Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:471

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
17/05377
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1151
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Opzettelijk een hulpbehoevende in hulpeloze toestand laten. Art. 255 Sr. Had de verdachte wetenschap van mishandelingen van haar pasgeboren tweeling door haar partner en heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kinderen hierdoor grote risico’s liepen? Strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05377

Zitting: 28 mei 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 8 november 2017, wegens “opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet verplicht is, in hulpeloze toestand laten, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende. De verdachte heeft met [betrokkene 3] op [geboortedatum] 2013 een tweeling gekregen, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Het gezin ontving vóór de bevalling reeds hulp inzake de persoonlijke problematiek van [betrokkene 3] , huiselijk geweld en praktische problemen. Eind februari 2014 is de tweeling overgebracht naar het ziekenhuis, nadat de verdachte een WhatsApp bericht aan [betrokkene 4] , maatschappelijk werkster bij het Steunpunt Huiselijk Geweld Eindhoven , had gestuurd waarin onder meer stond dat [betrokkene 3] [betrokkene 1] probeerde te wurgen. Uit het in het ziekenhuis verrichte onderzoek bleek dat de tweeling diverse recente en minder recente verwondingen had, waaronder een groot aantal botbreuken. [betrokkene 3] is op 13 maart 2015 door de rechtbank veroordeeld wegens zware mishandeling van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Thans staat de vraag centraal of de verdachte haar kinderen in de periode januari/ februari 2014 opzettelijk in hulpeloze toestand heeft gelaten.

4. Het middel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel ‘opzettelijk in hulpeloze toestand heeft gelaten’, althans dat dit bestanddeel niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 februari 2014 te Eindhoven , meermalen, opzettelijk haar pasgeboren kinderen genaamd

- [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 en

- [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ) [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2013

tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij als ouder van [betrokkene 1]

en [betrokkene 2] krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze

toestand heeft gelaten,

immers heeft zij, verdachte, terwijl zij wist dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedurende bovengenoemde periode meermalen door [betrokkene 3] , zijnde de vader van de kinderen, werden mishandeld,

welke mishandelingen bestonden uit het telkens hard en/of stevig vast pakken en/of drukken en/of knijpen (onder andere in het gezicht) en/of hard en/of stevig door elkaar schudden en/of (met kracht) neer gooien of (met kracht) laten vallen, tegen welke handelingen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich niet konden verweren,

niet, althans te laat, ingegrepen en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet in een veilige situatie gebracht,

terwijl deze feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben gehad, te weten:

- ten aanzien van [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) [betrokkene 1] 20 ribbreuken (beiderzijds en achterwaarts en zijwaarts) en een breuk aan het linker bovenarmbot en een breuk aan het linkerspaakbeen en een breuk aan het linkerdijbeen en

- ten aanzien van [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ) [betrokkene 2] 13 ribbreuken (beiderzijds en achterwaarts en zijwaarts) en breuken beiderzijds aan het spaakbeen en ellepijp en een breuk aan het scheenbeen en een breuk aan het linkerdijbeen.”

6. De bewezenverklaring steunt op de (11) bewijsmiddelen als genoemd in de aanvulling van 11 april 2018 op het arrest van 8 november 2017 en de in dat arrest opgenomen bijzondere bewijsoverwegingen, die als volgt luiden:

“De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar heeft gezien dat haar toenmalige partner ruw met de kinderen omging, maar dat zij niet heeft waargenomen dat dit dermate ruw ging dat het letsel bij de kinderen opleverde. Op het moment dat zij op 24 februari 2014 zag dat haar toenmalige partner te ver ging, heeft zij onmiddellijk contact opgenomen met de hulpverlening. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte te kampen had met een volgens de verdediging ‘duivels dilemma’: zij beschikte op dat moment enkel over een toeristenvisum en indien de politie zou worden ingeschakeld zou zij haar kinderen kwijt zijn, terwijl ze voor zichzelf zelf geen enkel beroep zou kunnen doen op hulp van een Nederlandse instantie en naar Indonesië teruggestuurd worden.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft de Indonesische nationaliteit en is na een eerste internetcontact en een nadere kennismakingsperiode in Indonesië met [betrokkene 3] naar Nederland gekomen en bij hem gaan wonen. Zij verbleef hier op een toeristenvisum. Zij is hier van [betrokkene 3] zwanger geraakt en op [geboortedatum] 2013, na een zwangerschap van acht maanden, bevallen van een tweeling genaamd [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] (hierna [betrokkene 2] ).

