Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:483

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
18/00168
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Veroordeling voormalig wethouder van de gemeente Roermond. De veroordeling betreft schending van geheimen bij de benoeming van een nieuwe burgemeester in Roermond (art. 272 Sr), stempasfraude (art. Z3 Kieswet), ambtelijke corruptie (art. 363 Sr) en witwassen (art. 420bis Sr). Conclusie over zeventien (in hoofzaak) bewijsklachten ingediend namens verdachte tegen de veroordeling door het hof Den Haag. Aan de orde komen onder meer de volgende vragen: (1) zijn de misdrijven waarvoor werd vervolgd ambtsmisdrijven gepleegd in de hoedanigheid van lid van de Eerste Kamer; (2) is van schending van een geheim (art. 262 Sr) sprake als het geheim wordt bekend gemaakt aan iemand die al van het geheim op de hoogte is; (3) welke (zelfstandige) betekenis komt toe aan het bestanddeel ‘in strijd met een ambtsplicht’ als bedoeld in art. 363 oud Sr? De AG geeft de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00168

Zitting: 14 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 20 december 2017 door het hof Den Haag1 wegens onder 1 subsidiair “Enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd”, onder 2 primair “Medeplegen van stembiljetten en volmachtbewijzen voorhanden hebben met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken”, onder 4 en 5 “Als wethouder een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, meermalen gepleegd” en “Als wethouder een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd” en “Als wethouder een gift vragen, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten, meermalen gepleegd” en “Als wethouder een gift vragen ten gevolge van hetgeen door in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten, meermalen gepleegd”, onder 6 “Als wethouder een gift en een dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten” en “Als wethouder een gift en een dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten” en “Als wethouder een gift en diensten vragen, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten” en “Als wethouder een gift en diensten vragen ten gevolge van hetgeen door in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten, meermalen gepleegd”, onder 7 “Witwassen, meermalen gepleegd”. veroordeeld ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 primair 4, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en ter zake van het onder 4, 5 en 6 bewezen verklaarde de verdachte ontzet van het recht tot het bekleden van een bestuurlijk ambt op gemeentelijk, provinciaal of rijksniveau voor de duur van twee jaren.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/00043. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.2

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G.J.J.G. Stevens -Waltmans, advocaat te Roermond, heeft 17 middelen van cassatie voorgesteld.

4. In deze zaak gaat het om een veroordeling van een voormalig Roermondse wethouder ter zake van schending van geheimen bij de benoeming van een nieuwe burgemeester in Roermond (art. 272 Sr) stempasfraude (art. Z3 Kieswet) , ambtelijke corruptie (art. 363 Sr) en witwassen (art. 420 bis Sr). De zaak heeft landelijk veel publiciteit gehad. De middelen bevatten veelal klachten over de toereikendheid van de motivering van de bewezenverklaarde feiten. De middelen worden waar mogelijk geclusterd besproken en worden waar nodig voorafgegaan door de bewezenverklaring en bewijsoverwegingen uit het arrest van het hof.

5. Het eerste middel klaagt over de motivering van de verwerping van het beroep op onbevoegdheid van het hof.

6. In het bestreden arrest heeft het hof het verweer weergeven en daarop beslist:

“De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts ter zake van het onder 1 (burgemeestersbenoeming), 3 (stempas van [betrokkene 1] ) en ter zake van feit 5 (reclamezuil met billboard met de afbeelding van [betrokkene 5] ), bepleit dat het hof niet bevoegd is kennis te nemen van deze beschuldigingen. Daartoe heeft zij naar voren gebracht - zakelijk weergegeven - dat ter zake van de burgemeesters benoeming sprake is van een verdenking van een ambtsmisdrijf dat de verdachte heeft gepleegd als lid van de Staten-Generaal, nu de verdachte in de periode waarin hij lid was van Eerste Kamer der Staten-Generaal, informatie heeft verstrekt gebruikmakend van een telefoontoestel van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De verdachte heeft aldus gebruik gemaakt van een middel hem door het ambt van Eerste Kamerlid te beschikking gesteld. Met betrekking tot de stempas en de reclamezuil is het, aldus de raadsvrouw, volstrekt duidelijk dat er sprake is van een verdenking van een ambtsmisdrijf in de hoedanigheid van senator. Deze zaken hebben immers geen enkele connectie met de verdachte als wethouder van de stad Roermond.

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de ambtelijke corruptiefeiten op de dagvaarding in zijn hoedanigheid van ambtenaar en wethouder van de gemeente Roermond heeft gepleegd, zodat het hof bevoegd is van deze feiten kennis te nemen en daarover een oordeel te geven.

Het hof overweegt hiertoe het navolgende.

De Grondwet (hierna: Gw) bepaalt in artikel 119 onder andere dat de leden van de Staten Generaal wegens ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen in die betrekking gepleegd ook na hun aftreden terechtstaan voor de Hoge Raad der Nederlanden.

Artikel 76, tweede lid van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO) bepaalt dat onder ambtsmisdrijven begrepen zijn: strafbare feiten begaan onder een van de verzwarende omstandigheden omschreven in artikel 44 van het Sr. Daarin wordt als verzwarende omstandigheid opgenomen: "gebruik maken van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken."

Het hof is van oordeel dat de vraag naar de bevoegdheid van de rechter moet worden beantwoord op de grondslag van de tenlastelegging (artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Blijkens de tenlastelegging ter zake van bovengenoemde feiten vervolgt het Openbaar Ministerie de verdachte niet voor enig feit ter zake waarvan de Hoge Raad der Nederlanden op grond van artikel 119 Gw, 76 Wet RO juncto artikel 44 Sr bevoegd is kennis te nemen, nu ter zake van het onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde, niet is opgenomen dat de feiten zijn gepleegd door de verdachte als lid van de Eerste Kamer en ook niet de volgende passage:

"terwijl hij door het begaan van het strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken" (vgl. Hoge Raad 8 december 1998, NJ 1999, 224).

Gelet op het voren overwogene is het hof bevoegd tot kennisneming van de feiten onder 1 (burgemeestersbenoeming), 3 (stempas van [betrokkene 1] ) en ter zake van feit 5 {reclamezuil met billboard met de afbeelding van [betrokkene 5] ). Het verweer wordt mitsdien verworpen.”

7. Voor zover de klacht betrekking heeft op het derde tenlastegelegde feit (art. Z8 van de Kieswet, ronselen van stemmen, een overtreding) heeft verdachte bij de bespreking van het middel geen rechtens te respecteren belang nu het openbaar ministerie ter zake van dat feit niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging is verklaard voor zover dit feit betrekking heeft op strafbare feiten in de periode van 1 februari 2010 tot 16 oktober 2010 en verdachte voor het overige ter zake van dat feit is vrijgesproken.

8. In de toelichting op het middel wordt terecht niet betoogd dat er sprake is van een ambtsmisdrijf of een ambtsovertreding. Er zijn immers geen feiten tenlastegelegd die zijn strafbaar gesteld in de artikelen 355-380 resp. 462-462a Sr. Echter commune strafbare feiten kunnen eveneens onder het regime van de art. 119 Grondwet in verbinding met art. 76, tweede lid, RO vallen. Ik citeer nu eerst de toepasselijke bepalingen.

9. Art. 119 GW luidt als volgt:

“De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.”

Art. 76 RO luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De Hoge Raad neemt in eerste instantie, tevens in hoogste ressort, kennis van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen.

2. Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen strafbare feiten begaan onder een der verzwarende omstandigheden omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.”

Art. 44 Sr luidt als volgt:

“Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de op het feit gestelde straf, met uitzondering van geldboete, met een derde worden verhoogd.”

10. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof “de feitelijke omstandigheden [had] moeten onderzoeken om na te gaan of de omstandigheden zodanig waren dat de tenlastegelegde feiten onder het bereik van art. 76 RO vielen.” Ik begrijp het zo dat de steller van het middel van oordeel is dat niet de grondslag van de tenlastelegging bepalend is, maar de feitelijke situatie (verdachte was indertijd lid van de Eerste Kamer). Door de grondslag van de tenlastelegging doorslaggevend te oordelen ontstaat de situatie dat het openbaar ministerie verdachte het recht op berechting door de Hoge Raad ontneemt. Daarbij wordt een beroep op een overweging van de Hoge Raad in een civiel arrest3 (Schipholbrand) gedaan:

“Die bevoegdheid is bij de parlementaire behandeling van art. 119 Grondwet, mede in verband met art. 14 lid 5 IVBPR en het door Nederland met betrekking tot deze bepaling gemaakte voorbehoud, opnieuw afgewogen en gehandhaafd (Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, onder 5). Daarbij is door de regering beklemtoond dat doordat de beslissing tot vervolging van de in art. 119 genoemde politieke ambtsdragers in handen van politieke organen bij uitstek is gebleven (hetzij de regering, hetzij de Tweede Kamer), recht wordt gedaan aan de omstandigheid dat de beoordeling van de draagwijdte en de inhoud van ambtsmisdrijven van kamerleden, ministers en staatssecretarissen in sterke mate een politiek karakter draagt. Daaraan werd toegevoegd dat door de beslissing omtrent vervolging exclusief in handen te laten van de regering of de Tweede Kamer, de betrokken ambtsdragers worden beschermd tegen een op lichtvaardige gronden ingestelde vervolging.”

11. Is het openbaar ministerie verplicht voorafgaande aan de vervolging van commune strafbare telkens te onderzoeken of de strafmaximumverhogende omstandigheden van art. 44 Sr van toepassing zijn? Diende het openbaar ministerie in deze zaak te onderzoeken of er indicaties zijn dat verdachte bij het begaan van de strafbare feiten gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of een middel hem door zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer geschonken4? Uit het arrest blijkt niet dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Voor de beoordeling van zijn bevoegdheid oordeelde het hof enige nadere motivering inzake een dergelijk onderzoek kennelijk niet relevant.

12. In het algemeen zal het openbaar ministerie in het kader van een vervolgingsbeslissing onderzoeken of zich strafmaximumverhogende omstandigheden voordoen, maar een verplichting daartoe is er niet. Reijntjes spreekt van een algemene regel van strafprocesrecht om strafverzwarende omstandigheden weg te seponeren, een bijzondere verschijningsvorm van het opportuniteitsbeginsel.5 Dit kan ook de bevoegdheid van de rechter raken bijvoorbeeld door bij het verhandelen van verdovende middelen niet bij de rechtbank te dagvaarden ter zake van de opzettelijke variant (misdrijf), maar bij de kantonrechter te vervolgen ter zake van de overtreding. Een eerste conclusie is hier dat het past binnen de structuur van de strafvordering dat zelfs als art. 44 Sr van toepassing kan worden geacht dit er niet aan de weg staat dat het openbaar ministerie de strrafmaximumverhogende omstandigheid niet ten laste legt.

13. De wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen (Stb. 1855, 33), in de praktijk aangeduid als de Wet ministeriële verantwoordelijkheid, regelt op hoofdlijnen met name de door de Tweede Kamer te volgen procedure bij het komen tot een beslissing door die Kamer over de vervolging van bewindspersonen en Kamerleden wegens ambtsdelicten.6 Bij wet van 11 juli 2018, Stb. 2018, 245 is die regeling enigszins gemoderniseerd. Die modernisering is in werking getreden op 19 september 20187 en derhalve voor de onderhavige strafzaak niet relevant. Een commissie onder voorzitterschap van de voormalig procureur-generaal bij de Hoge Raad mr. J.W. Fokkens bereidt een meer fundamentele herziening voor.

