Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:482

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
18/00043
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Veroordeling ter zake van omkoping van twee wethouders van de gemeente Roermond (art. 177 Sr). Drie middelen bevatten bewijsklachten en in middel 3 is de vraag aan de orde welke (zelfstandige) betekenis toekomt aan het bestanddeel ‘in strijd met een ambtsplicht’ als bedoeld in art. 177 oud Sr? De AG geeft de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00043

Zitting: 14 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 20 december 2017 door het hof Den Haag1 wegens onder 1 en 2 (telkens) “Aan een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten meermalen gepleegd en aan een ambtenaar een gift doen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn bediening in strijd met zijn plicht is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een geldboete van € 40.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 235 (tweehonderdvijfendertig) dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/00168. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde (omkoping [medeverdachte] ), het tweede middel klaagt over de motivering van het onder 2 bewezenverklaarde (omkoping [betrokkene 1] ). De klachten bevatten overlappingen. Het derde middel klaagt over motivering van het bewezenverklaarde ‘in strijd met zijn plicht’ onder 1 en 2. Het vierde middel2 klaagt over de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde, in het bijzonder over een innerlijke tegenstrijdigheid daarin.

5. In het bestreden arrest is ten laste van verdachte bewezen verklaard:

1. dat hij op tijdstippen in de periode van 10 april 2004 tot en met 23 oktober 2012, in de gemeente Roermond en elders in Nederland en in Frankrijk en Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, meermalen,

een ambtenaar, te weten [medeverdachte] , in zijn hoedanigheid van wethouder (van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening, Economische ontwikkelingen, Monumenten, Toerisme en recreatie en Regionale samenwerking) van de gemeente Roermond , giften te weten -zakelijk weergegeven-:

- bezoeken aan internationale vastgoedbeurzen in München (Expo Real in de jaren 2007 tot en met 2010) en de rondom/ter gelegenheid van die vastgoedbeurzen plaatsvindende bijeenkomsten/ontmoetingen en/of (een gedeelte van) de daarmee verband houdende entree- en reis- en verblijfskosten ter waarde van enig geldbedrag en bezoeken aan Cannes (in de jaren 2008 tot en met 2010) en de rondom/ter gelegenheid van de vastgoedbeurzen aldaar plaatsvindende bijeenkomsten/ontmoetingen en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende reis- en verblijfkosten ter waarde van enig geldbedrag en

- bezoeken aan het WK voetbal in Duitsland in 2006 (op of omstreeks 21 juni 2006) en het EK voetbal in Zwitserland in 2008 (op of omstreeks 9 juni 2008 en 13 juni 2008 en 17 juni 2008) en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende entree- en/of reis- en/of verblijfskosten ter waarde van enig geldbedrag en

- bezoeken aan zijn, verdachtes (vakantie)woning in St.Tropez/Frankrijk (in de periode 10 april 2004 tot en met 11 augustus 2012) en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende reis- en verblijfskosten ter waarde van enig geldbedrag en

- bezoeken aan Berlijn (in 2006) en Londen (in 2007) en München (in 2007) en Lourdes ( in 2010) en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende reis- en verblijfskosten ter waarde van enig geldbedrag en

- geldbedragen groot 16.660,00 euro, in en/of via [A] B.V. (in of omstreeks de maand augustus 2006 en/of september 2006 en februari 2007 en januari 2010 en februari 2010) en

- een financiële bijdrage van 1.785,00 euro, aan de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 (in de vorm van een reclamezuil met billboard met de afbeelding van [betrokkene 4] ) (op of omstreeks 9 november 2012),

heeft gedaan zulks

(1°) (telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten

en

(2°) (telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door die [medeverdachte] , in zijn huidige en/of vroegere bediening, al dan niet in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten,

te weten (telkens) -zakelijk weergegeven-:

- het laten ontstaan en in stand houden en onderhouden en verbeteren van een zodanige relatie tussen enerzijds die [medeverdachte] en anderzijds verdachte en/of aan verdachte gelieerde vennootschap(pen) dat die [medeverdachte] tegenover verdachte en aan verdachte gelieerde vennootschappen niet meer zo onafhankelijk kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot verdachte en/of aan verdachte gelieerde vennootschappen als in het geval dat hij, verdachte die giften niet had gedaan en die [medeverdachte] die niet had aangenomen en

- het aanwezig zijn bij door of namens verdachte georganiseerde ontmoetingen met potentiële nieuwe opdrachtgevers van verdachte en/of aan verdachte gelieerde

vennootschappen;

2. dat hij op tijdstippen in de periode van 3 mei 2005 tot en met 30 juni 2012 in Nederland en in Duitsland en Zwitserland, meermalen, een ambtenaar, te weten [betrokkene 1] , in zijn hoedanigheid van wethouder (van Financiën, Juridische Zaken en Eigendommen) van de gemeente Roermond en/of directeur van [B] ( [B] B.V.), giften, te weten -zakelijk weergegeven-:

- bezoeken aan het WK voetbal in Duitsland in 2006 (op of omstreeks 21 juni 2006) en het EK voetbal in Zwitserland in 2008 (op of omstreeks 17 juni 2008) en (een gedeelte van) de daarmee verband houdende entree- en/of reis- en/of verblijfskosten ter waarde enig geldbedrag

- bloemen van [C] te Roermond (omstreeks 30 juni 2012) ter waarde van 125,00 euro, en

- een donatie aan/ten behoeve van [D] voor een bedrag van 1.000,00 euro (omstreeks 3 mei 2005) en

- donaties aan/ten behoeve van [E ] voor een totaalbedrag van 7.000,00 euro, (omstreeks 16 juli 2007 en 21 juni 2010),

heeft gedaan zulks

(1 °) (telkens) met het oogmerk om die [betrokkene 1] te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten

en

(2°) (telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door die [betrokkene 1] , in zijn huidige en/of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten,

te weten (telkens) -zakelijk weergegeven-:

- het laten ontstaan en in stand houden en onderhouden en verbeteren van een zodanige relatie tussen enerzijds die [betrokkene 1] en anderzijds verdachte en/of aan verdachte gelieerde vennootschappen dat die [betrokkene 1] tegenover verdachte en/of aan verdachte gelieerde vennootschappen niet meer zo onafhankelijk kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot verdachte en/of aan verdachte gelieerde vennootschappen als in het geval dat hij, verdachte die giften niet had gedaan en die [betrokkene 1] die giften niet

had aangenomen.

6. Het bestreden arrest is aangevuld met bewijsmiddelen. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

7.1 De feiten 1 en 2

In de tenlastelegging wordt de verdachte onder feit 1 het verwijt gemaakt dat hij in de jaren 2004 tot en met 2012 de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), wethouder in de gemeente Roermond , heeft omgekocht. De verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij in de jaren 2005 tot en met 2012 medeverdachte [betrokkene 1] , wethouder in de gemeente Roermond en directeur van [B] (hierna: [B] ), heeft omgekocht.

Bij de beoordeling van die feiten stelt het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het navolgende voorop.

Integriteit en de handhaving daarvan zijn van fundamenteel belang voor een goed functionerende overheid en het vertrouwen van de burger in de overheid.

