgasbaten.14 Naarmate de schadelijke gevolgen meer aan de dag traden, veranderde het sentiment over de gaswinning.

1.2.4

Bij de start van de exploitatie in 1963 was al bekend dat gaswinning tot bodemdaling kon leiden, maar niet voorzien werd dat ook aardbevingen tot de gevolgen konden behoren.15 Na een geregistreerde beving in 1986 in de omgeving van Assen (Drenthe) werd voor het eerst door een enkeling een causaal verband tussen winning van aardgas en aardbevingen gesuggereerd.16 Dat verband werd later, na nieuwe bevingen en diverse onderzoeken, bevestigd.17 Die bevingen werden echter niet als veiligheidsrisico gezien. Hoogstens zou in een enkel geval beperkte zaakschade kunnen ontstaan.18 Het beeld kantelde toen op 16 augustus 2012 de bodem bij Huizinge (Groningen) beefde en veel schade ontstond.19 Het Staatstoezicht op de mijnen (SodM) kwam tot het destijds omstreden advies om de gasproductie uit het Groningenveld zo snel en zo veel als mogelijk en realistisch was terug te draaien omdat de omvang van de risico’s onbepaalbaar was doordat de maximale magnitude van mogelijke bevingen niet viel te bepalen.20 De beving bij Huizinge en het SodM-advies leidde tot bezorgdheid bij de bevolking over materiële schade en fysieke veiligheid en tot afname van vertrouwen in de bij de gaswinning betrokken partijen. Uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen volgde dat bewoners over het algemeen vonden dat de gaswinning uit het Groningenveld zou moeten worden verminderd, maar niet hoefde te stoppen.21 De minister van EZ besloot in januari 2014 tot vermindering.22

1.2.5

Het SodM kwam vervolgens tot de voorzichtige conclusie dat het systeem regelbaar leek omdat min of meer lineair verband leek te bestaan tussen af- en toename van productie en af- en toename van seismische activiteit.23 In maart 2017 constateerde de Onderzoeksraad voor Veiligheid (Onderzoeksraad) dat geen consensus over een veilig niveau van gaswinning bestond en dat daarover duidelijkheid moest komen.24 Op 29 maart 2018 heeft de minister van EZK de Tweede Kamer meegedeeld dat de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk zou worden beëindigd omdat dit de beste manier is om de veiligheid en de veiligheidsbeleving in Groningen te garanderen.25 Mogelijk heeft bij die beslissing ook de noodzaak van een klimaat- en energietransitie een rol gespeeld.

1.2.6

Het gaat in het Groningendossier om een zeer groot aantal gelijksoortige gevallen van schade in korte tijd waarin aannemelijk is dat gaswinning minstens mede de schadeoorzaak is en waarin de schadeafhandeling van met name complexere schades – soms uiterst – moeizaam en traag verliep/verloopt. Daardoor is grote maatschappelijke onrust ontstaan,26 waaraan bijdroeg de (onduidelijkheid over de verhouding tussen de) veelheid aan betrokken instanties,27 het zeer grote aantal regelingen waaruit de bewoners van de getroffen regio wijs moesten worden,28 dat NAM bij de schadeafhandeling pas laat op afstand is geplaatst29 en de gedupeerden onvoldoende in staat bleken om langs privaatrechtelijke weg hun schade te doen vergoeden of herstellen.

1.2.7

Bij de besluitvorming over de omvang van en de voorwaarden voor gaswinning zijn veel en moeizaam of niet verenigbare belangen betrokken: (i) het belang van de bewoners en bedrijven boven het Groningenveld bij veiligheid en voorkoming van schade aan gebouwen en infrastructuur; (ii) het belang van gasleveringszekerheid, gegeven de gasbehoefte van Nederlandse en buitenlandse huishoudens en de leveringsverplichtingen jegens buitenlandse afnemers, waarbij een ernstige complicatie vormde dat het gas uit het Groningenveld laagcalorisch is (relatief stikstofrijk) en de standaard is geworden in Nederland, België, Duitsland en Noord-Frankrijk voor onder meer gasfornuizen en cv-ketels; gas uit andere gasvelden – die vooral hoogcalorisch gas leveren (relatief stikstofarm)30 – is daardoor in Nederland, België, Duitsland en Noord-Frankrijk alleen bruikbaar als het met stikstof wordt verrijkt of de fornuizen, c.v.-ketels, etc. daaraan worden aangepast; (iii) het financiële belang van de bij de gaswinning betrokken ondernemingen, met name dat van de vergunninghouder, die eigenaar is van het Groningse gas, en (iv) het zeer grote financiële belang van de Staat en daarmee van de belastingbetaler bij de gaswinning.31

1.2.8

De Staat treedt in veel hoedanigheden op bij de gaswinning: concessieverlener, aandeelhouder, wetgever, toezichthouder, winningsplan-beoordelaar, belastingheffer, algemeen-belanghoeder en schade-afhandelaar. Zie bijvoorbeeld de weergave van het ‘gasgebouw’ in onderdeel 1 van de bijlage.

1.2.9

In de onderdelen 2 en 3 hieronder geef ik de door de rechtbank Noord-Nederland vastgestelde feiten en het procesverloop weer. In onderdeel 4 behandel ik na enkele vooropstellingen (4.1-4.5) en een korte uiteenzetting over de art. 6:177 en 6:177a BW (4.6-4.14) de door de rechtbank gestelde vragen, steeds volgens het format van (i) inleidende opmerkingen, (ii) standpunten van de partijen, (iii) gemotiveerde beantwoording.

1.2.10

In een bijlage bij deze conclusie beschrijf ik de feitelijke, juridische en politieke achtergronden van de zaak, met name (1) het ‘gasgebouw’ en de daarbij betrokkenen, (2) de relevante mijnbouwwet- en regelgeving, (3) de bodembeweging en de schade, (4) de schadeafhandeling en de getroffen maatregelen, inclusief relevante uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, (5) de chronologie van de gaswinning uit het Groningenveld en (6) de civiele rechtspraak over de aardbevingsschade tot nu toe. Deze bijlage is louter informatief bedoeld; de daarin opgenomen achtergrondinformatie behoort niet tot de vaststaande feiten voor zover zij niet door de rechtbank zijn vastgesteld of van algemene bekendheid zijn.

1.3

Korte versie van de voorgestelde beantwoording

Vraag 1 (maakt het voor de (im)materiële schadevergoeding uit of art. 6:177(1)(b) of art. 6:162 BW daaraan ten grondslag wordt gelegd?)

1.3.1

De aard van de aansprakelijkheid kan van belang zijn bij de toerekening van schade ex art. 6:98 BW, eventuele voordeelverrekening (art. 6:100 BW), toerekening van eigen schuld (art. 6:101 BW), vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade (art. 6:106 BW) en matiging (art. 6:109 BW), maar het belang van het onderscheid tussen schuld- en risicoaansprakelijkheid lijkt op die vlakken enigszins academisch. Differentiatie op basis van waardering van schuldgraad (ook al gaat het om kwalitatieve of risicoaansprakelijkheid) ligt meer in de rede dan op basis van een grof onderscheid tussen risico- en schuldaansprakelijkheid. Of het verschil tussen risico- en schuldaansprakelijkheid uitmaakt voor de toerekening ex art. 6:98 BW moet, gegeven de uiteenlopende strekkingen van de verschillende risico-aansprakelijkheden, beoordeeld worden per risicoaansprakelijkheid: primair is die strekking bepalend, vervolgens de aard van de schade, met name van de vraag of zij het typische of voorzienbare gevolg is van de schadeveroorzakende gebeurtenis en daarna de schuldgraad (hoezeer het ook om risico-aansprakelijkheid gaat). Art. 6:177 BW heeft tot doel de mijnbouwexploitant, die zich in het algemeen tegen het schade-risico kan verzekeren, de grootst mogelijke zorg te doen betrachten om schade te voorkomen en om eenvoudiger verhaal op de exploitant te bieden aan degenen die schade door mijnbouw lijden. Die strekking rechtvaardigt een ruime toerekening, mede gezien het uitgangspunt van de wetgever dat kwesties als onrechtmatigheid van de schadeveroorzakende gebeurtenis niet meer relevant zijn. Daarbij past niet goed dat art. 6:162 BW weer als default opduikt als gevolg van het stellen van toerekeningsbeperkingen bij de toepassing van art. 6:177 BW. De in casu gestelde schadeposten zijn mijns inziens voorzienbare want kenmerkende gevolgen van aardbevingen (zie het EMS in onderdeel 3.4 van de bijlage) en het causale verband tussen de bevingen en de gaswinning wordt niet bestreden. Een toerekeningsgrens bij de toepassing van art. 6:98 BW moet in casu mogelijk worden getrokken bij milieuschade of tweede of verdere graadschade zoals economische schade.

Vraag 2 (exploitant ex art. 6:177(2)(b) BW)

Ik stel voor deze vraag te herformuleren tot:

“Hoe moet de term ‘eenieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouw-werk aanlegt of doet aanleggen of in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a’ in art. 6:177 lid 2 sub b BW worden uitgelegd en welke omstandigheden zijn bij de beoordeling daarvan van belang? Is met name de positie van EBN als staatsdeelnemer in de maatschap relevant?”

1.3.2

Dat EBN staatsdeelnemer is in de Maatschap is mijns inziens niet relevant voor de uitleg van de term ‘een ieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen of in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a’ in art. 6:177(2)(b) BW. Gezien de wetsgeschiedenis, het systeem van de wet en het daaruit volgende subsidiaire karakter van deze bepaling ziet de term mijns op personen die legaal of illegaal zonder vergunning materieel (als ondernemer) betrokken zijn bij mijnbouwwerk-zaamheden voor het geval art. 6:177(2)(a) BW niet werkt omdat er geen vergunninghouder is om aansprakelijk te stellen. De wetgever wilde geen leemte in het risicoaansprakelijkheidsregime in gevallen waarin geen vergunninghouder zou zijn aan te wijzen en heeft daarom alleen voor dat geval, dus subsidiair, de voorziening van lid 2(b) getroffen. Is er wel een aansprakelijke vergunninghouder, zoals in casu (NAM), dan is lid 2(b) niet relevant.32 Dat EBN in casu niet onder art. 6:177(2) BW kan worden aangesproken, wil niet zeggen dat zij niet op andere basis zoals art. 6:162 BW kan worden aangesproken.

Vraag 3 (Staatsaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW jo. art. 2, 3 en 8 EVRM?)

1.3.3

Vraag 3 komt mijns inziens niet voor beantwoording in aanmerking omdat tussen de partijen in een eerder vonnis over de relevante periode al onherroepelijk is beslist over de onrechtmatigheid – en het causale verband met de schade – van het handelen dat de Staat wordt verweten. Het antwoord op de vraag is daarom niet noodzakelijk in de zin van art. 392(1) Rv om de vorderingen van [eisers] jegens de Staat te kunnen toe- of afwijzen, tenzij de Staat zich niet op het gezag van gewijsde beroept (art. 236(3) Rv), maar ik begrijp dat hij dat wél doet. Overigens volgt het antwoord mijns inziens uit vaste jurisprudentie, zodat de vraag zich ook volgens art. 393(8) Rv niet leent voor prejudiciële beantwoording.

Ik ga er niettemin op in. De beoordeling van eventuele Staatsaansprakelijkheid onder art. 6:162 BW vergt in hoge mate een feitelijke waardering van omstandigheden van het geval. De vraag of de Staat aansprakelijk kan zijn, behoeft niet beperkt te worden tot een beoordeling van diens toezichthoudersrol, maar kan ook betrokken worden op de andere rollen die hij bij de gaswinning in Groningen heeft vervuld en vervult. Bij die beoordeling is van belang – maar, gezien het voorzorgsbeginsel, niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend – wat de Staat op verschillende momenten wist of behoorde te weten en hoe hij op basis van die kennis heeft gehandeld c.q. had behoren te handelen. De art. 2 en 8 EVRM leggen mede positieve – en elkaar overlappende – verplichtingen op aan de Staat. De Staat kan aansprakelijk zijn als een effectief wettelijk en bestuurlijk kader tot bescherming van de rechten ex art. 2 en 8 EVRM ontbreekt, maar dat lijkt niet het geval. Ook kan de Staat onder omstandigheden aansprakelijk zijn als hij weet of behoort te weten van een daadwerkelijk en onmiddellijk gevaar en nalaat binnen het kader van zijn bevoegdheden de maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mochten worden om dat gevaar te bezweren, maar op de positieve verplichtingen ex art. 2 en 8 EVRM kan geen onmogelijke of disproportionele last voor de Staat gebaseerd worden. Aan de Staat komt een ruime beoordelingsmarge toe, waarbinnen een fair balance moet worden gevonden tussen de belangen van individuele burgers en die van de gemeenschap. Art. 3 EVRM (verbod op foltering en op inhuman and degrading treatment) lijkt minder relevant voor de beoordeling van de Groningse aardbevingsschade in het kader van op art. 6:162 BW te baseren Staatsaansprakelijkheid.

Vraag 4 (formele rechtskracht instemmingsbesluit)

1.3.4

Ook deze vraag komt mijns inziens niet voor beantwoording in aanmerking omdat tussen de partijen in een eerder vonnis over de relevante periode al onherroepelijk is beslist over de onrechtmatigheid – en het causale verband met schade – van het handelen dat de Staat wordt verweten. Het antwoord op de vraag is daarom niet noodzakelijk in de zin van art. 392(1) Rv om de vorderingen van [eisers] jegens de Staat te kunnen toe- of afwijzen, tenzij de Staat zich niet beroept op het gezag van gewijsde (zie art. 236(3) Rv), maar ik begrijp dat hij dat wél doet. Overigens volgt het antwoord mijns inziens uit vaste jurisprudentie, zodat de vraag zich ook volgens art. 393(8) Rv niet leent voor prejudiciële beantwoording.

Ik ga er niettemin op in. Gegeven de noodzaak van eenduidige taakverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter en van rechtseenheid en rechtszekerheid, verhindert de formele rechtskracht van een instemmingsbesluit in beginsel aansprakelijkheid van de Staat voor zover diens aansprakelijkheid verband houdt met de rechtmatigheid van de inhoud of de wijze van totstandkoming van dat instemmingsbesluit. De toegang tot de burgerlijke rechter wordt niet geblokkeerd door formele rechtskracht als de belanghebbenden niet als belanghebbenden bij het instemmingsbesluit beschouwd kunnen worden, bijvoorbeeld omdat het belang waarin zij vragen beschermd te worden, niet gedekt wordt door de beoordelingsfactoren in art. 36 Mbw, of omdat zij ten tijde van het verloop van de bezwaar- of beroepstermijn tegen het instemmingsbesluit nog niet in het effectgebied woonden (maar wel toen de zwaardere bevingen in 2012 begonnen), hetgeen de feitenrechter moet onderzoeken. Formele rechtskracht wordt doorbroken als de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmen dat er een uitzondering op moet worden gemaakt. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn er in drie soorten: (i) dat de belanghebbenden de toegang tot de bestuursrechtelijke rechtsbescherming hebben gemist, is toe te rekenen aan het bestuur, (ii) het bestuur erkent uitdrukkelijk of stilzwijgend de onrechtmatigheid van zijn beschikking, (iii) in de procedure bij de bestuursrechter is gehandeld in strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel waardoor niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Een categorie doorbrekingen van formele rechtskracht die in het Nederlandse recht nog niet is doorgedrongen maar in het internationale recht wel, is die waarin instellen van bezwaar of beroep zinloos zou zijn geweest omdat bij voorbaat zou hebben vastgestaan dat het afgewezen zou worden (EHRM Salah Sheekh33) of anderszins redelijkerwijs niet van de belanghebbende kon worden gevergd dat hij zijn schade zou beperken door rechtsmiddelen in te stellen (HvJ EU Danske Slagterier34). Denkbaar is dat het tot de beving bij Huizinge in 2012 geen zin had om op grond van aardbevingsveiligheids-risico’s te proberen de bestuursrechter ervan te overtuigen dat de minister van EZ preventieve beschermingsmaatregelen voor bewoners moest nemen, of dat tot die beving van bewoners redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij schade waarvan de Staat tot dat moment stelde dat die zich niet of nauwelijks zou kunnen voordoen, zouden proberen te beperken door instelling van rechtsmiddelen tegen een instemmingsbesluit. Wat daar van zij, in deze procedure kan niet worden beoordeeld of en jegens wie aan de verschillende instemmingsbesluiten formele rechtskracht toekomt en zo ja, of daarop in de gegeven omstandigheden een uitzondering moet worden gemaakt. Dat zal de feitenrechter moeten beoordelen. Daarbij zij opgemerkt dat formele rechtskracht van instemmingsbesluiten niet in de weg hoeft te staan aan aansprakelijkheid van de Staat in andere rollen dan die van winningsplanbeoordelaar en toezichthouder. In feitelijke aanleg zal onderzocht moeten worden welke rollen hij in het dossier Groningengas heeft vervuld en nog vervult en of hem ook in enige niet-besluitnemersrol een onrechtmatigheidsverwijt gemaakt kan worden.

Vraag 5 (kracht bewijsvermoeden ex art. 6:177a BW)

1.3.5

Het weerlegbare bewijsvermoeden in art. 6:177a BW laat de bewijslast in de zin van bewijsrisico in theorie onveranderd, maar uit zijn totstandkomingsgeschiedenis volgt dat het dicht aanschurkt tegen omkering van de bewijslast. Het onderscheid tussen omkering en bewijsvermoeden heeft de medewetgever niet steeds helder voor ogen gestaan: de regering ging er tijdens de parlementaire behandeling diverse keren van uit dat het bewijsvermoeden van art. 6:177a BW een omkering is. Wat daarvan zij, voor weerlegging van het vermoeden is mijns inziens significante twijfel aan causaal verband tussen schade en aardbevingen niet voldoende; de mijnbouwexploitant moet aannemelijk maken dat de schade niet aan de aardbevingen ligt, hetgeen mijns inziens impliceert dat hij een andere oorzaak aannemelijk moet maken. Na bewijslevering resterende onzekerheid over de schade-oorzaak blijft dus voor zijn risico. Qua bewijskracht is blijkens de wetsgeschiedenis ‘aannemelijk maken’ van die andere oorzaak voldoende, zij het dat de rechter mijns inziens wel rekening moet houden met de expliciete rechtsbeschermingsfunctie van het bewijsvermoeden.

Vraag 6 (predispositie en toerekening ex art. 6:98 BW)

1.3.6

De bijzondere kwetsbaarheid van een persoon of zaak kan aanleiding zijn voor vermindering van de schadevergoedingsplicht ex art. 6:98, 6:100 of 6:101 BW. Dat lijkt mij niet anders bij schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant risico-aansprakelijk is. In geval van personenschade wordt aangenomen dat bij de toerekening ex art. 6:98 BW de laedens de gelaedeerde in beginsel heeft te nemen zoals hij is, met al zijn kwetsbaarheden. Aansprakelijkheid strekt zich bij de toepassing van die bepaling ook uit tot gevolgen van bijzondere kwetsbaarheid van de benadeelde, maar een bijzondere kwetsbaarheid kan wel van invloed zijn bij de schadebegroting. Bij zaakschade is er minder aanleiding om tot uitgangspunt te nemen dat de laedens de zaak steeds zou moeten aanvaarden in de staat zoals deze was. Anders dan aan personen, kunnen aan zaken wel zekere robuustheidseisen gesteld worden (maar in Groningen niet dat ze ook aardbevingsbestendig zijn), hetgeen zich erin kan uiten dat zaakschade minder makkelijk ex art. 6:98 BW wordt toegerekend dan personenschade, omdat (verergerde) schade als gevolg van zaakeigen gebreken of gebrek aan onderhoud mede toerekenbaar is aan de eigenaar. In plaats van beperkte toerekening ex art. 6:98 BW kan in gevallen van bijvoorbeeld achterstallig (groot) onderhoud ook eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW worden aangenomen. En ook hier kan met bijzondere kwetsbaarheid rekening worden gehouden bij de schadebegroting. De benadeelde moet in de oude situatie teruggebracht worden, zodat in daartoe aanleiding gevende gevallen met een verbetering ‘nieuw voor oud’ door herstel rekening moet worden gehouden, en er in bijzondere gevallen aanleiding kan zijn om art. 6:100 BW (voordeelverrekening) toe te passen. De moeilijke causaliteitsvraag is hier of een eventueel zaakeigen gebrek ooit tot problemen zou hebben geleid als er geen aardbevingen waren geweest

Vraag 7a (waardedaling woningen door bevingsrisico; tijdstip schadebepaling)

1.3.7a Gezien de brief van de minister van EZ&K aan de Tweede Kamer van 24 april 201935 inzake zijn beleidsvoornemen om het daarbij aan de Kamer aangeboden advies van de Adviescommissie Waardedaling36 te volgen (zie onderdelen 5.6.8 en 5.6.9 van de bijlage), lijkt deze vraag enerzijds een achterhoedegevecht, maar is zij anderzijds een frontliniekwestie, nu het in te stellen IMG het geadviseerde beleid moet uitvoeren volgens de regels van het civiele aansprakelijkheidsrecht, zodat deze prejudiciële procedure dé gelegenheid is om richting aan dat beleid te geven. Als u meent dat de waardedalingsschadebepaling moet worden uitgesteld tot realisatie (verkoop) of tot na verloop van een uitdooftermijn na beëindiging van de gaswinning, zal het IMG dat mede tot uitgangspunt moeten nemen. De genoemde Commissie adviseert – en het in te stellen IMG wordt als te voeren beleid meegegeven – om afhankelijk van postcodegebied (geregistreerde bevingsintensiteit) en in vergelijking met een referentiegebied elders een vergoeding te geven aan zowel bewoners/eigenaren als woningbouwcorporaties naar de peildatum 1 januari 2019, uiteenlopend van gemiddeld circa 2,4% van de WOZ-waarde in Oldambt tot gemiddeld 12,9% in Loppersum. Daarin is begrepen gemiddeld 0,5 tot 4 procentpunt ophoging in verband met de onzekerheidsmarge en met ondervonden overlast.

Ongerealiseerde en daardoor moeilijk of niet bepaalbare waardedaling van een woning als gevolg van het door potentiële kopers gepercipieerde risico van toekomstige aardbevingen door gaswinning zou mijns inziens (nog) niet moeten worden aangemerkt als schade waarvoor de exploitant (al) aansprakelijk is; daarvoor is realisering van de waardevermindering nodig doordat zij zich heeft gemanifesteerd door prijsvorming op de markt. De vele en grote bezwaren tegen abstraheren van realisatie van het gestelde nadeel acht ik overtuigend. Het gaat hier – zoals Hartkamp het verwoordt in zijn opinie voor NAM – niet om dogmatiek over concrete of abstracte schadeberekening, toekomstige of actuele schade, dan wel ingetreden of niet ingetreden schade, maar om de vraag of de schade naar haar aard (al) voor vergoeding in aanmerking komt. De betekenis van de gestelde schadefactoren kan door hun verband met toekomstige onzekere gebeurtenissen niet voldoende worden bepaald (net als in het geval [...] /EMI), zodat de schadebegroting uit te stellen ware tot realisering of, als realisering uitblijft, tot na afloop van een te bepalen effect-uitdooftermijn, bijvoorbeeld vijf jaar na volledige staking van de gaswinning in het Groningenveld. De behoefte aan compensatie op dit punt lijkt in de eerste plaats verband te houden met het aangetaste woongenot van de gedupeerden in de voorbije periode en in de tweede plaats met gevreesde aantasting in de toekomst. Aan die eerste behoefte kan worden tegemoetgekomen door vergoeding van gemist woongenot (zie vraag 8) en in bijzondere gevallen (mede) door vergoeding van immateriële schade (zie vraag 9). Schade die zich al wél heeft gemanifesteerd, met name fysieke schade aan de woning, waardevermindering na herstel van fysieke schade, hogere hypothecaire lasten of zekerheidskosten door bankeisen na waardevermindering en lagere huuropbrengst bij verhuur als gevolg van aardbevingsrisico, en andere reeds vóór verkoop gerealiseerde schade door waardevermindering komt in beginsel wel voor vergoeding in aanmerking.

Vraag 7b (gevalsdifferentiatie?)

1.3.7b Zou u vraag 7a positief beantwoorden, dan zou mijns inziens de peildatum moeten zijn de datum van de rechterlijke uitspraak en zou dat positieve antwoord alleen moeten gelden voor woningen van eigenaren/bewoners omdat alleen voor hen geldt dat vergoeding los van verkoop ernstige onzekerheid (‘opgesloten’ voelen) zal verminderen, en slechts voor zover de waardedaling als gevolg van het risico op aardbevingen duurzaam en van enige omvang is. Uit doelmatigheidsoogpunt kunnen categorieën worden onderscheiden bijvoorbeeld op basis van de in een bepaald gebied opgetreden peak ground acceleration (PGA), als daarover gegevens beschikbaar zijn, en op basis van de bouwstaat van de woning vóór 2012. Zo’n categorisering heeft beperkte betekenis als concretisering naar boven mogelijk is.

Vraag 7c (wat, bij verdere waardedaling of -stijging?)

1.3.7c Bij bevestigende beantwoording van vraag 7a moet vanuit het oogpunt van doelmatigheid en litis finiri oportet geen mogelijkheid bestaan om bij verdere waardedaling of -stijging ten opzichte van de peildatum nog schadevergoeding te vorderen of terug te vorderen. Art. 6:105 BW moet dan worden toegepast en met die begroting mede op basis van goede en kwade kansen krijgt de schadevergoeding mede het karakter van een afkoopsom.

Vraag 8 (vergoeding gemist woongenot?)

1.3.8

Ook deze vraag lijkt enerzijds een achterhoedegevecht en anderzijds een frontliniekwestie, gezien de in 1.3.7a genoemde brief van de minister van EZK, nu in de voorgenomen forfaitaire vergoeding voor waardedaling een ophoging is begrepen voor onder meer de ondervonden overlast. Gemist woongenot komt mijns inziens voor vergoeding in aanmerking op basis van de volgende uitgangspunten: (i) het gaat om gemis van een immaterieel voordeel (woongenot) dat niettemin door zijn concretisering in doelmissende uitgaven als vermogensschade geldt; (ii) als schade kunnen alleen die uitgaven worden aangemerkt, die als gevolg van de schadetoebrengende gebeurtenis hun doel hebben gemist; (iii) de schade door doel-missende uitgaven moet in zodanig verband staan met het schadegebeuren dat zij daaraan kan worden toegerekend; (iv) de benadeelde heeft het immateriële voordeel in rechtens relevante mate moeten missen; dat is niet het geval als het genotgemis beperkt is in tijd of omvang; (v) als het genot niet is verloren maar alleen is verminderd, c.q. als de uitgaven slechts gedeeltelijk zagen op de verkrijging van gebruiksgenot, zal moeten worden geschat welk deel van de kosten vergeefs is gemaakt voor niet-verkregen gebruiksgenot.

Woningeigenaren in het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld kunnen in rechtens relevante mate het gebruiksgenot van hun woning zijn misgelopen door de aardbevingen. Bij de begroting daarvan zal mijns inziens aangesloten moeten worden bij het (geschatte) verschil in huurwaarde tussen de situaties met en zonder aardbevingen. Woongenot is immers in beginsel voor eigenaren en huurders gelijk, nu het niet om de eigendom, maar om het wonen gaat. Een huurder zal huurvermindering vragen of verhuizen. Omdat de gedupeerden niet of slechts moeizaam kunnen verhuizen, met name degenen wier huizen onverkoopbaar worden geacht, moet mijns inziens uitgegaan worden van een fictieve maathuurder die voorlopig niet kan verhuizen omdat hij nog voor jaren aan het huurcontract vast zit en geen huurvermindering kan vragen. Per individueel geval zal moeten worden beoordeeld in welke mate de aardbevingen de huurwaarde bij een langjarig huurcontract in negatieve zin hebben beïnvloed door te kijken naar hoeveel minder de verhuurder aan een nieuwe huurder zou kunnen vragen.

Een onder dit hoofd te vergoeden bedrag komt mijns inziens geheel of gedeeltelijk in mindering op een eventueel later (bij verkoop) vast te stellen vergoeding wegens waardevermindering, gegeven dat de waarde van een woning mede bepaald wordt door het woongenot ervan en (dus) door de huurwaarde. Ook de eigenaren-inkomstenbelasting (het huurwaardeforfait ex art. 3.112 Wet inkomstenbelasting 2001) is gebaseerd op de huurwaarde en de gedachte dat de eigenaar/bewoner inkomsten in natura heeft in de vorm van woongenot. De vraag welke concrete verrekening toegepast moet worden, ware evenals de beslissing omtrent schadevergoeding wegens waardevermindering uit te stellen tot het moment van realisering van de woningwaarde bij verkoop of opkoop. Wordt vraag 7a positief beantwoord, dan moet gewaakt worden tegen acute dubbeltelling. Als vraag 7a negatief wordt beantwoord en het woongenotgemis wordt bepaald op basis van verminderde huurwaarde, bestaat mijns inziens weinig risico op dubbeltelling met smartengeld (zie vraag 9), omdat smartengeld geen huurwaardeverlies compenseert, maar geestelijk letsel of persoonlijkheidsrechtschending.

Zoals uit het bovenstaande voortvloeit, zal bij woninghuurders c.q. woningverhuurders de schade bestaan uit het, gezien het verminderde woongenot, te veel betaalde deel van de huurprijs, dan wel, als de eigenaar de huursom heeft moeten verlagen wegens aardbevingsschade/risico, het gemiste deel van de huursom.37

Vraag 9a (andere aantasting in de persoon ex art. 6:106(1)(b) BW?)

1.3.9a Bij schade door exploitatie van een mijnbouwwerk kunnen onder omstandigheden zowel in algemene zin als in bijzondere gevallen persoonlijkheidsrechten zodanig zijn aangetast dat aan de toegangsvoorwaarden van art. 6:106(1)(b) BW is voldaan. In casu kan in bijzondere gevallen sprake zijn van beide door u onder art. 6:106(1)(b) BW erkende categorieën: (i) geestelijk letsel en (ii) ernstige schending van fundamentele rechten met rechtstreekse nadelige gevolgen voor de bewoners, met name schending van de veiligheid van de woning en van de persoonlijke levenssfeer en in zeer bijzondere gevallen van het recht op eerbieding van de integriteit van de persoon.

Vraag 9b (welke bewijseisen?)

1.3.9b Een onderscheid moet worden gemaakt tussen immateriële schadevergoeding wegens geestelijk letsel en die wegens schending van een fundamenteel recht met ernstige gevolgen. Voor het eerste volstaat niet de vaststelling dat een partij woont in het gebied waar regelmatig aardbevingen al dan niet boven een bepaalde PGA worden gevoeld en fysieke schade is geleden in combinatie met een persoonlijke verklaring van die partij over de invloed die de aardbevingen op zijn leven hebben. Geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld, zodat een persoonlijke verklaring niet kan volstaan. Ook voor smartengeld wegens schending van een fundamenteel recht zal de eiser de aantasting van zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. De aard en de ernst van de normschending kunnen echter meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo zeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon off hand kan worden aangenomen. Denkbaar is dat dit voor delen van het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld moet worden aangenomen.

Vraag 9c (forfaitaire immateriële schadebegroting?)

1.3.9c Het in het algemeen benadrukte hoogstpersoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding hoeft niet in de weg te staan aan een min of meer forfaitaire vaststelling in geval van een structureel of massaal karakter van de schadeveroorzakende gebeurtenis(sen). Mogelijk kan worden gewerkt met diverse gevalstypen en daarop toegespitste richtbedragen, met een afwijkingsmogelijkheid in verband met individuele omstandigheden, zoals de duur en de ernst van de schending en de omstandigheid dat de benadeelde ook met andere schade wordt geconfronteerd. Een alternatief is dat aan nader te bepalen gevalstypen een bandbreedte tussen eveneens te bepalen minimum- en maximumbedragen voor de minst erge en de ergste gevallen wordt gekoppeld, waarbinnen rekening kan worden gehouden met individuele omstandigheden, i.e. met die ernst.

2 De feiten

2.1

Uit de r.o. 2.1-2.27 van het tussenvonnis van 27 juni 201838 van de rechtbank Noord-Nederland in deze zaak volgt dat de prejudiciële vragen de volgende feitelijke achtergrond hebben.

2.2

[eisers] zijn sinds 26 juli 1999 eigenaar van een boerderij-woning in [plaats] . Het achterhuis van die woning is gebouwd in 1910, de rest in 1970. De woning is op 31 oktober 2005 getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, ad € 220.000 en na een kleine verbouwing op € 225.000. In 2008 tot en met 2011 kampte [eiser 2] met de ziekte van Lyme, waardoor hij zijn werk in de ICT en als metaalbewerker moest staken. [eiseres 1] is schrijfster, vertaalster en beeldend kunstenares. Zij is hoofdkostwinner en werkt thuis. [eisers] wilden dichter bij de stad Groningen wonen en hebben hun woning op 20 juli 2011 te koop gezet voor € 224.500. De woning werd op peildatum 1 januari 2011 voor de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) gewaardeerd op € 199.000.

2.3

Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw wordt gas gewonnen uit het Groningenveld onder de gemeenten Appingedam, Bedum, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Loppersum, Menterwolde, Slochteren, Oldambt, Pekela, Ten Boer, Veendam en een stukje Bellingwedde en Haren. Na de vondst van het Groningenveld stuurde de toenmalige Minister van Economische Zaken, J.W. de Pous, op 11 juli 1962 een nota aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal met een overzicht van de betekenis van de aardgasvondsten in de provincie Groningen. Die nota vermeldt onder meer:

“dat het voor een goede en verantwoorde afzet van het aardgas noodzakelijk zou zijn, een nauwe coördinatie tussen winning en afzet tot stand te brengen. Een dergelijke eenheid van beleid bij winning en afzet zou het meest ideaal worden geëffectueerd, indien beide takken zouden worden ondergebracht bij één maatschappij.

(...).

De concessie voor winning van aardgas in de provincie Groningen wordt verleend aan de N.A.M., doch deze concessie wordt (…) geëxploiteerd voor rekening van de samenwerkende partijen Shell, Esso en Staatsmijnen, die terzake een maatschap zullen aangaan. Deze samenwerkende partijen bepalen dus gezamenlijk het beleid inzake de verdere exploratie en exploitatie binnen de concessie. Alle gewonnen aardgas - voor zover niet nodig binnen het eigen winningsbedrijf van de N.A.M. - wordt verkocht aan de op te richten nieuwe gasmaatschappij, waarin Shell, Esso en Staatsmijnen participeren in de hieronder aan te geven verhouding.”

2.4

Bij akte van 27 maart 1963 hebben de Staatsmijnen (inmiddels: Energiebeheer Nederland BV: EBN) en N.V. Nederlandse Aardolie Maatschappij (N.A.M., rechtsvoorganger van NAM) en haar aandeelhouders (thans genaamd: Shell en Exxon Mobil) een overeenkomst van samenwerking (OvS) gesloten waarbij EBN en NAM een niet-openbare kosten- en opbrengstenmaatschap met elkaar zijn aangegaan die onder meer als volgt bepaalt:39

“Artikel 1. Doel en duur.

1. Staatsmijnen en N.A.M. gaan hierbij een maatschap aan met als doel, gezamenlijk het beleid te voeren inzake het economisch belang te dragen bij de opsporing en ontginning door N.A.M. van de aardgasvoorkomens in de haar voor de provincie Groningen te verlenen concessie (…).

2. De maatschap treedt niet naar buiten op.

(…)

Artikel 7. Kosten en baten.

1. De uitgaven en opbrengsten van de maatschap worden tussen Staatsmijnen en N.A.M. gedeeld in de verhouding 40:60.

(…)

Artikel 19. Partijvervanging

1. Indien de rechtsvorm van het Staatsmijnbedrijf wordt gewijzigd in een naamloze vennootschap heeft Staatsmijnen het recht en de plicht zich als partij bij deze gehele overeenkomst te doen vervangen door bedoelde vennootschap, met dien verstande dat de Staat de bevoegdheden aan hem toegekend in de artikelen 4, 9, 13, 21 en 23 als partij bij deze overeenkomst blijft uitoefenen.”

2.5

Op basis van de haar bij KB van 30 mei 196340 verleende aardgas- en aardolieconcessie ‘Groningen’ wordt door NAM sinds 1963 gas gewonnen uit onder meer het Groningenveld.

2.6

De gaswinning uit het Groningenveld veroorzaakte en veroorzaakt (geleidelijke) bodemdaling en (niet-geleidelijke) aardbevingen. De aardbevingen zijn vanaf het moment dat zij in 1986 opgemerkt werden in frequentie en zwaarte toegenomen. De woning van [eisers] bevindt zich boven het Groningenveld en daarmee in het gebied waar de aarde beeft als gevolg van gaswinning. Die aardbevingen leiden tot schade aan onroerende zaken. Op 16 augustus 2012 beefde de aarde op ruim 13 kilometer afstand van hun woning, nl. bij Huizinge, gemeente Loppersum, met een kracht van 3.6 op de schaal van Richter. Dit was de zwaarste aardbeving boven het Groningenveld tot nu toe. Daags daarvoor beefde de aarde bij Leermens, op 6 kilometer afstand van hun woning, met een kracht van 2.4 op de schaal van Richter.

2.7

Naar aanleiding van de beving bij Huizinge heeft de rijksinspectiedienst Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) de aardbevingsgevoeligheid in het Groningenveld onderzocht en daarover bij brief van 22 januari 2013 aan het Ministerie van Economische Zaken gerapporteerd. Hij rapporteerde dat de toegenomen gasproductie sinds 2000 heeft geleid tot een toename van het aantal aardbevingen en tot een grotere kans op zwaardere aardbevingen. SodM verwachtte niet dat het aantal aardbevingen op korte termijn zou afnemen. Alleen als de gasproductie drastisch zou worden verminderd of gestopt, kon volgens SodM verwacht worden en dat – na enkele jaren – (vrijwel) geen voelbare aardbevingen meer zouden optreden boven het Groningenveld. Hij rapporteerde dat NAM, KNMI en hij het eens waren dat een relatie bestaat tussen het gasproductieniveau en het aantal en de magnitude van de bevingen. Hij meende dat gasproductievermindering het aantal aardbevingen evenredig doet verminderen en dat als de gasproductie in 2013 en 2014 dezelfde zou blijven, er een kans van 7% bestond dat in die tweejaarsperiode een aardbeving met een kracht boven 3.9 op de schaal van Richter zou optreden.

2.8

De WOZ-waarde van de woning is op peildatum 1 januari 2013 vastgesteld op € 145.000 en per 1 januari 2014 op € 135.000. Omdat er onder potentiële kopers geen enkele belangstelling voor de woning bestond, hebben [eisers] hun vraagprijs in februari 2014 verlaagd naar € 169.000.

2.9

Op 4 april 2014 hebben [eisers] bij brief aan de burgemeester van Delfzijl aandacht gevraagd voor hun situatie, in het bijzonder de onverkoopbaarheid van hun woning. Die brief leidde tot inschakeling van de Commissie Bijzondere Situaties (CBS). De CBS is op initiatief van de Minister van Economische Zaken ingesteld en verantwoordelijk voor de uitvoering van de in april 2014 ingevoerde Regeling Bijzondere Situaties (de Regeling). Zie onderdeel 5.5.1 en 5.5.25 van de bijlage. De Regeling is bedoeld voor mensen die als gevolg van de aardbevingen in Groningen in bijzondere individuele medische, psychische, sociale en/of financiële problemen geraken waarbij dringend hulp nodig is en die onvoldoende worden verholpen door de bestaande compensatieregeling (afhandeling volgens het schadeprotocol). De CBS beoordeelt de aanvragen zelfstandig en besluit welke extra hulp kan worden geboden. NAM heeft zich verbonden om de besluiten van de CBS uit te voeren, maar heeft geen zicht gehad op de wijze waarop de aanvraag van [eisers] door de CBS is behandeld.

2.10

De woning van [eisers] is beschadigd, met name door scheuren in de muren. Zij gaan er van uit dat dit een direct of indirect gevolg is van de gaswinning door NAM en hebben de schade op 26 mei 2014 bij NAM gemeld. Bij e-mail van 2 juni 2014 heeft NAM de ontvangst en inbehandelingneming van de schademelding bevestigd.

2.11

[eiseres 1] heeft in juni 2014 psychische hulp gezocht. [eiser 2] is in oktober 2014 gestart met een behandelingstraject bij een psycholoog. Beiden zijn in juni 2016 gediagnosticeerd als lijdende aan een post-traumatische stress stoornis (PTSS).

2.12

In juli 2014 en op 3 september 2015 hebben [eisers] aan NAM gemeld hinder te ondervinden van laagfrequent geluid, volgens hen door de winningsactiviteiten van NAM in de buurt van Bierum.

2.13

Conform het door NAM gebruikte schadeprotocol van augustus 2014, versie 1, heeft Crawford & Co. namens Noordelijk Schade Taxatie Bureau B.V. te Akkrum (NSTB) in opdracht en op kosten van NAM de gemelde schade onderzocht. Op 12 september 2014 rapporteerde NSTB dat de twee door hem geconstateerde schades, zoals vastgelegd op foto’s 1 t/m 35, volgens hem niet bevinggerelateerd zijn, maar mogelijk veroorzaakt door verzakking (C-schade). Het schadeprotocol classificeert gebouwschade als A, B of C. A-schade is een direct gevolg van een aardbeving; B-schade was er al vóór een aardbeving maar is door een aardbeving significant verergerd; C-schade kan niet in verband worden gebracht met een aardbeving.

2.14

Per peildatum 1 januari 2015 stelde de gemeente de WOZ-waarde van de woning op € 133.000. Het daartegen gerichte bezwaar van [eisers] is gegrond verklaard en de WOZ-waarde is nader vastgesteld op € 108.000.

2.15

Omdat zij zich niet konden vinden in de conclusies van NSTB, hebben [eisers] op kosten van NAM een contra-expertise laten uitvoeren door Vergnes Expertise B.V. (Vergnes). In haar rapport van 21 januari 2015 aan NAM concludeert Vergnes dat de door NTBS beoordeelde schades B-schades zijn, behoudens de schade op foto’s 23 en 30, die volgens haar zijn veroorzaakt door werkzaamheden bij de buren en op foto 35, die zij evenmin aardbevinggerelateerd acht. De herstelkosten zijn door Vergnes niet begroot.

2.16

Op 6 maart 2015 hebben [eisers] opnieuw schade door scheurvorming gemeld bij NAM. Zij hebben toen aangedrongen op een bouwkundige inspectie.

2.17

NSTB en Vergnes hebben op 10 maart 2015 hun verschil in beoordeling besproken. Dat overleg leidde tot consensus die is vastgelegd in een akte van akkoord van 25 maart 2015. De schade op de foto’s 1 t/m 32, 34 en 35 wordt daarin als B-schade geclassificeerd. Hoewel uitgenodigd, waren [eisers] niet aanwezig bij het overleg tussen de experts, noch bij de vastlegging van hun akkoord.

2.18

In reactie op de schademelding van 6 maart 2015 heeft NAM voorgesteld om ook die schade door NSTB te laten beoordelen. [eisers] hebben dat bij e-mail van 24 maart 2015 afgehouden, onder meer omdat zij de eerdere schade niet naar behoren door NSTB beoordeeld achtten en zij slechte ervaringen hadden met NSTB. Bij brief van 3 april 2015 hebben [eisers] NAM in gebreke gesteld ter zake van bouwkundige inspectie aan de woning. Bij brief van 14 april 2015 heeft NAM een nadere onderzoek naar de veiligheid van de woning voorgesteld. Omdat inhoudelijke reactie uitbleef, heeft NAM bij brief van 29 september dat voorstel herhaald en opnieuw gevraagd of een expert langs kon komen om de nieuwe schade op te nemen.

2.19

Op 7 mei 2015 heeft de CBS aan [eisers] bericht

“dat de woning scherper in de markt gezet moet worden. De Commissie kan u daarin ondersteunen door (na verkoop van de woning) een aanvulling op de koopprijs te garanderen tot de huidige vraagprijs van € 135.000 met een maximum van € 30.000,-. Dit bedrag is inclusief de uitkomst van een beroep op de Waarderegeling.”

Die ‘Waarderegeling’ is een regeling die NAM in april 2014 heeft opgesteld na overleg met de Minister van Economische Zaken en andere betrokken partijen. Zie onderdeel 5.5.2 van de bijlage. Zij is bedoeld om woningeigenaren in aangewezen gemeenten te compenseren voor waardeverlies bij verkoop van hun woning. De CBS heeft haar aanbod jegens [eisers] herhaald op 26 juni 2015.

2.20

Bij brief van 18 november 2015 aan onder meer NAM en CBS heeft de raadsvrouw van [eisers] geschreven dat [eisers] door NAM en CBS schrijnend zijn behandeld en dat hun privacy meer malen is geschonden doordat de CBS financiële en persoonlijke medische gegevens aan NAM heeft verstrekt. Onder overlegging van een offerte van Vergnes drong zij namens [eisers] aan op spoedige afwikkeling. Ter zake van de gestelde privacyschending stelden [eisers] dat hen was gebleken dat een WOB-verzoek van hen twee maal enige tijd met naam en toenaam online had gestaan.

2.21

Bij brief van 10 december 2015 heeft NAM gemotiveerd betwist dat zij gegevens zoals door [eisers] genoemd van derden zou hebben ontvangen en heeft zij opgemerkt dat zij meer malen vergeefs heeft voorgesteld om een expert langs te sturen voor het opnemen van de nieuwe schade en een calculatie van de herstelwerkzaamheden. NAM stelde nader voor om Royal Haskoning de woning bouwkundig te laten inspecteren. De CBS heeft in een reactie van 9 december 2015 op de brief van de raadsvrouw van [eisers] opgemerkt dat [eisers] nog niet formeel hadden gereageerd op haar aanbod van 7 mei 2015 en daarvoor uitstel verleend tot 31 december 2015. [eisers] hebben dat aanbod (uiteindelijk) niet geaccepteerd. [eisers] zijn niet akkoord gegaan met het voorstel van NAM om Royal Haskoning te laten inspecteren.

2.22

Op 15 januari 2016 hebben Vergnes en NSTB gezamenlijk de woning opgenomen voor een herstelcalculatie en om de op 6 maart 2015 door [eisers] gemelde nieuwe schade te beoordelen. Het daarvan opgemaakte zgn. Dekra-rapport van 4 april 2016 merkt (ook) de nieuwe schade (gemeld op 6 maart 2015) aan als B-schade en begroot de totale schade op € 18.871,69 inclusief btw. Dekra is volgens blz. 2 van dat rapport via NSTB namens NAM belast met de afwikkeling van schadedossiers waarbij een contra-expert is betrokken. Bij brief van 4 mei 2016 heeft NAM het Dekra-rapport aan [eisers] verstrekt en als finale afwikkeling voorgesteld het door Dekra begrote schadebedrag ad € 18.871,69 aan hen uit te betalen. Dat voorstel is door [eisers] afgewezen.

2.23

[eisers] hebben Vergnes een inspectie opgedragen, die op 14 maart 2016 is uitgevoerd. In haar rapportage van 15 augustus 2016 vermeldt Vergnes veel nieuwe (niet bij NAM gemelde) beschadigingen. Timmerbedrijf Jan Boss heeft op 14 april 2016 de herstelkosten ter zake van de aardbevingsschade aan de woning berekend op € 32.714 exclusief eventuele verhuis- en opslagkosten.

2.24

Op 31 oktober 2016 heeft de raadsvrouw van [eisers] onder bijvoeging van een conceptdagvaarding NAM verzocht om een oplossing. NAM’s daarop volgende voorstel is door [eisers] afgewezen.

3 Procesverloop

De vorderingen

3.1

[eisers] hebben gevorderd dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:41

“1. voor recht zal verklaren dat gedaagden, althans enkele met name door de rechtbank aan te duiden gedaagden, - zo mogelijk hoofdelijk – aansprakelijk zijn voor de door [eisers] geleden schade;

2. voor recht zal verklaren dat gedaagden, althans enkele met name door de rechtbank aan te duiden gedaagden gehouden zijn – zo mogelijk hoofdelijk – tot vergoeding van de schade die [eisers] door de onrechtmatige gedragingen, althans enkele nader door de rechtbank te duiden gedragingen, hebben geleden;

3. gedaagden alvast, zo mogelijk hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling aan [eisers] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van de door [eisers] ten gevolge van het onrechtmatig handelen van gedaagden geleden en te lijden schade, op een ten titel van voorschot te stellen bedrag van € 149.214,- dan wel een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente sedert de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

4. gedaagden zal veroordelen, zo mogelijk hoofdelijk, tot betaling tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] de door [eisers] ten gevolge van het onrechtmatig handelen van gedaagden geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, verminderd met het bedrag dat reeds als voorschot door de rechtbank is vastgesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

5. gedaagden zal veroordelen in de kosten en nakosten van het geding.”

3.2

[eisers] stellen zaakschade, herstelschade, waardevermindering, kosten van tijdelijke huisvesting, ontruiming van de gebouwen en tijdelijke opslag tijdens herstel en versterking, immateriële schade in de zin van psychische schade, inkomstenderving door schadeherstel bij buren, schade door privacyschending en verlies van woongenot.42 Als voorschot vorderen zij € 149.214, waarvan € 32.714 herstelkosten conform het rapport Vergnes en € 116.500 waardeverlies, nl. het verschil tussen de WOZ-waarde van de woning in 2005 (€ 224.500)43 en die in 2015 (€ 108.000).44

3.3

[eisers] stellen dat de bewijslast ter zake van het causale verband tussen hun schade en de gaswinning is omgekeerd en dat een bewijsvermoeden geldt (ik maak hieruit op dat zij het bewijsvermoeden ex art. 6:177a BW zien als omkering van de bewijslast). Zij achten zich afhankelijk van de onderzoeken die door de gedaagden zijn ingesteld, nu dergelijke onderzoeken in redelijkheid niet van [eisers] gevergd kunnen worden. Gegeven de grote ongelijkheid tussen de partijen achten zij omkering van de bewijslast op grond van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd. Wat het gestelde bewijsvermoeden betreft, wijzen zij op een amendement dat in de Mijnbouwwet zal worden opgenomen en dat zich al heeft vertaald in het bewijsvermoeden in art. 6:177a BW waarop zij zich beroepen. Zij wijzen verder op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 oktober 201645 (zie onderdelen 6.7-6.9 van de bijlage). Zij baseren hun beroep op de omkeringsregel ook op de door hen gestelde schending door NAM van de specifieke zorgplicht ex art. 33 Mijnbouwwet (Mbw) die tot bescherming tegen een bepaald gevaar strekt, welk gevaar zich heeft verwezenlijkt.46

De eis jegens NAM en dier verweer

3.4

Ter onderbouwing van hun vorderingen jegens NAM stellen [eisers] primair dat NAM op grond van art. 6:177(1)(b) BW risicoaansprakelijk is. Dat NAM exploiteert op basis van een vergunning vrijwaart haar niet van kwalitatieve aansprakelijkheid, noch van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.47Subsidiair stellen [eisers] NAM aansprakelijk op grond van art. 6:162 BW omdat NAM volgens [eisers] in strijd heeft gehandeld met art. 33 Mbw, dat op de exploitant/vergunninghouder de specifieke zorgplicht legt om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat door zijn winningsactiviteiten schade ontstaat. Die zorgplicht zien [eisers] ook in de artikelen 40, 44 en 45 Mbw. Volgens hen heeft NAM ondanks vele verzoeken geen concrete actie ondernomen om alle schade te vergoeden of om naar een definitieve oplossing te zoeken om [eisers] schadeloos te stellen. NAM heeft het proces juist getraineerd zonder echt te luisteren en heeft zich de belangen van [eisers] niet aangetrokken. Door dit onrechtmatig handelen is aan NAM toerekenbare schade ontstaan. Aan het relativiteitsvereiste is volgens [eisers] voldaan, nu de geschonden norm strekt tot voorkomen van de schade die zij hebben geleden.48 Tot onderbouwing van hun subsidiaire vorderingsgrondslag stellen [eisers] dat NAM hun eigendomsrecht ex. art. 5:1 jo. 5:20 BW heeft geschonden, nu de eigendom van de onroerende zaak van [eiseres 1] c.s mede omvat de zich daaronder bevindende aardlagen, die in beweging zijn gekomen door de gaswinning, waardoor schade aan hun woning is ontstaan. [eisers] achten NAM aansprakelijk voor de (gevolg)schade die door die inbreuk op hun eigendomsrecht is ontstaan.49

3.5

Bij verweer acht NAM in confesso dat zij risico-aansprakelijk is ex art. 6:177(1)(b) BW, zodat [eisers] geen belang hebben bij de door hen sub 1 gevorderde verklaring voor recht. Of en in hoeverre NAM aansprakelijk is, hangt ervan af of en in hoeverre de schade is veroorzaakt door aardbevingen als gevolg van gaswinning.50 Gegeven haar risicoaansprakelijkheid ex art. 6:177 BW, meent NAM dat [eisers] evenmin belang hebben bij hun subsidiaire op art. 6:162 BW gebaseerde vordering.51 NAM betwist overigens dat zij in strijd met art. 33 Mbw zou hebben gehandeld, nu haar handelen steeds gebaseerd is geweest op de beste toen beschikbare kennis. Die kennis van toen, niet die van nu, is beslissend. Hoe NAM de art. 40, 44 en 45 Mbw zou hebben geschonden, is door [eisers] niet gesteld of onderbouwd. Volgens NAM heeft de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] geen zelfstandige betekenis, nu gaswinning op zichzelf geen inbreuk is op enig recht en gaswinning door [eisers] op basis van de Mijnbouwwet moet worden gedoogd. NAM betwist dat de schade niet naar behoren zou zijn afgehandeld. Zij meent dat de verwijten jegens haar geen onrechtmatig handelen aan het licht brengen.52

3.6

De stelplicht en bewijslast ter zake van causaal verband tussen de aardbevingen en de schade aan de woning rusten volgens NAM volgens de hoofdregel van art. 150 Rv op [eisers] Gelet op het inmiddels in werking getreden wettelijke bewijsvermoeden in art. 6:177a BW, zijn andere bewijsvermoedens, een bewijslastomkering of de omkeringsregel niet aan de orde. De door [eisers] aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen toepassing van de omkeringsregel en het wettelijke bewijsvermoeden is beperkt tot fysieke schade die naar haar aard redelijkerwijs door beweging van de bodem zou kunnen zijn. Het is aan [eisers] te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen dat elk van de door hen gestelde schades aan hun woonhuis aan dit criterium voldoet. Het rapport van Vergnes van 14 augustus 2016 biedt daarvoor volgens NAM geen aanknopingspunten, nu alleen sprake is van B-schade, die dus niet is veroorzaakt door aardbevingen, want de primaire schadeoorzaak is een andere. Gelet op art. 6:177a lid 2 BW heeft NAM recht op een eigen onderzoek. NAM betwist het bestaan van de door [eisers] opgesomde schade. Zij betoogt verder dat eventuele waardevermindering van de woning (nog) geen schade is omdat een mindere waarde pas bij verkoop gevolgen heeft. Wat betreft de gestelde psychische schade merkt NAM op dat de rechtspraak en de literatuur hoge eisen stellen aan het bewijs van psychisch letsel. De door [eisers] overgelegde diagnostische brieven zijn volgens NAM onvoldoende objectief en geen bewijs van causaal verband tussen hun psychische letsel en de aardbevingen.53

De eis jegens EBN en haar verweer

3.7

[eisers] achten mede-exploitanten hoofdelijk aansprakelijk ex art. 6:182 jo. art. 6:177 BW en EBN is volgens [eisers] mede-exploitant, althans gebruiker van de mijnbouwwerken, nu zij ex art. 87 jo. art. 95 Mbw profiteert van de opbrengst van de gaswinning. NAM moet 40% van die opbrengsten afstaan aan EBN en daarmee aan de Staat der Nederlanden. [eisers] wijzen op de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 oktober 201654 (zie onderdelen 6.7-6.9 van de bijlage) inhoudende dat EBN de voor de Maatschap geëxploiteerde mijnbouwwerken mede in gebruik heeft en daarom exploitant is in de zin van art. 6:177(2)(b) BW. [eiseres 1] c.s achten EBN daarom net als NAM primair risico-aansprakelijk voor hun schade als gevolg van de aardbevingen en subsidiair aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen. Zij verwijzen naar de toelichting op hun vorderingen jegens NAM.55

3.8

EBN betwist bij verweer dat zij exploitant is in de zin van art. 6:177 BW, nu niet zij, maar uitsluitend NAM de winningsvergunning voor het Groningenveld houdt. Anders dan de rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van 5 oktober 201656 ten onrechte heeft aangenomen, valt EBN evenmin onder art. 6:177(2)(b) BW, nu EBN het mijnbouwwerk niet heeft aangelegd noch in gebruik heeft. Uit de OvS (zie 2.4 hierboven) volgt juist dat NAM de gebruiker is. NAM is de (feitelijke) exploitant als bedoeld in art. 6:177 BW; niet EBN of de Maatschap. Het profijtbeginsel maakt dat niet anders. EBN betwist evenzeer aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW. Een specifieke zorgplicht ex art. 33 Mbw kan volgens haar alleen op NAM rusten.57

De eis jegens de Maatschap en haar verweer

3.9

[eisers] menen dat de Maatschap zelfstandig drager van rechten en verplichtingen is en dus ook zelfstandig onrechtmatig kan handelen. De Maatschap is een samenwerkingsconstructie die volledig verantwoordelijk is voor de exploratie en exploitatie van het Groningse gasveld, zodat zij mede-exploitant is en bijgevolg risico-aansprakelijk ex art. 6:177 jo. 6:182 BW. Subsidiair achten [eisers] de Maatschap aansprakelijk ex art. 6:162 BW. Zij verwijzen naar de toelichting op hun vorderingen jegens NAM.58

3.10

De Maatschap stelt bij verweer dat zij een samenwerkingsverband is tussen NAM en EBN en geen rechtspersoonlijkheid heeft, zodat zij niet zelfstandig rechten en plichten draagt. Zij is een stille Maatschap die (dus) niet voor derden kenbaar (zelfstandig) deelneemt aan het rechtsverkeer. Uit de artikelen 1.2 en 5 van de OvS blijkt dat NAM en EBN zijn overeengekomen dat de Maatschap niet naar buiten toe optreedt. Uit de OvS blijkt verder dat NAM op eigen naam opspoort en wint en feitelijk is dat ook zo. De Maatschap kan daarom niet als procespartij optreden. Eventuele vorderingen moeten worden ingesteld tegen haar maten, zoals de rechtbank Noord-Nederland al heeft geoordeeld bij vonnis van 5 oktober 2016,59 aldus de Maatschap.60

De eis jegens de Staat en diens verweer

3.11

[eisers] constateren dat de Staat bij de gaswinning in diverse hoedanigheden optreedt. Hij is vergunningverlener, toezichthouder en via EBN in de maatschap betrokken exploitant. Daarnaast heeft hij een belangrijke rol in het schade-afhandelingsproces onder meer doordat de CBS in het leven is geroepen door de Minister van EZ.61 Een overheid die toerekenbaar niet anticipeert maar nalaat adequaat te reageren op berichten over mogelijke schade door gaswinning en verzuimt de nodige maatregelen te nemen, is volgens [eisers] op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk als de schade daarna optreedt. Een dergelijke plicht tot het nemen van veiligheidsmaatregelen blijkt onder meer uit het arrest van de Hoge Raad over de Vuurwerkramp in Enschede.62 De Staat heeft zich laten bijstaan door adviesorganen en heeft talloze onderzoeken uitgevoerd naar de relatie tussen gaswinning en aardbevingen, maar heeft geen maatregelen genomen om het gevaar dat door gaswinning ontstaat af te wenden; hij heeft integendeel de gaswinning juist stevig doorgezet. De Staat was volgens [eisers] al sinds 1993 bekend – had althans bekend moeten zijn – met het gevaar van gaswinning, met de aard en ernst van mogelijke schade en met de aanzienlijke kans op verwezenlijking van dat gevaar, maar heeft nagelaten om tijdig en effectief passende maatregelen te nemen. Hoewel [eisers] meer malen bij diverse overheidsinstanties aan de bel hebben getrokken, kregen zij overal nul op rekest omdat de Staat ten onrechte naar NAM wees. [eisers] achten de Staat ook aansprakelijk wegens tekort schieten in zijn zorgplicht.63

3.12

[eisers] zoeken de grondslag voor Staatsaansprakelijkheid mede in de artikelen 2, 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Art. 2 EVRM kent [eisers] een recht toe op een veilig leven, maar zij voelen zich al jaren niet meer veilig in hun woning en leefomgeving. De Staat heeft niets gedaan om hun leven veiliger te maken, maar juist bewerkstelligd dat hun veiligheid nog meer werd bedreigd. Er kan elke dag een aardbeving plaatsvinden en de angst daarvoor grijpt in het leven van [eisers] diep in. Het gebrekkige schadeafhandelingsproces, waarin de overheid via de CBS een grote rol speelde, heeft de psychische gezondheid van [eisers] zodanig aangetast dat zij beiden gediagnosticeerd zijn als lijdende aan PTTS. Daarmee heeft de Staat volgen hen ook art. 3 EVRM geschonden. De Staat heeft volgens hen ook art. 8 EVRM geschonden, nu hij de gasproductie heeft opgevoerd, met grote gevolgen voor het gezinsleven van [eisers]64

3.13

De Staat betwist bij verweer dat hij aansprakelijk is. Hij meent in de eerste plaats niet onrechtmatig te hebben gehandeld jegens [eisers] Hij wijst op de formele rechtskracht van de destijds door de minister van EZ genomen instemmingsbesluiten65 waartegen [eisers] hadden kunnen opkomen maar niet zijn opgekomen. De Staat heeft verder na het SodM-rapport van 22 januari 2013, dat de tot dan toe heersende inzichten deed kantelen, een reeks van preventieve en schadebeperkende maatregelen genomen, waaronder substantiële productiebeperkingen, waarbij steeds de veiligheid van de Groningse bevolking leidraad is geweest. De Staat ziet ook geen causaal verband tussen de gestelde schade en de aan de Staat verweten handelwijze. [eisers] hebben met niets onderbouwd dat hun schade door onrechtmatig handelen van de Staat is veroorzaakt.66

3.14

Bij tussenvonnis van 27 juni 2018 heeft de rechtbank het voornemen geuit om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en heeft zij de partijen in de gelegenheid gesteld zich over dat voornemen en over de door haar geformuleerde vragen uit te laten. Bij akten van 5 september 2018 hebben de partijen dat gedaan.

