Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:480

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
17/04879
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:906
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Syriëganger. (Medeplegen van) voorbereiden en/of bevorderen van in de art. 157 jo. 176b Sr en art. 288a en 289 jo. 289a Sr genoemde misdrijven, te weten brandstichting, een ontploffing teweegbrengen, moord en/of doodslag, begaan met een terroristisch oogmerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04879

Zitting: 23 april 2019

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 6 oktober 2017 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden als omschreven in het arrest en met een proeftijd van drie jaren, waarbij is bepaald dat de voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, onder aftrek van voorarrest als omschreven in art. 27 Sr, wegens:

1.

‘het medeplegen van het met het oogmerk om een in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen;

en

het medeplegen van het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 289a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen;

en

het medeplegen van het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen’;

2 primair onder I.

‘het met het oogmerk om een in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen;

en

het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 289a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen;

en

het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 288a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen’;

3.

‘de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven’;

4 primair.

‘het financieren van terrorisme, meermalen gepleegd;

en

het medeplegen van het financieren van terrorisme.’

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. I.T.H.L. van de Bergh en mr. S. Weening, advocaten te Maastricht, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof (onder feit 1 en 2 primair I) dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt omtrent het begrip oogmerk, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende zou zijn gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het gerechtshof (onder feit 1 en 2 primair I) dat het oogmerk van de verdachte erop was gericht de in de artikelen 157 juncto 176b, 289 en 288a Sr genoemde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans dat dit oordeel onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd. Beide klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4. Alvorens de beide klachten te bespreken geef ik de relevante onderdelen van de bewezenverklaring en de bewijsmotivering waar deze onderdelen van de bewezenverklaring op steunen weer. Aansluitend maak ik enkele opmerkingen over (specifiek) de formulering van het oogmerk in deze onderdelen van de tenlastelegging en bewezenverklaring en (meer in het algemeen) over art. 96, tweede lid, Sr, waar beide onderdelen van de bewezenverklaring op zien.

Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

‘Hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven omschreven in artikel 157 en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en

- moord en doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- middelen en inlichtingen tot het plegen van de misdrijven aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. zich (via chatberichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en

B. zich (via chatberichten) laten informeren over een te volgen reisroute naar het strijdgebied en

C. deelgenomen aan Arabische lessen en

D. informatie ingewonnen en/of verkregen en/of verstrekt voor een reisuitrusting en praktische maatregelen die getroffen moeten worden voor het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en

E. een of meerdere documenten of afbeeldingen op gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop aanwijzingen om zich aan te houden bij de oorlogsvoering en aanwijzingen om zich aan te houden bij het voorbereiden van het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en

G. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven naar Syrië en/of zich aan te aansluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende Jihad (door onder meer te spreken over het elkaar ontmoeten op het slagveld).’

6. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

‘Hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014, in Nederland, met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven omschreven in artikel 157 en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en

- moord en doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen

immers heeft verdachte ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. contacten onderhouden met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , ten behoeve van de aansluiting van [betrokkene 3] bij Islamitische Staat (IS) en

B. met deze [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gesproken over door [betrokkene 3] te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of het verschaffen van een persoonlijke garantstelling ("tazkiyya") ten behoeve van toelating tot het strijdgebied van deze [betrokkene 3] ’

7. Het hof heeft deze onderdelen van de bewezenverklaring in het bestreden arrest onderbouwd met een motivering die uit een aantal elementen bestaat. Het hof zet eerst de ‘Achtergrond en algemene bewijsoverwegingen’ uiteen (onder 6). Vervolgens formuleert het overwegingen onder het kopje ‘Beoordeling van de tenlastelegging’ (onder 7).

8. Onder 6 overweegt het hof, onder het genoemde opschrift, met weglating van verwijzingen, het volgende:

6.1 Strijdende partijen in het conflict in Syrië

1. Het is een feit van algemene bekendheid, zoals daarvan (tevens) blijkt uit de door het hof geraadpleegde - en zonder noemenswaardige moeite te raadplegen - algemeen toegankelijke bronnen dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad.

2. Wat begon als een vreedzaam protest ontwikkelde zich tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd in december 2014 geschat op meer dan 200.000. Op dat moment waren al meer dan 3 miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië meer dan 7,6 miljoen.

3. In de loop van 2012 werd duidelijk dat jihadistische strijdgroepen, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken waren bij de opstand in Syrië tegen het regime van Assad.

4. In de strijd tegen het regime van Assad hebben zich ook twee belangrijke aan Al-Qa'ida gelieerde jihadistische organisaties gemengd: Jabhat al-Nusra (per 28 juli 2016: Jabhat Fatah al-Sham) en de Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS, ook wel bekend als IS, ISI, ISIL, AQI of DAESH).

ISIS/IS

5. ISI wijzigde op 8 april 2013 haar naam in de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL), onder meer om de uitbreiding van haar activiteiten naar Syrië te benadrukken. Op 29 juni 2014 riep ISIL het islamitisch kalifaat uit in het door haar veroverde gebied in Irak en Syrië en werd haar naam gewijzigd in de Islamitische Staat (IS). [betrokkene 4] , de emir van de organisatie, werd aangesteld als 'kalief' van IS.

6. De Islamitische Staat is in internationaal verband aangemerkt als een terroristische organisatie en is daarmee een in Nederland verboden terroristische organisatie. Op 30 mei 2013 wordt het toenmalige ISIL aan de VN Sanctielijst toegevoegd. Op 1 juli 2013 is het toenmalige ISIL op de financiële sanctielijst van de Europese Unie geplaatst.

7. De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitisch kalifaat dat de landsgrenzen van in ieder geval Syrië en Irak overstijgt. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd.

8. ISIS/IS hanteert tijdens militaire operaties en de uitoefening van de macht in de door haar veroverde gebieden in Irak en Syrië de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies, ontvoeringen, gijzelingen en martelingen. De organisatie doodt tegenstanders door middel van onthoofding, kruisiging en een schot door het hoofd, zo wordt gemeld uit de door ISIS bezette of bevochten gebieden.

Jabhat al-Nusra

9. Jabhat al-Nusra maakte op 24 januari 2012 zijn oprichting bekend.

10. Jabhat al-Nusra is in internationaal verband aangemerkt als een terroristische organisatie en daarmee een in Nederland verboden (terroristische) organisatie. Op 30 mei 2013 Is Jabhat al-Nusra op de VN Sanctielijst geplaatst als een van de aliassen van Al-Qa'ida in Iraq. Jabhat al-Nusra is op 29 mei 2014 op de (financiële) sanctielijst van de EU geplaatst.

11. De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitische staat. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd.

12. Jabhat al-Nusra bedient zich tijdens haar (militaire) operaties van de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies en beschietingen van burgers, ontvoeringen, martelingen en het onthouden van humanitaire hulp. Veel van de aanslagen die in 2012 in Syrië zijn gepleegd werden door Jabhat al-Nusra opgeëist. De claims van Jabhat al-Nusra worden op het internet bekend gemaakt op jihadistische websites als www. [...] .info en www. [...] .com en bijvoorbeeld ook via haar eigen Twitteraccount.

13. Eind juli 2014 zou de aanwezigheid en de invloed van Jabhat al-Nusra zich hebben beperkt tot de rurale gebieden van Aleppo, Idlib en Hama. Jabhat al-Nusra concentreert zich in de maanden na het uitroepen van het Kalifaat door IS veel meer op het verkrijgen van de controle op het Turks-Syrische grensgebied in het Noordwesten van Syrië. In oktober 2014 boekt Jabhat al-Nusra wederom militaire successen in de provincie Idlib.

14. Zowel IS als Jabhat al-Nusra zijn organisaties in de zin van artikel 140a Sr zoals door de Hoge Raad in zijn vaste rechtspraak nader ingevuld. De hierboven beschreven misdrijven worden gepleegd door deze uit grote aantallen personen bestaande samenwerkingsverbanden die zich kenmerken door een zekere duurzaamheid en structuur. Dat komt - gelet op het bovenstaande - onder andere naar voren in de bestendigheid van de organisaties die reeds sinds 2012 bestaat, hun hiërarchische structuur en de wijze van naar buiten treden door de organisatie.

Rapport 'Bestemming Syrië'

15. In het rapport 'Bestemming Syrië' wordt ingegaan op de vraag of een uitreis naar Syrië in 2014 gelijk stond aan een bestaan als strijder of dat er ook andere opties waren. In dit rapport is hierover onder meer het volgende vermeld.

16. Sinds 2012 zijn velen uit het westen, waaronder naar schatting 220 Nederlanders naar het conflictgebied in Syrië (en Irak) getrokken. Het overgrote deel van de Nederlandse uitreizigers heeft zich aangesloten bij salafi-jihadistische strijdorganisaties: ISIS en (aan) Jabhat al-Nusra (gelieerde groepen) .

17. De mannen worden - aangekomen in Syrië - naar trainingskampen gebracht. Nadat deze training is doorlopen, kunnen buitenlanders in verschillende functies terechtkomen. De meesten - waaronder Nederlanders - zullen worden ingezet als strijder, maar er zijn ook voorbeelden dat personen andere rollen vervullen.

18. Over de mogelijkheden tot het vervullen van een functie achter de frontlinie bij Jabhat al-Nusra is minder informatie beschikbaar dan bij ISIS. Jabhat al-Nusra controleert aanzienlijke gebieden waardoor ook hier bepaalde niet-militaire functies moeten worden vervuld. Ook personen die in dergelijke andere functies belanden blijven overigens, door de eerder afgelegde eed, wel reservist: zij kunnen te allen tijde door hun emir worden opgeroepen om mee te komen strijden. Weigeren lijkt niet tot de opties te behoren. Het is dan ook niet mogelijk te stellen dat personen met een rol achter de frontlinies zich volledig aan de gewelddadige strijd kunnen onttrekken.

19. Buitenlandse strijders kunnen op verschillende manieren worden ingezet. Bijvoorbeeld om grensbieden of checkpoints te bewaken (ribaat) of om na verloop van tijd aan de frontlinies te strijden. Anderen bewaken gevangenissen of zijn (in-)direct betrokken bij martelingen of executies. Er is vastgesteld dat strijders periodes aan het front afwisselen met periodes achter de frontlinies. Eenmaal teruggekeerd van het slagveld voeren strijders ook andere taken uit, bijvoorbeeld administratieve werkzaamheden, da'wa (missie, zending), bijeenkomsten of het wachtlopen binnen steden.

Deskundige Weggemans

20. Ter terechtzitting in hoger beroep is een van de opstellers van het rapport 'Bestemming Syrië', dhr. Weggemans, als deskundige gehoord. Hij heeft onder meer aangegeven dat Jabhat al-Nusra primair een strijdorganisatie is. De deskundige heeft voorts verklaard dat in geval van aansluiting bij Jabhat al-Nusra, de kans groot is dat de persoon bij de strijd betrokken raakt. Er zijn ook andere functies binnen Jabhat al-Nusra. Weggemans acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de personen die deze functies vervullen geen banden met Jabhat al-Nusra hebben. Hij acht het voorts hoogst onwaarschijnlijk dat er in Jabhat al-Nusra gebied civiele functies kunnen worden vervuld zonder daadwerkelijke aansluiting bij Jabhat al-Nusra.

6.2

Terroristische misdrijven

1. Artikel 83 Sr bepaalt welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk.

(…)

3. Aan de verdachte worden gedragingen verweten die zouden zijn gepleegd in de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014.

4. Het is een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten maar ook al ver voor die periode jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden.

5. Deze jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in art. 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in art. 83a Sr. De Jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en - om hun doel te bereiken - dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video's hiervan op het internet geplaatst. De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (verder: IICISAR), heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden "to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population."

6. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.’

9. Onder 7 overweegt het hof, onder het eerder genoemde opschrift, met weglating van verwijzingen, het volgende:

7.1 Feiten 1 en 2 primair I: Voorbereiding/bevordering van terroristische misdrijven

7.1.1

Juridisch kader voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven, artikel 96, lid 2, Sr (feit 1, feit 2 primair I)

1. De toepasselijke strafbepalingen luiden als volgt: (…)

2. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96 lid 2 Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat gelet op de wetsgeschiedenis de voor toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96 lid 2 Sr. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626, NbSr 2002/244 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, NbSr 2014/95).