Teneinde een onafhankelijk en integer bestuur te waarborgen is onder meer in artikel 41a Gemeentewet opgenomen dat een wethouder de eed/belofte dient af te leggen, onder meer inhoudende dat hij om iets in dit ambt te doen of na te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heeft aangenomen of zal aannemen.

Om bestuurders een houvast te bieden bij het bepalen van normen omtrent de integriteit van het bestuur is door de gemeente Roermond in 2003 een gedragscode opgesteld. Zowel in de versie van 2003 als in de latere versie van 2007 is onder meer opgenomen dat een bestuurder van een aanbieder van diensten aan de gemeente geen faciliteiten of diensten aanneemt die zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kan beïnvloeden (art. 2.5) en dat een bestuurder die familie- of persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten aan de gemeente, zich onthoudt van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht (art. 2.4). Voorts is opgenomen dat bij privaat-publieke samenwerkingsrelaties de bestuurder (de schijn van) bevoordeling in strijd met eerlijke concurrentieverhoudingen voorkomt (art. 2.2).

De verdachte was in de tenlastegelegde periode werkzaam als projectontwikkelaar. Hij was (indirect) bestuurder van [F] B.V., [G] B.V., [H] B.V., [I] B.V. en [J] B.V. Gelet op de verwevenheid tussen de verdachte privé en in diens hoedanigheid van directeur/bestuurder van de voornoemde aan hem gelieerde vennootschappen, wordt in het hierna volgende met “ [verdachte] ” of “de verdachte” bedoeld zowel de verdachte als privépersoon, als ook de verdachte als directeur/bestuurder, alsmede één van de voornoemde vennootschappen.

In de tenlastegelegde periode liepen er diverse grote vastgoedprojecten in de gemeente Roermond van de verdachte of waar de verdachte bij betrokken was. Het gaat dan onder meer om de ontwikkeling van het […] (realisering van een ondergrondse parkeergarage en huisvesting van het stadsdeelkantoor), […] , […] (ook wel […] of […] genoemd) en […] .

7.2 Feit 1 omkoping [medeverdachte]

was in de periode van april 1998 tot 23 oktober 2012 ambtenaar en wethouder van de gemeente Roermond , met een portefeuille waarvan de kern bestond uit de onderwerpen volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en economische ontwikkelingen.

Voordat [medeverdachte] wethouder werd zijn er door [medeverdachte] afspraken gemaakt, die ook mondeling zijn meegedeeld bij de start van de coalities van 1998. Die afspraken waren:

- Nooit overleg zonder ambtenaren;

- Nooit onderhandelingen of overleg over financiële zaken; altijd andere wethouders;

- Bij kritiek is [medeverdachte] niet de aangewezen persoon maar de gemeentesecretaris e/o de Burgemeester.

- Bij gezamenlijke familievakanties e/o reizen zal [medeverdachte] dat melden aan het College.

De verdachte heeft verklaard dat hij globaal bekend was met de regels waar [medeverdachte] zich in het kader van de afspraken en de gedragscode van de gemeente Roermond aan diende te houden.

7.2.1 Giften

Het doen van een gift (in de zin van de ambtelijke omkopingsbepalingen in het Wetboek van Strafrecht) kan volgens vaste rechtspraak worden beschouwd als elk overdragen aan een ander van iets dat voor deze materiële of immateriële waarde heeft. Van een persoonlijke bevoordeling hoeft geen sprake te zijn. Met dit juridisch kader voor ogen zal het hof hierna de tenlastegelegde giften bespreken.

Bezoeken

Ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen bezoeken is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen dat deze hebben plaatsgevonden.

[medeverdachte] is in 2007, 2008, 2009 en 2010 met de verdachte naar de vastgoedbeurs Expo Real in München gereisd en heeft samen met de verdachte aldaar verbleven. In 2008, 2009 en 2010 is [medeverdachte] samen met de verdachte naar Cannes gereisd en heeft daar in een hotel verbleven ten tijde van de vastgoedbeurs (Mipim). Voorts heeft [medeverdachte] op uitnodiging van de verdachte in 2006 een wedstrijd van het Nederlands elftal tijdens het WK-voetbal in Duitsland en in 2008 drie wedstrijden van het Nederlands elftal tijdens het EK-voetbal in Zwitserland bijgewoond. [medeverdachte] is in genoemde periode een aantal keer per jaar naar de vakantiewoning van de verdachte in St. Tropez gereisd en heeft daar verbleven. Samen met de verdachte heeft [medeverdachte] in 2006 Berlijn en in 2007 Londen en München bezocht. In 2010 heeft [medeverdachte] samen met de echtgenote van de verdachte Lourdes bezocht, welke reis door de verdachte is betaald.

Voor voornoemde bezoeken geldt dat de reis- en verblijfkosten door de verdachte zijn betaald. Weliswaar heeft [medeverdachte] in een aantal gevallen achteraf een bijdrage in die kosten aan de verdachte betaald, maar die bijdragen dekten slechts een deel van de gemaakte kosten.

Door de raadsman is aangevoerd dat de giften aan [medeverdachte] door de verdachte in de privésfeer zijn gedaan, nu hij en [medeverdachte] goede vrienden zijn.

Het hof zal op dat laatste verderop onder 7.2.3 nog nader in gaan, maar wijst er hier reeds op dat ook giften, die privé aan een ambtenaar worden gegeven, giften zijn die in de beoordeling kunnen worden betrokken. Immers, het enkele feit dat het om een gift in de privésfeer gaat, sluit nog niet uit dat de omkoper met zijn gift het oogmerk kan hebben om de ambtenaar om te kopen en dat de ambtenaar zich daarmee laat omkopen.

Donaties aan [A]

Het hof overweegt ten aanzien van de donaties aan [A] B.V. (hierna [A] ) het volgende.

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat [A] een op initiatief van [medeverdachte] in 1999 opgerichte besloten vennootschap is.

De verdachte heeft op verzoek van [medeverdachte] diverse keren geldbedragen betaald aan [A] . In totaal ging het in de tenlastegelegde periode om een bedrag van

€ 16.600,-.

De raadsman heeft aangevoerd dat deze betalingen zijn gedaan ten behoeve van de VVD en niet als gift aan [medeverdachte] kunnen worden aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[medeverdachte] deed verzoeken aan de verdachte om aan [A] geld te betalen. De verdachte heeft bevestigd dat [medeverdachte] hem dat heeft gevraagd. Door [A] werd daartoe telkens een factuur aan de verdachte gezonden.

Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat een betaling aan [A] van waarde was voor [medeverdachte] en dat de verdachte dat ook wist. Dat [medeverdachte] vanuit [A] vervolgens ook betalingen deed die ten goede kwamen aan de VVD doet aan de waarde van de betalingen die de verdachte deed voor [medeverdachte] niet af.

Het verweer wordt verworpen.

Reclamezuil met afbeelding van [betrokkene 4]

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat [medeverdachte] in 2012 het idee heeft geopperd om een afbeelding van [betrokkene 4] op een reclamezuil te plaatsen. [medeverdachte] heeft aan de verdachte hiervoor een bijdrage gevraagd.

De verdachte heeft ten behoeve van deze reclamezuil in november 2012 een bedrag van € 1.785,00 betaald aan [K] B.V.

