Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:461

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
17/04111
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1024
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over (1) belediging door middel van een foto waarop het gezicht van de beledigde niet is te zien, (2) de bijzondere rechtvaardigingsgrond van art. 266.2 Sr en (3) 'voorwaardelijke' bedreiging. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04111

Zitting: 14 mei 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 augustus 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”, en 2. primair “bedreiging met zware mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“1:
hij op 11 juli 2015 te Hoorn opzettelijk twee ambtenaren, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] beiden medewerker van [A], ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in het openbaar bij geschrift en afbeelding, heeft beledigd, door een foto van hen (genomen tijdens de rechtmatige uitoefening van hun bediening) op Facebook te plaatsen met daarbij de tekst: “Hé kutjes annoniem dit keer. Hier is gemeente Hoorn trots op, te dikke stads-toezicht en geen woord knap nederlands kunnen”;

2 primair:
hij op 11 juli 2015 te Hoorn [betrokkene 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een foto van die [betrokkene 3] op Facebook gezet en daarbij de tekst: “deze K koerd mag dit wel doen…. volgende keer en dat beloof ik verbouw ik zijn hele smoel.. de schijnheil”.”

4. Deze bewezenverklaringen heeft het hof doen steunen op de inhoud van de volgende, in de aanvulling op het arrest opgenomen, bewijsmiddelen:

“Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2015174451-1 van 17 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 13-16].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 17 juli 2015 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [betrokkene 4]:

Ik ben gerechtigd tot het doen van aangifte namens [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Ik doe aangifte van opzettelijke belediging en bedreiging van medewerkers [A] door [verdachte] . [verdachte] heeft via social media uitlatingen gedaan over onze medewerkers [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . [verdachte] heeft berichten gepost op Facebook. Op 11 juli 2015 zijn er beledigingen, bedreigingen c.q. uitlatingen geschreven door [verdachte] over collega [betrokkene 3] . Hierin wordt onder andere geschreven: “Deze K Koerd mag dit wel doen... volgende keer en dan beloof ik verbouw ik zijn hele smoel... de schijnheil”. Tevens is er een foto gepost op Facebook waarop twee collegae van stadstoezicht [het hof begrijpt: gelet op de afbeelding op p. 40: in uniform, in de rechtmatige uitoefening van hun bediening] te zien zijn waarbij hun gezicht onherkenbaar gemaakt is. Hun gezichten zijn bewerkt met smiley plaatjes. Tevens is er een tekst bijgevoegd te weten: “Hé kutjes annoniem dit keer. Hier is gemeente Hoorn trots op, te dikke stads-toezicht en geen woord knap Nederlands kunnen.” Dit betreffen de collega’s [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Onze collega’s zijn door het gedrag van [verdachte] angstig op straat, vooral in privétijd. Ze voelen zich onveilig.”

2. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2015174451-5 van 8 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 3-6].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 september 2015 door de verbalisanten gestelde vragen (V) en als de in antwoord (A) daarop afgelegde verklaring van de verdachte:


V: Wat is jouw Facebookaccount?
A: [verdachte]

V: Jij schrijft in berichten op Facebook onder meer ‘deze K Koerd mag dit wel doen… volgende keer en dat beloof ik verbouw ik zijn hele smoel… de schijnheil’. Waarom schrijf jij dit?

A: Hij wordt in het gelijk gesteld. Ik sprak hem aan en ik heb weer een nacht in de cel gezeten voor niets.

V: (Aan de verdachte wordt foto 1 [het hof begrijpt: de op p. 39 van het zaaksproces-verbaal opgenomen afbeelding van een man met een telefoon in zijn hand, welke afbeelding - kennelijk - is vervat in een post op Facebook waarin ook de onder 1 ten laste gelegde bewoordingen zijn vermeld] getoond) Wie is dit dan?

A: Dat is [betrokkene 3] , de klote Koerd.

V: Jij hebt een foto geplaatst van twee stadstoezichten van wie de gezichten zijn bedekt, met de tekst: ‘he kutjes annoniem dit keer. Hier is de gemeente Hoorn trots op, te dikke stads-toezicht en geen woord knap nederlands kunnen’.

A: Ik heb ze vorige keer ook anoniem gelaten en dit is kennelijk niet genoeg.

V: Wat wil je bereiken met je teksten?

A : Dat niet alles zomaar geloofd kan worden wat een stadswacht zegt. Ik zet dit in een emotie neer en nogmaals, dit is mijn Facebook nog steeds.