3.15

Bij vonnis van 10 oktober 2018 heeft de rechtbank naar aanleiding daarvan overwogen geen aanleiding te zien om de feiten aan te vullen, zoals [eisers] , NAM en de Staat hebben verzocht, en evenmin om de standpunten van de Staat uitgebreider weer te geven (rov. 2.9). De rechtbank heeft haar prejudiciële vragen bij dat vonnis geherformuleerd tot de boven (1.1) weergegeven vragen (rov. 2.10).

3.16

De partijen hebben schriftelijke opmerkingen bij u ingediend naar aanleiding van de aan u gestelde vragen en hebben op elkaars schriftelijke opmerkingen gereageerd. Ik behandel die opmerkingen en reacties hieronder bij de beantwoording van de prejudiciële vragen.

4 Beantwoording van de prejudiciële vragen

4.0

Inleiding

Algemene opmerkingen

4.0.1

[eisers] hebben vorderingen ingesteld tegen de Maatschap, NAM, EBN en de Staat. Geen van de prejudiciële vragen ziet op de positie van de Maatschap, hoewel de partijen van mening verschillen over de vraag of de Maatschap in rechte kan worden betrokken. In een eerdere uitspraak heeft de rechtbank Noord-Nederland die vraag ontkennend beantwoord omdat de Maatschap stil is.67 Kennelijk acht de rechtbank – mede gezien HR 5 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB710368 en HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY784069 – voldoende duidelijk dat de Maatschap niet in rechte kan worden betrokken.

4.0.2

Evenmin aan u voorgelegd is de omstreden vraag of de Staat als ‘exploitant’ in de zin van art. 6:177 BW kan worden aangemerkt. Die vraag heeft de rechtbank Noord-Nederland al tweemaal ontkennend beantwoord, ook in haar vonnis van 1 maart 2017 (door NAM genoemd: de Dijk -zaak) ten aanzien van onder meer [eisers]70 Dat vonnis heeft in zoverre gezag van gewijsde gekregen, maar deze discussie kan in andere procedures opnieuw oplaaien.

4.0.3

In deze procedure doet zich een aantal complicaties voor die beantwoording van sommige van de vragen problematisch maakt. Sommige vragen hebben een sterk feitelijke invalshoek, met name vraag 2 over de positie van EBN, die mijns inziens in de gestelde vorm niet kan worden beantwoord en abstracter zal moeten worden geherformuleerd.

4.0.4

In de tweede plaats heeft het genoemde vonnis van 1 maart 2017 van de rechtbank Noord-Nederland in de Dijk -zaak kracht van gewijsde. Ter zake van een aantal door de vragen 3 en 4 aangesneden kwesties is tussen [eisers] en de Staat al onherroepelijk geoordeeld, waardoor de vraag rijst of antwoord nodig is, in de zin van art. 392(1) Rv, om te kunnen beslissen op de vordering van [eisers] Daarbij komt dat het antwoord op beide vragen al éclairé lijkt door vaste rechtspraak, zodat zij zich ook op grond van art. 393(8) Rv niet lijken te lenen voor een prejudiciële beantwoording. Ik ga er niettemin op in.

4.0.5

In de derde plaats stelt NAM in deze procedure dat waardevermindering van een woning pas voor vergoeding in aanmerking kan komen bij verkoop van die woning, hoewel zij geen cassatieberoep heeft ingesteld tegen een eerder oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden dat die waardevermindering wel degelijk voor vergoeding in aanmerking komt los van verkoop.71 Als nu in antwoord op vraag 7 anders wordt geoordeeld dan dat hof deed, leidt dat tot ongelijke behandeling van bewoners binnen het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld, en kan naar aanleiding van dat hofarrest in opdracht van de Staat ontwikkeld beleid (een waardedalings-vergoedingsmodel) op losse schroeven komen te staan. (Toevoeging PJW: dat beleid is er inmiddels: zie de brief van minister Wiebes genoemd in 1.3.7a hierboven, en het rapport van de Adviescommissie Waardedaling, samengevat in onderdeel 5.6.8-5.6.9 van de bijlage bij deze conclusie).

De art. 6:177, 6:177a, 6:178 en 6:182 BW

4.0.6

De prejudiciële vragen betreffen voor een belangrijk deel uitleg van de art. 6:177 en 6:177a BW. Art. 6:177 BW luidt als volgt:

1. De exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet is aansprakelijk voor de schade die ontstaat door:

a. uitstroming van delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Mijnbouwwet als gevolg van het niet beheersen van de ondergrondse natuurkrachten die door de aanleg of bij de exploitatie van het werk zijn ontketend;

b. beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van dat werk.

2. In dit artikel wordt onder exploitant van een mijnbouwwerk verstaan:

a. de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de Mijnbouwwet, die een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen dan wel in gebruik heeft;

b. een ieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen dan wel in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a, tenzij hij in opdracht van een ander handelt die houder is van een vergunning als vorenbedoeld dan wel, indien die ander dat niet is, hij daarmee niet bekend was of behoorde te zijn.

3. Voor schade door uitstroming van delfstoffen is aansprakelijk degene die ten tijde van de gebeurtenis waardoor de uitstroming plaatsvindt, exploitant van een mijnbouwwerk is. Indien na deze gebeurtenis een ander exploitant wordt van het mijnbouwwerk, blijft de aansprakelijkheid voor deze schade rusten op degene die ten tijde van die gebeurtenis exploitant was. Indien de gebeurtenis plaatsvindt nadat het mijnbouwwerk is verlaten, rust de aansprakelijkheid op degene die de laatste exploitant van het werk was, tenzij op het tijdstip van die gebeurtenis meer dan vijf jaren waren verstreken nadat het werk was verlaten met inachtneming van de geldende overheidsvoorschriften.

4. Voor schade door beweging van de bodem is aansprakelijk degene die ten tijde van het bekend worden van deze schade exploitant is. Indien na het bekend worden een ander exploitant wordt, blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van dit bekend worden exploitant was. Indien deze schade bekend wordt na sluiting van het mijnbouwwerk, rust de aansprakelijkheid op degene die de laatste exploitant was.

5. Indien op de gebeurtenis waardoor de uitstroming of de beweging van de bodem is ontstaan, tevens een aansprakelijkheid uit artikel 173, 174 of 175 kan worden gegrond, rust die aansprakelijkheid, wat betreft de door die uitstroming of beweging van de bodem veroorzaakte schade, op dezelfde persoon als op wie de aansprakelijkheid ter zake van het mijnbouwwerk rust.

6. Op verzoek van de wederpartij verstrekt de exploitant alle informatie waarover hij beschikt ten aanzien van de exploitatie, de bodemstructuur en bodembewegingen die benodigd is om te kunnen beoordelen of zijn verweer gegrond is. Het verstrekken van informatie kan achterwege blijven indien daarvoor gewichtige redenen zijn.

7. Onverminderd de artikelen 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur staat de informatie ten aanzien van de exploitatie, de bodemstructuur en bodembewegingen waarover publiekrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hun adviserende instanties beschikken op verzoek van de exploitant ter beschikking van de wederpartij, voor zover die informatie benodigd is om te kunnen beoordelen of het verweer van de exploitant gegrond is.

4.0.7

Deze bepaling is in 1995 tegelijk met de art. 6:175, 176 en 178 ingevoerd en bevatte destijds alleen een kwalitatieve aansprakelijkheid voor de uitstroming van delfstoffen uit een boorgat.72 De bepaling is mede gebaseerd op het bij gebrek aan voldoende ratificaties niet in werking getreden73 Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie ten gevolge van opsporing en winning van minerale rijkdommen in de zee74 dat was opgesteld tijdens twee tussen 20 en 31 oktober 1975 en 13 en 17 december 1976 te London gehouden Intergouvernementele Conferenties.

4.0.8

Art. 6:177 BW vestigt een risicoaansprakelijkheid. Voor aansprakelijkheid van de mijnbouwonderneming hoeven onrechtmatigheid en schuld, zoals vereist voor aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW, niet onderzocht te worden.75 Met de risico-aansprakelijkheid beoogt de wetgever enerzijds dat bij de exploitatie van een mijnbouwwerk de grootst mogelijk zorg wordt betracht om schade te voorkomen en dat de exploitant zich tegen het risico van schade verzekert, althans voorzieningen treft om aan zijn financiële verplichtingen als gevolg van schade te kunnen voldoen, en anderzijds dat degenen die door de exploitatie schade hebben geleden eenvoudiger verhaal kunnen zoeken op die exploitant. Het gaat onder meer om schade voor personen of bedrijven en om schade aan het milieu.76 Art. 6:177 BW laat onverlet de mogelijkheid om de mijnbouwexploitant op grond van art. 6:162 BW aan te spreken.

4.0.9

Bij de invoering van de Mijnbouwwet 200377 is de reikwijdte van art. 6:177 BW uitgebreid tot schade door bodembeweging ten gevolge van mijnbouwactiviteiten. De grote maatschappelijke onrust over de aanhoudende en steeds zwaardere aardbevingen in het Groningse gaswinningsgebied waren vervolgens in 2016 aanleiding om informatieverplichtingen voor de exploitant op te nemen in lid 6 en om bovendien ter zake van fysieke schade aan gebouwen een wettelijk bewijsvermoeden ten gunste van gelaedeerden op te nemen in art. 6:177a BW.78

4.0.10

Omdat voor aansprakelijkheid van de mijnbouwexploitant voor schade geen fout van die exploitant of gebrek aan het mijnbouwwerk is vereist, zodat onrechtmatigheid en schuld niet ter zake doen, is de vraag naar het causale verband tussen mijnbouw en schade cruciaal: is de schade ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk? Er moeten dus twee causale verbanden bestaan: (i) tussen de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk en de bodembeweging en (ii) tussen die bodembeweging en de schade. De bewijslast ter zake van beide rust in beginsel op de gelaedeerde. Het in art. 6:177a BW opgenomen bewijsvermoeden verlicht die bewijslast aanzienlijk, maar alleen (i) ter zake van fysieke schade aan gebouwen en werken,79 (ii) binnen het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld.80 Art. 6:177a BW luidt als volgt:

1. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.

2. De benadeelde kan zich slechts beroepen op het vermoeden, bedoeld in het eerste lid, indien hij de exploitant, bedoeld in artikel 177, op diens verzoek de relevante bescheiden betreffende het gebouw of werk ter inzage geeft indien hij daarover beschikt, en de exploitant genoegzaam gelegenheid geeft de schade te onderzoeken.

Voor andere schade dan fysieke schade aan gebouwen en werken geldt het bewijsvermoeden niet, nu andere schade minder gelijksoortig en minder massaal is en vele oorzaken kan hebben los van mijnbouwactiviteiten.81 De territoriale afbakening “uit het Groningenveld” houdt geen contour in; de afbakening wordt aan de rechter overgelaten.82 Art. 6:177a BW staat niet in de weg aan een rechterlijk bewijsvermoeden in schadegevallen die niet door die bepaling worden bestreken.83

4.0.11

Art. 6:177a BW heeft onmiddellijke werking, zo volgt uit art. 68a(1) Overgangswet NBW. Het bewijsvermoeden geldt dus ook voor nog niet afgehandelde schade ontstaan vóór 1 januari 2017. In reeds lopende zaken kan de rechter de partijen op basis van art. 74(2) Overgangswet NBW in de gelegenheid stellen hun positie aan te passen aan het gewijzigde regime. Voor lopende zaken die in hoger beroep in staat van wijzen verkeren, geldt het bewijsvermoeden niet, tenzij de rechter anders beslist, aldus art. 74(3) Overgangswet NBW.

4.0.12

Art. 6:178 BW sluit aansprakelijkheid uit in de volgende gevallen:

Geen aansprakelijkheid krachtens artikel 175, 176 of 177 bestaat indien:

a. de schade is veroorzaakt door gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer of muiterij;

b. de schade is veroorzaakt door een natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onweerstaanbare aard, behoudens de in artikel 177 lid 1 bedoelde ondergrondse natuurkrachten in het geval van dat artikel;

c. de schade is veroorzaakt uitsluitend door voldoening aan een bevel of dwingend voorschrift van de overheid;

d. de schade is veroorzaakt bij een handeling met een stof als bedoeld in artikel 175 in het belang van de benadeelde zelf, waarbij het jegens deze redelijk was hem aan het gevaar voor schade bloot te stellen;

e. de schade is veroorzaakt uitsluitend door een handelen of nalaten van een derde, geschied met het opzet schade te veroorzaken, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 170 en 171;

f. het gaat om hinder, verontreiniging of andere gevolgen, ter zake waarvan aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken, zo zij door de aangesprokene bewust zouden zijn veroorzaakt.

4.0.13

Art. 6:182 BW ten slotte bepaalt dat als er tegelijkertijd twee of meer al of niet gezamenlijk handelende exploitanten zijn, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. De wetgever wilde aldus buiten twijfel stellen dat ook maten in een maatschap, ondanks de regeling bij maatschap, hoofdelijk aansprakelijk zijn.84 De algemene hoofdelijkheidsregels van art. 6:6-6.14 en 6:102 BW zijn van toepassing.

4.1

Vraag 1 : In hoeverre heeft het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 lid 1 sub b BW en op grond van artikel 6:162 BW gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade?

Algemene opmerkingen

4.1.1

Alleen [eisers] en de Maatschap/NAM gaan op deze vraag in.85 De Staat86 en EBN87 verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van NAM.

4.1.2

De vraag houdt verband met de door [eisers] subsidiair aan hun eisen jegens NAM, de Maatschap en EBN ten grondslag gelegde rechtsgrond. Volgens [eisers] zijn NAM, de Maatschap en EBN subsidiair op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk, omdat zij toerekenbaar in strijd met art. 33 (en art. 40, 44 en 45) Mbw zouden hebben gehandeld. Volgens [eisers] hebben zij niet voldaan aan de verplichting alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs gevergd kunnen worden om te voorkomen dat door de mijnbouwactiviteiten schade ontstaat. NAM stelt dat [eisers] geen belang hebben bij een vordering gebaseerd op art. 6:162 BW, omdat NAM aansprakelijkheid op grond van art. 6:177 BW erkent.88

4.1.3

Gezien die erkenning is de betekenis van deze vraag voor deze procedure van geringe betekenis. Het valt niet te verwachten dat NAM later het standpunt zal innemen dat schade in verband met de aard van haar (risico-)aansprakelijkheid niet voor vergoeding in aanmerking komt. Zou NAM dat wel doen, dan zou haar mijns inziens haar thans ingenomen standpunt kunnen worden tegengeworpen dat art. 6:162 BW niets toevoegt. Daarmee lijkt de vraag of een verschil in reikwijdte bestaat tussen risicoaansprakelijkheid en schuldaansprakelijkheid in casu meer theoretisch.

4.1.4

De vraag is eerder aan de orde geweest in de procedures die hebben geleid tot de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 201589 (zie onderdelen 6.1-6.2 van de bijlage; door NAM en de maatschap genoemd: de WAG-zaak) en van 1 maart 201790 (zie onderdeel 6.10-6.19 van de bijlage; door NAM en de Maatschap genoemd: de Dijk -zaak). In het eerste vonnis oordeelde de rechtbank dat de eisers geen belang hadden bij een verklaring voor recht dat NAM ook op grond van art. 6:162 BW jegens hen aansprakelijk is. In het tweede vonnis oordeelde zij dat beoordeeld moet worden of NAM jegens de eisers toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld, omdat volgens vaste rechtspraak de aard van de aansprakelijkheid een van de factoren is bij de vaststelling van een eventuele immateriële schadevergoeding. In de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 1 maart 2017 (de Dijk -zaak) waren ook [eisers] als eisende partij betrokken. NAM heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. In die hoger-beroepsprocedure zijn grieven en weren gewisseld. NAM vermeldt in haar schriftelijke opmerkingen sub 14 dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wacht met bepaling van de pleidooidatum tot na uw beantwoording van de prejudiciële vragen.

4.1.5

De twee uitspraken staan niet noodzakelijk op gespannen voet met elkaar. In het vonnis van 2 september 2015 heeft de rechtbank overwogen dat samenloop van beide aansprakelijkheidsbepalingen mogelijk is, maar dat die samenloop in dat geval niets toe of af deed aan de vorderingen. Anders dan in de Dijk -zaak van 1 maart 2017 waren de eisers in de WAG-zaak van 2 september 2015 geen natuurlijke personen, maar de Stichting WAG en enkele woningcorporaties, bij wie vergoeding van immateriële schade niet aan de orde was: vergoeding van waardedaling van woningen en andere onroerende zaken stond centraal. Het desbetreffende oordeel van de rechtbank was dan ook beperkt tot “dit geval” en tot “de concrete vorderingen van eisers”.

Standpunten [eisers] en NAM

4.1.6

Beide kanten menen dat het onderscheid tussen aansprakelijkheid op grond van art. 6:177(1)(b) BW en aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW geen gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade moet hebben. Zij achten de aard van de aansprakelijkheid van belang bij de toerekening van de schade in de zin van art. 6:98 BW en betogen dat uit het arrest Amercentrale91 afgeleid kan worden dat schade bij risicoaansprakelijkheid in het algemeen minder ruim wordt toegerekend dan schade als gevolg van een onrechtmatige daad. Uit de meer recente zaak [...] /Ouders92 volgt huns inziens echter dat hoewel risicoaansprakelijkheid vanwege haar verschil met schuldaansprakelijkheid in beginsel zou kunnen leiden tot beperktere toerekening ex art. 6:98 BW, de toerekening uiteindelijk afhangt van de strekking van de specifieke risicoaansprakelijkheid. Die strekking kan zeer wel meebrengen dat niet beperkter wordt toegerekend dan onder schuldaansprakelijkheid. Zowel [eisers] als NAM onderbouwen met verwijzingen naar de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:177 BW dat met de risico-aansprakelijkheid in die bepaling een ruime bescherming van gelaedeerden is beoogd. Dat pleit voor ruime toerekening en brengt mee dat bij de toepassing van art. 6:98 BW aan de aard van de aansprakelijkheid ((i) schuld of risico? En (ii) wegens overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm93 of van een gewone zorgvuldigheidsnorm?) slechts beperkt gewicht toekomt en de nadruk ligt op andere toerekeningsfactoren, met name de aard en de voorzienbaarheid van de schade.94

Beantwoording

4.1.7

Ik meen dat het onderscheid tussen de aansprakelijkheid ex art. 6:177(1)(b) BW en die ex art. 6:162 BW in dit geval geen gevolgen voor de aanspraak op vergoeding van (im)materiële schade moet hebben,95 waarmee ik niet wil zeggen dat het onderscheid tussen risicoaansprakelijkheid en schuldaansprakelijkheid geen betekenis zou hebben voor toerekening. Het belang van het onderscheid zal acht slaand op de aard van de schade en – gegeven de uiteenlopende strekkingen van diverse risicoaansprakelijkheden – per risicoaansprakelijkheid moeten worden beoordeeld. De risicoaansprakelijkheden kennen elk hun eigen begrenzing die zicht geeft op mogelijke meerwaarde van art. 6:162 BW.96 Het ligt voor de hand om wel betekenis toe te kennen aan de aard van de aansprakelijkheid als het gaat om milieuschade of bijvoorbeeld tweede of verdere graadschade zoals economische schade, waarbij de schade in een verder verwijderd verband met de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis staat.97

4.1.8

De partijen betrekken vraag 1. alleen op de toerekening ex art. 6:98 BW. De aard van de aansprakelijkheid kan echter ook een rol spelen bij voordeelstoerekening (art. 6:100 BW),98 eigen schuld (art. 6:101 BW),99 de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade (art. 6:106 BW)100 en matiging (art. 6:109 BW).101 Het onderscheid lijkt in die verbanden echter enigszins academisch van aard. Bij de toepassing van die leerstukken ligt differentiatie naar waardering van schuldgraad meer voor de hand dan op basis van het grove onderscheid tussen risico- en schuldaansprakelijkheid,102 omdat bij deze leerstukken het verwijt relevanter lijkt dan de aard van de aansprakelijkheid: dat het om risicoaansprakelijkheid gaat, betekent niet dat de mate van verwijt jegens de aansprakelijke partij irrelevant is. Als haar minder verwijt treft, komt aan eigen schuld van de benadeelde relatief meer gewicht toe en zijn voordeelstoerekening en matiging eerder op hun plaats.

4.1.9

Voor de toerekening ex art. 6:98 BW, lijkt mij de door de partijen voorgestane beantwoording juist. Dat het gaat om risicoaansprakelijkheid brengt niet automatisch mee dat beperkt wordt toegerekend. De toerekening wordt in de eerste plaats bepaald door de strekking (het beschermingsdoel) van de betrokken risico-aansprakelijkheid.103 Het Amercentrale-arrest, over de instorting van een opslagtank met olie-uitstroom in de Amer en schade voor derden tot gevolg, gewezen onder vigeur van de voorloper van de huidige aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen, zegt over risico-aansprakelijkheid voor gebouwen dat die naar haar aard beperkt is tot de schade die het typische gevolg is van de instorting ervan en tot het normale risico van de eigenaar behoort.104 U oordeelde overigens in concreto dat de olie-uitstroom en de gevolgen daarvan onder die normale en typische gevolgen van instorting van een bovengrondse olie-opslagtank vielen. In de zaak [...] /Ouders daarentegen, over de aansprakelijkheid ex art. 6:169(1) BW van ouders voor hun fikkie stokende kinderen jonger dan 14 jaar, oordeelde u, anders dan de feitenrechter, dat inkomensschade naar zijn aard in het algemeen het alleszins voorzienbare gevolg is van een brand als de onderhavige105 (het ging om brand in de Frieslandhallen, die de horecagelegenheid verwoestte die [...] tegen zeer gunstige voorwaarden huurde; door die verwoesting eindigde dat lucratieve huurcontract; [...] en de verhuurder konden het vervolgens niet eens worden over een nieuw huurcontract).106

4.1.10

Art. 6:177 BW heeft enerzijds tot doel dat de grootst mogelijk zorg wordt betracht om schade te voorkomen en dat de mijnbouwexploitant zich ook tegen het schade-risico zal verzekeren en anderzijds dat degenen die schade hebben geleden eenvoudiger verhaal kunnen zoeken op die exploitant. Daarbij gaat het niet alleen om schade voor personen of bedrijven, maar ook om schade aan het milieu en dus bijvoorbeeld ook om verhaal van de kosten van herstel van milieuschade.107 De parlementaire geschiedenis benadrukt dat het gaat om een bron van verhoogd gevaar waartegen potentiële slachtoffers beschermd moeten worden108 en dat concentratie van aansprakelijkheid bij een of enkele personen eraan bijdraagt dat het risico kan worden berekend en verzekerd en een bedrijfseconomische rol kan spelen waar het dat behoort te doen.109 De houder van de winningsvergunning is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt, maar dat sluit niet uit dat schade voor anderen ontstaat en die eventuele schade behoort voor rekening te komen van degene die het economisch profijt heeft van de risicoscheppende activiteit.110 De memorie van toelichting (MvT) licht toe dat door de risicoaansprakelijkheid kwesties als onrechtmatigheid van de schadeveroorzakende gebeurtenissen niet meer relevant zijn.111 Daarbij past minder goed dat art. 6:162 BW een rol van betekenis zou spelen als gevolg van beperkingen bij art. 6:177 BW. De MvT vermeldt verder:112

“(…) dat hier de nadruk ligt op gevaren die zich hierdoor kenmerken dat zij zich weliswaar zelden verwezenlijken, maar dat, zo zij zich verwezenlijken, de mogelijkheid van zeer omvangrijke schaden aanwezig is. In dergelijke rampgevallen is het te meer onaanvaardbaar dat de gevolgen daarvan niet zouden behoeven te worden gedragen door de onderneming waarvan de activiteiten tot de ramp hebben geleid.”

4.1.11

Bauw113 merkt terecht op dat het uitgangspunt dat het gaat om schade die zich zelden verwezenlijkt boven het Groningenveld door de werkelijkheid is achterhaald. De grondslag voor de aansprakelijkheid lijkt primair te moeten zijn dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is de nadelen van de langdurig zeer lucratief gebleken aardgaswinning af te schuiven op een beperkte groep individuen, hetgeen een ruime toerekening rechtvaardigt, ongeacht de soort schade: de mogelijke schadeposten, waaronder fysieke schade aan gebouwen en werken, waardevermindering, bedrijfseconomische schade, immateriële schade van bewoners en letselschade of overlijden door instorting, zijn mijns inziens – zeker sinds 2012, waarna de gasproductie nog werd opgevoerd – het voorzienbare gevolg van de bodembeweging, hetgeen eveneens toerekening rechtvaardigt.

4.1.12

Ik concludeer dat de aard van de aansprakelijkheid ex art. 6:177 BW geen reden is om beperkt toe te rekenen; eerder om ruim toe te rekenen. Een grens moet wellicht worden getrokken bij milieuschade of tweede of verdere graadschade zoals economische schade. Of in dat geval alsnog art. 6:162 BW in beeld komt, hangt er vooral vanaf of jegens de betrokken gelaedeerden onrechtmatig is gehandeld.114 Ik merk daarbij op dat een benadeelde die NAM ex art. 6:162 BW aanspreekt, op het beginsel van formele rechtskracht (van de vergunning en de ministeriële instemming) zou kunnen stuiten. Zie vraag 4 hieronder, met name onderdeel 4.4.9.

4.2

Vraag 2 : Is er ruimte voor het aansprakelijk houden van EBN op grond van artikel 6:177 lid 2 sub b BW naast het aansprakelijk zijn van NAM op grond van artikel 6:177 lid 2 sub a BW? Kan EBN mede gelet op haar bijzondere positie als staatsdeelnemer in de maatschap, als exploitant in de zin van artikel 6:177 lid 2 sub b BW, worden aangemerkt?

Algemene opmerkingen

4.2.1

Alleen [eisers] en EBN gaan op deze vraag in. De Staat115 en NAM116 verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van EBN.

4.2.2

De kwestie is al eerder bij de rechtbank Noord-Nederland aan de orde geweest, die bij vonnis van 5 oktober 2016117 heeft geoordeeld (zie onderdelen 6.7-6.9 van de bijlage) dat EBN als sub b. exploitant is aan te merken. De rechtbank overwoog dat EBN niet in opdracht van vergunninghouder NAM handelt en dat EBN mede-eigenaar van de mijnbouwwerken is, waaruit volgt dat zij daarvan het gebruik heeft terwijl zij daarvan ook daadwerkelijk gebruik maakt door mede het beleid te bepalen en profijt te trekken van de mijnbouwwerkzaamheden. De rechtbank wees er verder op dat EBN in de parlementaire geschiedenis herhaaldelijk als exploitant en explorant wordt aangemerkt.118

Herformulering van de vraag

4.2.3

EBN meent dat de vraag of zij ex art. 6:177(2)(b) BW aansprakelijk kan zijn naast NAM een feitelijke vraag is, die niet prejudicieel kan worden beantwoord. De vraag zou volgens haar niet moeten worden toegespitst op haar al dan niet aansprakelijk zijn, maar op de uitleg van art. 6:177(2)(b) BW in abstracto.119 Zij stelt de volgende herformulering voor:120

“Hoe dient het begrip ‘eenieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen of in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a’ in de zin van art. 6:177 lid 2 sub b BW te worden uitgelegd, en welke omstandigheden zijn bij de beoordeling daarvan van belang? Is daarbij in het bijzonder de positie van EBN binnen de Maatschap relevant?”

4.2.4

Uit de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] maak ik op dat zij het met deze herformulering niet eens zijn, maar dat hun bezwaren beperkt zijn tot de tweede deelvraag121 omdat die niet langer vraagt naar de betekenis van het gegeven dat EBN staatsdeelnemer is in de Maatschap. Met [eisers] meen ik dat dit onderdeel van de vraagstelling niet mag wegvallen. Voor het overige deel ik de opvatting van EBN dat te abstraheren ware van de feitelijke vraag of EBN naast NAM ex art. 6:177(2)(b) BW aansprakelijk kan worden geacht en de vraag ware toe te spitsen op de uitleg van die bepaling in meer algemene zin. [eisers] zijn voldoende in de gelegenheid geweest om op dit voorstel en deze lezing te reageren. De vraag komt daarmee als volgt te luiden:

“Hoe dient het begrip ‘eenieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen of in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a’ in de zin van art. 6:177 lid 2 sub b BW te worden uitgelegd, en welke omstandigheden zijn bij de beoordeling daarvan van belang? Is daarbij in het bijzonder de positie van EBN als staatsdeelnemer binnen de maatschap relevant?”

Standpunt [eisers]

4.2.5

menen dat EBN naar de bewoordingen van art. 6:177 BW exploitant is.122 Uit de Nota van minister De Pous volgt dat het Groningenveld voor gezamenlijke rekening van NAM en EBN wordt geëxploiteerd en dat deze partijen gezamenlijk het beleid bepalen.123 Daarbij heeft EBN ook profijt van de gaswinning.124 Deze economische en zeggenschapsverhouding is nadien meer malen bevestigd en volgt ook uit de OvS.125 Gezien haar zeggenschap heeft EBN de mijnbouwwerken mede doen aanleggen.126 EBN draagt bovendien op meer plaatsen zelf uit dat zij actief gas wint.127 Uit de feitelijke gang van zaken rond de gaswinning volgt aldus dat EBN geen investeringsmaatschappij is, maar een olie- en gasbedrijf in handen van de Staat.128 wijzen er op dat minister De Pous bij de aanvang van de gaswinning stelde “dat de exploitanten, dus de oliemaatschappijen en de Staatsmijnen, ten volle aansprakelijk zijn voor eventuele mijnschade”.129 Meer recent merkte de minister van Economische Zaken over art. 6:177 BW op dat “deze schade (…) voor rekening [dient] te komen van degene wiens activiteiten aanleiding zijn (geweest) voor het ontstaan ervan en die deze activiteiten tevens economisch profijt heeft opgeleverd.”130 Het strookt volgens [eisers] niet met de door de wetgever gewenste slachtofferbescherming, noch met het profijtbeginsel om het begrip exploitant in art. 6:177 BW in weerwil van het voorgaande beperkt uit te leggen.131

4.2.6

De schriftelijke opmerkingen van [eisers] gaan vooral over feiten en hun waardering. In deze prejudiciële procedure kan niet worden beoordeeld of uit de OvS, de verhoudingen tussen de maten, EBN’s feitelijke gedragingen of hetgeen zij uitdraagt, volgt dat zij geen investeringsmaatschappij maar een olie- en gasbedrijf in Staatshanden is. Bij de uitleg van art. 6:177 BW komt mijns inziens geen grote betekenis toe aan de van ver voor de inwerkingtreding van deze bepaling daterende opvatting van minister De Pous dat de Staatsmijnen exploitant en aansprakelijk zijn.

4.2.7

Uit de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] maak ik op dat zij de bijzondere positie van EBN als staatsdeelnemer in de maatschap relevant achten voor de beantwoording van de (eerste) vraag. Daarin leggen zij opnieuw de nadruk op de rol van EBN als mede-beleidsbepaler, maar ook op die van staatsdeelnemer,132 wiens verantwoordelijkheid volgens hen verder reikt dan die van een op winst gerichte onderneming: de Staat wordt geacht een breder belang te dienen en op een staatsdeelneming rust dan ook een bijzondere zorgplicht.133 De art. 2, 3 en 8 EVRM en art. 1 Eerste Protocol EVRM hebben hier huns inziens indirecte horizontale werking. Zij wijzen ook op de VN-richtlijnen voor mensenrechtenbescherming door ondernemingen.134 Ik begrijp hun betoog aldus dat in verband met de genoemde mensenrechtenbescherming de risicoaansprakelijkheid ex art. 6:177(2)(b) BW jegens EBN extensief moet worden uitgelegd.

Standpunt EBN

4.2.8

EBN wijst erop dat de beantwoording van deze vraag van groot belang is voor haar positie in diverse procedures over schade door de Groningse gaswinning. Als zij wordt beantwoord zoals door haar bepleit, zullen eisers er volgens haar waarschijnlijk van afzien EBN nog verder in procedures te betrekken.135 EBN stelt dat zij door haar deelneming in de maatschap hoe dan ook meebetaalt aan de schade en dat haar aansprakelijkstelling naast die van NAM enkel leidt tot aanzienlijke kosten, en ook voor de eisers het risico meebrengt dat zij in die proceskosten worden veroordeeld.136 De meerwaarde van aansprakelijkstelling onder art. 6:177 BW lijkt voor de eisers vooral te liggen in de hoofdelijkheid ex art. 6:182 BW. EBN merkt verder op dat de beantwoording van de vraag gevolgen kan hebben voor de bijna 200 andere samenwerkingsverbanden waarvan EBN deel uitmaakt.137

4.2.9

Hoewel EBN herformulering voorstaat waarmee van feitelijke aansprakelijkheid wordt geabstraheerd, gaat zij veiligheidshalve uitvoerig in op de praktijk van de gaswinning, haar rol en de verhouding tussen EBN en NAM binnen het samenwerkingsverband om te onderbouwen dat zij feitelijk geen exploitatiewerkzaamheden verricht.138 Zij wijst erop dat de blijvende participatie van de Staat strekt tot bescherming van de belangen van de verbruikers.139 Uit de Mijnbouwwet volgt dan ook dat zij met name een publieke, controlerende en beherende taak heeft.140 Zij bespreekt de bepalingen van de OvS waaruit volgt dat via de maatschap gezamenlijk beleid wordt gevoerd en het economisch belang wordt gedragen, maar ook dat NAM is belast met de bedrijfsvoering en de feitelijke mijnbouwwerkzaamheden.141 Alleen NAM is daartoe uitgerust en bevoegd.142 EBN wijst erop dat de minister van EZ in 2018 verklaarde dat “NAM (…) de houder van deze winningsvergunning [is] en om die reden is ook alleen NAM gerechtigd om de feitelijke winningswerkzaamheden uit te voeren. NAM is daarmee de exploitant van het Groningenveld.”143 Eerder al deelde de minister mee dat “EBN (…) dan ook niet gerechtigd [is] om zelf gas te winnen uit het Groningenveld” en dat “EBN (…) zelf geen operationele mijnbouwwerkzaamheden uit[voert]”.144 Ook in de door haar voorgestelde beantwoording van de door haar geherformuleerde vraag, gaat zij feitelijke kwalificaties niet uit de weg, met name niet die waaruit moet volgen dat EBN geen feitelijke mijnbouwactiviteiten verricht.145

4.2.10

EBN bepleit op basis van de wettekst, de ratio van de risicoaansprakelijkheid, de parlementaire geschiedenis van art. 6:177 BW en de Mijnbouwwet dat als lid 2(b)-exploitant enkel een partij kan kwalificeren die feitelijke mijnbouwwerkzaamheden verricht.146 Uit de wettekst volgt dat de wetgever in beide subonderdelen van lid 2 het oog heeft op dezelfde activiteit: het (doen) aanleggen of in gebruik hebben van een mijnbouwwerk. Daarvan kan alleen worden gesproken bij fysieke werkzaamheden, vergelijkbaar met de werkzaamheden bedoeld in art. 6 Mbw, de opsporing en winning van delfstoffen.147 Dat wordt bevestigd doordat in de parlementaire geschiedenis steeds wordt aangehaakt bij mijnbouwactiviteiten148en herhaaldelijk wordt gesproken over de mijnbouwondernemer,149 die in art. 134 jo. 113 Mbw wordt gedefinieerd als “een natuurlijk persoon of rechtspersoon die mijnbouwactiviteiten verricht”. Bij die definitie kan hier worden aangesloten, nu zij deel uitmaakt van de regeling Waarborgfonds mijnbouwschade, die complementair is aan de regeling van art. 6:177 BW.150 Deze uitleg van art. 6:177(2)(b) BW strookt ook met de definitie van exploitant in art. 1(x) Mbw; die bepaling wijst de persoon aan die feitelijk mijnbouwt.151 De exploitant kan worden vergeleken met de bedrijfsmatig gebruiker in art. 6:181 BW.152 De term ‘exploitant’ is beperkt tot de actieve mijnbouwer omdat alleen de onderneming die de mijnbouwwerkzaamheden uitvoert de kennis en kunde heeft om de vereiste voorzorgsmaatregelen te kunnen treffen.153 Dat is volgens EBN ook de achtergrond van de in art. 33 Mbw op de vergunninghouder gelegde zorgplicht.154 Uit de parlementaire geschiedenis volgt dan ook dat de gevolgen van de verwezenlijking van een verhoogd gevaar bij de veroorzaker moesten liggen. Alleen degene die de feitelijke mijnbouw-werkzaamheden verricht, kan als veroorzaker worden aangemerkt. Uit diezelfde totstandkomingsgeschiedenis volgt dat de regeling een aansprakelijkheidsgat moest voorkomen in geval van illegale boringen, of legale boringen waarvoor geen vergunning nodig is.155 Dat strookt ook met de opzet van art. 6:176(2) BW, bij welke bepaling de wetgever wilde aansluiten en waarin eveneens twee soorten exploitant worden onderscheiden,156 en ook met het getrapte systeem dat het niet in werking getreden Verdrag kende waarop art. 6:177 BW is geënt.157

4.2.11

EBN stelt verder dat de aard van de aansprakelijkheid noodzaakt tot een nauwkeurige afgrenzing – de omvang van de aansprakelijkheid moet vooraf duidelijk zijn – en een restrictieve benadering. Zij ziet geen ruimte voor analoge toepassing (zij spreekt van een a contrario-redenering) van art. 6:177 BW op de grond dat zij economisch profijt van de mijnbouwactiviteiten heeft, of op de grond dat het profijtbeginsel een rol heeft gespeeld bij de invoering van de risicoaansprakelijkheid. Niet iedereen die profijt heeft bij mijnbouwactiviteiten is exploitant van een mijnbouwwerk.158

4.2.12

EBN meent dat uit het voorgaande ook volgt dat haar bijzondere positie in de maatschap als staatsdeelnemer niet relevant is.

Beantwoording

4.2.13

De bijzondere positie van EBN als staatsdeelnemer in de Maatschap lijkt mij niet relevant voor de uitleg van het begrip ‘eenieder die, anders dan als ondergeschikte, een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen of in gebruik heeft zonder dat hij houder is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a’ in de zin van art. 6:177(2)(b) BW omdat een discussie over de zorgplicht van een staatsdeelneming of staatsonderneming bij de respectering van mensenrechten mijns inziens op basis van art. 6:162 BW moet worden gevoerd (en in dat kader een met voldoende waarborgen omklede rechtsingang bestaat), terwijl uit niets blijkt dat de wetgever de inhoud van de term ‘exploitant’ in art. 6:177(2)(b) BW wilde laten afhangen van de vraag of één of meer van de bij een maatschap betrokken entiteiten naast de a-exploitant al dan niet een overheidslichaam is.

4.2.14

Anders dan EBN, meen ik dat de tekst van de wet niet uitsluit dat ook een (mede)beleidsbepaler en/of profijttrekker van mijnbouwactiviteiten onder omstandigheden als exploitant worden aangemerkt zonder dat deze zelf feitelijke mijnbouwwerkzaamheden uitvoert. Maar op wetssystematische gronden meen ik dat art. 6:177(2)(b) BW complementair is aan art. 6:177(2)(a), dat mijns inziens alleen geactiveerd wordt als geen exploitant art. 6:177(2)(a) BW kan worden aangewezen.

4.2.15

De risicoaansprakelijkheden zijn limitatief in de wet opgesomd.159 In gevallen buiten hun bereik komt alleen art. 6:162 BW als grondslag voor aansprakelijkheid in aanmerking.160 Dit limitatieve karakter staat op gespannen voet met een extensief bereik van risicoaansprakelijkheden, zoals bijvoorbeeld volgt uit de beperkte toepassing van art. 6:171 BW in Energie Delfland/Stoeterij De Kraal161en van art. 6:172 BW in [...] / [...] .162Risicoaansprakelijkheid als afwijking van het uitgangspunt van schuldaansprakelijkheid vereist eerder een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de kring van aansprakelijken,163 opdat zij hun gedrag daarop kunnen aanpassen, bijvoorbeeld, in het geval van een mijnbouwexploitant, door voorzorgsmaatregelen te nemen en een verzekering af te sluiten.164

4.2.16

Dit een en ander brengt mijns inziens mee dat analoge toepassing van risico-aansprakelijkheden om meer slachtofferbescherming te kunnen bieden of het profijtbeginsel meer prominent te kunnen toepassen in beginsel van de hand moet worden gewezen.

4.2.17

Uit de wettekst volgt dat exploitant is degene die het mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen of in gebruik heeft. Deze bewoordingen worden in zowel lid 2(a) (vergunninghouder) als lid 2(b) (niet-vergunninghouder) gebruikt. Met EBN meen ik dat daaruit volgt dat de wetgever beide keren het oog had op dezelfde bezigheden. Uit vergelijking met het systeem van de Mijnbouwwet volgt dat het daarbij niet alleen om fysieke mijnbouwwerkzaamheden gaat. Art. 1(x) Mbw bepaalt dat exploitant is een houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of, indien er meer houders van de vergunning zijn, één van die houders die overeenkomstig art. 22(5) Mbw is aangewezen om de ‘feitelijke werkzaamheden’ te verrichten of daartoe opdracht te geven. EBN ziet in de term “de feitelijke werkzaamheden” bevestiging van haar uitleg dat ook in art. 6:177 BW de feitelijke mijnbouwactiviteiten centraal staan. Dat lijkt mij niet juist.

4.2.18

Als er meer vergunninghouders zijn, wordt ingevolge art. 22 Mbw één van die houders aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te geven en is alleen de aangewezene daartoe vervolgens bevoegd. In het systeem van de Mijnbouwwet is er dus maar één exploitant: degene die de feitelijke werkzaamheden verricht of doet verrichten, ook als er meer vergunninghouders zijn. Dat dit bij art. 6:177(2)(a) BW anders is, volgt uit art. 6:182 BW, dat uitgaat van de mogelijkheid dat er tegelijkertijd twee of meer al dan niet gezamenlijk handelende exploitanten zijn. Deze hoofdelijkheidsbepaling zou ten aanzien van art. 6:177(2)(a) BW zinloos zijn als exploitant in die bepaling hetzelfde zou betekenen als in de Mijnbouwwet. Hoofdelijkheid ex art. 6:182 BW kan alleen betekenis hebben als het in art. 6:177(2)(a) BW bedoelde aanleggen, doen aanleggen of in gebruik hebben van een mijnbouwwerk meer omvat dan de in art. 22 Mbw bedoelde feitelijke werkzaamheden, die maar door één vergunninghouder mogen worden verricht. Als de woorden ‘aanlegt of doet aanleggen of in gebruik heeft’ in lid 2(a) ruimer moeten worden uitgelegd dan alleen feitelijke werkzaamheden, dan geldt hetzelfde voor het gelijkluidende zinsdeel in lid 2(b). Dit betekent mijns inziens dat de tekst van art. 6:177(2) BW toelaat dat een persoon een mijnbouwwerk ‘gebruikt’ en daarmee exploitant is hoewel hij geen feitelijke mijnbouwwerkzaamheden verricht, maar wel (mede) het mijnbouwbeleid bepaalt en daaruit profijt trekt. Daarmee is nog niet gezegd dat iemand die – niet als ondergeschikte of in opdracht van de vergunninghouder – in deze positie verkeert zonder vergunninghouder te zijn, exploitant is ex lid 2(b). Niet alleen hetgeen de wettekst toelaat is van belang, maar vooral de ratio van lid 2(b).

4.2.19

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de schade voor rekening moet komen van degene wiens mijnbouwactiviteiten aanleiding zijn (geweest) voor het ontstaan ervan en die economisch profijt heeft getrokken van deze activiteiten,165 maar daaruit volgt niet dat iedereen risicoaansprakelijk is die betrokken is geweest bij de schadeveroorzakende activiteiten en daarvan profijt heeft getrokken. Dat de wetgever met art. 6:177(2)(b) BW een beperkter toepassingsbereik voor ogen stond, volgt uit de door EBN onder 3.5.5. van haar schriftelijke opmerkingen geciteerde passage uit de memorie van toelichting bij art. 6.3.2.7c NBW (thans art. 6:177(2)(b) BW):166

“Lid 2 onder b betreft de restgevallen, waarin een concessie, vergunning of ontheffing ontbreekt. Men denke aan illegale boringen, maar ook aan de boringen bedoeld in art. 2 lid 3 van de Wet opsporingen delfstoffen: boringen op het land waarmede niet wordt beoogd het aantonen van de aanwezigheid van delfstoffen.”

4.2.20

Met EBN meen ik dat hieruit volgt dat de wetgever wilde voorkomen dat een leemte in het aansprakelijkheidsregime ontstaat als geen vergunninghouder valt aan te wijzen, zoals bij activiteiten die zonder vergunning illegaal zijn en activiteiten waarvoor geen vergunning is vereist.167 Hij wilde mijns inziens bij ontbreken van een vergunning naast de feitelijke (illegale) mijnbouwer ook profijttrekkende medebeleidsbepalers onder het regime van art. 6:177 BW brengen. Is er wel een vergunninghouder, dan is er geen leemte. Nu NAM als vergunninghouder fysieke mijnbouwwerkzaamheden verricht en EBN geen vergunning heeft, blijft EBN onder art. 6:177 BW buiten schot: vergunninghouder NAM kan immers reeds ex art. 6:177(2)(a) en (4) BW worden aangesproken. Het subsidiaire art. 177(2)(b) BW, geschreven voor als er geen vergunninghouder is, komt dan niet meer aan bod. Zou NAM zonder vergunning fysiek mijnbouwen (en EBN is profijttrekkende mede-beleidsbepaler), dan zouden zowel NAM als EBN ex art. 6:177(2)(b) BW als illegale exploitanten aangesproken kunnen worden, de eerste als feitelijke mijnbouwer, de laatste als profijttrekkende medebeleidsbepaler.

4.2.21

De feitelijke situatie is dat NAM vergunninghouder is én feitelijke operator en daarmee exploitant in de zin van de Mijnbouwwet. Omdat NAM vergunninghouder is, is zij ook exploitant in de zin van art. 6:177(2)(a) BW. EBN is medebeleidsbepaler en profijttrekker, maar geen vergunninghouder en feitelijk geen mijnbouwer en daarom geen exploitant in de zin van de Mijnbouwwet. (Uitsluitend) omdat EBN geen vergunning heeft, valt zij niet onder art. 6:177(2)(a) BW, en het subsidiaire lid (2)(b) komt niet aan bod omdat NAM al is aangewezen in lid (2)(a). Zouden NAM en EBN beiden vergunninghouder zijn, dan zou nog steeds alleen NAM exploitant zijn in de zin van de Mijnbouwwet, maar zouden zowel NAM als EBN exploitant zijn in de zin van art. 6:177(2)(a) BW en zouden zij dus hoofdelijk aansprakelijk zijn ex art. 182 BW. Zouden noch NAM, noch EBN een vergunning hebben, dan zou geen van beiden exploitant zijn in de zin van de Mijnbouwwet en zou ook geen van beiden exploitant zijn in de zin van art. 6:177(2)(a) BW (want geen vergunning), maar zouden beiden wél exploitant zijn in de zin art. 6:177(2)(b) BW, omdat de term ‘een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen dan wel in gebruik heeft’ zowel feitelijke mijnbouw omvat als mede-ondernemerschap door beleid-, winst- en verliesdeling.

4.2.22

De reden voor dit verschil in behandeling bij aan- c.q. afwezigheid van een vergunning bij NAM, ondanks identieke rolverdeling, ligt denkelijk in het feit dat bij legale winning de aansprakelijke partij (in casu NAM) is aangewezen bij vergunning door de Staat, waarbij de Staat mede acht zal hebben geslagen op diens draagkracht en uitwinbaarheid, terwijl bij illegale winning (zonder vergunning) geen duidelijkheid zal bestaan over de mate waarin de illegale exploitant(en) verhaal bied(t)(en), zodat hoofdelijkheid opportuun is in geval van meer materiële exploitanten. Zou lid 2(b) ruimer getrokken worden dan als subsidiair voor het geval lid 2(a) niet werkt, dus als het ook toegepast zou worden als er wél een reeds ex lid 2(a) aansprakelijke vergunninghouder is, dan zou dat in de hand werken wat de regeling juist moest voorkomen: discussies over de reikwijdte van de aansprakelijkheid, en daardoor verminderde effectiviteit, alsmede onduidelijkheid over de reikwijdte van de noodzaak tot verzekeren, met als mogelijk gevolg dat het risico niet langer als één risico wordt berekend en verzekerd.

4.2.23

Met het door [eisers] onderstreepte doel van slachtofferbescherming en belang van het profijtbeginsel is de hier bepleite teleologische uitleg niet in strijd, nu aan dat doel en dat belang recht wordt gedaan doordat, als er een vergunninghouder is (lid 2(a)), zoals in casu NAM, die vergunninghouder kan worden aangesproken, in wiens kosten en lasten de Staat in casu deelt.

4.3A Preliminaire verweren ter zake van de vragen 3 en 4

4.3.1

De Staat meent dat de prejudiciële vragen 3 en 4 niet in aanmerking komen voor beantwoording omdat beantwoording niet nodig is in de zin van art. 392(1) Rv om te kunnen beslissen op de vorderingen van [eisers] jegens de Staat, gegeven het vonnis van 1 maart 2017168 (zie onderdelen 6.10-6.19 van de bijlage) van de rechtbank Noord-Nederland in de Dijk -zaak, waarin ook [eisers] als eisers optraden. Dat vonnis heeft gezag van gewijsde in de verhouding tussen de Staat en [eisers] , nu geen van beide partijen er hoger beroep tegen heeft ingesteld. Dit verweer is door de Staat ook bij de rechtbank aangevoerd,169 maar die is er niet inhoudelijk op ingegaan.170 Door dit vonnis staat volgens de Staat tussen de partijen vast dat de Staat tot de aardbeving in Huizinge op 16 augustus 2012 en het advies van het SodM van januari 2013 niet onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de periode vanaf januari 2013 tot 18 november 2015, toen de Afdeling Bestuursrechtspraak het instemmingsbesluit van 30 januari 2015 gedeeltelijk en het wijzigingsbesluit van 29 juni 2015 geheel vernietigde,171 heeft de rechtbank weliswaar geoordeeld dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de gasproductie niet eerder te beperken tot het door de Afdeling gestelde plafond van 27 miljard m³ per jaar,172 maar heeft zij de gevorderde schadevergoeding afgewezen wegens ontbreken van causaal verband met de schade van de eisers.173

4.3.2

[eisers] stellen daartegenover dat (i) de feitenrechter moet beoordelen of al dan niet een beroep op gezag van gewijsde kan worden gedaan, (ii) deze zaak een breder algemeen belang dient en (iii) een beroep op gezag van gewijsde in de omstandigheden van [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat zij niet, maar de Staat wel steeds over de relevante informatie beschikte en bovendien sprake is van nieuwe schade en een nieuwe toestand omdat zich sinds het vonnis een zware aardbeving bij Zeerijp heeft voorgedaan.174

4.3.3

Ik meen dat de Hoge Raad de grenzen van art. 392 Rv bewaakt.175 De in die bepaling gestelde criteria zijn dat (i) het gaat om een rechtsvraag, (ii) waarop het antwoord nodig is om op de vordering te beslissen en (iii) het antwoord rechtstreeks van belang is voor veel vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin zich dezelfde vraag voordoet. Het tweede criterium brengt mijns inziens mee dat u beoordeelt of het eerdere vonnis tussen de partijen gezag van gewijsde heeft om te kunnen beoordelen of het antwoord op de vragen nodig is om op de vorderingen van [eisers] te beslissen. Als die vraag ontkennend moet worden beantwoord, is het zaaksoverstijgende belang op zichzelf geen reden om de vragen toch in behandeling te nemen. De criteria gelden cumulatief.

4.3.4

Ook als [eisers] wél zouden worden gevolgd in de opvatting dat alleen de feitenrechter de reikwijdte van een gezag van gewijsde van een eerder vonnis beoordeelt, brengt dat overigens mee dat niet kan worden gezegd dat een antwoord op de vragen nodig is om op de eis te beslissen, nu de rechtbank immers niet is ingegaan op dit door de Staat gevoerde verweer. Dat is op zichzelf al voldoende aanleiding om de vragen op grond van criterium (ii) buiten behandeling te laten.176

4.3.5

Ingevolge art. 236 Rv binden beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en in een onherroepelijk vonnis zijn opgenomen, dezelfde partijen ook in een ander in een ander geding, tenzij (lid 3) geen beroep wordt gedaan op de kracht van gewijsde, maar ik begrijp dat de Staat zich daar wél op beroept. Uit het verweer van [eisers] maak ik op dat zij niet betwisten dat het eerdere vonnis van de rechtbank dezelfde rechtsbetrekking betrof en dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, waaruit volgt dat dat eerdere vonnis gezag van gewijsde heeft en tussen de partijen over de relevante periode onherroepelijk is beslist ter zake van zowel onrechtmatigheid als causaal verband.177 Wat [eisers] daartegen aanvoeren, maakt dat niet anders. Een informatievoorsprong van de Staat in de diverse procedures is niet relevant voor de vraag naar het gezag van gewijsde en kan dus niet meebrengen dat een beroep daarop naar maatstaven van redelijk- en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook de nieuwe beving in Zeerijp maakt niet dat beantwoording van de vragen nodig is voor de afdoening van het geschil, dat bij dagvaardingen van 13 december 2016 is ingeleid. De beving had ruim daarna plaats, op 8 januari 2018. Voor zover ik kan zien, hebben [eisers] hun vorderingen in feitelijke aanleg niet in verband met die nieuwe beving vermeerderd of anderszins gewijzigd.

4.3.6

Ik meen daarom dat de vragen 3 en 4 niet voor beantwoording in aanmerking komen, maar ik ga er volledigheidshalve toch op in.

4.3B Vraag 3 : Onder welke omstandigheden kan de Staat – mede gelet op de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM – aansprakelijk worden gehouden voor aardbevingsschade op grond van artikel 6:162 BW?