Door de raadsman is betoogd dat met betaling van een bijdrage aan een vennootschap waarvan hij zelf medeaanhouder is, geen sprake is van een gift aan [medeverdachte] .

Het hof verwerpt ook dit verweer.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijk niet alleen dat het idee voor de reclamezuil van [medeverdachte] afkomstig was, hij heeft zich ook daadwerkelijk ingespannen om de reclamezuil te realiseren. Daartoe heeft [medeverdachte] - onder anderen – aan de verdachte bijdragen gevraagd om zo de financiering rond te krijgen. Voorts heeft [medeverdachte] aangegeven dat hij het belangrijk vond dat hij mensen van de VVD wilde zien en [betrokkene 4] de eerste Limburgse kandidaat was. Dit volgt ook uit de reactie van [medeverdachte] toen de afbeelding van [betrokkene 4] op de reclamezuil was geplaatst: “Jongens het is gelukt!!”. Het hof leidt daaruit af dat het bij het realiseren van de verkiezingsposter op de reclamezuil om iets ging dat voor [medeverdachte] van waarde was (het was immers zijn idee dat hij uitgevoerd wilde zien), zodat sprake is van een gift van de verdachte aan [medeverdachte] .

Het maakt daarbij naar het oordeel van het hof niet uit dat de gift is betaald aan een vennootschap waar de verdachte wel maar [medeverdachte] verder geen betrokkenheid bij had.

Conclusie giften

Het vorengaande leidt het hof tot de conclusie dat alle onder 1 ten laste gelegde giften kunnen worden aangemerkt als giften in de zin van artikel 177(a) van het Wetboek van Strafrecht (oud).

Het hof acht bewezen dat de verdachte aan [medeverdachte] giften heeft gedaan in de vorm van bezoeken aan de vakantiewoning van de verdachte in St. Tropez, vastgoedbeurzen in München en Cannes, WK- en EK- voetbalwedstrijden, en aan Berlijn, Londen, München en Lourdes. Het hof acht ook bewezen dat de verdachte op verzoek van [medeverdachte] € 16.660,00 geschonken heeft aan [A] en een bijdrage van € 1.785,00 heeft gegeven ten behoeve van de reclamezuil voor de verkiezingscampagne van [betrokkene 4] .

7.2.2 Oogmerk en opzet

De verdachte ontkent dat hij met zijn giften aan [medeverdachte] de bedoeling had om [medeverdachte] te bewegen tot een handelen of nalaten in zijn functie van wethouder dan wel dat hij de giften heeft gedaan ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen [medeverdachte] heeft gedaan en/of nagelaten. De giften deed de verdachte uit vriendschap: hij en [medeverdachte] zijn sinds vele jaren goede vrienden.

Op basis van de voorhanden wettige bewijsmiddelen zal het hof beoordelen of de conclusie gerechtvaardigd is dat uit het handelen van de verdachte op grond van de uiterlijke verschijningsvorm en de feiten en omstandigheden van en rondom de giften volgt dat de verdachte met het doen van de giften het oogmerk had om [medeverdachte] te bewegen iets te doen en/of na te laten en/of de verdachte opzettelijk de giften heeft gedaan ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen [medeverdachte] heeft gedaan en/of nagelaten in zijn bediening. Daarbij is de omvang en de aard van de giften en het moment waarop de giften zijn gedaan van belang.

Wat betreft de aard en de omvang van de giften is het hof gebleken dat er geen sprake geweest is van een eenmalig aan [medeverdachte] geschonken grote som geld of een periodiek geldbedrag dat de verdachte aan [medeverdachte] heeft gegeven.

Het gaat in deze om door de verdachte gedane betalingen ten behoeve van [medeverdachte] , in de periode dat [medeverdachte] wethouder was, gedurende een aantal jaren, waaronder meerdere reizen, soms per privévliegtuig of helikopter, verblijf in hotels, etentjes en kaarten voor voetbalwedstrijden en beurzen, en financiële bijdragen aan [A] en ten behoeve van de reclamezuil.

Het hierdoor door [medeverdachte] genoten voordeel had meer dan een beperkte omvang. Zo ging het bij de bezoeken aan WK- en EK-voetbalwedstrijden en de vastgoedbeurzen in Cannes en München om enkele duizenden euro’s per bezoek. Het betrof bovendien een aantal jaarlijks terugkerende giften, gedurende een geruime periode van circa acht jaar.

Op het moment dat de verdachte de betreffende giften deed was de verdachte, zoals hiervoor al is aangehaald, betrokken bij een aantal grote projecten binnen de gemeente Roermond , waarmee voor hem grote financiële belangen waren gemoeid. De verdachte en [medeverdachte] hadden door deze projecten in die periode intensief zakelijk contact en een nauwe samenwerking. Dit blijkt onder meer uit de verslagen van de diverse overleggen die in de ten laste gelegde periode werden gevoerd.

In dit kader is van belang dat de verdachte, gelet op het verkrijgen en de voortgang van voornoemde projecten, gebaat was bij een goede relatie met de gemeente Roermond en met [medeverdachte] in het bijzonder. [medeverdachte] besliste weliswaar niet alleen, de gemeentelijke besluitvorming was in handen van het college van B&W, maar hij was betrokken bij de besluitvorming en als wethouder -onder meer- verantwoordelijk voor ruimtelijke ordening en economische ontwikkelingen.

Illustratief voor de relatie en de samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] is naar het oordeel van het hof een aantal voorbeelden uit het dossier waarin naar voren komt hoe de verdachte en [medeverdachte] samenwerkten en hoe de verdachte voor [medeverdachte] van nut was c.q. kon zijn.

Zo is er een aantal schriftelijke stukken van [betrokkene 2] (een naaste medewerker van de verdachte) waaruit blijkt dat er tijdens het verblijf in St. Tropez tussen de verdachte en [medeverdachte] , overigens zonder dat daar ambtenaren bij waren, over lopende projecten werd gesproken. Daarbij werden kennelijk door de verdachte en [medeverdachte] informatie en standpunten uitgewisseld.

Lopende projecten werden ook besproken tijdens periodieke overleggen waarbij, blijkens de daarvan gemaakte verslagen, aanwezig waren de verdachte, wethouder [betrokkene 1] en [medeverdachte] met voornoemde [betrokkene 2] . Getuige [getuige] , destijds werkzaam bij de gemeente, heeft verklaard: “Er wordt natuurlijk heel veel gesproken met de medewerkers van [I] ( [betrokkene 2] en [verdachte] ). Dat niet alles via de formele besluitvorming verloopt en dat ze buiten het formele overleg al dingen bespreken en al afgekaart hebben, dat is wel duidelijk.”

Een ander voorbeeld betreft de gunning van infrastructurele werken rondom […] . In een brief van [betrokkene 2] d.d. 30 juni 2006 is opgenomen dat door toedoen van de verdachte ook het bouwbedrijf [L] B.V. bij de gemeente aan tafel is gekomen. En voorts “Het feit dat de gemeente niet voor [L] heeft gekozen, wordt verdachte] door [betrokkene 3] ( […] ) ernstig verweten, waarna wethouder [medeverdachte] met [betrokkene 3] heeft gebeld om aan te tonen dat [verdachte] zijn uiterste best heeft gedaan om de werken bij [L] onder te brengen.”

