Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:476

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
17/03720
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1065
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over 1) de vraag of ’s hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om nader onderzoek te doen toereikend is gemotiveerd en 2) de samenloop van de vordering van de benadeelde partij met een civiele procedure. Met betrekking tot het eerste middel stelt de AG zich op het standpunt dat de motivering van de afwijzing van het verzoek om nader onderzoek te doen, tekortschiet. Met betrekking tot het tweede middel stelt de AG stelt zich op het standpunt dat het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03720

Zitting: 21 mei 2019

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 5 juli 2017 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2017, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens primair “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels” bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging, de motivering daarvan en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Het hof heeft de verdachte vervolgens veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 en 27a Sv. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.

2. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mrs. R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. A.G.M. Lieshout een verweerschrift ingediend als reactie op het tweede middel in de cassatieschriftuur.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verzoek van de verdediging tot het doen van nader onderzoek ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 31 december 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een muurkluis van de ING bank heeft weggenomen een geldkoffer (inhoudende 228.000 euro), toebehorende aan G4S en/of ING Bank, waarbij verdachte en zijn mededader(s) het-weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten

- met behulp van een plugsleutel ( [... ] ), behorende bij klantcode 74117 , waartoe hij, verdachte, en zijn mededader(s) niet gerechtigd waren, de plofdeksel van voornoemde geldkoffer in voornoemde muurkluis te verwijderen en vervolgens

- voornoemde geldkoffer (inhoudende 228.000 euro) uit voornoemde muurkluis weg te nemen.

5. In het door het hof (gedeeltelijk) bevestigde (promis)vonnis heeft de rechtbank met betrekking tot het bewijs van het primair tenlastegelegde het volgende overwogen:1

“3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Namens G4S is aangifte gedaan van diefstal tijdens een waardetransport van een bedrag van € 228.000,-, gepleegd op 31 december 2012 aan de Mathenesserlaan te Rotterdam. Op deze dag is een geldkoffer weggenomen van een geldtransport van G4S . De bestuurder van het geldtransportvoertuig, [betrokkene 1] , heeft verklaard dat hij een jonge man op een scooter zag wegrijden. Deze man had de geldkoffer tussen zijn benen. Verdachte, werknemer van G4S , heeft verklaard dat hij een door hem gesloten en geprogrammeerde geldkoffer in de muurkluis heeft gezet, dat hij vervolgens de ING bank is binnengelopen en dat de geldkoffer door een man op een scooter is meegenomen. In de muurkluis van de ING bank is de deksel van de geldkoffer (hierna: plofkofferkop) aangetroffen.

De plofkofferkop (serienummer 100.052) is uitgelezen door Mactwin Security Specials de fabrikant van de deksel. Uit de logregels blijkt het volgende:

1014

25-1-2000

4:01:19

1010

Klant sleutel groep 2 geprogrammeerd

1015

25-1-2000

4:01:19

1011

Klant sleutel groep 3 geprogrammeerd

1016

25-1-2000

4:01:19

4000

Koffer is gesloten

1017

25-1-2000

4:07:35

UNIT

Sleutel nummer 74117

1018

25-1-2000

4:07:35

1032

Koffer geopend door ingetoetste Klantsleutel

Uit de omgerekende tijden blijkt dat de logregels zien op 31 december 2012. De logregels 1014 tot en met 1016 zijn gedateerd op 13:06:30 uur. De logregels 1017 en 1018 zijn gedateerd op 13:12:46 uur.

De plofkofferkop is daarna onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI). Het NFI heeft een uitdraai van het gebeurtenisgeheugen uit de plofkofferkop aangeleverd gekregen. De plofkofferkop is opengemaakt en de geheugenchips zijn verwijderd en uitgelezen. De direct uit de geheugenchips gelezen gegevens zijn vergeleken met het aangeleverde gebeurtenisgeheugen. De vergelijking van de gegevens uit de geheugenchips met het aangeleverde gebeurtenisgeheugen heeft geen aanwijzingen gegeven die erop duiden dat het aangeleverde gebeurtenisgeheugen een onjuiste weergave is van het gebeurtenisgeheugen van de plofkofferkop. Het onderzoek door het NFI heeft geen aanwijzingen opgeleverd die duiden op manipulatie van de plofkofferkop. Het NFI concludeert dat de onderzoeksbevindingen veel waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de plofkofferkop is losgemaakt met behulp van een sleutel met nummer 74117 dan onder de hypothese dat de plofkofferkop op een andere wijze is losgemaakt.