3. Een proces-verbaal met nummer PL1100-2015174451-7 van 24 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 36- 38].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 september 2015 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Door [betrokkene 4] is aangifte namens mij gedaan tegen [verdachte] . De foto van mij die [verdachte] op Facebook heeft gezet [het hof begrijpt: op 11 juli 2015] is in mijn beleving naar aanleiding van de rechtszaak waarin hij veroordeeld werd voor mishandeling van mij op 8 juni 2014. Ik denk dat hij daar boos om was. U toont mij een foto van en man die op en bank zit met een telefoon in zijn hand [het hof begrijpt: de eerdergenoemde afbeelding die is opgenomen op p. 39 van het zaaksproces-verbaal]. Ik ben de man op de foto. U leest mij de tekst bij de foto voor “deze K koerd mag dit wel doen... volgende keer en dat beloof ik verbouw ik zijn hele smoel... de schijnheil”. U vraagt mij wat dit met mij doet. Ik ben bang dat hij doet wat hij zegt/schrijft. Ik weet door het incident van 8 juni 2014 dat hij ertoe in staat is. Ik voel mij dus door zijn woorden bedreigd. Het was voor een ieder te lezen en ik was duidelijk afgebeeld op de foto.

4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2017.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[betrokkene 3] hoeft niet bang te worden van deze tekst, zolang hij maar van mij afblijft. Als hij nog een keer aan mij zit, krijgt hij een klap voor zijn kanis.

Ik heb de personen op de foto [het hof begrijpt: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ] onherkenbaar gemaakt. Ik heb met de betreffende dames wel eens een conflict gehad bij een parkeerplek. Ik had al eerder een foto van hen gemaakt en hen geanonimiseerd door een letter voor hun gezicht te plakken. De rechter vond echter dat zij herkenbaar waren en dat de foto daarom beledigend was. Daarom heb ik het deze keer helemaal anoniem gedaan.

Ik plaatste beide berichten vanaf mijn mobiel of mijn computer vanuit huis aan de [a-straat] te [plaats] .

5. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte en onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd het onder 1 tenlastegelegde bewezen heeft verklaard.

6. Het ten aanzien van feit 1 in hoger beroep door de verdediging gevoerde bewijsverweer, heeft het hof in zijn arrest als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, aangezien de door de verdachte op Facebook geplaatste foto niet beledigend is, nu de personen op dit foto zijn geanonimiseerd en de daarbij gebezigde termen op zichzelf niet beledigend zijn. Hoewel volgens de raadsman over ‘Hé kutjes’ getwijfeld kan worden, gaat het verder slechts om constateringen dan wel verwijten die gemaakt mogen worden.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof moet de uitlating van de verdachte als beledigend worden beschouwd, omdat zij de strekking heeft de medewerkers van stadstoezicht [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in hun eer en goede naam aan te randen. De verdachte heeft op de door hem op Facebook geposte foto op ridiculiserende wijze de hoofden van deze personen afgeplakt, en heeft daarbij de voormelde tekst opgenomen, die begint met de in dit verband evident denigrerende en beledigende woorden “Hé kutjes”, waardoor de rest van de tekst ook in die sleutel komt te staan, waarin de verdachte zegt dat de betrokkenen te dik zijn en waarin hij – zelf het woord anoniem verkeerd spellend – klaagt over hun gebrek aan beheersing van de Nederlandse taal. Het afplakken van de hoofden van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de door de verdachte van hen gemaakte foto, ontneemt niet het strafbare karakter aan het handelen van de ver[d1]achte, mede omdat nog steeds duidelijk was dat zij de personen waren aan wie de belediging was gericht.”

7. De begrijpelijkheid van het bewijsoordeel van het hof aangaande feit 1, wordt in de toelichting op het middel op drie gronden betwist. Ten eerste acht de steller van het middel niet begrijpelijk het kennelijke oordeel van het hof dat de twee beledigde ambtenaren op de beledigende foto voor anderen herkenbaar en identificeerbaar zijn. Ten tweede zou eraan voorbij zijn gegaan dat uit de verklaringen van de verdachte moet worden opgemaakt dat hij niet het voor eenvoudige belediging vereiste opzet had de desbetreffende ambtenaren te beledigen. Ten derde is in de ogen van de steller van het middel onbegrijpelijk dat het hof ook de op zichzelf niet-beledigende woorden “hier is gemeente Hoorn trots op, te dikke stads-toezicht en geen woord knap nederlands kunnen” vanwege de samenhang met “Hé kutjes annoniem dit keer” een beledigend karakter heeft toegedicht.