Een ander voorbeeld blijkt uit interne notulen van [F] B.V. van een overleg op 23 januari 2009 over het onderwerp […] en de vestiging van Zara: “ [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) wil ook [medeverdachte] op de hoogte stellen, zodat er misschien ook vanuit het gemeentebestuur een brief naar Zara kan worden verzonden.”

Uit deze voorbeelden blijkt naar het oordeel van het hof in de eerste plaats dat [medeverdachte] actief betrokken was bij de projecten van de verdachte. Bovendien blijkt hieruit het belang en de (mogelijke) invloed die [medeverdachte] had of kon hebben bij de gunning en de voortgang van de projecten van de verdachte en het daar aan voorafgaande besluitvormingsproces.

Het hof beschouwt het besluitvormingsproces in dit kader in ruime zin. Dit omvat dan niet slechts het besluit en het direct daaraan voorafgaande beraadslaging in het college van B&W, respectievelijk de gemeenteraad, maar ook het daaraan voorafgaande traject.

Voorts stelt het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte tijdens de bezoeken aan de vastgoedbeurs in München lunches organiseerde waarvoor zijn bestaande en potentiële investeerders en andere zakelijke contacten werden uitgenodigd. Ook [medeverdachte] werd voor deze lunches uitgenodigd en hij heeft deze ook bijgewoond.

Dat de aanwezigheid van [medeverdachte] voor de verdachte bij deze lunches van belang was volgt naar het oordeel van het hof uit een opmerking in een memo van [betrokkene 2] waarin wordt aangegeven dat het grote voordeel in München is dat “de belangrijkste beslisser van de stad Roermond ” ook aanwezig zal zijn.

Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van de verdachte zoals hiervoor weergegeven naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op het bewegen van de ambtenaar en wethouder [medeverdachte] tot een doen dan wel een nalaten in strijd met zijn ambtelijke plicht om het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en verbeteren van een zodanige relatie met [medeverdachte] , dat [medeverdachte] tegenover de verdachte niet meer zo onafhankelijk kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot de verdachte, dat het niet anders kan zijn dan dat het oogmerk van de verdachte daarop gericht is geweest.

Daarnaast is het oogmerk en opzet van de verdachte er op gericht geweest dat [medeverdachte] aanwezig was bij door de verdachte georganiseerde ontmoetingen met potentiële nieuwe opdrachtgevers van de verdachte.

Voornoemde uiterlijke verschijningsvormen kunnen evenzeer worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op – kort gezegd – het belonen van [medeverdachte] naar aanleiding van wat [medeverdachte] in strijd met zijn ambtelijke plicht in het verleden heeft gedaan of nagelaten ten gunste van de verdachte, dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte ook daarop gericht is geweest.

In dit verband is voor het hof niet alleen van belang de hoeveelheid en de frequentie van de giften, de omvang daarvan en de tijdstippen waarop deze zijn gedaan door de verdachte, maar ook het feit dat de verdachte in dezelfde periode zich op soortgelijke wijze heeft gedragen ten opzichte van [betrokkene 1] , een andere ambtenaar en wethouder van de gemeente Roermond .

Het hof is, anders dan het Openbaar Ministerie, van oordeel dat (voor het overige) niet is gebleken van een concrete gunst of tegenprestatie die [medeverdachte] zou hebben gegeven in ruil voor de giften van de verdachte.

Weliswaar komt uit het dossier het beeld naar voren dat de verdachte voordeel heeft gehad bij de besluitvorming door de gemeente, maar noch uit het onderzoek ter terechtzitting, noch uit het dossier kan in bewijsrechtelijk voldoende overtuigende zin worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk door [medeverdachte] is bevoordeeld.

Aan een zodanige conclusie staat niet alleen de collegiale besluitvorming binnen de gemeente in de weg, maar ook de inhoud van de (bij de rechter-commissaris afgelegde) verklaringen van ambtenaren en leden van het college van B & W. Velen daarvan hebben aangegeven dat zij niet gemerkt hebben dat [medeverdachte] de verdachte of andere ondernemers daadwerkelijk heeft voorgetrokken of op een andere manier heeft begunstigd.

7.2.3 Verweer: vriendschap

Door de raadsman is naar voren gebracht dat de verdachte en [medeverdachte] sinds lange tijd goede vrienden zijn en dat er geen sprake is van giften en gunsten gelegen buiten het kader van vriendschap. De giften dienen in dat licht te worden bezien en van omkoping is dan ook geen sprake.

Het hof onderkent dat de verdachte en [medeverdachte] sinds lange tijd bevriend waren en een hechte vriendschap hebben.

De vraag die beantwoord dient te worden is of deze vriendschap in dit geval de hierboven voorhands getrokken conclusie ontzenuwt.

Het hof overweegt hieromtrent, in aanvulling van hetgeen hiervoor reeds is overwogen omtrent de giften en de redenen waarom deze zijn gedaan, het volgende.

Tussen de verdachte en [medeverdachte] bestond in de bewezenverklaarde periode een intensieve zakelijke en een hechte vriendschappelijke relatie. Deze twee hoedanigheden zijn evenwel niet goed te scheiden en lopen in elkaar over. De verdachte en [medeverdachte] hebben er zelf geen (strikte) scheiding in aangebracht. Dit volgt bijvoorbeeld uit de eerder genoemde notities van [betrokkene 2] betreffende de te bespreken zaken in de vakantiewoning in St. Tropez, uit het bezoek aan de eindejaars bijeenkomst van […] tijdens een stedentrip naar Londen in december 2007 en de meldingen van de bezoeken aan de vastgoedbeurzen. Daarvoor kan ook niet bepalend zijn dat de verdachte en [medeverdachte] achteraf bepaalde bezoeken als louter vriendschappelijk hebben aangemerkt.

Hieraan doet niet af dat de vriendschap tussen de verdachte en [medeverdachte] algemeen bekend was, dat [medeverdachte] de bezoeken, zoals afgesproken, altijd heeft gemeld aan het College van B&W en dat er nooit bezwaar gemaakt is.

Het hof zal dan ook geen scheiding tussen vriendschappelijke en zakelijke bezoeken aanbrengen. De omstandigheid dat de verdachte en [medeverdachte] vrienden zijn, kan geen rechtvaardiging vormen voor het feit dat de verdachte de hierboven omschreven giften heeft gedaan.

Dat de giften geheel zonder bijbedoeling zijn gedaan acht het hof, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm zoals hierboven weergegeven, niet aannemelijk geworden.

Het voorgaande maakt dat de vriendschap tussen de verdachte en [medeverdachte] geen ander licht werpt op de giften en de redenen waarom deze giften werden gedaan.

Het verweer hieromtrent wordt verworpen.

7.3 Feit 2: omkoping [betrokkene 1]

was ambtenaar en van mei 2002 tot 1 februari 2010 wethouder Financiën, Juridische Zaken en Eigendommen bij de gemeente Roermond . Per laatstgenoemde datum werd hij benoemd als directeur van [B] B.V. , welke B.V. taken van gemeenten uitoefent met betrekking tot (onder meer de aan- en verkoop en exploitatie van) bedrijventerreinen. Uit openbare publicaties van [B] B.V. blijkt dat de aandelen van deze besloten vennootschap in handen zijn van een aantal publiekrechtelijke overheidsinstanties, waaronder de gemeente Roermond .