(…)

7.1.3

De door het hof vastgestelde feiten

1. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast, waarbij het hof de volgorde van de tenlastelegging volgt.

Onderdelen 1. A, B, C en G van de tenlastelegging

2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in Syrië is geweest en in december 2013 in Nederland is teruggekeerd. Hij wilde vervolgens met medeverdachte [betrokkene 5] met de auto afreizen naar Syrië. De verdachte wilde zich daar vestigen. [betrokkene 5] wilde ook afreizen naar Syrië en heeft de verdachte gevraagd daarover mee te denken. Zowel de verdachte als [betrokkene 5] spraken versluierd over hun uitreisplannen.

3. Op 5 april 2014 heeft de verdachte WhatsApp contact met ' [...] ', die gebruik maakt van een Syrisch telefoonnummer, over de te volgen route. In september en oktober 2014 heeft de verdachte via Skype of Facebook daarover contact met [betrokkene 1] , die zich van de skypenaam ' [...] ' bediende. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij aan [betrokkene 1] - die op dat moment in Syrië deelnam aan de gewapende strijd aan de zijde van IS - naar routes gevraagd (BFK: heeft) van Nederland naar Turkije. [betrokkene 1] gaf de verdachte opties. Volgens de verdachte is het voor een moslimman gemakkelijk om Syrië binnen te komen.

4. De verdachte wilde vervolgens gaan naar een gebied van Jabhat al-Nusra, gelegen rond Aleppo (Kaffr Hamra) en Atme (beide in het Noord-Westen van Syrië) . Uit de kennisbijlage 140a van dr. Jolen volgt verder dat de door de verdachte aangeduide plaatsen in Syrië na juli 2014 strijdgebied waren. Jabhat al-Nusra concentreerde zich toen op het verkrijgen van de controle op het Turks-Syrisch grensgebied in het Noord-Westen van Syrië. Zo boekte Jabhat al-Nusra in oktober 2014 militaire successen in de provincie Idlib, waarin ook Atme ligt. Dit vindt ook bevestiging in de verklaring van de verdachte dat [betrokkene 6] zich bevond in een gebied waar bombardementen plaatsvonden en dat [betrokkene 6] wilde dat de verdachte - die in november 2013 al in Kaffr Hamra in Noord West Syrië was geweest - terug zou keren.

5. In chatverkeer op 30 juli 2014 tussen de verdachte en een vermoedelijk in Syrië verblijvend persoon met een Syrisch telefoonnummer vraagt de verdachte hoe het leven daar is en of er nog een nieuw front geopend wordt. De ander laat de verdachte weten dat hij gemist wordt en doet vervolgens kort verslag van de ontwikkelingen van de strijd in Syrië.

6. Verder blijkt uit een chat van 12 oktober 2014 met [betrokkene 1] dat hij de verdachte adviseert via Griekenland te reizen en Syriër te spelen en in het Arabisch te zeggen dat hij naar Syrië wil gaan. De verdachte heeft verklaard dat hij in Arnhem aan Arabische lessen heeft deelgenomen omdat dat handig is als je naar Syrië gaat. In dezelfde chat zegt de verdachte dat hij naar Jabhat al-Nusra gaat. Op 30 mei 2013 was Jabhat al-Nusra op de VN sanctielijst geplaatst.

7. [betrokkene 5] - met wie de verdachte naar Syrië zou reizen - heeft tegenover [betrokkene 7] op 7 september 2014 verklaard dat hij zich gaat aansluiten "daar", waarop [betrokkene 7] antwoordt dat hij zich gaat aansluiten "bij hun", waarop [betrokkene 5] zegt: "dan zie ik je op het slagveld, we ontmoeten elkaar."

Onderdelen 1. D en E van de tenlastelegging

8. [betrokkene 5] beschikte op 30 oktober 2014 over een lijst met 'tien (10) punten van waaraan te houden'. Daarop staan onder meer de punten: 1. Spreek met niemand via social media als die persoon in Syrië is; 2. Bespreek dit niet met zelfs jouw dichtstbijzijnde vrienden of familie. 3. Iedereen is hierover op de hoogte dus haast je met het oversteken van de grens. 4. Eet zoveel je kunt (...). (...). 8. Doe een medische test voordat je hier komt. (...). 9. Maak veel gebeden????. 10 Doe het alleen in de naam van Allah!

9. Tussen [betrokkene 5] en de verdachte vonden WhatsApp-gesprekken plaats op onder andere 30 augustus 2014 waarin gesproken wordt over "een boodschappenlijst". [betrokkene 5] ontvangt vervolgens op 3 oktober 2014 via WhatsApp van de verdachte een bestand. Dit betreft een afbeelding van de boodschappenlijst waarop staat: facebook aanmaken, skype aanmaken, WhatsApp hebben, paspoort/ID kaart verlengen opnieuw aanvragen als smoes gestolen/kwijt, uitschrijven bij gemeente "studeren bij familie of zo", ziekenfonds en die dingen stopzetten, diarree-pillen meenemen, stevige winterjas, boots, broeken, smartphone, ibuprofen, paracetamol, Nivea crème, thermokleding, veel geld.

10. Het hof stelt vast dat de genoemde '10 punten' en 'boodschappenlijst' betrekkingen hebben op aanwijzingen en dingen die te doen staan alvorens af te reizen naar Syrië en/of Irak met het oog op het zich aansluiten bij de gewapende strijd.

11. Op de bij de doorzoeking van de woning van [betrokkene 5] in beslag genomen mobiele telefoon IPhone 5C wordt aangetroffen een hadieth, een overlevering met regels voor oorlogsvoering, opgesteld door [betrokkene 4] , de eerste kalief.

12. De verdachte is op 25 november 2014 aangehouden.

Onderdelen 2. A en B van de tenlastelegging

13. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voor [betrokkene 3] ten behoeve van zijn reis naar Syrië heeft bemiddeld. Hij heeft gesteld dat [betrokkene 3] wist dat hij in Syrië was geweest en hem vroeg om hem in contact te brengen met mensen in Syrië, zodat hij naar het gebied van IS zou kunnen komen. De verdachte zou hebben aangegeven dat hij iemand kende, te weten [betrokkene 1] , een goede vriend uit Arnhem, die in Syrië bij IS zit.

14. Tussen 30 september en 24 oktober 2014 voert de verdachte, gebruik makend van de naam ' [...] ' via Facebook chatgesprekken met [betrokkene 1] . Op 30 september 2014 geeft de verdachte te kennen dat "een broeder met vakantie wil". [betrokkene 1] geeft aan dat deze broeder, wanneer hij arriveert in Kasienteb, met hem contact moet zoeken via Facebook. Het hof begrijpt dat met Kasienteb wordt bedoeld de stad Gazientep/Gaziantep, een stad in Zuid-Oost Turkije dichtbij de Syrische grens. Op 21 oktober 2014 zegt de verdachte dat het om [betrokkene 3] gaat, een "1.90m grote jonge kast, Somal". [betrokkene 1] geeft aan dat hij hem teskiaa wil geven.

15. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 8] op zaterdag 18 oktober 2014 een melding van vermissing heeft gedaan van haar zoon [betrokkene 3] , geboren [geboortedatum] 1987 te Somalië. Volgens de gemeentelijke basisadministratie is het laatste paspoort van [betrokkene 3] afgegeven te [plaats] op [datum] en blijkt uit dit paspoort dat hij 1.88 m lang is .

16. Op 19 oktober 2014 vindt er een gesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 1] , waarin deze laatste zegt dat "soma" niet online is. De verdachte reageert door te zeggen dat "hij er al bijna is", via " [betrokkene 2] , die hem gaat helpen over te steken". [betrokkene 1] zegt dat hij de broeder (Soma) gaat proberen te bereiken in Jarabulus. Het hof begrijpt dat het gaat om Jarabulus, een stad gelegen in Syrië aan de Turkse grens op ongeveer 90 kilometer van Gazlenteb.

17. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart de verdachte over het gesprek met [betrokkene 1] van 21 oktober 2014 dat [betrokkene 1] bereid was [betrokkene 3] teskiaa te geven. Dat betekent dat hij garant voor hem wilde staan. Door garant te staan kon iemand in het gebied komen zonder een procedure te ondergaan. De verdachte verklaart eveneens dat hij [betrokkene 2] had gevraagd [betrokkene 3] te helpen, indien [betrokkene 1] hem niet kon helpen. Uit een chatgesprek tussen de verdachte en [betrokkene 2] van 17 oktober 2014 antwoordt de verdachte desgevraagd dat [betrokkene 3] zich wil aansluiten bij IS ("Ja bij IS"). Op de computer van de verdachte is een afbeelding (screenshot) van een kranten artikel aangetroffen, dat als kop heeft: " [betrokkene 2] ronselt moslimjongeren voor ISIS".

(…)

Bespreking van het verweer van de verdachte inzake het alternatief scenario met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

20. De verdachte heeft aangevoerd dat hij naar het gebied van Jabhat al-Nusra in Syrië wilde reizen om een transportonderneming op te zetten. Daartoe zou de verdachte eerst enquêtes afnemen om er achter te komen wat het aanbod en de vraag was en welke prijzen hij zou kunnen vragen.

21. Het hof stelt voorop dat het dossier (bijvoorbeeld afgeluisterde telefoongesprekken of chats) geen aanknopingspunten voor de juistheid van het scenario van de verdachte biedt. De verdachte heeft zijn voornemen om aldaar een transportbedrijf op te zetten ook desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep geen handen en voeten gegeven.

22. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de deskundige Weggemans leidt het hof af dat het hoogst onwaarschijnlijk - maar niet uitgesloten - is dat men in het gebied van Jabhat al-Nusra civiele functies kan uitoefenen zonder je daadwerkelijk aan te sluiten. Hij acht het onwaarschijnlijk dat iemand naar Jabhat al-Nusra gebied gaat om iets anders te doen dan strijden, maar het is niet uitgesloten. De kans is volgens de deskundige groot dat je bij de strijd betrokken raakt. Dat is naar het oordeel van het hof eens te meer aannemelijk nu het hiervoor uit de bewijsmiddelen (BFK: heeft) afgeleid dat de verdachte naar het strijdgebied van Jabhat al-Nusra in Syrië wilde vertrekken.

23. Bij die stand van zaken acht het hof het alternatieve scenario, dat de verdachte eerst marktonderzoek ter plaatse zou verrichten en vervolgens een transportonderneming zou opzetten, niet aannemelijk geworden. Het had op de weg van de verdachte gelegen concretere aanknopingspunten hierover te verschaffen. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat de verdachte op 25 november 2014 is aangehouden, vervolgens is verhoord en hoofdzakelijk heeft gezwegen, maar pas op 12 mei 2015 heeft verklaard dat hij in Syrië "samen met [betrokkene 9] , die net is omgekomen bij een bombardement," een transportonderneming wilde opzetten in het vervoeren van mensen en aardappelen, groenten en fruit. Ter terechtzitting van 14 februari 2016 heeft de verdachte aangevoerd dat hij in gebied dat in handen was van Jabhat al-Nusra een transportbedrijfje wilde opzetten.

7.1.4.

Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 1 en 2 in relatie tot art. 96, lid 2, Sr

7.1.4.1 Oogmerk en concretisering

1. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit leidt het hof uit de vastgestelde feiten met betrekking tot de gedragingen van de verdachte af dat hij samen met [betrokkene 5] wilde afreizen naar Syrië en zich wilde aansluiten bij Jabhat al-Nusra.

2. Ten aanzien van het onder 2 primair I ten laste gelegde feit leidt het hof uit de vastgestelde feiten met betrekking tot de gedragingen van de verdachte af dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft trachten te bewegen behulpzaam te zijn en om gelegenheid of inlichtingen te verschaffen om AbdulIe te helpen bij zijn aansluiting bij IS na zijn uitreis vanuit Nederland naar Syrië.

3. Het oogmerk om een van de terroristische misdrijven voor te bereiden volgt uit deze vaststellingen, aangezien deelname aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt.