Na de thuiskomst uit het ziekenhuis hebben zowel verdachte als [betrokkene 3] de tweeling verzorgd.

Voor de bevalling was er reeds de nodige hulp voor het gezin: de GGZE voor de persoonlijke problematiek van [betrokkene 3] en maatschappelijk werk in verband met een melding van huiselijk geweld in oktober 2013 en ter oplossing van praktische problemen. (verklaring [betrokkene 4] , p. 78).

Eind januari 2014 zijn beide kinderen, toen zij 8 weken oud waren, gezien door een verpleegkundige van jeugdgezondheidszorg Eindhoven , [betrokkene 5] . Beide kinderen zijn toen naakt gezien en fysiek onderzocht en bij hen zijn op dat moment geen bijzonderheden waargenomen (verklaring [betrokkene 5] , p. 120 en 121).

[betrokkene 4] , caseman[a]ger/maatschappelijk werkster, heeft het gezin van verdachte samen met [betrokkene 6] , kwartiermaker bij GGZ Eindhoven , op 16 januari 2014, 6 februari 2014, 13 februari 2014 en 20 februari 2014 bezocht. Tijdens het huisbezoek op 13 februari 2014 viel het haar op dat één van de kinderen een vage blauwe plek onder zijn linkeroog had. Verdachte gaf [betrokkene 4] niet de indruk dat zij bekend was met die blauwe plek, maar gaf te kennen dat zij dacht dat het kwam omdat [betrokkene 3] met het kind bezig was geweest. Daarnaar gevraagd vertelde [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] dat hij zijn evenwicht was verloren en dat hij met het kind tegen de deurpost was gebotst.

Tijdens het huisbezoek op 20 februari 2014 werden bij de kinderen door [betrokkene 4] opnieuw blauwe plekken geconstateerd. [betrokkene 4] zag bij één kind de oude blauwe plek onder zijn linkeroog die zij eerder op 13 februari 2014 had waargenomen. Bij het andere kind nam zij twee blauwe plekken onder het oog waar. [betrokkene 3] heeft die blauwe plekken toen als mogelijke oorzaak genoemd van zijn eigen gestreste optreden jegens het kind, resulterende in een black-out, toen het weigerde te drinken (verklaring [betrokkene 4] , p. 78-81).

Op 24 februari 2014 heeft verdachte aan [betrokkene 4] het volgende whatsapp-bericht gestuurd: “(…) Just now [betrokkene 3] tried to strangling [betrokkene 1] coz he was hard to drink milk (...) he keep pushing [betrokkene 1] (...) and throw [betrokkene 1] from his lap to a pillow” (verklaring [betrokkene 4] , blz. 81 en bijlage blz. 87). Dezelfde dag is [betrokkene 4] met [betrokkene 7] , medewerker van het Advies Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK), naar de woning van verdachte gegaan. [betrokkene 7] heeft verklaard dat zij tijdens het bezoek blauwe plekken bij de kinderen constateerde en dat het haar opviel dat [betrokkene 2] een bult had aan de linkerzijde van zijn borstkas (verklaring [betrokkene 7] , p. 102).

Nog dezelfde dag zijn de kinderen naar het ziekenhuis gebracht en onderzocht door een kinderarts (zie het rapport van dr. H.G.T. Nijs , forensisch arts KNMG van het NFI van 19 september 2014). De kinderarts zag bij lichamelijk onderzoek van [betrokkene 1] onderhuidse bloeduitstortingen op het voorhoofd links (circa 0,5 bij 0,5 cm), voor het kaakgewricht links (circa 0,5 bij 0,5 cm), op de kin (tweemaal links), op de rechterwang (driemaal circa 1 bij 1 cm) en linksvoor aan de borst (circa 1 bij 1 cm). Er was een litteken in de hals en een rode genezende huidbeschadiging links in de hals (‘oude striem’).

De kinderarts zag bij lichamelijk onderzoek van [betrokkene 2] bloeduitstortingen aan het jukbeen beiderzijds (1 bij 1 cm). Aan de borstkas linksvoor was plaatselijk een zwelling met intacte huid, waarbij de zwelling leek uit te gaan van een onderliggende rib. In de hals was een lijnvormige, roze huidbeschadiging met korstjes met een lengte van circa 2.5 cm.