14. Bedoelde regeling uit 1855 hield (ook) voor 19 september 2018 in dat pas na een last van de Kroon of de Tweede Kamer8 de procureur-generaal bij de Hoge Raad de vervolging kan starten. De officier van justitie ontbeert het vervolgingsrecht bij ambtsmisdrijven begaan door leden van de Staten-Generaal. De vraag of er mogelijk sprake is van een schending van een bijzondere ambtsplicht of van gebruik van door zijn ambt geschonken macht, gelegenheid of middel9 is aan de lastgever. Onderzoek door de rechter van de bedoelde schending of het bedoelde gebruik is daarmee bij vervolging van een commuun delict zonder dat de strafmaximumverhogende omstandigheid van art. 44 Sr is tenlastegelegd niet aan de orde.10 Ook in het ter ondersteuning van het middel genoemde arrest van de Hoge Raad inzake de Schipholbrand lees ik niet dat de rechter gehouden is tot het bedoelde onderzoek. De onder randnummer 10 geciteerde passage wijst eerder op het tegenovergestelde. Het sterk politieke karakter van de opdracht tot vervolging en de wettelijke gebondenheid van de procureur-generaal aan de vervolgingsbeslissing plaatst de rechter op afstand. De motivering van de verwerping van het door de verdediging gedane11 beroep op onbevoegdheid van de rechter is derhalve zonder een woord te wijden aan bedoeld onderzoek niet ontoereikend of onbegrijpelijk.

15 Het eerstemiddel faalt.

16. De middelen 2, 3 en 4 richten zich tegen de motivering van het bewezenverklaarde onder feit 1 subsidiair. Ik citeer nu eerst die bewezenverklaring en de daarbij behorende bewijsoverwegingen om vervolgens de middelen te bespreken.

17. Onder 1 (subsidiair) is bewezenverklaard dat

“hij op tijdstippen gelegen in de periode van 29 augustus 2012 tot en met 27 september 2012 in Nederland, enig geheim, waarvan hij wist, dat hij uit hoofde van enig wettelijk voorschrift, verplicht was dat geheim te bewaren, telkens opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte, als adviseur van de vertrouwenscommissie voor de benoeming van de nieuwe burgemeester voor de gemeente Roermond aan [betrokkene 2]

- informatie over vragen en een toelichting en gewenste antwoorden op vragen die gesteld zouden worden tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond verstrekt en

- informatie over de uitkomsten van de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie, verstrekt en

- het standpunt van een lid van de vertrouwenscommissie, te weten [betrokkene 3] , bekend gemaakt,

en

aan [betrokkene 9]

- informatie over vragen en een toelichting en gewenste antwoorden op vragen die gesteld zouden worden tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester, van de gemeente Roermond verstrekt, en

- informatie over de beoordeling door een aantal leden van de vertrouwenscommissie van zijn gesprek met de vertrouwenscommissie verstrekt en

- informatie over de uitkomsten van de beraadslagingen van de vertrouwenscommissie verstrekt

en

aan andere derden buiten de vertrouwenscommissie

- de namen van één of meer sollicitanten voor de vacature van burgemeester van de gemeente Roermond bekend gemaakt, te weten:

- de naam van [betrokkene 4] aan [betrokkene 6] en [betrokkene 2] , en

- de naam van [betrokkene 2] aan [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en

- de naam van [betrokkene 9] aan [betrokkene 2] en [betrokkene 8] ”.

18. De bewijsoverwegingen houden ten aanzien van feit 1 subsidiair in:

“Tenlastelegging

Onder feit 1 subsidiair wordt de verdachte verweten dat hij, als adviseur van de vertrouwenscommissie voor de benoeming van een nieuwe burgemeester van Roermond, zijn geheimhoudingsplicht c.q. ambtsgeheim heeft geschonden.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Immers de verdachte heeft zijn geheimhoudingsplicht niet geschonden, nu de vraagstelling en de juiste beantwoording van de vragen tijdens het sollicitatiegesprek voor de hand lag en was te verwachten. Wat de verdachte heeft gedaan is klankborden, hetgeen gebruikelijk is, een politieke usance. De geheimhoudingsplicht ziet bovendien slechts op het geheimhouden van de namen van de sollicitanten voor de buitenwereld.

Standpunt Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich ter zake van het ten laste gelegde, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat een veroordeling dient te volgen, nu de verdachte op de hoogte was van zijn geheimhoudingsplicht en deze opzettelijk heeft geschonden.

Beoordeling

Het hof stelt vast dat de geheimhoudingsplicht, zoals neergelegd in artikel 61c van de Gemeentewet, ziet op de gehele procedure van die vertrouwenscommissie vanaf het moment van instellen van de vertrouwenscommissie door de gemeenteraad tot in ieder geval het moment van het uitbrengen van verslag van haar bevindingen door de vertrouwenscommissie aan de gemeenteraad en aan (destijds) de Commissaris van de Koningin (vgl. ECLI: NL : HR : 2016:1330 ). Daaronder vallen derhalve mede de door de vertrouwenscommissie gevoerde sollicitatie gesprekken met de kandidaten voor het ambt van burgemeester in Roermond. Een andere uitleg is naar het oordeel van het hof niet verenigbaar met de strekking van de procedure.

Dat de geheimhoudingsplicht niet alleen ziet op de namen van sollicitanten en dat de verdachte dit ook wist, leidt het hof ook af uit de gang van zaken tijdens de sollicitatieprocedure.

Het hof wijst er in dat verband op dat de Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg tijdens zijn overleg met de commissie op 29 augustus 2012 die geheimhoudingsplicht nog eens heeft beklemtoond, alsmede in door de hem gezonden brief aan de voorzitter van de commissie Roermond, [betrokkene 10] , van 30 augustus 2012. In deze brief onderstreept de Commissaris van de Koningin dat de gemeenteraad de werkwijze van de commissie zodanig regelt dat vóór, tijdens en na het verrichten van de werkzaamheden door de commissie volstrekte geheimhouding is gegarandeerd.

Het hof wijst tevens op de brief van 4 april 2012 van [betrokkene 10] , als plaatsvervangend voorzitter van de Raad, gericht aan de Gemeenteraad, waarin hij met het oog op de vast te stellen verordening benadrukt dat voor alle betrokkenen bij de commissie (leden, adviseur en secretaris) volstrekte geheimhouding geldt.

In de Verordening commissie van de gemeente Roermond - vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van Roermond d.d. 10 mei 2012 met nr. 2012/035/3 - wordt de geheimhoudingsplicht omschreven. Ook heeft de voorzitter van de vertrouwenscommissie aan het begin van de besloten raadsvergadering op 27 september 2012 nog eens de geheimhoudingsplicht benadrukt.

Het hof is voorts van oordeel dat de door de verdachte als adviseur van de vertrouwenscommissie gegeven informatie het 'klankborden' binnen een politieke partij vergaand te buiten gaat. De verdachte heeft hele specifieke informatie aan [betrokkene 2] en [betrokkene 9] gegeven omtrent hetgeen zou worden besproken in het sollicitatiegesprek. Wat er verder zij van de door de verdachte gestelde politieke usance van klankborden, is het hof van oordeel dat die zich in ieder geval niet verhoudt met het zijn van adviseur (of lid) van een vertrouwenscommissie, gelet op de voor deze geldende geheimhoudingsplicht.

Aldus kan geconcludeerd worden dat de verdachte de geheimhoudingsverplichting grovelijk heeft geschonden en [betrokkene 2] en [betrokkene 9] een belangrijke voorsprong op andere kandidaten heeft verschaft. Het handelen van de verdachte verdraagt zich naar het oordeel van het hof niet met de binnen het openbaar bestuur geldende integriteitsnormen die er onder meer van uitgaan dat politieke ambtsdragers het algemeen belang dienen en hun taken onbevooroordeeld en objectief vervullen.

De raadsvrouw heeft voorts nog aangevoerd dat de namen van de in de tenlastelegging genoemde sollicitanten, bij de gesprekspartners van de verdachte al bekend waren, zodat er op dat punt geen sprake kan zijn geweest van een schending van de geheimhoudingsplicht door de verdachte.

Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de gesprekspartners van de verdachte op de hoogte zijn van de namen van sollicitanten nog niet met zich brengt dat de geheimhoudingsplicht voor de verdachte daarmee wordt opgeheven. De verdachte had, als adviseur van de vertrouwenscommissie, deze gesprekken niet mogen voeren.

De verweren worden verworpen.”

19. Het tweede middel klaagt er over dat het hof ter zake van feit 1 subsidiair niet tot een algehele vrijspraak is gekomen. Er is immers vrijgesproken van de tenlastegelegde verbijzonderde basis van de geheimhoudingsplicht te weten art. 61c van de Gemeentewet, enkele (nader omschreven) circulaires en het raadsbesluit 2012/035/03. Het hof is teruggevallen op de meer algemene omschrijving die volgde op het woord ‘althans’ te weten ‘enig wettelijk voorschrift’. Volgens de steller van het middel kunnen de tenlastegelegde verbijzonderingen nu niet meer de basis van de geheimhoudingsplicht vormen omdat daarvan is vrijgesproken en het bewijs ontbreekt dat de geheimhoudingsplicht berust op enig ander wettelijk voorschrift. Derhalve had het hof van feit 1 subsidiair dienen vrij te spreken.

20. Gelet op de hierboven geciteerde bewijsoverwegingen heeft het hof de geheimhoudingsplicht (onder meer) gebaseerd op art. 61c van de Gemeentewet en de Verordening commissie van de gemeente Roermond, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van Roermond d.d. 10 mei 2012 met nr. 2012/035/3. Ik wijs in dit verband ook nog op het in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddel 20 waarin de leden 2 en 5 van artikel 2 van het raadsbesluit zijn opgenomen alsmede bewijsmiddel 21 inhoudende de notulen van een besloten raadsvergadering, waarin verdachte aanwezig is, en uit de mond van de voorzitter is opgetekend: “Voor alles wat in deze vergadering aan de orde komt geldt een geheimhoudingsplicht op basis van artikel 61.c van de Gemeentewet. Deze geheimhoudingsplicht geldt voor een ieder die in deze vergadering aanwezig is.”

21. Door in de bewezenverklaring te kiezen voor ‘enig wettelijk voorschrift’ als basis van de geheimhoudingsplicht zijn de daaraan voorafgaande verbijzonderde wettelijke voorschriften niet van alle betekenis ontdaan. Het hof heeft het woord ‘althans’ in de tenlastelegging kennelijk en niet onbegrijpelijk zo gelezen dat de geheimhoudingsplicht tenminste berust op enig wettelijk voorschrift en in de bewezenverklaring zelf in het midden gelaten welk bijzonder wettelijk voorschrift de basis vormde. Zo bezien kon het hof in de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen de tenlastegelegde bijzondere wettelijke voorschriften die in de bewezenverklaring niet zijn genoemd ten grondslag leggen aan die bewezenverklaring. Overigens vraag ik mij af welke rechtens te respecteren belang verdachte bij deze klacht heeft.

22 Het tweede middelfaalt.

23. Het derde middel klaagt erover dat het hof de geheimhoudingsplicht te ruim heeft uitgelegd en ten onrechte heeft aangenomen dat circulaires en een raadsbesluit kunnen worden aangemerkt als wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 272 Sr.

24. In verband met de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht citeer ik enkele overwegingen uit HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1330, NJ 2016/307:

“4.2. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van de Gemeentewet van belang.

Art. 61: "1. De burgemeester wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd voor de tijd van zes jaar.

2. De commissaris van de Koning overlegt met de raad over de eisen die aan de te benoemen burgemeester worden gesteld met betrekking tot de vervulling van het ambt.

3. Na het overleg met de commissaris stelt de raad uit zijn midden een vertrouwenscommissie in, belast met de beoordeling van de kandidaten. De raad kan bepalen dat één of meer wethouders als adviseur aan de vertrouwenscommissie worden toegevoegd. De commissaris verschaft de vertrouwenscommissie een opgave van degenen die naar het ambt van burgemeester hebben gesolliciteerd, vergezeld van zijn oordeel over kandidaten die hij in beginsel geschikt acht voor benoeming. Als de vertrouwenscommissie besluit naast deze kandidaten ook andere kandidaten die gesolliciteerd hebben, bij haar beoordeling te betrekken, doet zij daarvan onverwijld mededeling aan de commissaris. Deze brengt zijn oordeel over laatstgenoemde kandidaten ter kennis van de vertrouwenscommissie.

4. De vertrouwenscommissie verschaft zich door tussenkomst van de commissaris de door haar nodig geachte informatie over de kandidaten. Bestuursorganen zijn verplicht de gevraagde informatie te verstrekken. De vertrouwenscommissie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de raad en aan de commissaris.

(...)"

Art. 61c: "1. De beraadslagingen, bedoeld in de artikelen 61, derde en vierde lid, (...) vinden plaats met gesloten deuren. Van deze beraadslagingen wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt.