De routeplug met nummer [... ] en code 74117 is op 20 augustus 2009 als vermist opgegeven bij G4S . [betrokkene 2] heeft verklaard dat de plug van de ING aan het Mathenesserplein valt binnen klant groep 2. De vermiste plug met code 74117 valt binnen klant groep 3.

R.L.H. Bijland, technisch directeur Mactwin Security Specials, heeft ter terechtzitting verklaard dat het systeem bestaat uit een kop en een programmeerunit. De programmeerunit zit in het voertuig. Met die unit kan geprogrammeerd worden met welke sleutel of sleutels - de kop kan worden geopend. Als de kop vervolgens op de box geklikt wordt, kan de kop worden geopend met de sleutels die geprogrammeerd zijn of met de programmeerunit in het voertuig. Als de programmeerunit in de auto wordt gebruikt, wordt de kop gereset en worden de geprogrammeerde sleutels gewist. Bijland heeft verklaard dat als de koffer is geopend met sleutel 74117 , deze sleutel dan ook geprogrammeerd moet zijn.

R.M. van der Knijff, forensisch onderzoeker bij het NFI, heeft ter terechtzitting verklaard dat het NFI een uitdraai van het gebeurtenisgeheugen aangeleverd kreeg. Het NFI heeft zelf de gegevens uit de plofkofferkop uitgelezen en omgezet naar leesbare informatie. Dit is vergeleken met het aangeleverde gebeurtenisgeheugen. Van der Knijff heeft verklaard dat er tussen het aangeleverde gebeurtenisgeheugen en de eigen uitgelezen gegevens niet direct verschillen waren. Van der Knijff heeft verklaard dat het gebeurtenisgeheugen een duidelijk tijdstip geeft voor de handelingen en dat de tijdsregistratie gevalideerd is met behulp van experimenten. Van der Knijff heeft verklaard dat er geen aanwijzingen zijn dat de fabrikant de gegevens gemanipuleerd heeft.

De rechtbank gaat uit van de betrouwbaarheid van de door de fabrikant uitgelezen logregels uit de plofkofferkop. Hoewel er op een aantal plaatsen dubbele regels voorkomen, doet dit geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de logregels. De gegevens zijn door het NFI gevalideerd en dat onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat de gegevens gemanipuleerd zijn.

Op basis van de logregels stelt de rechtbank vast dat de weggenomen geldkoffer is geopend met een sleutel met code 74117 . Nu de geldkoffer met deze sleutel is geopend, moet deze sleutel ook geprogrammeerd zijn. In de logregels zijn de laatste handelingen voor het sluiten van de geldkoffer te zien: er zijn twee sleutels geprogrammeerd, waaronder een sleutel uit klant sleutel groep 3, waartoe de sleutel met code 74117 behoorde. Het programmeren van sleutels kan alleen plaatsvinden met behulp van een programmeerunit. Deze programmeerunit zit in het voertuig, in dit geval het waardetransportvoertuig van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij de plofkofferkop heeft geprogrammeerd, maar hij ontkent de sleutel 74117 te hebben ingevoerd. Zijn verklaring wordt echter weerlegd door de logregels, waaruit blijkt dat deze code is gebruikt en dus ook moet zijn ingevoerd. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte de sleutel 74117 en een tweede sleutel heeft geprogrammeerd. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verdachte deze sleutel per ongeluk of door een fout heeft ingevoerd.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte welbewust de sleutel 74117 in de geldkoffer heeft geprogrammeerd, terwijl hij daar niet toe gerechtigd was. Hij heeft de geldkoffer buiten in de muursluis gezet, waaruit deze kort daarna is meegenomen door een man op een scooter. De rechtbank is, gelet op deze gang van zaken, van oordeel dat verdachte een vooropgezet, gezamenlijk plan moet hebben gehad met de man op de scooter en mogelijk ook met anderen om de diefstal mogelijk te maken. Er is sprake van een gezamenlijke uitvoering van het plan, waarbij verdachte de afgesproken sleutel heeft geprogrammeerd, waarna de man op de scooter de plofkofferkop heeft kunnen verwijderen en de koffer met het geld mee heeft kunnen nemen. De rechtbank stelt daarmee vast dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en (in ieder geval) de man op de scooter, waarbij de rol van verdachte essentieel was, omdat hij als enige de sleutel kon programmeren.”