Op röntgenfoto’s van 24 februari 2014 was te zien dat [betrokkene 1] tenminste 20 ribbreuken had, beiderzijds, achterwaarts en zijwaarts, waarvan tenminste 13 ribbreuken uitgebreide botnieuwvorming (callusformatie) vertoonden als teken van vorderende botgenezing. Dit waren zowel recente als niet recente breuken. Voorts waren er metafysaire hoekfracturen van het linker bovenarmbot, linkerspaakbeen en linkerdijbeen. [betrokkene 8] , kinderradioloog met forensische expertise, heeft de röntgenfoto’s beoordeeld en volgens zijn bevindingen waren de recente ribbreuken waarschijnlijk minder dan 1 week oud en de ribbreuken met uitgebreide callusformatie tenminste 1 maand oud, en waren de breuken aan het linker bovenarmbot en het linkerspaakbeen niet recent, genezend.

Van [betrokkene 2] zijn die dag ook röntgenfoto’s gemaakt en daarop was te zien dat hij tenminste 13 niet recente ribbreuken had waaronder een genezen ribbreuk aan de 8e rib rechts achterwaarts, door voornoemde [betrokkene 8] geschat op tenminste 1 maand oud, en breuken met beperkte hoeveelheid callusvorming aan de 5e en 6e rib rechts zijwaarts, door [betrokkene 8] geschat op circa 2 weken oud. Verder waren er bij [betrokkene 2] metafysaire hoekfracturen beiderzijds aan het spaakbeen en ellepijp en aan het linkerdijbeen en een genezende torusfractuur aan het rechteronderbeen en een metafysaire hoekfractuur aan het scheenbeen.

In het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI) van 19 september 2014 heeft dr. H.G.T. Nijs , forensisch arts bij het NFI, opgemerkt dat metafysaire hoekfracturen na 4 tot 6 weken niet meer zichtbaar zijn op een röntgenfoto.

Door [betrokkene 9] is namens het AMK op 25 februari 2014 aangifte gedaan van mishandeling van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (aangifte [betrokkene 9] , p. 58).

In voormeld rapport van het NFI heeft dr. Nijs geconcludeerd dat:

- de onderhuidse bloeduitstortingen bij beide kinderen, zonder verklaringen van de zijde van de ouders, veel waarschijnlijker zijn onder een niet-accidentele toedracht (toegebracht letsel) dan onder een accidentele toedracht (ongeluk/ongeval);

- de geconstateerde breuken bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij afwezigheid van plausibele verklaringen in onderlinge samenhang bezien zeer veel waarschijnlijker zijn in een niet-accidenteel kader (toegebracht letsel) dan in een accidenteel kader of door een medische oorzaak;

- gelet op de verschillen in radiologische dateringen en de verspreiding van het geheel aan botafwijkingen over het lichaam, bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] sprake moet zijn geweest van meerdere (tenminste twee) forse krachtsinwerkingen.

[betrokkene 3] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de kinderen telkens hard en stevig heeft vastgepakt en gedrukt en dat hij de kinderen met te veel kracht heeft opgepakt (verklaring [betrokkene 3] , blz. 157 en 158).

Blijkens het in het dossier opgenomen vonnis d.d. 13 maart 2015 van de rechtbank Oost- Brabant is [betrokkene 3] veroordeeld voor zware mishandeling van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , gepleegd in de periode van [geboortedatum] 2013 tot en met 23 februari 2014.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2017 verklaard dat [betrokkene 3] na de geboorte van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] aanvankelijk liefdevol en zorgzaam met de tweeling is omgegaan. Op enig moment ging hij echter steeds ruwer met de kinderen om. Vanaf ongeveer de tweede helft van januari richting februari werd verdachte bezorgd en bang dat de kinderen letsel zouden oplopen. Dit ruwe gedrag bestond volgens verdachte uit het met één van de kinderen in de hand de trap op- en afrennen als hij de kinderen boven ging verschonen of aan- uitkleden, het op hardhandige wijze vastpakken, verschonen en aankleden van de kinderen en het heen en weer schudden van de kinderen. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 augustus 2015 heeft verdachte daarover verklaard dat [betrokkene 3] de kinderen schudde in de box en in bed en tegen [betrokkene 7] heeft verdachte gezegd dat “ [betrokkene 3] de baby’s vast heeft en schudt als ze huilen” (eindp-v p. 104). Tegen [betrokkene 3] had verdachte ook opgemerkt dat hij de kinderen als een zak cement behandelde (eindp-v p. 159). In haar ogen was het niet normaal hoe [betrokkene 3] met de kinderen omging. Het handelen van [betrokkene 3] was dermate ruw dat in het geval zij in Indonesië waren geweest en zij dit handelen aldaar had waargenomen, zij haar familie en de politie had ingeschakeld. Bij het zien van de blauwe plekken in het gezicht, welke in het bijzijn van [betrokkene 4] werden waargenomen op 20 februari 2014, was zij zeker in Indonesië naar de politie gegaan. Zij heeft verder nog verklaard dat zij weet, ook omdat zij in Indonesië een opleiding heeft gehad als kleuterleidster en jarenlang daar als kleuterleidster werkzaam is geweest, dat je voorzichtig met baby’s moet omgaan en dat zij ook altijd voorzichtig met haar baby’s is omgegaan.