2. Ten aanzien van de beraadslagingen en de stukken die aan de raad worden gezonden dan wel die door de raad aan Onze Minister worden gezonden geldt een geheimhoudingsplicht.

(...)"

4.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht als bedoeld in art. 61c, tweede lid, Gemeentewet ziet op de gehele procedure van de vertrouwenscommissie, "vanaf het moment van instellen van de vertrouwenscommissie door de Raad tot het moment van het uitbrengen van verslag van haar bevindingen door de vertrouwenscommissie aan de Raad en aan (destijds) de Commissaris van de Koningin". Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van genoemde wetsbepaling en in het bijzonder niet van de daarin voorkomende term "beraadslagingen".”

25. In de bewijsoverwegingen van het hof wordt verwezen naar dit arrest van de Hoge Raad en die overwegingen van het hof sluiten volledig bij het arrest van de Hoge Raad aan.12 De klacht is nu dat deze uitleg van de Hoge Raad nieuw is en de verdachte ten tijde van zijn handelen geen rekening behoefde te houden met deze ruime uitleg. De veroordeling van het hof levert daarom volgens de steller van het middel strijd op met art. 1 Sr en art. 7 EVRM. Dat de uitleg van de Hoge Raad nieuw is, leidt de steller van het middel af uit de volgende passage over de herbenoeming van een burgemeester in de memorie van toelichting13 bij de wijziging van de Gemeentewet :

“Hoewel de geheimhouding een ander doel dient dan bij de benoemingsprocedure, waar zij dient om te voorkomen dat de namen van sollicitanten bekend worden, is vertrouwelijkheid ook bij de herbenoemingsprocedure van groot belang om ruimte te scheppen voor een open gesprek waarin wordt teruggekeken op de voorbije ambtsperiode en de daarin gevoerde functioneringsgesprekken en de verwachtingen voor het functioneren in de komende periode kunnen worden uitgesproken.”

26. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, dwingt deze passage over de herbenoeming van de burgemeester er niet toe de verplichting tot geheimhouding in het kader van de benoeming van een burgmeester exclusief te beperken tot de namen van de kandidaten. Essentieel verschil voor wat betreft de geheimhouding in de procedure bij benoeming en herbenoeming is natuurlijk dat bij herbenoeming de naam van de burgemeester bekend is. De uitleg van de Hoge Raad is bezien in het licht van de geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis niet ‘nieuw’. Daarmee mist deze klacht voor het overige feitelijke grondslag.

27. Voorts wordt nog geklaagd dat het hof de in de tenlastelegging en bewezenverklaring gebezigde term ‘wettelijk voorschrift’ verkeerd heeft uitgelegd. De plicht tot geheimhouding moet berusten op een wettelijk voorschrift en circulaires en een raadsbesluit zijn niet als zodanig aan te merken.

28. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring gebruikte term wettelijk voorschrift is ontleend aan art. 272 Sr en heeft dezelfde betekenis als in die bepaling. Art. 272 Sr luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.”

29. “Sinds de wetswijziging van 1967 sanctioneert art. 272 thans bovendien in wettelijke voorschriften (dus niet alleen in wetten in formele zin) vervatte geheimhoudingsgeboden”, aldus Nyon/Langemeijer/Remmelink, aantekening 1 bij art. 272 Sr onder verwijzing naar HR 17 mei 2005, LJN AS4610. Het hof heeft kennelijk art. 61c, tweede lid, van de Gemeentewet, zoals hierboven geciteerd onder randnummer 24, als wettelijk voorschrift voor ogen gehad. Dat circulaires en raadsbesluiten nader inhoud kunnen geven aan de verplichting tot geheimhouding doet daaraan niets toe of af. De klacht dat het hof de geheimhoudingsplicht heeft gestoeld op circulaires en een raadsbesluit mist daarmee feitelijke grondslag en voor zover de klacht nog verder strekt kan dat buiten bespreking blijven.

30 Het derde middeltreft geen doel.

31. Het vierde middel klaagt dat het hof een verkeerde betekenis heeft gegeven aan de in de bewezenverklaring voorkomende en aan art. 272 Sr ontleende woorden ‘schending van een geheim’.

32. Van schending van een geheim kan volgens de steller van het middel slechts sprake zijn indien degene aan wie het ‘geheim’ wordt geopenbaard niet van de inhoud ervan op de hoogte was. De personen aan wie verdachte de namen van de burgemeesterskandidaten heeft bekend gemaakt waren echter, naar in cassatie moet aangenomen, reeds van die namen op de hoogte zodat geen sprake kan zijn van schending van een geheim.

33. In art. 272 Sr staat gelet op de in die bepaling gekozen bewoordingen het schenden van de verplichting een geheim te bewaren voorop. De wet spreekt niet (meer) van het bekendmaken (of openbaren) van een geheim.14 Daaraan doet niet af dat in de praktijk de plicht dat geheim te bewaren juist doorgaans wordt geschonden door bekendmaking (of openbaarmaking) van het geheim. Nu echter bekendmaking van het geheim niet is vereist, betekent dit dat niet bepalend is of de personen aan wie de namen van de burgemeesterskandidaten zijn bekendgemaakt reeds van die namen op de hoogte waren. Net zo min is van belang of het voor die personen al dan niet eenvoudig was het geheim te achterhalen.15 En zelfs betekent het dat wanneer iemand op maandag het geheim met een derde deelt en dat geheim op dinsdag nogmaals met diezelfde derde deelt art. 272 Sr twee keer is overtreden.

34 Het vierde middelfaalt eveneens.

35. De middelen 5, 6 ,7 en 8 richten zich tegen de motivering van het bewezenverklaarde onder 2. Ik citeer nu eerst die bewezenverklaring en de daarbij behorende bewijsoverwegingen om vervolgens de middelen te bespreken.

36. Onder 2 is ten late van verdachte bewezenverklaard dat

“hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 2 maart 2011 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met anderen, stempassen en volmachtbewijzen op naam van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en [betrokkene 14] (e.v. [betrokkene 13] ) en [betrokkene 15] en [betrokkene 16] en [betrokkene 17] en [betrokkene 18]

en volmachtbewijzen op naam van de volgende volmachtgevers : [betrokkene 19] en [betrokkene 20] en [betrokkene 21] en [betrokkene 22] en [betrokkene 23] en [betrokkene 24] en [betrokkene 25] en [betrokkene 26] en [betrokkene 27]

voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad op 3 maart 2010 en/of de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer op 9 juni 2010 en/of voor de verkiezing van de leden van de provinciale staten van 2 maart 2011

voorhanden heeft gehad met het oogmerk om die stempassen en die volmachtbewijzen wederrechtelijk te gebruiken en door anderen te doen gebruiken, immers hebben hij zijn medeverdachte (n) toen aldaar -zakelijk weergegeven -

A. telkens door die [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en [betrokkene 14] e.v. [betrokkene 13] en [betrokkene 15] en [betrokkene 16] en [betrokkene 17] en [betrokkene 18] ondertekende volmachtbewijzen op de achterzijde van stempassen in ontvangst genomen, terwijl daarop nog niet de persoons- en adresgegevens van de persoon die namens de stempashouder de stem zou uitbrengen waren ingevuld, om vervolgens daarop de persoons- en adresgegevens van een door hem, verdachte, en zijn medeverdachten aangewezen persoon als gemachtigde van de volmachtgever in te vullen en vervolgens door deze door hem verdachte of zijn medeverdachten aangewezen persoon die volmachtbewijzen te laten ondertekenen als gevolmachtigde van de volmachtgever en deze persoon vervolgens daarmee een stem te laten uitbrengen,

en

B. telkens middels een verzoek om bij volmacht te mogen stemmen verkregen volmachtbewijzen op naam van die volmachtgevers [betrokkene 19] en [betrokkene 20] en [betrokkene 21] en [betrokkene 22] en [betrokkene 23] en [betrokkene 24] en [betrokkene 25] en [betrokkene 26] en [betrokkene 27] verkregen terwijl het verzoek om bij volmacht te mogen stemmen niet op de voorgeschreven wijze en onvolledig door de volmachtgever was ingevuld.”

37. De bewijsoverwegingen van het hof in het bestreden arrest houden ter zaken van feit 2 in:

“Tenlastelegging

Onder feit 2 wordt aan de verdachte ten laste gelegd - zakelijk weergegeven en .voor zover van belang - het medeplegen van het voorhanden hebben van stempassen en volmachtbewijzen met het oogmerk om deze wederrechtelijk te gebruiken-tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van 2010, de Gemeenteraadsverkiezingen van 2010 en de Provinciale Statenverkiezingen van 2011.

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is naar voren gebracht dat de door de verdachte gebezigde handelswijze niet in strijd is met de bewoordingen van de Kieswet en voorts, dat deze ook voorkomt in andere Nederlandse gemeenten. De verdachte dient derhalve van het onder feit 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Standpunt Openbaar Ministerie

De verdachte en anderen hebben de stempassen en volmachtsbewijzen van de ten laste gelegde personen voorhanden gehad met het oogmerk die stempassen en volmachtsbewijzen wederrechtelijk te gebruiken.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Uit de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat aan kiezers die aan de verdachte of aan andere medewerkers van de VVD Roermond hadden aangegeven hun stem per volmacht te willen uitbrengen, werd verzocht om enkel hun eigen naam, adres en handtekening op hun stempas dan wel op het L8 formulier (een verzoek aan de burgemeester om bij volmacht te mogen stemmen) te plaatsen. Vervolgens werden deze ingevulde documenten door de verdachte of zijn medewerkers naar het zogenaamde campagnehuis gebracht, waar zij werden verdeeld onder partijleden van de VVD, en familieleden en bekenden van de verdachte die zich op verzoek van de verdachte bereid hadden verklaard om bij gelegenheid van de verkiezingen als gevolmachtigde op te treden. Daarna werden de stempassen en de L8 formulieren van de naam, adres en de handtekening van de gevolmachtigde voorzien. Daarmee waren de stempassen gereed voor gebruik door de gevolmachtigde. Na inwilliging van het verzoek van het L8 formulier werd het zogenaamde volmachtbewijs door de gemeente aan de op het formulier aangegeven gevolmachtigde gestuurd. Met dit volmachtbewijs kan de gemachtigde namens de volmachtgever een stem uitbrengen.

Ten slotte was het de bedoeling dat de gevolmachtigden op de verkiezingsdatum hun eigen stem en die van de respectieve volmachtgevers uit zouden brengen. De verdachte heeft in dat verband verklaard dat hij tijdens de Tweede Kamerverkiezingen en de Gemeenteraadsverkiezingen in 2010, de Provinciale

Statenverkiezingen van 2011 en de Tweede Kamerverkiezingen in 2012 de stemcoördinator van de VVD in Roermond was. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte de hierboven weergegeven gang van zaken in grote lijnen bevestigd.

Uit de omstandigheid dat diverse kopieën van volmacht bewijzen bij de verdachte zijn aangetroffen, leidt het hof af dat de L8 formulieren bij de gemeente zijn ingediend.

Beoordeling

Uit de Memorie van Toelichting bij de voorgestelde wijziging van de Kieswet (TK 1987-1988, 20264, p. 67) blijkt zonneklaar, dat het initiatief tot het verzoek om bij volmacht te stemmen en de keuze van de gemachtigde bij de kiezer behoort te liggen.

"De volmachtregeling is niet bedoeld om groeperingen de gelegenheid te bieden de stembevoegdheid van kiesgerechtigden die om hen moverende redenen niet aan de verkiezingen wensen deel te nemen, over te nemen en door een nader aan te wijzen derde te doen uitoefenen ", aldus die Memorie.

Deze opvatting van de wetgever is niet veranderd, bij gelegenheid van de daarop volgende wijzigingen van de Kieswet. Een en ander wordt kan ook worden afgeleid uit het bepaalde in artikel L10, aanhef en sub a Kieswet, waaruit volgt dat een verzoek als bedoeld in artikel L8 (via het zogenaamde L8-formulier) door de burgemeester dient te worden afgewezen, indien blijkt dat de kiezer niet zelf de gemachtigde heeft aangewezen. [betrokkene 33], voorzitter van de Kiesraad, heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris op 8 december 2015 verklaard :

"De bedoeling van de wetgever is geweest dat de volmachtgever gekend is en dat willens en wetens aan een bepaalde persoon de volmacht wordt verleend. (...) Het is dus niet de bedoeling een blanco volmacht te verstrekken met hooguit de handtekening erop met de gedachte : "Ik zie wel waar ze terechtkomen."