4. Uit de vooropstelling van het hof zoals hiervoor in hoofdstuk 6 is vermeld volgt dat in de gewapende strijd dagelijks – samengevat weergegeven – wordt gemoord, brand wordt gesticht en explosies teweeg worden gebracht. De beoogde aansluiting van de verdachte, [betrokkene 5] en [betrokkene 3] bij de gewapende strijd levert aldus een voldoende nadere bepaling op van de in de artikelen 157 juncto 176b en/of 289(a) en/of 288a Sr beschreven terroristische misdrijven.’

Strafbare voorbereiding van terroristische misdrijven (art. 96 Sr)

10. De tenlastelegging en bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 primair onder I betreffen voorbereiding en bevordering zoals strafbaar gesteld in art. 96 Sr. De aandacht verdient dat beide onderdelen van de bewezenverklaring het vereiste oogmerk op een opvallende wijze omschrijven. Beide bewezenverklaringen spreken van ‘het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering’ van nader omschreven misdrijven. Het is de vraag waarom beide onderdelen van de tenlastelegging niet de tekst volgen van art. 96 Sr. Dat spreekt van ‘het oogmerk om een der (…) omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen’. Als deze formulering in tenlastelegging en bewezenverklaring was overgenomen, zouden zij beter leesbaar zijn geweest. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel kan evenwel worden aangenomen dat de steller van de tenlastelegging met de gekozen bewoordingen heeft willen aansluiten bij de wettelijke formulering. De stellers van de middelen lijken daar ook van uit te gaan; beide middelen klagen niet over het verschil tussen beide formuleringen.

11. De misdrijven waar het oogmerk van de verdachte volgens de bewezenverklaring op gericht was, waren volgens de bewezenverklaring (kort gezegd) brandstichting en het teweeg brengen van een ontploffing begaan met een terroristisch oogmerk en moord en doodslag begaan met een terroristisch oogmerk. Dat de strafbaarstelling van art. 96 Sr in verband met deze misdrijven kan worden toegepast, volgt uit de artikelen 176b en 289a Sr. De voorbereidende gedragingen die bewezen zijn verklaard, betreffen respectievelijk (1.) het middelen en inlichtingen tot het plegen van de misdrijven aan zich en/of anderen verschaffen en/of trachten te verschaffen (art. 96, tweede lid, onder 2°, Sr) alsmede (2.) het een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen (art. 96, tweede lid, onder 1°, Sr).

12. De strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in het tweede lid van art. 96 Sr is ingevoerd door de wet ‘houdende nadere voorzieningen tot bestrijding van revolutionnaire woelingen’.1 Het aanvankelijke wetsvoorstel wilde heel algemeen de ‘voorbereiding of de samenspanning tot een der in de artikelen 92-95 Sr omschreven misdrijven’ strafbaar stellen.2 Tegen dit voorstel hadden ‘verscheidene leden ernstig bezwaar. Het strafbaar stellen van elke voorbereidingshandeling tot een misdrijf, onverschillig van welken aard die handeling overigens is, ongeacht de mate van haar gevaarlijkheid en haar geschiktheid tot het bereiken van het beoogde doel, ongeacht ook het stadium, waarin de voorbereiding verkeert, achtten zij zeer ongewenst’.3 Ook andere leden wilden ‘niet ontkennen’ dat ‘de redactie van artikel 96, zooals die door de Regeering is ontworpen, eenigszins ruim’ was. In verband daarmee ‘zouden de leden, door wie deze beschouwingen werden gehouden, het zeer op prijs stellen, indien de Minister zou kunnen besluiten de voorbereidingshandelingen, welke hij inzonderheid op het oog heeft en welke hij strafbaar wenscht te stellen, in artikel 96 met name te noemen, opdat elke uitleg van het begrip ‘voorbereiding’ overbodig worde’.4

13. Die handschoen pakte de minister op. In de memorie van antwoord gaf hij aan dat het toentertijd hier te lande iemand nog geoorloofd was om met het oogmerk ‘om een aanslag - en let wel een concreten voorgenomen aanslag, niet omwenteling in het algemeen - voor te bereiden of te bevorderen, de meest bedenkelijke handelingen van voorbereiding of bevordering te plegen. Het is hem in het algemeen geoorloofd, dat hij anderen tracht te bewegen om aan den aanslag mede te werken of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen; dat hij gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van den aanslag zich of anderen tracht te verschaffen; dat hij voorwerpen voorhanden heeft, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van den aanslag; dat hij plannen voor de uitvoering van den aanslag, welke bestemd zijn om aan anderen te worden meegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft; dat hij eenigen maatregel, van Regeeringswege genomen om de uitvoering van den aanslag te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen’.5 De minister achtte het niet wenselijk dat die gedragingen niet strafbaar waren. Deze opsomming van gedragingen werd bij het gewijzigd ontwerp in een tweede lid neergelegd dat praktisch gelijkluidend is aan het huidige tweede lid van art. 96 Sr.6

14. Het is daarbij niet geheel duidelijk welke betekenis bij de interpretatie van het tweede lid moet worden toegekend aan de passage in de memorie van antwoord. De minister geeft daar geen grenzen van de interpretatie van de geformuleerde strafbaarstellingen aan; hij geeft slechts duidelijke voorbeelden van gedragingen die zijns inziens strafbare voorbereiding dienen op te leveren en door de voorgestelde redactie van art. 96, tweede lid, Sr bestreken worden. Dat de voorbereiding van een concrete aanslag voortaan strafbaar is, wordt afgezet tegen de voorbereiding van een omwenteling in het algemeen die straffeloos blijft. Een preciezere begrenzing kan ook uit het vervolg van de parlementaire behandeling niet worden afgeleid. Aan de exacte interpretatie van het tweede lid is door de Kamerleden en de Minister verder weinig aandacht besteed.

15. Ten gevolge van het in werking treden van de Wet terroristische misdrijven is het bereik van de strafbaarstelling van voorbereiding in art. 96, tweede lid, Sr verruimd. De tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat tot deze wet leidde stelde in (onder meer) art. 176b, eerste lid, Sr en art. 289a, eerste lid, Sr de samenspanning tot aldaar nader omschreven misdrijven strafbaar, en verklaarde het tweede lid van art. 96 Sr in het tweede lid van elk van deze bepalingen ‘van overeenkomstige toepassing’.7 In het parlementaire debat ging de aandacht vooral uit naar de voorgestelde uitbreiding van de strafbaarstelling van samenspanning. Aan de toelichting op dat voorstel kunnen evenwel ook bij de interpretatie van de in het tweede lid strafbaar gestelde voorbereiding aanknopingspunten worden ontleend. Zo is in de toelichting gewezen op ‘de internationale context van terrorisme en terrorismebestrijding’. Verder is gesteld dat net zo min als bij art. 46 Sr ‘bij de strafbaarstelling van samenspanning vereist (is) dat het tijdstip waarop het overeengekomen misdrijf gepleegd zou dienen te worden, al is bepaald, dan wel de wijze van uitvoering. Wel dient in voldoende mate duidelijkheid te bestaan over de juridische kwalificatie van het voorgenomen misdrijf, teneinde vast te kunnen stellen of het overeengekomen misdrijf behoort tot de misdrijven waarvan samenspanning strafbaar is gesteld’.8 In de Nota naar aanleiding van het nader verslag stelt de Minister dat de ‘eisen, te stellen aan de concreetheid van het voorgenomen misdrijf (..) vergelijkbaar (zijn) met de eisen, te stellen aan de concreetheid van het misdrijf in de context van de strafbare voorbereidingshandelingen (artikel 46 Sr).’9 Uw Raad heeft deze beide passages, zo zal verderop blijken, in een arrest uit 2017 reeds betrokken bij de interpretatie van art. 96, tweede lid, Sr.

16. In de Nota naar aanleiding van het nader verslag wordt voorts ‘vastgesteld dat de wens om terroristische misdrijven niet alleen adequaat te kunnen bestraffen maar waar mogelijk ook te kunnen voorkomen met behulp van het strafrechtelijk instrumentarium, breed wordt gedeeld’.10 Dat maakt duidelijk welke doelstelling met deze wijziging werd nagestreefd.11 Dat geldt ook voor het antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie inhoudend dat het strafrechtelijk instrumentarium in een vroegtijdig stadium ingezet dient te kunnen worden ‘opdat – om erger te voorkomen – elke concrete en serieuze voorbereiding van een ernstig terroristisch misdrijf kan worden tegen gegaan.’12 Uit deze passage kan voorts worden afgeleid dat niet zozeer het voorgenomen misdrijf als wel de voorbereiding concreet dient te zijn.13 Uit een antwoord aan diezelfde leden blijkt ook dat volgens de Minister bij het trachten om een ander te bewegen ‘een misdrijf te begaan (een terroristische aanslag dan wel samenspanning daartoe)’ tenlastelegging van artikel 96, tweede lid, Sr voor de hand kan liggen.14 Daaruit volgt dat de wetgever toepassing van art. 96, tweede lid, Sr mogelijk achtte bij gedragingen die zich vroeg in de voorfase afspelen. Dat volgt ook uit de opmerking ‘dat artikel 96, tweede lid, onder ten 1o, 2o en 4o Sr nog strafbaarstellingen kent die van belang zijn voor de bij een samenspanning betrokkene die niet zelf met de samenspanners overeenkomt het misdrijf te plegen’.15 Voorts gaat het volgens de Minister bij de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen en die van samenspanning niet om een keus; deze ‘vullen elkaar veeleer aan’.16 De voorbeelden die in de Nota naar aanleiding van het nader verslag genoemd worden, het nemen van vlieglessen en duiklessen, worden geplaatst in de context van samenspanning, maar kunnen tegen deze achtergrond ook bij de strafbaarstelling van voorbereiding worden betrokken.17

17. Ook tijdens de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer is nog gesproken over de verhouding tussen samenspanning en voorbereiding. In de Nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven dat ‘een verschil in bedoeling tussen de samenspanners aan strafbaarheid in de weg staat (…) indien dit verschil dusdanig is dat niet meer van een overeengekomen misdrijf kan worden gesproken. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het karakter van het misdrijf nog volstrekt niet vast staat, en kan variëren van een bomaanslag tot een ontvoering. Overigens wijs ik erop dat in die situatie nog wel strafbaarheid kan ontstaan uit hoofde van andere strafbaarstellingen, zoals het – van overeenkomstige toepassing verklaarde – artikel 96, tweede lid, Sr.’18 Ook dat wijst erop dat – in de voorstelling van de Minister – strafbaarheid uit hoofde van art. 96, tweede lid, Sr kan intreden als het voorbereide misdrijf nog weinig concreet is.

18. Bij de interpretatie van de strafbaarstellingen van artikel 96, tweede lid, Sr kunnen in beginsel ook argumenten aan de wetssystematiek worden ontleend.19 In dat verband is het van belang dat het wetboek de laatste decennia met een aantal strafbaarstellingen is aangevuld die op gedragingen zien die ook in art. 96, tweede lid, Sr strafbaar zijn gesteld.