Algemene opmerkingen

4.3.7

Alleen [eisers] en de Staat gaan op deze vraag in. EBN en NAM verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van de Staat.178

4.3.8

De betekenis van de art. 2 en 8 EVRM is aan de orde geweest in de uitspraak van 18 november 2015 van de Afdeling Bestuursrechtspraak179 over het instemmingsbesluit van 30 januari 2015 en het wijzigingsbesluit van 29 juni 2015 (zie onderdeel 5.5.16 van de bijlage). De Afdeling achtte de desbetreffende fundamentele rechten van toepassing, gezien de aard en de schaal van de met de gaswinning gepaard gaande gevolgen. Zij overwoog ook dat met onder meer de Mijnbouwwet is voorzien in een effectief wettelijk en bestuurlijk kader. Daarmee is niet gezegd dat dit kader ook is toegepast zodanig dat is voldaan aan de op grond van die bepalingen geldende verplichtingen voor de Staat. De instemmings- en wijzigingsbesluiten van de minister moeten blijk geven van een redelijk evenwicht tussen de door de genoemde bepalingen beschermde belangen van burgers en de betrokken algemene belangen waaronder die van leveringszekerheid. De Afdeling achtte de uitkomsten van de afwegingen van de minister in de betrokken besluiten onvoldoende gemotiveerd.180

Standpunt [eisers]

4.3.9

bespreken de art. 2, 3 en 8 EVRM en daarop ziende jurisprudentie van het EHRM en betrekken ook art. 1 Eerste protocol EVRM bij de beantwoording van de vraag, daarbij steeds terugkoppelende naar het geval van [eisers] Zij bespreken de door hen weergegeven handelwijze van de Staat en concluderen dat de Staat de door hen genoemde fundamentele rechten heeft geschonden, naar ik begrijp met name door gebrek aan voorzorg en toezicht, regelgevingsfalen en ontoereikendheid van wél getroffen maatregelen.181

Standpunt Staat

4.3.10

De Staat beroept zich, zoals onder 4.3.1 bleek, op het gezag van gewijsde van het vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak. Hij meent dat de zeer open geformuleerde vraag zich ook overigens ex art. 393(8) Rv niet leent voor prejudiciële beantwoording omdat zij vraagt naar het toetsingskader voor onrechtmatig Staatshandelen jegens de eisers (en niet naar de overige vereisten voor aansprakelijkheid), terwijl dat toetsingskader genoegzaam volgt uit de in de vraag genoemde bepalingen en de daarop gewezen rechtspraak, zodat het om een acte clair of éclairé gaat.182 Desondanks gaat de Staat uitvoerig in op dat toetsingskader.183 Voor zover de vraag mede inhoudt of toepassing van dat toetsingskader in casu leidt of kan leiden tot Staatsaansprakelijkheid, vergt dat volgens de Staat een beoordeling die aan de feitenrechter is voorbehouden en dus buiten het bestek van een prejudiciële procedure valt.184 Bij nadere schriftelijke opmerkingen meent hij dat [eisers] dit lijken te miskennen waar zij hun betoog doortrekken met feitelijke stellingen die onrechtmatig Staatshandelen en Staatsaansprakelijkheid moeten onderbouwen.185 De Staat reageert op een aantal van die stellingen om het zijns inziens onjuiste beeld dat daardoor kan ontstaan recht te zetten.186 Hij merkt op dat art. 1 Eerste Protocol niet voorkomt in de prejudiciële vragen.

Beschouwing

4.3.11

Met de Staat meen ik dat vraag 3 vraagt naar een toetsingskader dat voldoende blijkt uit de wet, het EVRM en uw rechtspraak en die van het EHRM. De vraag leent zich daarom volgens mij niet voor prejudiciële beantwoording. Dat geldt te meer voor zover zij vraagt naar de toepassing van dat toetsingskader op de feiten van dit geval, nu voor feitelijke beoordelingen in de prejudiciële procedure geen plaats is. Aan de stellingen van de partijen over al dan niet onrechtmatig handelen van de Staat jegens de eisers en al dan niet daaruit volgende aansprakelijkheid, ga ik daarom voorbij. Ik wijd wel enige woorden aan het toetsingskader. Gezien het bovenstaande, zie ik geen aanleiding de vraag ruimer op te vatten dan de partijen hebben gedaan, zodat ik met de partijen aanneem dat de vraag alleen op de (on)rechtmatigheid ziet en niet op de overige vereisten voor aansprakelijkheid, al kan de vraag zeker ook ruimer gelezen worden. Ik zie evenmin aanleiding om buiten de door de rechtbank gestelde vraag om in te gaan op de eventuele betekenis van art. 1 Eerste Protocol EVRM, zoals [eisers] doen.187

4.3.12

De Staat vervult bij de gaswinning verschillende rollen waarop art. 6:162 BW betrokken kan worden. Hij gaat zelf vooral in op zijn rollen als beoordelaar van winningsplannen en toezichthouder en stelt dat daarbij voor het algemene beoordelingskader aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak over toezichthoudersaansprakelijkheid, maar hij werkt dat niet uit.188

4.3.13

Het gaat daarbij om de vraag of de Staat met de kennis van toen in redelijkheid kon handelen zoals hij toen heeft gedaan, mede in aanmerking genomen de hem toekomende beoordelings- en beleidsvrijheid.189 Deze beoordelingsmaatstaf sluit aan bij hetgeen uit de rechtspraak van het EHRM volgt ter zake van de (positieve) verplichtingen van de Staat ex de art. 2, 3 en 8 EVRM. De art. 2 en 8 EVRM (het recht op leven, respectievelijk op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie) lijken mij relevanter dan art. 3 EVRM (verbod op foltering en op inhuman and degrading treatment) bij de beoordeling van eventuele Staatsaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW voor aardbevingsschade.

4.3.14

Art. 2 EVRM behelst primair een verbod om te doden, maar legt ook een positieve verplichting op de Staat om binnen zijn jurisdictie levens te beschermen.190Die positieve verplichting geldt “in the context of any activity, whether public or not, in which the right to life may be at stake, and a fortiori in the case of industrial activities, which by their very nature are dangerous”.191Bij de beoordeling of art. 2 EVRM is geschonden, is met name van belang of een effectief wettelijke en bestuurlijk kader bestaat ter bescherming van het recht op leven.192 Als de Staat weet of behoort te weten van een daadwerkelijk en onmiddellijk gevaar voor het leven van een of meer specifieke personen, kan hij gehouden zijn maatregelen te nemen ter bescherming tegen dat gevaar.193 Niet ieder gesteld levensgevaar leidt tot een verplichting tot maatregelen; de positieve verplichting ex art. 2 EVRM mag niet resulteren in een onmogelijke of disproportionele last voor de Staat,194 die een beoordelingsruimte heeft die met name in complexe sociale en technische kwesties ruim is.195

4.3.15

De positieve verplichtingen ex art. 2 EVRM overlappen met die ex art. 8 EVRM.196 Bij de nakoming van zijn positieve verplichtingen onder art. 8 EVRM komt de Staat een ruime beoordelingsmarge toe, waarbinnen hij een fair balance moet treffen tussen de belangen van individuele burgers en die van de gemeenschap.197 Deze bepaling is in het omgevingsrecht van toepassing als overheidshandelen nadelige invloed heeft op de woning of het privéleven van een burger en die nadelige invloed een zekere drempel overschrijdt.198 Onder de noodzakelijke bescherming van de woning valt niet alleen dier fysieke integriteit, maar ook het rustige genot ervan. De drempel wordt overschreden als een overheidsactiviteit tot gezondheidsschade of ziekte leidt of tot beschadiging of verwoesting van de woning.199 Art. 8 EVRM is geschonden als de Staat bekend is of behoort te zijn met een dergelijk daadwerkelijk en onmiddellijk gevaar en desondanks nalaat binnen zijn bevoegdheden de maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden om dat gevaar te bezweren.200 Het ontbreken van wetenschappelijke zekerheid met betrekking tot het gevaar staat op zichzelf niet in de weg aan het aannemen van een schending van art. 8 EVRM; het voorzorgsbeginsel kan meebrengen dat de Staat ook dan maatregelen moet nemen gericht op het voorkomen van ernstige en onomkeerbare milieuschade,201 maar ook hier geldt dat de verplichting tot het treffen van maatregelen geen onmogelijke of disproportionele last mag opleveren.202

4.3.16

[eisers] menen dat de wijze waarop de Staat is omgegaan met de problemen van de bewoners van het effectgebied als gevolg van de aardgaswinning een ongekend gebrek aan respect voor de menselijke waardigheid van de Groningers laat zien en achten daarom (ook)art. 3 EVRM geschonden. Zij citeren onderzoek dat rapporteert dat de belangrijkste oorzaak van de ramp in Groningen niet de seismiciteit of het gevaar voor mensenlevens is, maar de voortdurend inadequate reacties op de schade en de gevoelens van onveiligheid die hebben geleid tot de huidige maatschappelijke onrust.203

4.3.17

Art. 3 EVRM behelst een absoluut verbod op folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen,204 maar ook de positieve verplichting voor de Staat om tijdig, nauwgezet en voortvarend vast te stellen of foltering of een onmenselijke of vernederende behandeling heeft plaatsgevonden, dan wel het risico daarop bestaat, en daaraan strafrechtelijke consequenties te verbinden.205 Art. 3 EVRM grijpt pas aan als een zeker niveau van hardheid wordt overschreden, zodat een beoordeling van de omstandigheden van het individuele geval vereist is. 206 Ook hier geldt dat de positieve verplichting geen excessive burden voor de Staat mag worden.207 Uit art. 3 EVRM vloeien slechts beperkt verplichtingen van sociaal-economische aard voor de Staat voort.208

4.3.18

De beoordeling of de Staat art 6:162 BW juncto een of meer van de art. 2, 3 of 8 EVRM heeft geschonden vergt een waardering van de feiten en omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling van die vraag is van belang, maar gezien het voorzorgsbeginsel niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend, wat de Staat op de verschillende momenten wist c.q. behoorde te weten en hoe hij op basis van die kennis, onder meer met het oog op de uit art. 2, 3 en 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen, had behoren te handelen en daadwerkelijk heeft gehandeld. Veel gewicht komt daarbij toe aan de beoordelings- en beleidsvrijheid van de Staat en de vraag of daarbinnen een fair balance is getroffen tussen de individuele belangen en het algemene belang. De vraag of de Staat aansprakelijk is, behoeft zich niet te beperken tot diens besluitnemende en toezichthoudende rol, maar kan ook betrokken worden op de andere rollen die hij bij de gaswinning in Groningen heeft vervuld en nog steeds vervult.

4.4

Vraag 4 : Verhindert de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat? Onder welke omstandigheden kan de Staat ondanks de formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk worden gesteld?

Algemene opmerkingen

4.4.1

Alleen [eisers] en de Staat gaan op deze vragen in. EBN209 en NAM210 verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van de Staat.

4.4.2

Over deze vraag heeft de rechtbank Noord-Nederland zich al uitgelaten, zij het alleen ter zake van het instemmingsbesluit van 21 december 2007, in een ambtshalve overweging in haar vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak tussen onder meer [eisers] en de Staat:211

“4.1.5. Omdat het verwijt van eisers er in de kern op neerkomt dat de minister vóór maar zeker na Huizinge had moeten bewerkstelligen dat uit het Groningenveld geen of minder gas zou worden gewonnen en een dergelijke ingreep een voor beroep vatbaar besluit van de minister vergt, heeft de rechtbank de Staat en eisers bij gelegenheid van het pleidooi verzocht om zich uit te laten over de vraag of het leerstuk van de formele rechtskracht en de uitspraak de Raad van State van 18 november 2015 waarbij het Instemmingsbesluit met het winningsplan 2013 is vernietigd, invloed hebben op de uitkomst van deze procedure en zo ja welke. De Staat heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het beginsel van formele rechtskracht niet speelt omdat eisers aan hun vordering niet de besluitvorming over de opeenvolgende winningsplannen, maar het feitelijk handelen casu quo nalaten van de Staat ten grondslag hebben gelegd. De Staat meent dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt indien zij een oordeel zou geven over (de formele rechtskracht van) de besluiten en stelt dat de uitspraak van de Afdeling om dezelfde reden geen implicaties heeft voor dit geding. Ook eisers hebben aangevoerd dat de rechtbank niet naar het leerstuk van de formele rechtskracht hoeft te kijken.

4.1.6.

De rechtbank constateert dat eisers tot en met het pleidooi, het gestelde onrechtmatig handelen van de Staat niet hebben onderbouwd met concrete feitelijke handelingen die de Staat ten onrechte zou hebben uitgevoerd of nagelaten. Weliswaar wordt hier en daar bepleit dat de minister “had moeten ingrijpen”, maar zonder nadere toelichting, die ontbrak, valt niet in te zien dat daarmee op iets anders is gedoeld dan dat de minister had moeten bewerkstelligen dat uit het Groningenveld geen of minder gas zou worden gewonnen. Pro saldo kwam het door eisers aan de Staat verweten handelen of nalaten in die fase van de procedure dan ook steeds neer op het verwijt dat een verkeerd instemmingsbesluit is genomen, is nagelaten het productieplafond te verlagen dan wel ambtshalve een instemmingsbesluit in te trekken of daaraan striktere voorwaarden te verbinden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de door eisers aan de Staat onder de noemer “falend toezicht” gemaakte verwijten ook niet aangemerkt kunnen worden als tekortschieten bij het uitoefenen van toezicht. Onder toezicht moet in dit verband immers worden verstaan: het controleren van de naleving van de voorschriften van een vergunning. Daarop hebben de stellingen van eisers echter geen betrekking.

4.1.7.

Wanneer tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, dient de burgerlijke rechter, zo deze rechtsgang niet of niet met succes is gebruikt, ervan uit te gaan dat het desbetreffende besluit zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft, in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en met algemene rechtsbeginselen. Ingeval de bestuursrechtelijke rechtsgang wel is gebruikt en heeft geleid tot een uitspraak van de bestuursrechter dient de civiele rechter uit te gaan van de juistheid van de desbetreffende uitspraak. De gedachte achter deze door de Hoge Raad in diverse uitspraken gehanteerde – door de rechter ambtshalve toe te passen, vgl. HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1868 – regel is een doelmatige taakverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat ten aanzien van overheidsbesluiten de beslissing omtrent de vraag of het besluit jegens een belanghebbende als onrechtmatig moet worden aangemerkt, in een bestuursrechtelijke procedure wordt genomen. De vraag of de Staat aansprakelijk is voor schade als gevolg van feitelijke handelingen die hij heeft verricht of nagelaten, kan wel aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

4.1.8.

Op zichzelf terecht hebben eisers aangevoerd dat het beginsel van formele rechtskracht niet kan worden tegengeworpen aan een persoon die niet is aan te merken als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb (HR 3 februari 2006, JB 2006,69). Daaraan kan evenwel worden voorbijgegaan omdat gesteld noch gebleken is dat een of meer eisers tot die categorie behoren. Eisers wijzen er juist op dat zij bijna allemaal, de meesten door tussenkomst van de Stichting WAG, tegen het Instemmingsbesluit van 31 januari 2015 in beroep zijn gegaan bij de Afdeling.

4.1.9.

Eisers hebben bij akte na pleidooi aangevoerd dat voor wat betreft periode vóór 31 januari 2015 in dit geval een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht moet worden gemaakt omdat in deze zaak sprake is van een dusdanig zaaksoverschrijdend maatschappelijk belang dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Staat zich op dat beginsel beroept en de vordering enkel op strikte toepassing van dat beginsel zou stranden. In dit verband hebben eisers zich beroepen op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 oktober 2015 waarin verwezen wordt naar een uitspraak van de Raad van State op 18 november 2015. Dat betreffen uitspraken van bestuursrechters waarin vanwege het zaaksoverschrijdend maatschappelijk en juridisch belang appelanten ontvankelijk zijn verklaard, hoewel onduidelijk was of appelanten aangemerkt konden worden als “belanghebbende” in de zin van artikel 1:2 Awb. Die uitspraken zijn echter niet relevant voor de vraag of het beginsel van formele rechtskracht in de weg staat aan de ontvankelijkheid van eisers bij de burgerlijke rechter. Het gaat hier om competentieafbakening tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. Daarbij doet niet ter zake of er een

zaaksoverschrijdend maatschappelijk belang met de vorderingen gediend is. Daarom dient dit verweer van eisers te worden verworpen.

4.1.10.

Op 21 december 2007 heeft de minister ingestemd met een door NAM ingediend winningsplan voor het Groningenveld. Dat instemmingsbesluit van de minister is niet aangevochten in een bestuursrechtelijke procedure, hoewel die rechtsgang openstond. Daarom moet de civiele rechter in beginsel uitgaan van de rechtmatigheid van dat besluit. Voor zover aan de vorderingen van eisers ten grondslag ligt dat de minister in het besluit van 21 december 2007 de gaswinning onvoldoende heeft gemaximeerd, stuit dat af op de formele rechtskracht van dat besluit. Eisers hebben nog aangevoerd dat hen niet kan worden verweten dat zij geen rechtsmiddelen hebben aangewend of geen besluit hebben uitgelokt, aangezien zij in ieder geval tot januari 2013 niet bekend waren met de risico’s en gevolgen van de gaswinning en de aardbevingen, maar ook dat verweer wordt verworpen. Dat de Staat bij de totstandkoming van dat besluit onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken of relevante informatie achter te houden, is gesteld noch gebleken.

4.1.11.

In de vorderingen ligt – zoals gezegd – besloten dat de minister dat instemmingsbesluit nadien had moeten intrekken, dan wel anderszins een besluit had moeten nemen tot een lager winningsplafond. Als uitgangspunt heeft ook in dat verband te gelden dat belanghebbenden een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 derde lid Awb bij de minister hadden kunnen doen om gebruik te maken van zijn desbetreffende bevoegdheid, waarna ingeval van afwijzing van een dergelijk verzoek, een bestuursrechtelijke rechtsgang openstond. In de stellingname van eisers ligt evenwel besloten dat vanwege de bijzonderheden van de problematiek hun thans in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat een dergelijke aanvraag niet is gedaan. Dat laatste wil de Staat ook niet doen. De rechtbank zal daarin meegaan en komt derhalve toe aan een inhoudelijk beoordeling.”

4.4.3

Omdat in deze zaak de Staat formele rechtskracht van instemmingsbesluiten niet tegenwierp aan de eisers en de desbetreffende overwegingen van de rechtbank daardoor het karakter van obiter dictum hebben, komt daaraan geen gezag van gewijsde toe.212 Dat neemt niet weg dat de beantwoording van vraag 4 niet noodzakelijk is om op de vorderingen van [eisers] te beslissen, omdat zij een prealabele vraag is bij de vraag of de Staat onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld. Zoals opgemerkt, heeft de rechtbank die vraag al wél onherroepelijk tussen de partijen beslist. Ik ga niettemin op vraag 4 in vanwege haar belang in andere zaken.

Standpunt van [eisers]

4.4.4

[eisers] menen dat de formele rechtskracht van het/een213 instemmingsbesluit niet in de weg zou moeten staan aan de aansprakelijkheid van de Staat omdat:

- technische informatie en informatie over veiligheidsrisico’s niet of zeer moeilijk toegankelijk is en er onvoldoende is gedaan om die informatie voor burgers te ontsluiten opdat zij zich als belanghebbenden konden voorbereiden op bijvoorbeeld een bezwaar- of beroepsprocedure. Het verband tussen de aardgaswinning en de aardbevingen is bovendien lange tijd ontkend, terwijl de bewoners verzekerd werd dat geen noemenswaardige schade zou optreden. Het is daarom aan de Staat te wijten dat zij geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de instemmings-besluiten bij de bestuursrechter aan te vechten.214

- een beroep op het beginsel van formele rechtskracht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op de zeer ernstige gevolgen voor de bewoners boven het Groningenveld.215

- de wetgever met de kwalitatieve aansprakelijkheid ex art. 6:177 BW en het wettelijke bewijsvermoeden ex art. 6:177a BW heeft erkend dat de schade die de gedupeerde Groningers door de onderneming van de Staat lijden het gevolg is van een toerekenbare onrechtmatige daad.216

4.4.5

[eisers] stellen verder dat het Besluit betreffende het winningsplafond Groningen 2011 niet is gepubliceerd, zodat daartegen geen bezwaar of beroep mogelijk was en het beroep formele rechtskracht daarvan reeds daarop afstuit.217

4.4.6

[eisers] menen tot slot dat formele rechtskracht de Staat niet vrijwaart van elke aansprakelijkheid. Hij blijft aansprakelijk voor schade ontstaan door zijn gevaarzetting via EBN. Bij ingrijpende mijnbouwwerkzaamheden als de litigieuze moet de Staat, als derden schadegevaar lopen, voldoende maatregelen nemen om die schade te voorkomen. [eisers] wijzen op de aard, de ernst en de duur van de hinder en de toegebrachte schade.218 De formele rechtskracht bestrijkt volgens [eisers] ook niet het toezichts- en handhavingsfalen van de Staat.219

Standpunt van de Staat

4.4.7

Zoals boven onder 4.3.1 bleek, beroept de Staat zich primair op het gezag van gewijsde van het vonnis van 1 maart 2017 van de rechtbank Noord-Nederland in de Dijk -zaak. Daarnaast voert hij aan dat de vraag of de formele rechtskracht van het instemmingsbesluit aansprakelijkheid van de Staat verhindert een feitelijke beoordeling vergt waarvoor in een prejudiciële procedure geen plaats is.220 Dat geldt in hoge mate ook voor de vraag onder welke omstandigheden de Staat ondanks formele rechtskracht van een instemmingsbesluit aansprakelijk kan worden gesteld.221 Als van de feitelijke omstandigheden wordt geabstraheerd, leent de vraag zich niet voor beantwoording in een prejudiciële procedure omdat het antwoord dan al uit vaste jurisprudentie volgt.222 Desondanks bespreekt de Staat het leerstuk van de formele rechtskracht van besluiten en de uitzonderingen die daarop zijn erkend.223

Beantwoording

4.4.8

Zoals al bleek, meen ik met de Staat dat het gezag van gewijsde van het vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak meebrengt dat het antwoord op vraag 4 niet ex art. 392 Rv nodig is voor de beoordeling van het geschil. Als daaraan wordt voorbijgegaan, leent de vraag zich nog steeds niet voor beantwoording omdat de prejudiciële procedure niet de plaats is voor feitelijke beoordelingen en kwalificaties; indien daarvan wordt geabstraheerd rest een vraag naar een acte clair c.q. éclairé, nl. naar het leerstuk van de formele rechtskracht en de mogelijke uitzonderingen daarop, die voldoende duidelijk uit vaste rechtspraak volgen, zodat art. 393(8) Rv aan beantwoording in de weg staat. Alleen de feitenrechter kan na partijdebat beoordelen of [eisers] wel als belanghebbende konden gelden c.q. bij [eisers] door bijkomende omstandigheden de bezwaren tegen formele rechtskracht zo klemmend zijn dat daarop een uitzondering moet worden gemaakt. Ik ga niettemin in op het juridische kader van en de uitzonderingen op de formele rechtskracht vanwege het belang in andere zaken.

4.4.9

Als tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan die niet of vergeefs is gebruikt, moet de burgerlijke rechter, als de geldigheid van dat besluit bij hem in geding is, ervan uitgaan dat het zowel inhoudelijk als wat zijn wijze van totstandkoming betreft, overeenstemt met de relevante wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.224 Deze regel geldt ongeacht de grondslag van de vordering bij de burgerlijk rechter.225 De met deze regel gediende doelen zijn (i) doelmatige taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter226 (ii) rechtseenheid en (iii) rechtszekerheid.227 De formele rechtskracht van een besluit strekt verder dan de verhouding tussen een belanghebbende en het bestuursorgaan. Ook in de verhouding tussen belanghebbenden kan zij doorwerken. Bij een besluit van een bestuursorgaan zijn vaak meer belanghebbenden betrokken. De adressaat van een positief besluit zoals een vergunning of een instemmingsbesluit mag er in beginsel op vertrouwen dat hij van de mogelijkheden die dat besluit biedt gebruik kan maken. Als hij handelt overeenkomstig een vergunning en de daaraan verbonden voorschriften, hoeft hij in beginsel niet te vrezen voor onrechtmatige-daadacties van andere belanghebbenden.228 NAM is dus in beginsel gevrijwaard van schadeacties gebaseerd op art. 6:162 BW, behoudens de nuances door u geformuleerd in met name de zaak [...] / [...]:229 voor de vraag of het handelen door de vergunninghouder in overeenstemming met een onherroepelijke vergunning toch onrechtmatig is jegens een andere belanghebbende, is van belang (i) de aard van de vergunning (strekt zij ertoe om de vergunninghouder te machtigen om de hem verweten inbreuk op het subjectieve recht van derden te maken?), (ii) het belang dat de regeling waarop de vergunning is gebaseerd, beoogt te dienen, zodat relevant is welke belangen het bestuur bij de vergunningverlening (volledig) moest meewegen (als een bepaald belang niet hoefde of niet kon worden meegewogen, is een actie ex art. 6:162 BW jegens de vergunninghouder niet uitgesloten), (iii) de overige omstandigheden van het geval (zelfs als het belang volledig is meegewogen kan de vergunninghouder nog in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en daarmee onrechtmatig handelen).

4.4.10

De aan formele rechtskracht verbonden bezwaren kunnen door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat een uitzondering moet worden gemaakt; of daarvoor plaats is, hangt dus af van de bijzonderheden van het geval.230 U heeft in drie soorten gevallen een uitzondering aanvaard:231

(i) het niet-gebruikt zijn van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is niet aan de belanghebbende, maar aan de overheid te wijten,232 bijvoorbeeld als het bestuursorgaan onjuiste informatie geeft over de rechtsmachtverdeling233 of door gebrekkige informatievoorziening veroorzaakt dat de belanghebbende niet bekend is met het bestaan van een appelabel besluit234 of als onbekendheid van de belanghebbende met het materiële recht toe te rekenen is aan het bestuursorgaan.235 Samengevat: door overheidshandelen of –nalaten is de belanghebbende op het verkeerde been gezet met betrekking tot de vraag of bezwaar en beroep kon of moest worden ingesteld.

(ii) erkenning van de onrechtmatigheid van het besluit door het bestuursorgaan,236 die ook kan blijken uit een andersluidend nieuw besluit waaruit de onrechtmatigheid van het eerdere besluit voldoende volgt.237 Erkenning van onrechtmatigheid kan ook volgen uit andere gedragingen van het bestuursorgaan. Beslissend is of uit diens verklaringen en gedragingen kan worden afgeleid dat hij de onrechtmatigheid erkent, zodat er geen geschil meer is dat door de bestuursrechter zou moeten worden beslist.238 De erkenning moet duidelijk zijn omdat de burgerlijk rechter zich anders door inhoudelijke beoordeling van besluiten op het terrein van de bestuursrechter zou begeven.239 Erkenning binnen een lopende bezwaar- of beroepstermijn of –procedure voorkomt formele rechtskracht.240 Onduidelijk is of ook aan erkenning van onrechtmatigheid op een later tijdstip, als het besluit bestuursrechtelijk al onaantastbaar is geworden, zo nodig ook gevolgen kunnen worden verbonden. Aangenomen wordt wel dat de burgerlijke rechter de erkenning in een later daartoe strekkend besluit zou mogen volgen, omdat daarmee de formele rechtskracht van het eerdere besluit als vervallen of herroepen kan worden beschouwd.241

(iii) in de procedure bij de bestuursrechter is een fundamenteel rechtsbeginsel geschonden waardoor niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.242

4.4.11

In deze procedure kan niet worden beoordeeld of aan de verschillende winningsbesluiten formele rechtskracht toekomt jegens [eisers] en zo ja, of daarop in de omstandigheden van [eisers] een uitzondering moet worden gemaakt. De feitenrechter zal zich daarover een oordeel moeten vormen. De volgende gezichtspunten kunnen daarbij van belang zijn.

4.4.12

Art. 35 Mbw vroeg tot 2017 slechts een beschrijving in het winningsplan van “de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging”. Pas bij de wet van 21 december 2016 (zie onderdelen 2.3 en 2.4 van de bijlage) wordt ook gevraagd om een beschrijving van “de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of voor de functionaliteit daarvan, met een risicobeoordeling”. Ingevolge art. 36 Mbw kon de minister tot 2017 instemming met het winningsplan alleen weigeren “in het belang van het planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen” en “in verband met het risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem”. Pas sinds de wet van 21 december 2016 is weigering ook243 mogelijk “indien het in het winningsplan aangeduide gebied door Onze Minister niet geschikt wordt geacht voor de in het winningsplan vermelde activiteit om reden van het belang van de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan” of “indien nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan” of “indien nadelige gevolgen voor de natuur worden veroorzaakt.” De veiligheid(srisico’s) van de Groningers kwam(en) dus tot 2017 niet in de winningsplannen voor, noch als zodanig in de (limitatieve) gronden voor weigering van instemming, al werden zij kennelijk wel onder het hoofd ‘risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem’ meegewogen in des minister’s besluitvorming (zij het volgens de Onderzoeksraad onvoldoende: zie onderdeel 5.5.10 van de bijlage). De vraag rijst daardoor of de Groningers dan in 2003 of 2007 met vrucht hun veiligheidsrisico’s aan de orde hadden kunnen stellen in beroep tegen die instemmingsbesluiten. De Afdeling heeft die veiligheidsrisico’s in 2015 en 2017 in de procedures over de instemmingsbesluiten 2015 e.v. (zie de onderdelen 5.5.16 en 5.5.45 van de bijlage), dus ruim ná de beving bij Huizinge, begrepen geacht in het oude weigeringscriterium ‘risico van schade ten gevolge van beweging van de aardbodem’ (zie rov. 8.1 van haar uitspraak), maar de vraag rijst of zij dat ook gedaan zou hebben ruim vóór de beving bij Huizinge, met name ten tijde van de instemmingsbesluiten met de winningsplannen 2003 en 2007 in 2003 resp. eind 2007, toen zowel de Staat als NAM uitdroegen dat hoogstens lichte schade aan gebouwen zou kunnen ontstaan, hetgeen belanghebbenden op het verkeerde been gezet kan hebben in de zin van de eerste uitzondering op formele rechtskracht, en toen de Groningers onmogelijk al rekening konden houden met de gevolgen waarmee [eisers] veel later werden geconfronteerd. Zij konden weliswaar ook in 2003 en 2007 bodembeweging aan de orde stellen, maar de Staat had hen verzekerd dat die beweging geen aardbevingen van enige betekenis zou inhouden.

4.4.13

Bewoners die ten tijde van de instemmingsbesluiten 2003 en 2007 nog niet in het effectgebied woonden, waren wellicht überhaupt geen belanghebbenden, al kon ex art. 34(4) Mbw ‘een ieder’ zienswijzen naar voren brengen. Van hen kon niet gevergd worden dat zij in beroep zouden zijn gegaan tegen een instemmingsbesluit in 2003 of 2007 toen zij nog helemaal niet konden bevroeden dat zij mogelijk jaren later (maar vóór de beving bij Huizinge) zouden verhuizen naar Groningen. Het is de vraag of een preventief beroep van een Zeeuw of een Brit in 2003 of 2007 in verband met mogelijke persoonlijke veiligheidsrisico’s door aardbevingen voor het geval hij misschien in de toekomst naar Groningen zou verhuizen, serieus zou zijn genomen. Ik wijs er verder op dat instemmingsbesluiten niet vaak worden genomen en kennelijk alleen als de minister een nieuw winningsplan van NAM vraagt. Ik heb er sinds 2003 tot heden maar vier geteld, en twee wijzigingsbesluiten (zie onderdeel 2.2 van de bijlage). (Nieuwe) bewoners kunnen dus vele jaren lang tegen een formele rechtskracht aan zitten te kijken en geen rechtsingang hebben totdat er (maar wanneer?) een nieuw winningsplan wordt ingediend en een nieuw instemmingsbesluit wordt genomen; tussen het instemmingsbesluit van december 2007 en dat van januari 2015 zaten meer dan acht jaren. Geen realistische rechtsingang is een aanvraag ex art. 1:3(3) Awb tot wijziging of intrekking van het (definitieve) instemmingsbesluit om vervolgens tegen de voorspelbare afwijzing rechtsmiddelen in te stellen. Dat loopt mijns inziens vast op art. 4:6 Awb (al gaat het hier strikt genomen niet om een herhaalde aanvraag), wellicht tenzij er significante nova zouden zijn. Hoe dan ook lijkt mij dit voor de civiele rechter niet relevant omdat het niet zozeer om formele rechtskracht in verband met aansprakelijkheid gaat, maar om een verzoek om terug te komen op een onherroepelijk besluit c.q. om een nieuw besluit te nemen.244 De rechtbank Noord-Nederland heeft het niet-beproeven van die kansloze weg mijns inziens terecht niet tegengeworpen aan de bewoners van het aardbevingsgebied (zie onderdeel 6.16 van de bijlage).

4.4.14

Zoals opgemerkt, kan ook de vraag rijzen of in 2003 en 2007 een preventief beroep wegens significant aardbevingsgevaar door een bewoner die toen al wel in het effectgebied woonde serieus genomen zou zijn. In dat verband kan relevant zijn een categorie doorbreking van formele rechtskracht die in het Nederlandse recht nog geen voet aan de grond heeft maar in het EU- en EVRM-recht wel, nl. die waarin het instellen van beroep zinloos zou zijn geweest omdat bij voorbaat zou hebben vastgestaan dat het afgewezen zou worden (EHRM Salah Sheekh245) of waarin redelijkerwijs niet van de belanghebbende kon worden gevergd dat hij mogelijke schade zou proberen te beperken door rechtsmiddelen in te stellen (HvJ EU Danske Slagterier246). Volgens de Staat werd immers pas ná het SodM-rapport in 2013 naar aanleiding van de 2012-beving in Huizinge duidelijk dat een significant schade- en veiligheidsrisico door aardbevingen bestond. De strekking van Danske Slagterier is dat de verhouding tussen vernietigingsberoep en aansprakelijkstelling wordt bepaald door de plicht van een (potentieel) gelaedeerde tot beperking van zijn schade door een overheidsbesluit, aldus dat het niet-benutten van de mogelijkheid tot vernietigingsberoep hem in de aansprakelijkstellingsprocedure alleen kan worden tegengeworpen voor zover door het instellen van vernietigingsberoep de schade had kunnen worden voorkomen of beperkt en het benutten van die mogelijkheid niet buitensporig moeilijk zou zijn geweest of anderszins redelijkerwijs niet kon worden gevergd.247

4.4.15

Formele rechtskracht van instemmingsbesluiten hoeft niet in de weg te staan aan aansprakelijkheid van de Staat in andere rollen dan die van winningsplanbeoordelaar en toezichthouder op de naleving van de vergunningsvoorschriften. In feitelijke aanleg zal onderzocht moeten worden welke rollen hij in het dossier Groningen heeft vervuld en nog vervult en of hem ook in enige niet-besluitnemersrol een onrechtmatigheidsverwijt gemaakt kan worden.

4.4.16

Gelaedeerden kunnen bij het in te stellen Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) schadevergoeding aanvragen voor alle soorten schade. Zij krijgen daarop binnen een korte beslistermijn van het IMG een beschikking, inhoudelijk gebaseerd op het civiele aansprakelijkheidsrecht, waartegen zij binnen 13 weken beroep op de bestuursrechter kunnen instellen, kennelijk ongeacht of zij rechtsmiddelen hebben ingesteld tegen enig voorafgaand instemmingsbesluit. Zie onderdelen 5.568-5.572 van de bijlage). Zij zijn immers adressaat van een schadevergoedingsbeschikking die zij in volle omvang ter discussie kunnen stellen in beroep bij de bestuursrechter. Ik begrijp dat ook de huidige, op beleidsregels gebaseerde TCMG beschikkingen op aanvraag neemt waartegen bezwaar248 en beroep mogelijk is ongeacht formele rechtskracht van instemmingsbesluiten. Dan is het gek dat de gelaedeerden die de burgerlijke rechter adiëren nu het nog kan, jegens de Staat zouden vastlopen op een formele rechtskracht. De verklaring lijkt te zijn dat het voorgenomen IMG en de huidige TCMG bedoeld zijn om de schade-afhandeling bij NAM weg te halen, die zich als gevolg van de art. 6:177 en 6:177a BW niet op formele rechtskracht van instemmingsbesluiten (in wezen vergunningen) kan beroepen (zie 4.4.17), dus dat de Staat in het voorgenomen systeem niet als Staat optreedt, maar slechts als stand in voor NAM, die zich in civiele procedures niet op formele rechtskracht kan beroepen als het om aansprakelijkheid ex art. 6:177a BW gaat. Zoals in onderdeel 5.5.71 van de bijlage opgemerkt, wordt uit het consultatiedocument de verhouding tussen de aansprakelijkheden ex art. 6:162 en art. 6:177 BW en tussen de aansprakelijkheden van NAM en de Staat niet duidelijk. Beperkt de overeenkomstige toepassing van het civiele aansprakelijkheidsrecht voor ‘alle vormen van schade’ zich tot de risicoaansprakelijkheid van NAM, dus art. 6:177 BW) of verplaatst de discussie over de verhouding tussen art. 6:162 en art. 6:177 BW en de aansprakelijkheid van de Staat in het licht van de formele rechtskracht van instemmingsbesluiten zich naar het IMG?

4.4.17

Blijkens de art. 6:177 en 6:177a BW heeft de Staat als wetgever beroep op de vrijwarende werking van een formeel rechtskrachtige vergunning/instemmingsbesluit willen voorkomen. Tegen een op art. 6:162 BW gegronde vordering zou NAM zich als vergunninghouder met een formeel rechtskrachtig goedgekeurd winningsplan mogelijk wél kunnen verweren door er op te wijzen dat zij steeds in overeenstemming met haar winningsvergunning en de winningsbesluiten heeft gehandeld en daarmee in beginsel (zie 4.4.9) niet onrechtmatig.

4.4.18

Verder kan de combinatie van (i) de financiële verantwoordelijkheid die de Staat heeft genomen met diverse subsidieregelingen, meest recent het startkapitaal voor het Nationaal Programma Groningen, (ii) de koerswijziging in de opeenvolgende instemmings- en wijzigingsbesluiten, (iii) de recente wijziging van de Gaswet en de Mijnbouwwet waarbij het winningsplansysteem voor het Groningenveld is losgelaten en de steeds prominentere rol die de veiligheidsnorm van 10-5 (zie onderdeel 2.11 van de bijlage) is gaan spelen in de besluitvorming en de gewijzigde wet (art. 52d Mbw), met de onderkenning door de minister “dat een langjarig niveau van 12 miljard Nm3 per jaar op zichzelf nog niet voldoende veilig is om te voldoen aan de veiligheidsnorm”249en (iv) de inmiddels volledige overneming van de procedurele en financiële verantwoordelijkheid voor de schadevergoeding, op de erkenning dat de Staat bij de eerdere instemmingsbesluiten een veiligheidsafwegingsfout heeft gemaakt.

4.4.19

Maar daar staat tegenover dat het altijd de bedoeling van de Staat is geweest, ook nu nog, en ook na de instelling van het IMG nog, dat NAM de schade vergoedt, ook al treedt de Staat in de vorm van het IMG jegens de gelaedeerden in de plaats van NAM, op wie de door het IMG verstrekte schadevergoedingen zullen worden verhaald met een publiekrechtelijke heffing.

4.5

Vraag 5 : Hoe ver moet het tegenbewijs gaan om het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 6:177a BW te kunnen weerleggen; moet het tegendeel komen vast te staan of kan twijfel zaaien voldoende zijn?

Algemene opmerkingen

4.5.1

Alleen [eisers] en NAM gaan op deze vraag in. De Staat250 en EBN251 verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van NAM. Zie ik het goed, dan gaan de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] niet in op de opmerkingen van NAM over deze vraag. NAM gaat in haar nadere schriftelijke opmerkingen opnieuw op de onderhavige vraag in.252

Standpunt [eisers]

4.5.2

[eisers] wijzen op artikel 150 Rv, dat bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Art. 6:177a BW geeft volgens hen zo’n bijzondere regel. Het bewijsvermoeden in die bepaling heeft huns inziens een algemeen karakter en geldt in en buiten rechte. Het strekt ertoe de Groningers in staat te stellen hun schade vergoed te krijgen en hun vertrouwen in oplossing van de problemen te versterken. Gezien die ratio zal de rechter niet te licht weerlegging van het bewijsvermoeden mogen aannemen.253 Zij beantwoorden de vraag niet concreter, maar vermoedelijk achten zij het antwoord gegeven in het in de schriftelijke opmerkingen uitvoerig geciteerde advies van Hammerstein, Asser en Van der Bunt van 13 oktober 2017 aan onder meer de NCG. Dat advies houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:254

“(….). Er kunnen twee aspecten worden onderscheiden, want ‘ontzenuwen’ heeft zowel betrekking op

(a) de vraag hoe ver het tegenbewijs moet gaan: moet het tegendeel komen vast te staan van het feit dat voorlopig als bewezen is aangenomen, of is voldoende dat door het tegenbewijs zoveel twijfel over dat feit is gezaaid dat dit feit niet meer kan dienen als basis voor de beslissing; als op

(b) de vraag welke maatstaf geldt voor de bewijswaardering: moeten de feiten die het voorshands als bewezen aangenomen feit weerleggen en waarop de tegenbewijslevering betrekking heeft naar de overtuiging van de rechter ook daadwerkelijk bewezen zijn of is voldoende dat zij naar het oordeel van de rechter aannemelijk gemaakt zijn. Men mag hier uiteraard ook spreken van een maatstaf voor de bewijslevering.

5.2.3.4. Ontzenuwen (a): bewijs van het tegendeel

Voor het slagen van de tegenbewijslevering is vaak voldoende dat door het tegenbewijs zodanige twijfel aan de juistheid van het voorshands bewezen feit wordt gewekt dat, de rechter moet vaststellen dat dit feit niet meer als bewezen kan gelden. Daarmee behoeft niet het tegendeel vast te staan, want de onduidelijkheid over wat er feitelijk is gebeurd, is in principe voldoende om de partij die bijvoorbeeld haar vordering op dat feit baseert ongelijk te geven en de vordering af te wijzen.

In enkele gevallen eist de wet (bijvoorbeeld art. 3:27 lid 3 BW) echter uitdrukkelijk bewijs van het tegendeel en is die twijfel dus niet voldoende. In de literatuur wordt dit ook aangenomen ten aanzien van feiten die door middel van een wettelijk vermoeden, zoals in art. 6:177a BW, bij voorbaat door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd. De partij die zich beroept op die feiten behoeft dan van die feiten geen bewijs te leveren. Tegen die feiten moet dus bewijs van het tegendeel worden geleverd en twijfel wekken is niet voldoende om het vermoeden ‘ontzenuwd’ te achten. Deze visie onderschrijven wij, omdat het wettelijk vermoeden, zoals in art. 6:177a BW, de functie heeft om de partij ten gunste van wie dat vermoeden werkt, de door het materiële recht beoogde rechtsbescherming te bieden zolang niet is gebleken dat de feiten anders liggen dan het vermoeden heeft gefixeerd. In zulke gevallen heeft het wettelijke vermoeden in wezen geen andere functie dan die van een bijzondere wettelijke regel van bewijslastverdeling als bedoeld in art. 150 Rv. Het wettelijk vermoeden wijkt daarmee in aard en functie af van het feitelijke vermoeden van de waarheid van een feit, welk vermoeden de rechter baseert op bepaalde andere, naar het oordeel van de rechter vaststaande feiten. Dat is ook een bewijsvermoeden maar berust op een feitelijke gevolgtrekking van de rechter uit andere in het proces gestelde en vaststaande feiten. Dat vermoeden berust dus niet op een door de wetgever gemaakte keuze om de rechtsbescherming die de wet aan een procespartij biedt te versterken door een processuele maatregel als een bewijsvermoeden.

Die materieelrechtelijke rechtsbescherming, in het geval van de aardgaswinning de bescherming die met de in art. 6:177 BW neergelegde risicoaansprakelijkheid van de exploitant aan de benadeelde wordt geboden, wordt ten behoeve van de benadeelde in een proces met de exploitant versterkt met het bewijsvermoeden, om te verzekeren dat de benadeelde niet het slachtoffer wordt van een in de praktijk zeer zware bewijslast (=bewijsrisico, zie hieronder in 5.2.3.7) met betrekking tot het causaal verband tussen de schade en de gaswinning. Een dergelijke bescherming past hier ook bij de aard van de aansprakelijkheid. Wil die bescherming effectief zijn dan moet het wettelijk bewijsvermoeden blijven gelden totdat het tegendeel is gebleken. Dat betekent dat naar het oordeel van de rechter/arbiter voldoende vast moet komen te staan dat de fysieke schade niet veroorzaakt is door de bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten.

5.2.3.5. Ontzenuwen (b): bewijzen of aannemelijk maken.

Aannemelijk maken duidt op een lichtere maatstaf: de rechter kan sneller dan anders tot het oordeel komen dat het feit dat aannemelijk moest worden gemaakt, vast staat. Dat kan verband houden met de omstandigheid dat het gaat om een moeilijk te bewijzen feit of dat sprake is van een snelle procedure (zoals kort geding). Dit laatste speelt hier niet. Overigens is het onderscheid tussen bewijzen en aannemelijk maken in de praktijk niet erg eenvoudig aan te wijzen. Een verschil kan liggen in de mate waarin de rechter genoegen neemt met inhoud of kwaliteit van de door partijen geproduceerde bewijsmiddelen.

De memorie van toelichting bij wetsvoorstel 34 390, p. 4, legt voor het ontzenuwen van het vermoeden van art. 6:177a BW de maatstaf aan van het ‘aannemelijk maken’:

‘Met dit wettelijk vermoeden moet de benadeelde stellen dat zich fysieke schade heeft voorgedaan aan een gebouw of werk binnen het effect-gebied van het Groningenveld, die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning zou kunnen zijn. Daaruit ontstaat dan voor de rechter het vermoeden dat de schade het gevolg is van de gaswinning. Het is dan aan de exploitant om dit vermoeden te ontzenuwen, door aannemelijk te maken dat bodembeweging door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk niet de oorzaak is van de schade. Het vermoeden van causaliteit kan door de exploitant dus worden weerlegd door aannemelijk te maken dat de schade niet het gevolg is van bodembeweging door gaswinning. Dit kan de exploitant bijvoorbeeld doen door aannemelijk te maken dat de schade een andere oorzaak heeft, zoals een bouwkundige oorzaak of weersomstandigheden. Het is dan weer aan de benadeelde om alsnog het causale verband tussen de schade en bodembeweging door gaswinning te bewijzen.’

De regering maakt niet duidelijk waarom deze maatstaf van aannemelijk maken is gekozen. Mogelijk is hiervoor inspiratie geput uit de maatstaf die de Hoge Raad hanteert bij tegenbewijs tegen het jurisprudentiële vermoeden op basis van de zogenaamde omkeringsregel bij causaal verband. Dat bewijsvermoeden betreft gevallen dat sprake is geweest van een gedraging van de aansprakelijke partij in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat de wederpartij die zich op schending van deze norm beroept, aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (samengevat in HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264). In dat geval is sprake van eenzelfde maatstaf ‘aannemelijk maken’ voor beide partijen. In het onderhavige geval is volgens de minister zelfs voldoende dat de benadeelde stelt dat zich fysieke schade heeft voorgedaan aan een gebouw of werk, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn. Daaruit ‘ontstaat dan’, aldus de minister, het vermoeden dat de schade het gevolg is van de gaswinning.

Als bewijsmaatstaf voor het bewijs dat de fysieke schade niet is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten geldt dus dat dit aannemelijk moet worden gemaakt. Een en ander neemt niet weg dat het blijft gaan om tegenbewijs tegen een wettelijk vermoeden met een door de wetgever duidelijk beoogde rechtsbeschermingsfunctie. En wat bewijswaardering betreft: de rechter moet ervan overtuigd zijn en – naar zijn algemene motiveringsplicht óók van zijn bewijsoordeel – in zijn uitspraak kunnen verantwoorden dat en waarom hij ervan overtuigd is dat het vereiste tegenbewijs tegen het wettelijke vermoeden is geleverd, dat dus naar zijn oordeel voldoende is komen vast te staan dat de schade niet het gevolg is (of kan zijn) van de gaswinning. Bij deze oordelen zal de rechter rekening moeten houden met die rechtsbeschermingsfunctie. Verwezen wordt hier ook naar wat is opgemerkt in Bijlage 1 bij de beantwoording van vraag 7.”

De Commissie merkt in Bijlage 1 bij het rapport bij de beantwoording van de vragen 6 en 7 aanvullend het volgende op:

“De toepassing van het bewijsvermoeden is inderdaad een juridische kwestie waarover de rechter (of arbiter) moet oordelen, maar voor de technische deskundigen is wel van belang te weten hoe het bewijsvermoeden door de rechter wordt gehanteerd. Bij de wijze van technisch onderzoek waar een uitslag op gebaseerd is, zal het bewijsvermoeden namelijk leidend moeten zijn. Dit wil zeggen dat het onderzoek, zo nodig, in de eerste plaats gericht is op het feit waarop het vermoeden berust, te weten het bestaan van fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van aardgaswinning uit het Groningenveld, en voorts op het feit dat de wet door middel van het bewijsvermoeden daaruit afleidt, te weten dat die schade het gevolg is van de gaswinning. Feitelijk hangen deze beide feiten weliswaar nauw samen, maar zij moeten bij het onderzoek worden onderscheiden. Als het eerste feit door onderzoek wordt bevestigd, dan zal het onderzoek dat gericht is op het tweede feit als uitgangspunt het bestaan van causaal verband tussen de schade en de gaswinning moeten nemen. Het onderzoek is dus gebonden aan dat uitgangspunt en zal niet gericht moeten zijn op ‘verificatie’ (‘bestaat er inderdaad causaal verband?’) maar op ‘falsificaties’ van dat feit (‘er bestaat geen causaal verband’) Zie daarover nader het antwoord op vraag 7. Alleen dan wordt bij het onderzoek het door de wet aangegeven kader gerespecteerd.

(…).

De commissie zou willen benadrukken dat de vraag voor wiens risico de onzekerheden moeten komen wordt beantwoord door het hiervoor in het antwoord op vraag 6 al beschreven wettelijk bewijsvermoeden. Als is voldaan aan de voor het vermoeden gestelde voorwaarde dat de schade naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van aardgaswinning uit het Groningenveld, dan geldt in de procedure dat de schade het gevolg is van die bodembeweging (de feitelijke grondslag voor aansprakelijkheid van de exploitant), totdat de voor de schade aansprakelijke wederpartij van de benadeelde, de NAM, het bewijsvermoeden heeft ontzenuwd door het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden. Daarvan is sprake als zij – naar de door de minister genoemde beoordelingsmaatstaf van het bewijs – aannemelijk heeft gemaakt dat de schade niet het gevolg is of kan zijn van de bodembeweging door de aardgaswinning uit het Groningenveld.

Het gevolg van deze verdeling van de bewijslast is dat de arbiter/rechter voor de beoordeling van het door de NAM te leveren tegenbewijs tegen het vermoeden als

uitgangspunt moet hanteren dat indien na bewijslevering onzekerheid ten aanzien van de causaliteit bestaat, dit voor rekening van de NAM komt. De arbiter/rechter heeft in dit verband bij de beoordeling van het door de NAM aangedragen bewijs vrijheid, maar de bescherming die het bewijsvermoeden biedt aan de benadeelde speelt zal die beoordeling in belangrijke mate beïnvloeden zodat aannemelijk is dat de arbiter/rechter niet snel tot een andere toerekening van het genoemde risico zal komen.”

Standpunt NAM

4.5.3

NAM wijst op de systematiek van het bewijsrecht en bewijsvermoedens in het algemeen en in het bijzonder op de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:177a BW,255 waarin duidelijke aanwijzingen voor de beantwoording te vinden zijn: de wetgever heeft aangegeven dat het aan de exploitant is om het bewijsvermoeden te ‘ontzenuwen’. Daarvoor acht NAM twijfel zaaien voldoende.256 Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de exploitant ‘aannemelijk’ moet maken dat de fysieke schade niet het gevolg is van de gaswinning, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat de schade een andere oorzaak heeft, zoals een bouwkundige oorzaak of weersomstandigheden. NAM leidt hier uit af dat volgens de wetgever dus niet het tegendeel hoeft vast te staan van het vermoeden dat de desbetreffende schade het gevolg is van de gaswinning.257

4.5.4

Als zou moeten komen vast te staan dat de schade niet het gevolg is van de mijnbouwactiviteiten van de exploitant, wordt in wezen de bewijslast omgekeerd, aldus NAM.258 Bij de invoering van art. 6:177(1)(b) BW heeft de wetgever een omkering van de bewijslast bij herhaling verworpen.259 De parlementaire geschiedenis van art. 6:177a BW geeft geen enkele basis voor de opvatting dat de wetgever dit standpunt heeft laten varen en een regeling wilde invoeren die alsnog neerkomt op een bewijslastomkering.260 Voldoende is dat door het tegenbewijs zoveel twijfel over de correctheid van het bewijsvermoeden rijst dat de rechter zijn beslissing daarop niet (langer) kan baseren. Dat kan betekenen dat onduidelijkheid of onzekerheid over de oorzaak van de fysieke schade blijft bestaan. NAM ziet geen reden om die steeds voor risico van de exploitant te brengen, gezien de aard en achtergrond van het bewijsvermoeden en de koppeling met de risicoaansprakelijkheid van art. 6:177 BW.261

4.5.5

Twee omstandigheden brengen volgens NAM elk op zichzelf mee dat aan de weerlegging van het bewijsvermoeden geen hogere eisen mogen worden gesteld dan uit de parlementaire geschiedenis volgt. In de eerste plaats is het vermoeden gekoppeld aan een vergaande risicoaansprakelijkheid die de gelaedeerde reeds materieelrechtelijk bescherming biedt tegen schade die het gevolg is van de mijnbouwactiviteit van de exploitant. Het bewijsvermoeden versterkt de positie van de gelaedeerde verder. Als voor weerlegging de lat hoger zou worden gelegd dan uit de parlementaire geschiedenis volgt, zou een in potentie onbegrensde aansprakelijkheid in het leven worden geroepen en wordt het risico te groot dat de exploitant aansprakelijk wordt gehouden voor schade die hij feitelijk niet heeft veroorzaakt.262 In de tweede plaats heeft de wetgever ervoor gekozen om de toepassing van het bewijsvermoeden geografisch niet concreet te begrenzen, waardoor de grens tot waar het bewijsvermoeden geldt, zich moeilijk (definitief) laat afbakenen. Deze omstandigheid, in combinatie met de eis dat een andere oorzaak van fysieke schade aannemelijk wordt gemaakt, zou eveneens tot een in potentie vergaande aansprakelijkheid voor de exploitant leiden voor schade die hij in feite niet heeft veroorzaakt.263

Beantwoording

4.5.6

De hoofdregel voor het bewijs van causaal verband is vervat in art. 150 Rv:

De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Een ‘bijzondere regel’ is met name een wettelijke omkering van de bewijslast, was niet hetzelfde is als de bewijsrechtelijke ‘omkeringsregel’ die u heeft ontwikkeld voor specifieke gevallen van onzekerheid over het causaal verband tussen normschending en schade. Omkering van de bewijslast houdt in dat degene te wiens laste de bewijslast wordt omgekeerd een andere oorzaak van het gevolg moet bewijzen dan de door de wet aangenomen oorzaak, bijvoorbeeld de werkgever die, als zijn werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, moet aantonen dat hij voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer (art. 7:658(2) BW). De ‘omkeringsregel’ daarentegen is geen bewijslastomkering maar een weerlegbaar causaliteitsvermoeden dat wordt toegepast bij schending van een norm die strekt tot voorkoming van een specifiek schadegevaar als die schade zich vervolgens heeft voorgedaan. U heeft de omkeringsregel als volgt samengevat in een medische beroepsfout-aansprakelijkheidszaak:264

“3.7. (…) de omkeringsregel (strekt) ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 29 november 2002, LJN AE7345, NJ 2004/304, HR 29 november 2002, LJN AE7351, NJ 2004/305, HR 19 maart 2004, LJN AO1299, NJ 2004/307, HR 9 april 2004, LJN AO3170, NJ 2004/308, HR 8 april 2005, NJN AR8876, NJ 2005/284, HR 19 december 2008, LJN BG1890, NJ 2009/28).”

NAM is risico-aansprakelijk ex art. 6:177 BW, zodat onrechtmatigheid en daarmee normschending niet ter zake doet.265 Ik meen daarom dat wij in casu met de omkeringsregel niet te maken hebben, althans niet ter zake van NAM. Dat kan anders zijn als NAM (ook) op de voet van art. 6:162 BW aangesproken kan worden.

4.5.7.

Verder bestaan er processuele, feitelijke, wettelijke en jurisprudentiële bewijsvermoedens. Zij hebben gemeen dat zij de bewijslast, in de zin van bewijsrisico, niet omkeren. Na tegenbewijslevering nog resterende onzekerheid over feiten blijft voor risico van degene die zich op de rechtsgevolgen van die feiten beroept en die aanvankelijk profiteerde van het vermoeden.266 Bewijsvermoedens vallen daarom mijns inziens niet onder de bijzondere regels bedoeld in art. 150 Rv, waarmee kennelijk bedoeld zijn regels die de bewijslast (het bewijsrisico) omkeren.267

4.5.8

Op de vraag wanneer een bewijsvermoeden voldoende is weerlegd, valt geen algemeen antwoord te geven. In grote lijnen doen zich twee soorten gevallen voor: (i) voldoende is dat het tegenbewijs significante twijfel aan de juistheid van het vermoeden oplevert. De eiser zal dan alsnog bewijs moeten leveren. Resterende onduidelijkheid blijft voor rekening van de eiser; hierbij worden veelal termen als ‘aannemelijk maken’ (van een andere gang van zaken) of ‘ontzenuwen’ (van de vermoede gang van zaken) gebruikt; (ii) tegenbewijs betekent: tegendeelbewijs: degene te wiens laste het vermoeden strekt, moet bewijzen dat het anders is gegaan dan vermoed. Resterende onduidelijkheid over de feitelijke gang van zaken komt in dat geval voor rekening van degene te wiens laste het vermoeden strekt.268

4.5.9

De literatuur verschilt van mening over de vraag of bij wettelijke en jurisprudentiële vermoedens het tegenbewijs bewijs van het tegendeel van het vermoeden moet inhouden.269 Die vraag hoeft hier niet in het algemeen beantwoord te worden. Het volstaat te constateren dat er wettelijke vermoedens zijn die bewijs van het tegendeel verlangen zonder dat dit uit de wettekst blijkt,270 zoals de wettelijke vermoedens van bezit (art. 3:109 BW), van eigendom (art. 3:119 BW)271 en van non-conformiteit (art. 7:18(2) BW).272 Hoewel bij dergelijke bewijsvermoedens het resterende bewijsrisico in theorie bij de gelaedeerde blijft, is het zo klein dat zij in de praktijk omkering van de bewijslast benaderen.273

4.5.10

Met [eisers] meen ik dat art. 6:177a BW tot de laatste categorie vermoedens behoort. Tegenbewijs is niet reeds geleverd bij significante twijfel aan de juistheid van het vermoeden; ‘aannemelijk’ (aldus de wetsgeschiedenis) moet worden dat de schade aan de woning een andere oorzaak heeft dan aardbeving door gaswinning.274 Resterende onzekerheid over de oorzaak van de schade komt mijns inziens voor rekening van de exploitant.275

4.5.11

NAM stelt terecht dat de combinatie van het bewijsvermoeden en de vergaande risicoaansprakelijkheid van de exploitant ex art. 6:177 BW het risico vergroot dat de exploitant aansprakelijk wordt gehouden voor schade die hij feitelijk niet heeft veroorzaakt,276 maar dat is het gevolg van de uit de wetsgeschiedenis blijkende wens van de wetgever om de rechtsbescherming van de bewoners van het effectgebied van het Groningenveld te versterken met een bewijsvermoeden dat tegen een bewijslastomkering aanschurkt. Anders dan NAM, meen ik dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 6:177a BW blijkt dat het bewijsvermoeden een dergelijke vrij ver gaande strekking heeft.