8. Ik bespreek deze klachten afzonderlijk, te beginnen met de eerste klacht. Kenmerkend voor het beledigende karakter van een uitlating is dat zij de strekking heeft een ander aan te randen in zijn of haar eer en goede naam.2 Dat impliceert naar het mij voorkomt dat de belediging een of meer personen moet worden aangedaan, zodat sprake zal moeten zijn van een beledigde die tot op zekere hoogte individualiseerbaar is. Daarvan ging kennelijk ook de wetgever uit, want eenvoudige belediging is uitsluitend vervolgbaar op klacht van zo een individualiseerbaar beledigde persoon, die overigens geen natuurlijk persoon behoeft te zijn.3 Dat een individualiseerbare beledigde dient te worden aangewezen, brengt echter niet mee dat ook de belediging zelf op een of meer individuen moet zijn gericht. Bekend zijn de arresten waarin de Hoge Raad uiteindelijk, in de derde cassatieronde, oordeelde dat in het algemeen voor politieambtenaren beledigende uitingen (‘All cops are bastards’, afgekort ‘A.C.A.B’) beledigend kunnen zijn voor één, betrekkelijk willekeurig gekozen, individuele politieambtenaar.4

9. Een (mogelijk) bij de verdachte en/of de steller van het middel levende rechtsopvatting kan hier dan ook worden weggenomen. Het heeft er de schijn van dat in de als bewijsmiddel 4 gebruikte verklaring van de verdachte en/of in de toelichting op het middel de rechtsopvatting ligt besloten dat voor anderen dan de beledigde (zonder meer) duidelijk dient te zijn op wie de belediging is gericht. In zijn door het hof als bewijsmiddel 4 gebruikte verklaring, wekt de verdachte namelijk de indruk te menen straffeloos te mogen beledigen zolang derden maar niet weten wie de beledigde is. De verdachte zegt immers dat hij eerder is veroordeeld door de strafrechter, omdat de beide beledigden in de toen aan hem tenlastegelegde belediging herkenbaar waren. Ditmaal heeft hij hun gezichten grondiger afgeplakt, kennelijk met het doel te voorkomen dat de beledigden zichtbaar waren en te vermijden dat zijn handelen opnieuw strafbaar zou zijn. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft vastgesteld dat de beledigden “voor anderen herkenbaar en identificeerbaar” waren, zulks terwijl in werkelijkheid uit de bewijsoverweging blijkt dat het hof enkel overweegt dat “nog steeds duidelijk was dat zij de personen waren aan wie de belediging was gericht.” De aan het hof toegeschreven vaststelling dat de beledigden herkenbaar waren voor anderen, wordt bestreden.

10. Voor zover inderdaad is bedoeld aan strafbare belediging de eis te stellen dat voor derden de identiteit van de beledigde(n) helder is, wordt door en/of namens de verdachte een eis gesteld die het recht mijns inziens niet kent: een uitlating kan de strekking hebben en geschikt zijn om een ander in zijn eer en goede naam aan te randen, ook als voor een derde die de belediging waarneemt wellicht niet zonder meer duidelijk is om wie het precies gaat.

11. Voor de beledigden zelf zal in het onderhavige geval zonneklaar zijn geweest dat het de verdachte om hen te doen was. Dat was kennelijk ook de bedoeling van de verdachte. Uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte komt naar voren dat hij en de beledigden eerder een conflict hadden gehad en dat hij zich eerder over hen beledigend heeft uitgelaten. Met de als feit 1 tenlastegelegde schriftelijke uitlating richt de verdachte zich bovendien op eigen wijze rechtstreeks tot de beledigden (“Hé kutjes”).