Uit het voorgaande leidt het hof af dat [betrokkene 1] ook in zijn hoedanigheid van directeur van [B] B.V. kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van de artikelen 177 (oud) en 177a (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

7.3.1 Partiële vrijspraken

Etentjes […]

Bloemen Ter zake van het ten laste gelegde bloemabonnement […]

7.3.2 Giften

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [betrokkene 1] op uitnodiging van de verdachte is meegegaan naar de voetbalwedstrijd Nederland-Argentinië op 21 juni 2006 in Frankfurt en naar de voetbalwedstrijd Nederland-Roemenië op 17 juni 2008 te Bern. De reis- en verblijfskosten werden betaald door de verdachte.

Voorts kan op grond van de gebezigde bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte in 2005 een donatie van € 1.000,- heeft gedaan aan Fanfare St. Cornelius - Het Katoenen Dorp te Roermond en dat hij in 2007 en 2010 een totaalbedrag van € 7.000,- heeft gedoneerd aan [E ] te Roermond . In de bovengenoemde gevallen heeft [betrokkene 1] , destijds (actief) lid van beide verenigingen, de verdachte verzocht om te doneren. Ook heeft de verdachte op 30 juni 2012 aan [betrokkene 1] bloemen van [C] ter waarde van € 125,--, ter gelegenheid van zijn verjaardag gegeven.

Het hof stelt op grond van het vorengaande vast dat er met voorgaande betalingen sprake is van een overdracht door de verdachte aan [betrokkene 1] van iets dat voor [betrokkene 1] waarde heeft en dus van een gift.

7.3.3 Oogmerk en opzet

De verdachte ontkent de giften te hebben gedaan met het doel om [betrokkene 1] te bewegen in zijn bediening als wethouder iets te doen of na te laten.

Evenals hiervoor ten aanzien van feit 1 zal het hof ook voor dit feit op basis van de voorhanden wettige bewijsmiddelen beoordelen of de conclusie gerechtvaardigd is dat het handelen van de verdachte op grond van de uiterlijke verschijningsvorm niet anders kan worden gekwalificeerd als zijnde gedaan met het oogmerk om [betrokkene 1] te bewegen in zijn bediening iets te doen en/of na te laten dan wel is gedaan ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door [betrokkene 1] in zijn bediening is gedaan en/of nagelaten. Daarbij is de omvang en de aard van de giften, alsmede het moment waarop de giften zijn gedaan naar het oordeel van het hof van belang.

Wat betreft de aard en de omvang van de giften is er sprake geweest van door de verdachte gedane betalingen ten behoeve van [betrokkene 1] , in de periode dat hij wethouder was, te weten entree- en/of reis- en/of verblijfkosten ten behoeve van de voetbalreizen. Het hierdoor door de verdachte genoten voordeel had meer dan een beperkte omvang, het ging immers in totaal om meer dan € 7.000,-. Daarbij komen dan ook nog de giften aan [E ] en [D] , eveneens zo’n € 7.000,-.

De verdachte heeft nog verklaard dat hij met het sturen van bloemen ter gelegenheid van de verjaardag van [betrokkene 1] attent wilde zijn.

Het hof overweegt dat op zichzelf bezien een gift van bloemen ter waarde van € 125,- ter gelegenheid van de verjaardag als een aardige geste zou kunnen worden beschouwd, maar dat in het licht van de overige giften, in onderlinge samenhang bezien, ook dit als gift in de beoordeling betrokken moet worden.

Dit blijkt onder meer uit de verslagen van de diverse overleggen die in de ten laste gelegde periode werden gevoerd tussen de gemeente en de verdachte, waaraan [betrokkene 1] ook regelmatig deelnam. De verdachte had naar het oordeel van het hof een groot belang bij het op goede voet blijven en bij het tot stand brengen en in stand houden van een goede relatie met [betrokkene 1] , als wethouder van de gemeente Roermond (gelet op diens portefeuille en ook zijn betrokkenheid bij een aantal projecten van de verdachte) en ook als directeur van [B] . Deze besloten vennootschap hield zich immers onder andere bezig met de aan- en verkoop en de exploitatie van bedrijventerreinen in onder andere de gemeente Roermond en kon als zodanig van belang zijn voor de verdachte.

De verdachte heeft verklaard dat hij globaal bekend was met de regels waar [medeverdachte] zich in het kader van de gedragscode van de gemeente Roermond diende te houden.

Naar het oordeel van het hof kan hier uit worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was van het bestaan van de gedragscode van de gemeente Roermond waar wethouders in het algemeen (zo ook [betrokkene 1] ) zich aan dienden te houden.

Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van de verdachte zoals hiervoor weergegeven naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op het bewegen van de ambtenaar en wethouder [betrokkene 1] tot een doen dan wel een nalaten in strijd met zijn ambtelijke plicht om het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en verbeteren van een zodanige relatie met [betrokkene 1] , dat [betrokkene 1] tegenover de verdachte niet meer zo onafhankelijk kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot de verdachte, dat het niet anders kan zijn dan dat het oogmerk van de verdachte daarop gericht is geweest.

Voornoemde uiterlijke verschijningsvorm kan evenzeer worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op – kort gezegd – het belonen van [betrokkene 1] naar aanleiding van wat [betrokkene 1] in strijd met zijn ambtelijke plicht in het verleden heeft gedaan of nagelaten ten gunste van de verdachte, dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte ook daarop gericht is geweest.

In dit verband is voor het hof niet alleen van belang de hoeveelheid en de frequentie van de giften, de omvang daarvan en de tijdstippen waarop deze zijn gedaan door de verdachte, maar ook het feit dat de verdachte in dezelfde periode zich op soortgelijke wijze heeft gedragen ten opzichte van [medeverdachte] , een andere ambtenaar en wethouder van de gemeente Roermond .

Het hof is, anders dan het Openbaar Ministerie, van oordeel dat (voor het overige) niet is gebleken van een concrete gunst of tegenprestatie die [betrokkene 1] zou hebben gegeven in ruil voor de giften. Weliswaar komt uit het dossier het beeld naar voren dat de verdachte voordeel heeft gehad bij de besluitvorming door de gemeente, maar noch uit het onderzoek ter terechtzitting, noch uit het dossier kan in bewijsrechtelijk voldoende overtuigende zin worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk door [betrokkene 1] is bevoordeeld. Aan een zodanige conclusie staat niet alleen de collegiale besluitvorming binnen de gemeente in de weg, maar ook de inhoud van de (bij de rechter-commissaris afgelegde) verklaringen van ambtenaren en leden van het college van B & W. Velen daarvan hebben aangegeven dat zij niet gemerkt hebben dat [betrokkene 1] de verdachte of andere ondernemers daadwerkelijk heeft voorgetrokken of op een andere manier heeft begunstigd.