4.5.12

NAM citeert de volgende passage uit de Memorie van Toelichting bij de Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen:277

“Nu de fysieke schade aan gebouwen en werken die gemeld wordt in Groningen in het merendeel van de gevallen ook daadwerkelijk het gevolg is van bodembeweging door gaswinning, kan worden vermoed dat ook de overige gevallen, die naar hun aard schade als gevolg van bodembeweging zouden kunnen zijn, aan bodembeweging door gaswinning kunnen worden toegeschreven. Gelet hierop, en op de wens van de Tweede Kamer om voor het aardbevingsgebied in Groningen benadeelden te hulp te komen bij hun bewijsvoering, wordt met artikel I, onderdeel B, in aanvulling op de hiervoor beschreven verbeterde schade-afhandelings-procedure in artikel 6:177a BW een wettelijk bewijsvermoeden opgenomen. Het bewijsvermoeden houdt in dat, indien binnen het effectgebied van het Groningenveld fysieke schade aan gebouwen en werken ontstaat, die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade door gaswinning veroorzaakt is. Hiermee wordt de positie van de benadeelde in discussies over het causaal verband tussen de schade en de mijnbouwactiviteiten versterkt. Met dit wettelijk vermoeden moet de benadeelde stellen dat zich fysieke schade heeft voorgedaan aan een gebouw of werk binnen het effect-gebied van het Groningenveld, die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door gaswinning zou kunnen zijn. Daaruit ontstaat dan voor de rechter het vermoeden dat de schade het gevolg is van de gaswinning. Het is dan aan de exploitant om dit vermoeden te ontzenuwen, door aannemelijk te maken dat bodembeweging door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk niet de oorzaak is van de schade. Het vermoeden van causaliteit kan door de exploitant dus worden weerlegd door aannemelijk te maken dat de schade niet het gevolg is van bodembeweging door gaswinning. Dit kan de exploitant bijvoorbeeld doen door aannemelijk te maken dat de schade een andere oorzaak heeft, zoals een bouwkundige oorzaak of weersomstandigheden. Het is dan weer aan de benadeelde om alsnog het causale verband tussen de schade en bodembeweging door gaswinning te bewijzen. Ook kan de exploitant verweer voeren op grond van de artikelen 98 (toerekening naar redelijkheid) of 101 (eigen schuld) van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het wettelijk bewijsvermoeden wordt beperkt tot schade binnen het effectgebied van het Groningenveld. Zoals hiervoor uiteengezet wordt de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden gerechtvaardigd doordat sprake is van een situatie waarin het grootste deel van een groot aantal soortgelijke schadegevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning. In situaties en gebieden waar dat niet het geval is, is een zodanige ingreep in de procespositie van partijen niet aangewezen. In andere delen van Nederland blijft daarom de bestaande risicoaansprakelijkheid gelden. Om dezelfde reden geldt het wettelijke bewijsvermoeden uitsluitend voor fysieke schade en niet voor bijvoorbeeld omzetschade van ondernemingen. De verwachting is dat in de komende decennia het Groningenveld leeg zal raken en de gaswinning uiteindelijk zal eindigen. Op termijn zal de bodembeweging dan ook afnemen. Wanneer niet langer sprake is van een situatie waarin vaststaat dat het grootste deel van een groot aantal soortgelijke schadegevallen het gevolg is van gaswinning, ligt het in de rede dat de wetgever het wettelijke bewijsvermoeden heroverweegt.”

4.5.13

NAM moet toegegeven worden dat het gebruik van de termen ‘ontzenuwen’ en ‘aannemelijk maken’ erop lijkt te wijzen dat significante twijfel aan de juistheid van het vermoeden volstaat. De rest van de uitvoerige parlementaire behandeling wijst mijns inziens echter naar een tegendeelbewijsplicht, ook omdat er uit blijkt dat de medewetgever diverse keren het litigieuze bewijsvermoeden vereenzelvigde met een bewijslastomkering waartegen eerdere bewindslieden zich hadden verzet.

4.5.14

Bij de totstandkoming van de Mijnbouwwet 2002278 is een omkering van de bewijslast overwogen die mijnbouwondernemingen zouden nopen aan te tonen dat schade niet door hun activiteiten is ontstaan.279 Daarvan is het toen niet gekomen omdat de belangen van de bewoners boven het Groningenveld werden geacht voldoende te zijn veiliggesteld door de introductie van risicoaansprakelijkheid van de exploitant van het mijnbouwwerk en door de instelling van de Tcbb.280 De Tcbb heeft onder meer tot taak om personen bij wie schade is opgetreden of is te verwachten door bodembeweging die redelijkerwijs het gevolg kan zijn van gaswinning of -opslag, desgevraagd inlichtingen te verstrekken over het verband tussen bodembeweging en gaswinning of -opslag.281

4.5.15

De route langs de Tcbb leidde voor de Groningers in de praktijk tot weinig of niets.282 Dat was voor de Tweede-Kamerleden Ouwehand en Vos in 2015 aanleiding voor een amendement op het wetsvoorstel tot Wijziging van de Mijnbouwwet283 dat ertoe strekte alsnog de bewijslast om te keren:284

“Indieners vinden het onacceptabel dat mensen die toch al niet gevraagd hadden om schade aan hun huis ook nog eens worden opgezadeld met de last om aan te tonen dat deze schade veroorzaakt is door de winningsactiviteiten van bedrijven. Het gevolg van de huidige situatie is immers dat burgers extra worden belast én dat er minder schade wordt vergoed. Deze problemen zijn meer dan genoeg duidelijk geworden bij de gaswinning in Groningen, maar de problematiek is breder en is ook bij schade als gevolg van bijvoorbeeld zoutwinning aan de hand.

Indieners stellen daarom voor de bewijslast om te draaien. In eerdere debatten met de Minister van Economische Zaken erkende de Minister de problemen wel die de huidige situatie oplevert voor de slachtoffers, maar wees het voorstel om de bewijslast om te keren af. In reactie op de motie-Ouwehand (KS 33529-78) heeft de Minister gesteld (TK, vergaderjaar 2013–2014, handelingen 12-8-1) dat hij de bewijslast eigenlijk al bij de exploitant heeft gelegd door de Technische Commissie Bodem Bescherming een oordeel te laten vellen over de vraag of de schade is veroorzaakt door de aardbevingen en daarmee door de aardgaswinning, of dat er iets anders aan de schade ten grondslag ligt. In de praktijk blijkt dat deze route niets heeft opgelost voor de slachtoffers. Dat kan ook niet, zolang het aan de gedupeerden zelf is om te bewijzen dat zij recht hebben op een schadevergoeding. Dit amendement regelt dat de bewijslast bij schade door mijnbouwactiviteiten weer wettelijk wordt neergelegd bij de mijnbouwmaatschappij.”

4.5.16

Het amendement werd aangenomen en leidde tot een gewijzigd voorstel van wet. Aan de titel van het wetsvoorstel werd toegevoegd “en wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de omkering van de bewijslast bij schade binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk”. Het gewijzigde voorstel van wet luidde, voor zover hier van belang, als volgt:285

ARTIKEL IA

In Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden aan artikel 177 vier leden toegevoegd, luidende:

6. Indien binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk schade ontstaat, die naar zijn aard mijnbouwschade zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk veroorzaakt is. Indien binnen het effectgebied van een mijnbouwwerk als gevolg van de uitstroming van delfstoffen schade ontstaat, die naar zijn aard mijnbouwschade zou kunnen zijn, wordt vermoed dat de schade het gevolg is van het niet beheersen van de ondergrondse natuurkrachten die door de aanleg of bij de exploitatie van het werk zijn ontketend.

7. Indien mijnbouwschade aan gebouwen en werken is ontstaan, kan de aanwezigheid van direct waarneembare bouwkundige gebreken van invloed zijn op de omvang van de schadevergoeding voor zover dat redelijk is. Aan een gebrek waarvan het aannemelijk is dat het geen schade veroorzaakt zou hebben indien de beweging van de bodem of de uitstroming van delfstoffen zich niet zou hebben voorgedaan, wordt geen gewicht toegekend.

8. De eigenaar van een gebouw of werk die een beroep doet op het vermoeden, bedoeld in het zesde lid, geeft de tot schadevergoeding aangesproken exploitant op diens verzoek de betreffende vergunning of vergunningen voor het gebouw of werk ter inzage indien hij daarover beschikt.

9. Op verzoek van de wederpartij verstrekt de exploitant alle informatie waarover hij beschikt ten aanzien van de exploitatie, de bodemstructuur, en bodembewegingen die benodigd is om te kunnen beoordelen of zijn verweer gegrond is. In dit verband staat de informatie waarover publiekrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hun adviserende instanties beschikken op verzoek van de exploitant ter beschikking van degene die verhaal voor mijnbouwschade zoekt.

10. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald op welke wijze het effectgebied van een mijnbouwwerk wordt vastgesteld. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur wordt het gebied waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 van de Mijnbouwwet is afgegeven, geacht zich te bevinden binnen het effectgebied.

4.5.17

De Afdeling Advisering van de Raad van State constateerde onduidelijkheid ter zake van het type schade (schade aan gebouwen en werken, of vermogensschade in brede zin?) en de afbakening van het effectgebied. In haar advies wordt voor het eerst in verband met de bewijslastverdeling de term ‘aannemelijk maken’ gebruikt:286

“(…) verschuift de bewijslast naar de wederpartij, de exploitant, die om de schadeclaim af te weren aannemelijk zal moeten maken dat de schade toch niet door de aanleg/exploitatie van het mijnbouwwerk is ontstaan.”

Volgens de Afdeling Advisering wordt ten laste van de exploitant de oorzakelijkheid voorondersteld als niet aannemelijk gemaakt kan worden dat de schade door gaswinning is veroorzaakt, maar evenmin dat dat niet het geval is. Zij achtte de uitkomst dat daardoor in “het grijze gebied” schade kan worden vergoed die de facto niet door de exploitant is veroorzaakt kennelijk acceptabel:287

“Vraag 2 betreft de mogelijkheden om tegenbewijs te leveren in het licht van de vrijheid van de rechter om de bewijslast naar redelijkheid en billijkheid te verdelen, en op de verhouding van het amendement tot het beginsel dat niemand schade hoeft te vergoeden die hij niet heeft veroorzaakt. Indien het amendement tot wet is verheven, is er geen ruimte meer - ook niet op grond van overwegingen van redelijkheid en billijkheid - om de bewijslast in het ‘grijze gebied’ zo te verdelen dat het aan de gedupeerde is om het causale verband tussen de aardbeving en de schade aan te tonen.

Wel is het mogelijk dat de bewijslast alsnog, door het gewicht van het tegenbewijs van de exploitant, bij de benadeelde komt te liggen. Dit is het geval als de exploitant aannemelijk weet te maken dat er geen causaal verband is tussen de schade en de aardbevingen. Het is dan vervolgens weer aan de gedupeerde om alsnog het causale verband aan te tonen. Dit is geen ondenkbaar scenario, onder meer omdat in het algemeen, voordat een gerechtelijke procedure wordt gestart, de buitengerechtelijke procedure zal zijn doorlopen en er dus rapportages van de exploitant voorhanden kunnen zijn waarin is opgenomen dat er geen causaal verband is of dat de schade gedeeltelijk is veroorzaakt door andere oorzaken dan de gaswinning. Ook kan de exploitant verweren voeren op grond van de artikel 6:98 BW (toerekening naar redelijkheid) en artikel 6:101 BW (eigen schuld). Naar het oordeel van de Afdeling is met het bij het amendement in te voegen zevende lid van artikel 6:177 BW dan ook niet beoogd van deze algemene regels af te wijken. De Afdeling gaat hier nader op in bij de bespreking van de technische aspecten (f).

In antwoord op de vraag over de verhouding van het amendement tot het beginsel dat niemand schade behoeft te vergoeden die hij niet heeft veroorzaakt, merkt de Afdeling op dat invoering van een bewijsvermoeden per definitie met zich meebrengt dat het kan voorkomen dat iemand schade moet vergoeden die hij niet heeft veroorzaakt. Het gaat hierbij echter alleen om die gevallen waarin niet aangetoond kan worden waardoor de schade wordt veroorzaakt (het eerder genoemde ‘grijze gebied’), dat wil zeggen wanneer noch aannemelijk gemaakt kan worden dat de schade door gaswinning is veroorzaakt, noch dat dat niet het geval is. Het bewijsvermoeden - in dit grijze gebied wordt ten laste van de exploitant de oorzakelijkheid voorondersteld - brengt met zich dat in bepaalde gevallen schadevergoeding toegekend zal worden, ook al is de schade de facto niet door de exploitant veroorzaakt. In zoverre vormt het amendement een uitzondering op het beginsel van het aansprakelijkheidsrecht dat niemand aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die hij niet heeft veroorzaakt.”

Ik merk op dat in de laatste alinea de termen ‘aantonen’ en ‘aannemelijk maken’ door elkaar worden gebruikt.

4.5.18

De minister heeft daarop de Kamer meegedeeld dat, uitgaande van dier wens om de bewijslast om te keren, en met inachtneming van de voorlichting door de Afdeling Advisering, in een novelle voor de Groningse situatie bij fysieke schade aan bouwwerken een wettelijk bewijsvermoeden zou worden opgenomen.288 Die novelle is het wetsvoorstel ‘Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen’ dat de ‘Wet tot wijziging van de Mijnbouwwet’ weer wijzigde.289 Die novelle bevatte art. 6:177a BW. De door NAM geciteerde MvT (zie 4.5.10) is de MvT bij die novelle.

4.5.19

Bij de voortgezette behandeling van de wetsvoorstellen ‘Wijziging van de Mijnbouwwet’ en ‘Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen’ zei de minister van EZ dat “het wettelijk bewijsvermoeden, dat [is wat] we voorheen ‘omkering van de bewijslast’ noemden” en dat met het wetsvoorstel “omkering van de bewijslast oftewel een bewijsvermoeden [wordt] geregeld”.290 De minister zei verder:291

“Met een wettelijk bewijsvermoeden wordt een afwijking gemaakt van de hoofdregel die stelt: wie iets beweert, moet dat ook bewijzen. In de situatie die ik net beschreven heb, is een bewijsvermoeden, oftewel omkering van de bewijslast, volgens de Raad van State gerechtvaardigd. In de situatie die zich bij de gaswinning in Groningen voordoet, is het duidelijk dat het gaat om een groot aantal schadegevallen met allemaal dezelfde achtergrond, althans in het overgrote deel van de gevallen. Daar is dus een redelijke basis voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden. 

Elders in Nederland zijn er andere soorten mijnbouwactiviteiten, ook gaswinning in veel kleinere velden. Dan is er sprake van andere schadegevallen. Dan kan er geen groot aantal gelijksoortige schadegevallen worden vastgesteld en is er ook niet één oorzaak aan te wijzen. Het is dan heel goed om de normale wettelijke regels in dit land voor dit soort zaken toe te passen. Als een rechter vindt dat hij de bewijslast bij één instantie moet leggen, bijvoorbeeld bij degene die het gas gewonnen en mogelijk de schade veroorzaakt heeft, kan de rechter zeggen dat de hele bewijslast bij de mogelijke veroorzaker wordt neergelegd en niet bij de schademelder. Dat houden die regels in en dat maakt de rechter individueel uit. Ik denk dat dat een goed systeem is om in het hele land toe te passen. 

De tweede beperking waar ik op moet ingaan, is de beperking tot fysieke schade aan gebouwen en werken. Deze fysieke schade aan gebouwen en werken komt vaak voor, is gelijksoortig en heeft vermoedelijk dezelfde oorzaak. Andere vormen van schade moeten natuurlijk ook vergoed worden. Het is niet zo dat alleen maar de fysieke schade vergoed moet worden. Alle schade moet vergoed worden. Bij andere dan fysieke schade, zijn er heel verschillende vormen en oorzaken. Daar is dus niet één grote lijn uit te halen. De normale procedure die wij hiervoor hebben, stelt dat de rechter de bewijslast bij een andere partij kan leggen. Ik denk dat het allemaal keurig toegepast kan worden en dat wij het zo moeten laten. 

Uiteindelijk is ook nog het gebied waar de schade zich voordoet, aan de orde en de manier waarop dat afgebakend moet worden. Eerder hebben wij besloten dat wij het effectgebied bepalen door het te omschrijven. Het omschreven gebied valt onder de omkering van de bewijslast, dus onder het bewijsvermoeden. Maar bij nadere besprekingen met alle betrokkenen daarover bleek dat zo'n harde grens als zeer arbitrair ervaren werd. De opvatting was dat de mogelijkheid niet mocht worden uitgesloten dat ook buiten zo'n zogenaamde harde grens wel degelijk iets veroorzaakt was door wat zich binnen het zogenaamde effectgebied afspeelde. Wij hebben er toen voor gekozen - dat is nu ook vastgelegd in het wetsvoorstel dat voorligt - om het aan de rechter over te laten om te bepalen of de schade die is ontstaan, naar haar aard redelijkerwijs veroorzaakt is door de gaswinning uit het Groningenveld. Dat betekent dat er geen vastgestelde harde grens is, maar dat in de loop van de tijd uit de jurisprudentie naar voren zal komen hoe dat precies moet worden ingevuld. Ik denk dat wij hiermee recht doen aan de wensen van de mensen in het gebied. Het is zo dat men juist gefixeerd raakt op harde grenzen. Men heeft de overtuiging dat er geen recht gedaan wordt door aan te geven: het gaat om het Groningenveld, dat is het veld waar de problemen zijn en waar dus ook een regeling voor getroffen moet worden. Hoe dit dan precies in de praktijk voor de grensgevallen toegepast moet worden, laten wij aan het oordeel van de rechter over. Die zal jurisprudentie vormen. Na een grondige voorbereiding en veel overleg denk ik dat dat uiteindelijk de beste invulling is die wij hier op dit moment aan kunnen geven. 

(…). Het bewijsvermoeden voor fysieke schade verandert helemaal niets aan de regels voor andere vormen van schade. Die worden toegepast.”

4.5.20

Hieruit volgt dat de medewetgever het litigieuze bewijsvermoeden zag als hetzelfde als de omkering van de bewijslast waar hij zich eerder tegen had verzet, althans dat hij het onderscheid tussen omkering en wettelijk vermoeden niet scherp op het netvlies had.292 Art. 6:177a BW is immers geen omkering van de bewijslast maar een weerlegbaar wettelijk bewijsvermoeden, maar uit de geciteerde wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever iets wilde – en er ook van uitging dat hij dat geregeld had – dat omkering van de bewijslast benadert. Aan het tegenbewijs moeten daarom hoge eisen worden gesteld en significante resterende onzekerheid komt mijns inziens daarom voor risico van de exploitant.

4.5.21

Gezien deze totstandkomingsgeschiedenis lijken mij de boven (4.5.2) geciteerde passages van het advies van Hammerstein c.s.293 correct. De vraag hoe ver het tegenbewijs moet gaan, beantwoorden zij mijns inziens terecht aldus dat het tegendeel, dus de onjuistheid van het wettelijke vermoeden moet worden bewezen, en dat het doen rijzen van significante twijfel aan de juistheid van het wettelijke vermoeden dus onvoldoende is. De vraag welke kracht dat tegendeelbewijs moet hebben, wordt op basis van de wetsgeschiedenis mijns inziens terecht aldus beantwoord dat ‘aannemelijk’ moet worden gemaakt dat de schade een andere oorzaak heeft, maar dat daarbij in het oog moet worden gehouden dat de wetgever duidelijk rechtsbescherming van gelaedeerde Groningers beoogde. Ook ik meen dat de rechter overtuigd moet zijn en in zijn vonnis moet kunnen verantwoorden dat en waarom hij aannemelijk acht dat de schade niet het gevolg is of kan zijn van de gaswinning (dus een andere oorzaak heeft). Resteert na bewijslevering onzekerheid die overtuiging de ene of de andere kant op in de weg staat (het ‘grijze gebied’ van de Afdeling Advisering), dan komt die voor risico van de exploitant.

4.5.22

Ik merk daarbij op dat, analoog aan de regelgeving294 en uw rechtspraak295 over de zorgplicht van ‘grondroerders’ – die eerst moeten uitzoeken waar de kabels liggen voordat ze gaan graven of damwanden slaan – NAM een nulmeting had kunnen doen in de gebieden met het hoogste risico (van het bestaan en de omvang waarvan NAM het beste op de hoogte was), met name na de eerste zware beving in Huizinge (2012), bijvoorbeeld door het (met toestemming) aanbrengen van meetbouten en het nemen van foto’s. Door dat niet te doen, heeft NAM zich enerzijds de hoge kosten van zo’n nulmeting bespaard, en anderzijds de – na de beving bij Huizinge te verwachten – onzekerheid in de hand gewerkt omtrent de vraag welke (toekomstige) fysieke schade aan gebouwen niet zou (zijn) op(ge)treden zonder de na Huizinge 2012 optredende aardbevingen. Dat kan een bijkomende rechtvaardiging zijn om onzekerheid over de oorzaak van gebouwschade voor risico van NAM te laten.

4.6

Vraag 6 : Als bij de partij die schade lijdt als gevolg van mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant aansprakelijk is, sprake is van een (al dan niet latente) kwetsbaarheid van hemzelf en/of van de aan hem toebehorende onroerende zaak, dient de exploitant alle schade te vergoeden die als gevolg van de mijnbouwactiviteiten is ontstaan of verergerd of is er ruimte voor het oordeel dat vanwege die (al dan niet latente) kwetsbaarheid niet alle schade op de voet van artikel 6:98 BW naar redelijkheid aan de exploitant kan worden toegerekend dan wel dat de schade deels voor rekening komt voor de eigenaar vanwege eigen schuld of voordeelverrekening?

Algemene opmerkingen

4.6.1

Alleen [eisers] en NAM gaan op deze vraag in. De Staat296 en EBN297 verwijzen naar de schriftelijke opmerkingen van NAM. [eisers] en NAM hebben over deze vraag geen nadere schriftelijke opmerkingen gemaakt.

4.6.2

Of schade naar redelijkheid kan worden toegerekend is geen vraag van bewijs, maar een rechtsvraag.298

4.6.3

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 5 oktober 2016299 (zie onderdeel 6.7-6.9 van de bijlage) in een andere procedure al geoordeeld dat de kwetsbaarheid van een persoon of onroerende zaak in beginsel het causaal verband tussen de aardbeving en de schade niet doorbreekt:

“Van het vereiste causale verband is sprake als de schade in zodanig verband staat met de aardbevingen, dat zij NAM en EBN, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van de aardbevingen kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). De rechtbank acht bij het toepassen van deze maatstaf in dit geval van belang dat gaswinning naar haar aard het risico op schade meebrengt; binnen een bepaald effectgebied is schade naar ervaringsregels redelijkerwijs te verwachten. Verder is van belang dat het bij aansprakelijkheid op grond van artikel 6:177 BW gaat om een vergaande risicoaansprakelijkheid die is ingevoerd in het kader van de verbetering van de (rechts)bescherming van derden. Bij de invoering van de Mbw en de uitbreiding daarbij van artikel 6:177 BW tot aansprakelijkheid voor schade als gevolg van bodembeweging zijn het belang van de burger bij het uitblijven van schade en het belang van de gemeenschap bij mijnbouwactiviteit gewogen: de burger moet vergunde mijnbouw-activiteit gedogen en de exploitant heeft de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van de winning. Niettemin kan schade ontstaan. Die schade moet dan niet voor rekening komen van degene die moet gedogen, maar voor rekening van degene wiens activiteiten aanleiding zijn (geweest) voor het ontstaan ervan en die van deze activiteiten economisch profijt heeft (kamerstukken 26 219, nr. 3, § 6.6 en § 11.3). Hij moet daarbij de slachtoffers en de aan hen toebehorende onroerende goederen, nemen zoals deze zijn. Dat wil zeggen dat schade die mede voortvloeit uit een bepaalde latente kwetsbaarheid van het slachtoffer en/of het onroerend goed in beginsel het causaal verband tussen de aardbeving en de schade niet doorbreekt en dus door de veroorzaker (volledig) moet worden vergoed.”

Standpunt [eisers]

4.6.4

onderscheiden personen van onroerende zaken. Ter zake van kwetsbaarheid van personen stellen zij onder verwijzing naar vaste jurisprudentie dat een bepaalde predispositie van een persoon in beginsel niet aan toerekening van letselschade in de weg staat.300 Zij zien geen reden hierover anders te oordelen bij de gedupeerden van de gaswinning in Groningen.301

4.6.5

Met betrekking tot kwetsbaarheid van onroerende zaken stellen [eisers] dat voor vergoeding in aanmerking komen de kosten om de woningen bewoonbaar te houden en andere specifieke kosten die het directe gevolg zijn van de beschadigingen door de bevingen. De benadeelde moet zoveel mogelijk in de positie worden gebracht waarin hij zonder schadeveroorzakende gebeurtenis zou hebben verkeerd. [eisers] gaan vervolgens in op de vragen of kwetsbaarheid van de onroerende zaak een rol speelt bij de beoordeling van eigen schuld en of ruimte bestaat is voor voordeelstoerekening.

4.6.6

Voor eigen schuld zien zij geen plaats bij een kwetsbaarheid die pas door de aardbevingen een cruciale rol gaat spelen. De bewoners moeten in de positie worden gebracht waarin zij verkeerden zonder schadeveroorzakende gebeurtenis; dat is de situatie waarin zij ondanks die kwetsbaarheid gebruik konden maken van de onroerende zaak.302 Zij zien op dit punt te minder aanleiding voor matiging op grond van eigen schuld, gegeven de veronachtzaming van de belangen van de bewoners van het Groningenveld door de gedaagden (geen onderzoek vooraf, onvoldoende maatregelen tijdens de winning en gebrekkige afhandeling van de schade) en de door de gedaagden genoten miljardenwinsten.303 Het kan de gedupeerden niet worden verweten dat zij geen schadebeperkende maatregelen hebben genomen, nu jarenlang is volgehouden dat geen significante aardschokken waren te verwachten en nagelaten is om tijdig bouwvereisten om aardbevingsschade te voorkomen in de wet op te nemen. Het waren veeleer de Staat en de (maten in de) maatschap die bij machte waren de schade te beperken.304

4.6.7

[eisers] menen dat in het geval van de gedupeerde Groningers toerekening van voordeel door herstelwerkzaamheden niet snel redelijk is, nu zij schade hebben geleden in een van de belangrijkste zaken die een mens heeft – zijn woning – en zij al jaren onveiligheid, onduidelijkheid en onzekerheid moeten ondergaan door het lakse optreden van de gedaagden bij het treffen van maatregelen en het toekennen van schadevergoeding.305

Standpunt NAM

4.6.8

Ook NAM maakt onderscheid tussen personen en onroerende zaken. Over kwetsbaarheid van personen merkt NAM op ook bij predispositie van een persoon aanleiding kan bestaan een schadevergoeding op grond van art. 6:98 of 6:101 BW te verminderen.306 Uitgangspunt is wel dat bij letselschade eerder wordt toegerekend dan bij zaakschade,307 zo volgt onder meer uit de vaste jurisprudentie dat ook de gevolgen van een persoonlijke predispositie die buiten normale verwachtingen liggen, zoals uitblijven van herstel, ex art. 6:98 BW aan de schadeveroorzakende gebeurtenis worden toegerekend, behalve als de benadeelde, diens persoonlijkheidsstructuur in aanmerking genomen, zich onvoldoende inspant voor herstel.308 Toch kan een persoonlijke predispositie van betekenis zijn voor de schadebegroting309 omdat die ook in een scenario zonder ongeval haar nadelige invloed zou hebben kunnen doen gelden. Dezelfde uitgangspunten gelden volgens NAM als sprake zou zijn van letselschade door aardbevingen310 en ook als geen sprake is van letselschade, maar een partij die smartengeld vordert, (ernstige) psychische belasting of zelfs geestelijk letsel door aardbevingen stelt.311

4.6.9

Bij zaakschade wordt volgens NAM minder snel toegerekend dan bij letselschade. Haars inziens moet bij zaakschade veel sterker rekening worden gehouden met al dan niet latente kwetsbaarheid van een onroerende zaak die door aardbevingen is beschadigd.312 Bij zaakschade is dus zeer relevant of de onroerende zaak kwetsbaar was als gevolg van bouwkundige gebreken of achterstallig onderhoud. Raakt een al latent kwetsbaar gebouw als gevolg van trilling door een aardbeving beschadigd, dan acht NAM zich niet gehouden om de herstelkosten geheel te vergoeden. Een deel van de schade kan dan niet ex art. 6:98 BW worden toegerekend aan de aardbeving of komt wegens eigen schuld voor rekening van de eigenaar.313 Ook bij de schadebegroting kan rekening worden gehouden met de al dan niet latente kwetsbaarheid van de zaak. Het uitgangspunt van volledige schadevergoeding brengt mee dat de eigenaar van de beschadigde zaak zoveel mogelijk moet worden gebracht in de situatie vóór de beschadiging; dat is de situatie waarin hij een zaak had die door bijvoorbeeld bouwkundige gebreken of achterstallig (groot) onderhoud relatief minder waard was.314 Dat wordt niet anders als de schade abstract wordt begroot op basis van de objectieve herstelkosten die bij zaakbeschadiging aan de orde is. Er moet dus een aftrek ‘nieuw voor oud’ worden toegepast, eventueel door voordeelverrekening (art. 6:100 BW).315

Beantwoording

4.6.10

Bijzondere kwetsbaarheid van een persoon of zaak kan reden zijn voor vermindering van de schadevergoedingsplicht ex art. 6:98, 6:100 of 6:101 BW. Dat lijkt mij niet anders bij schade door mijnbouwactiviteiten waarvoor de exploitant risico-aansprakelijk is. De rechtspraak en literatuur gaat over de aansprakelijkheden ex. art. 6:74, 6:162 en 7:658 BW, maar ik zie geen reden waarom het anders zou zijn als de aansprakelijkheid berust op art. 6:177 BW.316

Personenschade

4.6.11

Bij personenschade heeft de laedens de gelaedeerde in beginsel te nemen zoals hij is.317 Dat vloeit voort uit het uitgangspunt van concrete schadevergoeding in het letselschaderecht: de vergoeding kan niet worden beperkt tot het nadeel dat een (robuustere of gemiddelde) andere persoon in overigens gelijke omstandigheden zou hebben geleden. Het slachtoffer moet zoveel mogelijk worden gebracht in de situatie zonder schadeveroorzakende gebeurtenis. Onverschillig is dan welke ‘normale’ schade door een doorsnee persoon zou zijn geleden. Ook de kwetsbare mens heeft recht op vergoeding van zijn schade.318

4.6.12

In de literatuur is bepleit om bijzondere kwetsbaarheid bij de toepassing van art. 6:101 BW te betrekken en de aansprakelijkheid te verdelen.319 Ik betwijfel of bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer een hem toe te rekenen omstandigheid is in de zin van art. 6:101 BW.320 Heersend lijkt mij de opvatting dat bij de toerekening ex art. 6:98 BW de laedens de gelaedeerde heeft te nemen zoals hij is.321 Aansprakelijkheid strekt zich, gezien art. 6:98 BW, ook uit tot gevolgen van bijzondere kwetsbaarheid die zich door de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust hebben gerealiseerd en waarvan aannemelijk is dat zij zich zonder die gebeurtenis niet zouden hebben voorgedaan.322 Dat kan in bijzondere omstandigheden anders zijn, met name als het slachtoffer zich onvoldoende inspant om te herstellen,323 maar daarvan zal denkelijk niet snel sprake zijn.324 Bijzondere kwetsbaarheid kan echter wel van invloed zijn op de schadebegroting.325 Als aannemelijk is dat die kwetsbaarheid op enig ander moment ook zonder de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust de gezondheid van het slachtoffer zou hebben benadeeld, beperkt dat de schadevergoedingsplicht.326 In de persoon gelegen factoren mogen alleen als daartoe een concrete aanwijzing bestaat ten nadele van het slachtoffer in aanmerking worden genomen.327 Verkorting van de termijn waarin zich schade-invloed doet gevoelen vanwege een veronderstelde predispositie van het slachtoffer vereist dan ook adequate motivering.328 Het zal niet steeds eenvoudig zijn om vast te stellen of en zo ja, wanneer en in welke mate de gevolgen van de bijzondere gesteldheid zich ook zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis zouden hebben voorgedaan.329

4.6.13

Het in 4.6.11 en 4.6.12 besprokene geldt ook als een partij die smartengeld vordert een (ernstige) psychische belasting stelt, of geestelijk letsel, door aardbevingen,330 waarover meer bij de bespreking van vraag 9a.

4.6.14

Ik zie niet hoe bij personen met een bijzondere kwetsbaarheid art. 6:100 BW een rol zou kunnen spelen, in die zin dat zich een te verrekenen voordeel voordoet.

Zaakschade

4.6.15

Bij zaken is er minder reden om ervan uit te gaan dat de laedens de beschadigde zaak heeft te nemen zoals die was. Als de bijzondere kwetsbaarheid van een zaak heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade of de omvang daarvan en de kwetsbaarheid is te wijten aan gebreken van de zaak of aan gebrek aan zorg door de eigenaar, is de schade in beginsel in zoverre niet aan de laedens maar aan de eigenaar toe te rekenen.331 Zaakschade wordt ex art. 6:98 BW minder snel toegerekend dan personenschade, en gebrek aan zorg en onderhoud is gewone eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW, zodat beide routes geschikt zijn om een eventuele gebrekkige anterieure staat van de zaak aan de eiser toe te rekenen.332 Brunner heeft treffend verwoord waarom er bij zaken meer dan bij personen reden bestaat om bij de toerekening rekening te houden met bijzondere kwetsbaarheid:333

“De HR geeft geen argumenten voor zijn oordeel, deed dat ook niet in zijn vroegere arresten. Die argumenten zijn er wel. In de eerste plaats moet worden bedacht, dat aan mensen niet de eis kan worden gesteld, dat zij gemiddeld gezond en robuust zijn, een eis die wel aan zaken kan worden gesteld.”

Daarbij past enige nuancering, nu Brunner ongetwijfeld niet gedacht zal hebben aan aardbevingen. In Nederland kon men (tot voor zeer kort) niet de eis stellen dat woningen of andere gebouwen aardbevingsbestendig zijn. De vraag is dus hoe relevant een zaakeigen gebrek is in verband met aardbevingen, met name of dat gebrek ook ooit gebruiks- of waarderelevant aan de dag getreden zou zijn als er geen aardbevingen waren geweest.

4.6.16

Maar het in 4.6.3 hierboven geciteerde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 oktober 2016334 (en dat van 15 november 2017335) lijkt mij op het punt van zaakschade dus niet volledig juist. In het algemeen kan niet worden gesteld dat schade die mede voortvloeit uit een bijzondere, al dan niet latente kwetsbaarheid van een onroerende zaak door de veroorzaker (volledig) moet worden vergoed. Anders dan [eisers] , zie ik geen overtuigende redelijkheids- of billijkheidsaanleiding om schade die mede een gevolg is van zaakeigen gebreken of gebrek aan (groot) onderhoud aan onroerende zaken binnen het effectgebied van gaswinning uit het Groningenveld onder art. 6:98 BW uitsluitend toe te rekenen aan de veroorzaker van de aardbeving of om art. 6:101 BW (eigen schuld) buiten toepassing te laten, maar ik herhaal dat men in Nederland (tot voor zeer kort) niet de eis kon stellen dat woningen aardbevingsbestendig zijn, dat relevant is of gevolgen van een zaakeigen gebrek ook (ooit) aan de dag getreden zouden zijn als er geen aardbevingen waren geweest en dat NAM een nulmeting had kunnen doen. Bij historische gebouwen zoals een kerk uit 1500, een boerderij uit 1700, een herenhuis uit 1900, of een school uit 1950 kunnen geen hedendaagse bouweisen gesteld worden en van aardbevingen had men toen in Groningen nooit gehoord. De stad Groningen heeft een prestigieus hoog- en nieuwbouwproject, het Groninger Forum, moeten stilleggen omdat het niet aardbevingsbestendig was ontworpen. Volgens RTV-Noord heeft NAM € 68 miljoen betaald om het alsnog aardbevingsbestendig te maken, waarna het gedeeltelijk is afgebroken en alsnog (zware-)aardbevingsbestendig wordt afgebouwd.336 Ik herhaal mijn opmerking (4.5.22), geïnspireerd door de zorgplicht van ‘grondroerders’, dat NAM een nulmeting had kunnen doen in de gebieden met het hoogste risico.

4.6.17

Met bijzondere kwetsbaarheid kan ook (derde route) rekening worden gehouden bij de schadebegroting. Volledige schadevergoeding betekent dat het slachtoffer in een situatie wordt gebracht die financieel de oude is en die dus het geval van een zaak met een gebrek zo goed mogelijk benadert.337 Ook bij een abstract schadebegrip zoals bij zaakschade moet met de verbetering ‘nieuw voor oud’ rekening worden gehouden.338 Anders dan bij personenschade kan bij zaakschade dan ook art. 6:100 BW (voordeelverrekening) worden toegepast. Waardevermeerdering als gevolg van schadeherstel kan op de schadevergoeding in mindering worden gebracht. Ik zie geen overtuigende redelijkheids- of billijkheidsredenen om bij schade aan onroerende zaken binnen het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld art. 6:100 BW geheel buiten toepassing te laten, maar plaats daarbij dezelfde kanttekeningen als in 4.6.15 en 4.6.16.

4.7

Vraag 7 :

a. Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?

b. Indien vraag 7a. positief beantwoord wordt, geldt dit dan voor alle woningen die blootstaan aan het aardbevingsrisico van het Groningerveld of kan daarbij een gevalsdifferentiatie gemaakt worden, en welke omstandigheden zijn daarbij van belang?

c. Indien vraag 7a. positief beantwoord wordt, in hoeverre hebben de eigenaren van de woning respectievelijk de voor de waardedaling aansprakelijke partijen de mogelijkheid om in geval van verdere waardedaling respectievelijk waardestijging ten opzichte van de peildatum die verdere daling of stijging (alsnog) terug te vorderen?

Algemene opmerkingen

4.7.1

Alleen [eisers] en NAM gaan op deze vragen in. De Staat339 en EBN340 verwijzen naar de beantwoording door NAM. [eisers] hebben in hun nadere schriftelijke opmerkingen op het standpunt van NAM gereageerd.341 NAM is in haar nadere schriftelijke opmerkingen niet op deze vragen ingegaan.

4.7.2

Gezien de brief van de minister van EZ&K aan de Tweede Kamer van 24 april 2019342 inzake zijn beleidsvoornemen om het daarbij aan de Kamer aangeboden advies van de Adviescommissie Waardedaling343 te volgen, lijkt deze vraag een achterhoedegevecht na de slag die is geleverd ten overstaan van het hieronder te citeren gerechtshof Arnhem/Leeuwarden, maar anderzijds is zij een frontliniekwestie, nu het in te stellen IMG het geadviseerde beleid moet uitvoeren volgens de regels van het civiele aansprakelijkheidsrecht, zodat deze prejudiciële procedure dé gelegenheid is om richting aan dat beleid te geven. Die Commissie adviseert om afhankelijk van postcodegebied (geregistreerde bevingsintensiteit) en in vergelijking met een referentiegebied een vergoeding te geven aan zowel bewoners/eigenaren als woningbouwcorporaties naar de peildatum 1 januari 2019, uiteenlopend van gemiddeld circa 2,4% van de WOZ-waarde in Oldambt tot 12,9% in Loppersum. Daarin is begrepen 0,5 tot 4 procentpunt ophoging in verband met ondervonden overlast en onzekerheidsmarge. Met dat laatste gegeven lijkt ook vraag 8 een achterhoedegevecht, maar ook bij die vraag gaat het anderzijds juist om een frontliniekwestie omdat het IMG uw maatstaven moet volgen en deze prejudiciële procedure dus dé gelegenheid is om sturing te geven.

4.7.3

De rechtbank Noord-Nederland heeft zich bij vonnis van 2 september 2015344 (zie onderdeel 6.1-6.2 van de bijlage) al over waardedaling van woningen in het effectgebied uitgelaten. Zij heeft voor recht verklaard dat NAM aansprakelijk is voor de schade bestaande uit waardevermindering van de onroerende zaken gelegen in het gebied waar aardbevingen ten gevolge van gaswinning door NAM voorkomen en dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt ongeacht of er fysieke schade aan de onroerende zaken is opgetreden en ongeacht of de onroerende zaken al dan niet zijn verkocht. Dat vonnis is door het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd bij arrest van 23 januari 2018 (zie onderdeel 6.3-6.6 van de bijlage), maar opnieuw rechtdoende heeft het hof hetzelfde voor recht verklaard.345 Het hof overwoog dat niet ter discussie staat dat NAM aansprakelijk is voor schade als gevolg van de gaswinning en evenmin dat die schade kan bestaan uit waardevermindering van onroerende zaken zoals woningen. Discussie bestaat wel over de vraag of en zo ja, onder welke voorwaarden, bij de begroting van de schade door waardevermindering van een al dan niet fysiek beschadigde woning ervan kan worden geabstraheerd dat de woning niet is verkocht, dus of de schade vanwege waardevermindering in zoverre abstract kan worden begroot (rov. 8.3). Het hof hechtte groot belang aan de redelijkheid en de doelmatigheid (rov. 8.8). Het hof heeft enige arresten besproken waarin u abstracte begroting van schade door waardevermindering heeft aanvaard (rov. 8.11-8.17). Hij achtte de verschillen met het hem voorgelegde geval niet zo groot dat abstracte schadebegroting in dat geval niet daarmee in lijn zou zijn.

4.7.4

Het hof heeft vervolgens beoordeeld of abstracte schadebegroting in dit geval tot een redelijk resultaat leidt en doelmatig is (rov. 8.18). De door NAM geopperde bezwaren heeft het hof gemotiveerd van de hand gewezen (rov. 8.20 e.v.). Het hof heeft aangenomen dat de aardbevingen een negatief prijseffect hebben en dat niet te verwachten is dat dit effect binnen enkele jaren zal zijn verdwenen (rov. 8.52), dat de schade ook zonder verkoop kan worden begroot (rov. 8.69), dat er weliswaar niet een evidente peildatum is voor de begroting van de schade door waardevermindering los van verkoop (rov. 8.89), maar dat de taxatiedatum in de praktijk goed hanteerbaar is (rov. 8.90). Voor zover hier van belang, heeft het hof vervolgens overwogen:

“8.109. (…). Het hof volgt NAM niet in haar betoog dat de schade door de waardevermindering van de woningen niet abstract – los van de vraag of de woningen zijn beschadigd en/of verkocht – kan worden begroot. Daar heeft het hof in aansluiting op hetgeen reeds is overwogen, de volgende redenen voor.

8.110. Abstracte begroting valt, zoals het hof heeft vastgesteld, binnen het gebied dat is afgebakend in de hiervoor besproken arresten van de Hoge Raad. Binnen dat gebied is doorslaggevend of abstracte schadebegroting redelijk en doelmatig is. De schade-oorzaak in deze zaak levert, gelet op wat het hof in de vorige paragraaf heeft overwogen, geen grond op om in dit geval hoge eisen te stellen aan de toelaatbaarheid van abstracte schadebegroting. Daar komt nog bij dat ook uit de in Nederland levende rechtsovertuigingen (vgl. art. 3:12 BW) volgt dat in dit geval geen al te hoge eisen moeten worden gesteld aan de toelaatbaarheid van abstracte schadebegroting. Het hof verwijst in dit verband naar de nadruk die in het regeerakkoord wordt gelegd op een adequate en onafhankelijke afhandeling van alle schade en op de aanbeveling van de mensenrechtencommissie van de VN om te voorzien in “proper compensation”. Geheel ten overvloede wijst het hof nog op een recent advies over – kort gezegd – de wijze van schade-afwikkeling dat op verzoek van de NCG is uitgebracht door prof. mr. W.D.H. Asser, mr. dr. J.E. van de Bunt en prof. mr. A. Hammerstein (de commissie Hammerstein). In dat advies, waar van de zijde van de corporaties bij pleidooi op is gewezen, hanteert de commissie Hammerstein het volgende uitgangspunt (blz. 6):

“De Staat der Nederlanden en zijn inwoners hebben in de afgelopen decennia veel profijt gehad van de winning van gas in de provincie Groningen. De inwoners van deze provincie hebben daarvan óók en in toenemende mate hinder en schade ondervonden. Zij hadden en hebben reeds op grond van de aard van de aansprakelijkheid voor de schade recht op een fatsoenlijke en ruimhartige afwikkeling van deze schade en op een volledige vergoeding van de werkelijk geleden schade.”

De leidraad is steeds die van een ruimhartige benadering.

8.111. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is voor de toelaatbaarheid van abstracte schadebegroting in dit geval voldoende dat de schade een voldoende structureel karakter heeft, dat begroting van de schade mogelijk is en niet op onoverkomelijke bezwaren vanuit het oogpunt van doelmatigheid stuit en dat de gelaedeerden belang hebben bij abstracte schadebegroting. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, is in dit geval abstracte schadebegroting redelijk en doelmatig.

8.112. Aan de hiervoor vermelde voorwaarden is voldaan. Het hof heeft vastgesteld dat in het gebied waarin de aardbevingen plaatsvinden nog steeds – vijf jaar na Huizinge – sprake is van schade door waardevermindering van woningen en dat deze schade een structureel karakter heeft. Het hof heeft ook vastgesteld dat het mogelijk is om de waardevermindering los van verkoop vast te stellen en dat het op deze wijze begroten van de schade vanuit het oogpunt van doelmatigheid niet onoverkomelijk is. Weliswaar zullen, indien ondanks bereidwillige houding van NAM een model als bedoeld in r.o. 8.75 e.v. uitblijft, hoge uitvoeringslasten kunnen ontstaan, maar dat aspect legt voor het hof onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andere afweging te komen Ten slotte heeft het hof vastgesteld dat de woningeigenaren voldoende belang hebben bij abstracte begroting van hun schade.”

4.7.5

Het hof zag geen aanleiding om de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht te wijzigen (rov. 9.7). Voor zover NAM een geografische beperking bepleitte, heeft het hof overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat in gebieden waar gemiddeld geen sprake is van waardevermindering, toch enkele woningen staan die wel in waarde zijn verminderd door de gaswinning (rov. 9.4). Hij heeft NAM niet gevolgd in het betoog dat de verklaring voor recht pas toewijsbaar is ten aanzien van die woningen waarvan vaststaat dat deze in waarde zijn verminderd door het aardbevingsrisico, zodat dit ten aanzien van iedere individuele woning dient te worden vastgesteld (rov 9.5). De verklaring voor recht houdt niet in dat de schade vanwege waardevermindering in alle gevallen abstract moet worden begroot, maar laat ruimte voor concrete schadebegroting, bijvoorbeeld als de desbetreffende woning wel is verkocht (rov. 9.6).

4.7.6

NAM kon tot 23 april 2018 tegen deze uitspraak in cassatie gaan, maar heeft dat niet gedaan.346 Naar aanleiding van deze hofuitspraak is op 21 september 2018 de Adviescommissie Waardedaling ingesteld,347 die moet adviseren over welk van de bestaande modellen voor bepaling van waardedaling van woningen in het Groningse aardbevingsgebied het geschiktst is ter uitvoering van ‘s hofs oordeel dat waardedaling ook los van verkoop van de woning moet worden vergoed. Die Commissie heeft inmiddels geadviseerd en de minister van EZ&K heeft naar aanleiding van haar advies aangekondigd dat het in te stellen IMG ook belast zal worden met de vergoeding van waardevermindering volgens het door de Commissie aanbevolen model van bepaling van waardevermindering van woonhuizen in het effectgebied (zie onderdeel 1.3.7a hierboven en de onderdelen 5.6.8-5.6.9 van de bijlage).

Standpunt [eisers]

4.7.7

bepleiten bevestigende beantwoording van vraag 7a en sluiten daartoe aan bij het geciteerde arrest van het hof Arnhem/Leeuwarden dat zij in lijn achten met vaste jurisprudentie.348 De schade door waardevermindering (doordat potentiële kopers worden afgeschrikt door het aardbevingsrisico en door het risico dat de woning ook na herstel kwetsbaar is), komt voor vergoeding in aanmerking, ook als die schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij daadwerkelijke verkoop.349 Als de woning nog niet is verkocht, kan de rechter op grond van art. 6:105 BW de begroting van de toekomstige schade uitstellen of op basis van goede en kwade kansen de schade schatten op het moment dat de vergoeding wordt gevraagd.350

4.7.8

Ad vraag 7b zien [eisers] de wenselijkheid van het abstraheren van individuele omstandigheden en het categoriseren van schade, als dat leidt tot ruimhartige compensatie en snelle afwikkeling.351 Zij verwijzen zonder verdere toelichting naar productie 99 bij hun inleidende dagvaarding, waarin onder het hoofd “Woningwaarde en schadeloosstelling” een methode wordt voorgesteld om transparant en eenvoudig de normale waardeontwikkeling vast te stellen. Kennelijk achten zij categorisering op die basis mogelijk.352 Per saldo lijken zij echter vooral bezwaren tegen categorisering te zien, en menen zij dat zoveel mogelijk aangesloten moet worden bij de specifieke omstandigheden van het geval,353 gegeven de sterk uiteenlopende situaties, de eigen kenmerken van de woningen en de ontoereikendheid van eerdere pogingen tot categorisering.354

4.7.9

In antwoord op vraag 7c stellen [eisers] dat, voor zover schadebegroting nog niet mogelijk is door onzekerheid over eventuele zich toekomstig manifesterende schade en toekomstige aardbevingen en de schade als gevolg daarvan, de rechter niet kan schatten en de gedupeerden de mogelijkheid moeten hebben de niet in de vergoeding begrepen schade alsnog te vorderen.355

Standpunt NAM

4.7.10

NAM staat primair ontkennende beantwoording van vraag 7a voor.356 Zou schade door waardedaling wel voor vergoeding in aanmerking komen los van verkoop, dan moet zij bepaald worden op een taxatiedatum gelegen na het treffen van de maatregelen in verband met de gaswinning en de risico’s op aardbevingen zijn uitgevoerd en de woningmarkt ter plaatse is gestabiliseerd.357 (Meer) subsidiair stelt zij dat bij vergoeding los van verkoop de schade begroot moet worden naar het moment van de uitspraak van de rechter. Elke andere peildatum vergroot de willekeur en onredelijkheid en biedt verdere speculatiemogelijkheden.358

4.7.11

NAM bespreekt de toepassing en rechtvaardiging van abstracte schadevergoeding. Bij waardevermindering van onroerend goed kan haars inziens onder omstandigheden geabstraheerd worden van verkoop van die onroerende zaak en daarmee van realisatie van die vermindering.359 Wanneer abstracte schadeberekening aangewezen is, kan niet in het algemeen worden gezegd.360 Rechtvaardiging kan worden gevonden in de doelmatigheid (de schadebegroting wordt afgestemd op de schade zoals die in het algemeen wordt geleden,361 zodat de omstandigheden van de benadeelde in het concrete geval niet hoeven te worden onderzocht362) en redelijkheid (door vergoeding van objectieve herstelkosten wordt de mogelijkheid van feitelijk herstel zeker gesteld en verdwijnt de problematiek van herstel in eigen beheer).363

4.7.12

Maar volgens NAM verschilt onze zaak op belangrijke punten van de gevallen waarin tot nu toe vergoeding van waardedaling los van verkoop is toegekend:

- In die gevallen ging het steeds om waardevermindering die het directe gevolg was van zaakbeschadiging, althans reeds ingetreden fysieke inwerking op een onroerende zaak. Dat is hier niet het geval. De litigieuze waardevermindering is vooral het gevolg van het risico op toekomstige aardbevingen.364

- In die eerdere gevallen kon de waarde van de zaak vóór de fysieke inwerking en die in de situatie erna duidelijk bepaald worden. In ons geval is geen tijdstip aan te wijzen waarop de waardedalingsschade geacht kan worden te zijn geleden en ontbreekt dus een tijdstip waarop geabstraheerd kan worden van zich daarna voordoende omstandigheden die van invloed zijn op de omvang van de schade.365

- Anders dan in die eerdere gevallen, is in onze zaak geen sprake van een afgesloten en gestabiliseerde situatie. NAM wijst op het gunstige effect van de verlaging van de gasproductie, op de lopende versterkings- en verduurzamingsmaatregelen in de regio en op het besluit om de gaswinning zo spoedig mogelijk geheel af te bouwen.366

- Anders dan in die eerdere gevallen betreft onze zaak een in potentie groot aantal huizen, waarvan eventuele schade per individueel geval moet worden vastgesteld en vergoed.367

4.7.13

NAM meent daarom dat waardedalingsvergoeding los van verkoop tot onredelijke en ondoelmatige uitkomsten zou leiden.368 Abstractie is hier niet op haar plaats, nu geen herstel van zaakschade vooropstaat, maar vergoeding van zuivere vermogensschade en waardedaling wordt al vergoed onder de Waarderegeling als zij concreet wordt geleden door de huiseigenaar.369 Totdat zij verkopen, ondervinden huiseigenaren volgens NAM geen concreet nadeel.370 Vergoeding anders dan bij verkoop kan speculatie in de hand werken en schept het gevaar van over- en ondercompensatie,371 terwijl de omvang van de waardedaling zich onvoldoende betrouwbaar laat vaststellen.372 Deze problemen kunnen niet met art. 6:105 BW (weging van goede en kwade kansen) worden ondervangen door per de peildatum een schadevergoeding te geven waarin het risico op toekomstige schade door waardedaling is verdisconteerd, nu opvolgende huiseigenaren daaraan niet gebonden zullen zijn.373 Het voor mogelijk tienduizenden woningen met allerlei onzekerheden begroten en vergoeden van op een willekeurig moment mogelijk bestaande waardevermindering door aardbevingen is volgens NAM tegen die achtergrond ondoelmatig en onredelijk, brengt onevenredig hoge uitvoeringslasten mee en kan leiden tot speculatie en vele juridische procedures.374

4.7.14

Alleen bij verkoop doen zich deze problemen niet voor. Verkoop is het moment waarop de schade door waardevermindering zich voor de verkoper materialiseert. Vanaf dat moment wordt hij niet langer geraakt door waardefluctuatie van de woning door aardbevingen en andere ontwikkelingen in de regio. Het schatten van de waardedaling op het moment van verkoop is minder gecompliceerd en onzeker dan schatting los van verkoop omdat de marktwaarde vast staat en levert daarom de meest betrouwbare uitkomsten op. Alleen door vergoeding van waardedaling bij verkoop kan recht worden gedaan aan de belangen van zowel de benadeelde bewoner als de risico-aansprakelijke NAM.375 Bij deze ontkennende beantwoording van vraag 7a behoeven de vragen 7b en 7c volgens NAM geen beantwoording.

4.7.15

Bij positieve beantwoording van vraag 7a bepleit NAM in antwoord op vraag 7b gevalsdifferentiatie. Niet steeds kan worden volgehouden dat ontbreken van realisatie door verkoop van de woning geen relevante omstandigheid is. Volgens NAM moet de waardedaling als gevolg van aardbevingen duurzaam en van enige omvang zijn. Voor het overgrote deel van de woningen in het bevingsgebied is daarvan volgens NAM geen sprake.376 NAM wijst op verschillen in ligging, bevings- en schadehistorie en individuele maatregelen als versterking of isolatie op kosten van NAM.377 Zij acht het gemiddelde prijseffect in het overgrote deel van het risicogebied heel laag. Alleen in de kern van dat gebied leek in de laatste deelperiode nog een gemiddeld prijseffect van meer dan 3% te bestaan, terwijl het gemiddelde prijseffect voor die periode voor meer dan de helft van de gemeenten op minder dan 1% werd geschat.378 Volgens NAM volgt daaruit dat de meeste huizen in het risicogebied geen (duurzame) waardedaling van enige omvang zullen vertonen.379 Gelet daarop kan de vraag of het redelijk en doelmatig is om te abstraheren van de omstandigheid dat een woning niet is verkocht hooguit in uitzonderlijke individuele gevallen bevestigend worden beantwoord.380

4.7.16

NAM acht verder woningcorporaties niet vergelijkbaar met particuliere woningeigenaren.381 De door het hof Arnhem/Leeuwarden gebezigde redelijkheidsargumenten gaan bij corporaties niet op, omdat zij professionele en commerciële partijen die niet te maken hebben met bijvoorbeeld persoonlijke hypotheekschulden of zorgen over pensioenopbouw in verband met een afnemende woningwaarde.382 Ook wordt de waarde van woningbezit van woningcorporaties in de regel vastgesteld op basis van de toekomstige huurinkomsten, waardoor de resultaten van de onderzoeken naar het prijseffect van aardbevingen en aardbevingsrisico’s gebaseerd op vergelijking van verkoopprijzen van particulier woningbezit niet relevant zijn voor woningcorporaties. Dat de aardbevingen en aardbevingsrisico’s effect hebben op die huurinkomsten en daarmee op de waarde van hun woningbezit, is niet gebleken. Ten slotte verkopen woningcorporaties hun woningbezit in beginsel niet, zodat ook om die reden geen grond bestaat voor vergoeding van waardedaling die bij verkoop zou kunnen blijken.383

4.7.17

Ad vraag 7c meent NAM dat woningeigenaren niet de mogelijkheid zouden moeten hebben om vergoeding van verdere waardedaling ten opzichte van de peildatum te vorderen, omdat dit ondoelmatig en onredelijk zou zijn. Een eigenaar kan dan steeds als zich verdere waardedaling voordoet, vorderen dat deze wordt vergoed. In een altijd fluctuerende woningmarkt kan dat leiden tot veel procedures met steeds wisselende uitkomsten en het zou betekenen dat NAM wel meer malen moet vergoeden als de waarde verder daalt, maar de huiseigenaren niet hoeven terug te betalen als een in het verleden opgetreden en door NAM gecompenseerde waardedaling weer is ingelopen. De wet biedt NAM immers niet de mogelijkheid om op grond van een rechterlijk vonnis achteraf teveel betaalde vergoeding voor waardedaling terug te vorderen. Dit geldt te meer als bij de vaststelling van de waardedaling op de peildatum goede en kwade kansen ter zake van toekomstige ontwikkelingen worden meegenomen.384

Beantwoording

4.7.18

Mijns inziens moet vraag 7a ontkennend worden beantwoord. Ik acht de door NAM aangevoerde bezwaren tegen abstraheren van realisatie van het gestelde nadeel overtuigend. Zoals Hartkamp het in zijn opinie voor NAM verwoordt, gaat het hier niet om concrete of abstracte schadevergoeding, toekomstige of reeds geleden schade, of ingetreden of niet ingetreden schade. Het gaat erom of schade is geleden die naar haar aard voor vergoeding in aanmerking behoort te komen. Zoals u overwoog in uw arrest [...] /EMI385 (zie 4.7.25 hieronder), kan de betekenis van de gestelde schadefactoren wegens hun verband met toekomstige onzekere gebeurtenissen (nog) niet met voldoende duidelijkheid worden bepaald, zodat het raadzaam lijkt de beslissing over vergoeding uit te stellen tot het moment van realisatie,386 of – zo voeg ik toe voor het geval niet wordt gerealiseerd omdat de gelaedeerden niet verhuizen – tot het moment waarop een te bepalen effect-uitdooftermijn is verstreken, bijvoorbeeld vijf jaar na het volledig staken van de gaswinning uit het Groningenveld, dus als een stabiele toestand is bereikt, analoog aan de benadering in de zaak Gemeente Dordrecht/ [...]387(zie 4.7.25 hieronder).