Op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van het hof vast dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] door de toenmalige partner van verdachte werden mishandeld en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen hebben deze mishandelingen in ieder geval plaatsgevonden in de periode vanaf 1 januari tot 24 februari 2014. Gezien de kwetsbaarheid van de zeer jonge kinderen moet verdachte hebben geweten dat door het handelen van [betrokkene 3] gevaar bestond voor het leven of de gezondheid van die kinderen. Door niet tijdig adequaat in te grijpen heeft verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het handelen van [betrokkene 3] en door haar eigen nalatigheid, de kinderen grote risico’s liepen.

Verdachte heeft pas op 24 februari 2014 hulp ingeroepen, terwijl zij al langer wist van de mishandeling van de kinderen. Gelet op de mishandelingen, zoals het ruw met de kinderen omgaan, het de trap op- en affennen met de kinderen in de arm en het schudden van de kinderen, die zij al eerder heeft waargenomen en de omstandigheid dat zij, gelet op de kwetsbaarheid van de twee nog zeer jonge kinderen, moet hebben geweten dat er door het handelen van [betrokkene 3] gevaar bestond voor het leven of de gezondheid van die kinderen, had zij, als moeder, de rechtsplicht om al eerder in te grijpen en hulp in te schakelen. Aan die plicht heeft zij niet voldaan.

Daarbij overweegt het hof voorts dat, gelet op de hulpverlening die reeds rondom het gezin was opgebouwd en de vele contacten die er zijn geweest - het hof verwijst daartoe behalve naar de hierboven genoemde huisbezoeken ook naar de uitgebreide WhatsApp-contacten tussen verdachte en maatschappelijk werkster [betrokkene 4] vanaf 1 januari 2014 tot 25 februari 2014 (blz. 85-89) - verdachte volop in de gelegenheid is geweest hulp in te roepen. Dit te meer nu uit de inhoud van die WhatsApp berichten blijkt dat verdachte wel van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, maar dit alleen naar aanleiding van agressie van [betrokkene 3] richting haar en zijn dreiging om haar, verdachte, naar Indonesië terug te sturen (zonder de kinderen) (WhatsApps van 31 januari 2014 “ [betrokkene 3] hit me” en van 7 februari 2014 “ [betrokkene 4] help me [betrokkene 3] throw me the bottle ... he want to send me back home to indo”, blz.85-87). Daaruit blijkt dat zij voor wat betreft haar eigen positie wel al eerder hulp inriep, maar dit heeft zij niet gedaan voor haar beide kinderen. Uiteindelijk, pas op 24 februari 2014, heeft zij hulp ingeroepen voor haar kinderen.

Door na te laten tijdig hulp in te roepen dan wel anderszins de kinderen in veiligheid te brengen, daar waar optreden haar plicht was en die mogelijkheid voor haar ook bestond, heeft verdachte haar kinderen in een hulpeloze toestand gelaten en zich daardoor schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het hof volgt de verdediging dan ook niet in wat door de verdediging is genoemd ‘het duivels dilemma’ waar verdachte zich voor geplaatst zou zien.

Niet valt in te zien dat het eigen belang (ook al ziet dat ook mede op het belang van de kinderen) boven de morele en wettelijke verplichting van een ouder wordt gesteld om haar hulpeloze kinderen tegen onmiddellijk dreigend gevaar te beschermen, zeker in het geval als het onderhavige waarin dit ook zonder meer mogelijk was.