7.3.4 Verweer: giften in privésfeer

Dat de verdachte de giften in de privésfeer aan [betrokkene 1] heeft gedaan, hetgeen de verdachte zelf heeft verklaard, maakt het voorgaande niet anders. Nog afgezien van het feit dat [betrokkene 1] zelf heeft verklaard dat hij de uitnodigingen voor de voetbalreizen van de verdachte beschouwde als zakelijk, overweegt het hof dat het enkele feit dat het om een gift in de privésfeer gaat niet uitsluit dat de omkoper met zijn gift het doel kan hebben om de ambtenaar om te kopen en dat de ambtenaar zich laat omkopen, zoals hier het geval is gebleken.

Het verweer wordt verworpen.

7. Het eerste lid van art. 177 Sr luidde in de periode tussen 1 februari 2001 en 1 januari 20153 als volgt:

“Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:

1°. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;

2°. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.”

8. Het eerste middel dat zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 richt valt in een aantal klachten uiteen.

9. Onderdeel 1 van de eerste klacht richt zich tegen de motivering van het bewezenverklaarde oogmerk (sub 1) en het opzet (sub 2). Het hof zou “gelet op de bijzonderheden van het voorliggende geval (te weten een door het Hof vastgestelde vriendschappelijke relatie tussen requirant en [medeverdachte] , die beiden (zeer) vermogend zijn) te beperkt toetsingskader hebben gehanteerd.” Ten onrechte zijn de volgende factoren niet in de beoordeling betrokken (1) de giften van verdachte aan [medeverdachte] voordat hij wethouder werd, (2) het verschil tussen aard, omvang en frequentie van giften voor en tijdens (of in het vooruitzicht van) het wethouderschap, (3) de “vermogensrechtelijke positie” (ik neem aan dat wordt bedoeld: het vermogen) van [medeverdachte] en verdachte.

10. Ik kan deze klacht niet volgen. Daarbij stel ik voorop dat in de schriftuur niet wordt toegelicht dat en waarom meer of minder (omvangrijke en frequente) giften in de periode voor het wethouderschap mede bepalend zouden zijn voor het oogmerk of de opzet. Evenmin is toegelicht dat en waarom een uitstekende vermogenspositie van schenker en begunstigde op zich zelf reeds mede bepalend is voor oogmerk of opzet. Van een te beperkt toetsingskader is geen sprake.

11. Het hof heeft vastgesteld dat het door [medeverdachte] genoten voordeel een meer dan beperkte omvang had. Overwogen wordt dat het bij de bezoeken aan WK- en EK-voetbalwedstrijden en de vastgoedbeurzen in Cannes en München om enkele duizenden euro’s per bezoek ging en bovendien een aantal jaarlijks terugkerende giften betrof, gedurende een geruime periode van circa acht jaar. In die in hoofdzaak feitelijke vaststellingen van het hof (onder meer over de meer dan beperkte omvang) ligt besloten dat het hof daarbij ook oog heeft gehad voor de financieel positie van de schenker (verdachte) en begunstigde ( [medeverdachte] ). Dat er voorafgaande aan het wethouderschap van [medeverdachte] nog meer aanzienlijk voordeel aan hem zou zijn verschaft, doet aan het voorgaande niet toe of af. Het zou er - het is maar een willekeurige vooronderstelling en zeker niet boosaardig bedoeld - zelfs op kunnen wijzen dat verdachte in de voorafgaande periode [medeverdachte] ook reeds in enigerlei hoedanigheid wilde bewegen iets te doen of na te laten. Het eerder verschafte voordeel is domweg niet van belang, omdat het hier gaat om het verschaffen van een voordeel van meer dan een beperkte omvang aan iemand die de hoedanigheid van wethouder heeft. Wie voordeel van meer dan beperkte omvang verstrekt aan een wethouder weet dat het diens onafhankelijkheid aantast dan wel kan aantasten.

12. Volgens het tweede klachtonderdeel van de eerste klacht levert het beroep op de drie onder randnummer 9 hierboven genoemde (in de geciteerde pleitnoties nog enigszins verder uitgewerkte) factoren een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv op. Het hof heeft in ieder geval op hetgeen is aangevoerd in zoverre gereageerd dat is vastgesteld dat om een voordeel van meer dan beperkte omvang ging. Ik meen dat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hier voor het overige geen sprake was, althans dat het hof niet was gehouden in te gaan op alle onderdelen van hetgeen werd aangevoerd.4

13. De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte geen scheiding “heeft willen maken tussen enerzijds vriendschappelijke bezoeken/reizen en anderzijds zakelijke bezoeken/reizen.” Volgens de toelichting betekent dit dat “bevriende personen, die tevens zakelijk met elkaar te maken hebben, geen louter vriendschappelijke ontmoetingen zouden kunnen hebben.”

14. Ik neem aan dat de toelichting op de klacht het oog heeft op de vraag of ontmoetingen met een louter vriendschappelijk karakter (geheel of gedeeltelijk) op kosten van verdachte kunnen worden aangemerkt als een gift als bedoeld in art. 177 Sr. Anders gezegd is het de vraag of een gift in de privésfeer meetelt in het kader van art. 177 Sr. Bij een eenmalige ontmoeting in de privésfeer op kosten van een ander waar met geen woord over zaken wordt gerept is misschien nog te verdedigen dat van een strafbare gift geen sprake is. De vraag of het verstrekte voordeel een strafbare gift oplevert lijkt mij afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Met het hof lijkt mij als omstandigheid in aanmerking te nemen of privé en zakelijk te scheiden zijn. Bij meer ontmoetingen doet het dan niet ter zake of het daadwerkelijk bij elke ontmoeting over business as usual gaat. Soms zal bij een ontmoeting het zakelijke karakter ontbreken, maar ook dan kan sprake zijn van het versterken van de bodem om een ander te bewegen iets te doen of na te laten of van een gift voor een verleende dienst.

15. Het eerste onderdeel van de derde klacht betreft de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 sub 2. Uit de bewijsconstructie zou – als ik het goed begrijp – niet kunnen worden afgeleid dat het voordeel ten gevolge of naar aanleiding van handelen of nalaten van [medeverdachte] (dus achteraf) zou zijn verstrekt. Als reden daarvan noemt de toelichting: “Het Hof heeft immers overwogen dat, op het moment dat requirant de giften deed, hij betrokken was bij een aantal projecten binnen de gemeente Roermond en hij in die periode zakelijk contact en nauwe samenwerking had met [medeverdachte] .”

16. De vooronderstelling bij deze klacht is – als ik het goed zie – dat een gift in de vorm van een beloning slechts mogelijk is na voltooiing van een project en niet ‘going concern’. Het middel licht niet toe waarop die veronderstelling is gebaseerd en ik volg de veronderstelling niet. Tijdens lopende projecten en daarmee gedurende de periode van zakelijk contact en nauwe samenwerking werd [medeverdachte] tussentijds beloond voor zijn gedrag (en de giften legden eveneens een bodem voor voorzetting van dat gedrag).

17. Het tweede onderdeel van de derde klacht betreft het ontbreken van een specificatie: welke gift strekte ter beweging tot toekomstig gedrag (art. 177 lid 1 onder 1 Sr) en welke gift kan worden gezien als een beloning voor vroeger gedrag (art. 177 lid 1 onder 2 Sr)? Dat zou volgens de steller van het middel noodzakelijk zijn omdat de wetgever nu eenmaal een onderscheid tussen beide varianten heeft gemaakt en bovendien bij de eerste variant oogmerk eist en bij de tweede opzet.