4.7.19

De door het hof Arnhem/Leeuwarden uitgezette koers zou daarom mijns inziens niet door de rechter moeten worden voortgezet.388 Dat lijkt meer een taak voor de (pseudo-)wetgever, die zich, zoals boven (4.7.2) bleek, die taak al heeft aangetrokken; ik neem aan dat de in 4.7.2 geschetste algemene en abstract toepasbare regeling van de minister voor bepaling en vergoeding van waardevermindering door aardbevingsrisico opgenomen zal worden in het Wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen dat momenteel voor advies bij de Raad van State ligt (zie 1.2.1 hierboven). Aan de uit ‘s hofs verklaring voor recht voortvloeiende rechten van de in die procedure betrokken partijen doet dit niet af, nu die verklaring gezag van gewijsde heeft.

4.7.20

Vraag 7 gaat niet over fysieke schade,389 resterende waardevermindering na/ondanks herstel van fysieke schade390 of andere zich al reeds los van verkoop manifesterende schade zoals hogere rentelasten bij hypothecaire financiering omdat het onderpand minder waard is en lagere huren in geval van verhuur.391 Dergelijke schade komt in beginsel wel voor vergoeding in aanmerking.392 De waardevermindering waar het in vraag 7 om gaat, staat los van enige fysieke inwerking of actuele concrete financiële last of lustvermindering, maar is het gevolg van het door potentiële kopers gepercipieerde risico van toekomstige aardbevingen.

4.7.21

De rechter moet volgens art. 6:97 BW de schade begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Bij vermogensschade wordt daartoe onderscheid gemaakt tussen concrete en abstracte schadevaststelling.393 Uitgangspunt bij de bepaling van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is een concrete begroting, dus met in achtneming van alle omstandigheden van het concrete geval, omdat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis.394

4.7.22

In bijzondere gevallen kan op praktische gronden of om redenen van billijkheid geabstraheerd worden van een of meer omstandigheden van het concrete geval.395 Bij dergelijke abstracte schadevaststelling is uitgangspunt de in het algemeen te verwachten schade van een benadeelde in een positie zoals de eiser.396 Het is aan de rechter overgelaten te bepalen in welke gevallen en op welke wijze geabstraheerd wordt van welke omstandigheden.397

4.7.23

Bij waardevermindering van roerende zaken door beschadiging is uitgangspunt dat de eigenaar een nadeel in zijn vermogen lijdt gelijk aan de waardevermindering van de zaak, onafhankelijk van herstel (maar wel begroot op de objectieve herstelkosten). De schade wordt begroot naar het moment van de beschadiging. Van omstandigheden die zich nadien voordoen, zoals van de vraag of al dan niet hersteld wordt, wordt geabstraheerd.398 Het gaat om vergoeding voor nadeel in het vermogen dat aanstonds bestaat, gelijk aan de waardevermindering die het vermogensbestanddeel heeft ondergaan399 (begroot op de objectieve herstelkosten). De taxatie van die kosten naar het moment van beschadiging is bepalend. 400 Deze benadering bergt volgens sommigen een zeker risico op overcompensatie in zich.401

4.7.24

Door deze abstractie van ontwikkelingen na het beschadigingsmoment, zoals herstel, bestaat er geen prikkel om het schadeafwikkelingsproces te vertragen of te versnellen.402 Bovendien wordt de benadeelde in de gelegenheid gesteld de feitelijke schade te laten herstellen, hetgeen een belangrijke rechtvaardiging is voor abstracte schadebegroting.403

4.7.25

Ook bij onroerende zaken geldt dat de waardevermindering door beschadiging waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, in het algemeen gelijk zal zijn aan de naar objectieve maatstaven berekende kosten van herstel.404Uit vaste rechtspraak volgt dat de waardevermindering van een onroerende zaak niet hoeft te zijn gerealiseerd door verkoop om voor vergoeding in aanmerking komen. Deze rechtspraak is uitvoerig door partijen en ook door het hof Arnhem/Leeuwarden besproken. Het betreft met name:

- het arrest Gemeente Maassluis/ [...],405 waarin de gemeente verantwoordelijk werd gehouden voor woningbouw op door haar verkochte verontreinigde grond. De vraag was of de bewoners recht hadden op schadevergoeding onafhankelijk van verkoop van hun woning. U overwoog:

“Onderdeel 1 van het middel bestrijdt 's hofs oordelen (r.o. 8) dat in een geval als het onderhavige de schade in verband met de waardedaling van een woning abstract mag worden berekend en dat reeds ten tijde van 's hofs beslissing aannemelijk was dat [...] c.s. door de bodemverontreiniging schade hebben geleden. Deze oordelen moeten, gelet op r.o. 7, aldus worden verstaan dat aannemelijk is dat [...] c.s. niettegenstaande het feit dat zij hun woning niet hebben verkocht, schade hebben geleden in de vorm van waardedaling van de woning als gevolg van de bodemverontreiniging, en dat deze schade voor abstracte berekening in aanmerking komt. Met deze oordelen heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs motivering is niet onbegrijpelijk en het hof was niet tot nadere uiteenzettingen op dit punt gehouden. Het onderdeel faalt mitsdien.”

- het arrest Gemeente Dordrecht/ [...],406 waarin [...] schade had geleden doordat de door haar van de gemeente gekochte grond waarop zij huurwoningen bouwde verontreinigd bleek te zijn, maar de gemeente vóór de schadevaststelling aan sanering was begonnen en stelde dat de schade pas moest worden begroot na voltooiing van de sanering en na stabilisatie van de markt. U overwoog:

“Ingevolge het bepaalde in art. 6:97 BW - dat ook het voor 1 januari 1992 geldende recht weergeeft - dient de rechter de schade te begroten op de wij ze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Het gaat in het onderhavige geval om schade welke bestaat in waardevermindering van door de eigenaar van bouwgrond daarop gebouwde woningen, ontstaan als gevolg van het later aan de dag treden van verontreiniging van die grond. Mede met het oog op hanteerbaarheid van de methode van schadebegroting, rechtvaardigt de aard van zodanige schade dat het de rechter vrijstaat bij het begroten daarvan te abstraheren van bepaalde, de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffende, omstandigheden. In het bijzonder kan buiten beschouwing worden gelaten dat de eigenaar de woningen niet heeft verkocht (vgl. het onder 5.1 overwogene in HR 9 oktober 1992, nr. 14.671, NJ 1994, 286).

Indien en voor zover echter ten tijde van de vaststelling van de schade door de rechter, de aanvankelijk opgetreden waardevermindering van de woningen ongedaan blijkt te zijn gemaakt door een van overheidswege uitgevoerde bodemsanering in het gebied waar de woningen zich bevinden, is dit waardeherstel een niet met de individuele situatie van de eigenaar samenhangende omstandigheid die redelijkerwijs in aanmerking behoort te worden genomen om te voorkomen dat meer dan de werkelijk geleden schade wordt vergoed.”

Ik leid hieruit af dat in het geval van de Groningse aardbevingsschade rekening moet worden gehouden met de schadeverminderende effecten van de herstel-, versterkings- en duurzaamheidsmaatregelen die NAM en de overheid in het effectgebied hebben getroffen en treffen.

- het arrest [...] / [...],407 waarin [...] vergoeding eiste van schade aan zijn woonhuis, dat degradaties en beschadigingen vertoonde als gevolg van ondergrondse ontginningen door [...] . De vraag was of naast vergoeding van de reeds ontstane schade ook een vergoeding verschuldigd was voor de ‘toekomstige nawerking’ van de mijnexploitatie. U overwoog:

“Subonderdeel D keert zich tegen de toewijzing van een bedrag van ƒ 40 000 ter zake van schade welke na herstel van pand overblijft boven het te dier zake toegewezen bedrag van ƒ 150 000. Hetgeen het Hof hieromtrent heeft geoordeeld komt hierop neer: dat het feit dat de schade ook thans nog doorgaat en dat de nawerking van de mijnexploitatie nog wel tien jaren meetbaar kan zijn, reeds thans een waardeverminderende invloed op het pand uitoefent omdat de verkoopwaarde daardoor reeds thans nadelig wordt beïnvloed; dat deze reeds thans bestaande schade moet worden gewaardeerd op ƒ 40 000; dat dit bedrag tevens is te beschouwen als een afkoopsom ter zake van toekomstige waardevermindering. Dit oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, ook niet indien de mogelijkheid in aanmerking wordt genomen dat een nieuwe eigenaar in de toekomst vergoeding van eventuele nieuwe mijnschade van [...] zou kunnen vorderen.”

- en het arrest [...] /EMI,408 waarin [...] vergoeding vorderde van waardevermindering van zijn onroerende zaak als gevolg van overhangende hoogspanningskabels. De kantonrechter en de rechtbank hadden de vordering afgewezen omdat [...] ’s schade niet was geconcretiseerd in een lagere opbrengst bij verkoop of door verminderde kredietwaardigheid. U overwoog:

“In (…) haar vonnis is de Rb. uitgegaan van de veronderstelling, dat het onroerend goed van [...] in waarde is achteruitgegaan als gevolg van de aanwezigheid van de overhangende hoogspanningsdraden, welker aanleg en instandhouding [...] ingevolge art. 1 Belemmeringenwet Privaatrecht verplicht was en is te gedogen. Zij heeft geoordeeld, dat deze waardevermindering op zichzelf geen schade oplevert, welke krachtens genoemd artikel voor vergoeding in aanmerking komt. Het middel, dat (…) dit oordeel bestrijdt, is gegrond.

In de in art. 1 der wet voorkomende woorden 'behoudens schadevergoeding' is geen beperking van het recht op schadevergoeding gelegen, en uit de geschiedenis van de wet blijkt, dat is gedacht aan een recht op volledige schadevergoeding. De opvatting dat de in waardevermindering gelegen schade op zichzelf niet voor vergoeding in aanmerking komt, vindt derhalve in de wet geen steun. Aan het recht op vergoeding van deze schade staat niet in de weg, dat de omvang ervan in geschil is. Het systeem der wet brengt mede dat het de rechter vrijstaat zijn beslissing omtrent de gevorderde vergoeding uit te stellen, indien hem dit geraden voorkomt omdat de betekenis van de gestelde schadefactoren wegens hun verband met toekomstige onzekere gebeurtenissen nog niet met voldoende duidelijkheid kan worden bepaald.”

4.7.26

Op deze jurisprudentie wordt de opvatting gebaseerd dat waardevermindering ook in het geval van de bewoners van het effectgebied van de Groninger aardbevingen voor vergoeding in aanmerking komt ongeacht of die waardevermindering is gerealiseerd door verkoop.409 Zoals boven bleek, wijst NAM op significante verschillen tussen gevallen zoals die van [eiseres 1] c.s en de gevallen die in die rechtsprak zijn beoordeeld: (i) het gaat bij gevallen zoals die van [eisers] niet om waardevermindering door een beschadiging of (andere) fysieke inwerking op een onroerende zaak, maar door toekomstige-risico’s-perceptie, (ii) er kan in hun geval geen ander dan een willekeurig tijdstip worden aangewezen waarop de waardedalingsschade geacht zou moeten worden te zijn geleden, (iii) er is qua schade-ontwikkeling geen afgesloten en gestabiliseerde situatie en (iv) het gaat in potentie om een zeer groot aantal gevallen.410 Bovendien kan, zoals boven al bleek, op de geciteerde arresten [...] /EMI en Gemeente Dordrecht/ [...] ook de opvatting gebaseerd worden dat juist gewacht moet worden op realisatie, althans een stabiele toestand.

4.7.27

De geciteerde zaak [...] / [...] ging, anders dan zaken zoals die van [eisers] , in de eerste plaats over fysieke schade aan een woning door mijnbouw, maar in die zaak rees ook de vraag of naast vergoeding van die fysieke schade een vergoeding verschuldigd was voor de gevolgen van nawerking van de mijnbouwexploitatie in de toekomst. Die vraag was door de feitenrechter bevestigend beantwoord en dat oordeel bleef in cassatie overeind, maar in cassatie was niet meer in geschil dat voor waardeverminderingsvergoeding niet vereist was dat [...] die vermindering zou hebben gerealiseerd door verkoop. Het oordeel dat dat niet vereist was, was in appel niet bestreden. Daardoor was de vraag nog slechts of mogelijke nawerkingsschade voor finale afkoop in aanmerking kwam, tot aanvaarding waarvan [...] zich bereid had verklaard. De relevantie van dat arrest voor onze zaak acht ik dan ook beperkt. Anders dan in ons geval, was sprake van een afgesloten situatie: er werd niet meer ondergronds gewonnen.411 Evenmin was, zoals in Gemeente Dordracht/ [...], nog een sanering gaande.

4.7.28

Hoewel bij voorbaat schadevergoeding kan worden gegeven voor belasting van een zaak met een duurzaam risico, kan soms beter de werkelijkheid, bijvoorbeeld de toekomstige realisatie van waardeverandering, worden afgewacht. Art. 6:105 BW biedt de rechter die mogelijkheid. Ik meen dat daarbij niet van belang is – hoewel daarover ook anders wordt gedacht – of een belasting met een duurzaam risico als toekomstige schade wordt gezien of als actuele schade waarvan de omvang door toekomstige ontwikkelingen wordt bepaald.412 In het eerste geval is art. 6:105 rechtstreeks van toepassing, terwijl in het tweede geval analoge toepassing voor de hand ligt.413

4.7.29

Het gaat in gevallen zoals die van [eisers] niet om herstel van fysieke schade – fysieke herstelmaatregelen zijn niet goed denkbaar – maar om herstel van een vermogensbalans. Daarmee ontbreekt mijns inziens een belangrijke rechtvaardiging voor abstracte schadeberekening.414 De behoefte aan compensatie houdt in de eerste plaats verband met het aangetaste woongenot van de gedupeerden in de voorbije periode, in de tweede plaats met mogelijk blijvende kwetsbaarheid ook na herstel in combinatie met het risico van toekomstige bevingen. De eerste post is een reeds gerealiseerd nadeel en aan de behoefte tot compensatie kan worden tegemoet gekomen door vergoeding van gemist woongenot (zie daarvoor bij vraag 8 hieronder) en in bijzondere gevallen door vergoeding van immateriële schade (zie daarvoor bij vraag 9 hieronder). De andere twee punten betreffen ongerealiseerde waardedaling als gevolg van vrees bij potentiële kopers voor mogelijke toekomstige gebeurtenissen. Schade die zich al wél heeft gemanifesteerd, met name fysieke schade aan de woning, waardevermindering na herstel van fysieke schade, hogere hypothecaire rentelasten of zekerheidskosten door bankeisen na waardevermindering en lagere huuropbrengst bij verhuur als gevolg van aardbevingsrisico, en andere reeds vóór verkoop gerealiseerde schade door waardevermindering komt in beginsel wel voor vergoeding in aanmerking.

4.7.30

In gevallen zoals die van [eisers] lijkt mij vergoeding van waardevermindering los van realisatie van die vermindering noch doelmatig, want enorme uitvoeringslasten oproepende, noch redelijk, want niet accuraat, maar eerder casino-achtig, tenzij de rechter een enigszins aanvaardbaar forfaitair systeem uit de grond zou kunnen stampen zoals de Adviescommissie Waardedaling voorstelt (zie 4.7.2 hierboven en onderdeel 5.5.60 en 6.6 van de bijlage) en de minister van plan is te doen toepassen door het in te stellen Instituut Mijnbouwschade Groningen. Dat ligt mijns inziens echter buiten de rechtsvormende taak en mogelijkheden van de rechter omdat het forfait nog verder van de werkelijkheid af kan liggen dan box 3 van uw werkelijke spaarrendement. Ik merk op dat [eisers] vergoeding van € 116.500 aan waardevermindering vorderen, dat is bijna 108% van de laatste ons bekende WOZ-waardering van hun woning (€ 108.000 in 2015). Dat percentage ligt bepaald in een andere orde van grootte dan de weliswaar gemiddelde maar ruim geschatte 12,9% die de Commissie Waardedaling voorstelt en de minister overneemt voor het zwaarst getroffen postcodegebied. De rechterlijke beslissing omtrent vergoeding van waardevermindering zou mijns inziens daarom moeten worden uitgesteld tot het moment waarop die vermindering is gerealiseerd of tot nadat een uitdooftermijn van enige jaren na de volledige staking van de gaswinning uit het Groningenveld. De door NAM ingebrachte en op dier verzoek geschreven opinie van A.S. Hartkamp415 noemt mijns overtuigende bezwaren tegen abstraheren van realisatie:

“De onzekerheid omtrent de toekomst is aanzienlijk; het is niet redelijk om van toekomstige ontwikkelingen te abstraheren. Ik zie geen mogelijkheid om op een overtuigende wijze toekomstige goede en kwade kansen in de schadeberekening te verdisconteren. Eigenaren lopen het risico bij onvoorziene verslechtering van de situatie groot verlies te lijden; weliswaar staat het een ieder vrij dadingen te sluiten over onzekerheden, maar anderzijds is het recht er afkerig van dat burgers voor huidig gewin toekomstige (mogelijk grotere) baten opofferen. De uitvoeringslasten voor NAM zijn hoog; deze middelen kunnen beter worden besteed aan meer acute maatregelen. De (…) voorgestane voorziening is voor de gedupeerde eigenaren niet urgent; uit een oogpunt van doelmatigheid en verdeling van beschikbare middelen en menskracht is zij ongewenst.”

4.7.31

Beantwoordt u vraag 7a niettemin bevestigend, dan moet een peildatum worden bepaald. Anders dan de wetgever of de regering (zie de brief van 24 april 2019 van de minister van EZ&K genoemd in 4.7.2 hierboven), kan de rechter niet een voor iedereen uniforme peildatum bepalen, zoals de minister doet op advies van de Commissie Waardedaling (1 januari 2019). Om willekeur en strategisch gedrag van de partijen te vermijden, resteert mijns inziens dan slechts één mogelijke peildatum: de datum waarop de rechter uitspraak doet.416 Uitgangspunt is dat de schadeomvang wordt vastgesteld naar het schademoment. Dat is in casu echter niet bepaalbaar omdat er geen bepaald schademoment is en de schade, zoals NAM benadrukt, door tijdverloop weer kan verdwijnen als blijkt dat het dichtdraaien van de gaskraan de bevingen inderdaad doet ophouden, maar weer kan doen toenemen als dat door naschokken anders blijkt te zijn. De uiteindelijke omvang van de vergoedingsplicht wordt bepaald naar het moment waarop de rechter uitspraak doet.417 Wordt de peildatum op enig taxatiemoment gesteld, zoals het hof Arnhem/Leeuwarden heeft gedaan, dan verwordt schadebegroting tot taxatie-timing.418

4.7.32

Bij ontkennende beantwoording van vraag 7a behoeven de overige vragen geen behandeling. Beantwoordt u vraag 7a bevestigend, dan neem ik aan dat daaraan vooral ten grondslag zou liggen, naast erkenning reeds nu dat sprake is van schade door waardedaling, de overweging dat vergoeding los van realisatie van die waardedaling gevoelens van angst, frustratie en onzekerheid over de vermogenspositie, leencapaciteit, pensioen, etc. zal doen verminderen.419 Die overwegingen zou mijns inziens alleen voldoende dringend zijn bij particuliere woningeigenaren; niet bij woningcorporaties. Woningcorporaties kunnen wel opkomen voor schade die zich al onafhankelijk van verkoop manifesteert, zoals waardedaling van hun woningbezit als gevolg van verminderde huurinkomstencapaciteit, die vastgesteld zou kunnen worden door vergelijking van discounted cash flow berekeningen van vóór ‘Huizinge’ en van ná ‘Zeerijp’ of door vergelijking van discounted cash flow berekeningen voor het effectgebied van de Groningse gaswinning en voor referentiegebieden daarbuiten. Het antwoord op vraag 7b luidt daarom mijns inziens dat een positief antwoord op vraag 7a niet zonder meer voor alle woningen geldt die blootstaan aan het aardbevingsrisico van het Groningenveld, maar vooralsnog alleen voor woningen van eigenaren/bewoners.

4.7.33

Bovendien is er tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven bezwaren, waaronder hoge uitvoeringslasten en prikkels tot strategisch gedrag, reden als toegangscriteria te stellen (i) duurzame waardedaling, (ii) van enige omvang.420 De Adviescommissie Waardedaling gebruikt als criterium het percentage tot nu toe toegekende schadeclaims: in postcodegebieden vanaf 20% toegekende schadeclaims heeft Atlas voor Nederlandse gemeenten een waardedaling geconstateerd; in postcodegebieden met 0-20% toegekende schadeclaims ten opzichte van de complete woningvoorraad daarentegen zag Atlas een tegenovergesteld effect: de waarde van de woningen is daar gestegen. Om de uitvoeringslasten te beperken, ligt het voor de hand om ook boven die drempel met categorieën te werken zoals ook de Adviescommissie doet; zij doet dat in de eerste plaats op basis van bevingsincidentie in de afgelopen jaren. Maar categorisering heeft beperkte betekenis als – indien de concrete schade hoger blijkt dan de abstract berekende – ook vergoeding van de concrete schade kan worden gevorderd. 421

4.7.34

Ad vraag 7c, die alleen beantwoording behoeft bij positieve beantwoording van vraag 7a, meen ik dat de gedupeerden en de aansprakelijken niet de mogelijkheid zouden moeten hebben om bij latere waardedaling of -stijging ten opzichte van de peildatum elkaar nog te bestoken met (terug)vorderingen. Bij de schatting van de waardedaling los van realisatie ware art. 6:105 BW toe te passen door de goede en kwade kansen te schatten en de schadevergoeding het karakter van een afkoopsom te geven. Het doel van abstracte schadebegroting (doelmatigheid en redelijkheid) is ver te zoeken als de partijen elkaar op periodieke basis kunnen blijven aanspreken ter zake van verder dalen of juist herwinnen van waarde van de woning.422

4.7.35

Aangenomen wordt dat opvolgende verkrijgers bij verdere waardedaling na hun aankoop wel opnieuw vergoeding kunnen vorderen.423 Het hof Arnhem/Leeuwarden oordeelde in zijn boven (4.7.3-4.7.5) geciteerde arrest van 23 januari 2018424 dat zulks geen dubbeltelling oplevert. Dat oordeel lijkt mij niet juist: 425 als in de vergoeding van de eerste eigenaar de goede én kwade kansen zijn verdisconteerd, lijkt mij elk daarop terugkomen ofwel een dubbeltelling, ofwel een ondercompensatie, aangenomen dat ten tijde van de schatting alle beschikbare relevante informatie te goeder trouw aan de rechter is verstrekt door de partijen.426 In het boven geciteerde arrest [...] / [...] is dat resultaat niet onaanvaardbaar geacht.427 Er kan ook niet eenvoudig aan worden ontkomen. In de literatuur is wel bepleit om met het oog hierop alleen de op het moment van de rechterlijke uitspraak bestaande waardedaling te vergoeden, zonder rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen.428 Zoals bleek, lijkt mij dat ongewenst omdat de partijen elkaar dan kunnen blijven bestoken. In het geval van [eisers] lijkt mij overigens ook die ‘bestaande’ waardedaling onlosmakelijk vast te zitten aan verwachte toekomstige bevingsontwikkelingen.429 Dat laatste kan wel een argument zijn om een opvolgende koper een vordering te ontzeggen: door een lagere aankoopprijs in verband met bevingsrisico is hij in wezen al bij voorbaat gecompenseerd en hij heeft de kans op toekomstige bevingen nu eenmaal aanvaard.430

4.8

Vraag 8 : Onder welke omstandigheden behoort ook het gemis van onstoffelijk voordeel, te weten het ongestoorde woongenot, omdat daarvoor onnodig uitgaven (zoals hypotheekrente) zijn gedaan, tot de door de exploitant te vergoeden (vermogens)schade?

Algemene opmerkingen

4.8.1

Alleen [eisers] en NAM gaan op deze vraag in. De Staat431 en EBN432 verwijzen voor de beantwoording naar de schriftelijke opmerkingen van NAM. De nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] en NAM gaan op deze vraag niet meer in.

4.8.2

Bij het al meer malen genoemde vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland tussen NAM en een groot aantal natuurlijke personen, onder wie [eisers] ,433 voor recht verklaard dat de aardbevingen als gevolg van de gaswinning van NAM een inbreuk ex art. 6:162 BW vormen op een persoonlijkheidsrecht van de eisers, namelijk hun recht op ongestoord woongenot. Ten aanzien van een ander deel van de eisers heeft de rechtbank voor recht verklaard dat zij vermogensschade lijden door gemis van onstoffelijk voordeel, te weten ongestoord woongenot, als gevolg van de aardbevingen door de gaswinning van NAM, en dat NAM aansprakelijk is voor die vermogensschade.434 NAM is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan,435 en volgens de schriftelijke opmerkingen van NAM heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de zaak opgelegd totdat deze prejudiciële vragen zijn beantwoord.436 De rechtbank overwoog op dit punt als volgt:

“4.5.3. In zijn arrest van 5 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BF1042) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat wanneer iemand uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel en hij dit voordeel heeft moeten missen, bij het begroten van de door hem geleden schade – die als vermogensschade moet worden aangemerkt – als uitgangspunt zal hebben te gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven die hun doel hebben moeten missen, en dat indien deze schade op de voet van artikel 6:98 BW aan een ander kan worden toegerekend als gevolg van een gebeurtenis waarvoor deze aansprakelijk is, die ander deze schade in haar geheel zal moeten vergoeden, tenzij dit, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, onredelijk zou zijn.

De Hoge Raad overwoog verder nog dat de uitgaven hun doel in rechtens relevante mate moeten hebben gemist en dat daarbij de bijzondere omstandigheden van het geval van belang zijn, zoals de tijd gedurende welke de zaak niet gebruikt kon worden en het functieverlies en de daardoor veroorzaakte genotsderving. De ergernis zelf, die door gering gemis van verwacht genot is teweeggebracht, is echter geen vermogensschade.

4.5.5.

Eisers hebben onweersproken gesteld dat zij allen kosten voor hun woningen hebben gemaakt en in de meeste gevallen nog maken. Zij stellen dat die uitgaven hun doel hebben gemist. Aan NAM kan worden toegegeven dat eisers (eventuele uitzonderingen daargelaten) niet al het genot van hun woning hebben gederfd en dat dus niet alle door hen voor hun woningen gedane uitgaven kwalificeren als uitgaven die hun doel hebben gemist. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de impact van de aardbevingen volgt in zijn algemeenheid echter wel dat sprake kan zijn van een rechtens relevante beperking.

4.5.6.

NAM heeft aangevoerd dat vermogensschade wegens gederfd gebruik en genot van de woning alleen voor vergoeding in aanmerking kan komen als sprake is van onrechtmatige hinder. De rechtbank heeft onder 4.2.4 overwogen dat daarvan sprake is, zodat dit verweer verder geen bespreking behoeft.

4.5.7.

Eisers hebben niet alleen in algemene zin gesteld dat zij allen hypotheekrente betalen voor hun woning, maar – afgezien van eiser sub 68 in de zaak met zaaknummer C/19/109028 ([eiser D] c.s.) en eiser sub 4 in de zaak met zaaknummer/rolnummer C/19/109680/HA ZA 15-73 ([eiser H] c.s.) – ook verklaringen overgelegd waarin zij hebben aangegeven in welke mate zij in het genot van hun woningen zijn gestoord. Veel eisers maken, onweersproken, melding van tocht, vochtproblemen, klemmende deuren en andere beperkingen in gebruiksmogelijkheden van hun woningen. NAM heeft verder niet betwist dat alle eisers een woning bezitten en evenmin dat zij daarvoor kosten hebben gemaakt. Onderzoeksrapportages bevatten ook aanwijzingen dat de waarde van in het aardbevingsgebied gelegen onroerend goed als gevolg van de door gaswinning veroorzaakte aardbevingen vermindert. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat zij onder de feiten onder 2.13. heeft opgenomen. Nu eisers hun kosten hebben gemaakt met betrekking tot het onverminderd gebruik en genot van hun woningen is voor allen, met uitzondering van de twee hiervoor genoemde eisers, sprake van uitgaven die hun doel in rechtens relevante mate hebben gemist waar deze uitgaven zien op het verminderde deel van dat gebruik en genot als gevolg van de aardbevingen. De twee hiervoor genoemde eisers zondert de rechtbank uit, omdat van hen geen verklaringen zijn overgelegd waaruit blijkt in welke mate zij in hun woongenot zijn gestoord.

Bij de bepaling van de hoogte van de schade in de schadestaatprocedure dient uiteraard te zijner tijd verdisconteerd te worden of en zo ja wanneer de desbetreffende eiser reeds een bedrag aan schadevergoeding heeft ontvangen uit hoofde van waardevermindering van zijn of haar woning in geval sprake is van pro saldo dezelfde schadeposten.”

4.8.3

Woningeigenaren die na 31 maart 2017 schade hebben gemeld bij de TCMG, kunnen een overlastvergoeding van maximaal € 1.000 aanvragen. In zoverre is al in enige compensatie voor woongenotverlies verkrijgbaar.437

Standpunt [eisers]

4.8.4

stellen dat sommige uitgaven voor verkrijging van onstoffelijk voordeel vermogensschade kunnen zijn als zij tevergeefs zijn gedaan omdat het onstoffelijke voordeel dat er tegenover had moeten staan, uitblijft.438 Zij achten de mate waarin gemaakte kosten tevergeefs zijn geweest, evenredig aan de mate waarin het beoogde voordeel is misgelopen als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid rust: als de woning niet volledig onbruikbaar is geweest en er ook plezier aan is beleefd, zijn de kosten ook niet volledig tevergeefs geweest.439

4.8.5

[eisers] menen dat de hypotheekkosten en overige eigenaarsuitgaven van de gedupeerde Groningers in aanmerkelijke mate hun doel hebben gemist. De woonkosten bleven even hoog, terwijl het woongenot afnam door de gevolgen van de gaswinning en deels werd vervangen door woonstress: de gedupeerde Groningers maken zich zorgen over hun persoonlijke veiligheid, over de waarde en verkoopbaarheid van hun woning en over de gebrekkige schadeafhandeling. Velen wonen in een schadewoning. Deugdelijk herstel onder en boven het maaiveld blijft uit en er worden geen effectieve maatregelen genomen om het risico op toekomstige schade, mogelijk met ernstige gevolgen, te beperken. Daarmee hebben de uitgaven voor het in eigendom hebben van de woning in rechtens relevante mate hun doel gemist, zodat zij in aanmerking komen voor vergoeding.440

Standpunt NAM

4.8.6

NAM acht zich niet aansprakelijk voor vermogensschade wegens gederfd woongenot als gevolg van aardbevingen. Deze schade kan niet worden begroot op uitgaven zoals hypotheekrente die hun doel hebben gemist omdat de betrokken woningen nog steeds woongenot opleveren.441 Van vergoeding van dergelijke vermogensschade kan in geen geval sprake kan zijn als de eigenaar al is of wordt gecompenseerd voor waardedaling of immateriële schade als gevolg van aardbevingen, omdat dat een dubbeltelling zou zijn.442

4.8.7

Als dergelijk schade al voor vergoeding in aanmerking zou komen, meent NAM dat er hoge drempels voor gelden. Het gaat om vergoeding voor het gemis van immateriële voordelen, waarvoor in beginsel alleen plaats is in de in art. 6:106 BW opgesomde gevallen. De enige reden waarom deze immateriële schade desondanks als vermogensschade wordt aangemerkt, is dat het immateriële nadeel kan worden gerelateerd aan een materieel nadeel, nl. de kosten die vergeefs ter verkrijging van het voordeel zijn gemaakt.443 Gemist onstoffelijk voordeel is aldus enkel vermogensschade als het gemis kan worden uitgedrukt in uitgaven die hun doel hebben gemist.444 Dat is hier niet het geval, want het gemiste onstoffelijk voordeel kan niet worden gerelateerd aan hypotheekrente, die niet betaald wordt door eigenaren die niet hebben geleend of al hebben afgelost en die niet (alleen) betaald wordt ter verwerving van ongestoord woongenot, maar ter verwerving van eigendom en dus ook om kapitaal op te bouwen.445

4.8.8

Dat hoge drempels gelden voor vergoeding van vermogensschade door gemis van onstoffelijk voordeel, volgt volgens NAM ook uit het arrest [...] / [...]446 en het arrest /Gemeente Heiloo.447 Als uitgangpunt kan niet zonder meer gelden dat gemist voordeel moet worden begroot op het totaal van de uitgaven die de koper heeft gedaan om het voor de desbetreffende periode beoogde onstoffelijk voordeel te verkrijgen, reeds niet omdat het voordeel hem niet geheel is ontgaan en die uitgaven hun doel niet geheel hebben gemist. Of de uitgaven hun doel in rechtens relevante mate hebben gemist, hangt af van de bijzondere omstandigheden van elk geval, zoals de duur van het gemis en de omvang van het functieverlies. Een geringe genotsderving kan weliswaar tot grote ergernis leiden, maar ergernis is geen vermogensschade.448

4.8.9

NAM stelt dat de huizen in ieder geval ten dele hun functie vervullen, zodat de kosten die zijn gemaakt, niet kunnen worden geacht hun doel te hebben gemist. De begroting van vermogensschade als gevolg van gederfd woongenot kan dan ook niet op functieverlies worden gebaseerd.449

4.8.10

Voor zover desondanks ook door de aardbevingen veroorzaakte verstoring van woongenot vermogensschade kan opleveren in de vorm van uitgaven voor woongenot die deels hun doel hebben gemist, wijst NAM op de overlap met de gevorderde waardedaling (vraag 7) en de gevorderde immateriële schade (vraag 9). De vragen 7, 8 en 9 zijn in zoverre met elkaar verweven.450 NAM meent dat derving van woongenot zich uit in een waardevermindering van de woning. Het deel van uitgaven die hun doel hebben gemist, kan dan ook het beste worden begroot aan de hand van de geschatte waardedaling van de woning, zodat schadevergoeding wegens genotsderving op meer abstracte basis kan worden vergoed en problemen bij de bepaling van de omvang van de schadevergoeding te verminderen.451 Ook meent NAM dat vergoeding voor gederfd woongenot vaak primair genoegdoening voor immateriële schade is, waarvoor het limitatieve stelsel van art. 6:106 BW geldt. Daarom moet terughoudendheid worden betracht bij het honoreren van dit soort vorderingen. Gezien art. 6:106(1)(b) BW komt verstoring van woongenot niet voor vergoeding in aanmerking. In geen geval kan zowel smartengeld als vergoeding van deze vermogensschade worden gevorderd, omdat dat een dubbeltelling en dus een onredelijke verrijking zou inhouden.452

Beantwoording

4.8.11

Vergoeding voor gemist woongenot is vergoeding voor gemis van immateriële voordelen, waarvoor in beginsel alleen in de in art. 6:106 BW opgesomde gevallen ruimte is. Toch kwalificeert u dergelijk gemis als vermogensschade als het gemis van het immateriële voordeel zich manifesteert in een materieel nadeel: tevergeefs voor het beoogde voordeel gemaakte kosten.453 De vergoeding houdt daarmee het midden tussen vergoeding voor waardevermindering en vergoeding voor gemis van immateriële voordelen. Vraag 8 kan dan ook niet goed los van de vragen 7 en 9 worden beantwoord.454

4.8.12

Gezien de door de feitenrechter vastgestelde en overigens algemeen bekende problemen van bewoners van het Groningenveld kan het zeker voorkomen dat sommige van hen in rechtens relevante mate en duur genot van hun woningen zijn misgelopen door de aardbevingen. Per individueel geval zal moeten worden beoordeeld in welke mate. Bij de begroting van die vermogensschade moet mijns inziens aangesloten worden bij het (geschatte) verschil in huurwaarde tussen de situaties met en zonder aardbevingen. Het woongenot is immers in beginsel voor eigenaren/bewoners en huurders hetzelfde, nu het niet om de eigendom, maar alleen om het wonen gaat. Een huurder zal denkelijk huurvermindering vragen of verhuizen. Omdat de gedupeerden echter niet of slechts moeizaam kunnen verhuizen, met name degenen wier huizen onverkoopbaar worden geacht, moet mijns inziens uitgegaan worden van een fictieve maathuurder die nog jarenlang aan zijn huurcontract vast zit en geen huurvermindering kan bewerkstelligen. Per individueel geval zal moeten worden beoordeeld in welke mate de aardbevingen de huurwaarde bij een langjarig huurcontract in negatieve zin hebben beïnvloed door te kijken naar hoeveel minder jaarhuur de verhuurder aan een nieuwe huurder zou kunnen vragen als de woning leeg zou staan, en dat verschil in jaarhuur te kapitaliseren door het te vermenigvuldigen (circa) zeven jaar (begin 2013 – begin 2019). Kan de verhuurder van zo’n woning op het moment van de rechterlijke uitspraak bijvoorbeeld € 100 per maand minder huur vragen voor de woning dan in 2011 of begin 2012, dan is het gemiste woongenot te begroten op 12 maanden * € 100 * 7 jaar = € 8.400.

4.8.13

Een onder dit hoofd te vergoeden bedrag komt mijns inziens minstens deels in mindering op een eventueel later (bij realisatie) vast te stellen vergoeding wegens waardevermindering, nu de waarde van een woning mede bepaald wordt door het woongenot ervan en (dus) door de huurwaarde. Ook de inkomstenbelasting van eigenaren/bewoners ter zake van hun inkomsten in natura in de vorm van woongenot c.q. bespaarde huur (het huurwaardeforfait ex art. 3:112 Wet inkomstenbelasting IB 2001) is gebaseerd op de huurwaarde van de woning. De vraag in welke mate een vergoeding onder dit hoofd verrekend moet worden met een latere vergoeding wegens waardevermindering, ware evenals de beslissing omtrent schadevergoeding wegens die waardevermindering uit te stellen tot het moment van realisering van de woningwaarde bij verkoop of opkoop. Wordt vraag 7a wel positief beantwoord, dan moet gewaakt worden tegen dubbeltelling onder dit hoofd en onder het hoofd van waardevermindering. Wordt vraag 7a negatief beantwoord en wordt het woongenotgemis bepaald op basis van verminderde huurwaarde, dan bestaat geen acute overlap met waardevermindering (vraag 7) en bestaat mijns inziens nauwelijks gevaar van samenloop met smartengeld (vraag 9), omdat smartengeld geen objectief huurwaardeverlies compenseert, maar geestelijk letsel of persoonlijkheidsrecht-schending, waar nog bij komt dat schadevergoeding wegens schending van een fundamenteel recht niet zo zeer bepaalde schade compenseert als wel de eerbiediging van fundamentele rechten beoogt.455 Zoals uit het bovenstaande voortvloeit, zal bij woninghuurders c.q. woningverhuurders de schade bestaan uit het, gezien het verminderde woongenot, te veel betaalde deel van de huurprijs, dan wel, als de particuliere eigenaar/verhuurder de huursom heeft moeten verlagen wegens aardbevingsrisico, het gemiste deel van de huursom, in welk geval de verhuurder de gelaedeerde is.

4.8.14

Ik werk een en ander uit. Van belang is met name uw arrest Rally Dakar, over een rallyrijder die wilde deelnemen aan de Dakar Rally en daartoe een motor had gehuurd en vele andere uitgaven had gedaan, onder meer voor reizen en verblijven, maar geconfronteerd werd met niet-functioneren van die motor waardoor hij niet kon deelnemen en onverrichterzake naar huis kon. U overwoog ter zake van de vordering tot vergoeding van de gedane uitgaven:456

“3.3.1 Indien iemand uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel en hij dit voordeel heeft moeten missen, zal met het oog op het begroten van de door hem geleden schade - die als vermogensschade moet worden aangemerkt - als uitgangspunt hebben te gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven die hun doel hebben moeten missen. Indien deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan een ander kan worden toegerekend als gevolg van een gebeurtenis waarvoor deze aansprakelijk is, zal die ander deze schade in haar geheel moeten vergoeden, tenzij dit, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, onredelijk zou zijn.

3.3.2 (…). (…),

is in cassatie niet bestreden dat Brouwer de schade die voor Burger voortvloeit uit het gebrek aan de motor aan deze dient te vergoeden. Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan niet worden gezegd dat de schade niet aan Brouwer als gevolg van haar wanprestatie kan worden toegerekend op de grond dat de kosten ook zouden zijn gemaakt als Brouwer geen wanprestatie zou hebben gepleegd en Burger de rally zou hebben uitgereden of indien hij de rally om een andere reden niet zou hebben uitgereden. In de eerste plaats gaat het niet erom of de kosten zijn gemaakt, maar of de kosten tevergeefs zijn gemaakt, dat wil zeggen hun doel hebben gemist. Van dit laatste is geen sprake indien de rally zou zijn uitgereden. Voorts is voor het geval dat de rally niet zou zijn uitgereden anders dan als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, op zichzelf wel juist dat de schade (de tevergeefs gemaakte kosten) bij gebreke van een aansprakelijke persoon voor eigen rekening van de benadeelde blijft, maar daaruit kan niet volgen dat hetzelfde ook moet gelden in het geval er wèl een aansprakelijke persoon is.”

4.8.15

Alleen kosten die als gevolg van de schadebrengende gebeurtenis tevergeefs zijn gemaakt, kunnen als schade worden aangemerkt. Kosten die hun doel niet hebben gemist, zijn dus geen schade. Verder moeten ingevolge art. 6:98 BW de vergeefs gemaakte kosten in zodanig verband staan met de tekortkoming dat zij in redelijkheid aan de aansprakelijke kunnen worden toegerekend. Voor die beoordeling zijn met name van belang de voorzienbaarheid van de gevolgen, de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade en de mate van schuld (ook al gaat het om risico-aansprakelijkheid).457

4.8.16

Van belang is ook uw arrest [...] / [...] ,458 over een zeewaardig jacht met gebreken, die gerepareerd moesten worden, waardoor de koper er niet zo veel, niet zo ver en niet zo hard mee kon varen als hij had kunnen en willen doen als er geen tekortkomingen waren geweest. U overwoog:

“3.6. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat een koper van een uitsluitend voor privégebruik aangeschaft plezierjacht het op zichzelf niet op geld waardeerbare onstoffelijke voordeel, ter verkrijging waarvan hij dat jacht heeft gekocht en ook verdere uitgaven heeft gedaan, in een periode van ongeveer zestien maanden gedeeltelijk heeft gemist doordat reparaties moesten worden verricht aan het jacht en hij ten gevolge van gebreken van het jacht met minder hoge snelheid heeft kunnen varen en minder grote tochten heeft kunnen maken. In zo'n geval kan bij de begroting van de door de koper door gemis van onstoffelijk voordeel geleden vermogensschade niet zonder meer, zoals [...] in deze zaak heeft verlangd, als uitgangspunt gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op het totaal van de uitgaven die de koper heeft gedaan (met inbegrip van waardevermindering die het jacht ten gevolge van veroudering in die periode heeft ondergaan en rentederving) teneinde het voor de betreffende periode beoogde onstoffelijke voordeel te verkrijgen, reeds omdat niet kan worden gezegd dat dat voordeel hem geheel is ontgaan, en die uitgaven hun doel geheel hebben gemist.

3.7.

Bij dit een en ander is verder nog het volgende van belang. De kans bestaat dat een gekochte zaak niet dadelijk in alle opzichten onberispelijk zal functioneren, zodat die eerst na herstel daarvan door de verkoper conform diens in art. 7:21 lid 1, aanhef en onder b, en leden 2 en 3 BW omschreven verplichtingen, ten volle aan de overeenkomst zal beantwoorden. Indien deze kans zich realiseert is daarmee nog niet gegeven dat de uitgaven die de koper heeft gedaan ter verkrijging van het met behulp van die zaak te behalen onstoffelijke voordeel hun doel in rechtens relevante mate hebben gemist. Dat hangt af van de bijzondere omstandigheden van het geval. Zo kan de tijd gedurende welke de koper de gekochte zaak niet heeft kunnen gebruiken doordat die moest worden gerepareerd, van zodanig geringe duur zijn dat het verminderd genot van de zaak, als eigen aan het bezit van een zaak als door hem gekocht, niet als schade voor vergoeding in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor schade wegens verminderd genot als gevolg van de omstandigheid dat de zaak voorafgaand aan de reparatie niet volledig functioneerde. Ook dat functieverlies en de daardoor veroorzaakte genotsderving kunnen zo gering zijn dat voor vergoeding van schade die uitsluitend bestaat uit gemis van onstoffelijk voordeel geen plaats is. Hierbij verdient opmerking dat ook een gering gemis van door de koper verwacht genot van een voor privégebruik aangeschafte zaak bij de koper veel ergernis kan teweegbrengen. Die ergernis is echter geen vermogensschade.”

4.8.17

Uitgaven komen dus slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover gericht geweest op genotsverkrijging en slechts evenredig aan de mate waarin dat genot moet worden gemist. Niet ieder gemis aan genot leidt tot schade. Het moet iets voorstellen. Ergernis en frustratie zijn niet genoeg, en schadevergoeding zit er ook niet in als het gemiste genot gering is, of maar kort hoefde te worden gemist.459 Het vereiste van verband tussen de vergeefs gemaakte kosten en gemist genot moet mijns inziens strikt gehandhaafd worden, anders kan vergoeding van vergeefs gemaakte kosten neerkomen op smartengeld buiten de in art. 6:106 BW limitatief genoemde gevallen. U benadrukte denkelijk niet voor niets dat ‘veel ergernis’ geen vermogensschade is.460

4.8.18

Het recentere arrest [...] /Gemeente Heiloo461 biedt mijns inziens geen nieuwe inzichten ter zake van vergeefs gemaakte kosten als vermogensschade, maar de daaraan voorafgaande conclusie462 van mijn ambtgenoot Hartlief vat de uitgangspunten helder samen:

“a. het gaat (…) om gemis van een immaterieel voordeel (genot), dat echter langs de weg van vergeefs gedane uitgaven als vermogensschade wordt gezien;

b. als schade kunnen alleen die uitgaven worden aangemerkt, die als gevolg van de schadebrengende gebeurtenis hun doel hebben gemist;

c. de schade ontstaan doordat uitgaven hun doel hebben gemist, moet in zodanig verband staan met het schadegebeuren dat deze daaraan kunnen worden toegerekend;

d. de benadeelde heeft dit voordeel in rechtens relevante mate moeten missen;

e. dit is niet het geval indien het gemis van genot beperkt is (bijvoorbeeld omdat dit maar kort duurt);

f. indien sprake is van gedeeltelijke genotsderving (of van kosten die slechts gedeeltelijk zien op de verkrijging van genot) dan zal moeten worden geschat welk deel van de kosten vergeefs is gemaakt.”

4.8.19

Gezien het vereiste dat de kosten zijn gemaakt voor het door wanprestatie of onrechtmatige daad gemiste genot, lijkt het voor de hand te liggen om voor de schadebegroting aansluiting te zoeken bij door de woningeigenaren teveel betaalde hypotheekrente.463 Dat lijkt mij echter, zoals boven al bleek, geen goede maatstaf. Ouderen hebben vaak hun hypothecaire schuld afgelost en betalen dus geen rente. Ook overigens zal de mate van (resterende) financiering met eigen of vreemd vermogen zeer uiteen kunnen lopen, om van de rentepercentages en de mate van voordeel door fiscale aftrekbaarheid van de rentebetalingen nog maar te zwijgen. Bovendien is de aflossingsvrije hypotheek fiscaalrechtelijk al geruime tijd min of meer verboden (althans prohibitief) en zou dus uit een groot aantal annuïteitenhypotheken de rentefactor van de aflossingsfactor in de maandelijkse betalingen gescheiden moeten worden, terwijl de verhouding tussen die twee factoren bepaald wordt door de in dit verband volstrekt toevallige omstandigheid hoe lang de hypothecaire lening al loopt. Rentebetaling op een woninghypotheek is bovendien niet alleen woongenotfinanciering, maar stelt ook in staat – zij het in dit geval niet zo zeer – tot vermogensvorming, zoals NAM terecht stelt. Aansluiting bij betaalde hypotheekrente lijkt mij daarom tot willekeurige en onredelijk uiteenlopende resultaten in vergelijkbare gevallen te leiden. Ik merk op dat een eventuele verhoging van de hypotheekrente door de bank vanwege groter risico als gevolg van waardedaling wel voor vergoeding in aanmerking komt als concrete schade.

4.8.20

Ik meen daarom, zoals boven bleek, dat aangesloten moet worden bij de huurwaarde van de woning.464 Deze methode is door de feitenrechter al toegepast bij derving van woongenot465 en sluit aan bij de begrotingsmaatstaf in het bestuursrecht voor planschade en nadeelcompensatie.466 Daarbij worden de huurwaarden van de woning zonder en met overlast in bedragen per maand of per jaar getaxeerd en wordt het per maand of per jaar bestaande verschil tussen beide over de schadeperiode getotaliseerd. Dit totaal is de tijdens de schadeperiode geleden schade wegens gederfd woongenot.467 In onderdeel 4.8.12 hierboven heb ik een simpel voorbeeld opgenomen.

4.8.21

De partijen leggen begrijpelijkerwijs de nadruk op door eigenaren/bewoners gemist woongenot, maar uiteraard kunnen ook huurders woongenot missen als gevolg van de aardbevingen. Bij hen zal de schade bestaan uit het, gezien het verminderde woongenot, te veel betaalde deel van de huurprijs468 voor zover zij er niet in zijn geslaagd huurverlaging te bedingen. Zijn zij daar wel in geslaagd, dan is de verhuurder de gelaedeerde.

4.8.22

NAM vreest overcompensatie c.q. dubbeltellingen. Tegen dubbeltellingen moet inderdaad worden gewaakt, maar zoals boven bleek, meen ik dat nauwelijks overlap kan bestaan met smartengeld469 en dat vergoeding onder het hoofd woongenotgemis minstens deels geïmputeerd moet worden op een eventuele latere (bij realisatie) vergoeding voor waardevermindering.470 De stelling dat gemist woongenot (bijna) steeds zal zijn ‘opgelost’ in een eventuele vergoeding voor waardevermindering of voor immateriële schade, lijkt mij dus onjuist voor wat betreft eventuele immateriële schadevergoeding en slechts deels juist voor wat betreft eventuele vergoeding van waardevermindering.471 De waarde beweegt net als de bodem (maar hopelijk meer en in tegengestelde richting). Pas bij realisatie valt er iets over waardevermindering en verrekening te zeggen, mede gezien de door NAM en de Staat getroffen en nog te treffen herstel-, versterkings- en verduurzamingsmaatregelen.

4.9

Vraag 9:

a. Is bij schade op grond van de exploitatie van een mijnbouwwerk - in algemene zin of in bijzondere gevallen - plaats voor het oordeel dat sprake is van een zodanige aantasting van persoonlijkheidsrechten dat gesproken kan worden van een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW?

b. Als het antwoord op vraag 9a bevestigend is, welke eisen moeten worden gesteld aan het bewijs dat de partij die aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding op andere wijze in zijn persoon is aangetast? Volstaat daarvoor de vaststelling dat een partij woont in het gebied waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt gelden in combinatie met een persoonlijke verklaring van die partij over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben?

c. In hoeverre verdraagt het hoogst persoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding zich met het min of meer ‘forfaitair’ vaststellen van schadevergoeding?

Algemene opmerkingen

4.9.1

Alleen [eisers] en NAM gaan op deze vragen in. De Staat472 en EBN473 verwijzen naar de beantwoording door NAM. In een bijlage bij hun nadere schriftelijke opmerkingen gaan [eisers] in op de gevolgen van de aardbevingen voor het leven van de gedupeerden.474 NAM gaat in haar nadere schriftelijke opmerkingen niet opnieuw op deze vragen in.

4.9.2

Opnieuw is het boven al veel genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak van belang, waarin zij tussen NAM en een groot aantal natuurlijke personen, onder wie [eisers] ,475 ook voor recht heeft verklaard dat (i) de aantasting van het woongenot als gevolg van de aardbevingen door NAM’s gaswinning een aantasting in de persoon van de eisers is op andere wijze in de zin van artikel 6:106(1)(b) BW, (ii) dat de inbreuk door NAM op het persoonlijkheidsrecht van de eisers, namelijk op hun recht op ongestoord woongenot, een aantasting in de persoon op andere wijze is in de zin van artikel 6:106(1)(b) BW en (iii) NAM aansprakelijk is voor de door de eisers in die zaak geleden en nog te lijden immateriële schade ex art. 6:106 BW.476 Zoals vermeld, heeft NAM hoger beroep ingesteld.477

4.9.3

De rechtbank heeft in de Dijk -zaak over immateriële schade als volgt overwogen:

“4.4.4 De rechtbank stelt voorop dat de wetgever de lat voor toekenning van immateriële schadevergoedingen hoog heeft willen leggen. De rechter dient daarmee blijkens de parlementaire behandeling terughoudend te zijn, zowel voor wat betreft de vraag of sprake is van een aantasting in de persoon als de omvang van het toe te wijzen bedrag. Uitgangspunt is dat buiten de gevallen van lichamelijk letsel en aantasting van eer en goede naam, sprake moet zijn van geestelijk letsel, waarmee wordt bedoeld een in de psychiatrie erkende ziekte, die objectief is of kan worden vastgesteld. De Hoge Raad heeft echter een aantal malen uitgesproken dat een schending van fundamentele persoonlijkheidsrechten, zoals het recht op zelfbeschikking en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, gelet op de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen voor de benadeelde een aantasting in de persoon op andere wijze kan opleveren, zonder dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519, Blauw Oog). Dit is in lijn met de wetsgeschiedenis, waarin als voorbeeld van een dergelijk fundamenteel recht, het recht op privacy is genoemd. In zijn arrest van 4 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:851), betreffende een onrechtmatige perspublicatie door het Parool, oordeelde de Hoge Raad dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan worden aangemerkt als een aantasting in de zin van 6:106 lid 1 onder b BW die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade en dat daarmee in dat geval het recht op schadevergoeding wegens aantasting in de persoon in de zin van die bepaling gegeven was. In de door partijen genoemde zaak van Baby Kelly heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de schending van het zelfbeschikkingsrecht van de ouders ook als aantasting van de persoon kwalificeert en in de zaak van de Groninger Oudejaarsrellen kwalificeerde een inbreuk op de integriteit van de persoon en de veiligheid van de woning als zodanig.

4.4.5.

Het geschil van partijen betreft in wezen de vraag of de gevolgen van de aardbevingen van dien aard en ernst zijn dat ook zonder dat psychisch letsel is of kan worden aangetoond, sprake is van een ernstige inbreuk op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht die vergoeding van immateriële schade rechtvaardigt.

De rechtbank merkt op dat NAM niet kan volhouden dat voor (alle) inwoners in het aardbevingsgebied sprake is van “gewone hinder” die hen niet direct persoonlijk raakt. Daarmee bagatelliseert NAM de situatie en doet zij velen tekort. Uit de onderzoeken blijkt dat de aardbevingen diep ingrijpen op het leven van veel inwoners en de directeur van NAM en de minister hebben dit in hun uitspraken ook onderkend. Dat dit zo is, blijkt ook wel uit de grote hoeveelheid schademeldingen en de (bouwkundige) maatregelen die (moeten) worden getroffen om veiligheidsrisico’s te beperken en het leefklimaat te verbeteren. Veel inwoners ervaren de situatie als (zeer) belastend en vrijwel alle eisers schetsen in hun persoonlijke verklaringen dat dit ook voor hen zo geldt.

4.4.6.

Vraag is of de aard en de ernst van de door gaswinning veroorzaakte aardbevingen en de gevolgen daarvan zodanig zijn dat gesproken kan worden van een aantasting in de persoon. Dat betekent dat moet worden beoordeeld

(I) of NAM inbreuk maakt op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht,

(II) of die inbreuk ernstig is en

(III) of de gevolgen van de inbreuk eisers rechtstreeks treffen.