Met andere woorden: de kiezer moet bepalen wie de persoon is die hij machtigt om voor hem te stemmen. Uit de hierboven weergegeven gang van zaken stelt het hof vast dat dit niet het geval is geweest.

Vrijwel alle volmachtgevers die in dit verband door de Rijksrecherche, de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris zijn gehoord, hebben aangegeven dat zij (de naam van) de persoon, die voor hen als gemachtigde is opgetreden, niet kennen. De stelling van de raadsvrouw dat deze gang van zaken ook in andere Nederlandse gemeenten voorkomt, kan niet leiden tot een ander oordeel over de strafbaarheid van de gedraging die aan de verdachte wordt verweten.

De raadsvrouw heeft ook nog aangevoerd dat uit het dossier in onvoldoende mate naar voren komt wie de naam en adresgegevens van de respectieve gevolmachtigden heeft ingevuld. De raadsvrouw stelt vervolgens de vraag of dit wel de verdachte is geweest.

Dit verweer ziet er naar het oordeel van het hof aan voorbij dat aan de verdachte wordt verweten dat hij het strafbare feit als omschreven in artikel Z3 van de Kieswet heeft medegepleegd.

Uit de hierboven beschreven gang van zaken volgt een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders, dat van medeplegen kan worden gesproken. Of de verdachte of een van zijn mededaders de bedoelde gegevens heeft ingevuld is dan ook niet van belang. Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat de verdachte en zijn mededaders de stempassen en de volmachtbewijzen voorhanden hebben gehad om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Onder wederrechtelijk gebruik kan in dat verband worden verstaan: het gebruik dat strijdig is met de hierboven weergegeven regeling, met betrekking tot het stemmen bij. volmacht uit de Kieswet.

Voor het onderdeel van de tenlastelegging dat de verdachte en/of zijn mededaders . met deze stempassen en volmachtbewijzen daadwerkelijk een stem hebben laten uitbrengen is onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden, zodat de verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.”

38. Artikel Z3 van de Kieswet16 luidt als volgt:

“Degene die stembiljetten, stempassen, kiezerspassen, volmachtbewijzen of briefstembewijzen voorhanden heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

39. Aan de MvT17 op de Kieswet ontleen ik het volgende:

“De huidige regeling inzake het stemmen bij volmacht blijkt onvoldoende waarborgen te bieden om oneigenlijk gebruik daarvan te voorkomen. Vooral bij gemeenteraadsverkiezingen, waarbij de contacten tussen kiezers en gekozenen het meest direct zijn, hebben zich onregelmatigheden voorgedaan, die kunnen worden gekenschetst als het «ronselen» van volmachten. Zo is het voorgekomen dat bepaalde groeperingen op grote schaal kiezers bezochten met een aanvraagformulier om bij volmacht te stemmen. De kiezer werd dan de mogelijkheid geboden zijn persoonlijke gegevens op het formulier in te vullen en het formulier te ondertekenen. De desbetreffende groepering zorgde er vervolgens voor, dat een als gemachtigde aan te wijzen persoon werd gevonden, die zijn persoonlijke gegevens op het formulier vermeldde en het vervolgens medeondertekende. Het formulier werd daarna door de desbetreffende groepering aan de gemeente toegezonden of overhandigd. Gesteld kan worden, dat tot aan de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart 1986 onregelmatigheden met betrekking tot het stemmen bij volmacht vooral op vorengeschetste wijze plaatsvonden. Tot aan deze verkiezingen deden zich niet of nauwelijks problemen voor met betrekking tot de andere wijze van volmachtverlening, te weten de in 1976 ingevoerde mogelijkheid van ondershandse volmachtverlening, door middel van overdracht van de oproepingskaart. De afgelopen gemeenteraadsverkiezingen hebben evenwel ook ten aanzien van die wijze van volmachtverlening onregelmatigheden aan het licht gebracht, in die zin, dat vertegenwoordigers van bepaalde politieke groeperingen kiezers bezochten met de vraag hun oproepingskaart af te geven, na deze - door middel van het plaatsen van een handtekening op de voorzijde van die kaart - te hebben omgezet in een volmachtlegitimatiekaart. Vervolgens zorgden de vertegenwoordigers van de politieke groeperingen ervoor, dat op de aldus ingezamelde oproepingskaarten de naam van een in hetzelfde stemdistrict als de «volmachtgever» woonachtige gemachtigde werd ingevuld, waarna de oproepingskaarten aan deze gemachtigden ter hand werden gesteld (twee per gemachtigde). Ik ben van oordeel, dat het op vorengeschetste wijze benaderen van kiezers met ofwel aanvraagformulieren om bij volmacht te stemmen, ofwel de vraag oproepingskaarten af te geven bijzonder ongewenst is. Met name in kleine(re) gemeenschappen en in situaties waarin sprake is van een afhankelijkheidsrelatie kan hiervan een zekere dwang uitgaan.

Bovendien is het bij het «ronselen» van volmachten met behulp van aanvraagformulieren denkbaar, dat de kiezer wordt misleid omtrent het karakter van het door hem te ondertekenen stuk en aldus wordt beroofd van de mogelijkheid zijn stem uit te brengen. Deze handelwijze is in strijd met de aan de regeling ten grondslag liggende gedachte, dat het initiatief tot het verzoek om bij volmacht te stemmen en de keuze van de gemachtigde bij de kiezer behoort te liggen. De in de Kieswet vervatte volmachtregeling is bedoeld om kiezers die feitelijk niet in staat zijn in persoon aan een verkiezing deel te nemen, maar daaraan toch hun stem niet willen onthouden, in de gelegenheid te stellen hun stem te laten uitbrengen door een door hen aangewezen gemachtigde. De volmachtregeling is niet bedoeld om groeperingen de gelegenheid te bieden de stembevoegdheid van kiesgerechtigden die om hen moverende redenen niet aan de verkiezing wensen deel te nemen, over te nemen en door een nader aan te wijzen derde te doen uitoefenen.”

40. Het hof verwijst in de bewijsoverweging verder naar de artikelen L8 en L10 uit de Kieswet die als volgt luiden:

Artikel L 8

“1. De kiezer die bij volmacht wenst te stemmen, dient daartoe een verzoekschrift in bij de burgemeester van de gemeente waar hij op de dag van de kandidaatstelling als kiezer is geregistreerd. Voor het indienen van een verzoekschrift wordt een formulier gebruikt. De burgemeester kan ter voorkoming van misbruik beperkingen stellen aan de verkrijgbaarstelling. Een daartoe strekkend besluit brengt hij ter openbare kennis.

2. In zijn verzoekschrift wijst de kiezer een gemachtigde aan. Als gemachtigde kan slechts optreden degene die op de dag van de kandidaatstelling als kiezer is geregistreerd binnen het gebied waarvoor de verkiezing geldt.

3. Bij het verzoekschrift wordt ingediend een verklaring van de gemachtigde dat deze bereid is als zodanig op te treden.

4. Bij ministeriële regeling worden voor het formulier en de verklaring modellen vastgesteld.”

Artikel L 10

“Het verzoek wordt afgewezen, indien:

a. blijkt dat de kiezer niet zelf de gemachtigde heeft aangewezen;

b. aan de kiezer die het verzoek heeft ingediend reeds een kiezerspas of een briefstembewijs is verstrekt;

c. de verklaring van de gemachtigde dat deze bereid is als zodanig op te treden, ontbreekt;

d. degene die als gemachtigde is aangewezen, niet als kiesgerechtigde is geregistreerd binnen het gebied waarvoor de verkiezing geldt.”

41. In de bewezenverklaring van het tweede feit zijn beide vormen van volmacht als bedoeld in art. L2 lid 1 van de Kieswet verwerkt te weten de schriftelijke volmacht en de volmacht die ontstaat door overdracht van de stempas (de onderhandse vorm). De mogelijkheid van stemmen bij volmacht in ons land is bekritiseerd en in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw deden zich problemen voor. In verband daarmee vonden verschillende wettelijke aanpassingen plaats. Ik wijs op de verplichting van de volmachtgever om de gemachtigde aan te wijzen, de verplichting van de gemachtigde om de volmachtstem gelijktijdig met de eigen stem uit te brengen en niet meer dan twee volmachtstemmen uit te brengen. 18

42. Het vijfde middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 onder A en stelt dat het bestanddeel wederrechtelijk in art. Z3 van de Kieswet moet worden uitgelegd als in strijd met de Kieswet.

43. De klacht staat niet alleen op gespannen voet met de Nederlandse taal, maar tevens met de algemene opvatting dat het bestanddeel wederrechtelijkheid de reikwijdte van een strafbepaling niet beperkt tot strijd met de wet, in dit geval de Kieswet. In de kern betekent wederrechtelijk in art. Z3 van de Kieswet zonder daartoe gerechtigd te zijn of onbevoegd.19 Anders dan steller van het middel meen ik dan ook dat verwijzing naar de artikel L8 en L10 in de bewijsoverwegingen niet zonder zin is. Het gaat daar, zoals de steller van het middel terecht opmerkt, inderdaad om een ‘andere’ procedure, maar het lijkt mij geenszins onbegrijpelijk uit het tweede lid van artikel L8 in samenhang met art L10 onder a van de Kieswet af te leiden dat alleen de kiezer bevoegd is de gemachtigde aan te wijzen.

44 Het vijfde middeltreft geen doel.

45. Het zesde middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 en B en stelt dat het wederrechtelijk gebruik onvoldoende feitelijk is omschreven in de tenlastelegging en overigens als in het vijfde middel dat het bestanddeel wederrechtelijk in art. Z3 van de Kieswet moet worden uitgelegd als in strijd met de Kieswet.

46. Gelet op de toelichting op het middel is de steller van oordeel dat het hof de tenlastelegging voor zover het betreft 2 en B nietig had moeten verklaren. Een dergelijk verweer hoort thuis in de feitelijke aanleg.20 Desondanks een opmerking. Mede in het licht van de bewijsoverwegingen heeft het hof de tenlastelegging kennelijk aldus opgevat dat met wederrechtelijk gebruik van een volmacht wordt gedoeld op onbevoegd gebruik van een volmacht omdat die niet op de voorgeschreven wijze en onvolledig door de volmachtgever is ingevuld. Dat is geenszins onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en in het bestreden arrest ligt het oordeel van het hof besloten dat de tenlastelegging voldoende feitelijk is omschreven. Voor het overige verwijs naar bespreking van het vijfde middel.

47 Ook het zesde middelfaalt.

48. Het zevende middel klaagt dat de motivering van het bewezenverklaarde opzet ontoereikend is.

49. Uit de bewijsmiddelen dient te blijken dat verdachte de stempassen en dergelijke voorhanden heeft gehad met oogmerk om ze wederrechtelijk te gebruiken. Het middel en de toelichting daarop stellen - als ik het goed zie - eerst de vraag aan de orde of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte de stempassen willens en wetens onder zich had. Dat ligt gelet op het doel dat verdachte voor ogen stond (er gebruik van - laten - maken bij verkiezingen) nogal voor de hand. In de toelichting wordt vervolgens opgemerkt dat het “opzet zal moeten zijn gericht op het voorgenomen wederrechtelijk gebruik”. Dat verdachte oogmerk op de wederrechtelijkheid van het gebruik had, is gelet op zijn stelling dat zijn wijze van handelen niet in strijd met de Kieswet was, meer problematisch. Daarbij dient bedacht te worden dat oogmerk in de opvatting van de Hoge Raad voorwaardelijke opzet uitsluit.21

50. Is bewezen dat verdachte wist van de wederrechtelijkheid van het gebruik? Kan die wetenschap uit de omstandigheden worden afgeleid? 22 Uit bewijsmiddel 22 van de aanvulling op het arrest blijkt dat verdachte (van wie algemeen bekend is dat hij grote ervaring heeft in de plaatselijke en landelijke23 politiek) de stemcoördinator van de VVD te Roermond was. Daaruit heeft het hof kennelijk afgeleid dat verdachte meer dan een gewone burger op de hoogte was van de inhoud van de Kieswet en kennelijk daarmee dus op de hoogte was van de artikelen L8 en L10 van de Kieswet. Zodoende besefte hij of moet hij hebben beseft dat zijn handelen als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg wederrechtelijk gebruik (van de stempassen, volmachten) met zich bracht. Dat het hof kennelijk die wetenschap aanwezig heeft geacht is mijns inziens ook gelet op de overige context van deze zaak niet onbegrijpelijk. Immers aangenomen moet worden dat het hof ervan is uitgegaan dat verdachte (als stemcoördinator) op de hoogte is geweest van de problematiek van het stemmen bij volmacht en de beperkingen die in de loop van de jaren door de wetgever zijn gesteld. Die wettelijke aanpassingen signaleerde ik onder randnummer 41. De handelwijze van verdachte wijst nu juist op het bewust omzeilen van al die wettelijke beperkingen.