19. Wat betreft de gedraging die strafbaar is gesteld in art. 96, tweede lid, onder ten 3°, Sr, het voorhanden hebben van voorwerpen waarvan de betrokkene weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf, kan worden gewezen op de strafbaarstelling van voorbereiding in art. 46, eerste lid, Sr, dat thans luidt: ‘Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft’. De aanvankelijke redactie van deze in 1994 ingevoerde strafbaarstelling week in sterkere mate van de formulering in art. 96 Sr af dan thans het geval is.20 De strafbaarstelling was destijds beperkt tot het voorhanden hebben etc. van voorwerpen etc. die kennelijk bestemd waren tot het in vereniging begaan van dat misdrijf. De eerste beperking is geschrapt bij de wet ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven; met die wijziging staat vast dat uit de aard van het voorwerp niet de objectieve bestemming tot het criminele doel behoeft te blijken.21 De tweede beperking was al eerder geschrapt, bij de implementatie van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme.22

20. Uit de parlementaire behandeling van deze beide wetten volgt dat de wetgever aan art. 46 Sr een ruime reikwijdte toekent. In de memorie van toelichting bij de laatstgenoemde wet wordt gesteld: ‘Financiering van strafbare feiten zal allereerst kunnen worden aangemerkt als de voorbereiding van een misdrijf als omschreven in artikel 46 Sr.’23 Uit de memorie van toelichting bij de eerstgenoemde wet blijkt eveneens van het verband met de financiering van terrorisme: ‘Van gelden die beschikbaar worden gehouden of gesteld voor de financiering van aanslagen zal niet gemakkelijk kunnen worden gesteld dat uit de aard van het voorwerp de objectieve bestemming tot het criminele doel blijkt. Geld dat voor een goed doel beschikbaar wordt gehouden ziet er niet anders uit dan geld dat beschikbaar wordt gehouden voor een aanslag. De subjectieve bestemming, het opzet van de dader, is toereikend voor strafbaarheid.’24 In deze standpuntbepalingen ligt besloten dat het voorhanden hebben van geld dat bestemd is om een aanslag mee te financieren voorbereiding in de zin van art. 46 Sr op kan leveren. Uit de inhoud van de verdragsverplichtingen die de wetgever aldus wil implementeren volgt dat de wijze en het tijdstip waarop deze aanslag zou dienen plaats te vinden, nog niet concreet vorm behoeft te hebben gekregen.25 De wetgever lijkt er bovendien van uit te zijn gegaan dat de gekozen ruime benadering van strafbare voorbereiding in art. 46 Sr ook van belang is in verband met art. 96 Sr. In de memorie van toelichting bij laatstgenoemd wetsvoorstel wordt overwogen: ‘Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld duidelijkheid te creëren door het bestanddeel ‘kennelijk’ te schrappen. Daarmee wordt artikel 46 Sr ook beter afgestemd op de bijzondere strafbaarstelling van voorbereiding welke in artikel 96, tweede lid, onder 3°, Sr is omschreven.’26 Die afstemming heeft de wetgever kennelijk gewild. Later is met art. 421 Sr een afzonderlijke strafbaarstelling van financiering van terrorisme tot stand gekomen. Daarbij is de wetgever echter niet terug gekomen op de eerder gekozen benadering van art. 46 Sr.27

21. Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat bij een tenlastelegging die op art. 46 Sr is toegespitst geen strenge eisen worden gesteld aan de omschrijving van het voorbereide misdrijf. In HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626 was aan de betrokkene ten laste gelegd het tezamen en in vereniging met een ander ter voorbereiding van diefstal met geweld in vereniging dan wel afpersing in vereniging voorhanden hebben van voorwerpen (een bivakmuts en een of meer gestolen auto’s) en uitvoeren van observaties. Uw Raad gaf aan dat het bij voorbereiding gaat om ‘een situatie waarin het beoogde misdrijf of een begin van uitvoering daarvan niet is gevolgd, zodat in de regel een concrete omschrijving van de wijze waarop het voorbereide misdrijf gepleegd zou gaan worden niet mogelijk is. (…) Voldoende is dat op grond van de tenlastelegging duidelijk is op welk in de strafwet omschreven misdrijf met een strafbedreiging van acht jaren gevangenisstraf of meer, de nader omschreven voorbereidingshandelingen volgens de steller van de tenlastelegging waren gericht.’ Aan de concreetheid van het voorbereide misdrijf (tijd, wijze van uitvoering) worden kortom geen (hoge) eisen gesteld.

22. Wel dient uit de bewijsmiddelen met een voldoende mate van duidelijkheid te volgen dat de verdachte opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad die waren bestemd tot het begaan van het in de bewezenverklaring opgenomen misdrijf. In HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, NJ 2014/107 werd geoordeeld dat de ‘omstandigheden dat in de auto van de verdachte voorwerpen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing en dat de verdachte met het voorhanden hebben van die voorwerpen bekend was’ daartoe niet volstonden. In HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956, NJ 2013/133 heeft Uw Raad voorts overwogen dat uit de tekst van art. 46, eerste lid, Sr volgt dat ‘met ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op de voorbereiding zelf’. In deze zaak zou uit de door het hof gebezigde bewijsvoering niet kunnen worden afgeleid dat de telefoon waarmee de verdachte mondeling informatie gaf aan zijn medeverdachte, bestemd was tot het in de bewezenverklaring bedoelde misdrijf om samen met anderen of een ander een diefstal met geweld of afpersing te plegen; daarom werd het bestreden arrest gecasseerd.28

23. De beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling van voorbereiding die uit de laatstgenoemde uitspraak lijkt voort te vloeien, vraagt in verband met art. 96, tweede lid, Sr de aandacht. De gedachte lijkt te zijn dat een voorwerp dat bij de voorbereiding van een misdrijf van nut is maar niet bij het begaan van het misdrijf zelf, daar niet toe ‘bestemd’ is. Geldt dat ook bij art. 96, tweede lid, onder 3°, Sr? En moet dan, op wetssystematische gronden, worden aangenomen dat ook de gelegenheid, middelen of inlichtingen ‘tot het plegen van het misdrijf’ waar de strafbaarstelling onder ten 2° van dat lid over spreekt bij het plegen dan wel begaan van dat misdrijf van nut moeten (kunnen) zijn? Die beperking lijkt door de wetgever niet te zijn beoogd. Zoals wij zagen is door de wetgever uitdrukkelijk gewild dat de strafbaarstellingen van voorbereiding (in dat verband lijkt gedacht te zijn aan art. 46 Sr) en poging ook betrekking hebben op de samenspanning van art. 96, eerste lid, Sr.29 Daaruit spreekt de gedachte dat het voorhanden hebben van een telefoon die bestemd is voor contact met een ander teneinde tot overeenstemming te komen over het begaan van een terroristisch misdrijf, strafbare voorbereiding van samenspanning kan opleveren. Dat pleit ervoor art. 96, tweede lid, Sr zo uit te leggen dat het deze gedraging eveneens omvat.

24. Los van de complicaties die de in HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956, NJ 2013/133 gekozen benadering bij terroristische misdrijven oplevert, kan de vraag worden gesteld of de (formulering van de) beperking van de reikwijdte van art. 46 Sr die Uw Raad in dat arrest aanneemt, gelukkig is en of Uw Raad daar in latere rechtspraak (dan ook) ook aan heeft vastgehouden. Om met dat laatste te beginnen: in HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503, NJ 2015/450 m.nt. Reijntjes was bewezen verklaard dat de verdachte samen met een ander ter voorbereiding van (kort gezegd) diefstal met geweld dan wel afpersing, in vereniging te plegen bij het Holland Casino te Zandvoort, opzettelijk een plattegrond van dat Holland Casino bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad. A-G Hofstee concludeerde tegen de achtergrond van het arrest van 12 februari 2013 tot cassatie. Uit de bewijsvoering van het hof zou niet kunnen worden afgeleid ‘dat de plattegrond waarover verzoeker en een andere man op de beelden van een Blackberry voorovergebogen staan en daarbij praten over een te plegen overval (waarbij ook wordt gesproken over Holland Casino en Zandvoort), was bestemd tot het in de bewezenverklaring bedoelde misdrijf’. Uw Raad liet de veroordeling in stand en overwoog daarbij dat in ’s hofs overwegingen als oordeel besloten lag `dat de met de hand getekende plattegrond die door de gefilmde gespreksdeelnemers, onder wie de verdachte, wordt bestudeerd en besproken naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kan zijn voor het misdadige doel dat de verdachte en een ander met het gebruik van de plattegrond voor ogen hadden’. ’s Hofs oordeel zou geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Het zou evenmin onbegrijpelijk zijn, ‘in aanmerking genomen dat het Hof blijkens de bewijsoverweging heeft vastgesteld dat (i) tijdens het gefilmde gesprek onder meer gedetailleerd wordt gesproken over de meest wenselijke route, de wijze waarop men bij het geld wil komen en op welke wijze men zich na de overval van die plaats kan verwijderen zodat het risico van aanhouding gering is, (ii) in het gefilmde gesprek enkel de naam van het Holland Casino te Zandvoort wordt genoemd en (iii) de plattegrond sterke gelijkenis vertoont met de feitelijke situatie van het Holland Casino te Zandvoort en omgeving.’

25. Uit het arrest van Uw Raad volgt dat de strafbaarheid van het voorhanden hebben van de plattegrond niet afhangt van de vraag of deze bestemd is tot het begaan van het misdrijf of enkel tot de voorbereiding. Dat komt mij gelukkig voor. Bestemd tot het misdrijf in werkelijk enge zin is de plattegrond welhaast per definitie niet. Bij de afpersing zal niet met een plattegrond gedreigd worden. De plattegrond kan tijdens het begaan van de afpersing wel een rol spelen, als de medeplegers in het casino de weg kwijt raken. Maar het is bij uitstek een voorwerp dat bij de voorbereiding van nut is, doordat het dat scenario voorkomt. Als de plattegrond moet worden bestudeerd tijdens het plegen van het misdrijf is de voorbereiding niet optimaal geweest. Het spreekt niet aan als het voorafgaand aan de overval voorhanden hebben van de plattegrond van de bank alleen bij de inschatting dat de voorbereiding suboptimaal is tot strafbaarheid zou leiden.

26. Uw Raad lijkt de benadering van het arrest van 12 februari 2013 daarbij te hebben verruild voor een nieuwe. Daarin staat het belang van de plattegrond in de voorbereiding centraal. De plattegrond is gebruikt voor overleg over de meest wenselijke route, er is alleen gesproken over het Holland Casino en de plattegrond vertoont sterke gelijkenis met de feitelijke situatie van het Holland Casino. Een benadering waarin de specifieke relatie van een voorwerp tot een misdrijf dan wel de voorbereiding daarvan en het belang van het voorwerp in relatie tot dat misdrijf dan wel de voorbereiding daarvan bepalen of het tot dat misdrijf ‘bestemd’ is komt mij gelukkig voor. In deze benadering is ook te verklaren waarom het voorhanden hebben van een bij de overval te dragen bivakmuts strafbare voorbereiding oplevert, al is die bij de overval zelf niet echt van nut. De beschikbaarheid van het kledingstuk is evenwel van groot belang in relatie tot de overval omdat het herkenning via camerabeelden of door getuigen voorkomt. Goede schoenen zijn bij het plegen van een overval in zeker opzicht van groter nut, ook omdat het zonder (goede) schoenen lastiger is om bij betrapping te ontkomen. Schoenen staan evenwel niet in een voldoende specifieke relatie tot de voorbereide overval en zijn tegen die achtergrond niet tot het misdrijf bestemd. Misschien kan, in de benadering waar Uw Raad in het arrest van 9 juni 2015 voor koos, de verwijzing naar de uiterlijke verschijningsvorm uiteindelijk achterwege blijven. Dat criterium verheldert de grenzen van de strafbare voorbereiding naar het mij voorkomt in veel gevallen niet.

27. Ook gedragingen die in art. 96, tweede lid, onder 1°, Sr, strafbaar zijn gesteld, het een ander trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, komen in andere bepalingen terug. Daartoe behoort in de eerste plaats art. 46a Sr, luidend: ‘Poging om een ander door een der in artikel 47, eerste lid onder 2e, vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, is strafbaar, met dien verstande dat geen zwaardere straf wordt uitgesproken dan ter zake van poging tot het misdrijf of, indien zodanige poging niet strafbaar is, terzake van het misdrijf zelf kan worden opgelegd.’ Art. 46a Sr is daarbij in de plaats gekomen van het vroegere art. 134bis Sr, waarvan de bewoordingen van het eerste lid nog sterker met die van art. 96, tweede lid, onder 1°, Sr overeenkwamen: ‘Hij die door een der in artikel 47 no. 2 vermelde middelen een ander tracht te bewegen om een misdrijf te begaan, wordt (…) gestraft met (…)’.

28. Net als bij art. 46 Sr, heeft Uw Raad ook bij een tenlastelegging die op art. 134bis (oud) Sr of art. 46a Sr is toegespitst geen strenge eisen gesteld aan de omschrijving van het misdrijf waartoe de verdachte een ander heeft trachten te bewegen. In HR 1 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AB7648, NJ 1982/288 klaagde het tweede middel dat de tenlastelegging van art. 134bis (oud) Sr niet voldeed aan de eisen van art. 261 Sv: de plaatsaanduiding van het feit dat de verdachte zou hebben getracht uit te lokken ontbrak. Uw Raad overwoog dat ‘in een telastelegging als de onderhavige ook de omschrijving van het misdrijf tot het begaan waarvan de verdachte vergeefs zou hebben getracht te bewegen voldoende duidelijk (moet) zijn, in verband waarmede aanduidingen van tijd en plaats dienstig kunnen zijn; voor zover het middel echter strekt ten betoge, dat bij de omschrijving van dit niet-verwezenlijkte misdrijf ‘vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn’- zoals voormeld artikel voorschrijft met betrekking tot het ‘feit dat ten laste wordt gelegd’- noodzakelijk zou zijn, stelt het een eis welke geen steun vindt in het recht en in het bijzonder niet in dat artikel’. Geëist wordt aldus slechts dat het beoogde misdrijf ‘voldoende duidelijk’ is. Het ligt voor de hand de in dit verband te stellen eisen gelijk te stellen aan de eisen die bij tenlastelegging van art. 46 Sr gelden.