De rechtbank is met eisers van oordeel dat het recht op eerbiediging van de integriteit van hun persoon, de veiligheid van hun woning en hun persoonlijke levenssfeer belangrijke fundamentele rechten zijn. De inbreuk die daarop door NAM wordt gemaakt is in veel gevallen ook ernstig, want in een groot deel van het Groningenveld worden inwoners gedurende langere tijd geconfronteerd met aardbevingen en/of de dreiging van (zwaardere) aardbevingen, die hun lijf en goederen kunnen schaden. Dit gaat verder dan een enkele aantasting van het milieu als zodanig. Uit de diverse onderzoeken die zijn overgelegd en de maatregelen die door NAM en de Staat worden getroffen blijkt dat de aardbevingen bij veel inwoners ten koste gaan van hun welzijn, hun levensvreugde en hun toekomstplannen. Mensen vrezen voor hun eigen veiligheid en die van hun dierbaren, hebben financiële zorgen omdat zij zich gevangen voelen in een woning die minder waard wordt en onverkoopbaar is, hebben spanning en frustraties over de schades die ontstaan en over de financiële afwikkeling en het herstel daarvan en hebben in algemene zin verdriet om wat zij kwijt zijn geraakt. De situatie in het aardbevingsgebied is in die zin vergelijkbaar met de zaak van de Groninger Oudejaarsrellen dat gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot lijf en goed aan de orde zijn. Bovendien gaat het in de onderhavige zaak om een veel langere periode die tot op de dag van vandaag voortduurt en voor onbepaalde tijd blijft voortduren. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 november 2015 geoordeeld dat de aard en de schaal van de met de gaswinning gepaard gaande gevolgen zodanig zijn, dat de in de artikelen 2 en 8 EVRM genoemde grondrechten (te weten het recht op bescherming van leven en het recht op eerbiediging van privé leven, familie- en gezinsleven en woning) van toepassing zijn. Er is sprake van een ingrijpende en langdurige aantasting van de directe private woonomgeving van mensen en het is onzeker hoe lang en hoe intensief die aantasting nog zal voortduren. De rechtbank wijst erop dat Staat in zijn conclusie van antwoord heeft gesteld dat de aard en omvang van geïnduceerde aardbevingen waarschijnlijk nooit exact kunnen worden vastgesteld en dat daarover in elk geval tot op heden onzekerheid bestaat.

4.4.7.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor het deel van Groningenveld waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, gesproken kan worden van een situatie waarin door NAM een ernstige inbreuk wordt gemaakt op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht, welke inbreuk ook zonder dat sprake is van geestelijk letsel, bij degenen die daardoor persoonlijk gevoelens van angst, zorg en psychisch onbehagen ervaren, leidt tot aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 b BW.”

4.9.4

Ik wijs op het bestaan van de Commissie Bijzondere Situaties (zie onderdeel 5.5.1 en 5.5.25 van de bijlage) die de in april 2014 ingevoerde Regeling Bijzondere Situaties uitvoert. Die regeling is bedoeld voor mensen die als gevolg van de aardbevingen in Groningen in medische, psychische, sociale of financiële nood verkeren door stapeling van problemen op die vlakken. Het gaat om bijzondere individuele situaties, waarin dringend hulp nodig is doordat extra problemen zijn gerezen die niet of onvoldoende worden opgelost door afhandeling volgens het schadeprotocol. De regeling dient als vangnet wanneer op korte termijn actie is vereist. De Commissie beoordeelt zelfstandig aanvragen en besluit welke extra hulp wordt geboden.478

Standpunt [eisers]

4.9.5

menen dat vraag 9a bevestigend beantwoord kan worden. Op grond van art. 6:106(1)(b) BW komt aantasting van de persoon voor vergoeding in aanmerking. Het gaat in casu om een bedreigende situatie en een slepende kwestie die leidt tot geestelijk lijden van de gedupeerden, die meer jaren achtereen te kampen hebben met de (dreiging van ernstige) fysieke schade aan hun woningen en met trage en ineffectieve afhandeling of voorkoming van hun schade. Velen van hen worden daardoor geconfronteerd met een stapeling van problemen in de persoonlijke levenssfeer angst, machteloosheid, woede en verdriet. Hierdoor kan psychische beschadiging ontstaan die naar objectieve maatstaven geestelijk letsel is.479 Daarnaast is ook sprake van immateriële schade door een inbreuk op fundamentele persoonlijkheidsrechten.480

4.9.6

Ad vraag 9b menen [eisers] dat de stelplicht en de bewijslast in beginsel op de benadeelde rusten, maar dat in casu geestelijk lijden moet worden vermoed, nu daarvan uit rapportages blijkt,481 eventueel na aanvulling met rapportages uit de behandelende sector. Zij onderschrijven de suggestie van de rechtbank dat er qua bewijsvoering mee volstaan kan worden dat een bewoner van het door aardbevingen getroffen gebied een verklaring aflegt over zijn beleving over hoe de aardbevingen negatieve invloed op hem en zijn leven hebben.482

4.9.7

Ad vraag 9c menen [eisers] dat forfaitaire vergoeding voor geestelijk letsel of c.q. aantasting van de persoonlijke levenssfeer zich niet verdraagt met het hoogst persoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding. Er zijn allerlei vormen en gradaties van aantasting van de persoon. Zo is er een groot verschil tussen gedupeerden met meervoudige schade, gedupeerden met enkelvoudige schade en inwoners die (nog) geen schade hebben geleden. Een forfaitair bedrag doet geen recht aan de verscheidenheid van de omstandigheden in elk individueel geval.483

Standpunt NAM

4.9.8

Ad vraag 9a acht NAM het in beginsel mogelijk dat er bij schade door exploitatie van een mijnbouwwerk in bijzondere gevallen plaats is voor het oordeel dat persoonlijkheidsrechten zodanig zijn aangetast dat de gelaedeerde in zijn persoon is aangetast als bedoeld in art. 6:160(1)(b) BW, maar een dergelijke geval zal zich, gelet op het restrictieve wettelijke smartengeldstelsel en uw restrictieve rechtspraak, slechts in uitzonderlijke omstandigheden en dus niet algemeen voordoen.484 De hoofdregel is dat zich alleen een persoonsaantasting voordoet als de gelaedeerde lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat objectief als gevolg van het aansprakelijkheids-vestigende feit is vastgesteld.485 Angst en onbehagen zijn op zichzelf onvoldoende.486 Angst en onbehagen moeten hebben geleid tot voldoende ernstig geestelijk letsel om voor immateriële schadevergoeding in aanmerking te komen.487 Daarbij mag als eis worden gesteld dat de gestelde zorgen ook reëel zijn.488

4.9.9

NAM meent dat van een uitzondering op de hoofdregel niet snel sprake zal zijn. Zij wijst op uw arresten Groninger Ouderjaarsrellen489 en Baby Kelly490 waarin u alleen op grond van bijzondere en zeer specifieke omstandigheden een uitzondering aanvaardde op het vereiste van geestelijk letsel voor een aantasting in de persoon. Een uitzondering kan slechts worden gemaakt bij bijzondere ernst van de fundamentele normschending en van de gevolgen ervan voor het slachtoffer.491 Die terughoudendheid wordt gerechtvaardigd door de wens van de wetgever te voorkomen dat alles wat een mens psychisch of emotioneel raakt recht op smartengeld zou kunnen meebrengen en door het gegeven dat psychische aandoeningen minder eenvoudig zijn vast te stellen en te objectiveren dan fysiek letsel.492 NAM meent, kennelijk met het oog op de situatie in Groningen, dat niet snel plaats is voor smartengeld bij inbreuk op een eigendomsrecht of milieuschade omdat het verband met de integriteit van de persoon te indirect is.493 Verstoring van woongenot als onderdeel van de persoonlijke levenssfeer geeft in beginsel geen aanspraak op smartengeld, tenzij die verstoringen leiden tot ernstige psychische schade.494 Ook in het genoemde arrest Groninger Oudejaarsrellen leest NAM dat schending van de veiligheid van de woning niet zonder meer een aantasting van de persoon oplevert.495

4.9.10

De rechtbank heeft volgens NAM in haar vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak ten onrechte een uitzondering op de hoofdregel aangenomen en met verwijzing naar enkele algemene omstandigheden geoordeeld dat NAM jegens nagenoeg alle eisers in die zaak een inbreuk zou hebben gemaakt op een fundamenteel recht. Of inbreuk is gemaakt op een fundamenteel recht moet steeds individueel worden beoordeeld, nu de individuele omstandigheden van de bewoners van het effectgebied zodanig van elkaar verschillen dat van een maatman geen sprake kan zijn. De genoemde algemene omstandigheden zijn onvoldoende ernstig om het oordeel te kunnen dragen dat ernstig inbreuk zou zijn gemaakt op een fundamenteel recht. De vergelijking met het arrest Groninger Oudejaarsrellen gaat mank omdat in casu geen sprake is van directe en opzettelijke bedreiging met fysiek geweld door een grote groep medeburgers. Dat volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak de in art. 2 en 8 EVRM genoemde grondrechten van toepassing zijn,496 wil niet zeggen dat die rechten (ernstig) geschonden zijn, maar slechts dat de minister de door die rechten beschermde belangen evenwichtig moet meewegen bij zijn besluit tot al dan niet instemmen met een winningsplan c.q. bij het daaraan verbinden van voorschriften zoals verdere beperkingen van de gaswinning. 497

4.9.11

Ad vraag 9b meent NAM dat de hoofdregel is dat aan het bewijs van een inbreuk op een fundamenteel recht hoge eisen moeten worden gesteld. Volgens die hoofdregel is een verklaring van een arts vereist als bewijs dat een persoon als gevolg van de aardbevingen geestelijk letsel heeft opgelopen.498 Ook als deze hoofdregel niet zou gelden, volstaat een eigen verklaring hoe dan ook niet, nu op basis daarvan niet objectief en controleerbaar geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Een eventuele trage schade-afhandeling zou hier volgens NAM hoe dan ook geen rol moeten spelen, nu het welhaast onmogelijk is om vast te stellen aan wie die traagheid heeft gelegen.499

4.9.12

In antwoord op vraag 9c meent ook NAM dat de hoogst persoonlijke aard van de vordering tot vergoeding van immateriële schade aan forfaitaire vergoeding in de weg staat. Smartengeld moet zoveel mogelijk worden afgestemd op de concrete situatie van de gelaedeerde. De omvang is afhankelijk van de ernst van de inbreuk. De situaties van de bewoners van het effectgebied zijn onderling onvergelijkbaar en er kan daarom volgens NAM geen maatman-Groninger geconstrueerd worden.500

Beantwoording

4.9.13

Vraag 9a moet mijns inziens bevestigend worden beantwoord. Toegespitst op het Groningse aardbevingsdossier kan in bijzondere gevallen geestelijk letsel zijn veroorzaakt en kan ten aanzien van groepen bewoners sprake zijn van een ernstige schending van hun fundamentele rechten met rechtstreekse en ernstige gevolgen voor hen. Het recht op eerbiediging van de integriteit van de persoon kan zijn geschonden of, wat meer voor de hand ligt, het recht op veiligheid van de woning en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Beslissend lijken mij de aard en de ernst van de aantasting van deze rechten en de aard en ernst van de gevolgen ervan, waaronder met name de aard en de ernst van de gevoelens van angst, onveiligheid, onzekerheid en onbehagen.501 Alleen al in 2018 waren er 90 geïnduceerde aardbevingen, waarvan 15 met een magnitude boven 1,5 SvR.502 De gevolgen van de aardbevingen voor het leven en welzijn van de bewoners van het effectgebied van de gaswinning uit het Groningenveld moeten niet worden onderschat503 en het optreden van NAM en de Staat heeft niet bijgedragen aan enig gevoel van veiligheid van de bewoners. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Het meest belastend lijkt mij dat je als bewoner geen idee had of en zo ja wanneer het ooit zou ophouden en of je huis er dan nog zou staan en dus evenmin of de herstelwerkzaamheden enige zin zouden hebben of dat volgende maand een nieuwe beving zou leiden tot wéér een aannemer in je privé-ruimten, die – wellicht opnieuw min of meer voor de kat zijn staart – herstelwerkzaamheden zou verrichten. Dat de aardbevingen en de langdurig inadequaat gebleken maatregelen van NAM en de Staat veel onrust, angst en zorgen hebben veroorzaakt is zonder meer aannemelijk. Vergoeding van immateriële schade lijkt daarmee in elk geval voor een deel van de bewoners van het effectgebied geenszins uitgesloten.504 Bij [eisers] is PTSS vastgesteld, al is niet vastgesteld in welke mate dat syndroom verband houdt met aardbevingen, als dat al vastgesteld kan worden. Angst voor aardbevingen zal in elk geval niet bijdragen aan genezing.

4.9.14

Vergoeding van immateriële schade kan het aansprakelijkheidsrecht helpen rechtshandhaving, schadevergoeding en preventie te bewerkstelligen505en daarnaast bijdragen aan genoegdoening, erkenning en recht doen aan andere meer immateriële behoeften van gelaedeerden.506

4.9.15

Immateriële schade komt volgens art. 6:95 BW slechts voor vergoeding in aanmerking als de wet dat bepaalt. Art. 6:106(1)(b) BW bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding als hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het gaat in onze zaak om de laatste categorie, persoonsaantasting op andere wijze, die in twee soorten bestaat: (i) geestelijk letsel en (ii) ernstige schending van een fundamenteel recht.507

4.9.16

Geestelijk letsel is een gezondheidsaantasting en veronderstelt dus een zekere ernst. Uit uw arresten Ontvanger/ [...]508 en Wrongful birth I509 volgt dat meer nodig is dan meer of minder sterk psychisch onbehagen. Frustratie, teleurstelling, onzekerheid, angst en verdriet zijn niet voldoende.510In het Taxibus-arrest511 overwoog u in een geval van shockschade dat geestelijk letsel in beginsel pas kan worden aangenomen als een in de psychiatrie erkend ziektebeeld optreedt. Ontbreekt het daaraan, dan moet het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld.512Ik maak daaruit op dat u twee categorieën geestelijk letsel erkent, waarvan de eerste geheel omsloten wordt door de tweede: (i) alle ziektebeelden die in DSM-5513 staan en (ii) objectief bepaalbaar geestelijk letsel (ik neem aan dat een diagnose die in DSM-5 staat, daarmee objectief bepaald geestelijk letsel impliceert); aldus kan ook een diagnose ‘burn-out’ of ‘rouw’ door een psycholoog, hoewel niet opgenomen in DSM-5, objectief vaststelbaar geestelijk letsel inhouden. Hoewel de toegang tot de tweede categorie een lagere drempel lijkt te hebben dan de eerste, ligt aldus de toegangsdrempel nog steeds hoog,514 zoals de wetgever wenste. Dat sluit echter niet uit dat bepaalde bewoners van het aardbevingsgebied als gevolg van de gaswinning objectief vaststelbaar geestelijk letsel lijden of hebben geleden. Bij [eisers] is de diagnose PTSS gesteld, al is over causaliteit nog niets vastgesteld.

4.9.17

Smartengeld kan, zoals opgemerkt, inhoud geven aan fundamentele rechten en hun handhaving. Dit heeft geleid tot de erkenning dat smartengeld ook op zijn plaats kan zijn hoewel van lichamelijk of geestelijk letsel geen sprake is. Schending van fundamentele rechten kan onder omstandigheden grond zijn voor smartengeld zoals onder meer volgt uit uw in 4.9.9 al genoemde arresten Groninger Oudejaarsrellen en Baby Kelly (ook genoemd Wrongful life).515 Het gaat om fundamentele rechten op bescherming tegen de overheid, om op horizontale verhoudingen toegesneden persoonlijkheidsrechten, en om overige fundamentele rechten.516 Persoonlijkheids-rechten beschermen de integriteit en de ontwikkeling van de individu.517 Bij schending van fundamentele rechten kan soms ook geestelijk letsel ontstaan.518

4.9.18

In de ook door de partijen genoemde zaak Groninger oudejaarsrellen hadden de eisers in een zeer bedreigende situatie in hun belegerde woning vijf uur lang vergeefs moeten wachten op ingrijpen door de politie. U liet het oordeel van de feitenrechter in stand dat de aard en de ernst van deze politiële nalatigheid een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van de persoon en de veiligheid van de woning van de eisers opleverde en daarmee een aantasting in hun persoon in de zin van art. 6:106(1)(b) BW. In de genoemde zaak Baby Kelly was door een beroepsfout van een verloskundige niet aan het licht gekomen dat een ongeboren kind een chromosomale afwijking had terwijl vaststond dat de ouders, als zij dat wél hadden geweten, de zwangerschap zouden hebben laten afbreken. Dat hen die keuze was ontnomen was een tot vergoeding van smartengeld nopende schending van een fundamenteel recht op zelfbeschikking.519

4.9.19

Al kan denkelijk inmiddels uw EBI-detentie-arrest (zie 4.9.20 hieronder) tot uitgangspunt genomen worden, bespreek ik hier ook het Blauw-oog-arrest,520 over een slachtoffer van mishandeling. Hij eiste vergoeding van immateriële schade onder meer omdat hij door de mishandeling, die tot een blauw oog had geleid, (i) in zijn persoon was aangetast, (ii) pijn had geleden en (iii) angstgevoelens ervoer. Het hof had die eis afgewezen wegens ontbreken van geestelijk letsel en dat oordeel bleef in cassatie in stand. U overwoog:

“Voor de toewijsbaarheid van een hierop gerichte vordering is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar is niet in alle gevallen uitgesloten dat een uitzondering op dit uitgangspunt wordt aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, maar in het onderhavige geval heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat daartoe onvoldoende is gesteld.”

Hieruit volgt mijns inziens niet dat de categorie geestelijk letsel voorop staat en dat de categorie schending van een fundamenteel recht zich ten opzichte daarvan slechts in uitzonderlijke gevallen voordoet; het gaat om twee gelijkwaardige categorieën.521 Ik meen dat er wel uit kan worden afgeleid dat er buiten de twee genoemde categorieën geen ruimte is voor toekenning van smartengeld wegens aantasting in de persoon, bijvoorbeeld voor angstschade.522 Dat neemt niet weg dat angst kan leiden tot geestelijk letsel, zoals PTSS of angststoornis, of één van de in aanmerking te nemen gevolgen kan zijn van een schending van een fundamenteel recht.523 Anders dan NAM, meen ik dat niet de eis kan worden gesteld dat de angst reëel is,524 want (i) kenmerk van PTSS en een angststoornis lijkt mij dat de angst niet (meer) reëel is (terwijl bovendien de angst voor aardbevingen in het effectgebied nog wél reëel kan zijn), (ii) welke angst is ‘reëel’?, (iii) ook bij immateriële schade is uitgangspunt dat de laedens de gelaedeerde, dus ook diens angst, neemt zoals die is, en (iv) ook NAM kan niet zeggen hoeveel bevingen van welke kracht op welke plaats wanneer nog kunnen volgen met welke gevolgen voor wie. Beslissend is of naar objectieve maatstaven geestelijk letsel kan worden vastgesteld, dan wel of de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen ervan – waaronder angst, zorgen, ergernis, overlast, onbehagen en in sommige gevallen lichamelijke en (ernstige) psychische klachten525 – een aantasting in de persoon opleveren.

4.9.20

Voor smartengeld wegens schending van een fundamenteel recht gelden drie voorwaarden: (i) een ernstige inbreuk, (ii) op een fundamenteel recht, (iii) met rechtstreekse gevolgen voor de benadeelde(n),526 zoals u recent heeft bevestigd in uw EBI-detentie-arrest,527 over een gedetineerde die ten onrechte een jaar lang aan het EBI-detentieregime was onderworpen. U wees de vordering tot betaling van smartengeld af na formulering van de volgende uitgangspunten:

“4.2.1 Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (vgl. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2551, rov. 3.4).

Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 379 en p. 380). HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519 (Blauw oog) moet ook aldus worden verstaan.

In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. In HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (Oudejaarsrellen) was die aantasting gelegen in de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot het lijf en goed van de benadeelden die een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie verkeerden, terwijl een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie uitbleef. En in HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life) bestond die aantasting in de ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder waardoor zij niet ervoor heeft kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen.

4.2.2

Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

De enkele schending van een recht, hoe fundamenteel ook, is dus niet voldoende voor aanspraak op immateriële schadevergoeding ex art. 6:106 BW. Er moeten voldoende ernstige gevolgen zijn: vereist is ofwel (i) objectief vaststelbaar geestelijk letsel (ongeacht de aard en ernst van de normschending), ofwel (ii) aantasting in de persoon door de aard en ernst van de normschending én de ‘relevante nadelige’ (voldoende ernstige?) gevolgen daarvan voor de gelaedeerde. Die nadelige gevolgen moeten in beginsel bewezen worden, maar kunnen onder omstandigheden, gezien de normschending (bijvoorbeeld bij de langdurige belegering van een woonhuis en bij wrongful life), zó voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dat laatste suggereert overigens dat de laedens nog de mogelijkheid heeft om het tegendeel te bewijzen, dus dat het in verband met de robuustheid van deze gelaedeerde wel meevalt met de gevolgen. Hoe de vergoeding voor ‘spanning en frustratie’ bij overschrijding van de redelijke termijn van berechting in dit beoordelingskader past, is mij minder duidelijk. Bij de betrokken Groningers kan evenzeer gesproken worden van spanning en frustratie, om niet te zeggen tobben en razernij, die evenzeer minstens € 500 vergoeding per half jaar talmen door NAM en Staat zou kunnen rechtvaardigen. Kennelijk – mede gezien de conclusie van mijn ambtgenoot Hartlief voor uw EBI-detentie-arrest – is de vergoeding voor immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn de uitzondering die de hoofdregel van dat arrest bevestigt dat de enkele schending van een fundamenteel recht onvoldoende is; dat schade niet voorondersteld wordt bij zo’n schending.

4.9.21

In het Groningse aardbevingsdossier kunnen (ook) in dit kader de art. 2 en 8 EVRM van belang zijn.528 Door de gevolgen van de aardbevingen kan het recht op eerbiediging van de integriteit van de persoon zijn geschonden of, wat meer voor de hand ligt, het recht op veiligheid van de woning en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.529 U zie ook de beantwoording van vraag 3. De vraag of NAM ook als normadressaat van die bepalingen is aan te merken is hier minder relevant omdat het gaat horizontaal werkende persoonlijkheidsrechten,530 net als in de besproken zaak Baby Kelly. Het moet wel om een ernstige inbreuk gaan. Die ernst kan volgen uit de intensiteit en de duur van de dreiging of de overlast en de effecten op de fysieke en mentale gezondheid en de kwaliteit van het leven van de individu.531

4.9.22

Of de aard en ernst van een eventuele fundamentele-normschending en van de gevolgen daarvan voor individuele bewoners van het effectgebied meebrengen dat zich de in art. 6:106(1)(b) BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze voordoet, vergt vaststelling en waardering van feiten waarvoor in deze procedure geen plaats is. Het lijkt mij geenszins op voorhand uitgesloten. In het bijzonder van belang lijken mij de duur en de mate van de aantasting van de veiligheid van de woning en van de persoonlijke levenssfeer532 en de duur en de mate van de negatieve gevolgen daarvan voor de bewoners, in onderling verband en samenhang bezien.533

4.9.23

De rechtbank Noord-Nederland heeft in haar vonnis van 1 maart 2017 in de Dijk -zaak onder meer de volgende citaten opgenomen ter zake van de aard en ernst van de aantastingen van woningen en de gevolgen voor hun bewoners:

“2.11.4. De directeur van NAM heeft in reactie op het rapport van de OvV onder meer het volgende gezegd:

Het is een feit dat de gasproductie in Groningen aardbevingen veroorzaakt en dat de gevolgen van de aardbevingen diep ingrijpen in het leven van de bewoners van Groningen. Ik ben mij daar - ook door mijn ontmoetingen met bewoners - zeer van bewust.

(…).

2.11.5.

De Staat heeft op 2 maart 2015 de volgende reactie van de minister op zijn website geplaatst:

“Het kabinet is zich er sterk van bewust dat veel mensen in Groningen en ook de Groningse samenleving als geheel voortdurend en indringend geconfronteerd worden met de effecten van de door gaswinning veroorzaakte aardbevingen. Wat zich afspeelt in Groningen raakt mij diep. Ik ben doordrongen van de ernst van de problematiek en voel mij er verantwoordelijk voor dat de nodigde maatregelen worden genomen”, aldus de bewindsman. “Uiteindelijk gaat het om de veiligheid en ik erken dat alle betrokkenen bij de gaswinning - en zeker ook het ministerie van Economische Zaken - meer aandacht hadden moeten hebben voor de veiligheid van de Groningse burgers. Dat het zo is gegaan betreur ik. Het spijt mij zeer dat de veiligheidsbelangen van de Groningers niet de aandacht kregen die ze verdienden. De veiligheid staat nu voorop en ik zal er alles aan doen om de verbeteringen waar de Groningers terecht om vragen te realiseren.”

2.12.1.

De aardbevingen die het gevolg zijn van de gaswinning veroorzaken gevoelens van onzekerheid, onvrede, boosheid, verontwaardiging en onveiligheid bij mensen die boven het Groningenveld wonen en hebben gewoond. Met betrekking tot deze gevoelens verwijst de rechtbank naar onderstaande brieven en rapporten.

2.12.2.

Op 17 januari 2014 schreef de minister aan de Tweede Kamer:

“De gevolgen van langjarige gaswinning in Groningen zijn het afgelopen jaar steeds duidelijker geworden. De bewoners in de regio, en met name die in het meest risicovolle gebied rond Loppersum, zijn geconfronteerd met een toenemend aantal aardbevingen, waarvan de kracht bovendien groter is dan voorheen. De gevolgen voor huizen en gebouwen is zichtbaar. Dit leidt bij de bewoners tot oprechte zorgen over hun persoonlijke veiligheid en welbevinden in de directe leefomgeving. (…) Rustige en redelijke mensen zijn bezorgd over hun veiligheid en over wat er gaat gebeuren met hun woning en hun leefomgeving. (…) Er is meer dan bezorgdheid en boosheid bij de Groningers, zij zijn verontwaardigd en vinden dat hen onrecht wordt aangedaan. Deze gevoelens zijn zeer begrijpelijk en vereisen - net als de problematiek zelf - een adequate bestuurlijke reactie.

Op 17 december 2014 schreef de minister aan de Tweede Kamer:

“In het gebied waar zich (frequent) aardbevingen voordoen, is het gevoel van een veilige leefomgeving aangetast. Dat grijpt diep in in het dagelijkse leven van de inwoners.”

Op 9 februari 2015 schreef de minister aan de Tweede Kamer:

“De gevolgen van de langjarige gaswinning in Groningen grijpen diep in op het dagelijks leven van de inwoners, met name in het gebied waar zich frequent aardbevingen voordoen. (…).”

Op 2 april 2015 schreef de minister aan de Tweede Kamer:

“Als gevolg van de gaswinning hebben al vele aardbevingen plaatsgevonden en er zullen nog aardbevingen volgen. (…) Dit leidt tot vele praktische problemen, maar vooral tot gevoelens van angst en onveiligheid. Het kabinet is zich hier terdege van bewust.”

2.12.3.

Prof.dr.ir. G. de Kam en J. Raemaekers M Sc beschrijven in hun rapport van 22 januari 2014 de resultaten van hun vergelijkend onderzoek in drie woonbuurten in Middelstum, Loppersum en Slochteren in 2009 en in 2013:

“Het onderzoek maakt duidelijk dat ook in 2009 al sprake was van een sterke impact van de aardbevingen in Middelstum en Loppersum, die tot uitdrukking kwam in ongerustheid of angst en in aantasting van het woongenot. (…) Op dat moment overheerste in Slochteren nog wel het beeld dat het wel mee zou vallen. (…).

In 2013 zijn de reacties vooral in Slochteren sterk veranderd, zij het niet in alle opzichten tot op het niveau van Middelstum en Loppersum. Maar ook in Slochteren is de impact van de aardbevingen inmiddels aanzienlijk (…).

(…).

(…) een situatie waarin naast omvangrijke materiële schade de helft van de bewoners met een gevoel van ongerustheid of angst leeft. En omdat de gekozen buurten redelijk representatief zijn, mogen we concluderen dat vele duizenden Groningers onder vergelijkbare stress leven.”

2.12.4.

In mei 2014 rapporteerden voornoemde De Kam en E. Idsardi M Sc over de opvattingen van deelnemers aan de Stichting WAG over de effecten van aardbevingen op het woongenot en de woningwaarde in Groningen:

“Het onderzoek laat zien dat de aardbevingen in Groningen een sterke impact hebben op de respondenten (opmerking rechtbank: er waren 256 respondenten), waarvan 95% een of meerdere keren een aardbeving heeft meegemaakt. Dit komt tot uitdrukking in ongerustheid of angst en in aantasting van het woongenot.”

2.12.5.

In zijn rapport van december 2014 schrijft psychiater drs. [psychiater] over een enquête onder stichting WAG-deelnemers. [psychiater] rapporteert onder meer:

“Hiervoor is een enquête opgesteld volgens de domeinen van kwaliteit van leven zoals deze gedefinieerd zijn door de Wereld Gezondheidsorganisatie, WHO, te weten: kwaliteit van leven algemeen, woon- en leefomgeving, mate van controle en functioneren, lichamelijk welbevinden, geestelijk welbevinden, sociaal welvinden en toekomstperspectief. (…) Er is gevraagd naar de beleving van deze domeinen in 2014 en terugkijkend naar 2012 (…).

356 respondenten hebben de enquête ingevuld.

De resultaten laten een duidelijke daling in waardering van alle bovengenoemde domeinen zien. (…).

De conclusie uit dit rapport is dan ook dat de gaswinning op alle domeinen van kwaliteit van leven aanzienlijk invloed heeft.

2.12.6.

Met subsidie van de Dialoogtafel Groningen hebben OTB/TU Delft en CMO STAMM in januari 2016 een rapport uitgebracht onder de titel Woningmarkt- en leefbaarheidsonderzoek aardbevingsgebied Groningen. Het betreft een onderzoek in negen gemeenten die het kerngebied van de aardbevingen vormen.

Dit rapport bevat onder meer de volgende passages:

“1.2 Leefbaarheid

• Ruim 15.000 huishoudens in de negen aardbevingsgemeenten voelen zich onveilig als gevolg van de aardbevingen. Dat is 29% van het totaal aantal huishoudens. Bijna 4.000 huishoudens kampen met psychische problemen als gevolg van de aardbevingsproblematiek;

• Sinds de sterke aardbeving in Huizinge in augustus 2012 is de leefbaarheid in het Groninger aardbevingsgebied aanzienlijk verslechterd. In 2012 was de tevredenheid met de woonomgeving in het aardbevingsgebied vergelijkbaar met de rest van Nederland (respectievelijk 85% en 86% van de inwoners was zeer tevreden of tevreden). In 2015 is de tevredenheid met de woonomgeving in het aardbevingsgebied echter sterk gedaald: 77% van de inwoners was (zeer) tevreden en behoort hiermee tot de slechtst scorende gebieden van Nederland;

• Ook bewoners van gebieden met een lagere aardbevingsintensiteit ondervinden duidelijk de negatieve gevolgen van de aardbevingsproblematiek. In het onderzoek worden door de bewoners overigens wel een groot aantal oplossingen genoemd om de leefbaarheid in gebied te versterken;

• De bewoners zijn van mening dat de overheid en de NAM veel te weinig doen om de negatieve effecten van de aardbevingsproblematiek aan te pakken. Veel mensen hebben weinig tot geen vertrouwen meer in de overheid. De (landelijke) overheid wordt als passief gezien die geen duidelijke stelling neemt in de aardbevingsproblematiek. Het gevoel heerst dat de overheid de kant van de NAM kiest en geen volledige verantwoordelijkheid neemt;

• De schadeafhandeling en de procedures daaromheen geven de bewoners van het aardbevingsgebied veel zorg en frustratie.

(…).

4.2

Gebiedsindeling op basis van toegekende schades

(opmerking rechtbank: een 4ppc-gebied is een positie postcodegebied op basis van vier cijfers van de postcode)

(…).

5.2

Resultaten

In alle negen gemeenten van het aardbevingsgebied hebben de aardbevingen een duidelijke invloed op het wonen en het woongenot. In het hele gebied ervaren de bewoners duidelijk de negatieve gevolgen van de aardbevingsproblematiek. Hierbij gaat het niet alleen om de concrete fysieke effecten van de aardbevingen (schade aan de woning), maar ook om onzekerheid over de impact van toekomstige aardbevingen en het negatieve beeld dat de regio als gevolg van de aardbevingsproblematiek heeft gekregen. (…) Overal in het aardbevingsgebied heeft de aardbevingsproblematiek een substantiële impact op het wonen en het woongenot, waarbij de aardbevingsintensiteit (samen met een aantal andere determinanten waaronder bevolkingskrimp) vervolgens zorgt voor een nadere ruimtelijke differentiatie van deze impact. Kortom, de aardbevingen kunnen worden gezien als een zwaard van Damocles dat boven de gehele regio hangt en waarvan veel bewoners in meer of mindere mate de dreiging en onzekerheid ervaren.

(…).

5.6

Effecten van de aardbevingen op de woning en het woongenot

(…). Hoewel dit per persoon verschilt, ervaren veel respondenten een sterker psychosociaal effect van de aardbevingen naarmate deze vaker plaatsvinden. De psychosociale effecten van de aardbevingen hangen samen met aardbevingsintensiteit, hoewel het verband tussen beide factoren niet al te sterk is (zie ook paragraaf 5.8).

(…).

5.7

De aardbevingen als verhuisreden

(…). Duidelijk geworden is dat de psychosociale impact van de aardbevingen, het waardeverlies in de woning en de belasting van het proces van schadeafhandeling in dit verband een belangrijke rol spelen.

(…).

5.8

Aardbevingen en bevolkingskrimp

(…). Op veel gebieden lijkt de factor ‘aardbevingen’ de reeds bestaande problemen als gevolg van de bevolkingskrimp nog verder te versterken.

(…).

5.9

Multivariate analyses

(…). overal in het aardbevingsgebied heeft de aardbevingsproblematiek een substantiële impact op het wonen en het woongenot, waarbij de aardbevingsintensiteit (samen met een aantal andere determinanten waaronder bevolkingskrimp) vervolgens zorgt voor een nadere ruimtelijke differentiatie van deze impact.

(…).

6.5

Gevoelens van onveiligheid, onrust en boosheid

Bovenstaande beschreven problemen en knelpunten zorgen voor gevoelens van onveiligheid, angst, onzekerheid en onrust. De mensen voelen zich niet meer veilig in hun eigen huis. Tegelijk maken ze zich veel zorgen in hoeverre de aardbevingen gevolgen hebben voor de chemische industrie in Delfzijl en hoe het gesteld in met de veiligheid van de dijken.

(…).

14 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

(…). De meest in het oog springende resultaten uit deze negen deelonderzoeken zijn het gevoel van onzekerheid en onveiligheid, de sterk gedaalde leefbaarheid, het gebrek aan vertrouwen en transparantie met betrekking tot het ontwikkelde beleid en de ingezette procedures bij de bewoners in het aardbevingsgebied. Deze uitkomsten leiden tot psychosociale problemen bij een deel van de bewoners uit het aardbevingsgebied. Van de bijna 53.000 huishoudens in de negen aardbevingsgemeenten voelen ruim 15.000 huishoudens zich onveilig. Dat is 29% van het totaal aantal huishoudens. Bijna 4.000 huishoudens kampen met psychische problemen als gevolg van de aardbevingsproblematiek.”

4.9.24

Bij de beantwoording van vraag 9b moet mijns inziens worden onderscheiden tussen geestelijk letsel en schending van een fundamenteel recht. Anders dan NAM lijkt te stellen, is voor smartengeld wegens geestelijk letsel niet steeds vereist dat de benadeelde aantoonbaar lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Wel moet geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld (zie 4.9.16 hierboven). Dat is niet het geval als niet méér voorhanden is dan (i) het gegeven dat een benadeelde partij in het gebied woont waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden en (ii) een persoonlijke verklaring van die partij over de invloed van de aardbevingen op haar leven(skwaliteit).

4.9.25

Voor smartengeld wegens schending van een fundamenteel recht moet, zoals bleek, sprake zijn van een voldoende ernstige inbreuk met ‘relevante’ nadelige gevolgen voor de benadeelde(n). Degene die dit stelt, moet deze aantasting in zijn persoon met concrete gegevens onderbouwen. Ook bij deze categorie is de in de vraag genoemde adresvaststelling in combinatie met een persoonlijke verklaring van de benadeelde in beginsel niet voldoende bewijs. Uit uw zeer recente EBI-detentie-arrest534 (zie 4.9.21 hierboven) volgt echter dat de aard en de ernst van de normschending kunnen meebrengen dat de nadelige gevolgen ervan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in diens persoon zonder verder onderzoek kan worden aangenomen, zoals in de zaken Groninger Oudejaarsrellen en Baby Kelly. Het is denkbaar dat dit in gebieden zoals die rond Loppersum kan worden aangenomen. In dat geval zou mogelijk de adresvaststelling en de persoonlijke verklaring voldoende bewijs kunnen worden geacht dat de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Of en zo ja, voor welke kerneffectgebieden dit aangenomen zou kunnen worden en, als dat niet kan worden aangenomen, in welke individuele gevallen zo’n aantasting zonder verder onderzoek kan worden aangenomen, vergt opnieuw vaststelling en waardering van feiten, waarvoor hier geen plaats is.

4.9.26

Ad vraag 9c meen ik dat het hoogstpersoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding niet in de weg hoeft te staan aan een min of meer forfaitaire vaststelling van smartengeld. De minister lijkt dat ook in zekere mate te doen door in navolging van de Adviescommissie Waardedaling op de – eveneens forfaitair bepaalde – vergoeding wegens waardevermindering een opslag toe te passen die oploopt naarmate de bodem erger en vaker heeft gebeefd en die ‘overlast’ en ‘onzekerheid’ beoogt te compenseren (zie 4.7.2 hierboven en de onderdelen 5.5.60, 5.6.8 en 5.6.9 van de bijlage). Er is weliswaar geen maatman-Groninger, maar mogelijk kan wel worden gewerkt met een serie maatgevallen met bijbehorende richtbedragen, zoals ook de Adviescommissie Waardedaling doet, afhankelijk van bevingsfrequentie en -intensiteit, mate van geconstateerde fysieke schade en mate van stapeling van problemen, met afwijkingsmogelijkheid in bijzondere individuele gevallen.535 Het hoogstpersoonlijke karakter van smartengeld hoeft daaraan niet in de weg te staan.536

5 Conclusie

Ik geef u in overweging de door de rechtbank Noord-Nederland gestelde vragen te beantwoorden zoals samengevat in onderdeel 1.3 hierboven.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Rechtbank Noord-Nederland 10 oktober 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4009, NJF 2018/588.

2 R. de Bock, ‘Mijnbouwschade in Groningen, Waar is de civiele rechter?’, NJB 2019/3, neemt aan dat de hoge kosten en de ingewikkeldheid van een civiele procedure een belemmering voor burgers en bedrijven vormen en suggereert ook een psychologische drempel omdat het zou gaan om David tegen Goliath. De regering lijkt dat laatste te bevestigen in het ontwerp van een toelichting op het Wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen: “de verhouding tussen NAM en de gedupeerden, zowel in de procedure van afhandeling van verzoeken door NAM zelf als in de procedure bij de burgerlijk rechter, als ongelijkwaardig ervaren omdat NAM over een grotere hoeveelheid middelen en deskundigheid beschikt.” Zie https://www.internetconsultatie.nl/instituutmijnbouwschadegroningen/document/3754.

3 Zie https://www.internetconsultatie.nl/instituutmijnbouwschadegroningen voor het wetsvoorstel en het ontwerp van een toelichting. Zie daarnaast Kamerstukken II, 2018-2019, 32849, nr. 137.

4 Zie Kamerstukken I, 2018-2019, 34 957, N, p. 10, en de website van de Raad van State: https://www.raadvanstate.nl/gaswinning-groningen/ (tekstblok linksonder).

5 Zie art. 16 van het wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade. De Bock merkt op dat het erop lijkt dat de civiele rechter bevoegd blijft als het gaat over schadevergoeding in nature en versterkingsmaatregelen. R. de Bock, ‘Mijnbouwschade in Groningen, Waar is de civiele rechter?’, NJB 2019/3.

6 Zie art. 17 van het wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade.

7 J.M. van Dunné, ‘Gaswinning in Groningen, een drama in vele bedrijven; En dan nu: het Besluit mijnbouwschade Groningen van 31 januari 2018’, NJB 2018/821.

8 R. de Bock, ‘Mijnbouwschade in Groningen, Waar is de civiele rechter?’, NJB 2019/3. Ter zake van ongelijkheidscompensatie merkt zij op dat ook de civiele rechter ervan doordrongen is dat rekening moet worden gehouden met de hoedanigheid van partijen en dat de civiele rechter klantvriendelijker is dan de bestuursrechter. Zij bepleit dat het wetsvoorstel de toegang tot de civiele rechter open zou moeten stellen en de bevoegdheid om prejudiciële vragen te beantwoorden aan de Hoge Raad zou moeten toekennen.

9 J.E. van de Bunt, ‘Het concept-Wetsvoorstel Instituut mijnbouwschade Groningen nader bekeken’, MvV 2019/2, en dezelfde: ‘Geef de bestuursrechter het voordeel van de twijfel’, NJB 2019/689.

10 A.T. Marseille, H.E. Bröring en K.J. de Graaf, ‘Mijnbouwschadegeschillen, Beter af bij de bestuursrechter dan bij de civiele rechter’, NJB 2019/690.

11 Vgl. R. de Bock, ‘Aardbevingsschade hoort thuis bij de civiele rechter’, NJB 2019/691.

12 Zie ook M.C.A. Hermans, ‘De opgedrongen bestuursrechter’, NJB 2019/688: “De wetgever, en uiteindelijk de praktijk, zullen de gedupeerde Groningers moeten overtuigen dat de bestuursrechtelijke rechtsgang daadwerkelijk de beste oplossing is.”

13 Zie Onderzoeksraad voor Veiligheid, Aardbevingsrisico’s in Groningen: Onderzoek naar de rol van veiligheid van burgers in de besluitvorming over de gaswinning (1959-2014), Den Haag, februari 2015, p. 32 (het rapport van de Onderzoeksraad).

14 Zie het rapport van de Onderzoeksraad 2015, p. 19-20, https://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=82563NED&D1=0,73-76&D2=1&D3=13,18,23,28,33,38,43,48,53,58,63,68,73,78,83,88&HDR=G1,G2&STB=T&VW=T.

15 Zie het rapport van de Onderzoeksraad 2015, p. 29-33 en 54-55.

16 Zie het rapport van de Onderzoeksraad 2015, p. 35, o.v.n. M.W. van der Sluis, ‘Aardbevingen in Noord-Nederland. Over bodemtrilling en bodemdaling’, 1989.

17 Zie onder meer het rapport van de Onderzoeksraad 2015, p. 37, o.v.n. Samenvatting Begeleidingscommissie Onderzoek Aardbevingen, Eindrapport multidisciplinair onderzoek naar de relatie tussen gaswinning en aardbevingen in Noord-Nederland, november 1993, p. 67. Al eerder merkte de directeur van NAM op dat het waarschijnlijk niet waar te maken is, met name bij het Eleveld gasveld in Drenthe, dat er geen verband bestaat tussen aardgaswinning en bodemtrillingen.

18 Zie het rapport van de Onderzoeksraad 2015, p. 48, dat verwijst naar het Groningen Asset Reference Plan 2012.

19 Rapport van de Onderzoeksraad 2015, p. 50.

20 Rapport van de Onderzoeksraad 2015, p. 51, dat verwijst naar het SodM, Aardbevingen in de provincie Groningen, 22 januari 2013, bijlage 205501 bij Kamerstukken II 2012-2013, 33 529, nr. 1.

21 Zie het rapport van de Onderzoeksraad 2015, p. 53, dat verwijst naar E. Hoekstra, G. Perlavciute en L. Steg, Uw mening over gaswinning uit het Groningen-gasveld. Onderzoeksresultaten fase 1, mei 2014.

22 Zie het rapport van de Onderzoeksraad, p. 53-54 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 529, nr. 28, p. 5-6. Zie ook het Ontwerpbesluit gaswinning Groningenveld, Ministerie van Economische Zaken, 13 maart 2014.

23 SodM, Advies Bevingsgevoeligheid van de Eemskanaal regio, december 2014, bijlage 445925 bij Kamerstukken II, 2014-2015, 33 529, nr. 91, SodM, Advies Winningsplan Groningen 2016, mei 2016, bijlage 777326 bij Kamerstukken II, 2015-2016, 33 529, nr. 278.

24 Onderzoeksraad voor Veiligheid, Aardbevingsrisico’s in Groningen, Stand van Zaken opvolging en aanbevelingen, Den Haag, maart 2017.

25 Kamerstukken II, 2017-2018, 33 529, nr. 457 met bijlagen.

26 Zie Kamerstukken II, 2018-2019, 32 849, nr. 137 en het ontwerp van een toelichting bij het wetsvoorstel Instituut Mijnbouwschade Groningen, te raadplegen op https://www.internetconsultatie.nl/instituutmijnbouwschadegroningen.

27 Betrokken zijn in de loop der tijd NAM, het CVW voor reguliere schades, NCG voor de afhandeling van complexe schades, de Arbiter Bodembeweging, de CBS en de Onafhankelijke Raadsman. Daarnaast ondersteunt NCG maatschappelijke organisaties bij het inrichten van een onafhankelijk steunpunt ‘Stut en Steun’. Op 31 maart 2017 is de TCMG opgericht, die belast is met de afhandeling van nieuwe schades en de afhandeling van alle schademeldingen die zijn ingediend sinds die datum.

28 Zoals de waarderegeling (compensatieregeling indien de verkoopprijs van een woning aantoonbaar lager was als gevolg van de gaswinning), de regeling waardevermeerdering (subsidieregeling om woningen energiezuinigere te maken ter compensatie van de overlast door aardbevingen), de opkoopregeling (een regeling voor moeilijk verkoopbare woningen in de kern van het bevingsgebied) en de regeling Bijzondere Situaties (een regeling voor bewoners met een stapeling van medische, psychische, sociale en soms ook economische problemen).

29 Zie hierover nader onderdeel 1.12, 5.4.16, 5.5.7 en 5.5.64-5.5.65 van de bijlage. Zie ook A. Hammerstein, W.D.H. Asser en J.E. van de Bunt, Advies uitgebracht aan de Nationaal Coördinator Groningen e.a., 13 oktober 2017, p. 6-9.

30 https://www.nam.nl/gas-en-oliewinning/het-winnen-van-aardgas/gas-kwaliteit.html.

31 Zie Onderzoeksraad voor Veiligheid, Aardbevingsrisico’s in Groningen, Stand van Zaken opvolging en aanbevelingen, Den Haag, maart 2017, p. 11 e.v.

32 Zou EBN wel mede-vergunninghouder zijn naast NAM, dan zou ook EBN aangesproken kunnen worden onder lid 1(a), ook al zou zij in de zin van de Mijnbouwwet geen exploitant zijn omdat alleen NAM operator is. Zouden EBN en NAM geen van beiden vergunninghouder zijn, dan zouden beiden onder lid 2(b) aangesproken kunnen worden.

33 EHRM 11 januari 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA5147 (Salah Sheekh/Nederland), AB 2007/76, m.nt. B.P. Vermeulen.

34 HvJ EU 24 maart 2009, zaak C-445/06, ECLI:EU:C:2009:178 (Danske Slagterier), AB 2009/229, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven.

35 Kenmerk DGBI/19085737. Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/04/24/kamerbrief-inzake-advies-waardedaling.

36 Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/04/24/advies-waardedaling-woningen-aardbevingsgebied-groningen.

37 Ervan uitgaande dat de huurder de verhuurder aanspreekt. Efficiënter lijkt dat de huurder NAM aanspreekt om te voorkomen dat een ketting ontstaat (verhuurder spreekt op zijn beurt NAM aan en wacht dat eerst af), maar contractueel ligt dat niet voor de hand en lijkt de huurder niet gedwongen te kunnen worden NAM te dagen. Mijns inziens heeft de huurder, gelet op de verschillende grondslagen, beide ingangen. Spreekt hij NAM aan, dan lijkt mij dat NAM hem niet zou moeten kunnen tegenwerpen dat hij zijn schade moet beperken door huurverlaging van de verhuurder te eisen.

38 Rechtbank Noord-Nederland 27 juni 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:5257.

39 De OvS is overgelegd als productie bij de conclusie van antwoord van EBN.

40 Koninklijk Besluit van 30 mei 1963, nr. 39, Stcrt. 126.

41 Zie rov. 3.1 van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

42 (Eerste) rov. 3.2, p. 9 onderaan van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

43 Volgens [eisers] bedroeg de WOZ-waarde in 2005 € 225.000 (inleidende dagvaarding, randnummer 4 en productie 1), maar bedoeld is wellicht onderhandse verkoopwaarde (zie 2.2 hierboven). [eisers] gaan in hun vordering (inleidende dagvaarding, randnummer 145 en petitum onder 3) uit van een WOZ-waarde 2005 ad € 224.500, maar dat lijkt de vraagprijs in 2011 (inleidende dagvaarding, randnummers 6 en 7). Zie onderdeel 2.2 hierboven. [eisers] lijken abusievelijk in hun vordering de vraagprijs 2011 in plaats van de WOZ-waarde 2005 te hebben opgenomen.

44 (Eerste) rov. 3.2, p. 9 onderaan van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

45 Rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, NTE 2016/66, op sommige plaatsen aangeduid als te zijn voorzien van een noot van. I. Brinkman en C. van der Woude, die ik in NTE 2016/66 echter niet zie.

46 (Eerste) rov. 3.2, p. 9 van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

47 (Eerste) rov. 3.2, p. 7, onderaan, van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

48 (Eerste) rov. 3.2, p. 8, bovenaan, van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

49 (Eerste) rov. 3.2, p. 8, bovenaan, van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

50 Rov. 3.2.2. van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

51 Rov. 4.2.1 van het tussenvonnis van 27 juni 2018. De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185, overwogen dat de eisers in die zaken geen belang hadden bij een beoordeling of NAM expliciet onrechtmatig jegens hen had gehandeld omdat (i) de aansprakelijkheid van NAM voor vergoeding van de bevingsschade rechtstreeks uit art. 6:177 BW volgt en (ii) andere processuele of bewijstechnische belangen van de eisers niet worden belemmerd door beperking van de vorderingsgrondslag tot art. 6:177 BW. Anderzijds heeft de rechtbank in haar vonnis van 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, NAM’s verweer verworpen dat de eisers in die zaak geen belang hadden bij een oordeel of NAM behalve ex art. 6:177 BW ook (schuld)aansprakelijk is ex art. 6:162 BW, omdat de aard van de aansprakelijkheid volgens vaste rechtspraak één van de relevante omstandigheden is bij de vaststelling van immateriële schadevergoeding. Zij overwoog verder dat zich onrechtmatige overlast had voorgedaan als gevolg van aardbevingen en dat NAM, die die onrechtmatige overlast als exploitant van Mijnbouwwerken heeft veroorzaakt, daarom ook ex art. 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die inwoners door die overlast lijden. Voor zover NAM aansprakelijk is voor door eisers geleden schade op grond van art. 6:177 BW is zij dat volgens de rechtbank daarom eveneens op grond van art. 6:162 BW.

52 Rov. 3.2.2. van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

53 Rov. 3.2.2 van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

54 Rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, NTE 2016/66, m.nt. I. Brinkman en C. van der Woude.

55 (Eerste) rov. 3.2, p. 8, midden, van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

56 Rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, NTE 2016/66, m.nt. I. Brinkman en C. van der Woude.

57 Rov. 3.2.3 van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

58 (Eerste) rov. 3.2, p. 8, midden, van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

59 Rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, JA 2017/46, m.nt. I. Brinkman en C. van der Woude, NTE 2016/66, UDH:NTE/14095.

60 Rov. 3.2.1 van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

61 (Eerste) rov. 3.2, p. 8, onderaan, van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

62 Hoge Raad 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3262 (Vuurwerkramp Enschede), NJ 2015/343, m.nt. T. Hartlief, JOR 2010/295, m.nt. B.P.M. van Ravels.

63 (Eerste) rov. 3.2, p. 8 en 9 van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

64 (Eerste) rov. 3.2, p. 9 van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

65 Zie rov. 4.2.3 van het tussenvonnis van de rechtbank van 27 juni 2018. De rechtbank heeft bij vonnis van 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715 ambtshalve overwogen dat het instemmingsbesluit ex art. 34 Mbw van de minister van EZ van 21 december 2007 formele rechtskracht heeft, zodat de civiele rechter moet uitgaan van de rechtmatigheid van dat besluit.

66 Rov. 4.2.3 van het tussenvonnis van 27 juni 2018.

67 Zie rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, NTE 2016/66, m.nt. I. Brinkman en C. van der Wouden.

68 Vgl. HR 5 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB7103 (Moret Gudde Brinkman), NJ 1977/586, m.nt. W.H. Heemskerk.

69 Vgl. HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840 (Biek Holdings), NJ 2013/290, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA20130662, m.nt. S.M. Bartman, JBPR 2013/30, m.nt. W.M.A Malcontent en H.W. Wiersma en JIN 2013/91, m.nt. van G.C. Vergouwen.

70 Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, PS-Updates.nl 2017-0200, m.nt. P.W. Blok, NTE 2017/25, UDH:NTE/14317, m.nt. I. Brinkman, L. Baljon en C. van der Woude, JA 2017/88, m.nt. F.I. van Dorsser. Zie over deze uitspraak ook M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27, J.M. Emaus en E.C. Gijselaar, ‘Aansprakelijkheid voor schade door gasboringen’, TVP 2017/2, p. 51-56, M.J. Journée, ‘Opnieuw beweging in de rechtspraak voor de benadeelden van de Groningse gaswinning’, MvV 2017/5, p. 158-163, A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21 en J.E. van der Werff, ‘Aansprakelijkheid NAM voor schade door gaswinning’, NTHR 2017/5. Zie verder rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, NTE 2016/66, m.nt. I. Brinkman en C. van der Woude.

71 Hof Arnhem-Leeuwarden, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, JA 2018/60, NTE 2018/1-2, m.nt. J.C.W. Gazendam. Zie over deze uitspraak ook J.M. van Dunné, ‘Abstracte schadeberekening bij onrechtmatige daad: rechtsregel of hulpmiddel?’, TGMA 2018/3 en R. Rijnhout en C.J. ter Hoek, ‘De vergoeding voor waardevermindering veroorzaakt door gaswinning in Groningen’, TBR 2018/101.

72 Stb. 1994/887 en Stb. 1994/846. Zie voor een weergave van de historische ontwikkeling van mijnbouwwetgeving en aansprakelijkheid ook E. Bauw, Rechtsvergelijkend onderzoek naar de vergoeding van schade als gevolg van (voormalige) steenkoolwinning in Nederland, België en Duitsland (eindrapport), Utrecht, 29 april 2016, p. 24 e.v.

73 Duitsland, Ierland, Nederland, Noorwegen, Zweden en VK hadden wel getekend. Niet getekend hebben België, Denemarken en Frankrijk. Zie https://assets.publishing.service.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/603447/30._Oil_Pollution_Damage__1977___Status_list.pdf.

74 Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie ten gevolg van opsporing en winning van minerale rijkdommen in de zeebodem, 1 mei 1977, Trb. 1978/9.

75 Vgl. E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177 BW, aant. A en J. Spier en C.H.W.M. Sterk, Aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen, 1995, p. 9.

76 Vgl. E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177 BW, aant. A. Zie ook W. Snijders, ‘Aansprakelijkheid voor milieuverontreiniging: het verzekeringsaspect’, A&V 1993/1, p. 2-6, die het drieledig doel (preventie, kostenallocatie en slachtofferbescherming) bespreekt en J. Spier en C.H.W.M. Sterk, Aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen, 1995, p. 2.

77 Stb. 2002/542.

78 Stb. 2016/553. Zie over e.a. E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177 BW, aant. A en aant.1.

79 Volgens de NnavV is fysieke schade tastbare schade aan het gebouw of werk, zoals scheuren in muren, maar niet waardedaling van woningen, vermindering van woongenot of schade aan auto's of inboedel; Kamerstukken II 2015/16, 34390, nr. 6 (NnavV), p. 7.

80 De bepaling, die per 1 januari 2017 in werking is getreden, vloeit voort uit de Wet bewijsvermoeden gaswinning Groningen, van 21 december 2016, Stb. 2016/553 en is een novelle die de wet van 21 december 2016 tot wijziging van de Mijnbouwwet weer wijzigde.

81 Vgl. Kamerstukken II 2015-2016, 34 390, nr. 3 en 6 en Kamerstukken I 2016-2017, 34 041, G.

82 Vgl. Kamerstukken II 2015-2016, 34 390, nr. 6.

83 Vgl. Kamerstukken I 2016-2017, 34 041, G.

84 Vgl. Kamerstukken II 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 57.

85 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 1.1-1.13, hun nadere schriftelijke opmerkingen onder 2.33 en de schriftelijke opmerkingen van de Maatschap en NAM onder 102-123. Hierna zal ik steeds spreken van de schriftelijke opmerkingen van NAM, omdat de vragen en stellingen van partijen geen betrekking hebben op de positie van de Maatschap.

86 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.1.1.

87 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 4.1.

88 Zie de conclusie van antwoord zijdens de Maatschap en NAM onder 99. De Maatschap heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet in rechte kan worden betrokken. EBN heeft in feitelijke aanleg aangevoerd dat zij geen exploitant is en de beweerdelijk geschonden zorgplicht derhalve niet op haar rustte.

89 Rechtbank Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185, JA 2016/25, m.nt. J.W. Silvius, JM 2015/148, m.nt. H.J. Bos, NTE 2016/17, m.nt. I Brinkman en L. Baljon, rov. 4.2.4.

90 Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, PS-Updates.nl 2017-0200, m.nt. P.W. Blok, NTE 2017/25, m.nt. I. Brinkman, L. Baljon en C. van der Woude, JA 2017/88, m.nt. F.I. van Dorsser. Zie over deze uitspraak ook M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27, J.M. Emaus en E.C. Gijselaar, ‘Aansprakelijkheid voor schade door gasboringen’, TVP 2017/2, p. 51-56, M.J. Journée, ‘Opnieuw beweging in de rechtspraak voor de benadeelden van de Groningse gaswinning’, MvV 2017/5, p. 158-163, A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21 en J.E. van der Werff, ‘Aansprakelijkheid NAM voor schade door gaswinning’, NTHR 2017/5.

91 HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080 (Amercentrale), NJ 1975/509, m.nt. G.J. Scholten.

92 HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5603 ( [...] /Ouders), NJ 2008/262, JA 2008/128, m.nt. F.T. Oldenhuis.

93 Zie bijvoorbeeld HR 2 november 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7349 (Vader Versluis), NJ 1980/77, G.J. Scholten.

94 Uit het voorgaande volgt dat beide partijen menen dat het uitgangspunt van de rechtbank Noord-Nederland in meergenoemd vonnis van 1 maart 2017 onjuist is. NAM stelt dit met zoveel woorden in de schriftelijke opmerkingen onder 106. Het standpunt van [eisers] lijkt minder goed te verenigen met de kennelijk mede namens haar in die procedure verdedigde opvatting en de gevorderde verklaringen voor recht.