12. Volgt men de verdediging in haar gedachte dat het hof heeft vastgesteld dat de beledigden voor anderen herkenbaar waren, dan treft de tegen die vaststelling gerichte begrijpelijkheidsklacht overigens geen doel. Waarom dit (feitelijke) oordeel onbegrijpelijk zou zijn, wordt bij lezing van de schriftuur niet inzichtelijk. De steller van het middel volstaat met herhaling van het verdedigingsstandpunt dat “uit de betreffende foto niet is op te maken om welke ambtenaren het gaat.” Op deze foto, waarnaar het hof in de aanvulling op het arrest in bewijsmiddel 1 verwijst, zijn de hoofden van de afgebeelde personen weliswaar onzichtbaar, maar diverse andere persoonskenmerken zijn wél waar te nemen: de lengte en lichaamsbouw van de afgebeelde personen bijvoorbeeld, alsmede hun kleding, hun schoeisel en hun handen. Ook is de locatie waar zij zich ten tijde van het nemen van de foto bevonden mogelijk te herkennen. Bovendien heeft de verdachte zelf in de door hem toegevoegde tekst vermeld dat de afgebeelde personen medewerkers stadstoezicht van de gemeente Hoorn zijn en dat zij naar de mening van de verdachte te dik en het Nederlands niet optimaal machtig zijn. Derhalve is het oordeel van het hof dat duidelijk was dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de personen waren aan wie de belediging was gericht zonder meer begrijpelijk.

13. De tweede klacht, inhoudende dat de verdachte niet het opzet heeft gehad om de afgebeelde personen te beledigen, is tot falen gedoemd. Dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de beledigden zijn uiting zouden waarnemen en zich daardoor beledigd zouden voelen, ligt besloten in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. In het bijzonder de door de verdachte gekozen bewoordingen (ik doel op de passage: “Hé kutjes, annoniem dit keer.”) bezien in samenhang met de door het hof als bewijsmiddel 4 gebruikte verklaring van de verdachte (in het bijzonder: “De rechter vond echter dat zij herkenbaar waren en dat de foto daarom beledigend was. Daarom heb ik het deze keer helemaal anoniem gedaan.”) laten erover geen twijfel bestaan dat de verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de aanmerkelijke kans dat door plaatsing op Facebook zijn uitlating de beledigden zou bereiken, dezen zich daardoor beledigd zouden voelen en dit als belediging strafbaar zou kunnen zijn, terwijl hij door die uitlating te plaatsen die kans heeft aanvaard.5 Dat de verdachte wellicht heeft gedacht of gehoopt met zijn gedragingen (nipt) binnen de grenzen van de wet te blijven, maakt dat niet anders.

14. Dan de derde klacht, welke is gericht tegen het oordeel van het hof dat de woorden “Hier is gemeente Hoorn trots op, te dikke stads-toezicht en geen woord knap nederlands kunnen”, in onderlinge samenhang met de bewezenverklaarde gedragingen voor het overige, eveneens een beledigend karakter dragen. De steller van het middel merkt op dat het aan deze woorden voorafgaande gedeelte van de uitlating van de verdachte “niet handig” en “wellicht beledigend” is, maar toch zou het oordeel van het hof dat in samenhang met dit eerste gedeelte de bewezenverklaarde uitlating eveneens voor het overige beledigend is, onbegrijpelijk zijn. Daartoe wordt in de kern aangevoerd dat uiting van de mening dat iemand te dik en/of onvoldoende taalvaardig is, op zichzelf bezwaarlijk als beledigend kan worden beschouwd. Hoe men de geschiktheid tot beledigen van die woorden zelfstandig bezien waardeert, doet evenwel niet ter zake. Het hof heeft immers niet onbegrijpelijk overwogen dat door de evident denigrerende en beledigende aanhef van de uitlating van de verdachte het onmiddellijke vervolg erop in dezelfde sleutel komt te staan.

15. Overigens merk ik op dat het rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak op grond van deze derde klacht mij ontgaat. Met de klacht wordt immers slechts van een gedeelte van de bewezenverklaarde gedragingen het beledigende karakter bestreden.6 De enkele in de schriftuur te lezen stelling dat een nieuwe feitelijke behandeling in vrijspraak zou kunnen eindigen, is ter onderbouwing van dat belang ongenoegzaam.7

16. Het eerste middel faalt.

17. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof het beroep op de bijzondere rechtvaardigingsgrond van art. 266, tweede lid, Sr ten onrechte en ontoereikend, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

18. Het in het middel bedoelde verweer heeft het hof in zijn arrest als volgt samengevat en verworpen:

“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat sprake is van een bijzondere rechtvaardigingsgrond, omdat verdachte optrad met het oog op de behartiging van het openbaar belang. Stadswachten moeten immers respect uitstralen en hieraan kan worden getwijfeld wanneer stadswachten te dik zijn en/of geen Nederlands spreken. Op grond van artikel 266, tweede lid, Sr is het feit daarom niet strafbaar, aldus de raadsman.