51 Het zevende middeltreft geen doel.

52. Het achtste middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 onder A voor zover het gaat om de stempas van [betrokkene 11] .

53. Bewijsmiddel 28 uit de aanvulling bij het arrest vermeldt enkele bij een doorzoeking van de woning van verdachte op 19 oktober 2012 inbeslaggenomen documenten. Het betreft een kopie van een brief van [betrokkene 11] aan de gemeente gedateerd 24 februari 2010 met het verzoek een nieuwe stempas toe te zenden, omdat de stempas kwijt is, een kopie van het paspoort van die [betrokkene 11] en een kopie van de voorzijde van een stempas op naam van die [betrokkene 11] voor de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart 2010.

54. In feitelijke aanleg is blijkens de pleitaantekeningen (p. 28) gesteld dat verdachte “geen bemoeienis heeft gehad”, omdat verdachte een nieuwe stempas bij de gemeente heeft aangevraagd, maar [betrokkene 11] zijn zoon heeft verzocht om voor hem zijn stem uit te brengen. Het hof heeft als bewijsmiddel 29 een verklaring van [betrokkene 11] gebruikt onder meer inhoudende dat hij ( [betrokkene 11] ) de volmacht aan [betrokkene 28] en [betrokkene 29] heeft afgegeven. Ik neem aan dat [betrokkene 28] de zoon is waarop in de pleitaantekeningen wordt gedoeld. Voor zover de steller van het middel van oordeel is dat het wedderrechtelijk gebruik van de stempas van [betrokkene 11] niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgt, onderschrijf ik dat.

55. Het middel gaat er echter aan voorbij dat het (feitelijk) wederrechtelijk gebruik van de stempas voor de bewezenverklaring van feit 2 onder A niet van belang is. Bewezen is immers dat verdachte een stempas voor handen heeft gehad met het oogmerk van wederrechtelijk gebruik. Voorts is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat hetgeen in feitelijke aanleg is aangevoerd door het hof niet is opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.24 Als ik het goed zie wordt de stelling dat verdachte met de stempas geen bemoeienis heeft gehad vooral verdedigd ter adstructie van de omstandigheid dat “het OM geen kaas heeft gegeten van deze kwestie.” Een andere conclusie ontbreekt. Het middel heeft daarmee geen kans van slagen en geheel ten overvloede wijs ik er op dat ik ook niet zie welk belang verdachte bij het slagen van middel heeft. Voor de ernst van feit 2 maakt een stempas meer of minder niet uit.

56 Het achtste middeltreft geen doel.

57. De middelen 9, 10, 11, 12, 13 en 14 richten zich tegen onder meer de motivering van de bewezenverklaring van feit 4.

58. In het bestreden arrest is onder 4 bewezenverklaard:

“dat hij op tijdstippen in de periode van 10 april 2004 tot en met 23 oktober 2012, in de gemeente Roermond en elders in Nederland en Frankrijk en Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, meermalen, als ambtenaar, giften te weten -zakelijk weergegeven-

- bezoeken aan internationale vastgoedbeurzen in München (Expo Real in de jaren 2007 tot en met 2010) en de rondom/ter gelegenheid van die vastgoedbeurzen plaatsvindende bijeenkomsten/ontmoetingen en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende entree- en reis- en verblijfskosten ter waarde van enig geldbedrag en bezoeken aan Cannes (in de jaren 2008 tot en met 2010) en de rondom/ ter gelegenheid van de vastgoedbeurzen aldaar plaatsvindende bijeenkomsten/ontmoetingen en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende reis- en verblijfskosten ter waarde van enig geldbedrag en

- bezoeken aan het WK voetbal in Duitsland in 2006 (op of omstreeks 21 juni 2006) en het EK voetbal in Zwitserland in 2008 (op of omstreeks 9 juni 2008 en 13 juni 2008 en 17 juni 2008) en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende entree- en/of reis- en/of verblijfskosten ter waarde van enig geldbedrag en

- bezoeken aan de (vakantie) woning van [medeverdachte] in [plaats] /Frankrijk (in de periode 10 april 2004 tot en met 11 augustus 2012) en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende reis- en verblijfskosten ter waarde enig geldbedrag en

- bezoeken aan Berlijn (in 2006) en Londen (in 2007) en München (in 2007) en Lourdes (in 2010) en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende reis- en verblijfskosten ter waarde van enig geldbedrag en

- geldbedragen groot 16.660, 00 euro, in en/of via [A] B.V. (in of omstreeks de maand augustus 2006 en september 2006 en februari 2007 en januari 2010 en februari 2010) en

- een financiële bijdrage van 1.785,00 euro, aan de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 (in de vorm van een reclamezuil met billboard met de afbeelding van [betrokkene 5] ) (op of omstreeks 9 november 2012),

gedaan door [medeverdachte] (in privé en/of in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [F] B.V. en/of [I] B.V. en/of [J] B.V. en/of [G] B.V. en/of [H] B.V.)

A.) heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte telkens wist dat deze giften werden gedaan

(1°) (telkens) teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten

en

(2°) (telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten

en/of

B.) heeft gevraagd,

(3°) (telkens) teneinde hem, verdachte, te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten

en

(4°) (telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten,

te weten (telkens) - zakelijk weergegeven-:

- het laten ontstaan en in standhouden en onderhouden en verbeteren van een zodanige relatie tussen hem, verdachte, en die [medeverdachte] en/of aan die [medeverdachte] gelieerde vennootschappen dat hij, verdachte, tegenover die (rechts) perso(o)n(en) voornoemd niet meer zo onafhankelijk kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voornoemde (rechts) perso(o)n(en) als in het geval dat hij , verdachte, die giften niet had aangenomen en/of gevraagd en

- het aanwezig zijn bij door of namens die [medeverdachte] georganiseerde ontmoetingen met potentiele nieuwe opdrachtgevers van die [medeverdachte] en/of aan die [medeverdachte] gelieerde vennootschappen,

terwijl hij verdachte, voornoemde feiten telkens heeft begaan in verband met zijn hoedanigheid als wethouder van de gemeente Roermond.”

59. De bewijsoverwegingen in het bestreden arrest over de feiten 4, 5 en 9 luiden:

“Ter zake van de feiten 4, 5 en 6 wordt de verdachte – kort weergegeven - verweten dat hij in de jaren 2004 tot en met 2010 zich als wethouder van de gemeente Roermond heeft laten omkopen door [medeverdachte] (feit 4), [betrokkene 30] (feit 5), [betrokkene 31] (feit 5), [betrokkene 32] (feit 6) en de aan hun gelieerde vennootschappen.

Bij de beoordeling van die feiten stelt het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de gebezigde bewijsmiddelen het navolgende voorop.

Integriteit en de handhaving daarvan zijn van fundamenteel belang voor een goed functionerende overheid en het vertrouwen van de burger in de overheid.

Teneinde een onafhankelijk en integer bestuur te waarborgen is onder meer in artikel 41a Gemeentewet opgenomen dat een wethouder de eed/belofte dient af te leggen, onder meer inhoudende dat hij om iets in dit - ambt te doen of na te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heeft aangenomen of zal aannemen.

De verdachte was in de periode van april 1998 tot 23 oktober 2012 ambtenaar en wethouder van de gemeente Roermond, met een portefeuille waarvan de kern bestond uit de onderwerpen volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en economische ontwikkelingen. Voor zijn benoeming als wethouder in 1989 had de verdachte reeds een lange carrière als ambtenaar en bestuurder achter de rug, in zowel de gemeentelijke, als de provinciale als de landelijke politiek. Zo was hij gemeenteraadslid van de gemeente Roermond, wethouder (belast met maatschappelijk welzijn en onderwijs) van de gemeente Roermond, lid van Provinciale Staten van Limburg, en lid van Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Om bestuurders een houvast te bieden bij het bepalen van normen omtrent de Integriteit van het bestuur is door de gemeente Roermond in 2003 een gedragscode opgesteld. Zowel in de versie van 2003 als in de latere versie van 2007 is onder meer opgenomen dat een bestuurder van een aanbieder van diensten aan de gemeente geen faciliteiten of diensten aanneemt die zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kan beïnvloeden (art. 2.5) en dat een bestuurder die familie- of persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten aan de gemeente, zich onthoudt van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht (art. 2.4). Voorts is opgenomen dat bij privaat-publieke samenwerkingsrelaties de bestuurder (de schijn van) bevoordeling in strijd met eerlijke concurrentieverhoudingen voorkomt (art. 2.2). De verdachte was bekend met deze gedragscodes.”

60. De pagina’s 39 t/m 49 van het bestreden arrest bevatten bewijsoverwegingen in verband met feit 4. Gelet op de omvang citeer ik hieronder slechts voor zover strikt noodzakelijk.

61. Artikel 363 Sr luidde ten tijde van het begaan van de feiten25:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft de ambtenaar:

1°. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

2°. die een gift of belofte dan wel een dienst aanneemt, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten;

3°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten;

4°. die een gift of belofte dan wel een dienst vraagt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het vooruitzicht van een aanstelling als ambtenaar, indien de aanstelling als ambtenaar is gevolgd, een feit begaat als in het eerste lid, onder 1° en 3°, omschreven.

3. Hij die een feit als omschreven in het eerste lid begaat in verband met zijn hoedanigheid van minister, staatssecretaris, commissaris van de Koning, gedeputeerde, burgemeester, wethouder of lid van een algemeen vertegenwoordigend orgaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

62. Het negende middel klaagt er over dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door het aannemen van (tweede onderdeel na het eerste streepje) bezoeken aan Cannes bewezen te verklaren.

63. In de tenlastelegging van feit 4 is na (en onder) het eerste streepje opgenomen:

“één of meer bezoek(en) aan internationale vastgoedbeurzen in Cannes (Mipim in de jaren 2008 tot en met 2010) en/of in München (Expo Real in de jaren 2007 tot en met 2010) en/of de rondom/ter gelegenheid van die vastgoedbeur(s)(zen) plaatsvindende bijeenkomst(en) /ontmoeting(en) en/of (een gedeelte van) de daarmee verband houdende entree- en/of reis- en/of verblijfskosten ter waarde van afgerond 37.520,00 euro, althans enig geldbedrag en/of”

64. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de bewoordingen in de bewezenverklaring ‘bezoeken aan Cannes’ ruimer zijn dan de woorden ‘bezoeken aan internationale vastgoedbeurzen in Cannes’. De bewezenverklaring kan in het licht van bewijsmiddel 84 (p. 63) in de aanvulling bij het arrest niet anders bedoeld zijn dan betrekking te hebben op bezoeken aan de Vastgoedbeurs Mipim te Cannes in 2008, 2009, 2010. Ik verwijs in dit verband ook naar de bewijsoverwegingen (met name p. 43 halverwege) in het arrest waarin vastgoedbeurzen in München en in Cannes worden aangemerkt als gift en niet in het algemeen wordt gesproken over bezoeken aan Cannes als gift. Ik geef de Hoge Raad in overweging de bewezenverklaring dienovereenkomstig te lezen, zodat van grondslagverlating geen sprake is.