95 Zie mogelijk anders, J.E. van de Bunt, ‘Het concept-Wetsvoorstel Instituut mijnbouwschade Groningen nader bekeken’, MvV 2019/2. Zie ook A.Ch.H. Franken, ‘Schokkende schade’, AV&S 2015/33 die stelt dat de aard van de aansprakelijkheid in combinatie met de aard van de schade kan leiden tot een conservatieve schatting van de schade als het gaat om de waardevermindering van woningen.

96 Gezien de vraagstelling hoeft hier alleen op de begrenzing van art. 6:177 BW te worden ingegaan, maar betekenis komt in algemene zin toe aan de voorwaarden die de wet voor aansprakelijkheid stelt (is een gebrek vereist, of niet), het toepassingsbereik van de aansprakelijkheid (vgl. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283 (Stroomkabels), NJ 2017/73, m.nt. J. Spier, waarin werd geoordeeld dat de aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 BW beperkt is tot gebreken die samenhangen met de verkeersfunctie van de weg), de grondslag van de aansprakelijkheid, de in de wet geformuleerde uitzonderingen op de aansprakelijkheid en relativiteit (vgl. HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6095 (Hangmat), NJ 2011/465, m.nt. T. Hartlief en HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162 (Imagine), NJ 2016/173, m.nt. T. Hartlief).

97 Zie over het eerste J. Spier en C.H.W.M. Sterk, Aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen, 1995, p. 11-12. Zie over dit laatste bijvoorbeeld R.J.P. Kottenhagen, ‘Buiten-contractuele aansprakelijkheid voor economische schade’, BR 1991/5, p. 339-360, dezelfde in: ‘Over bris de cables, kabelbruchfälle en cable cases’, BR 1992/9, p. 653-672.

98 Vgl. HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7808, NJ 2013/81, m.nt. T. Hartlief, waaruit volgt dat er eerder aanleiding voor toerekening van voordeel is bij risicoaansprakelijkheid dan bij schuldaansprakelijkheid.

99 Het onderscheid tussen risico- en schuldaansprakelijkheid is een relevant gezichtspunt in het kader van de billijkheidscorrectie van dit artikel. Vgl. A.L.M. Keirse en R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid (Mon. Privaatrecht, nr. 16), 2013/122 en 123.

100 Vgl. HR 8 juli 1992, ECLI:NL:1992:ZC0665 (AMC/O), NJ 1992/714, MvA I Inv., Parl. Gesch. Boek 6 Inv., p. 1274 en S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 4.3, met verdere verwijzing. Lindenbergh meent dat dit aspect niet zozeer de schadebegroting betreft, maar beter kan worden meegewogen in een afzonderlijk oordeel ten aanzien van matiging in de zin van art. 6:109 BW. Zie Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 4.3, dezelfde in: Smartengeld (diss.), 1998, p. 298 e.v. Zie ook J.M. Barendrecht en H.M. Storm, Berekening van schadevergoeding, 1995, p. 302.

101 Rechterlijke matiging van de schadevergoedingsverplichting speelt in de praktijk en de doctrine, vooral door de strenge maatstaf van art. 6:109 BW slechts een bescheiden rol. Omdat aan zeer hoge eisen moet zijn voldaan voordat kan worden gematigd, lijken alle factoren naar matiging te moeten wijzen om ertoe over te gaan. Vgl. A.I. Schreuder, ‘Schuld en schadevergoeding’, MvV 2017/7-8, p. 240.

102 Zie uitvoerig over e.a. A.I. Schreuder, ‘Schuld en schadevergoeding’, MvV 2017/7-8, p. 236-242. Zij concludeert dat de schuldgraad het schadevergoedingsdebat weliswaar in enige mate kleurt, maar in de meeste gevallen een beperkt gewicht in de schaal lijkt te leggen.

103 Vgl. R.J.B. Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW aant. 4.4.1.1 en 4.4.2 en C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding algemeen 2 (Mon. BW nr. B35), 2017/38.

104 HR 13 juni 1975, ECLI:NL:PHR:1975:AC3080 (Amercentrale), NJ 1975/509, m.nt. G.J. Scholten: “(...) [dat] niettemin de uit art. 1405 voortvloeiende aansprakelijkheid moet worden beperkt tot die vormen van schade welke als typische gevolgen van de instorting van het desbetreffende gebouw kunnen worden beschouwd en mitsdien behoren tot het normale voor een eigenaar aan een dergelijke gebeurtenis verbonden risico.”

105 HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5603 ( [...] /Ouders), NJ 2008/262: “Voorts is die inkomensschade, anders dan het hof heeft aangenomen, naar zijn aard in het algemeen gesproken het alleszins voorzienbare gevolg van een brand als de onderhavige.” Zie hierover F.T. Oldenhuis in zijn annotatie onder JA 2008/128. Zie verder W. Dijkshoorn, ‘De leer van de redelijke toerekening: back to the eighties’, AV&S 2011/30 en C.J.M. Klaassen Schadevergoeding algemeen, deel 2 (Mon. BW nr. B35) 2017/38.

106 Vgl. R.J.B. Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 4.4.2, T. Hartlief, in: T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de Wet en schadevergoeding, 2018/220, C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding algemeen, deel 2 (Mon. BW nr. B35) 2017/38. Zie ook Asser/Sieburgh 6-II 2017/65, die betoogt dat risicoaansprakelijkheid een beperkter toerekening rechtvaardigt, tenzij de desbetreffende risicoaansprakelijkheid uitdrukkelijk strekt tot een ruime toerekening. Oldenhuis concludeert dat de Hoge Raad zeer terughoudend is met het maken van onderscheid. Vgl. F.T. Oldenhuis, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:174 BW, aant. 18.2.

107 Vgl. E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177 BW, aant. A2.

108 Vgl. Kamerstukken II, 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 6.

109 Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 746, waarover F.T. Oldenhuis, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:181 BW, aant. 3. Zie voorts Kamerstukken II, 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 6-8.

110 Vgl. Kamerstukken II, 1998-1999, 26 219, nr. 3, p. 101 en Kamerstukken II, 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 3.

111 Vgl. Kamerstukken II, 1998-1999, 26 219, nr. 3, p. 103.

112 Kamerstukken II, 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 7.

113 Vgl. E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177 BW, aant. 3.

114 Vgl. R.J.P. Kottenhagen, ‘Buiten-contractuele aansprakelijkheid voor economische schade’, BR 1991/5, p. 339-360, dezelfde in: ‘Over bris de cables, kabelbruchfälle en cable cases’, BR 1992/9, p. 653-672. Zie ook T. Hartlief, in: T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de Wet en schadevergoeding, 2018/220.

115 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.1.1.

116 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 124.

117 Rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, NTE 2016/66, m.nt. I. Brinkman en C. van der Woude.

118 Zie uitvoeriger hiervoor onder 4.185-190.

119 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 1.6

120 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 1.7

121 Vgl. de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 34-53.

122 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 2.1-2.17

123 Vgl. schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 2.3, o.v.n. rov. 2.3 van het tussenvonnis van 27 juni 2018 waar de relevante passage uit de nota wordt geciteerd. Zie voor de Nota De Pous Kamerstukken I1 1961/192, 6767, nr. 1

124 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 2.4 en 2.9 o.v.n. J.M. van Dunné, ‘Gaswinning in Groningen, een drama in vele bedrijven’, NJB 2018/821.

125 Vgl. Kamerstukken II, 2013-2014, 33 529, nr. 30, p. 21-22. Wat betreft de OvS wijzen [eisers] op art 1 lid 1 (“Staatsmijnen en N.A.M. gaan hierbij een maatschap aan met als doel, gezamenlijk het beleid te voeren inzake en het economisch belang te dragen bij de opsporing en ontginning door N.A.M. van de aardgasvoorkomens in de haar voor de provincie Groningen te verlenen concessie”) en art. 6 lid 1, waaruit volgt dat NAM gebonden is aan de door het College van Beheer te nemen besluiten. De OvS is overgelegd als productie 1 bij de conclusie van antwoord van EBN.

126 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 2.4 en 2.9.

127 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 2.17, waar [eisers] verwijzen naar de bedrijfsomschrijving in de inschrijving van EBN bij de Kamer van Koophandel, met SBI-code 19201 – aardolieraffinage, de statuten van EBN, met eenzelfde doelomschrijving, en de jaarverslagen. In deze stukken staat dat EBN zelf bedrijfsmatig aardolie en aardgas en/of andere koolwaterstoffen exploreert, exploiteert, bewerkt, verwerkt, vervoert, verhandelt, opslaat en behandelt.

128 Vgl. de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 45-53.

129 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 2.16 o.v.n. Handelingen II, 1962-1963, 6de vergadering 4 oktober 1962, 3036.

130 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 2.7 o.v.n. Kamerstukken II 1998-1999, 26 219, nr. 3.

131 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 2.2 en 2.3, o.v.n. Kamerstukken II, 1988-1989, 21 202, nr. 54 onder 9. Zie verder de schriftelijke opmerkingen onder 2.7 en 2.8.

132 Vgl. de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 35.

133 Vgl. de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 36 en 37.

134 Vgl. de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 37 e.v. o.v.n. onder meer de UN Guiding Principles on Business and Human Rights en C. Van Dam en H. Tiemersma, ‘Staatsondernemingen en Mensenrechten’, NJB 2018/2196.

135 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 1.8. Ik meen dat die verwachting wellicht te optimistisch is, nu ook als EBN geen exploitant is in de zin van art. 177 BW, nog steeds discussie mogelijk is over eventuele aansprakelijkheid van EBN op grond van art. 6:162 BW.

136 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 1.8 en 2.5. Zij verwijst naar de art. 2 en 7 van de OvS: “Staatsmijnen en N.A.M. zullen van tijd tot tijd zodanige bedragen inbrengen als nodig zijn voor de financiering van het Groningse aardgaswinningsbedrijf zulks in de verhouding 40:60,” respectievelijk: “De uitgaven en opbrengsten van de maatschap worden tussen Staatsmijnen en N.A.M. gedeeld in de verhouding 40:60”.

137 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.3.5.

138 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.1.1-2.6.1.

139 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.1.2 o.v.n. Kamerstukken II 1961-1962, 6767, nr. 1 (Nota De Pous).

140 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.3.1 o.v.n. art. 82 Mbw.

141 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.2, 2.3.4 en 2.4.

142 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.3.5 en 2.4 en 2.6.1.

143 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.4.15 o.v.n. Kamerstukken II 2017-2018, 33 529, nr. 427, p. 2.

144 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.5.4 o.v.n. Kamerstukken I 2018-2019, 34 957, E, p. 8-9. Zie ook de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 2.5.5 o.v.n. Aanhangsel Handelingen II 2017-2018, nr. 895, p. 1-2.

145 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 5.1.

146 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.

147 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.3.1.

148 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.5.3, 3.5.8 en 3.6.2-3.6.6 o.v.n. Kamerstukken II 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 7, Kamerstukken II 1990-1991, 26 202, nr. 3 p. 53 en nr. 6, p. 16, Kamerstukken II 1998-1999, 26 219 nr. 3, p. 24, 51 en 102 en Kamerstukken II 1998-1999, 26 219, nr. 12, p. 64.

149 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 7 o.v.n. Kamerstukken II 1990-1991, 21 202, nr. 3, p. 7, Kamerstukken II 2001-2002, 26 219, nr. 90, Kamerstukken 2001-2002, 26 219 nr. 313b, p. 16-18 en J.A.M.A. Sluysmans, ‘Enkele opmerkingen over de Mijnbouwwet’, Tijdschrift voor Agrarisch Recht 2003/1, p. 18.

150 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.7.7 o.v.n. Kamerstukken I 2018-2019, 34 957, E: “NAM is op grond van artikel 6:177 van het BW aansprakelijk voor schade die het gevolg is van een bodembeweging veroorzaakt door de exploitatie. Als de aansprakelijke exploitant failliet is verklaard, kan een gedupeerde op grond van artikel 137 van de Mijnbouwwet schadevergoeding vragen aan de Minister. De gedachte achter artikel 137 van de Mijnbouwwet is dat de Minister in de plaats treedt van een niet meer bestaande - op basis van artikel 6:177 van het BW aansprakelijke - exploitant. Als de Minister de schade vergoedt, gebeurt dit ten laste van het waarborgfonds.”

151 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.7.8.

152 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.9, op welke plaats zij stelt dat de wetgever om die reden ervan heeft afgezien in eerstgenoemd artikel naar art. 6:177 BW te verwijzen. De rechtvaardiging voor de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatig gebruiker is daarin gelegen dat deze de zorg voor de zaak heeft en de mogelijkheid heeft tot beïnvloeding van de daaraan verbonden risico’s. Het gaat erom wie in de beste positie verkeert om invloed op de risico’s uit te oefenen en schade aan personen of zaken te voorkomen. Dat perspectief geldt ook hier. EBN verwijst naar Kamerstukken II 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 6-7, A. Kolder, Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatig gebruiker (diss.), 2018, p 97 en 222, en G.H. Lankhorst, in: T&C BW, 2015, art. 6:181, aant. 4.

153 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.8.1-3.8.3.

154 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.8.1.

155 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.5.5-3.5.7 o.v.n. Kamerstukken II 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 54: “Men denke aan illegale boringen, maar ook aan de boringen bedoeld in art. 2 lid 3 van de Wet opsporingen delfstoffen: boringen op het land waarmede niet wordt beoogd het aantonen van de aanwezigheid van delfstoffen”.

156 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.10 Het onderscheid tussen het exploitantenbegrip van sub a) en sub b) bij stortplaatsen in art. 6:176 BW is volgens EBN enkel gelegen in legale exploitatie met vergunning en de illegale exploitatie zonder vergunning. Ook hier is de gedachte geweest dat de b-grond de partij aanwijst die feitelijk dezelfde activiteiten verricht als de vergunninghouder, maar dan zonder vergunning. EBN verwijst naar Kamerstukken II 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 49, E. Bauw, Onrechtmatige daad: aansprakelijkheid voor zaken (Mon. BW B47), 2015, p. 65, G H. Lankhorst, in: T&C BW, art. 6:176 BW, aant. 4 en J. Spier en C.H.W.M. Sterk, Aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen, 1995, p. 60.

157 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.11 o.v.n. Kamerstukken II 1986-1987, 19 769, nr. 3 en E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177 BW, aant. 4. Het Verdrag definieerde het begrip exploitant in het kader van de aansprakelijkheid in art. 1 lid 3 als: “(...) de persoon, al of niet vergunninghouder, die met het oog op dit Verdrag is aangewezen als exploitant door de Toezichthoudende Staat of, bij gebreke van een zodanige aanwijzing, de persoon die het algehele toezicht uitoefent over de werkzaamheden op of aan de installatie; (...)” Uit de systematiek volgt volgens EBN dat primair de vergunninghouder als aansprakelijke partij wordt gezien. Pas als die persoon ontbreekt verschuift de aansprakelijkheid naar degene die algemeen toezicht uitoefent over de werkzaamheden. Het ligt volgens EBN voor de hand dat daarmee wordt bedoeld de partij die mijnbouwwerkzaamheden verricht als ware deze de vergunninghouder. Anders had het immers voor de hand gelegen een cumulatieve aansprakelijkheid aan te nemen.

158 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 3.4.1-3.4.6 en 3.8.5-3.8.7 o.v.n. F.T. Oldenhuis, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:173-184, aant. 4, de conclusie van AG Spier voor HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7395 (Energie Delfland/Stoeterij De Kraal), NJ 2002/75 en C.J.M. Klaassen, Buiten-contractuele risico-aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikte opdrachtnemers: een NBW-nouveauté, in: W.C.L. van der Grinten e.a. (red.), Onderneming en Nieuw Burgerlijk Recht, 1991, p. 373-374.

159 Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/169 en F.T. Oldenhuis, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:173 BW, aant. 1.24.

160 Vgl. F.T. Oldenhuis, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:173 BW, aant. 1.24.

161 HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD7395 (Energie Delfland/Stoeterij De Kraal), NJ 2002/75.

162 HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9967 ( [...] / [...] ), NJ 2012/388, m.nt. L.C.A. Verstappen.

163 Vgl. F.T. Oldenhuis, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:173 BW, aant. 1.5.3.

164 U vergelijke de discussie over de verhouding tussen de aansprakelijkheid van de door art. 6:174, 6:175 en 6:179 BW aangewezen bezitter van een opstal/bouwsel/gevaarlijke stof/dier en de bedrijfsmatige gebruiker ervan ex art. 6:181 BW. Zie A Kolder, Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (diss.), 2018, p. 50-51 (cumulatie van aansprakelijke personen i.v.m. slachtofferbescherming?) en 104-108 (ruime uitleg gebruikersaansprakelijkheid en ‘afrondingsfactor’).

165 Vgl. Kamerstukken II 1998-1999, 26 219 nr. 3, p. 102 en Kamerstukken II 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 7.

166 Kamerstukken II 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 54.

167 Vgl. E. Bauw, in GS Onrechtmatige daad, art. 6:177 BW, aant. 5, 7 en 10, G.H. Lankhorst in: T&C Burgerlijk Wetboek, art. 6:177 BW, aant. 5.

168 Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, PS-Updates.nl 2017-0200, m.nt. P.W. Blok, NTE 2017/25, m.nt. I. Brinkman, L. Baljon en C. van der Woude, JA 2017/88, m.nt. F.I. van Dorsser.

169 Vgl. de akte uitlating prejudiciële vragen van de Staat onder 2.

170 De rechtbank heeft volstaan met een weergave van het standpunt van de Staat en een algemene overweging in rov. 2.8 en 2.9 van het vonnis van 11 oktober 2018.

171 ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578, AB 2016/82, m.nt. H.E. Bröring en J.G. Brouwer, M en R 2016/63, m.nt. J. Kevelam en M.A.A. Soppe, M en R 2017/4, m.nt. M. Peeters, JB 2015/218, m.nt. R.J. Schlössels en D.G.J. Sanderink, JM 2016/12, m.nt. A. Wagenmakers.

172 De Staat voegt daar in zijn schriftelijke opmerkingen onder 3.2.2 aan toe: “dit ondanks de formele rechtskracht van de tot dan toe geldende instemmingsbesluiten, waarop de Staat ook heeft gewezen”. Deze toevoeging suggereert dat de rechtbank die formele rechtskracht heeft miskend, maar de rechtbank heeft die formele rechtskracht van ambtswege aan de orde gesteld om vervolgens (rov. 4.1.11) te constateren dat de Staat voor de relevante periode niet wil tegenwerpen dat een bestuursrechtelijke rechtsgang had opengestaan.

173 Zie over een en ander de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.2.

174 Zie de nadere schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 58-61. Op 8 januari 2018 vond bij Zeerijp een aardbeving plaats met een kracht van 3,4 SvR.

175 Art. 393 lid 8 en 9 Rv. Vgl. K. Teuben in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 393 Rv, aant. 5.

176 Vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:2013:CA1614 (Van der Geest/Butin Bik), NJ 2013/321.

177 Het oordeel omtrent het ontbreken van het causaal verband berust op de constatering van de rechtbank dat daaromtrent door eisers onvoldoende is gesteld. Uit HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1151, NJ 1994/175 zou afgeleid kunnen worden dat aan dit deel van de beslissing van de rechtbank geen gezag van gewijsde toekomt. Overwogen werd daarin dat “[v]an een ‘beslissing aangaande de rechtsbetrekking in geschil’ (…) geen sprake [is] ingeval de rechter het gevorderde niet toewijst op grond van zijn oordeel dat de door de eisende partij daaraan ten grondslag gelegde stellingen onvoldoende zijn om hem in staat te stellen aangaande de rechtsbetrekking in geschil een beslissing te geven.” Met Van Dam-Lely meen ik dat uit HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7481, NJ 2001/210 kan worden afgeleid dat deze overweging slechts ziet op het geval dat in de eerdere procedure algeheel onduidelijk bleef welke rechtsbetrekking werd voorgelegd. Zie J.H. van Dam-Lely, in T&C Rv, 2018, art. 236, aant. 2 onder b. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/149.

178 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 4.1 en de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 124. De vraag naar mogelijke verplichtingen van NAM voortvloeiend uit het EVRM – als private onderneming waarvan de gedragingen aan de Staat kunnen worden toegerekend, dan wel als private actor in het kader van de maatschappelijke zorgvuldigheid – is hier niet aan de orde. Zie daarover E. Gijselaar, R. Rijnhout & J. Emaus, ‘Gasboringen in Groningen en de aansprakelijkheid van de NAM’, AA 2014/801 e.v.

179 Zie ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578, AB 2016/82, m.nt. H.E. Bröring en J.G. Brouwer, M en R 2016/63, m.nt. J. Kevelam en M.A.A. Soppe, M en R 2017/4, m.nt. M. Peeters, JB 2015/218, m.nt. R.J. Schlössels en D.G.J. Sanderink, JM 2016/12, m.nt. A. Wagenmakers.

180 Zie hierover ook Kamerstukken II, 2017-2018, 34 957, nr. 3.

181 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 3.1-3.67.

182 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.1 en 3.3.2.

183 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.3-3.3.38.

184 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.2.

185 Vgl. de nadere schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 1.2 en 1.3.

186 Vgl. de nadere schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 2.1-2.11.

187 Zie over dat aspect overigens Kamerstukken II, 2017-2018, 34 957, nr. 3, p. 18-20 en EHRM 6 september 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0906JUD000340109, nr. 3401/09 (Yordanov/Bulgarije), EHRC 2019/5, m.nt. J.M. Emaus.

188 Zie de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.3. Een begin van een nadere uitwerking kan wel worden gevonden in conclusie van antwoord onder 4.2.7 waarnaar in de schriftelijke opmerkingen wordt verwezen.

189 De Staat verwijst in zijn conclusie van antwoord onder 4.2.7 naar HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2077 (Vie d’Or), NJ 2008/527, m.nt. C.C. van Dam onder NJ 2008/529, Ondernemingsrecht 2006/200, m.nt. B.P.M. van Ravels, JBPR 2007/28, m.nt. I. Tzankova, JOR 2006/295, m.nt. D. Busch, HR 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3349 (Bank/AFM), NJ 2015/217, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, Ondernemingsrecht 2015/23, m.nt. H.M. Vletter-van Dort, JOR 2015/11, m.nt. D. van Tilborg, TBR 2015/154, m.nt. H.C.W.M. Moesker, rechtbank Den Haag 25 januari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:587 (Q-koorts), JA 2017/42, m.nt. J.H.G. Verweij-Hoogendijk, GJ 2017/97, m.nt. M.J.J. de Ridder en A.N.L. de Hoogh. Zie ook HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:987, NJ 2017/372, m.nt. J. Spier, Gst. 2017/187, m.nt. T. Barkhuysen en P.M.J.J. Swagemakers, JB 2017/149, m.nt. L.J.M. Timmermans, JOR 2017/263, m.nt. S.A.L. van de Sande en D. van Tilborg, JAR 2017/171, m.nt. B. Barentsen.

190 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.5 o.v.n. EHRM 9 juni 1998, nr. 23413/94 ECLI:NL:XX:1998:AH6541 (L.C.B./Verenigd Koninkrijk), JB 1998/180: “to take appropriate steps to safeguard the lives of those within its jurisdiction” (rov. 36).

191 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] o.v.n. EHRM 28 februari 2012, nr. 17423/05 e.a., ECLI:NL:XX:2012:BW6229 (Kolyadenko/Rusland), EHRC 2012/105, m.nt. D.G.J. Sanderink, AB 2012/134, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik (rov. 158).

192 De Staat verwijst in zijn schriftelijke opmerkingen onder 3.3.6 en 3.3.10 naar EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99, ECLI:NL:XX:2004:AS2641 (Öneryildiz/Turkije), EHRC 2005/10, NJ 2005/210, m.nt. E.A. Alkema, AB 2005/43, m.nt. A.J.Th. Woltjer, M en R 2005/13, m.nt. M.T. Kamminga, EHRM 20 maart 2008, nrs. 15339/02, 1167/02, 15343/02, 20058/02, 21166/02, ECLI:NL:XX:2008:BD6179 (Budayeva c.s./Rusland), EHRC 2008/73, m.nt. H.L. Janssen, NJ 2009/229, m.nt. E.A. Alkema, AB 2008/206, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, M en R 2008/56, m.nt. M.T. Kamminga, EHRM 28 februari 2012, nr. 17423/05 e.a., ECLI:NL:XX:2012:BW6229 (Kolyadenko/Rusland), EHRC 2012/105, m.nt. D.G.J. Sanderink, AB 2012/134, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik.

193 De Staat verwijst in zijn schriftelijke opmerkingen onder 3.3.7 naar EHRM 28 oktober 1998, nr. 23452/94, ECLI:NL:XX:1998:AD4558 (Osman/Turkije), NJ 2000/134, m.nt. E.A. Alkema en S. Mirgaux, in: J.H. Gerards e.a., Sdu Commentaar EVRM Deel I, 2013, art. 2, aant. C.7.4.2. Onder 3.3.12 verwijst hij aanvullend naar EHRM 28 februari 2012, nr. 17423/05 e.a., ECLI:NL:XX:2012:BW6229 (Kolyadenko/Rusland), EHRC 2012/105, m.nt. D.G.J. Sanderink, AB 2012/134, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik. Zie ook de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 3.31.

194 De Staat verwijst in dit verband in zijn schriftelijke opmerkingen onder 3.3.8 opnieuw naar EHRM 28 oktober 1998, nr. 23452/94, ECLI:NL:XX:1998:AD4558 (Osman/Turkije), NJ 2000/134, m.nt. E.A. Alkema.

195 Zie de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.9 o.v.n. naar EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99, ECLI:NL:XX:2004:AS2641 (Öneryildiz/Turkije), EHRC 2005/10, NJ 2005/210, m.nt. E.A. Alkema, AB 2005/43, m.nt. A.J.Th. Woltjer, M en R 2005/13, m.nt. M.T. Kamminga, EHRM 20 maart 2008, nrs. 15339/02, 1167/02, 15343/02, 20058/02, 21166/02, ECLI:NL:XX:2008:BD6179 (Budayeva c.s./Rusland), EHRC 2008/73, m.nt. H.L. Janssen, NJ 2009/229, m.nt. E.A. Alkema, AB 2008/206, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, M en R 2008/56, m.nt. M.T. Kamminga, EHRM 28 februari 2012, nr. 17423/05 e.a., ECLI:NL:XX:2012:BW6229 (Kolyadenko/Rusland), EHRC 2012/105, m.nt. D.G.J. Sanderink, AB 2012/134, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik. Zie ook de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 3.50 en 3.51.

196 Zie de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 3.51 o.v.n. EHRM 20 maart 2008, nrs. 15339/02, 1167/02, 15343/02, 20058/02, 21166/02, ECLI:NL:XX:2008:BD6179 (Budayeva c.s./Rusland), EHRC 2008/73, m.nt. H.L. Janssen, NJ 2009/229, m.nt. E.A. Alkema, AB 2008/206, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik, M en R 2008/56, m.nt. M.T. Kamminga. Zie ook de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.22 o.v.n. Harris, O’Boyle & Warbrick, Law of the European Convention on Human Rights, 2014, p. 584.

197 Zie de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.21 o.v.n. EHRM 8 juli 2003, nr. 36022/97, ECLI:NL:XX:2003:AO091 (Hatton c.s./Verenigd Koninkrijk), EHRC 2003/71, m.nt. H.L. Janssen, NJ 2004/207, m.nt. E.J. Dommering, AB 2003/445, m.nt. A.J.Th. Woltjer, M en R 2003/88, m.nt. M.T. Kamminga, EHRM 4 september 2014, nr. 42488/02 (Dzemyuk/Oekraïne), EHRC 2014/242, en C.J. Forder e.a., in: J.H. Gerards e.a., Sdu Commentaar EVRM Deel I, Den Haag: Sdu 2013, art. 8, aant. C.5.1.4. Zie verder onder 3.3.25, waar de Staat stelt dat wordt in gegrepen in geval van “a manifest error of appreciation by the national authorities in striking a fair balance between the competing interests”, o.v.n. EHRM 9 juni 2005, nr. 55723/00, ECLI:NL:XX:2005:AU0858 (Fadeyeva/Rusland), EHRC 2005/80, m.nt. H.L. Janssen, M en R 2005/97, m.nt. M.T. Kamminga en EHRM 14 februari 2012, nr. 31965/07 (Hardy en Maile/Verenigd Koninkrijk), EHRC 2012/103.

198 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 3.52, met verdere verwijzingen. Zie ook de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.23 o.v.n. EHRM 9 juni 2005, nr. 55723/00, ECLI:NL:XX:2005:AU0858 (Fadeyeva/Rusland), EHRC 2005/80, m.nt. H.L. Janssen, M en R 2005/97, m.nt. M.T. Kamminga en EHRM 14 februari 2012, nr. 31965/07 (Hardy en Maile/Verenigd Koninkrijk), EHRC 2012/103, EHRM 2 december 2010, nr. 12853/03 (Atanasov/Bulgarije), EHRC 2011/34, m.nt. Leijten, EHRM 4 september 2014, nr. 42488/02 (Dzemyuk/Oekraïne), EHRC 2014/242 en EHRM 13 juli 2017, nr. 38342/05, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205 (Jugheli e.a./Georgië), EHRC 2017/190.

199 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 3.52 o.v.n. EHRM 28 februari 2012, nr. 17423/05 e.a., ECLI:NL:XX:2012:BW6229 (Kolyadenko/Rusland), EHRC 2012/105, m.nt. D.G.J. Sanderink, AB 2012/134, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik en D.G.J. Sanderink, Het EVRM en het materiële omgevingsrecht, 2015, paragraaf 2.5. 2 en 2.5.3. Zie ook de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.29 o.v.n. EHRM 2 december 2010, nr. 12853/03 (Atanasov/Bulgarije), EHRC 2011/34, m.nt. Leijten en EHRM 14 februari 2012, nr. 31965/07 (Hardy en Maile/Verenigd Koninkrijk), EHRC 2012/103.

200 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.26 o.v.n EHRM 10 februari 2011, nr. 30499/03 (Dubetska c.s./Oekraïne).

201 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.27 o.v.n. EHRM 27 januari 2009, nr. 67021/01, ECLI:NL:XX:2009:BI0380 (Tatar/Roemenië), EHRC 2009/40, m.nt. M. Peeters, AB 2009/285, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. Emmerik, M en R 2009/43, m.nt. M.T. Kamminga.

202 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.22 o.v.n. EHRM 26 juli 2011, nr. 9718/03, ECLI:NL:XX:2011:BU3937 (Stoicescu/Roemenië), EHRC 2011/147, m.nt. R. van de Westelaken.

203 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 3.5 en 3.6 o.v.n. de op 21 juli 2018 ten behoeve van een rondetafelgesprek over de mentale versterking van Groningen ingediende “zienswijse veiligheids- en gezondheidsproblemen door gaswinning”. Postmes heeft langlopend onderzoek gedaan naar de gezondheidsproblemen van de Groningers in en rond het bevingsgebied.

204 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.14 o.v.n. EHRM 18 januari 1978, nr. 5310/71 (Ierland/Verenigd Koninkrijk).

205 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.14 o.v.n. EHRM 23 september 1998, nr. 25599/94 (A./Verenigd Koninkrijk) en EHRM 29 oktober 1998, nr. 24760/94 (Assenov/Bulgarije).

206 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.16 o.v.n. EHRM 18 januari 1978, nr. 5310/71 (Ierland/Verenigd Koninkrijk).

207 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.15 EHRM 23 september 1998, nr. 25599/94 (A./Verenigd Koninkrijk).

208 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.3.17 o.v.n. B. Vermeulen & H. Battjes, in: P. van Dijk , F. van Hoof, A. van Rijn e.a., Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, 2018, p. 409, EHRM 26 april 2005, no. 53566/99, ECLI:NL:XX:2005:AT9128 (Müslim/Turkije), EHRC 2005/67, m.nt. A. Woltjer, EHRM 21 januari 2011, no. 30696/09, EHRC 2011/42 (M.S.S./België en Griekenland), m.nt. A. Woltjer, EHRM 18 juni 2009, nr. 45603/05 (Budina Rusland).

209 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 4.1.

210 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 124.

211 Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, PS-Updates.nl 2017-0200, m.nt. P.W. Blok, NTE 2017/25, UDH:NTE/14317, m.nt. I. Brinkman, I. Baljon en C. van der Woude, JA 2017/88, m.nt. F.I. van Dorsser, rov. 4.1.10.

212 Vgl. HR 20 januari 1984, ECLI:NL:HR:198:AG4740, NJ 1987/295.

213 [eisers] specificeren niet welk instemmingsbesluit of wijzigingsbesluit zij bedoelen. Nu het niet lijkt te kunnen gaan om de periode na de inleidende dagvaarding (december 2016), kan het gaan om het instemmingsbesluit 2007 en om het (gewijzigd) instemmingsbesluit 2015 en het instemmingsbesluit 2016.

214 [eisers] verwijzen in dit verband in hun schriftelijke opmerkingen onder 4.1 onder meer naar HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2566 (Staat/Siemons), NJ 2001/636, JB 2001/289, m.nt. E. Van der Linden en HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1598 (Barneveld/Gasunie), NJ 2007/504, m.nt. M.R. Mok, AB 2008/155, m.nt. F.J. van Ommeren, NTBR 2008/24, m.nt. A.R. Neerhof, Gst. 2008/53, m.nt. JA.E. van der Does. Zie voor de uitwerking van hun standpunt hun schriftelijke opmerkingen onder 4.2-4.17.

215 Zie de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 4.1.

216 Zie de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 4.24, waar zij verwijzen naar HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1006 (St. Oedenrode/Van Aarle), NJ 1993/642, m.nt. M. Scheltema, AB 1993/504, m.nt. F.H. van der Burg, BR 1994, p. 855, m.nt. N.S.J. Koeman.

217 Zie uitvoeriger de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 4.18-4.23.

218 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 4.25-4.26 o.v.n. HR 21 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5590 (De Oude Molen), NJ 2000/564, m.nt. A.R. Bloembergen en HR 15 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0150 (Aalscholvers), NJ 1991/639, m.nt. C.J.H. Brunner.

219 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 4.27-4.32.

220 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.4.13.

221 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.4.14.

222 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.4.4.

223 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.4.6-3.4.12.

224 Vgl. HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347 (Heesch/Van de Akker), NJ 1986/723, m.nt. M. Scheltema, AB 1986/573, m.nt. F.H. van der Burg, BR 1986, p. 775, m.nt. N.S.J. Koeman, M.W. Scheltema en M. Scheltema, Gemeenschappelijk Recht. Wisselwerking tussen publiek- en privaatrecht., 2013, p. 361. Laatstgenoemden wijzen er op dat de nodige kritiek op het beginsel is geuit. Zie p. 376-381, met verdere verwijzingen. Zie voorts Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, 2014, 19.5 met verdere verwijzingen. Het civiele effect van vernietiging van een beschikking door de bestuursrechter, andersom, wordt (ongelukkigerwijze) ‘oneigenlijke formele rechtskracht’ genoemd. U heeft dat civiele effect van vernietiging als volgt beschreven in HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0261 (Van Gog/Nederweert), NJ 1993/112, m.nt. C.J.H. Brunner, Gst. 1993-6962/4, m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens, BR 1992, p. 43, m.nt. N.S.J. van der Koeman: “Indien een overheidslichaam een onrechtmatige daad pleegt door een beschikking te nemen en te handhaven die naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met de wet of op enige andere in art. 8 lid 1 Wet Arob vermelde grond – dan wel een overeenkomstige grond vermeld in enige andere administratieve wet -, is daarmede de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven”.

225 Vgl. M.W. Scheltema en M. Scheltema, Gemeenschappelijk Recht. Wisselwerking tussen publiek- en privaatrecht., 2013, p. 362 en G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 4.

226 Vgl. J.A.M. van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechtspraak, 2015/28. Dit belang van een doelmatige taakverdeling waaiert uit in een drietal subdoelen: i) handhaving van de wettelijke rechtsmachtverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter en het voorkomen van forumshopping, ii) het bewaken van de rechtseenheid en voorkomen dat binnen de rechterlijke kolommen de oordelen met betrekking tot de rechtmatigheid van besluiten uiteen gaan lopen, iii) het bewaken van een efficiënte rechtsbedeling, waarbij de vraag of een besluit onrechtmatig is tot het domein van de bestuursrechter hoort en de vraag of aanspraak op schadevergoeding bestaat en welke maatstaven daarbij hebben te gelden tot dat van de burgerlijke rechter. Zie Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, 2014, 19.6.

227 Vgl. J.A.M. van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechtspraak, 2015/28 en Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, 2014, 19.6.

228 Vgl. J.A.M. van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechtspraak, 2015/28 en R.J.N. Schlössels en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat, Band 1, 2017/546. Zie ook HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823 ( [...] / [...] ), NJ 2006/418, m.nt. C.J.H. Brunner, BR 2006/60, m.nt. M.A.B. van Chao-Duivis, Gst. 2005/198, m.nt. J.A.E. van der Does, JOR 2006/116, m.nt. J.F. de Groot, NTBR 2006/15, m.nt. G.E. van Maanen en M en R 2006/15, m.nt. J.H. Meijer. Het antwoord op de vraag of en in hoeverre een door de overheid verstrekte vergunning invloed heeft op de beoordeling van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig de hem verstrekte vergunning handelt, doch daarbij schade of hinder toebrengt aan derden, hangt af van de aard van de vergunning en het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust, zulks in verband met de omstandigheden van het geval. Daarbij heeft te gelden dat de vergunninghouder er in het algemeen op mag vertrouwen dat de vergunning overeenkomstig de wet is verleend en de overeenkomstig de wet in aanmerking te nemen belangen door de vergunningverlenende instantie volledig en op juiste wijze zijn afgewogen, en dat hij gerechtigd is van die vergunning gebruik te maken.

229 HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823 ( [...] / [...] ), NJ 2006/418, m.nt. C.J.H. Brunner, BR 2006/60, m.nt. M.A.B. van Chao-Duivis, Gst. 2005/198, m.nt. J.A.E. van der Does, JOR 2006/116, m.nt. J.F. de Groot, NTBR 2006/15, m.nt. G.E. van Maanen en M en R 2006/15, m.nt. J.H. Meijer.

230 Vgl. HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347 (Heesch/Van de Akker), NJ 1986/723, m.nt. M. Scheltema, AB 1986/573, m.nt. F.H. van der Burg, BR 1986, p. 775, m.nt. N.S.J. Koeman.

231 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 13-16. Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, 2014, 19.8 noemt, met rechtspraakverwijzingen, aanvullend op de hier in de hoofdtekst genoemde categorieën van uitzonderingen nog het geval dat de persoon die de onrechtmatige daadsactie voert geen belanghebbende was, het niet tijdig nemen van een beslissing op een aanvraag of op bezwaar of beroep, de bevoegdhedenovereenkomst waarbij de formele rechtskracht wordt gerelativeerd en de invloed van het Europese recht. Zie ook R.J.N. Schlössels, R.J.B. Schutgens en S.E. Zijlstra, Bestuursrecht en de sociale rechtsstaat, Band 2, 2019/977 e.v.

232 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 13-14. Zie ook Zie J.A.M. van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechtspraak, 2015/38, Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, 2014, 19.8 onder a, steeds met rechtspraakgegevens.

233 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p.13 o.v.n., HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX3070 (X/DNB), NJ 2007/503, m.nt. M.R. Mok onder NJ 2007/504, AB 2009/30, m.nt. B.P.M. van Ravels, AV&S 2007/47, m.nt. C.N.J. Kortmann, JA 2007/69, m.nt. G.E. van Maanen, JB 2007/66, m.nt. G.E. van Maanen, JOR 2007/96, m.nt. G.P. Roth, Ondernemingsrecht 2007/79, m.nt. B.P.M. van Ravels.

234 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 14, o.v.n. HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1598 (Barneveld/Gasunie), NJ 2007/504, m.nt. M.R. Mok, AB 2008/155, m.nt. F.J. van Ommeren, NTBR 2008/24, m.nt. A.R. Neerhof, Gst. 2008/53, m.nt. JA.E. van der Does.

235 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 14 o.v.n. HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2566 (Staat/Siemons), NJ 2001/636, JB 2001/289, m.nt. E. van der Linden.

236 Zie ook Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, 2014, 19.8 onder b, met rechtspraakgegevens.

237 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 14 o.v.n. HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1006 (St. Oedenrode/Van Aarle), NJ 1993/642, m.nt. M. Scheltema, AB 1993/504, m.nt. F.H. van der Burg, BR 1994, p. 855, m.nt. N.S.J. Koeman.

238 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 14-15 o.v.n. naar opnieuw HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1006 (St. Oedenrode/Van Aarle), NJ 1993/642, m.nt. M. Scheltema, AB 1993/504, m.nt. F.H. van der Burg, BR 1994, p. 855, m.nt. N.S.J. Koeman.

239 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 14-15.

240 Zie G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 15. Dit betekent strikt genomen dat niet sprake is van een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht. Vgl. J.A.M. van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechtspraak, 2015/37 onder c.

241 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 15-16 die stelt dat de Hoge Raad erkenningen op een later tijdstip niet heeft uitgesloten o.v.n. HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193 (Maple Tree), NJ 2003/629, m.nt. M.R. Mok, AB 2003/120, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2003/44, m.nt. E. van der Linden, B.J. van Ettekoven, ‘De formele rechtskracht vanuit bestuursrechtelijk perspectief’, O&A 2006/3, M.E. Gelpke, ‘De toepassing van het leerstuk van de formele rechtskracht door de burgerlijke rechter’, O&A 2006/2 en P.A. Fruytier, ‘Een herformulering van de formele rechtskracht: het civielrechtelijke besluitgezag en gezag van gewijsde en de uitzonderingen daarop’, NTBR 2008/22.

242 Vgl. G.A. van der Veen, ‘De Hoge Raad en de formele rechtskracht. De stand van zaken’, JBplus, 2009, p. 16 o.v.n. HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3167, NJ 2005/131, AB 2004/439, m.nt. G.A. van der Veen, JB 2004/202, m.nt. E. Van der Linden. Zie ook Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van Bestuursrecht, 2014, 19.8 onder c, met rechtspraakgegevens.

243 Naast de weigeringsgronden ‘in het belang van het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen’.

244 Belanghebbenden kunnen bij de minister en daarna de Afdeling stellen dat afwijzing van een verzoek om heroverweging in strijd is met 3:4(2) Awb als geen schadevergoeding wordt aangeboden. De kansen op succes lijken mij nihil.

245 EHRM 11 januari 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA5147 (Salah Sheekh v. Nederland), AB 2007/76, m.nt. B.P. Vermeulen.

246 HvJ EU, 24 maart 2009, zaak C-445/06 ECLI:EU:C:2009:178 (Danske Slagterier), AB 2009/229, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven.

247 Zie ook S. Prechal en R.J.G.M. Widdershoven (red.), Inleiding Europees Bestuursrecht 2017, p. 463-464, met verwijzing naar anderen die menen dat ook u die kant op zou moeten gaan.

248 De TCMG bestaat uit twee deelcommissies: de deelcommissie mijnbouwschade en de deelcommissie bezwaar.

249 Vgl. Kamerstukken II 2017-2018 33 529, nr. 457.

250 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.1.1.

251 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 4.1.

252 Zij handhaaft haar eerdere standpunt. Nieuw is dat zij zich kritisch uitlaat over het feit dat de wetgever bij de invoering van art. 6:177a BW veel belang heeft gehecht aan het feit dat in de daaraan voorafgaande jaren NAM 39.000 schadeclaims met schademelders had afgewikkeld. Volgens NAM heeft de wetgever miskend dat het uitkeren van schadevergoeding naar aanleiding van schademeldingen niet (steeds) betekent dat de afgewikkelde schade daadwerkelijk in causaal verband stond met de gaswinning.

253 Zie de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 5.15 en 5.16. Deze conclusie trekken zij uit de daaraan voorafgaand in de schriftelijke opmerkingen onder 5.3 en 5.5-5.14 geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis. Verwezen wordt naar Kamerstukken II 2015-2016, 34 390, nr. 3, de geactualiseerde versie van deze toelichting in Stcrt. 2016, nr. 4031, Kamerstukken II 2014-2015, 34 041, nr. 8 en 12, Kamerstukken I 2014-2015, 34 041, A, Kamerstukken II 2015-2016, 34 041, nr. 43, Kamerstukken I, 2016-2017, 34 041, E, Kamerstukken I 2016-2017, 34 041, nr. G, Handelingen I, 2016-2017, 16 (Wijziging Mijnbouwwet). [eisers] verwijzen tot slot nog naar het arrest Kasteel Strythagen, HR 31 december 1920, ECLI:NL:HR:1920:91, NJ 1921, p. 230, zonder daaruit een gevolgtrekking te maken. Over dit arrest J.M. van Dunné, ‘De ‘omkeringsregel’: regel of uitzondering, spookbeeld of vertrouwd gereedschap’, AAe, oktober 2018, p. 840 e.v.

254 Zie de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 5.4 en 5.16 en A. Hammerstein, W.D.H. Asser, J.E. van de Bunt, Advies Uitgebracht aan de Nationaal Coördinator Groningen e.a., 13 oktober 2017.

255 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 125-131, o.v.n. H.J. Snijders, ‘Bewijsvermoeden nader beschouwd, mede in het licht van de actuele discussie over vergoeding van mijnbouwschade’, NJB 2015/1902, F.T. Oldenhuis, ‘Aansprakelijkheid van de mijnbouwexploitant’, NJB 2015/26 en Kamerstukken II 2015-2016, 34 390, nr. 3.

256 NAM verwijst sub 132 naar de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8766: “Er is sprake van geslaagd tegenbewijs indien er zoveel twijfel is gezaaid dat de aanvankelijke overtuiging van de rechter aan het wankelen wordt gebracht en deze niet (meer) vermoedt dat de stellingen van de partij op wie het bewijsrisico rust, juist zijn. Indien het tegenbewijs is geleverd herleeft het bewijsrisico voor de partij die eerst kon profiteren van een wettelijk of rechterlijk vermoeden of de ‘voorshands bewezenverklaring’”. Zie verder HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3807, NJ 2003/468, HR 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5404, NJ 2001/32, m.nt. W.D.H. Asser en de conclusie van A-G Verkade voor HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7677, NJ 2005/268, m.nt. W.D.H. Asser.

257 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 132.

258 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 134.

259 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 134 o.v.n. Kamerstukken II 1998-1999, 26 219, nr. 3, p. 102, Kamerstukken II 1998-1999, 26 219, nr. 7, p. 44-47, Kamerstukken I 2001-2002, 26 219, nr. 313b, p. 20-21, Kamerstukken II 2013-2014, 33 529, nr. 55.

260 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 135.

261 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 136, op welke plaats verwezen wordt naar de andersluidende opvatting bij E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177a BW, aant. 6 en F.J. Oldenhuis onder JA 2018/94.

262 NAM verwijst in dit verband naar H.J. Snijders, ‘Bewijsvermoedens nader beschouwd, mede in het licht van de actuele discussie over vergoeding van mijnbouwschade’, NJB 2015/1902.

263 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 138-140.

264 HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7264 (Erven A./Ouders), NJ 2012/669, m.nt. M.V. Polak, JA 2013/3, m.nt. J.P.M. Simons, TBR 2013/6, m.nt. F.J. van Velsen.

265 Wel geldt de omkeringsregel ook bij de risico-aansprakelijkheid ex art. 6:174 BW, maar dat ligt eraan dat art. 6:174 een niet-voldoen aan veiligheidseisen eist (waar dat bij art. 6:177 BW juist niet de basis voor de risico-aansprakelijkheid is).

266 Vgl. over een en ander H.J. Snijders, ‘Bewijsvermoedens nader beschouwd, mede in het licht van de actuele discussie over vergoeding van mijnbouwschade’, NJB 2015/1902.

267 Vgl. D.J. Beenders in: T&C Rv, commentaar op art. 150 Rv, aant. 6.

268 Zie over e.a. Asser Procesrecht/Asser 3 2017/266.

269 In bevestigende zin Asser Procesrecht/Asser 3 2017/266, R.J.B. Boonekamp, in: W.L. Valk e.a. Stelplicht en bewijslast, 4.3.2, A. Hammerstein, W.D.H. Asser en J.E. van de Bunt, Advies uitgebracht aan de Nationaal Coördinator Groningen e.a., 13 oktober 2017. Zie anders H.J. Snijders, ‘Bewijsvermoedens nader beschouwd’, NJB 2015/1902.

270 Art. 3:27 lid 3 BW (“zolang het tegendeel niet is bewezen”) is een voorbeeld van een bepaling waarbij uit de redactie van de wettekst blijkt dat bewijs van het tegendeel wordt verlangd. Zie ook art. 7:658 lid 2 (“tenzij hij aantoont dat”); in dat laatste geval is de bewijslast omgekeerd.

271 Vgl. F.J.P. Lock, in: W.L. Valk e.a., Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:109 BW en op art. 3:119 BW, o.v.n. Par. Gesch. Boek 3, 1981, p. 444, HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1398 (Gielkens/Gielkens) NJ 1994/671, HR 1 juli 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7044 (Tenthuisje), NJ 1978/212, m.nt. W.H. Heemskerk en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/175.

272 Vgl. W.L. Valk, in: W.L. Valk e.a., Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:18 BW o.v.n. art. 5 lid 3 EG-richtlijn (waarin van bewijs van het tegendeel wordt gesproken), HvJ EU 4 juni 2015, C-497/13, ECLI:EU:C:2015:357 (Faber), NJ 2016/148, JBPR 2016/2, m.nt. M.A. Meijssen. Zie ook R.J.B. Boonekamp, in: W.L. Valk e.a., Stelplicht & Bewijslast, 4.3.2.

273 Vgl. R.J.B. Boonekamp, in: W.L. Valk e.a., Stelplicht & Bewijslast, 4.3.2 en F.J.P. Lock, in W.L. Valk e.a., Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:109 BW en op art. 3:119 BW. Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3 2017/292 en 293.

274 Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2017/300, E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177a BW, aant. 5, A. Hammerstein, W.D.H. Asser en J.E. van de Bunt, Advies uitgebracht aan de Nationaal Coördinator Groningen e.a., 13 oktober 2017. Zie ook F.T. Oldenhuis, ‘Aansprakelijkheid van de mijnbouwexploitant’, NJB 2015/1249, die er voor pleit aan het te leveren tegenbewijs hoge eisen te stellen. Zie anders H.J. Snijders, ‘Bewijsvermoedens nader beschouwd, mede in het licht van de actuele discussie over vergoeding van mijnbouwschade’, NJB 2015/1902 en R.D. Lubach, ‘Aardbevingsschade en het aansprakelijkheidsrecht: over vergoeding van waardevermindering en omkering van de bewijslast’, MvV 2016/02.

275 Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2017/300, E. Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:177a BW, aant. 5, J.E. van de Bunt, ‘Het concept-Wetsvoorstel Instituut mijnbouwschade Groningen nader bekeken’, MvV 2019/2, A. Hammerstein, W.D.H. Asser en J.E. van de Bunt, Advies uitgebracht aan de Nationaal Coördinator Groningen e.a., 13 oktober 2017, F.T. Oldenhuis onder JA 2018/94. Zie ook het RvS Advies van 7 oktober 2015, W15.15.0151/IV/Vo, op p. 14, te raadplegen als bijlage bij Kamerstukken II 2015/2016/34 041, nr. 43.

276 NAM verwijst in dit verband naar H.J. Snijders, ‘Bewijsvermoedens nader beschouwd, mede in het licht van de actuele discussie over vergoeding van mijnbouwschade’, NJB 2015/1902.

277 Kamerstukken II, 2015-2016, 34 390 nr. 3, p. 2-3.

278 Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet), Stb. 2002/542 en Besluit van 6 december 2002, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet), Stb. 2002/603.

279 Zie Kamerstukken II 2001-2002, 26 219, nr. 5.

280 Zie voor een beknopt overzicht van de parlementaire behandeling het RvS Advies, 7 oktober 2015, W15.15.0151/IV/Vo, o.v.n. Kamerstukken 1998-1999, 26 219, nr. 5 en 7, Kamerstukken II 2001-2002, 26 219, nr. 31 en 56 en Handelingen I 2001-2002, 61-4176 (27 maart 2002). Blijkens Kamerstukken I 2001-2002, 26 219, nr. 313b, p. 20 heeft bij de afweging het “Rapport over vermoeden van mijnbouwschade”, augustus 1999, van T. Hartlief en H.J. Snijders een rol gespeeld. Dit in opdracht van Elf Petroland en NAM opgestelde rapport is indertijd aangeboden aan de Voorzitter van de vaste commissie van Economische Zaken van de Tweede Kamer. De schrijvers vreesden dat een wettelijk vermoeden van mijnbouwschade op ernstige en onoverkomelijke bezwaren stuit. Het zou met name onaanvaardbaar zijn omdat het personen die een maatschappelijk aanvaarde en gewaardeerde activiteit ondernemen zonder daarbij enige norm te schenden aansprakelijk zou maken voor schade die zij niet veroorzaakt hebben. Zo’n vermoeden zou een ernstige inbreuk zijn op het wettelijke stelsel van aansprakelijkheid die zijn gelijke in binnen- en buitenland niet kent en tot vergaande rechtsongelijkheid tussen gelaedeerden zou leiden naar gelang de schadecontext. Het rapport was een reactie op J.M. van Dunné en A.J. Goedmakers, Schriftelijk commentaar Mijnbouwwet (Wetsontwerp 26 219), Instituut voor Milieuschade, EUR, Rotterdam, 1998, dat een lans brak voor omkering van de bewijslast. Zie hierover ook E. Bauw e.a., Rechtsvergelijkend onderzoek naar de vergoeding van schade als gevolg van (voormalige) steenkoolwinning in Nederland, België en Duitsland (eindrapport), Utrecht, 29 februari 2016, p. 47 e.v.

281 Zie voor de taken van de Tcbb art. 114 e.v. Mbw.

282 Vgl. J.M. van Dunné, ‘‘Gaswinning in Groningen’, een drama in vele bedrijven. En dan nu: het Besluit mijnbouwschade Groningen van 31 januari 2018’, NJB 2018/821: “In 2014 heb ik eens onderzocht wat er van deze EZ-route met behulp van de Tcbb terecht is gekomen, en dat stemt niet vrolijk. Kort gezegd: in de periode 2004-2010 werden circa vijf aanvragen per jaar ingediend, en na 2010: 0 zaken voorgelegd. Na medio 2005 werden alle schadeclaims afgewezen vanwege het ontbreken van causaal verband met door gaswinning veroorzaakte bevingen (evenmin door bodemdaling). Als men de oorzaken hiervoor zoekt, de leden van de Tcbb waren geen juristen maar ingenieurs en pasten geen juridische causaliteit toe.”

283 “Wijziging van de Mijnbouwwet, de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met implementatie van richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178)”.

284 Zie Kamerstukken II 2014-2015, 34 041, nr. 8 en 12.

285 Kamerstukken I 2014-2015, 34 041, A.

286 Advies van 7 oktober 2015, W15.15.0151/IV/Vo, p. 14, bijlage bij Kamerstukken II 2015/2016/34 041, nr. 43.

287 Advies van 7 oktober 2015, W15.15.0151/IV/Vo, bijlage bij Kamerstukken II 2015/2016/34 041, nr. 43. De pagina’s 6-16 zien op het relevante amendement.

288 Kamerstukken II 2015-2016, 34 041, nr. 43, p. 2.

289 Kamerstukken II 2015-2016, 34 390, nr. 2.

290 Vgl. Handelingen I 2016-2017, nr. 13, item 16 Wijziging Mijnbouwwet.

291 Vgl. Handelingen I 2016-2017, nr. 13, item 16 Wijziging Mijnbouwwet.

292 Zie daarover ook H.J. Snijders, ‘Bewijsvermoedens nader beschouwd, mede in het licht van de actuele discussie over vergoeding van mijnbouwschade’, NJB 2015/1902.

293 Zie voor het voorgaande A. Hammerstein, W.D.H. Asser, J.E. van de Bunt, Advies Uitgebracht aan de Nationaal Coördinator Groningen e.a., 13 oktober 2017, p. 25-29 en Bijlage 1, Antwoorden op de vragen van de NCG (brief 27-9-2017), antwoorden op vraag 6 en 7, p. 38-40.

294 Tot voor kort de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION), Stb 2008, 120, en inmiddels, sinds 31 maart 2018, de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON), Stb 2018, 73, alsmede de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten, tot voor kort het Besluit informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (BION) en inmiddels het BIBON.

295 Meest recent HR 25 mei 2018, rolnr. 17/00069, ECLI:NL:HR:2018:772 (zorgplicht grondroerder), TBR 2018/110, m.nt. J.A.M.A. Sluysmans.

296 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.1.1.

297 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 4.1.

298 Zie Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-II 2017/76 e.v.

299 Zie rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, NTE 2016/6, m.nt. I. Brinkman en C. van der Woude, rov. 4.16. Zie ook rechtbank Noord-Nederland 15 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4350, JA 2018/94, m.nt. F.T. Oldenhuis, rov. 4.6.

300 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 6.1 en 6.2 o.v.n. HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1611 (De Heel/Staat-ABP-Korver), NJ 1997/175, m.nt. C.J.H. Brunner en HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3397 (Jerrycan), NJ 2016/138, m.nt. S.D. Lindenbergh, JAR 2015/315, m.nt. B. Barentsen, JA 2016/14, m.nt. A.I. Schreuder.

301 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 6.2. Zij betogen daarnaast uitgebreid – zonder de schadetoerekeningsrelevantie daarvan toe te lichten – dat de aangesproken partijen zich zeer bureaucratisch hebben opgesteld en daarbij mogelijk bij gedupeerden een neurotische behoefte aan compensatie hebben opgeroepen of aangewakkerd en dat de gevolgen daarvan aan de Staat en (de maten in) de maatschap moeten worden toegerekend. Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 6.3-6.10, o.v.n. HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4960, NJ 1986/136, m.nt. C.J.H. Brunner. Ik denk dat bedoeld is te verwijzen naar NJ 1986/137 (Renteneurose), m.nt. C.J.H. Brunner.

302 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 6.11.

303 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 6.12.

304 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 6.13-6.14 o.v.n. HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3532, NJ 2016/159, m.nt. S.D. Lindenbergh, BR 2015/38, m.nt. E.W.J. de Groot.

305 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 6.15 en 6.16 o.v.n. HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, NJ 2017/146, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2017/65, m.nt. C.W.M. Lieverse, JIN 2017/54, m.nt. A. Rosielle.

306 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 146.

307 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 147 o.v.n. Asser/Sieburgh 6-II 2017/66.