Het beroep op voormelde rechtvaardigingsgrond faalt, omdat het hier – de bewerkte foto en tekst in onderlinge samenhang beschouwd – in wezen niet gaat om een oordeel over de behartiging van openbare belangen, maar om een uitlating met de bedoeling om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in hun eer en goede naam aan te randen.”

19. De bijzondere rechtvaardigingsgrond van art. 266, tweede lid, Sr is ingevoegd bij de Wet van 25 maart 1978, Stb. 1978, 155. De bepaling luidt:

“2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.”

20. Belediging kan op grond van deze bepaling straffeloos blijven, mits het gaat om kritiek die het openbaar belang betreft én deze kritiek binnen redelijke proporties blijft.8 Is een uitlating erop gericht in ander opzicht of zwaarder te grieven dan voortvloeit uit het verlangen een oordeel over de behartiging van openbare belangen te geven, dan worden die redelijkheidsgrenzen te buiten gegaan.9 Het hof overweegt dat de uitlating van de verdachte in wezen niet een oordeel over de behartiging van openbare belangen betreft, maar een uitlating is met de bedoeling de beledigden in hun eer en goede naam aan te randen. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat, voor zover al sprake was van een verlangen tot behartiging van enig openbaar belang als bedoeld in art. 266, tweede lid, Sr, de verdachte zich met zijn grievende uitlatingen niet heeft beperkt tot hetgeen uit dat verlangen voortvloeit, maar ook in ander opzicht, of zwaarder, heeft gegriefd. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk, reeds omdat niet valt in te zien (en door de verdediging ook niet is aangevoerd) hoe de aanhef van het schriftelijke gedeelte van de tenlastegelegde uitlating aan de behartiging van enig openbaar belang een bijdrage levert of zou kunnen leveren.

21. Het tweede middel faalt.

22. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. Uit de toelichting op het middel blijkt dat specifiek wordt geklaagd over de verwerping van het bewijsverweer dat hier inhoudt dat de gedragingen van de verdachte bij de aangever in redelijkheid niet de vrees konden doen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen omdat maar een belofte of een voorwaardelijke bedreiging aan hem zou zijn gericht.

23. Het hof heeft het met betrekking tot feit 2 gevoerde bewijsverweer als volgt samengevat en verworpen:

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De raadsman heeft vrijspraak bepleit en aangevoerd dat de uitlating geen bedreiging betreft, maar een belofte of een voorwaardelijke bedreiging en dit niet valt onder artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.
Mede gelet op de eerdere fysieke confrontatie tussen de verdachte en de aangever, medewerker stadstoezicht [betrokkene 3] , heeft de door de verdachte geuite bedreiging ‘zijn hele smoel te verbouwen’, vergezeld van de schelwoorden ‘K koerd’ en ‘schijnheil’ bij de aangever in redelijkheid de vrees kunnen doen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Dat deze bedreiging, zoals door de raadsman bepleit, onder voorwaarde is gedaan, doet daar niet aan af. Opgemerkt zij nog dat een bedreiging onder voorwaarde in voorkomend geval zelfs tot oplegging van een hogere straf kan leiden. ”

24. Van bedreiging met zware mishandeling in de zin van art. 285, eerste lid, Sr kan alleen sprake zijn indien de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.10 Het middel betoogt dat van die redelijke vrees in het onderhavige geval geen sprake kan zijn “eenvoudigweg omdat de aangever het zelf in de hand heeft of hij dit onheil over zich afroept.” Dat betoog komt mij om meer dan één reden onjuist voor. Ook als de verdachte heeft bedoeld dat de bedreigde de verwezenlijking van het misdrijf waarmee hij wordt bedreigd zelf in de hand had, is daarmee in de eerste plaats nog niet gezegd dat de bedreigde zulks ook wist of redelijkerwijs behoorde te weten. Een bedreiging die ter terechtzitting nader wordt toegelicht en aldaar in een nieuwe, ten tijde van het begaan van het feit voor de bedreigde niet kenbare, context wordt geplaatst, verliest daardoor uiteraard niet als het ware met terugwerkende kracht de potentie in redelijkheid vrees aan te jagen. Reeds omdat [betrokkene 3] het door de verdachte gestelde ‘conditionele karakter’ van het dreigement niet behoefde te begrijpen, is ’s hofs (motivering van de) verwerping van het verweer niet onbegrijpelijk.