29. In de praktijk zijn art. 134bis (oud) Sr en art. 46a Sr tot dusver echter (hoofdzakelijk) toegepast in situaties waarin het misdrijf waartoe de verdachte een ander heeft trachten te bewegen betrekkelijk concreet was.

30. Een laatste strafbaarstelling die overeenkomsten vertoont met art. 96, tweede lid, Sr ten slotte is te vinden in art. 134a Sr.30 Dat artikel stelt strafbaar hij die ‘zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt’. Het artikel geeft uitvoering aan een eerder door de Tweede Kamer aangenomen motie en hangt tevens samen met art. 7 van het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme van de Raad van Europa.31 De nieuwe strafbaarstelling wordt in relatie tot art. 96, tweede lid, Sr van belang geacht omdat ‘de vraag gesteld (kan) worden in hoeverre het bestanddeel «het zich inlichtingen trachten te verschaffen tot het plegen van het misdrijf» alle strafwaardige gedragingen in verband met training voor terrorisme dekt’.32 Tevens zou onduidelijkheid kunnen ontstaan ‘over de vraag in hoeverre het bestanddeel «het (anderen) trachten te verschaffen van inlichtingen» tevens omvat het bijbrengen van kennis en vaardigheden’.33 Uit deze overwegingen spreekt geen wens om de reikwijdte van art. 96, tweede lid, Sr in te perken; de gedachte lijkt meer dat een aanvulling is gecreëerd voor het geval die strafbaarstelling specifieke gedragingen niet zou bestrijken.

31. Inmiddels heeft Uw Raad zich in HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011, NJ 2016/435 m.nt. Keijzer uitgelaten over de reikwijdte van art. 134a Sr:

‘2.4.1. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat art. 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Dat uitgangspunt is juist. Dat verband komt reeds tot uitdrukking in art. 134a Sr voor zover daarin strafbaar is gesteld het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Ten aanzien van de overige in art. 134a Sr strafbaar gestelde gedragingen, te weten: het zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, moet worden aangenomen dat kwalificatie onder art 134a Sr niet mogelijk is indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder in overeenstemming met de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis in ruime zin te verstaan: 'het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken' – voor terrorisme ontbreekt.’

32. Uw Raad leidde vervolgens uit het bestreden arrest af dat in ’s hofs oordeel besloten lag dat de bewezenverklaarde gedragingen ‘voldoende verband hebben met enige vorm van training voor terrorisme in voornoemde zin’. De veroordeling bleef in stand. Van een concreet voorgenomen terroristisch misdrijf bleek uit de bewezenverklaring en bewijsvoering niet.

Bespreking van het eerste en tweede middel

33. De stellers van beide middelen formuleren daarin, als ik het goed zie, drie klachten. Het eerste middel bestrijdt ‘s hofs oordeel dat de verdachte handelde met het vereiste oogmerk. Het tweede middel klaagt dat het misdrijf waar de voorbereiding op was gericht onvoldoende bepaald is. Uit de toelichting op dit middel kan voorts de klacht worden afgeleid dat de vastgestelde gedragingen onvoldoende op de bewezen verklaarde misdrijven (brandstichting, moord of doodslag met een terroristisch oogmerk) gericht waren. Ik zal de drie klachten bespreken in de volgorde waarin de stellers van de middelen deze presenteren.

34. De toelichting op het eerste middel geeft aan dat uit wetsgeschiedenis en jurisprudentie blijkt dat het begrip ‘oogmerk’ (behalve opzet in de vorm van bedoeling, ook opzet in de vorm van) een noodzakelijkheidsbewustzijn omvat. De stellers wijzen daarbij op drie arresten betreffende andere misdrijven, waarin Uw Raad overwegingen formuleerde inzake de uitleg van oogmerkbestanddelen.34 Daar kan uit worden afgeleid dat de stellers van het middel dit oogmerkvereiste in lijn met andere oogmerkbestanddelen willen uitleggen. Die benadering komt mij juist voor.35 De parlementaire behandeling van de Wet houdende nadere voorzieningen tot het bestrijden van revolutionnaire woelingen respectievelijk de Wet terroristische misdrijven bevat geen aanwijzingen dat een ruimere of engere interpretatie beoogd is. Een en ander brengt mee dat voorwaardelijk opzet bij het in art. 96, tweede lid, Sr geformuleerde oogmerk niet volstaat. De Hullu geeft aan dat in de rechtspraak (als geen oogmerk in de zin van bedoeling of naaste doel kan worden vastgesteld) ‘een soort noodzakelijkheidsbewustzijn’ wordt geëist.36 Vereist is zo bezien dat met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat de verdachte de bewezen verklaarde gedragingen beging met de bedoeling de bewezenverklaarde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, dan wel ‘moet hebben beseft’ dat deze gedragingen de voorbereiding of bevordering van de bewezen verklaarde misdrijven tot gevolg hadden.37

35. De stellers van het middel vinden, zo begrijp ik, dat dit in de onderhavige strafzaak niet met voldoende mate van zekerheid vaststaat. Zij menen dat het gaat om de vraag of de verdachte heeft kunnen denken ‘dat hij zich in Syrië kon vestigen zonder dat hij zou hoeven te participeren in de strijd’. Zij wijzen daarbij op drie uitspraken van lagere rechters waarin verdachten die naar Syrië waren afgereisd of dat van plan waren van het hen ten laste gelegde zijn vrijgesproken voor zover dit op art. 96, tweede lid, Sr ziet.38 Aan de omstandigheid dat een andere strafrechter in een andere strafzaak de verdachte van het hem ten laste gelegde heeft vrijgesproken komt evenwel geen betekenis toe bij het beoordelen van de toereikendheid van de bewijsconstructie in de onderhavige strafzaak. Tegen die achtergrond beperk ik mij tot het beantwoorden van de vraag of de rechter die de bestreden uitspraak wees, het bewezen verklaarde oogmerk uit de bewijsvoering heeft kunnen afleiden.39

36. De overwegingen waar het hof de bewezenverklaring van het oogmerk op baseert, bestaan uit een aantal onderdelen, zo bleek in het voorgaande. In de algemene bewijsoverwegingen onder 6 wordt eerst ingegaan op de organisatie Jabhat al-Nusra. Die overwegingen lopen uit op de conclusie dat Jabhat al-Nusra een organisatie in de zin van art. 140a Sr is. Deze overwegingen worden door (de toelichting op) het eerste middel niet bestreden. In een volgend onderdeel van de algemene overwegingen gaat het hof in op de vraag ‘of een uitreis naar Syrië in 2014 gelijk stond aan een bestaan als strijder’. Daar geeft het hof aan dat over ‘de mogelijkheden tot het vervullen van een functie achter de frontlinie bij Jabhat al-Nusra’ minder informatie beschikbaar is dan bij ISIS. Desondanks concludeert het hof dat het niet mogelijk is, ‘te stellen dat personen met een rol achter de frontlinies zich volledig aan de gewelddadige strijd kunnen onttrekken’.

37. De stellers van het middel leiden uit het rapport Bestemming Syrië (dat het hof tot het bewijs bezigt) af ‘dat het mogelijk was om een andere functie dan strijder uit te oefenen in het gebied dat bezet was door Jabhat al-Nusra’. En waar het gaat om het oogmerk van de verdachte, zou het gaan om de vraag of de verdachte ‘heeft kúnnen denken dat hij zich in Syrië kon vestigen zonder dat hij zou hoeven te participeren in de strijd’. Daarom zou, zo begrijp ik, ’s hofs oordeel dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip oogmerk getuigen, althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn.

38. Naar het mij voorkomt is de verwerping van dit standpunt te vinden in de overwegingen die het hof in zijn arrest onder 7 heeft geformuleerd. Uit de feiten die het hof daar inzake feit 1 heeft vastgesteld volgt dat de verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 in Syrië is geweest. En dat hij met medeverdachte [betrokkene 5] met de auto wilde afreizen naar Syrië en zich daar vestigen. Zij spraken versluierd over hun uitreisplannen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij aan [betrokkene 1] , die op dat moment in Syrië deelnam aan de gewapende strijd aan de zijde van IS, naar routes heeft gevraagd van Nederland naar Turkije. En dat hij wilde gaan naar een gebied van Jabhat al-Nusra. De plaatsen die de verdachte daarbij aangaf waren strijdgebied, zo stelt het hof vast. In chatverkeer op 30 juli 2014 tussen de verdachte en een vermoedelijk in Syrië verblijvend persoon met een Syrisch telefoonnummer vraagt de verdachte hoe het leven daar is en of er nog een ‘nieuw front’ geopend wordt. De ander laat de verdachte weten dat hij gemist wordt en doet vervolgens kort verslag van de ontwikkelingen van de strijd in Syrië. In een chat van 12 oktober 2014 zegt de verdachte dat hij naar Jabhat al-Nusra gaat. [betrokkene 5] , met wie de verdachte naar Syrië gaat, verklaart ruim een maand eerder tegen [betrokkene 7] dat hij zich ‘daar’ gaat aansluiten, waarop deze antwoordt dat hij zich gaat aansluiten ‘bij hun’. Daarop zegt [betrokkene 5] : ‘dan zie ik je op het slagveld, we ontmoeten elkaar’. Deze [betrokkene 5] beschikt voorts over twee lijsten die volgens het hof betrekking hebben ‘op aanwijzingen en dingen die te doen staan alvorens af te reizen naar Syrië en/of Irak met het oog op het zich aansluiten bij de gewapende strijd’. In een bij de doorzoeking van [betrokkene 5] ’s woning in beslag genomen mobiele telefoon wordt ook een ‘overlevering met regels voor oorlogsvoering’ aangetroffen.

39. Hierbij komt ook betekenis toe aan de vaststellingen van het hof inzake de onder 3 bewezenverklaarde deelneming aan een terroristische organisatie. In dat verband heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte in een WhatsApp-gesprek van 14 april 2014 heeft gezegd: ‘Ik ben een voorstander van Jih*d en dus ook iedereen die onder Al Qa*da valt’ en dat op een laptop van de verdachte een foto is aangetroffen waarop hij staat afgebeeld met een zwaard in zijn hand met op de achtergrond een vlag van Jabhat al-Nusra, een afbeelding van een man met de wijsvinger omhoog bij vijf afgehakte hoofden alsmede een tekst waarin wordt opgeroepen tot het doden van gevangenen met daarbij een afbeelding van een geknielde gevangene in een oranje pak met daarnaast een in het zwart geklede man met een bivakmuts.40 Deze vaststellingen dienen te worden bezien in samenhang met de vaststelling van het hof onder 6 dat Jabhat al-Nusra (publiekelijk) executies uitvoerde.41

40. Het hof heeft voorts gemotiveerd het ‘alternatief scenario’ verworpen dat de verdachte inzake het onder 1 ten laste gelegde heeft aangevoerd: hij zou naar het gebied van Jabhat al-Nusra in Syrië hebben willen reizen om een transportonderneming op te zetten. Het hof stelt vast dat het dossier geen aanknopingspunten voor de juistheid van dit scenario biedt en dat de verdachte daar desgevraagd ook ter terechtzitting in hoger beroep geen handen en voeten aan heeft gegeven. Het hof wijst er daarbij ook op dat de verdachte op 25 november 2014 is aangehouden en pas op 12 mei 2015 heeft verklaard dat hij ‘samen met [betrokkene 9] , die net is omgekomen bij een bombardement’ een transportonderneming had willen opzetten in het vervoeren van mensen en aardappelen, groenten en fruit.