65 Het negende middelfaalt.

66. Middel tien klaagt dat bewezenverklaring voor wat betreft het zesde streepje (de financiële bijdrage aan de verkiezingscampagne) ontoereikend is gemotiveerd. Mede in het licht van de datum vermeld bij het zesde streepje (9 november 2012) is volgens de steller van het middel niet bewezen dat de betaling van de verkiezingsbijdrage, zoals in de aanhef van de bewezenverklaring is vereist, is gepleegd in de periode tussen 10 april 2004 en 23 oktober 2012.

67. Het middel berust op een verkeerde lezing van het bewezenverklaarde. Bewezenverklaard is immers dat verdachte die verkiezingsbijdrage heeft aangenomen (onder A) en/of heeft gevraagd (onder B) in de periode tussen 10 april 2004 en 23 oktober 2012. Aannemen van de bijdrage na de bewezenverklaarde periode sluit niet uit dat deze in de bewezenverklaarde periode is gevraagd. Ik wijs op de bewijsmiddelen 132 t/m 134 in de aanvulling op het arrest. In het bijzonder voor de datum op een e-mailbericht afkomstig van verdachte gedateerd 8/30/2012 met als onderwerp poster VVD en als bericht: “Jongens het is gelukt!! De grootste verkiezingsposter in waarschijnlijk heel Nederland.” In het licht van de bewijsmiddelen 132 en 133 is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft aangenomen dat de vraag om een bijdrage niet alleen reeds voor 30 augustus 2012 is gesteld, maar zelfs dat er al bevestigende beantwoording was. Hoe dan ook kon het hof op basis van het mailbericht bewezen achten dat de bijdrage is gevraagd tussen 10 april 2004 en 23 oktober 2012.26

68 Ook heeft tiende middelkan niet slagen.

69. Het elfde middel klaagt erover dat de bezoeken en bijeenkomsten/ontmoetingen die verdachte heeft aangenomen of gevraagd niet kunnen worden aangemerkt als een gift.

70. In het bestreden arrest heeft het hof over de vraag of de bezoeken en bijeenkomsten/ontmoetingen moeten worden aangemerkt als gift het volgende overwogen (arrest p. 40/41):

“Voor voornoemde bezoeken geldt dat de reis- en verblijfkosten door [medeverdachte] zijn betaald. Weliswaar heeft de verdachte in een aantal gevallen achteraf een bijdrage in die kosten aan [medeverdachte] betaald, maar die bijdragen dekten slechts een deel van de gemaakte kosten.

Door de raadsvrouw zijn, onder verwijzing naar het rapport van [...] accountants & belastingadviseurs, kanttekeningen geplaatst bij de door de Rijksrecherche gemaakte berekening. Daarin worden uitgaven die ter zake van hotelkamers en vluchten per privévliegtuig zijn gedaan niet meegenomen omdat deze uitgaven ook zouden zijn gedaan als de verdachte niet was meegegaan.

Naar het oordeel van het hof wordt ook in de laatst beschreven situatie met de vluchten en het verblijf in hotels iets van waarde overgedragen aan de verdachte.

Dat voorts niet alle uitgaven die de verdachte heeft gedaan zijn meegenomen, zoals door de verdachte is verklaard, laat onverlet dat niet is gebleken dat de verdachte voor het verblijf in de vakantiewoning heeft betaald en in ieder geval een aantal keren de reiskosten van de verdachte naar [plaats] (voor zowel het vliegtuig als de helikopter) door [medeverdachte] zijn betaald.

Wat er zij van de exacte omvang van de uitgaven door [medeverdachte] ten behoeve van de verdachte, naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat [medeverdachte] aanzienlijk meer heeft betaald dan de verdachte.

Aldus is sprake van een overdracht door [medeverdachte] aan de verdachte van iets dat waarde heeft en dus van een gift.

Door de raadsvrouw is voorts aangevoerd dat de giften aan de verdachte in de privésfeer zijn gedaan, nu de verdachte en [medeverdachte] goede vrienden zijn.

Het hof zal op dat laatste nog nader ingaan in overweging 11.4.3., maar wijst er hier reeds op dat ook giften, die privé aan een ambtenaar worden gedaan, giften zijn die in de beoordeling van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen, kunnen worden betrokken. Immers, het enkele feit dat het om een gift in de privésfeer gaat, sluit niet uit dat de omkoper met zijn gift het oogmerk kan hebben om de ambtenaar om te kopen, en dat de ambtenaar zich laat omkopen.”

71. De steller van het middel meent dat uit de tenlastelegging en bewijsmiddelen niet “volgt waarom het enkele reizen of aanwezig zijn op bepaalde plaatsen kan worden gekwalificeerd als een gift aan een ander”. Ik sluit niet uit dat de steller in zoverre gelijk heeft, maar het is niet van (doorslaggevende) betekenis. De opvatting van het hof over wat een gift is in de hierboven geciteerde bewijsoverweging sluit naadloos aan bij de opvatting van de Hoge Raad27 inzake art. 379 Sr NA dat in dit opzicht niet verschilt van art. 363 Sr:

“Een 'gift' in de zin van art. 379 SrNA omvat elk overdragen aan een ander van iets dat voor deze ander waarde heeft (vgl. met betrekking tot art. 177 Sr: HR 25 april 1916, ECLI:NL:HR:1916:32, NJ 1916, p. 551). Dat een gift wordt gedaan in het kader van bijvoorbeeld 'fundraising' staat er niet aan in de weg dat sprake kan zijn van een 'gift' als bedoeld in art. 379 SrNA (vgl. HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8328).”

72. Het ontgaat mij eerlijk gezegd verder waarover nu precies wordt geklaagd, vooral ook omdat het middel noch de toelichting daarop de bewijsoverweging bestrijdt. Dat geldt ook voor zover wordt opgemerkt dat verdachte al jaren met de ‘gever’ en zijn echtgenote is bevriend. Ik volsta met verwijzing naar de overwegingen in het arrest onder het kopje ‘Verweer: vriendschap’ (p. 47/48) nu de steller van het middel daaraan verder geen woord wijdt. De omstandigheid dat verdachte het met name grievend vindt dat een reis naar Lourdes wordt beschouwd als passieve ambtelijke corruptie, maakt dat niet anders.

73 Het elfde middelis kansloos.

74. Het twaalfde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat verdachte heeft gehandeld in strijd met zijn plicht.

75. Ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen was in strijd met zijn (ambts)plicht nog een vereiste in art. 363 Sr, maar met ingang van 1 januari 201528 is het niet meer vereist. De Memorie van toelichting29 houdt daaromtrent in:

“In de rechtspraak wordt inmiddels het onderscheid tussen handelen in strijd met de ambtsplicht en handelen dat niet strijdig is met de ambtsplicht steeds meer gerelativeerd. Naar het oordeel van de rechter is er in bredere zin al vrij snel sprake van handelen in strijd met de ambtsplicht (zie E. Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht, BoomJu, Den Haag 2005, p. 265). Als afzonderlijk bestanddeel heeft het handelen in strijd met de ambtsplicht daarmee aanzienlijk aan belang verloren. Niet het ambtsstrijdig handelen staat centraal, maar íeder ambtelijk handelen dient vrij te blijven van welke geldelijke beïnvloeding dan ook. Ik stel daarom voor in de artikelen 177 en 363 Sr actieve en passieve omkoping van een ambtenaar strafbaar te stellen, onafhankelijk van de vraag of daarbij een ambtsplicht worden geschonden of niet.”

76. Bij verdachte is het handelen in strijd met de plicht in de bewezenverklaring geconcretiseerd door – kort gezegd - dat verdachte als wethouder tegenover [medeverdachte] en de aan hem gelieerde rechtspersonen niet meer zo onafhankelijk kon zijn bij het nemen van beslissingen als in het geval dat hij de giften niet had aangenomen en gevraagd. Daaraan is – weer kort gezegd - de aanwezigheid bij ontmoetingen met potentiele nieuwe opdrachtgevers nog toegevoegd. Het hof zag deze ontmoetingen in de context van de overige bewezenverklaarde contacten tussen verdachte en [medeverdachte] en zijn vennootschappen, de invloed van verdachte op de besluitvorming en het verloop van de projecten.30 Niet is vastgesteld dat de giften enige voorkeursbehandeling ten gevolge hebben gehad. Dat is ook niet zonder meer van bepalende betekenis.31

77. Is inderdaad uitgesloten dat het bewerkstelligen van een onafhankelijkheidsrelatie toereikend is voor handelen in strijd met de ambtsplicht als bedoeld in art. 363 Sr? In de rechtspraak van de Hoge Raad vervaagde het vereiste van gedrag in strijd met de (ambts)plicht (gedrag van de ambtenaar dat op zichzelf al onrechtmatig is).

78. Ik citeer HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584 NJ 2006/38032 dat weliswaar art. 177 Sr betreft, maar onmiskenbaar ook betekenis heeft voor art. 363 Sr:

79. 4.3. Voor wat betreft de hiervoor genoemde klachten dient het volgende te worden vooropgesteld. In een geval als het onderhavige ziet art. 177 Sr niet alleen op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (vgl. HR 27 september 2005, LJN AT8318).”

80. Het door giften of beloften streven naar een voorkeursbehandeling levert volgens de Hoge Raad los van de vraag of deze behandeling wordt gerealiseerd strijd met de ambtsplicht als bedoeld in art. 177 oud Sr op.33 Het gaat hier om de gerichtheid van op een voorkeursbehandeling. Dit lijkt mij evenzeer van toepassing bij een zodanige gerichtheid dat de ambtenaar niet meer kan handelen zoals dat een ambtenaar betaamt te weten onafhankelijk van particuliere belangen. Of de ambtenaar al in de gerealiseerde afhankelijkheid beslissingen heeft genomen is niet bepalend. Zelfs is niet (meer) doorslaggevend of de afhankelijkheid van de ambtenaar van de gulle schenker al daadwerkelijk is gerealiseerd. Anders gezegd de gevaarzetting staat voorop. De betekenis van de woorden in strijd met de plicht was in de rechtspraak van de Hoge Raad al min of meer weg gerelativeerd.

81. Ik wijs in dit verband ook op de volgende overweging van het hof (arrest p. 39):

“Om bestuurders een houvast te bieden bij het bepalen van normen omtrent de integriteit van het bestuur is door de gemeente Roermond in 2003 een gedragscode opgesteld. Zowel in de versie van 2003 als in de latere versie van 2007 is onder meer opgenomen dat een bestuurder van een aanbieder van diensten aan de gemeente geen faciliteiten of diensten aanneemt die zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kan beïnvloeden (art. 2.5) en dat een bestuurder die familie- of persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten aan de gemeente, zich onthoudt van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht (art. 2.4). Voorts is opgenomen dat bij privaat-publieke samenwerkingsrelaties de bestuurder (de schijn van) bevoordeling in strijd met eerlijke concurrentieverhoudingen voorkomt (art. 2.2). De verdachte was bekend met deze gedragscodes.”

82. Bij de gesignaleerde relativering van het bestanddeel ‘in strijd met zijn plicht’ komt daarmee dat het hof betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat verdachte als wethouder in strijd met bepalingen uit door de gemeente Roermond opgestelde gedragscode heeft gehandeld. Dat er is gehandeld in strijd met die gedragscode wordt in de toelichting op het middel niet bestreden en dat oordeel van het hof is bepaald niet onbegrijpelijk.

83 Het twaalfde middelslaagt niet.

84. Het dertiende middel klaagt over schending van onder meer art. 1 Sr en art. 7 EVRM “doordat het hof ten onrechte onder feit 4 tot een bewezenverklaring is gekomen”.

85. Het middel is moeilijk te doorgronden en vraagt bovendien nogal wat inlevingsvermogen. Primair stel ik mij op het standpunt dat geen sprake is van een stellige en duidelijke klacht zodat verdere bespreking achterwege kan blijven.34 Desondanks maak ik een enkele opmerking.