308 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 147 o.v.n. HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4960, NJ 1986/136, m.nt. C.J.H. Brunner en HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961 (Renteneurose), NJ 1987/137, m.nt. C.J.H. Brunner en Asser/Sieburgh 6-II 2017/126, A.L.M. Keirse, Schadebeperkingsplicht (diss.), 2003, p. 134-139 en A.T. Bolt, in: GS Schadevergoeding, art. 6:107 BW, aant. 2.11.1, met verdere verwijzingen.

309 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 147 o.v.n. HR 21 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5560 (Aangereden hartpatiënt), NJ 1975/372, m.nt. G.J. Scholten en T. Hartlief, Verbintenissen uit de Wet en Schadevergoeding, 2018/224.

310 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 148.

311 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 148 o.v.n. S.D. Lindenbergh, Smartengeld, 1998, p. 279 en 287.

312 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 149 o.v.n. HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920 (ABP/Stuyvenberg), NJ 1989/751, m.nt. C.J.H. Brunner. Brunner merkt in zijn noot op dat bedacht moet worden dat aan mensen niet de eis kan worden gesteld dat zij gemiddeld gezond en robuust zijn, een eis die wel aan zaken kan worden gesteld.

313 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 150 en 151 o.v.n. Kamerstukken II 2015-2016, 34 390, nr. 3, waar in verband met het bewijsvermoeden van art. 6:177a BW wordt opgemerkt dat de exploitant ook het verweer kan voeren op grond van de artikelen 98 of 101 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, en de noot van F.T. Oldenhuis onder rechtbank Noord-Nederland 15 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4350, JA 2018/94.

314 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 152 o.v.n. de annotatie van G.J. Scholten onder HR 21 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5560 (Aangereden hartpatiënt), NJ 1975/372.

315 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 153 o.v.n. A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad (diss.), 1965, nr. 50, A.T. Bolt, Voordeelstoerekening bij de begroting van schadevergoeding in geval van onrechtmatige daad en wanprestatie (diss.), 1989, p. 28-31 en 215-217, R.A. Salomons, Schadevergoeding: zaakschade (Mon. NBW, B38), nr. 19 en S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:96 BW, aant. 2.3.16 met verdere verwijzingen.

316 Ook met het oog op de beantwoording van vraag 1 is het van belang de vaste lijn in de rechtspraak ook bij de aansprakelijkheid ex art. 6:177 BW door te trekken.

317 De aard van de geleden schade heeft invloed op de toerekening. Vgl. Asser/Sieburgh 6-II 2017/66.

318 Zie hierover A.L.M. Keirse & R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid (Mon. Privaatrecht nr. 16), 2013/59, A.L.M. Keirse, ‘Wie is bang voor de schadebeperkingsplicht? Over de grenzen die de schadebeperkingsplicht stelt aan (te) ruime toerekening bij personenschade’, TVP 2002/3.

319 A.J.O. van Wassenaer van Catwijck, Eigen schuld en medeschuld volgens BW en NBW, 1985, Zwolle, p. 115 e.v.

320 Vgl. A.L.M. Keirse & R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid (Mon. Privaatrecht nr. 16), 2013/32, die stellen dat de wijze waarop de benadeelde omgaat met zijn persoonlijke predispositie wel onder het beoordelingsbereik van art. 6:101 BW valt.

321 Vgl. R.J.B. Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art 6:98, aant. 5.4.2, art. 6:101 BW, aant. 4.7.

322 Vgl. S.D. Lindenbergh & I. van der Zalm, Schadevergoeding: personenschade (Mon. BW nr. B37), 2015/20 o.v.n. HR 21 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5560 (Aangereden hartpatiënt), NJ 1975/372, m.nt. G.J. Scholten, HR 9 juni 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC0891 (Posttraumatische neurose), NJ 1972/360, m.nt. G.J. Scholten, HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4960, NJ 1986/136, m.nt. C.J.H. Brunner en HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961 (Renteneurose), NJ 1987/137, m.nt. C.J.H. Brunner. Zie ook A.T. Bolt, in: GS Schadevergoeding, art. 6:107 BW, aant. 2.11.1 o.v.n. dezelfde arresten en HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920 (ABP/Stuyvenberg), NJ 1989/751, m.nt. C.J.H. Brunner.

323 Vgl. R.J.B. Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 5.4.2 o.v.n. HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4960, NJ 1986/136, m.nt. C.J.H. Brunner, HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961 (Renteneurose), NJ 1987/137, m.nt. C.J.H. Brunner, en HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920 (ABP/Stuyvenberg), NJ 1989/751, m.nt. C.J.H. Brunner. Zie verder A.L.M. Keirse & R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid (Mon. Privaatrecht nr. 16), 2013/32 en 60, die stellen dat de wijze waarop het slachtoffer omgaat met zijn persoonlijke predispositie wel binnen het beoordelingsbereik van art. 6:101 BW valt.

324 Vgl. T. Hartlief, Verbintenissen uit de Wet en Schadevergoeding, 2018/223 en 224, dezelfde in: ‘Prognoses in het personenschaderecht’, AV&S 2005/27, A.L.M. Keirse, ‘Wie is bang voor de schadebeperkingsplicht? Over de grenzen die de schadebeperkingsplicht stelt aan (te) ruime toerekening bij personenschade’, TVP 2002/3. Zie ook A.J. Akkermans, ‘Causaliteit bij letselschade en medische expertise’, TvP 2003/2.

325 Vgl. A.T. Bolt, in GS Schadevergoeding, art. 6:107 BW, aant. 2.11.2, R.J.B. Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 5.4.3, S.D. Lindenbergh & I. van der Zalm onder 21, steeds met verdere verwijzingen naar onder meer HR 21 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5560 (Aangereden hartpatiënt), NJ 1975/372, m.nt. G.J. Scholten, HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4960, NJ 1986/136, m.nt. C.J.H. Brunner en HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961 (Renteneurose), NJ 1987/137, m.nt. G.J. Scholten. Zie verder Asser/Sieburgh 6-II 2017/151 o.v.n. naar dezelfde jurisprudentie en HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3397 (Jerrycan), NJ 2016/138, m.nt. S.D. Lindenbergh, JAR 2015/315, m.nt. B. Barentsen, JA 2016/14, m.nt. A.I. Schreuder. Zie over beide begrenzingsmechanismen nader T. Hartlief, The tortfeaser takes the victim as he finds him, Wie stelt het personenschaderecht centraal: het concrete slachtoffer of toch een abstract persoon?, in: Grootboek, Opstellen aangeboden aan G.R. de Groot, 2016, p. 185 e.v.

326 Vgl. A.T. Bolt, in: GS Schadevergoeding, art. 6:107 BW, aant. 2.11.2 o.v.n Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/151 – thans Asser/Sieburgh 6-II 2017/151 – en T. Hartlief, ‘Prognoses in het personenschaderecht’, AV&S 2005/27.

327 Vgl. A. Kolder, ‘Letselschade: de hypothetische situatie zonder ongeval’, TVP 2015/2.

328 Vgl. A.T. Bolt, in: GS Schadevergoeding, art. 6:107 BW, aant. 2.11.2 o.v.n. HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3397 (Jerrycan), NJ 2016/138, m.nt. S.D. Lindenbergh, JAR 2015/315, m.nt. B. Barentsen, JA 2016/14, m.nt. A.I. Schreuder. Zie ook J.F. Schultz, ‘HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3397; Predispositie en toekomstige schade’, AV&S 2016/11.

329 Vgl. T. Hartlief, Verbintenissen uit de Wet en Schadevergoeding, 2018/224, dezelfde in: ‘Prognoses in het personenschaderecht’, AV&S 2005/27.

330 Vgl. S.D. Lindenbergh, Smartengeld, 1998, p. 279 en 287. Zie ook A.M. Overheul, ‘Angst als juridisch relevante schade’, AV&S 2017/33.

331 Vgl. A.L.M. Keirse & R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid (Mon. Privaatrecht nr. 16), 2013/61 en 62.

332 Zie ook Kamerstukken II 2015-2016, 34 390, nr. 3: “Ook kan de exploitant verweer voeren op grond van de artikelen 98 (toerekening naar redelijkheid) of 101 (eigen schuld) van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.”

333 Annotatie in NJ 1989/751 (HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920 (ABP/Stuyvenberg)).

334 Rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4402, M en R 2017/21, m.nt. F.C.S. Warendorf, NTE 2016/6, m.nt. I. Brinkman en C. van der Woude, rov. 4.16.

335 Rechtbank Noord-Nederland 15 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4350, JA 2018/94, m.nt. F.T. Oldenhuis, rov. 4.6.

336 Zie https://www.rtvnoord.nl/nieuws/154470/Groninger-Forum-veilig-ook-bij-een-zeer-zware-beving.

337 Vgl. de annotatie van G.J. Scholten onder HR 21 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5560 (Aangereden hartpatiënt), NJ 1975/372.

338 Vgl. A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad (diss.), 1965, nr. 50. Zie ook A.T. Bolt, Voordeelstoerekening bij de begroting van schadevergoeding in geval van onrechtmatige daad en wanprestatie (diss.), 1989, p. 28-31 en 215-217, S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:96 BW, aant. 2.3.16 met verdere verwijzingen, R.A. Salomons, Schadevergoeding: zaakschade (Mon. NBW B38), 1993, nr. 19.

339 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.1.1

340 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 4.1.

341 Vgl. de nadere schriftelijke opmerkingen van NAM onder 32 en 33.

342 Kenmerk DGBI/19085737. Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/04/24/kamerbrief-inzake-advies-waardedaling.

343 Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/04/24/advies-waardedaling-woningen-aardbevingsgebied-groningen.

344 Rechtbank Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185, JA 2016/25, m.nt. J.W. Silvius, JM 2015/148, m.nt. H.J. [...] , JOM 2015/934, NTE 2016/17, m.nt. I. Brinkman en L. Baljon. Zie ook M. Baneke, ‘Abstracte of concrete schadeberekening, onzekere toekomstige ontwikkelingen bij schadebegroting’, NTE 2016/2-3, p. 107-114. In gelijke zin oordeelde de rechtbank in rechtbank Noord-Nederland 8 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4246, JA 2018/72.

345 Hof Arnhem-Leeuwarden, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, JA 2018/60, NTE 2018/1-2, m.nt. J.C.W. Gazendam, waarover ook J.M. van Dunné, ‘Abstracte schadeberekening bij onrechtmatige daad: rechtsregel of hulpmiddel?’, TGMA 2018/3 en R. Rijnhout en C.J. ter Hoek, ‘De vergoeding voor waardevermindering veroorzaakt door gaswinning in Groningen’, TBR 2018/101. Zie ook A.J. Verheij, ‘Geldt het Burgerlijk Wetboek nog in Groningen?’, NJB 2015/1250.

346 Zie Kamerstukken II, 2018-2019, 34 957, nr. 48, die ook vermelden: “Er bestaat geen discussie over de aansprakelijkheid van de exploitant (NAM) voor deze vorm van schade (…)”.

347 Besluit van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 21 september 2018, nr. WJZ/ 18241821 tot instelling van Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen (Instellingsbesluit Adviescommissie waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen), Stcrt. 2018, nr. 54279.

348 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 7.2-7.5 o.v.n. HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0707 (Maassluis/ [...] ), NJ 1994/286, m.nt. C.J.H. Brunner, BR 1993, p. 450, m.nt. B.J. Broekema-Engelen, AA 1993/09, m.nt. Jac. Hijma, HR 13 december 1963, ECLI:NL:HR:1963:61 (Schreuder/Van Driesten) NJ 1964/449, m.nt. G.J. Scholten, HR 23 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6897 ( [...] ), NJ 1980/466 en HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5651 (Gemeente Dordrecht/ [...] ), NJ 2000/690, m.nt. A.R. Bloembergen.

349 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 7.4.

350 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 7.6. Het hof spreekt overigens niet van toekomstige schade. Zie rov. 8.82: “Het hof merkt daarbij nog op dat - zoals prof. Van Dunné in zijn advies benadrukt (blz. 22/23) - het bij het verdisconteren van deze verwachtingen bij de bepaling van de schade vanwege waardevermindering niet gaat om toekomstige schade in de zin van artikel 6:105 BW, maar om het inschatten van toekomstige ontwikkelingen om de al ingetreden schade te kunnen begroten. Een in de toekomst dreigende schade kan “reeds haar weerslag hebben in het heden in de vorm van het op geld waardeerbare risico dat zij zich zal realiseren” (A.J. Akkermans, Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (diss.), 1997, blz. 122).”

351 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 7.7.

352 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 7.13.

353 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 7.7-7.14.

354 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 7.8-7.13 o.v.n. HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0357 (Reaal/Athlon Car Lease), NJ 2013/219, m.nt. M.M. Mendel, AV&S, m.nt. F.J. van Velsen en HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208 (Donata/New India Assurance), NJ 2017/134, m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2017/56, m.nt. M.R. Hebly. Zij wijzen op de ontoereikendheid van het risicomodel van NAM en van de Waarderegeling.

355 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 7.6 o.v.n. HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145 ( [...] /Gemeente Heiloo), NJ 2018/193, m.nt. S.D. Lindenbergh, M en R 2018/41, m.nt. H.J.S.M. Langbroek, E.H.P. Brans, JA 2018/29, m.nt. M.R. Hebly.

356 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 215-217.

357 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 200-213, o.v.n. HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5651 (Gemeente Dordrecht/ [...] ), NJ 2000/690, m.nt. A.R. Bloembergen, A-G Keus vóór HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9339 (Sparrow/Van Beukering), NJ 2004/2010, m.nt. Jac. Hijma, HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9830, NJ 2013/48. NAM meent dat een parallel bestaat met art. 6:105 BW, waarin de mogelijkheid geboden wordt om nog niet ingetreden schade uit te stellen. Zie de schriftelijke opmerkingen onder 206 e.v. o.v.n. Parl. Gesch. Boek 6, p. 366 en HR 2 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7302 ( [...] /EMI), NJ 1979/384, m.nt. F.H.J. Mijnssen en HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145 ( [...] /Gemeente Heiloo), NJ 2018/193, m.nt. S.D. Lindenbergh, M en R 2018/41, m.nt. H.J.S.M. Langbroek, E.H.P. Brans, JA 2018/29, m.nt. M.R. Hebly.

358 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 214 o.v.n. de als productie 1 overgelegde opinie van A.S. Hartkamp van 31 maart 2016, naar aanleiding van rechtbank Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185, JA 2016/25, m.nt. J.W. Silvius, JM 2015/148, m.nt. H.J. [...] , JOM 2015/934, NTE 2016/17, m.nt. I. Brinkman en L. Baljon.

359 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 163 o.v.n. HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0707 (Maasluis/ [...] ), NJ 1994/286, m.nt. C.J.H. Brunner, BR 1993, p. 450, m.nt. B.J. Broekema-Engelen, AA 1993/09, m.nt. Jac. Hijma, HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5651 (Gemeente Dordrecht/ [...] ), NJ 2000/690, m.nt. A.R. Bloembergen, HR 23 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6897 ( [...] ), NJ 1980/466, HR 2 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7302 ( [...] /EMI), NJ 1979/384, m.nt. F.H.J. Mijnssen.

360 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM o.v.n. Parl. Gesch. Boek 6, p. 339 en Asser/Sieburgh, 6-II 2017/38.

361 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 167-169 o.v.n. Asser/Sieburgh, 6-II 2017/35 en 37, A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad (diss.), 1965, nr. 35 en 69 en HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0357 (Reaal Schadeverzekering/Athlon Car Lease), NJ 2013/219, m.nt. M.M. Mendel, AV&S, m.nt. F.J. van Velsen.

362 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 170 o.v.n. Lindenbergh, Abstracties bij vaststelling van schade, Preadviezen VASR, 2013, p. 1-31.

363 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 170 o.v.n. Lindenbergh, Abstracties bij vastelling van schade, Preadviezen VASR, 2013, p. 1-31.

364 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 172 o.v.n A.J. Verheij, ‘Geldt het burgerlijk Wetboek nog in Groningen?’, NJB 2015/1250 en de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen.

365 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 173, o.v.n. de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen.

366 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 174-175 o.v.n. de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen.

367 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 176 o.v.n. de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen.

368 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 177.

369 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 178, o.v.n. A.J. Verheij, ‘Geldt het burgerlijk Wetboek nog in Groningen’, NJB 2015/1250, p. 1737. De ‘Waarderegeling’ waaraan wordt gerefereerd betreft een regeling die medio april 2014 door NAM is opgesteld, na overleg met de Minister van Economische Zaken en andere betrokken partijen, en is bedoeld om woningeigenaren uit bepaalde gemeenten te compenseren bij de verkoop van hun woning.

370 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 188.

371 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 179-184.

372 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 187.

373 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 185-186.

374 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAN onder 189-190 o.v.n. A.J. Verheij, ‘Geldt het burgerlijk Wetboek nog in Groningen’, NJB 2015/1250, p. 1737 en de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen.

375 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 215-217.

376 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 219.

377 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 220-221.

378 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 222. NAM verwijst naar Atlas voor Gemeenten, Vijf jaar na Huizinge (16 oktober 2017). Hoewel dit een kwestie van feitelijke aard is, merk ik op dat volgens recent onderzoek van het CBS de woningmarkt in het aardbevingsgebied aantrekt. Zie uitgebreider CBS, Woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, 1e kwartaal 1995 tot en met 2e kwartaal 2018, 2018, bijlage 867974 bij Kamerstukken II, 2018-2019, 33 529, nr. 549. Zie voor een beeld van de historische ontwikkeling achtereenvolgens Ortec, De waardeontwikkeling op de woningmarkt in aardbevingsgevoelige gebieden rond het Groningenveld, 12 augustus 2013, geactualiseerd op 23 oktober 2013, 15 januari 2014, 24 april 2014, 10 september 2014, 12 november 2014 en 5 maart 2015, M.K. Francke en K. Ming Lee, De ontwikkelingen op de woningmarkt rond het Groningenveld: actualisatie 4 kwartaal 2014, 5 maart 2015, p. 2, bijlage 517184 bij Kamerstukken II, 2014-2015, 33 529, nr. 172, H.R.A. Koster en J. van Ommeren, Natural Gas Extraction, Earthquakes and House Prices, 19 maart 2015, Atlas voor Gemeenten, Schokken de prijzen, 25 mei 2015, CBS, Woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, Methoderapport, 2015 en CBS, Woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, 1e kwartaal 1995 tot en met 2e kwartaal 2015, 2015, bijlage 646527 en bijlage 646528 bij Kamerstukken II 2015-2016, 33 529, nr. 212, CBS, 4e proef, Woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, 1e kwartaal 1995 tot en met 4e kwartaal 2015, 2016, bijlage 718570 bij Kamerstukken II, 2015-2016, 33 529, nr. 245, CBS, Woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, 1e kwartaal 1995 tot en met 2e kwartaal 2016, 2016, bijlage 788173 bij Kamerstukken II, 2016-2017, 33 529, nr. 314, CBS, Woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, 1e kwartaal 1995 tot en met 4e kwartaal 2016, 2016, bijlage 808115 bij Kamerstukken II, 2016-2017, 33 529, nr. 351, CBS, Woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, 1e kwartaal 1995 tot en met 2e kwartaal 2016, bijlage 823084 bij Kamerstukken II, 2017-2018, 33 529, nr. 389, CBS, Woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, 1e kwartaal 1995 tot en met 4e kwartaal 2017, 2018, bijlage 841559 bij Kamerstukken II, 2017-2018, 33 529, nr. 464.

379 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 222.

380 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 223.

381 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 224.

382 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 225.

383 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 226.

384 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 228 en 229. NAM verwijst naar het arrest van het hof Arnhem/Leeuwarden van 23 januari 2013, waarin in rov. 8.84 is overwogen dat de eigenaar niet opnieuw schadevergoeding kan vorderen indien na verloop van tijd blijkt dat de inschatting te positief is geweest, omdat de daadwerkelijke situatie zich negatiever ontwikkelt dan ten tijde van de inschatting werd verwacht.

385 HR 2 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7302 ( [...] /EMI), NJ 1979/384, m.nt. F.H.J. Mijnssen.

386 Vgl. de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen, p. 4 en voetnoot 19, o.v.n. HR 6 december 1963, ECLI:NL:HR:1963:AB3873, NJ 1965/56, m.nt. J.H. Beekhuis en HR 2 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7302 ( [...] /EMI), NJ 1979/384, m.nt. F.H.J. Mijnssen. Mijnssen meent dat de overwegingen omtrent uitstel van de begroting van schade geen betrekking heeft op schade die al is ingetreden. Dat lees ik in de genoemde arresten niet. Zie ook M. Baneke, ‘Abstracte of concrete schadeberekening, onzekere toekomstige ontwikkelingen bij schadebegroting’, NTE 2016/2-3, p. 107-114. Het standpunt van Mijnssen wordt gedeeld door J.M. van Dunné, ‘Abstracte schadeberekening bij onrechtmatige daad: rechtsregel of hulpmiddel?’, TGMA 2018/3 en mogelijk ook R. Rijnhout, ‘Aardgas en aansprakelijkheid’, NTBR 2016/33.

387 HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5651 (Gemeente Dordrecht/ [...] ), NJ 2000/690, m.nt. A.R. Bloembergen.

388 Uitdrukkelijk anders J.M. van Dunné, ‘Abstracte schadeberekening bij onrechtmatige daad: rechtsregel of hulpmiddel?’, TGMA 2018/3, R. Rijnhout en C.J. ter Hoek, ‘De vergoeding voor waardevermindering veroorzaakt door gaswinning in Groningen’, TBR 2018/101 en R. Rijnhout, ‘Aardgas en aansprakelijkheid’, NTBR 2016/33.

389 Het bewijsvermoeden van art. 6:177a BW speelt dan ook geen rol.

390 Vgl. HR 13 december 1963, ECLI:NL:HR:1963:61 (Schreuder/Van Driesten), NJ 1964/449, m.nt. G.J. Scholten. Zie ook M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 316 e.v.

391 Zie ook hof Arnhem-Leeuwarden, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, JA 2018/60, NTE 2018/1-2, m.nt. J.C.W. Gazendam, rov. 8.100 en 8.104.

392 Vgl. de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen van NAM. Overigens zou ik menen dat er onder omstandigheden ook aanleiding kan bestaan om genoten voordeel te verrekenen. Waardevermindering zal mogelijk een lagere onroerende zaakbelasting en lager eigen woningforfait tot gevolg hebben. Zie in dit verband ook HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:457, V-N 2018/18.25, Belastingblad 2018/199, m.nt. C.M. Bergman, FED 2018/91, m.nt. G. Groenewegen, BNB 2018/153, m.nt. S. Bosma.

393 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 313.

394 Vgl. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998 (Rijnstate/Reuver), NJ 2009/387, m.nt. J.B.M. Vranken, VR 2009/27, m.nt. G.M. van Wassenaer, JA 2009/13, m.nt. W.H. Bouman en meer recent HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208 (E.G. Donata/New India Assurance), NJ 2017/134, m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2017/56, m.nt. M.R. Hebly. Zie ook C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding, algemeen, deel 2 (Mon BW B35), 2017/9 en 10, S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:97 BW, aant. 4.3 en Asser/Sieburgh 6-II 2017/31 e.v.

395 Vgl. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998 (Rijnstate/Reuver), NJ 2009/387, m.nt. J.B.M. Vranken, VR 2009/27, m.nt. G.M. van Wassenaer, JA 2009/13, m.nt. W.H. Bouman en meer recent HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208 (E.G. Donata/New India Assurance), NJ 2017/134, m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2017/56, m.nt. M.R. Hebly.

396 Vgl. C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding, algemeen, deel 2 (Mon BW B35), 2017/10, Asser/Sieburgh 6-II 2017/35 en M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 313.

397 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 313 en S.D. Lindenberg, in: GS Schadevergoeding, art. 6:97 BW, aant. 4.3. Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 6 p. 339: “Zoals reeds is aangestipt, geeft de regel aan de rechter mede de vrijheid om tot een abstracte wijze van schadeberekening te komen. Op de vraag in welke gevallen deze op haar plaats is, is moeilijk een algemeen antwoord te geven. Dit antwoord is dan ook in beginsel aan de rechter overgelaten.”

398 Vgl. A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad (diss.), 1965/45, J.M. Barendrecht, E.J. Kars en E.J. Morée, Schade en schadeberekening in het algemeen, in: J.M. Barendrecht e.a., Berekening van schadevergoeding, 1995, p. 96, M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 314-315 en S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:96 BW, aant. 2.3.7.

399 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 315.

400 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 318.

401 Als tussen het moment van beschadiging en het moment van herstel de herstelkosten stijgen of dalen, zal de benadeelde bij prijsstijging kiezen voor concrete en bij prijsdaling voor abstracte schadebegroting Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 315 o.v.n. T.E. Deurvorst, ‘Abstracte schadeberekening en de expansie van de aanspraak op schadevergoeding’, NTBR 1996-2, p. 39-40. Anders: A-G Hartlief, conclusie voor HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208 (Donata/New India Assurance), NJ 2017/134, m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2017/56, m.nt. M.R. Hebly.

402 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 311.

403 Vgl. J.M. Barendrecht, E.J. Kars en E.J. Morée, Schade en schadeberekening in het algemeen, in: J.M. Barendrecht e.a., Berekening van schadevergoeding, 1995, p. 28 e.v.

404 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 318 o.v.n. HR 12 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4995, NJ 1985/625, m.nt. W.C.L van der Grinten, HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1034, NJ 1995/43, m.nt. C.J.H. Brunner.

405 HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0707 (Maassluis/ [...] ), NJ 1994/286, m.nt. C.J.H. Brunner, BR 1993, p. 450, m.nt. B.J. Broekema-Engelen, AA 1993/09, m.nt. Jac. Hijma.

406 HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5651 (Gemeente Dordrecht/ [...] ), NJ 2000/690, m.nt. A.R. Bloembergen.

407 HR 23 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6897 ( [...] ), NJ 1980/466.

408 HR 2 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7302 ( [...] /EMI), NJ 1979/384, m.nt. F.H.J. Mijnssen.

409 Vgl. hof Arnhem/Leeuwarden, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, JA 2018/60, NTE 2018/1-2, m.nt. J.C.W. Gazendam, M. Baneke, ‘Abstracte of concrete schadeberekening, onzekere toekomstige ontwikkelingen bij schadebegroting’, NTE 2016/2-3, p. 107-114, E. Gijselaar, R. Rijnhout & J. Emaus, ‘Gasboringen in Groningen en de aansprakelijkheid van de NAM’, AA 2014, p. 811, R. Rijnhout, ‘Aardgas en aansprakelijkheid’, NTBR 2016/33 en J.W. Silvius onder JA 2016/25.

410 Vgl. de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen van NAM. Zie ook A.J. Verheij, ‘Geldt het Burgerlijk Wetboek nog in Groningen?’, NJB 2015/1250.

411 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 191-199.

412 Vgl. A.J. Akkermans, Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (diss.), 1997, p. 122, M. Baneke, ‘Abstracte of concrete schadeberekening, onzekere toekomstige ontwikkelingen bij schadebegroting’, NTE 2016/2-3, p. 107-114 en M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 318. Zie ook de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen. Anders F.H.J. Mijnssen onder NJ 1979/384, J.M. van Dunné, ‘Abstracte schadeberekening bij onrechtmatige daad: rechtsregel of hulpmiddel?’, TGMA 2018/3 en mogelijk ook R. Rijnhout, ‘Aardgas en aansprakelijkheid’, NTBR 2016/33.

413 Vgl. A.J. Akkermans, Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (diss.), 1997, p. 123.

414 Vgl. A.J. Verheij, ‘Geldt het Burgerlijk Wetboek nog in Groningen?’, NJB 2015/1250. Zie ook S.D. Lindenbergh, Abstracties bij vaststelling van schade, in: S.D. Lindenbergh en A.Ch.H. Franken, Abstracte schadeberekening, preadvies VASR, 2013, p. 25.

415 Vgl. de opinie van A.S. Hartkamp, d.d. 31 maart 2016, overgelegd als productie 1 bij de schriftelijke opmerkingen van NAM en A.J. Verheij, ‘Geldt het Burgerlijk Wetboek nog in Groningen?’, NJB 2015/1250.

416 Daarmee is strategisch gedrag niet uitgesloten. Het is mogelijk dat gaandeweg of achteraf gezien de aanvankelijke schade is uitgedoofd of juist in omvang is toegenomen, waardoor het moment waarop de schade wordt vastgesteld cruciaal is voor de partijen. Dat kan een prikkel tot versnellen of vertragen van het schadeafwikkelingsproces met zich meebrengen. Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 312.

417 Zie voor het onderscheid M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 307-313. Algemeen wordt aangenomen dat het tijdstip waarop de rechter uitspraak doet het voor de schadevaststelling beslissende tijdstip is. De rechter moet in beginsel ook rekening houden met feiten en omstandigheden die zich na de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis hebben voorgedaan. Zie ook HR 3 februari 1956 (Liezen/Nijmeijer), NJ 1956/149, m.nt. L.E.H. Rutten en A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad (diss.), 1965/97.

418 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 322 en A.J. Verheij, ‘Geldt het Burgerlijk Wetboek nog in Groningen’, NJB 2015/1250, p. 1737. Zie in dit verband ook J.C.W. Gazendam onder NTE 2018/1-2.

419 Vgl. hof Arnhem/Leeuwarden, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, JA 2018/60, NTE 2018/1-2, m.nt. J.C.W. Gazendam, rov. 8.98. Ik merk nogmaals op dat een vergoeding voor gederfd woongenot of immateriële schade mij in dit verband meer recht lijkt te doen aan de situatie.

420 Een vergelijking kan hier worden gemaakt met het uitgangspunt dat gemist voordeel niet voor vergoeding in aanmerking komt, wanneer het gemiste voordeel zeer gering is of het voordeel maar voor een korte periode is gemist. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042 ( [...] / [...] ), NJ 2010/579, m.nt. Jac. Hijma.

421 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 314, C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding algemeen, deel 2 (Mon. BW B35), 2017/11 en Asser/Sieburgh 6-II 2017/37. Anders: de A-G Hartlief, conclusie voor HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208 (Donata/New India Assurance), NJ 2017/134, m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2017/56, m.nt. M.R. Hebly.

422 Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting en tijdsverloop, Preadvies Vereniging voor de Vergelijkende Bestudering van het Recht van België en Nederland, 2016, p. 322 en A.J. Verheij, ‘Geldt het Burgerlijk Wetboek nog in Groningen?’, NJB 2015/1250. Zie ook R. Rijnhout, ‘Aardgas en aansprakelijkheid’, NTBR 2016/33 (“Als er nu reeds een vergoeding wordt toegekend voor de actuele kansschade wegens de belasting met een duurzaam risico, dan vervalt daarmee uiteraard de mogelijkheid tot het vorderen van een vergoeding voor de daadwerkelijke waardevermindering op een later moment (maar dan als toekomstige schade)”) en hof Arnhem/Leeuwarden, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, JA 2018/60, NTE 2018/1-2, m.nt. J.C.W. Gazendam, rov. 8.84.

423 Vgl. hof Arnhem/Leeuwarden, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, JA 2018/60, NTE 2018/1-2, m.nt. J.C.W. Gazendam, rov. 8.87 en R. Rijnhout en C.J. ter Hoek, ‘De vergoeding voor waardevermindering veroorzaakt door gaswinning in Groningen’, TBR 2018/101.

424 Vgl. hof Arnhem/Leeuwarden, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, JA 2018/60, NTE 2018/1-2, m.nt. J.C.W. Gazendam, rov. 8.87.

425 Vgl. R. Rijnhout en C.J. ter Hoek, ‘De vergoeding voor waardevermindering veroorzaakt door gaswinning in Groningen’, TBR 2018/101.

426 Vgl. R. Rijnhout en C.J. ter Hoek, ‘De vergoeding voor waardevermindering veroorzaakt door gaswinning in Groningen’, TBR 2018/101.

427 HR 23 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6897 ( [...] ), NJ 1980/466: “Dit oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, ook niet indien de mogelijkheid in aanmerking wordt genomen dat een nieuwe eigenaar in de toekomst vergoeding van eventuele nieuwe mijnschade van [...] zou kunnen vorderen.”

428 Vgl. R. Rijnhout en C.J. ter Hoek, ‘De vergoeding voor waardevermindering veroorzaakt door gaswinning in Groningen’, TBR 2018/101.

429 Vgl. R. Rijnhout en C.J. ter Hoek, ‘De vergoeding voor waardevermindering veroorzaakt door gaswinning in Groningen’, TBR 2018/101.

430 Vgl. F.H.J. Mijnssen onder NJ 1979/384 (“Een rechtsopvolger onder bijzondere titel heeft vanzelfsprekend geen eigen recht op vergoeding van schade door waardevermindering. Die vergoeding heeft hij al genoten in een lagere koopprijs”), waarover ook J.W. Silvius onder JA 2016/25.

431 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.1.1.

432 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 4.1.

433 [eisers] zijn de eisers onder 15 en 16 in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/19/109680. Zie de lijst bij het als productie 27 bij Akte uitlating prejudiciële vragen door de Staat overgelegde vonnis.

434 Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, PS-Updates.nl 2017-0200, m.nt. P.W. Blok, NTE 2017/25, m.nt. I. Brinkman, L. Baljon en C. van der Woude, JA 2017/88, m.nt. F.I. van Dorsser. Zie over deze uitspraak ook M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27, J.M. Emaus en E.C. Gijselaar, ‘Aansprakelijkheid voor schade door gasboringen’, TVP 2017/2, p. 51-56, M.J. Journée, ‘Opnieuw beweging in de rechtspraak voor de benadeelden van de Groningse gaswinning’, MvV 2017/5, p. 158-163, A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21 en J.E. van der Werff, ‘Aansprakelijkheid NAM voor schade door gaswinning’, NTHR 2017/5.

435 https://www.nam.nl/nieuws/2017/nam-in-hoger-beroep- dijk -zaak.html.

436 De laatste mij bekende beslissing van het hof is van 4 september 2018 (gegrondverklaring bezwaren eisvermeerdering en rol verwijzing voor memorie van antwoord): zie https://portal.rechtsorde.nl/Document.aspx?hitnr=2&t=636918691024950845&url=rn%3arots%5e%5efile%3a%2f%2fF%7c%2f010%2fCiviel+recht%2f2018%2f09september%2f03+september+tot+09+september%2f2854847.xml&ref=hitlist_hl&bd=results.

437 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 231 o.v.n. Stcrt. 2018/6398.

438 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 8.1 o.v.n. HR 28 januari 2005, ECLI:HR:NL:2005:AR6460 (Rally Dakar), NJ 2008/55, m.nt. Jac. Hijma, Bb 2005/23, m.nt. W. Wisman en JA 2005/25, m.nt. A.L.M. Keirse.

439 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 8.2 o.v.n. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042 ( [...] / [...] ), NJ 2010/579, m.nt. Jac. Hijma, JA 2009/37, m.nt. G.N. van Kooten.

440 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 8.3.

441 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 261.

442 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 262.

443 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 236 o.v.n. de conclusie van A-G Hartlief voor HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145 ( [...] /Gemeente Heiloo), NJ 2018/193, m.nt. S.D. Lindenbergh, M en R 2018/41, m.nt. H.J.S.M. Langbroek, E.H.P. Brans, JA 2018/29, m.nt. M.R. Hebly.

444 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 237 o.v.n. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 333.

445 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 238-240.

446 HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042 ( [...] / [...] ), NJ 2010/579, m.nt. Jac. Hijma, JA 2009/37, m.nt. G.N. van Kooten.

447 HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145 ( [...] /Gemeente Heiloo), NJ 2018/193, m.nt. S.D. Lindenbergh, M en R 2018/41, m.nt. H.J.S.M. Langbroek, E.H.P. Brans, JA 2018/29, m.nt. M.R. Hebly.

448 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 242-251.

449 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 252.

450 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 253-260.

451 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 253-257 o.v.n. J.M. Barendrecht, P.A.J.N. Damen, F.J.M. Hendrikx en J. Stekelenburg, Zaakschade, in: J.M. Barendrecht e.a., Berekening van schadevergoeding, 1995, p. 118 en rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, PS-Updates.nl 2017-0200, m.nt. P.W. Blok, NTE 2017/25, m.nt. I. Brinkman, L. Baljon en C. van der Woude, JA 2017/88, m.nt. F.I. van Dorsser.

452 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 258-260 o.v.n. HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042 ( [...] / [...] ), NJ 2010/579, m.nt. Jac. Hijma, JA 2009/37, m.nt. G.N. van Kooten en A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21.

453 Vgl. T. Hartlief, in: T. Hartlief e.a., Verbintenissen uit de Wet en schadevergoeding, 2018/201, S.D. Lindenbergh, GS Schadevergoeding, art. 6:95 BW, aant. 4.3.2, Schadevergoeding algemeen, deel 1, 2014/43, en ‘Smartengeld’ (diss.), 1998, p. 84 e.v., Asser/Sieburgh 6-II, 2017/30e. Over de kwalificatie als vermogensschade of als immateriële schade, zie: M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27 en A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21, beiden naar aanleiding van rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715 en met verdere verwijzingen. Meijers en Wolfsbergen meenden dat het om immateriële schade gaat. Bloembergen daarentegen zag vermogensschade. Zie HR 29 juni 1937 (Voortse Stroom), NJ 1937/570, m.nt. E.M. Meijers, HR 31 december 1937 (Luidruchtige studentensociëteit), NJ 1938/517, m.nt. E.M. Meijers, A. Wolfsbergen, Onrechtmatige daad (diss.), 1946, p. 192, A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, 1965/56. Bloembergen’s opvatting lijkt mij heersend. De parlementaire geschiedenis van het huidige BW kwalificeert gemist onstoffelijk voordeel als vermogensschade (Parl. Gesch. Boek 6, p. 333).

454 In die zin ook rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, rov. 4.5.7. Zie over de verwantschap van de verschillende vergoedingen ook M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27.

455 Vgl. P.W. Blok onder PS-Updates.nl 2017-0200 en F.I. Dorsser onder JA 2017/88. Zie A.J. Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon (diss.), 2002, p. 487, dezelfde in: ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21.

456 HR 28 januari 2005, ECLI:HR:NL:2005:AR6460 (Rally Dakar), NJ 2008/55, m.nt. Jac. Hijma, Bb 2005/23, m.nt. W. Wisman en JA 2005/25, m.nt. A.L.M. Keirse.

457 Vgl. onder meer R.J.B. Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 4.3, T. Hartief, in: T. Hartief e.a., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 2018/217 e.v., C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2 (Mon. BW B35), 2017/33 en Asser/Sieburgh 6-II 2017/57 e.v.

458 HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042 ( [...] / [...] ), NJ 2010/579, m.nt. Jac. Hijma, JA 2009/37, m.nt. G.M. van Kooten. Zie ook M. van Kogelenberg, ‘In de boot genomen: genotsderving komt niet vanzelfsprekend in aanmerking voor vergoeding als vermogensschade’, MvV 2009/2, p. 40-45.

459 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd genot’, NTBR 2017/27 en M.R. Hebly onder JA 2018/29. Zie ook de conclusie van AG Hartlief voor HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145 ( [...] /Heiloo) onder 3.17 en 3.18.

460 Zie ook de conclusie van AG Hartlief voor HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145 ( [...] /Heiloo) onder 3.19.

461 HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145 ( [...] /Heiloo), NJ 2018/193, m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2018/29, m.nt. M.R. Hebly, M en R 2018/41, m.nt. E.H.P. Brans en H.J.S.M. Langbroek.

462 ECLI:NL:PHR:2017:940 onder 3.20.

463 De vordering in de procedure die heeft geleid tot het meermalen genoemde vonnis van 1 maart 2017 van de rechtbank Noord-Nederland was ook aldus ingestoken. Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schadebegroting, 2017, p. 61 o.v.n. HR 28 januari 2005, ECLI:HR:NL:2005:AR6460 (Rally Dakar), NJ 2008/55, m.nt. Jac. Hijma, Bb 2005/23, m.nt. W. Wisman en JA 2005/25, m.nt. A.L.M. Keirse. Zie ook A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21, die stelt dat het idee om hypotheekrente terug te vorderen ter compensatie van gederfd woongenot bij zijn weten nog nooit ter toetsing aan de rechter is voorgelegd.

464 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27 en F.I. van Dorsser onder JA 2017/88.

465 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27, o.v.n. rechtbank Arnhem 14 maart 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BA1802, NJF 2007/279. Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schadebegroting, 2017, p. 59-61.

466 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27.

467 Vgl. E. van der Schans, ‘Nadeelcompensatie en schadebegroting: de rekening en het recht’, O&A 2007/107 en ABRvS 20 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY8507, BR 2006/229, rov. 2.10.

468 Vgl. E. van der Schans, ‘Nadeelcompensatie en schadebegroting: de rekening en het recht’, O&A 2007/107. Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, Schadebegroting, 2017, p. 61.

469 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27, en dezelfde: ‘Schadevergoeding voor genotsderving en teleurstelling’, NTBR 2016/25, A.L.M. Keirse, ‘De boot gemist. Aanspraak op vergeefs gemaakte kosten’, Contracteren 2009/2, S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:95 BW, aant. 4.3.1 en 4.3.2, dezelfde in: Schadevergoeding algemeen, deel 1 (Mon. BW B34), 2014/43 en Smartengeld (diss.), 1998, p. 87 en A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21.

470 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27.

471 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27, met verdere verwijzingen.

472 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van de Staat onder 3.1.1.

473 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van EBN onder 4.1.

474 Zie de bijlage bij de nadere opmerkingen betreffende NAM onder 139-152.

475 [eisers] zijn de eisers onder 15 en 16 in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/19/109680. Zie de lijst bij het als productie 27 bij Akte uitlating prejudiciële vragen door de Staat overgelegde vonnis.

476 Rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, PS-Updates.nl 2017-0200, m.nt. P.W. Blok, NTE 2017/25, m.nt. I. Brinkman, L. Baljon en C. van der Woude, JA 2017/88, m.nt. F.I. van Dorsser. Zie over deze uitspraak ook M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27, J.M. Emaus en E.C. Gijselaar, ‘Aansprakelijkheid voor schade door gasboringen’, TVP 2017/2, p. 51-56, M.J. Journée, ‘Opnieuw beweging in de rechtspraak voor de benadeelden van de Groningse gaswinning’, MvV 2017/5, p. 158-163, A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21 en J.E. van der Werff, ‘Aansprakelijkheid NAM voor schade door gaswinning’, NTHR 2017/5.

477 https://www.nam.nl/nieuws/2017/nam-in-hoger-beroep- dijk -zaak.html.

478 Zie ook de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 266.

479 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 9.1 o.v.n. HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606 (Beliën/Provincie Noord-Brabant), NJ 2005/168, m.nt. W.D.H. Asser, JBPR 2003/56, m.nt. J.C.M. Leijten en HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7053 (S.J./Staat), NJ 2004/348.

480 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 9.2 o.v.n. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519 (Blauw oog), NJ 2012/410, JA 2012/147, m.nt. S.D. Lindenbergh en HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, NJ 2005/391, m.nt. J.B.M. Vranken, AB 2005/23 , m.nt. G.A. van der Veen, Gst. 2004/210, m.nt. J.A.E. van der Does, JA 2004/3, m.nt. J.A.F. Peters.

481 Vermoedelijk hebben [eisers] hier het oog op het onder 9.4 van de schriftelijke opmerkingen genoemde rapport Gronings Perspectief, De sociale impact van gaswinning in Groningen: Stand van zaken, meting juni 2018, dat vermeldt: “Respondenten met meervoudige schade voelen zich veel minder veilig dan respondenten zonder schade en dan respondenten met enkelvoudige schade” en “Mensen met meervoudige schade rapporteren minder hoop, meer boosheid, meer machteloosheid en minder gevoel van controle dan respondenten met enkelvoudige schade of zonder schade” en “Mensen met meervoudige schade hebben gemiddeld een beduidend minder goede geestelijke gezondheid dan mensen met enkelvoudige schade en mensen zonder schade. Ook rapporteren ze meer stressgerelateerde gezondheidsklachten”. Daarnaast wordt verwezen naar de Jaarraportage 2017 van de Onafhankelijke Raadsman, waaruit citaten van burgers worden geciteerd in de schriftelijke opmerkingen onder 6.7: “Levensmoe wordt een mens van dit soort gekrakeel, je recht halen, terwijl je er niet om vraagt dat men je bezit kapot maakt. Ziek ben ik ervan geworden” en “Het schadedossier beheerst 24/7 ons leven”.

482 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 9.3.

483 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van [eisers] onder 9.4 o.v.n. Gronings Perspectief, De sociale impact van gaswinning in Groningen: Stand van zaken, meting juni 2018.

484 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 291.

485 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 264 en 267 e.v. o.v.n. Parl. Gesch. Boek 6, p. 389, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013, nr. 144, HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583 (Kleijnen/Reaal), NJ 2010/387, m.nt. J.B.M. Vranken en HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606 (Beliën/Provincie Noord-Brabant), NJ 2005/168, m.nt. W.D.H. Asser, JBPR 2003/56, m.nt. J.C.M. Leijten.

486 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 271-272 o.v.n. HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608 (Ontvanger/ [...] ), NJ 1997/366, m.nt. C.J.H. Brunner, HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286 (Wrongful Birth), NJ 1999/145, m.nt. C.J.H. Brunner, AA 1997/06, m.nt. Jac. Hijma, rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4439 en Rb. Maastricht 3 juli 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BY2688.

487 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 268, 273-274 o.v.n. Parl. Gesch. Boek 6, p. 389, S.D. Lindenbergh 2016, in: GS Schadevergoeding, 2.8.2.3 en AG Spier voor HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1252, RvdW 2001/74, F.F. Langemeijer, Angst en onzekerheid als schadefactor, in: M. Faure & T. Hartlief (red.), ‘De Spier-bundel; de agenda van het aansprakelijkheidsrecht’, 2016, p. 109.

488 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 275 o.v.n. rechtbank Middelburg 30 mei 2001, ECLI:NLRMID:2001:AB2209, JAR 2001/232, m.nt. M.S.A. Vegter.

489 HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, NJ 2005/391, m.nt. J.B.M. Vranken, AB 2005/23 , m.nt. G.A. van der Veen, Gst. 2004/210, m.nt. J.A.E. van der Does, JA 2004/3, m.nt. J.A.F. Peters.

490 HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213, NJ 2006/606, m.nt. J.B.M. Vranken, JA 2005/34, m.nt. F.M. Ruitenbeek-Bart.

491 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 277-285 en HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519 (Blauw oog), NJ 2012/410, JA 2012/147, m.nt. S.D. Lindenbergh, in welk arrest u overwoog: “Voor de toewijsbaarheid (…) is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar is niet in alle gevallen uitgesloten dat een uitzondering op dit uitgangspunt wordt aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, maar in het onderhavige geval heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat daartoe onvoldoende is gesteld.”

492 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 270 o.v.n. S.D. Lindenbergh, Smartengeld 10 jaar later, 2008, p. 36, MvA II, PG Boek 6, p. 372, M.S.A. Vegter, Vergoeding van psychisch letsel door de werkgever, 2005, p. 38.

493 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 269 o.v.n. Parl. Gesch. Boek 6, p. 389, Kamerstukken II, 1988-1989, 21 202, nr. 3, p. 17 en Ti Hanh Nguyen, ‘Voorwaarden voor smartengeld bij schendingen fundamentele rechten zonder letsel’, NJB 2009, 1408, p. 1816 en S.D. Lindenbergh, GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 2.8.12.

494 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 270 o.v.n. S.D. Lindenbergh, Smartengeld (diss.), 1998, p. 165.

495 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 280-281 o.v.n. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, NJ 2005/391, m.nt. J.B.M. Vranken, AB 2005/23 , m.nt. G.A. van der Veen, Gst. 2004/210, m.nt. J.A.E. van der Does, JA 2004/3, m.nt. J.A.F. Peters.

496 Zie ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578, AB 2016/82, m.nt. H.E. Bröring en J.G. Brouwer, M en R 2016/63, m.nt. J. Kevelam en M.A.A. Soppe, M en R 2017/4, m.nt. M. Peeters, JB 2015/218, m.nt. R.J.N. Schlössels en D.G.J. Sanderink, JM 206/12, m.nt. A. Wagenmakers.

497 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 265 en 286-290.

498 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 294-297 o.v.n. HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606 (Beliën/Provincie Noord-Brabant), NJ 2005/168, m.nt. W.D.H. Asser, JBPR 2003/56, m.nt. J.C.M. Leijten, S.D. Lindenbergh, Smartengeld 10 jaar later, 2008, p. 33 en G.J.M. Verburg, Vaststelling van smartengeld (diss.), 2009, p. 105-106.

499 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 294 en 298-300, o.v.n. S.D. Lindenbergh, Smartengeld, 1998, p. 250-251.

500 Vgl. de schriftelijke opmerkingen van NAM onder 301-303.

501 P.W. Blok, onder PS-Updates 2017-0200 en F.I. van Dorsser, onder JA 2017/88 plaatsen de aard en ernst van de gevolgen op het tweede plan.

502 https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/jaaroverzicht-aardbevingen-2018.

503 Vgl. A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21. Zie ook rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, de hierna onder 5.215 geciteerde overwegingen.

504 Vgl. A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21.

505 Vgl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 4.3, o.v.n. S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding algemeen, deel 1 (Mon. BW nr. B34), 2014/5 en A.J. Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon (diss.), 2002, p. 445 e.v.

506 Vgl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 4.3, o.v.n. S.D. Lindenbergh, Smartengeld. Tien jaar later, 2008, p. 6 e.v., dezelfde in: Vermogensrechtelijke remedies bij schending van fundamentele rechten, in: G.E. van Maanen en S.D. Lindenbergh, EVRM en privaatrecht: is alles van waarde weerloos?, Preadvies NVBR, 2011, p. 89 e.v., T. Hartlief, ‘Handhaving in het aansprakelijkheidsrecht. Op weg naar een betere samenleving?’, WPNR 2008/6772 (2008), p. 769 e.v. en dezelfde in:, ‘Handhaving met smartengeld’, AV&S 2008/34. Zie ook R.J.S. Schwitters, ‘Smartengeld, afkoopsom of genoegdoening?’, AV&S 2014/3 en A.J. Verheij, ‘Nieuwe inzichten over vergoeding van immateriële schade’, VR 2015/24.

507 Dat het hier om twee gelijkwaardige categorieën gaat volgt m.i. ook uit het recente arrest HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162, m.nt. S.D. Lindenbergh. Zie ook S.D. Lindenbergh, Smartengeld (diss.), 1998, p. 138. Anders M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27 en E.C. Gijselaar, R. Rijnhout en J.M. Emaus, ‘Gasboringen in Groningen en de aansprakelijkheid van de NAM’, AA 2014, p. 806-810.

508 HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608 (Ontvanger/ [...] ), NJ 1997/366, m.nt. C.J.H. Brunner.

509 HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286 (Wrongful Birth I), NJ 1999/145, m.nt. C.J.H. Brunner, AA 1997/06, m.nt. J. Hijma.

510 Vgl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 4.14. Zie ook A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21. Zie ook S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 2.8.2.1.2.

511 HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356 (Taxibus), NJ 2002/240, m.nt. J.B.M. Vranken. Zie ook S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 2.8.2.1.3.

512 In het arrest HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162, m.nt. S.D. Lindenbergh, komt het vereiste van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld niet terug, maar dat zegt mijns inziens niet dat de drempel is verlaagd. Zie A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21 en dezelfde in: Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon (diss.), 2002, p. 181-182 waar overtuigend wordt toegelicht waarom aan het vereiste van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld niet al te dogmatisch moet worden vastgehouden. Zie verder P.W. Blok onder PS-Updates 2017-0200. Zie ook S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, art. 2.8.2.1.3, met verdere verwijzingen.

513 Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, versie 5 (mei 2013), een classificatiesysteem voor psychische aandoeningen, opgesteld door de American Psychiatric Association, dat wereldwijd wordt gebruikt om onderlinge vergelijking van (groepen) patiënten mogelijk te maken door ondubbelzinnige definities van aandoeningen.

514 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27.

515 Vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (Groninger oudejaarsrellen), NJ 2005/391, m.nt. J.B.M. Vranken, JA 2004/3, m.nt. J.A.F. Peters en J.M. Menge, Gst. 2004/210, m.nt. J.A.E. van der Does en AB 2005/23, m.nt. G.A. van der Veen en HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Baby Kelly (Wrongful life)), NJ 2006/606, m.nt. J.B.M. Vranken, JA 2005/34, m.nt. F.M. Ruitenbeek-Bart. Zie ook A-G Hartlief, conclusie ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 4.4.

516 Vgl. A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21, die er op wijst dat mensenrechten en persoonlijkheidsrechten een eigen ontwikkeling hebben gevolgd, o.v.n. S.D. Lindenbergh, ‘De positie en de handhaving van persoonlijkheidsrechten in het Nederlandse privaatrecht’, TvP 1999/33, p. 1669-1671 en A.J. Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon (diss.), 2002, p. 38-39. Zie ook S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 2.8.5.

517 Vgl. A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21, o.v.n. HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337 (Valkenhorst), NJ 1994/608, m.nt. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd.

518 Vgl. A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21.

519 Vgl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 4.16 e.v. voor uitvoeriger beschouwingen over beide arresten.

520 HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519 (Blauw oog), NJ 2012/410 en JA 2012/147, m.nt. S.D. Lindenbergh. Zie uitvoeriger over dit arrest A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 4.44 e.v.

521 In die zin A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 4.44. Uit HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 maak ik op dat het om twee gelijkwaardige categorieën gaat.

522 In die zin A.J. Verheij, ‘Vergoedbaarheid van angstschade’, NTBR 2018/3 en dezelfde in: ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21. Uit HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162, m.nt. S.D. Lindenbergh, leid ik af dat smartengeld voor aantasting in de persoon beperkt is tot de hier genoemde categorieën.

523 Vgl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 3.12 met verdere verwijzingen. Zie onder meer C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht. Rechtsbescherming, rechtsmiddel en rechtsherstel, 2015, p. 156-157, F.F. Langemeijer, Angst en onzekerheid als schadefactor, in: M. Faure en T. Hartlief (red.), De Spier-bundel, De agenda van het aansprakelijkheidsrecht, 2016, p. 103 e.v., S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 2.8.2.3, A.M. Overheul, ‘Angst als juridisch relevante schade’, AV&S 2017/33, A.J. Verheij, ‘Vergoedbaarheid van angstschade’, NTBR 2018/3 en dezelfde in: ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21.

524 Zie daarover E.C. Gijselaar, R. Rijnhout en J.M. Emaus, ‘Gasboringen in Groningen en de aansprakelijkheid van de NAM’, AA 2014, p. 806 o.v.n. C.J.J.M. Stolker en D.I. Levine, ‘Aids-phobia’, NJB 1996/23, p. 886 en E.P. Ceulen, ‘Aansprakelijkheid voor asbestblootstelling’, TVP 2009/2, p. 71. Zie ook R.J.P. Kottenhagen & P.A. Kottenhagen-Edzes, Enkele nieuwe schadesoorten, ontstaan ten gevolge van milieu-aantasting, in: Miscellanea; Jurisconsulto vero dedicata (Van Dunné-bundel), 1997, p. 233, A.M. Overheul, ‘Angst als juridisch relevante schade’, AV&S 2017/33, M.S.A. Vegter, Vergoeding van psychisch letsel door de werkgever (diss.), 2005, p. 393-418 en A.J. Verheij, ‘Vergoedbaarheid van angstschade’, NTBR 2018/3. De kwestie lijkt mij onlosmakelijk verbonden met de predispositie van het slachtoffer. Sommigen zijn vatbaarder voor – al dan niet op objectieve omstandigheden te baseren – angst dan anderen. Ook bij immateriële schade is uitgangspunt dat de laedens de gelaedeerde neemt zoals hij is. Zie de beantwoording van vraag 6. Dat impliceert dat niet de eis kan worden gesteld dat de angst reëel is.

525 Vgl. rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, rov. 4.4.1.

526 Zie Ti Hanh Nguyen, ‘Voorwaarden voor smartengeld bij schending fundamentele rechten zonder letsel’, NJB 2009/1408.

527 HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162, m.nt. S.D. Lindenbergh.

528 Vgl. E.C. Gijselaar, R. Rijnhout en J.M. Emaus, ‘Gasboringen in Groningen en de aansprakelijkheid van de NAM’, AA 2014, p. 806-810.

529 Zie ook S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 2.8.6.1 over vergoeding wegens een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en aant. 2.8.12 over een vergoeding wegens hinder. Een aantasting van het milieu of hinder kan onder omstandigheden leiden tot een aantasting van de persoon in de vorm van geestelijk letsel of in de vorm van een schending van de persoonlijke levenssfeer. Zie ook S.D. Lindenbergh, Smartengeld (diss.), 1998, p. 133 e.v. en A.J. Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon (diss.), 2002, p. 278 e.v. met verdere verwijzingen. Sommigen zien gevaar van overcompensatie als gevolg van overlap met een compensatie voor gederfd woongenot. Vgl. S.D. Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW, aant. 2.8.12 en dezelfde in: Smartengeld (diss.), 1998, p. 84 e.v.

530 Vgl. A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21, voetnoot 12, en E.C. Gijselaar, R. Rijnhout en J.M. Emaus, ‘Gasboringen in Groningen en de aansprakelijkheid van de NAM’, AA 2014, p. 806-810. Zie in dit verband ook: S.D. Lindenbergh, ‘De positie en de handhaving van persoonlijkheidsrechten in het Nederlandse privaatrecht’, TvP 1999/3,p. 1669-1671 en A.J. Verheij, Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon (diss.), 2002, p. 38-39.

531 Vgl. E.C. Gijselaar, R. Rijnhout en J.M. Emaus, ‘Gasboringen in Groningen en de aansprakelijkheid van de NAM’, AA 2014, p. 809.

532 Vgl. rechtbank Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, rov. 4.4.6.

533 Vgl. M.Th. Beumers, ‘Schadevergoeding voor gederfd woongenot’, NTBR 2017/27 en A.J. Verheij, ‘Vergoeding van immateriële schade en van uitgaven die hun doel misten’, AV&S 2017/21.

534 HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162, m.nt. S.D. Lindenbergh.

535 Zie ook P.W. Blok onder PS-Updates 2017-0200, die het belang van een vlotte en efficiënte afwikkeling benadrukt.

536 Vgl. A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2018:1295, onder 4.41. Vgl. ook S.D. Lindenbergh, Smartengeld (diss.), 1998, p. 244: “Zo kan men in ieder afzonderlijk geval een veelheid van, elkaar al dan niet onderling beïnvloedende, factoren trachten te waarderen. Men kan ook een meer algemene waardering van een of meer factoren (…) centraal stellen en daarop in concrete gevallen variëren naar gelang de aanwezigheid en omvang van andere factoren (…)”; zie ook p. 253 en 256.