18. Dat de wetgever onderscheid tussen beide varianten heeft gemaakt en dat bij ene variant oogmerk en de andere opzet is vereist is juist. Ik zie echter niet in waarom beide varianten in die zin exclusief zouden zijn dat het doen van één gift niet zowel zou kunnen plaatvinden met het oogmerk om een ander te bewegen tot bepaald gedrag als met het opzet tot beloning voor gedrag uit het verleden. Een gift kan zowel tot oogmerk hebben toekomstig gedrag te bevorderen en tegelijkertijd een beloning zijn voor gedrag uit het verleden: ‘een beloning mede ter voortzetting van de geslaagde samenwerking’.

19 Het eerste middelfaalt in alle onderdelen.

20. Het tweede middel dat zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 richt valt eveneens in een aantal klachten uiteen. Die klachten zijn deels dezelfde als bij het eerste middel en ik tracht voor zover mogelijk herhaling door verwijzing te voorkomen.

21. Onderdeel 1 van de eerste klacht richt zich tegen de motivering van het bewezenverklaarde oogmerk (sub 1) en het opzet (sub 2). Het is een veel ‘lichtere’ variant van onderdeel 1 van de eerste klacht van het eerste middel. Het beroep op het onjuiste toetsingskader is hier in de kern gebaseerd op de ‘vermogensrechtelijke’ positie van verdachte.

22. Niet is toegelicht dat en waarom een uitstekende vermogenspositie van verdachte op zich zelf reeds mede bepalend is voor oogmerk of opzet. Van een te beperkt toetsingskader is geen sprake. Ik zie geen aanleiding nader op de klacht in te gaan.

23. Het tweede onderdeel klaagt over een ontbrekende reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Het lukt mij ook na herhaalde lezing van de schriftuur en de daar geciteerde passages uit de pleitnotities niet scherp voor ogen te krijgen op welk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt gedoeld. Is bedoeld dat het standpunt is ingenomen dat een rijk persoon die een ander 1800 euro in natura schenkt niet kan handelen met het oogmerk een ander te bewegen tot bepaald gedrag? Ik lees dat niet met zoveel woorden en argumenten voor die stelling ontbreken in de pleitnotities. Ik meen dat het hof kon oordelen dat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hier geen sprake was, althans dat het hof niet was gehouden in te gaan op alle onderdelen van hetgeen werd aangevoerd.5

24. De tweede klacht betreft overweging 7.3.4 uit het hierboven geciteerde en onder randnummer 6 (gedeeltelijk) opgenomen arrest van het hof. Geklaagd wordt dat voor het vaststellen van oogmerk en opzet de perceptie van [betrokkene 1] door het hof ten onrechte relevant is geacht. Verder wordt ook nog geklaagd “dat het enkele feit dat het om een gift in de privésfeer gaat niet uitsluit dat de omkoper met zijn gift het doel kan hebben om de ambtenaar om te kopen” de mogelijkheid open laat dat requirant met de giften niet het doel had om [betrokkene 1] om te kopen.

25. Dat die perceptie van [betrokkene 1] niet relevant voor oogmerk en opzet is, is juist. De klacht berust echter op een verkeerde lezing van de overweging van het hof. Het hof heeft slechts overwogen dat de opvatting van verdachte dat de giften in de privésfeer plaatsvonden niet overeenkomt met de verklaring van [betrokkene 1] en vervolgens vastgesteld dat het vereiste oogmerk aanwezig kan zijn bij giften in de privésfeer. Voor de vraag of er oogmerk en opzet is, is het hof dus niet uitgegaan van de verklaring van [betrokkene 1] dat het volgens hem om giften in de zakelijke sfeer ging.

26. Ook het tweede klachtonderdeel geciteerd onder randnummer 24 berust op een onjuiste lezing van de overweging. Het hof brengt namelijk tot uitdrukking dat giften in de privésfeer omkoping niet uitsluiten en anders dan de steller van het middel niet dat bij de onderhavige gift in de privésfeer niet is uitgesloten dat het oogmerk ontbreekt.

27. De derde klacht is vrijwel letterlijk gelijk aan de tweede onderdeel van de derde klacht van het eerste middel. Ik meen te kunnen volstaan met verwijzing naar mijn bespreking van die klacht hierboven.

28 Het tweede middelfaalt in alle onderdelen.

29. Het derde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 voor zover deze inhouden dat verdachte heeft gehandeld in strijd met zijn plicht.

30. De toepasselijke strafbepaling zoals deze indertijd gold heb ik hierboven reeds opgenomen. In een noot wees ik er al op dat in het eerste lid onder 1 en 2 de woorden ‘in strijd met zijn plicht’ inmiddels zijn vervallen.6

31. De Memorie van toelichting7 houdt daaromtrent in:

“In de rechtspraak wordt inmiddels het onderscheid tussen handelen in strijd met de ambtsplicht en handelen dat niet strijdig is met de ambtsplicht steeds meer gerelativeerd. Naar het oordeel van de rechter is er in bredere zin al vrij snel sprake van handelen in strijd met de ambtsplicht (zie E. Sikkema, Ambtelijke corruptie in het strafrecht, BoomJu, Den Haag 2005, p. 265). Als afzonderlijk bestanddeel heeft het handelen in strijd met de ambtsplicht daarmee aanzienlijk aan belang verloren. Niet het ambtsstrijdig handelen staat centraal, maar íeder ambtelijk handelen dient vrij te blijven van welke geldelijke beïnvloeding dan ook. Ik stel daarom voor in de artikelen 177 en 363 Sr actieve en passieve omkoping van een ambtenaar strafbaar te stellen, onafhankelijk van de vraag of daarbij een ambtsplicht worden geschonden of niet.”

32. In de toelichting op het middel wordt gewezen op de (hierboven geciteerde) bewijsoverwegingen van het hof die inhouden dat niet is gebleken van concrete gunsten of tegenprestaties die beide wethouders aan verdachte zouden hebben gegeven. Van voortrekken of begunstigen van verdachte is volgens het hof geen sprake geweest. Volgens de steller van het middel is een voorkeursbehandeling echter van doorslaggevend belang. Verdachte zou door beide wethouders zoals ieder ander zijn behandeld.

33. Bij beide verdachten is het handelen in strijd met de plicht in de bewezenverklaring geconcretiseerd door - kort gezegd - het bewerkstelligen van een onvoldoende onafhankelijke relatie van de beide wethouders. Voor wethouder [medeverdachte] is daar – weer kort gezegd - de aanwezigheid bij ontmoetingen met potentiele nieuwe opdrachtgevers nog aan toegevoegd. De steller van het middel heeft gelijk dat niet is vastgesteld dat de giften enige voorkeursbehandeling ten gevolge hebben gehad.