6. De verdachte heeft iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde ontkend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte (onder meer) betoogd dat de voor het bewijs gebezigde onderzoeksresultaten onvolledig zijn en essentiële vragen onbeantwoord laten. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof van 21 juni 2017 dan ook verzocht nader onderzoek te laten verrichten.

7. Het hof heeft met betrekking tot het verzoek tot het doen van nader onderzoek het volgende overwogen:

“De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht nader onderzoek te laten verrichten naar - kort gezegd – de plofkofferkop. Het hof wijst dat verzoek af. Gelet op de inhoud van het NFI-rapport van 20 september 2013 en de verhoren ter terechtzitting in eerste aanleg van de deskundige Van der Knijff en de getuige Bijland is onvoldoende toegelicht waarom nader onderzoek noodzakelijk is.”

8. Het onderhavige verzoek zoals dat op de terechtzitting in hoger beroep is gedaan, heeft te gelden als een verzoek als bedoeld in artikel 328 in verbinding met de artikelen 315–317 Sv, welke bepalingen ingevolge artikel 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Een dergelijk verzoek kan ook strekken tot een (aanvullend of tegen-) onderzoek door één of meer deskundigen. Gelet op het bepaalde in artikel 315, derde lid, tweede volzin en artikel 316 Sv dient het hof een verzoek tot het doen van nader onderzoek te toetsen aan het noodzakelijkheidscriterium. De afwijzing van dergelijke verzoeken dient op grond van artikel 330 Sv te worden gemotiveerd. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de feitenrechter het juiste criterium heeft aangelegd en of de feitenrechter de afwijzing van een dergelijk verzoek begrijpelijk en/of voldoende heeft gemotiveerd.2

9. De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek van de verdediging tot het doen van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van — bijvoorbeeld — de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.3

10. Terug naar de voorliggende zaak. In de door het hof bevestigde uitspraak heeft de rechtbank op basis van de loggegevens vastgesteld dat de weggenomen geldkoffer is geopend met een sleutel met code 74117 , afkomstig uit klantgroep 3. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de loggegevens blijkt dat voor het sluiten van de geldkoffer er twee sleutels, waaronder de sleutel met code 74117 , zijn geprogrammeerd met behulp van de programmeerunit in het waardetransportvoertuig van de verdachte en zijn collega. Het door het hof bevestigde oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de sleutel 74117 en een tweede sleutel heeft geprogrammeerd, is (enkel) gebaseerd op de loggegevens.

11. In het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd en gelet op de omstandigheid dat het onderzoek van het NFI naar de (betrouwbaarheid van de) loggegevens voor het bewijs is gebezigd en een cruciale rol speelt in de bewijsvoering, meen ik dat de motivering van de afwijzing van het verzoek om nader onderzoek tekortschiet. De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bepleit dat het door het NFI gedane onderzoek onvolledig is geweest waardoor niet kan worden uitgesloten dat de loggegevens zijn gemanipuleerd. Ter onderbouwing van het verzoek is door de verdediging gewezen op onregelmatigheden in de loggegevens en ter terechtzitting in hoger beroep zijn concrete onderzoeksuggesties gedaan. Met de enkele verwijzing naar de inhoud van het NFI-rapport en de verhoren ter terechtzitting in eerste aanleg van de deskundigen is niet zonder meer duidelijk waarom het verrichten van het gevraagde onderzoek niet noodzakelijk is gebleken. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de deskundige van het NFI ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat de conclusies uit het rapport betrekking hebben op het openen van de koffer, wanneer en met welke sleutel dat is gebeurd, en niet zien op waar dat is gebeurd en door wie de code is ingevoerd, terwijl ook volgens het NFI nader onderzoek mogelijk is.