25. Maar ook wanneer voor een bedreigde ten tijde van het delict wel duidelijk is dat het ‘slechts’ om een voorwaardelijke bedreiging of belofte gaat en hij zijn onheil dus – zoals de steller van het middel poneert – kan vermijden, lijkt mij evident onjuist de stelling dat reeds daarom van bedreiging geen sprake is. Een bedreiging, begeleid door de mededeling dat de bedreigde niets overkomt zolang hij naar de pijpen van de verdachte danst – hetgeen het karakter van een niet mis te verstane waarschuwing heeft, en ook in die zin al snel bedreigend van aard kan zijn –, kan nog steeds de redelijke vrees aanjagen dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd zal worden voltooid. De strafbaarstelling van art. 285, eerste lid, Sr onderscheidt zich van die van art. 284, eerste lid, Sr doordat moet worden gedreigd met een ernstig misdrijf en doordat (daarom) bedreiging met zo een in art. 285, eerste lid, Sr omschreven misdrijf óók in onvoorwaardelijke vorm strafbaar is.11 Onjuist is evenwel de opvatting dat art. 285, eerste lid, Sr niet van toepassing zou zijn op voorwaardelijke bedreigingen met een in die bepaling genoemd misdrijf of op uitingen die de verdachte zelf als “beloften” wenst te duiden.12 Zoals het hof terecht heeft overwogen, getuigt daarvan ook art. 285, tweede lid, Sr dat “deze bedreiging” (dat wil zeggen: die van het eerste lid) met een hoger strafmaximum bedreigt, ingeval zij schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt.13

26. Het derde middel faalt.

27. De drie middelen falen en lenen zich alle voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie de “verbetering bewijsoverweging” op p. 3 van de aanvulling op het arrest in de zin van art. 365a Sv.

2 Zie o.a. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9978, NJ 2012/558, m.nt. Mevis en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:274, NJ 2015/186, m.nt. Keijzer.

3 HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143 NJ 2002/129.

4 HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116, m.nt. Mevis; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9978, NJ 2012/558, m.nt. Mevis; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3114, NJ 2015/126, m.nt. Mevis.

5 Vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3114, NJ 2015/126, m.nt. Mevis.

6 Sprake is derhalve van een niet-wezenlijk onderdeel van de bewezenverklaring dat – bij slagen van de klacht – onvoldoende door de bewijsvoering wordt geschraagd; vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 (rov. 2.5.2), m.nt. Van Kempen en de in dat arrest door de Hoge Raad genoemde voorbeelden.

7 In gevallen waarin het belang van de verdachte bij cassatie niet evident is, mag van de raadsman in redelijkheid worden verlangd dat hij in zijn schriftuur het concrete, op het geval toegespitste belang bij het ingestelde beroep en dus ook het rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak, nader toelicht (vgl. o.a. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 (rov. 2.6), m.nt. Van Kempen). De in de schriftuur te lezen stelling dat een nieuwe feitelijke behandeling in vrijspraak zou kunnen eindigen, is niet concreet en op het geval toegespitst.

8 Vgl. A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, derde druk, Deventer: Kluwer 2011, p. 167.

9 Vgl. HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143, NJ 2002/129.

10 Zie o.a. HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2215, NJ 2011/227, m.nt. Keijzer en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3717, NJ 2011/285.

11 Art. 284 en art. 285 Sr verhouden zich dan ook niet als een generalis en specialis tot elkaar. Zie expliciet HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252, NJ 1984/479 en over de onderlinge verhouding nader de conclusie van toenmalig A-G Leijten vóór dat arrest (onderdelen 19-23). Vgl ook K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestanddeel ‘dwingen’ en strafbaarstellingen van dwang, in het bijzonder art. 284 Sr (diss. Groningen), Apeldoorn: Maklu 2007, p. 219 e.v.

12 Vgl. in dezelfde zin K. Lindenberg, a.w., p. 229 e.v. en mijn ambtgenoot A-G Knigge, conclusie vóór HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1834 (onderdeel 31).

13 De opmerking in de schriftuur dat deze bepaling niet ter zake doet, omdat van bedreiging geen sprake is, kan ik niet volgen. Het betoog dat van bedreiging geen sprake is, berust immers juist op de rechtsopvatting die door art. 285, tweede lid, Sr wordt gelogenstraft.