34. Is inderdaad uitgesloten dat het bewerkstelligen van een onafhankelijkheidsrelatie toereikend is voor handelen in strijd met de ambtsplicht als bedoeld in art. 177 Sr? In de rechtspraak van de Hoge Raad vervaagde het onderscheid tussen het bewegen tot gedrag in strijd met de ambtsplicht (tot gedrag van de ambtenaar dat op zichzelf al onrechtmatig is) als bedoeld in art. 177 oud Sr en omkoping zonder dat de ambtenaar in strijd met zijn plicht handelt als bedoeld in art. 177a oud Sr.

35. Uiteindelijk werd in de rechtspraak geen helder onderscheid meer gemaakt. Ik citeer HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584 NJ 2006/380:

4.3.

Voor wat betreft de hiervoor genoemde klachten dient het volgende te worden vooropgesteld. In een geval als het onderhavige ziet art. 177 Sr niet alleen op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, doch ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (vgl. HR 27 september 2005, LJN AT8318).”

36. Het door giften of beloften streven naar een voorkeursbehandeling levert volgens de Hoge Raad los van de vraag of deze behandeling wordt gerealiseerd strijd met de ambtsplicht als bedoeld in art. 177 oud Sr op.8 Het gaat om de gerichtheid van de verdachte op die voorkeursbehandeling. Dat lijkt mij evenzeer van toepassing bij een zodanige gerichtheid dat de ambtenaar niet meer kan handelen zoals dat een ambtenaar betaamt te weten onafhankelijk van particuliere belangen. Of de ambtenaar al in de gerealiseerde afhankelijkheid beslissingen heeft genomen is niet bepalend. Zelfs is niet (meer) doorslaggevend of de afhankelijkheid van de ambtenaar van de gulle schenker al daadwerkelijk is gerealiseerd. Anders gezegd art. 177 Sr is meer een gevaarzettingsdelict dan een krenkingsdelict. De betekenis van de woorden in strijd met de ambtsplicht was in de rechtspraak van de Hoge Raad al min of meer weg gerelativeerd.

37. Daar komt in het bijzonder nog bij dat het hof in de onder randnummer 6 hierboven geciteerde bewijsoverwegingen betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat de wethouders in strijd met bepalingen uit door de gemeente Roermond opgestelde gedragscode hebben gehandeld. Dat er is gehandeld in strijd met die gedragscode wordt in de toelichting op het middel niet bestreden en dat oordeel van het hof is bepaald niet onbegrijpelijk. Het hof wijst namelijk niet alleen op de artikelen 2.2. en 2.4 van die code, maar in het bijzonder op artikel 2.5 dat inhoudt dat een bestuurder van een aanbieder van diensten aan de gemeente geen faciliteiten of diensten aanneemt die zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kan beïnvloeden. In zoverre is gehandeld in strijd met een uit de gedragscode voortvloeiende verplichting.

38 Het derde middelfaalt in alle onderdelen.

39. Het vierde middel klaagt dat bewezenverklaring van feit 1 voor wat betreft de financiële bijdrage aan de verkiezingscampagne innerlijk tegenstrijdig is. De datum in de bewezenverklaring vermeld bij die bijdrage te weten 9 november 2012 valt immers buiten de bewezenverklaarde pleegperiode tussen 10 april 2004 en 23 oktober 2012.

40. Bewijsmiddel 25 in de aanvulling op het arrest is een relaas van een opsporingsambtenaar in een proces-verbaal en houdt in:

“Op 29 januari 2013 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in het kantoor van [F] B.V. te Roermond , zijnde de werkomgeving van de verdachte [verdachte] . In de inbeslaggenomen goederen werd een factuur ( […] ) aangetroffen, van [K] - BV aan [F] B.V., de dato 27 augustus 2012 en voorzien van het factuurnummer 12..019. Ik zag dat deze factuur betrekking had op kosten VVD-poster gedurende de periode 29 augustus 2012 - 13 september 2012.

Ik zag op de factuur dat voor [F] BV als kosten in rekening wordt gebracht een bedrag van € 1785,00. (inclusief BTW) . Ik zag verder dat op de factuur een stempel is geplaatst, bij deze stempel is bij 'ontvangst' de datum 29/08/12 geschreven en bij vermoedelijk 'verwerkt': (...) 8/11/'12.

Ik zag op de rekening [rekeningnummer] , in gebruik bij [K] B.V., een ontvangst van €,1.785,00 van [F] BV. met als boekdatum 9-11-2012. Ik zag in de omschrijving onder meer het factuurnummer […] vermeld staan.”

41. Bewijsmiddel 25 is een geschrift zijnde een e-mailbericht afkomstig van verdachte gedateerd 8/30/2012 met als onderwerp poster VVD en - voor zover van belang - als bericht: “Jongens het is gelukt!! De grootste verkiezingsposter in waarschijnlijk heel Nederland.”

42. In het licht van deze bewijsmiddelen is van tegenstrijdigheid geen sprake. Het is namelijk niet onbegrijpelijk dat het hof ook de tussen haakjes geplaatste boekdatum op of omstreeks 9 november 2012 heeft bewezenverklaard, terwijl het hof er vanuit is gegaan dat de gift aan [medeverdachte] al eerder en wel in de bewezenverklaarde pleegperiode plaatsvond namelijk eind augustus 2012.

43 Ook het vierde middelfaalt.

44. De middelen falen en de middelen 1, 2 en 4 kunnen ieder geval worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

45. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:GHDHA:2017:3703.

2 In de schriftuur is het vierde middel abusievelijk evenals het derde middel III genummerd.

3 Vgl. de Wet van 13 december 2000, Stb. 2000, 616 (niet gewijzigd bij Wet van 26 november 2009, Stb. 2009, 525). Bij Wet van 19 november 2014, Stb. 2014, 445 is het maximum van de gevangenisstraf verhoogd tot zes jaren en zijn in het eerste lid onder 1 en 2 de woorden ‘in strijd met zijn plicht’ vervallen.

4 Vaste rechtspraak sinds HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. Het geciteerde deel uit de pleitnotities bevat vooral de bestrijding van standpunten van het openbaar ministerie. Onder het kopje ‘omvang’ van het voordeel wordt weliswaar iets gezegd over de omvang van het bestedingspatroon van verdachte, maar ik lees geen andere conclusie dan dat die omvang van het verschafte voordeel gelet op dat bestedingspatroon beperkt was. Daarop heeft het hof (anders) beslist.

5 Vaste rechtspraak sinds HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. Het geciteerde deel uit de pleitnotities bevat vooral de bestrijding van standpunten van het openbaar ministerie. Onder het kopje ‘omvang’ van het voordeel wordt weliswaar iets gezegd over de omvang van het bestedingspatroon van verdachte, maar ik lees geen ander conclusie dan dat die omvang van het verschafte voordeel gelet op dat bestedingspatroon beperkt was. Daarop heeft het hof (anders) beslist.

6 Wet van 19 november 2014, Stb. 2014, 445.

7 Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 685, nr. 3, p. 6.

8 Vgl. ook T.R. van Roomen en E. Sikkema, Corruptiedelicten, Deventer 2016, p. 73/74. Mijn ambtgenoot Hofstee kent gewicht toe aan de vraag of de ambtenaren een wettelijke verplichting niet nakomen: het verstrekken van een fictieve opdracht en opmaken van en valse offerte is in strijd met de ambtsplicht (ECL:NL:PHR:2015:353).