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verdachte [betrokkene 2] en [betrokkene 1] opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gelaten en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 255 Sr. Het feit dat zij wist van de mishandelingen, maar niet ingreep om de situatie te doen stoppen, maakt dat sprake is van opzet op het in hulpeloze toestand laten.”1

7. Het middel klaagt dat uit ’s hofs bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het in een hulpeloze toestand laten van haar twee kinderen. Meer in het bijzonder komt het op tegen ’s hofs oordeel dat de verdachte al vanaf 1 januari 2014 wist dat haar beide zoontjes door [betrokkene 3] werden mishandeld. De steller van het middel betoogt dat de wetenschap van de mishandelingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door [betrokkene 3] in de periode vóór 20 februari 2014 niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt. Als de verdachte al enige wetenschap hieromtrent heeft gehad, betrof dat de omstandigheid dat [betrokkene 3] ruw met zijn kinderen omging, zonder dat zij wetenschap had dat dat gedrag (mogelijk) tot letsel bij de kinderen leidde, aldus het middel. Wat betreft de periode vanaf 20 februari 2014 wordt betoogd dat als ervan wordt uitgegaan dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat de kinderen grote risico’s liepen, daarmee nog niet sprake was van de aanvaarding van die kans, waardoor hooguit sprake was van bewuste schuld en niet van voorwaardelijk opzet.

8. Art. 255 Sr luidt als volgt:

“Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

9. Art. 255 Sr heeft de strekking een hulpbehoevende te beschermen tegen de gevaren die hem bedreigen als degene die tot zijn verzorging is verplicht, zich daaraan onttrekt. Op grond van dit artikel is onder meer strafbaar gesteld diegene die opzettelijk een persoon, die reeds in hulpeloze toestand verkeert, in die toestand ‘laat’, terwijl hij juist (krachtens wet of overeenkomst) tot onderhoud, verpleging en/of verzorging van die persoon verplicht was.2. Art. 255 Sr vereist een opzettelijke handeling, waardoor men zich onttrekt aan een plicht van hulp en verzorging van personen die hulp behoeven en waardoor de hulpbehoevende aan een concreet gevaar wordt blootgesteld.3 Gelet op de plaats van het woord “opzettelijk” in de wettelijke omschrijving is vereist dat “de dader derhalve het bewustzijn gehad moet hebben, dat hij tot onderhoud, verpleging of verzorging wettelijk of contractueel verplicht was; dat hij deze verplichting opzettelijk niet is nagekomen; dat de gerechtigde zelf niet in zijn onderhoud, verpleging of verzorging kon voorzien en dus hulpbehoevend was; dat hij dus de gerechtigde, door zich aan deze onderhoudsplicht te onttrekken, opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten. In dit laatste geval is het dus ook noodzakelijk, dat de dader bekend was met de hulpeloze toestand waarin de persoon reeds verkeerde”.4

10. In HR 13 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9177, waarin het hof tot een veroordeling was gekomen wegens overtreding van art. 255 Sr, was door het hof vastgesteld dat de verdachte wist dat de moeder van zijn stiefdochter, zijn echtgenote, in de loop van de tijd steeds verdergaand geweld op die stiefdochter uitoefende om haar te bestraffen en dat wanneer zo’n bestraffing plaatsvond hij regelmatig tussenbeide was gekomen, soms uit vrees dat zijn echtgenote haar invalide of zelfs dood zou slaan. Door het hof was voorts vastgesteld dat de verdachte zijn stiefdochter had achtergelaten, terwijl hij wist dat zij kort daarvoor met een bamboestok tegen het lichaam was geslagen. Mijn voormalig ambtgenoot Machielse concludeerde in deze zaak dat het hof kennelijk heeft aangenomen dat de verdachte vanuit zijn wetenschap van de mishandeling bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het meisje ten gevolge van die mishandeling in een hulpeloze toestand was komen te verkeren. De verdachte had op het moment dat hij wist van de mishandeling zich (grondig) op de hoogte moeten stellen van de gezondheid van het slachtoffer, omdat hij daartoe op grond van zijn vaderplicht genoodzaakt was.5 De Hoge Raad deelde dit standpunt en overwoog het volgende (vetgedrukt in het origineel):

“3.4.2.