41. Het hof heeft naar het mij voorkomt uit de (aldus) onder 7 vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat de verdachte voor ogen stond zich bij Jabhat al-Nusra aan te sluiten teneinde te participeren in de gewapende strijd. Mede in dat licht getuigen ’s hofs vaststellingen inzake de bewezenverklaring onder 1 van het oogmerk van de verdachte om terroristische misdrijven voor te bereiden of te bevorderen niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘oogmerk’ en is ’s hofs oordeel terzake niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Inzake de bewezenverklaring onder 2 van bedoeld oogmerk formuleert het middel geen specifieke klachten. Zonder dergelijke toelichting valt niet goed in te zien dat er iets zou schorten aan ’s hofs vaststellingen terzake. In dat licht wordt van een nadere bespreking van ’s hofs vaststellingen inzake het onderhavige oogmerk in de bewezenverklaring onder 2 afgezien.

42. Het eerste middel faalt.

43. De toelichting op het tweede middel stelt dat aan de hand van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander ‘naar Syrië wilde afreizen en zich wilde aansluiten bij Jabhat al-Nusra (feit 1) en dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft trachten te bewegen behulpzaam te zijn en om gelegenheid of inlichtingen te verschaffen om [betrokkene 3] te helpen bij zijn aansluiting bij IS na zijn uitreis vanuit Nederland naar Syrië (feit 2 primair I). Nergens blijkt uit wat hij of [betrokkene 3] daar wilde gaan doen’. Daarom zou niet ‘met voldoende bepaaldheid’ kunnen worden ‘vastgesteld op welk misdrijf zijn voorbereidingshandelingen waren gericht’.

44. Een vergelijkbare klacht werd eerder aan Uw Raad voorgelegd in HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, NJ 2018/72 m.nt. Kooijmans. In de betreffende strafzaak was aan de verdachte onder 1 ten laste gelegd dat:

’hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) (of meer) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om moord en/of doodslag, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen,

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven zich en/of aan zijn mededader(s) heeft getracht te verschaffen en/of

(een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij/zij wist(en) dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van het/de misdrij(f)(ven),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

1. contact gezocht met één (of meer) perso(o)nen (in Syrië) en/of (op deze wijze) inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over (nog) aan te schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië, en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of de (te benaderen) (contact)perso(o)n(en) in Syrië, en/of

2. één (of twee) auto('s) gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of Syrië en/of om deze - na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië - aldaar te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere (terrein)auto('s), en/of

3. geld (in totaal - ongeveer - 15.460 euro) voorhanden gehad, en/of

4. koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of survivalkleding en/of survivalbenodigdheden en/of (bivak)mutsen en/of combatbrillen en/of (berg)schoenen en/of isokleding en/of een (of meer) video('s) voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een Kalasjnikov en/of vechten, en/of

5. één (of meer) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één (of meer) (digita(a)l(e)) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap en/of de strijd in Syrië, te weten een MacBook (inbeslaggenomen onder nummer KLE-M0-1-1) met daarop:

- een filmpje "Jihad Syria: Mujahid vs Tank 5", en/of

- een filmpje van een persoon die een preek, althans verhandeling, geeft over onder andere Jabhat al Nusra, en/of

- een filmpje van LiveLeak, met de naam "Syria - Tank gets unkilled", en/of

- diverse artikelen van de website mediawerkgroepsyrie.wordpress.com over de strijd in Syrië, en/of

- een artikel gepubliceerd op 16 april 2013 op de website van het blad NRC over waarom jongens naar Syrië willen, en/of

- een artikel van de site "wimjongman.nl/artikelen/jihad-de-weg.html", en/of

6. een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten, en/of

7. één of meer ontmoetingen en/of contact met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis naar Syrië te bespreken.’

45. Onder 2A was aan de verdachte ten laste gelegd dat:

‘hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van de maand januari 2013 tot en met 14 augustus 2013 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om moord en/of doodslag, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een ander heeft getracht te bewegen om het/de misdrijf/misdrijven te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven aan zich of (een) ander(en), in het bijzonder ook aan [betrokkene 1] en/of een (of meer) ander(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- (een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat het/zij bestemd was/waren tot het plegen van het/de misdrijf/misdrijven,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

1. contact gezocht met één (of meer) perso(o)nen (in Syrië) en/of (op deze wijze) inlichtingen en/of informatie ingewonnen/verkregen over (nog) aan te schaffen goederen en/of de gang van zaken/werkwijze in Syrië en/of informatie/instructies gekregen over de te volgen route naar/in Syrië en/of de (te benaderen) (contact)perso(o)n(en) in Syrië, en/of

2. één (of twee) auto('s) gehuurd om daarmee te reizen naar Italië, Turkije en/of Syrië en/of om deze - na aankomst in (het grensgebied van) Turkije/Syrië - aldaar te gebruiken en/of te verkopen en/of in te ruilen voor (een) andere (terrein)auto('s), en/of

3. geld (in totaal - ongeveer - 15.460 euro) voorhanden gehad, en/of

4. koffers/tassen, (onder meer) inhoudende combatkleding en/of survivalkleding en/of survivalbenodigdheden en/of (bivak)mutsen en/of combatbrillen en/of (berg)schoenen en/of isokleding en/of een (of meer) video('s) voorhanden gehad, inhoudende onder meer beelden van gewapende/schietende personen (in een loopgraaf) en/of uitleg over een Kalasjnikov en/of vechten, en/of

5. één (of meer) gegevens- en/of informatiedrager(s) met daarop één (of meer) (digita(a)l(e)) document(en) voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of martelaarschap en/of de strijd in Syrië, te weten een MacBook (inbeslaggenomen onder nummer KLE-M0-1-1) met daarop:

- een filmpje "Jihad Syria: Mujahid vs Tank 5", en/of

- een filmpje van een persoon die een preek, althans verhandeling, geeft over onder andere Jabhat al Nusra, en/of

- een filmpje van LiveLeak , met de naam "Syria - Tank gets unkilled", en/of

- diverse artikelen van de website mediawerkgroepsyrie.wordpress.com over de strijd in Syrië, en/of

- een artikel gepubliceerd op 16 april 2013 op de website van het blad NRC over waarom jongens naar Syrië willen, en/of

- een artikel van de site "wimjongman.nl/artikelen/jihad-de-weg.html", en/of

6. een aantal telefoonabonnementen en/of kredieten afgesloten, en/of

7. één of meer ontmoetingen en/of contact met elkaar en/of anderen gehad om voornoemde reis naar Syrië te bespreken.’

46. Het hof had de verdachte in het bestreden arrest van deze beide onderdelen van de tenlastelegging vrijgesproken en daarbij blijkens het arrest van Uw Raad overwogen:

‘Verdachte wordt onder deze feiten ten laste gelegd dat hij - kort gezegd - handelingen heeft verricht met het oogmerk om moord en/of doodslag, telkens begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en/of te bevorderen.

Op 14 augustus 2013 werden verdachte (in een gehuurde BMW 520d) en medeverdachte [betrokkene 2] (in een gehuurde Audi A3) in Kleef (Duitsland) aangehouden. In de beide auto's werden onder meer geld, kleding, telefoons en brillen aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op weg was naar zijn broer die op dat moment in Syrië verbleef en bezig was met de gewapende strijd. In het dossier bevinden zich voorts WhatsApp-gesprekken en sms-berichten tussen verdachte en zijn broer en tussen verdachte en zijn echtgenote. Ook bevindt zich in het dossier een afscheidsbrief van de echtgenote van verdachte aan verdachte.

Het hof is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen, WhatsApp-gesprekken, sms-berichten en de bij verdachte aangetroffen goederen, met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte onderweg was naar zijn broer om daar deel te nemen aan de gewapende strijd. Voorts is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte een aantal van de ten laste gelegde feitelijkheden heeft gepleegd. Daarmee kan ook bewezen worden verklaard dat verdachte zich 'gelegenheid en middelen heeft getracht te verschaffen'.

Voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2A tenlastegelegde strafbare feiten is echter ook vereist dat verdachte de gedragingen heeft verricht met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Anders dan bij de strafbare voorbereiding van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht volstaat voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf niet. De wetgever heeft met de strafbaarstelling van artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht beoogd in uitzonderlijke situaties, namelijk bij de dreiging van een concrete aanslag tegen de staatsveiligheid, zeer vroeg in te kunnen grijpen. Enerzijds vallen feitelijke gedragingen snel onder het bereik van dit artikel (de lat: "trachten gelegenheid en middelen te verschaffen" ligt immers niet hoog), anderzijds wordt door de gehanteerde opzetvorm een strenge eis gesteld aan het bewijs. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan, dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. Indien sprake is van voorbereidingshandelingen die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook als dagelijkse, niet-criminele bezigheden kunnen worden beschouwd - zoals in de onderhavige zaak met betrekking tot een aantal van de ten laste gelegde handelingen het geval is - is strikte toetsing noodzakelijk.

Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak de ten laste gelegde feiten die verdachte zou hebben voorbereid - moord en doodslag - niet aan de bovengenoemde eis van concreetheid voldoen. Zoals hiervoor is overwogen, is wel vast komen te staan dat verdachte van plan was om zich op enig moment aan te sluiten bij de gewapende strijd in Syrië, maar alleen op grond daarvan kan niet bewezen worden verklaard dat hij moord en/of doodslag heeft voorbereid of bevorderd. In het dossier bevindt zich geen enkel bewijsmiddel dat verdachte bezig was met de voorbereiding van een concrete moord of doodslag.

Het hof zal verdachte daarom van deze feiten vrijspreken.’

47. Naar aanleiding van het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep casseerde Uw Raad deze vrijspraak evenwel, na een daartoe strekkende conclusie van A-G Vegter. Uw Raad verwees daarbij naar een passage uit de nota naar aanleiding van het nader verslag en een passage uit de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat aan de Wet terroristische misdrijven ten grondslag lag (rov. 3.4):

‘De aan het woord zijnde leden informeerden vervolgens welke gedragingen moeten worden verstaan onder samenspanning. Zij vroegen om enkele voorbeelden.

Ten antwoord op deze vraag kan voorop worden gesteld dat de samenspanning zelf bestaat in de overeenkomst, en daarmee in wilsovereenstemming. Die wilsovereenstemming kan worden afgeleid uit gesprekken tussen de samenspanners, waarmee justitie – via getuigenverklaringen, tapverslagen of anderszins – op de hoogte komt. Gedacht kan ook worden aan schriftelijke stukken, maar dat ligt bij dit soort overeenkomsten minder voor de hand. Tenslotte is, als bij andere overeenkomsten, in beginsel denkbaar dat wilsovereenstemming uit een hand- of hoofdgebaar blijkt. Een dergelijke overeenkomst kan, en daarin zit een belangrijke beperking van de strafbaarheid, evenwel slechts tot strafbaarheid wegens samenspanning aanleiding geven als zij een concreet misdrijf betreft. De eisen, te stellen aan de concreetheid van het voorgenomen misdrijf, zijn daarbij vergelijkbaar met de eisen, te stellen aan de concreetheid van het misdrijf in de context van de strafbare voorbereidingshandelingen (artikel 46 Sr).’42

’Is wel reeds met de voorbereiding van het overeengekomen misdrijf begonnen, dan zal veelal ook artikel 46 Sr kunnen worden toegepast. Net zo min als bij artikel 46 Sr is bij de strafbaarstelling van samenspanning vereist dat het tijdstip waarop het overeengekomen misdrijf gepleegd zou dienen te worden, al is bepaald, dan wel de wijze van uitvoering. Wel dient in voldoende mate duidelijkheid te bestaan over de juridische kwalificatie van het voorgenomen misdrijf, teneinde vast te kunnen stellen of het overeengekomen misdrijf behoort tot de misdrijven waarvan samenspanning strafbaar is gesteld.’43

48. De daaropvolgende overwegingen van Uw Raad luidden als volgt:

‘3.5. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat - anders dan het Hof tot uitgangspunt heeft genomen - het voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96, tweede lid, Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. Die opvatting is juist. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat moet worden aangenomen dat hetgeen onder 3.4 is weergegeven omtrent de voor toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96, tweede lid, Sr. Vereist is derhalve slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96, tweede lid, Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179).

3.6.