12. Het eerste middel slaagt.

13. Het tweede middel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij.

14. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 juni 2017 houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:

“ [betrokkene 3] licht de vordering van de benadeelde partij toe en deelt mede:

Wij zijn door de ING-bank aansprakelijk gesteld en hebben het weggenomen bedrag ad € 228.000,- moeten vergoeden. Deze schade valt binnen onze eigen risico-grens. Wij willen deze kosten door de verdachte vergoed krijgen. Er loopt tevens een civiele vordering, die procedure loopt nog steeds.

Er zijn nog geen executiemaatregelen genomen. Wij hebben via twee instanties een vordering ingediend, omdat wij willen dat ons recht wordt gedaan. De schade hoeft maar één keer te worden vergoed.

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota.

In aanvulling op zijn pleitnota deelt de raadsman mede:

Als u komt tot een veroordeling verzoek ik u de vordering van de benadeelde partij niet in de civiele procedure en in de strafzaak toe te wijzen.”

15. In het bestreden arrest heeft het hof met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:

“Vordering tot schadevergoeding G4S

(…)

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet anders dan met een beroep op vrijspraak betwist.

Naar het oordeel, van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

16. Voor zover het middel klaagt dat de vaststelling van het hof dat de vordering door de verdediging enkel is betwist met een beroep op vrijspraak onjuist is, faalt het. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij inhoudelijk niet betwist. Het enkele verzoek van de raadsman om de vordering van de benadeelde partij niet in de civiele procedure en in de strafzaak toe te wijzen, kan bezwaarlijk als een betwisting van de vordering worden aangemerkt.

17. Voor zover het middel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte heeft toegewezen aangezien over die vordering door de civiele rechter reeds is beslist, althans die vordering bij de civiele rechter nog aanhangig is, faalt het middel eveneens.

18. De opvatting dat de strafrechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet verklaren in haar vordering, indien over die vordering door de civiele rechter reeds is beslist of indien die vordering bij de civiele rechter nog aanhangig is, vindt geen steun in het recht. Indien de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding reeds geheel of gedeeltelijk bij vonnis van de burgerlijke rechter is toegewezen, kan de strafrechter na een daartoe strekkend verweer de benadeelde partij – in zoverre – in haar vordering niet ontvankelijk verklaren.4 In aanmerking genomen dat de raadsman van de verdachte slechts een verzoek heeft gedaan om de vordering van de benadeelde partij niet in de civiele procedure en in de strafzaak toe te wijzen, acht ik het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

19. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering.

20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

21. Deze conclusie strekt tot strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Onder weglating van voetnoten

2 Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 758: “Het al of niet bevelen van nader onderzoek in de zin van art. 310, 315-318 is overgelaten aan de rechtbank die de noodzakelijkheid daarvan zelfstandig beoordeelt. Dat is haar vrije beslissing. Het gebruik van die vrijheid wordt in cassatie slechts marginaal getoetst. Die toetsing is indringender indien de zittingsrechter zijn oordeel wel heeft gemotiveerd dan indien hij die motivering achterwege heeft gelaten. Desalniettemin vrijwaart dit laatste de uitspraak niet van cassatie”

3 Zie: HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228, NJ 2005/514 m.nt. Mevis; HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2104, NJ 2008/169 m.nt. Buruma; HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5746, NJ 2009/424, en HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3886, NJ 2013/179.

4 Zie HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279, NJ 2011/205. Zie eveneens: A.H. Sas ‘Schadevergoeding via de strafrechtelijke procedure’ in: J. Wildeboer & S. Brinkhorst (red.), Handboek Personenschade, elektronische versie (actueel t/m 23 oktober 2017), paragraaf 4070.6.2. Zie overigens ook HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9031, NJ 2010/131, en vgl. mijn daaraan voorafgaande aanvullende conclusie.