' 's Hofs oordeel moet aldus worden verstaan dat, tegen de achtergrond van de wetenschap die de verdachte droeg van de eerdere mishandelingen van het slachtoffer door haar moeder en van zijn vrees voor een ernstige afloop daarvan, op hem de plicht rustte om zich onmiddellijk nadat hij van het verdergaand geweld had vernomen te vergewissen van de toestand van het slachtoffer, omdat hij zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat zij door die mishandeling in een hulpbehoevende toestand was komen te verkeren. Door die plicht te verzaken heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [het slachtoffer] in een hulpeloze toestand verkeerde, en dat hij deze toestand liet voortduren. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. (..)”

11. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in ieder geval in de periode vanaf 1 januari tot 24 februari 2014 door de voormalige partner van de verdachte zijn mishandeld en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

12. Voor zover het middel klaagt dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de verdachte vanaf 1 januari 2014 wetenschap had van de mishandelingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door hun vader, omdat de omstandigheid dat de verdachte wist dat hij ruw met de kinderen omging hiertoe onvoldoende is en de verdachte pas op 20 februari 2014 voor het eerst letsel bij de kinderen heeft gezien, faalt het gelet op het navolgende.

13. Het hof heeft de periode van de mishandelingen door [betrokkene 3] kunnen afleiden uit de bewijsmiddelen. Deze houden onder meer in dat:

(i) [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op [geboortedatum] 2013 zijn geboren;

(ii) De verdachte heeft verklaard dat zij van de eerste naar de tweede maand hoorde dat de kinderen twee keer heel hard huilden. Ze huilden ongebruikelijk hard en de verdachte was ongerust;

(iii) De verdachte heeft verklaard dat haar voormalige partner ruw met de kinderen omging en dat zij heeft gezien dat hij vanaf ongeveer de tweede helft van januari 2014 richting februari 2014 steeds ruwer met de kinderen omging en dat zij bang was voor letsel bij de kinderen;

(iv) Een week voor 24 februari 2014 heeft de verdachte aan haar voormalige partner gevraagd waar de blauwe plekken vandaan kwamen die [betrokkene 1] had en de volgende dag zaten er nog meer blauwe plekken;

(v) In de week voorafgaande aan 24 februari 2014 werd haar voormalige partner nog ruwer in zijn omgang met de kinderen;

(vi) Na medisch onderzoek door een arts is vastgesteld dat recente bij de kinderen geconstateerde ribbreuken waarschijnlijk minder dan een week oud zijn, en dat de ribbreuken met uitgebreide callusformatie tenminste 1 maand oud zijn.

14. Ten aanzien van verdachtes wetenschap van de mishandelingen blijkt uit de bewijsmiddelen – zoals hiervoor al is opgemerkt - dat de verdachte heeft verklaard dat zij van de eerste naar de tweede maand na de geboorte van de kinderen, dus begin januari 2014, hoorde dat de kinderen twee keer ongebruikelijk hard huilden en dat de verdachte ongerust was. Voorts heeft het hof overwogen dat zij heeft verklaard dat:

(i) [betrokkene 3] op enig moment steeds ruwer met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is gaan omgaan;

(ii) zij vanaf ongeveer de tweede helft van januari richting februari (2014) bezorgd en bang werd dat haar kinderen letsel zouden oplopen;

(iii) het ruwe gedrag van [betrokkene 3] bestond uit het met één van de kinderen in de hand de trap op- en afrennen, het op hardhandige wijze vastpakken, verschonen en aankleden en het heen en weer schudden van de kinderen;

(iv) [betrokkene 3] met de kinderen schudde in de box en in bed;

(v) zij tegen de maatschappelijk werkster heeft gezegd dat [betrokkene 3] de kinderen vastpakt en schudt als ze huilen en tegen [betrokkene 3] heeft opgemerkt dat hij de kinderen als een zak cement behandelde;

(vi) het in haar ogen niet normaal was hoe [betrokkene 3] met de kinderen omging;

(vii) dat het handelen van [betrokkene 3] dermate ruw was dat in het geval zij in Indonesië waren geweest en zij dit handelen aldaar had waargenomen, zij haar familie en de politie had ingeschakeld;

(viii) zij bij het zien van de blauwe plekken in de gezichten van de kinderen op 20 februari 2014 in Indonesië zeker naar de politie was gegaan;

(ix) zij weet, vanuit haar opleiding tot en werkzaamheden als kleuterleidster, dat je voorzichtig met baby’s moet omgaan en dat zij ook altijd voorzichtig met haar baby’s is omgegaan.