Het oordeel van het Hof dat voor toepassing van art. 96, tweede lid, Sr vereist is dat "tijd, plaats en wijze van uitvoering" van de door de verdachte voorbereide misdrijven zouden moeten vaststaan, is dus onjuist. Het middel slaagt.’

49. Inmiddels is, na terugwijzing, een veroordeling gevolgd. Tegen deze veroordeling is beroep in cassatie ingesteld. Recentelijk concludeerde A-G Bleichrodt tot verwerping van het beroep.44

50. De stellers van het middel leiden uit het arrest van Uw Raad af dat voor het criterium van de voldoende bepaaldheid dient te worden gekeken naar de jurisprudentie rondom art. 46 Sr. Zij bespreken daarbij het (door Uw Raad genoemde) HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, NJ 2014/107. In dat arrest was door het hof bewezen verklaard dat de verdachte ‘ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld en/of afpersing)’ opzettelijk een aantal voorwerpen (een vuurwapen, patronen, bivakmutsen, een paar handschoenen, een moker en ducktape) kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad. Uw Raad casseerde het bestreden arrest en overwoog daarbij:

‘2.3. Aangezien de bewezenverklaring onder 1, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad die waren "bestemd tot het begaan" van het "misdrijf van artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld en/of afpersing)", niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk is het kennelijke oordeel van het Hof dat uit die bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt welk "misdadig doel (...) de verdachte voor ogen stond". De door het Hof in dat verband in aanmerking genomen omstandigheden dat in de auto van de verdachte voorwerpen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing en dat de verdachte met het voorhanden hebben van die voorwerpen bekend was, volstaan daartoe niet.’45

51. Het kenmerkende van die zaak was evenwel dat de bewezenverklaring praktisch gesproken alleen berustte op het aantreffen van de betreffende goederen in een auto waarin de verdachte als passagier op de achterbank zat. De verdachte had verklaard dat hij de personen die in de auto zaten niet echt bij naam kende en hen ook nog niet zo lang kende. En dat hij niet wist hoe al die spullen in zijn auto waren gekomen. De bewijsconstructie in de onderhavige zaak is heel anders. Er is, onder meer uit chatgesprekken, veel meer duidelijk geworden omtrent wat de verdachte voor ogen stond. Zoals eerder aangegeven heeft het hof uit die chatgesprekken en ander bewijsmateriaal kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte zich bij Jabhat al-Nusra wilde aansluiten, teneinde deel te nemen aan de activiteiten van deze organisatie die de in de tenlastelegging beschreven misdrijven opleveren. Daarmee is veel meer duidelijk geworden over het misdadig doel dat de verdachte voor ogen stond.

52. Centraal staat, in de overwegingen van Uw Raad in HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, NJ 2018/72 m.nt. Kooijmans, dat het voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96, tweede lid, Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, ‘indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist.’ Aan die eis voldoet de bewijsvoering van het hof, naar het mij voorkomt. De algemene bewijsoverwegingen van het hof en de passages waar in die overwegingen met voldoende precisie naar verwezen wordt maken voldoende duidelijk dat het begaan van de in de bewezenverklaring vermelde strafbare feiten in het als strijder voor Jabhat al-Nusra optreden ingebakken zit. In dit verband heeft het hof vastgesteld dat het bij de misdrijven die jihadistische strijdgroepen als Jabhat al-Nusra en IS plegen onder meer gaat om moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk. Dat wordt in het middel ook niet bestreden.

53. Ik wijs er daarbij nog op dat de minister in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel dat tot de Wet terroristische misdrijven heeft geleid slechts heeft aangegeven dat de eisen die bij art. 96 Sr gesteld dienen te worden aan de concretisering van het voorgenomen misdrijf ‘vergelijkbaar’ zijn met de eisen, te stellen aan de concreetheid van het misdrijf in de context van artikel 46 Sr. Zij hoeven dus niet volstrekt identiek te zijn. Zo kan er aanleiding zijn om verschil te maken op het punt van de mogelijkheden van een alternatieve bewezenverklaring. Bij de toepassing van art. 46 Sr hangt het strafmaximum af van het (voorbereide) misdrijf, bij de toepassing van art. 96 Sr is het strafmaximum altijd tien jaar gevangenisstraf.46 Bij art. 46 Sr is de eis van concreetheid voorts nauw verbonden met de eis van de ‘bestemdheid’ van het voorwerp (etc.) in verband met het misdrijf. Art. 96 Sr kent naast een met art. 46 Sr vergelijkbare delictsomschrijving ook andere, zo illustreert ook de onderhavige strafzaak.

54. Al met al meen ik dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat het oogmerk van de verdachte was gericht op de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven.

55. Uit de toelichting op het tweede middel leid ik af dat de stellers aan Uw Raad ook de vraag willen voorleggen of de bewezen verklaarde gedragingen de in art. 96, tweede lid, Sr omschreven vormen van voorbereiding opleveren. Gesteld wordt onder meer dat de handelingen van het tweede lid enkel strafbaar zijn als zij in verband staan met een concreet misdrijf en dat in de onderhavige zaak moet worden vastgesteld of het handelen van verdachte ‘is gericht op het plegen van brandstichting of ontploffing, dan wel moord of doodslag met een terroristisch oogmerk’.

56. De strafbare gedraging waar het bij de bewezenverklaring van feit 1 om draait, betreft ‘middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen’. Uit de bewezenverklaring volgt dat het hof heeft geoordeeld dat dit verschaffen van middelen of inlichtingen in zes gedragingen heeft bestaan: 1. het zich (via chatberichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië; 2. het zich (via chatberichten) laten informeren over een te volgen reisroute naar het strijdgebied; 3. het deelnemen aan Arabische lessen; 4. het informatie inwinnen en/of verkrijgen en/of verstrekken voor een reisuitrusting en praktische maatregelen die getroffen moeten worden voor het vertrek naar het strijdgebied in Syrië; 5. een of meer documenten of afbeeldingen voorhanden hebben met daarop aanwijzingen om zich aan te houden bij oorlogsvoering en aanwijzingen om zich aan te houden bij het voorbereiden van het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en 6. zich uiten over zijn wens zich te begeven naar Syrië en/of zich aan te sluiten bij de gewapende strijd en/of de gewapende Jihad.

57. Het verband tussen deze gedragingen en de misdrijven waar de voorbereiding op is gericht, is niet bij elke gedraging even direct. Het deelnemen aan Arabische lessen, bijvoorbeeld, heeft een minder direct verband met brandstichting en moord en doodslag met een terroristisch oogmerk dan het verzamelen van informatie over het maken van bommen dan wel het volgen van schietlessen. De wetsgeschiedenis maakt evenwel duidelijk, zo bleek eerder, dat een heel direct verband ook niet wordt geëist. Dat art. 96, tweede lid, Sr, de vormen van strafbare voorbereiding specificeert, lijkt niet zozeer voortgekomen uit een behoefte haar te begrenzen als wel uit een behoefte haar te concretiseren. Uit de parlementaire behandeling van de Wet terroristische misdrijven kan worden afgeleid dat het er vooral om ging of van concrete voorbereiding sprake was. Ook de wijzigingen die het -verwante- art. 46 Sr onderging, wijzen niet in de richting van een restrictieve interpretatie. Dat de wetgever de financiering van terroristische misdrijven ook als een vorm van strafbare voorbereiding zag, maakt al duidelijk dat in de context van art. 46 Sr (ook) geen direct verband wordt geëist.

58. Mogelijk kan bij art. 96, tweede lid, Sr (net als bij art. 46 Sr) worden gewerkt met een benadering waarin het specifieke karakter van de voorbereidingsgedraging en het belang van de gedraging in verband met het misdrijf bepalen of van strafbare voorbereiding sprake is. In die benadering leveren de eerste vijf gedragingen naar het mij voorkomt zeker in samenhang bezien strafbare voorbereiding op. Al deze gedragingen hebben een specifiek karakter en zijn van belang voor het uiteindelijk kunnen begaan van het voorbereide misdrijf. Aarzelingen heb ik bij de zesde gedraging; het belang springt niet in het oog. Over de bewezenverklaring van dat onderdeel wordt echter niet specifiek geklaagd. En aard en ernst van het bewezenverklaarde worden niet aangetast als dit onderdeel weg zou vallen.

59. De strafbare gedraging waar het bij de bewezenverklaring van feit 2 om draait, betreft ‘een ander trachten te bewegen om bij het plegen van het misdrijf behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen’. Uit de bewezenverklaring volgt dat het hof heeft geoordeeld dat dit in twee gedragingen heeft bestaan: 1. contacten onderhouden met [betrokkene 1] ten behoeve van de aansluiting van [betrokkene 3] bij IS; 2. met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] spreken over door [betrokkene 3] te volgen reisroutes naar het strijdgebied en/of het verschaffen van een persoonlijke garantstelling ten behoeve van de toelating tot het strijdgebied van laatstgenoemde. Naar het mij voorkomt volgt uit de bewezenverklaarde gedragingen dat het een ander trachten te bewegen zich heeft gericht op [betrokkene 1] en heeft dat zich gericht op het [betrokkene 3] gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf te verschaffen. Zeker de tweede bewezenverklaarde gedraging heeft een specifiek karakter en is van belang voor het door laatstgenoemde uiteindelijk kunnen begaan van het misdrijf. De eerste gedraging gaat (in belangrijke mate) in de tweede op.

60. Uit het voorgaande volgt dat het verband tussen de bewezenverklaarde gedragingen (op een enkele na) en de voorbereide misdrijven zodanig is dat de gedragingen voorbereiding in de zin van art. 96, tweede lid, Sr opleveren. ’s Hofs vaststellingen terzake getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting, zijn niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

61. Het tweede middel faalt.

Bespreking van het derde middel

62. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het gerechtshof om de verdachte (als bijzondere voorwaarde) een contactverbod op te leggen met [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] onvoldoende is gemotiveerd.

63. Het hof heeft onder het kopje ‘12.3.2 De persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden’ bij de rapportages overwogen:

‘8. Het hof heeft acht geslagen op de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 6 april 2017. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld. (…)

12. De reclassering adviseert, indien de verdachte schuldig wordt bevonden en indien aan hem een deels voorwaardelijke straf zal worden opgelegd, aan de verdachte de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, een contactverbod ten aanzien van een groot aantal personen (medeverdachten, personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling, personen die genoemd worden in het proces-verbaal en personen die op de Sanctielijst Terrorisme staan), alsmede locatieverboden ten aanzien van een aantal internationale luchthavens en de grenzen met België en Duitsland. Het locatieverbod dient te worden gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel met GPS.

13. Het hof heeft voorts kennis genomen van de overige zich in het dossier bevindende stukken van Reclassering Nederland van 13 juli 2016, 19 augustus 2015 en 9 maart 2015.

14. In de rapportage van 13 juli 2016 is onder meer het volgende vermeld. De reclassering kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de positieve verandering in het gedrag van de verdachte vooral door externe motivatie komt, namelijk het verkrijgen van privileges, en dat de verdachte nauwelijks intrinsieke motivatie heeft voor gedragsverandering. Ook zijn probleembesef is laag. Hij ervaart geen noodzaak om zichzelf te veranderen.

15. Risicofactoren zijn op dit moment dat er nog onvoldoende zicht is op het netwerk van de verdachte in Syrië. Daarnaast is hij tot op heden onderdeel van een netwerk van mensen die de strijd steunen.

16. In de rapportages van 19 augustus 2015 en 9 maart 2015 is onder meer het volgende vermeld. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De verdachte heeft op generlei wijze afstand genomen van de gedragingen die tot zijn huidige detentie hebben geleid.’

64. Onder het kopje ‘12.3.3 De op te leggen straf’ heeft het hof overwogen:

‘1. Gezien de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat op de bewezen verklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

2. Het hof zal daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof zal aan dit voorwaardelijke deel, in verband met het recidiverisico en de aard en de omvang van de thans bewezen verklaarde feiten, een proeftijd voor de duur van drie jaren verbinden.

3. Gelet op de inhoud van de deskundigenrapporten zal het hof aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals deze zijn opgenomen in het reclasseringsrapport van 6 april 2017 en hieraan toevoegen de bijzondere voorwaarde dat de verdachte medewerking zal verlenen aan het voeren van gesprekken met een deskundige over zijn geloof. Het hof zal de reclassering de opdracht geven om elektronisch toezicht te houden op de naleving van de locatieverboden.