86. In het algemeen wordt een beroep op art. 1 Sr en art. 7 EVRM gedaan om te betogen dat de wettelijke bepaling die een (strafbaar gesteld) verbod bevat te onbepaald is, zodat niet of onvoldoende duidelijk is wat is verboden. In de genoemde bepalingen ligt onder meer besloten dat de burger moet kunnen weten ter zake van welke gedragingen hij kan worden gestraft en welke straf dan kan worden opgelegd, zodat van de wetgever mag worden verlangd dat hij met het oog daarop op een zo duidelijk mogelijk wijze delicten omschrijft en dat hij de daartegen bedreigde straf(fen) zo nauwkeurig mogelijk bepaalt.

87. Het gaat hier om art. 363 Sr. Het middel noch de toelichting daarop richt zich op die bepaling door te betogen dat deze zo vaag is dat een concreet verbod waarnaar de burger zich kan richten er niet in is te lezen. Bij te grote vaagheid van een verbod kan dit (zeer uitzonderlijk) leiden tot onverbindendverklaring van die bepaling met als gevolg dat het bewezenverklaarde niet valt te kwalificeren. In de toelichting op het middel mis ik niet alleen een bestrijding van de voldoende bepaaldheid van het verbod, maar tevens ontbreekt een beroep op de niet verbindendheid van art. 363 Sr. Er wordt in het middel ook niet verwezen naar een ondeugdelijke motivering van enige beslissing op een in feitelijke aanleg gevoerd verweer op dit punt.

88. Ik citeer de, naar ik begrijp, kern van de onderbouwing van het middel:

“De bewezenverklaring is immers zuiver gebaseerd op uit de bewijsmiddelen afgeleide intenties zonder dat die gesubstantieerd kunnen worden door middel van uit bewijsmiddelen blijkende uitlatingen of uit feiten die met die intenties zouden moeten corresponderen, zoals bevoordeling van [medeverdachte] of de met hem gelieerde belangen. Een politicus als verdachte wordt op deze manier het functioneren onmogelijk gemaakt. Hij heeft alle banden die hij met [medeverdachte] had, gemeld, hij onthield zich van stemming wanneer het ging over beslissingen die [medeverdachte] rechtstreeks aangingen, hij meldde de reizen, er zijn geen beslissingen genomen die [medeverdachte] op welke manier dan ook hebben bevoordeeld en de commissie Sorgdrager-Frissen (zie pleitnota appel, p. 46) vond ook al geen vormen van ambtelijke corruptie en toch wordt verdachte uiteindelijk veroordeeld voor passieve corruptie. Aan de eis van duidelijkheid en voorzienbaarheid die art. 7 EVRM aan de strafwet stelt, in het bijzonder wanneer het gaat om politieke ambtsdragers, is daarmee niet voldaan.”

89. Daadwerkelijk bevoordeling van [medeverdachte] is niet tenlastegelegd, bewezenverklaard en evenmin bepalend voor de kwalificatie als strafbaar feit als bedoeld in art. 363 Sr. Waarom het strafbaar stellen van ambtelijke corruptie zonder dat er sprake is van daadwerkelijke bevoordeling in strijd is met art. 1 Sr en/of art. 7 EVRM wordt door de steller van het middel niet naar voren gebracht en ik acht mij ontslagen van de plicht om daar nader op in te gaan. Overigens leid ik uit de rechtspraak van de Hoge Raad af dat een geslaagd beroep op beide bepalingen in verband met bepaaldheidsgebod zich niet spoedig zal voordoen.35

90. Vrijwel geheel in de woorden van een arrest van de Hoge Raad uit 201236 geldt nog het volgende. Voor zover de klacht inhoudt dat het Hof heeft miskend dat de regel van art. 363 Sr zodanig ondoorzichtig is dat voor de verdachte niet voorzienbaar was dat zijn handelen strafbaar was, kan deze klacht niet tot cassatie leiden omdat zodanig beroep op schending van art. 7 EVRM niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan, aangezien zulks mede een onderzoek van feitelijke aard zou vergen waarvoor in cassatie geen plaats is. Voor zover behalve art. 7 EVRM ook art. 1 Sr aan het middel ten grondslag wordt gelegd, geldt het zelfde.

91 Het dertiende middelis kansloos.

92. Het veertiende middel klaagt over de kwalificatie van de in feit 4 bewezen verklaarde betalingen van [medeverdachte] als gift.

93. Ik begrijp de toelichting op het middel zo dat het verweer dat er niet sprake was van een gift, maar van gewone vriendschap en dat uit de vriendschap tussen verdachte en [medeverdachte] voortvloeit dat er betalingen door [medeverdachte] aan verdachte zijn gedaan en dat die betalingen in de tenlastelegde periode veel geringer waren dan daarbuiten. Als ik het goed begrijp, moet dat laatste ook ondersteunen dat juist in de tenlastegelegde periode niet van giften sprake was en is de klacht in dit middel dat het hof nu juist over de vraag of die geringere betalingen inderdaad steun opleveren voor de stelling dat geen giften waren moeten beslissen.

94. Het arrest bevat uitvoerige bewijsoverwegingen over ‘giften’ (p. 40-43) en het ‘verweer: vriendschap’ (p. 47-48). Het hof heeft onder meer overwogen (p.48):

“Het hof zal dan ook geen scheiding tussen vriendschappelijke en zakelijke bezoeken aanbrengen. De omstandigheid dat de verdachte en [medeverdachte] vrienden zijn, kan geen rechtvaardiging vormen voor het feit dat de verdachte de hierboven omschreven giften heeft aangenomen. Juist van de verdachte mocht, als wethouder, worden verwacht dat hij alert zou zijn en dat hij bij twijfel omtrent de aard- en de omvang van de giften, deze had geweigerd.

Het voorgaande maakt dat de vriendschap tussen de verdachte en [medeverdachte] geen ander licht werpt op de giften en de (voor de verdachte kenbare) redenen waarom deze giften werden gedaan.”

95. Ik stel voorop dat in de toelichting op het middel weliswaar wordt opgemerkt dat in feitelijke aanleg is gewezen op het gebruikelijke karakter van de (om en om) betalingen, maar ik lees daarin niet dat er in feitelijke aanleg een uitdrukkelijk voorgedragen verweer is gevoerd dat de betalingen buiten de tenlastegelegde periode mogelijk wel zijn te kwalificeren als gift en die in de tenlastegelegde periode nu juist niet, omdat ze geringer waren. Er wordt ook niet verwezen naar passages in de pleitnota waar een dergelijk kwalificatieverweer is te vinden. Het middel mist daarmee feitelijke grondslag en het hof behoefde daarom niet in te gaan op de vraag of er geen sprake was van een gift omdat de betalingen in de tenlastegelegde periode geringer waren dan daarbuiten.

96. Overigens ligt de reactie op het verweer besloten in de hierboven in verband met dit middel geciteerde gedeelte van de bewijsoverwegingen. De omvang van de betalingen is niet bepalend. Relevant is dat er geen reden is ‘zakelijke’ en ‘vriendschappelijke’ giften verschillend te behandelen en hetgeen mocht worden verwacht als verdachte in zijn positie als wethouder. De onder feit 4 bewezenverklaarde feiten zijn gelet op die bewezenverklaring begaan op tijdstippen in de periode van 10 april 2004 tot en met 23 oktober 2012, terwijl verdachte de feiten heeft begaan in verband met zijn hoedanigheid als wethouder van de gemeente Roermond.37

97 Het veertiende middelheeft geen kans van slagen.

98. Het vijftiende middel klaagt naar ik begrijp over de onbegrijpelijke motivering van de beslissing van het hof die inhoudt dat het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaring van de getuige [getuige 1] wegens onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs mag worden gebruikt, wordt verworpen.

99. De aanvulling met bewijsmiddelen op het bestreden arrest houdt als bewijsmiddel 100 in:

“Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 juni 2013 van de Rijksrecherche met nr. 20130614.1215.GET. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD.03.11.4220 e.v.):

als de op 14 juni 2013 afgelegde verklaring van [getuige 1] :

[verdachte] was op vakantie geweest met [medeverdachte] in [plaats] . Hij ging vaak met [medeverdachte] op vakantie en iedere keer als [verdachte] dan terug kwam dan was er weer iets wat geregeld moest worden.”

100. Het bestreden arrest houdt de volgende beslissing van het hof in (p. 49):

“De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaringen afgelegd door [getuige 1] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, nu zij onbetrouwbaar zijn. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de door de getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te worden gebezigd. Haar verklaringen zijn consistent en vinden op belangrijke onderdelen ook steun in andere bewijsmiddelen. Het verweer van de raadsvrouw ter zake wordt verworpen.”

101. Ik stel voorop dat gelet op de toelichting op het middel de klacht zich beperkt tot het tweede gedeelte van de tweede zin van de voor het bewijs gebruikte verklaring van de getuige. De steller van het middel acht kennelijk de verklaring van de getuige voor het overige wel betrouwbaar, consistent en ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het is mijns inziens inderdaad niet voor discussie vatbaar dat de eerste zin en de het eerste deel van de tweede zin van de verklaring van de getuige voldoende betrouwbaar en consistent zijn alsmede steun vinden in overige bewijsmiddelen. In zoverre is verwerping van het betrouwbaarheidsverweer dus geenszins onbegrijpelijk. De laatste zinssnede van de verklaring acht het hof eveneens betrouwbaar. De bewoordingen van de verwerping van het verweer door het hof dwingen niet tot de lezing dat voor dat laatste deel eveneens geldt dat het consistent is en steun vindt in andere bewijsmiddelen. Blijft dan immers nog staan dat het hof ook dat deel betrouwbaar acht. Reeds om die reden treft het middel geen doel.

102. Voor zover er desondanks van wordt uitgegaan dat het hof alle onderdelen van de verklaring van de getuige consistent acht, nog het volgende. In de toelichting op het middel wordt herhaald waarom in feitelijke aanleg is betoogd dat de verklaring van de getuige inconsistent is. De getuige kon tijdens een nader verhoor slechts een enkel voorbeeld geven van wat moest worden geregeld bij terugkeer van verdachte na een reis met [medeverdachte] . De feitelijke waardering van het ontbreken van concrete herinnering in (een geruime tijd later plaatsvindend) nader verhoor door de rechter-commissaris is voor de steller van het middel ook thans kennelijk nog steeds anders dan die van het hof, maar voor nadere toetsing van die feitelijke waardering is in cassatie geen ruimte. Een en ander leidt niet tot de conclusie dat de motivering van het hof dat de verklaring van de getuige consistent is, ontoereikend of onbegrijpelijk is.

103. De steller van het middel heeft, in ieder geval op het eerste gezicht, gelijk dat andere bewijsmiddelen niet ondersteunen dat “iedere keer als [verdachte] dan terug kwam dan was er weer iets wat geregeld moest worden.” Noodzaak omdat dat nader te onderzoeken zie ik niet omdat, zoals ik al opmerkte, de bewoordingen van het hof zo kunnen worden gelezen dat de steun uit andere bewijsmiddelen slechts geldt voor andere onderdelen van de verklaring van de getuige.

104. Ook het vijftiende middel faalt.

105. Beide laatste klachten hebben respectievelijk betrekking op de feiten 4, 5 en 6 (het zestiende middel) en feit 7 (het zeventiende middel).

106. Het zestiende middel klaagt over schending van onder meer de art. 1 Sr en art. 7 EVRM “doordat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de in de feiten 4, 5 en 6 aangegeven betalingen ten behoeve van de VVD (dat wil zeggen de betalingen aan [A] BV en de betalingen aan de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2012) en de gevraagde diensten van [betrokkene 32] bij mogen dragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit.”

107. Dit middel betreft niet alleen de eerder geciteerde bewezenverklaring van feit 4 (zich laten omkopen door [medeverdachte] ), maar ook van feit 5 (zich laten omkopen door [betrokkene 30] ) en van feit 6 (zich laten omkopen door [betrokkene 32] ). Het gaat in dit middel voor wat betreft alle drie feiten om het vragen van bijdragen aan de verkiezingscampagne van de VVD. Aan een beter begrip van het middel draagt het citeren van de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen of de bewijsoverwegingen niet bij. Ik laat dat dan ook achterwege.

108. Zowel voor wat betreft de aan een middel te stellen eisen als voor wat betreft de schending van de art. 1 Sr en art. 7 EVRM verwijs ik naar hetgeen is opgemerkt bij de bespreking van middel 13.