15. Gelet op het voorgaande heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte vanaf 1 januari 2014 wetenschap had van de mishandelingen van beide kinderen door haar toenmalige partner. Uit de bewijsvoering blijkt immers dat de verdachte wist dat [betrokkene 3] vanaf begin januari 2014 - ondanks haar tussentijdse waarschuwingen -structureel ruw met de kinderen omging. Reeds in januari 2014 heeft het gedrag van haar toenmalige partner tegenover haar kinderen haar ongerust gemaakt. Dat de verwondingen van de kinderen wellicht ernstiger waren dan zij heeft voorzien, staat er niet aan de weg dat de verdachte wist dat zij mishandeld werden.6 De term mishandeling doelt op het opzettelijk toebrengen van lichaamspijn of lichamelijk letsel.7 Onder meer ’s hofs vaststelling dat de verdachte heeft verklaard dat zij vanuit haar professie wist dat je met kinderen van die leeftijd heel voorzichtig om moet gaan en dat [betrokkene 3] dat naliet door de kinderen te schudden, met hen van de trap af te rennen en hen hardhandig vast te pakken, duidt er op dat zij wist dat zijn gedrag mishandelend van aard was.

16. Voor zover het middel voorts klaagt dat als ervan wordt uitgegaan dat de verdachte zich wat betreft de periode vanaf 20 februari 2014 − na het zien van letsel − bewust was van de aanmerkelijke kans dat de kinderen grote risico’s liepen, daarmee nog niet sprake was van de aanvaarding van die kans, waardoor hooguit sprake was van bewuste schuld en niet van voorwaardelijk opzet, faalt het eveneens.

17. Het hof heeft geoordeeld dat gezien de kwetsbaarheid van de zeer jonge kinderen de verdachte moet hebben geweten dat door het handelen van [betrokkene 3] gevaar bestond voor het leven of de gezondheid van die kinderen. Door niet tijdig adequaat in te grijpen heeft de verdachte volgens het hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het handelen van [betrokkene 3] en door haar eigen nalatigheid, de kinderen grote risico’s liepen. Als moeder had zij, gelet op het gevaar voor het leven of de gezondheid van die kinderen, de rechtsplicht om al eerder dan pas op 24 februari 2014 in te grijpen en hulp in te schakelen, maar aan die plicht heeft zij niet voldaan, terwijl zij volop in de gelegenheid is geweest die hulp wél in te roepen. Hulp heeft zij in die periode overigens wel ingeroepen, maar alleen naar aanleiding van agressie door [betrokkene 3] richting haarzelf en niet voor haar kinderen.

18. Uit het voorgaande volgt m.i. dat de bewezenverklaring voldoende met redenen is omkleed en dat in het bijzonder het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzettelijk handelen uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

19. Het middel faalt.

20. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie het arrest van het hof van 8 november 2017, p. 3-7.

2 Zie de aan HR 13 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9177, voorafgaande conclusie (ECLI:NL:PHR:2004:AN9177) van mijn voormalig ambtgenoot Machielse, onder 3.5. Zie ook: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, art. 255 Sr, aant. 6 (online bijgewerkt tot 1 juli 2006).

3 Vgl.: H.J. Schmidt, Geschiedenis van het wetboek van strafrecht (1881 -1886) Tweede Deel, H.D. Tjeenk Willink: Haarlem 1891, p. 381 en 382. Zie ook: K.K. Lindenberg, Tekst en Commentaar Strafrecht, commentaar op titel XV Sr, inleidende opmerkingen, onder 2.a. (online bijgewerkt tot 14 februari 2019).

4 Zie: C. Blankestijn, Verlating van hulpbehoevenden, (diss. Utrecht), Uitgeverij van Keulen N.V.: Den Haag 1955, p. 66.

5 Zie de aan HR 13 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9177, voorafgaande conclusie (ECLI:NL:PHR:2004:AN9177) onder punt 3.6 en 3.7.

6 Zie wederom de aan HR 13 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9177, voorafgaande conclusie (ECLI:NL:PHR:2004:AN9177) onder 3.7.

7 Zie: HR 23 november 1931, NJ 1932, p. 279.