4. Ten aanzien van de op te leggen contactverboden overweegt het hof het volgende. Het hof acht het noodzakelijk om de in het reclasseringsadvies van 6 april 2017 geadviseerde contactverboden op te leggen, te weten ten aanzien van de medeverdachten [betrokkene 5] en [betrokkene 13] , de personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling, de personen [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] en de personen die op de Sanctielijst terrorisme staan. Over de op te leggen contactverboden met [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] overweegt het hof dat zich in het dossier aanwijzingen bevinden waaruit blijkt dat zij sympathiseren met de gewapende jihadstrijd in Syrië.’

65. Het dictum van het bestreden arrest houdt in dat het hof onder meer als bijzondere voorwaarde stelt dat het de verdachte gedurende de proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

66. De stellers van het middel klagen dat het hof over de opgelegde contactverboden met [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] enkel heeft overwogen ‘dat zich in het dossier aanwijzingen bevinden waaruit blijkt dat zij sympathiseren met de gewapende jihadstrijd in Syrië’. Het gerechtshof had, zo begrijp ik de stellers van het middel, dienen aan te geven waar zich in het dossier die aanwijzingen bevinden. Nu kan niet worden vastgesteld over welke aanwijzingen het hof spreekt.

67. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat voldoende is dat van omstandigheden die worden gebruikt ter motivering van de straf ter terechtzitting is gebleken.47

68. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus, 4 september en 6 oktober 2017 houdt, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, het volgende in:

‘De deskundige, genaamd [betrokkene 14] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [plaats] , van beroep reclasseringswerker en domicilie kiezende bij Reclassering Nederland [...] , legt op vragen een verklaring af, als volgt:

(…)

U vraagt mij naar een strafadvies. Ik adviseer de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de straf die hij thans reeds heeft uitgezeten. (…) Daarnaast adviseer ik aan de verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen die zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies d.d. 6 april 2017 (…).

Mr. Weening vraagt mij op basis waarvan is geoordeeld dat er een contactverbod met bepaalde personen moet komen, zoals geadviseerd in het rapport van 6 april 2017. Ik heb het rapport niet geschreven. Ik heb begrepen dat de personen ten aanzien van wie een contactverbod wordt geadviseerd personen zijn die op de Sanctielijst staan en personen zijn met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de terroristenafdeling.

De verdachte deelt mee dat er ook drie namen op staan van personen die niet op de Sanctielijst staan en die niet op de terroristenafdeling gedetineerd hebben gezeten, te weten: [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] .

(…)

Desgevraagd door de advocaat-generaal deelt de verdachte mede:

[betrokkene 10] is al jaren een goede vriend van mij. Hij werkt fulltime als ZZP-er. Ik zie niet in waarom ik geen contact met hem zou mogen hebben.

De advocaat-generaal voert het woord overeenkomstig zijn overgelegde en (..) in het procesdossier gevoegde schriftelijke aantekeningen en draagt de schriftelijke vordering voor.’

69. Blijkens het requisitoir heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een contactverbod met deze drie personen wordt opgelegd en daarbij aangegeven: ‘Deze personen worden genoemd in het proces-verbaal.’48

70. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, voorts het volgende in:

‘De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. In aanvulling daarop brengt hij naar voren:

(…)

De gevorderde contactverboden, met name ten aanzien van de personen die mijn cliënt als goede vrienden beschouwt ( [betrokkene 10] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] ), leveren een onredelijke inbreuk op zijn privacy op. Om een dergelijke inbreuk op iemands leven te maken, moet er een goede onderbouwing zijn. Deze onderbouwing ontbreekt. Ik verzoek u daarom om geen contactverboden op te leggen. Mocht u het wel noodzakelijk vinden om contactverboden op te leggen, dan wil ik u uitnodigen om uitgebreid te motiveren waarom mijn cliënt geen contact met deze personen zou mogen hebben.’

71. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting en het op schrift gestelde requisitoir wordt aldus duidelijk dat de aanwijzingen waar het gerechtshof zich op heeft gebaseerd te vinden zijn in het reclasseringsrapport en het proces-verbaal. Uit de opmerking die de verdachte maakt naar aanleiding van het verhoor van de reclasseringsmedewerker en uit het pleidooi volgt dat daarover bij de verdachte en zijn raadsman ook geen verwarring heeft bestaan. In dat licht faalt het middel, waarin niet wordt geklaagd dat de aanwijzingen die het gerechtshof aan het reclasseringsrapport en het proces-verbaal heeft kunnen ontlenen, de oplegging van deze bijzondere voorwaarde niet kunnen dragen.

72. Het derde middel faalt.

73. De middelen falen. Het derde middel kan met de aan artikel 81 RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

74. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De wet van 28 juli 1920, Stb. 619.

2 Kamerstukken II 1919/1920, Bijlage 428, nr. 2.

3 Kamerstukken II 1919/1920, Bijlage 428, nr. 4, p. 8.

4 Kamerstukken II 1919/20, Bijlage 428, nr. 4, p. 9.

5 Kamerstukken II 1919/20, Bijlage 428, nr. 5, p. 11.

6 Kamerstukken II 1919/20, Bijlage 428, nr. 6 (gewijzigd ontwerp van wet).

7 Kamerstukken II 2002/03, 28 463, nr. 8.

8 Kamerstukken II 2002/03, 28 463, nr. 8, p. 5-6.

9 Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 23

10 Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 3.

11 Vgl. in dit verband ook nog de stelling van de Minister dat de ‘noodzaak tot het ‘in de kiem smoren’ van daden van terrorisme (…) de voorgestelde uitbreiding van de strafbaarstelling van samenspanning’ rechtvaardigt (Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 22).

12 Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 17-18.

13 Dat sluit aan bij passages waarin voor samenspanning een ‘concrete overeenkomst’ wordt geëist (Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 27).

14 Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 19.

15 Vgl. Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 20. Zie in dit verband ook een door het Kamerlid Albayrak ingediend amendement (Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 24) dat ‘de strafbaarheid van voorbereiding van en poging tot samenspanning met betrekking tot een misdrijf met een terroristisch oogmerk’ wilde opheffen. Zie ook de stemmingen in verband met het amendement en het wetsvoorstel (Handelingen II 9 december 2003, p. 34-2389 en 2390).

16 Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 22.

17 Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 22.

18 Kamerstukken I 2003/04, 28 463, E, p. 3.

19 Daarop wijst impliciet ook de toelichting in de Tweede Nota van Wijziging (Kamerstukken II 2002/03, 28 463, nr. 8, p. 6), die wijst op de overeenkomsten met de artt. 46 en 46a Sr.

20 Zie de Wet van 27 januari 1994, Stb. 60.

21 Zie de Wet van 20 november 2006, Stb. 580. Het lijkt de Minister erom te gaan of ‘het voorhanden hebben van het voorwerp ook daadwerkelijk als voorbereiding van dat misdrijf gezien kan worden omdat het voorwerp aan het realiseren van het misdrijf bij kan dragen’ (Kamerstukken II 2005/06, 30 164, nr. 7, p. 56). Vgl. ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, 7e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 418. Zie over de achtergrond van deze wetswijziging ook de conclusie van A-G Vegter voor HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4481 (art. 81 RO). Overigens gold reeds onder de oude wettekst dat niet kon worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van het voorwerp voor ogen had; vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213, NJ 2007/659 ( [...] ).

22 Zie de Wet van 20 december 2001, Stb. 675.

23 Kamerstukken II 2001/02, 28 031, nr. 3, p. 2.

24 Kamerstukken II 2004/05, 30 164, nr. 3, p. 49.

25 Vgl. art. 2 Internationaal verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, Trb. 2000, 12: ‘1. Any person commits an offence within the meaning of this Convention if that person by any means, directly or indirectly, unlawfully and wilfully, provides or collects funds with the intention that they should be used or in the knowledge that they are to be used, in full or in part, in order to carry out: a) An act which constitutes an offence within the scope of and as defined in one of the treaties listed in the annex; or b) Any other act intended to cause death or serious bodily injury to a civilian, or to any other person not taking an active part in the hostilities in a situation of armed conflict, when the purpose of such act, by its nature or context, is to intimidate a population, or to compel a government or an international organization to do or to abstain from doing any act.’

26 Kamerstukken II 2004/05, 30 164, nr. 3, p. 49.

27 Kamerstukken II 2012/13, 33 478, nr. 3, p. 3. De strafbaarstelling vindt zijn achtergrond in de wens (van de Financial Action Task Force) te komen tot een ‘herkenbare strafbaarstelling’ (p. 1). Bij het creëren van deze afzonderlijke strafbaarstelling speelde voorts een rol dat niet alle feiten waarvan de financiering strafbaar diende te worden gesteld met een maximale gevangenisstraf van acht jaar of meer werden bedreigd (p. 3).

28 Zie over dit arrest ook: T. Kooijmans, ‘Voorbereiding: bestemd tot het begaan van dat misdrijf?’, AA 2014, p. 208-213.

29 Het amendement van Tweede Kamerlid Albayrak dat de strafbaarheid van voorbereiding en poging tot samenspanning wilde opheffen, is verworpen.

30 Zie de Wet van 12 juni 2009, Stb. 245.

31 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 5.

32 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 6.

33 Kamerstukken II 2007/08, 31 386, nr. 3, p. 7. M van Noorloos, ‘De strafrechtelijke aanpak van terrorisme en Syriëgangers vanaf 2014’, DD 2015/56, spreekt wellicht vooral tegen deze achtergrond van ‘een ruim voorbereidingsdelict (…), vergelijkbaar met artikel 96 lid 2 Sr’ (p. 590).

34 HR 8 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC0341, NJ 1978/314 m.nt. Van Veen (oogmerk in art. 140, eerste lid, Sr); HR 5 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB8977, NJ 1982/232 m.nt. Van Veen (Gevangenisvoedsel II); HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma (mensenhandel).

35 Vgl. in dezelfde zin M.A.H. van der Woude in Tekst & Commentaar Strafrecht, 12e druk, aant. 6 bij art. 96 Sr.

36 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kuwer 2018, 7e druk, p. 255-259. G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 131, spreken bij het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening over ‘zekerheidsbewustzijn'.

37 Vgl. voor deze formulering HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:94, NJ 2013/406, rov. 2.4.2.

38 Rechtbank Midden-Nederland 24 mei 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2561; Rechtbank Gelderland 15 juni 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3239; Rechtbank Rotterdam 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8870.

39 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 9e druk, Wolters Kluwer, Deventer 2018, p. 243.

40 Pagina’s 48-49 van het arrest.

41 Het hof ontleent dit aan een rapport van 12 februari 2014 van de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic. Zie in dit verband het slot van onderdeel 2 van de noot van Kooijmans bij het hierna te bespreken HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, NJ 2018/72. Kooijmans spreekt daar van de ‘koppeling van (…) concreet bewijs aan een algemeen, als typologie fungerend rapport’ in een bewijsconstructie als ten verwere is aangevoerd dat de verdachte niet betrokken dacht te gaan worden bij gevechten.

42 Kamerstukken II, 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 23, nota naar aanleiding van het nader verslag.

43 Kamerstukken II, 2003/04, 28 463, nr. 8, p. 6, tweede nota van wijziging.

44 Conclusie van 16 april 2019, nr. 17/06114.

45 Vgl. ook HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:920. In HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2025 was op dit punt wel sprake van een toereikende bewijsvoering. Zie hierover ook: R. ter Haar, ‘Strafbare voorbereiding en de (voldoende) bepaaldheid van het misdadig doel’, TPWS 2017/80.

46 Vgl. HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6691, NJ 2011/316 m.nt. Mevis.

47 Vgl. HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7119.

48 Pagina 46-47 van het requisitoir. Zie ook p. 20: ‘Ter voorbereiding van hun voorgenomen reis naar Syrië hebben [betrokkene 5] en [verdachte] ook samen met anderen Arabische les gevolgd. [betrokkene 5] zelf heeft hierover ter terechtzitting verklaard dat deze les hen gegeven werd door [betrokkene 10] .’ Zie voorts p. 11 van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017 alsmede bewijsmiddelen 8, 11, 14, 20, 32 en 36 in bijlage II bij het vonnis van de rechtbank.