109. Ik begrijp dat de kern van het middel is:

“Bij pleidooi is uitgebreid (p. 56-63, met bijlagen) laten zien dat in de periode waarop de tenlastegelegde feiten zien, a) andere politici inderdaad ook dergelijke verzoeken aan ondernemers doen, b) verdachte nog veel meer ondernemers met succes heeft benaderd die niet op de tenlastelegging zijn terecht gekomen, c) het OM in andere gevallen weigert om dergelijke politici te vervolgen, indien tegen hen in een volledig identieke situatie aangifte wordt gedaan op grond van art. 363 Sr, en d) het Hof Den Haag zelf een beklag op grond van art. 12 Sv tegen een dergelijke beslissing van het OM ongegrond verklaart omdat er onvoldoende verdenking is van passieve ambtelijke corruptie (Hof Den Haag 14 december 2016, bijlage 24c bij het pleidooi).

In het licht van de hiervoor geschetste terughoudendheid [gedoeld wordt op de terughoudendheid voortvloeiende uit de art. 1 Sr en art. 7 EVRM; PCV] had het hof derhalve niet tot een bewezenverklaring mogen komen waarin deze betalingen voor het bewijs worden gebruikt, althans heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval anders moet worden geoordeeld.”

110. Ik kan niet volgen dat de aangevoerde omstandigheden dwingen tot vrijspraak en evenmin dat de motivering van de bewezenverklaring ontoereikend of onbegrijpelijk is en meen daarmee te kunnen volstaan.

111. Het zestiende middel is kansloos

112. Het zeventiende middel klaagt dat “het hof ten onrechte ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde feit tot een bewezenverklaring is gekomen in plaats van de dagvaarding in zoverre nietig te verklaren, althans verdachte vrij te spreken“.

113. Onder 7 is ten laste van verdachte bewezen verklaard:

“dat hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2012 in Nederland,

telkens girale geldbedragen heeft omgezet, terwijl hij, verdachte telkens wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”

114. Het middel richt zich niet tegen enige beslissing van het hof naar aanleiding van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer om de dagvaarding nietig te verklaren (art. 358 lid 3 Sv). Voor zover de klacht inhoudt dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, merk ik op dat daarover niet voor het eerst in cassatie kan worden geklaagd.38 Daarvoor hangt de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding te zeer samen met waarderingen van feitelijke aard (onder meer wat betreft de vraag of en in hoeverre bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten).

115. Voor zover de klacht inhoudt dat verdachte had moeten worden vrijgesproken geldt dat die klacht zich niet richt tegen een door het hof genomen beslissing, maar dat een andere beslissing dan het hof heeft genomen wordt voorgestaan. Ook dat laatste is niet aan de Hoge Raad, maar hoort thuis bij de feitenrechter.

116. Voor zover de klacht zich tenslotte richt tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 7 ontbreekt een stellige en duidelijke klacht zodat verdere bespreking achterwege kan blijven.39

117. Het zeventiende middel is kansloos.

118. De middelen falen en de middelen 2, 3, 5, 6, 8 t/m 11 en 13 t/m 17 kunnen in ieder geval worden afgedaan met een motivering ontleend aan de bewoordingen van art. 81, eerste lid, RO.

119. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

120. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:GHDHA:2017:3702.

2 Voor het onder 1 (subsidiair) bewezenverklaarde feit bestaat verband met een reeds eerder door de HR afgedane zaak: HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1330, NJ 2016/307.

3 HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:2007:BA8454, NJ 2008/26 m.nt. Alkema.

4 Zie hierover nader de conclusie van AG Van Dorst bij HR 8 december 1998, NJ 1999/224 (onder verwijzing naar Van Hamel, Inleiding tot de studie van het Nederlandsche strafrecht, 4e druk, p. 554).

5 J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, tweede druk, Deventer 2011, p. 79. Vgl. ook D.H. de Jong, De macht van de telastelegging in het strafproces, Arnhem 1981, p. 126 en 127. Hij spreekt over een destijds geldende engere invulling van het opportuniteitsbeginsel waarbij het OM ‘vol’ diende te vervolgen.

6 Zie ook art. 483, eerste lid, oud Sv dat ten tijde van het plegen van de feiten inhield dat de artikelen 4-9 van die wet van kracht blijven. Bij wet van 11 juli 2018, Stb. 2018, 245 (i.w.tr. 19 september 2018) is art. 483 Sv vervallen. Zie voorts ook H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, vierde deel, 1884, blz. 309; D.J. Elzinga, Over de Hoge Raad als `Forum Privilegiatum' voor parlementariërs en bewindslieden, TvO 1985, blz. 424-428; D.J. Elzinga, 'De strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid', in: D.J. Elzinga (red), Ministeriële verantwoordelijkheid in Nederland, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, p. 69, J.L.W. Broeksteeg e.a., Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ministers, NJB 2000, blz. 965-971; J.L. de Wijkerslooth en J. Simonis, De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen, NJB 2004, blz. 672-678.

7 Zie het Besluit van 7 september 2018, Stb. 2018, 132.

8 In de per 19 september 2018 gemoderniseerde regeling luidt art. 4 lid 2: “De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.” Lid 3 van dit artikel luidt: “De procureur-generaal bij de Hoge Raad is verplicht aan de ontvangen opdracht tot vervolging onmiddellijk gevolg te geven.” Zie over de gemoderniseerde regeling J.T. Duin, J.S. van Galen, P.J. Huisman en S.E. Zijlstra, Strafrechtelijke vervolging van leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen. Hoe nu verder?, NJB 2017/667. Inmiddels geldt het Protocol inzake de behandeling van aangiften bij een ministerie, het openbaar ministerie of de procureur-generaal bij de Hoge Raad tegen leden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen, Ministerie van Justitie en Veiligheid; Stcrt. 2018, 3803.

9 Zie over de in art. 44 Sr gebruikte begrippen `schending van een bijzondere ambtsplicht', en `macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken': Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 4 op art. 44; T&C Sr, aant. 5 op art. 44.. Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, aant. 5 op art. 483, beveelt als maatstaf aan; "dat het feit hoogst waarschijnlijk niet zonder de door het ambt geboden faciliteiten begaan zou worden". Gebruik van een telefoonaansluiting van de Staten-Generaal is doorgaans onvoldoende. Het kan immers toeval zijn dat een telefoongesprek wordt gevoerd via die aansluiting.

10 Ook in het kader van een beklag tegen de niet vervolging van bewindspersonen is enig onderzoek naar een strafbaar feit door de Hoge Raad niet aan de orde, omdat de opdracht tot vervolging ter zake van zodanige ambtsmisdrijven slechts kan worden gegeven bij Koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer. Zie HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9736, NJ 2006/243.

11 Ik neem dus ook de inkleding van het verweer in aanmerking. Zo is er bijvoorbeeld niet gesteld dat er een (oriënterend) onderzoek (van de PG naar analogie van het eerder in een noot vermelde Protocol uit 2018) is geweest waarbij is vastgesteld dat art. 44 Sr van toepassing is.

12 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee ECLI:NL:PHR:2016:452 randnummers 26 t/m 29.

13 Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 691, nr. 3, p. 7.

14 Zie daarover H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem 1881, p. 402-404. De tekst van art. 272 lid 1 Sr is vastgesteld bij de Wet van 30 juni 1967, Stb. 377. Die wet beoogde vooral meer eenheid bij de strafbaarstelling van schending van geheimen, Zie verder onder meer Tweede Kamer, vergaderjaar 1966-1967, 8538, nr. 6.

15 Vgl. bijvoorbeeld HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2343, NJ 2003/274. Zie overigens voor de relativering van de geheimhoudingsverplichting Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aantek. 7 bij art. 272 Sr. Voor leden van een vertrouwenscommissie geldt in hun onderlinge communicatie niet de verplichting het geheim te bewaren.

16 Reeds in het voorstel van wet was deze bepaling vervat in art. Y3. Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20 264, nrs. 1-2. De MvT (Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20 264, nr. 3, p 165) houdt in: “Artikelen Y1, Y2 en Y3. Deze artikelen komen overeen met de huidige artikelen X 1, X 2 en X 3, met dien verstande dat de mogelijkheid geldboete op te leggen daarin uitdrukkelijk is neergelegd.” De bepaling is daarmee ontleend aan de Kieswet 1951 (die in de plaats kwam van de Kieswet 1896).

17 Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20 264, nr. 3, p. 66 en 67.

18 Zie onder meer over stemmen bij volmacht D.J. Elzinga e.a., Het Nederlandse kiesrecht, Deventer 2012, p. 182-194.

19 Ik volsta hiermee onder verwijzing naar de onderdelen 3.1., 3.2, en 3.3 in de Inleiding op Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht van de hand van mijn voormalig ambtgenoot Machielse.

20 Zie voor nadere toelichting onder randnummer 107.

21 Onderdeel 5.10 in de Inleiding op Noyon/Langemeijer/Remmelink. Idem J. De Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer 2018, p. 255.

22 Zie ook G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer 2015, p.130/131.

23 Van 16 september 1982 tot 14 september 1989 en 11 januari 1991 tot 19 mei 1998 lid van de Tweede Kamer en van 7 juni 2011 tot 23 oktober 2012 lid van de Eerste Kamer (www.parlement.com geraadpleegd op 6 maart 2019).

24 Zie voor de daaraan te stellen eisen HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt Buruma.

25 Met ingang van 1 januari 2015 is bij de Wet van 19 november 2014, Stb. 2014, 455 art. 363 Sr herzien. In het eerste lid, aanhef is «vier jaren» vervangen door «zes jaren», in het eerste lid, onderdelen 1° tot en met 4° is telkens ‘in strijd met zijn plicht’ vervallen en in het derde lid is «zes jaren» vervangen door acht jaren.

26 De datum 9 november 2012 is naar ik begrijp een boekdatum in de administratie en is dus niet van betekenis voor het tijdstip van vragen of aannemen van en gift.

27 HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2157.

28 Wet van 19 november 2014, Stb. 2014, 455.

29 Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 685, nr. 3, p. 6.

30 Zie de slotzin p. 44 van de in het arrest opgenomen bewijsoverwegingen.

31 Zie bijvoorbeeld r.o. 5.3 van HR 22 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4894, NJ 2000/557.

32 Vergelijk voorts hof Den Haag 30 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1751 (Rotterdamse havenzaak). Het enkele aannemen van giften in verband met het verstrekken van projecten en het in stand houden of verbeteren van de zakelijke relatie behoeft nog geen schending van de ambtsplicht op te leveren (HR 22 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4894, NJ 2000/557).

33 Vgl. ook T.R. van Roomen en E. Sikkema, Corruptiedelicten, Deventer 2016, p. 72-74. Mijn ambtgenoot Hofstee kent gewicht toe aan de vraag of de ambtenaren een wettelijke verplichting niet nakomen: het verstrekken van een fictieve opdracht en opmaken van en valse offerte is in strijd met de ambtsplicht (ECL:NL:PHR:2015:353).

34 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer 2018, p. 77.

35 Ik volsta met verwijzing naar HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4822, NJ 2009/481 (art. 8 WOS), HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1490, NJ 2002/483 (art. 8 lid 1 oud APV Tilburg), HR 5 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8825, NJ 2001/98 (art. 239 Sr), HR 8 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2139, NJ 1994/758 (art. 7 Vogelwet 1936) en HR 9 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC0740, NJ 1989/109 (art. 114 WMSr). Zie ook punt 6 van de noot (inclusief verwijzingen) van Sackers bij HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2153, NJ 2019/83

36 HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4096, NJ 2012/593 r.o. 3.3.

37 Zie ook de bewijsoverweging op p. 38 van het arrest: ”De verdachte was in de periode van april 1998 tot 23 oktober 2012 ambtenaar en wethouder van de gemeente Roermond, met een portefeuille waarvan de kern betond uit de onderwerpen volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en economische ontwikkelingen”.

38 Vgl. voor de interne kant van de dagvaarding (art. 261 Sv) HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541 m.nt. Reijntjes. Idem overigens voor de uitreiking van de dagvaarding HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m.nt. Sch (in het bijzonder r.o. 3.41).

39 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer 2018, p. 77.