Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:457

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
17/03943
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1032
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over het verzuim van het hof de toewijzende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf te motiveren. De AG adviseert de bestreden uitspraak gedeeltelijk te vernietigen en de zaak in zoverre terug te wijzen naar het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03943

Zitting: 14 mei 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 2 augustus 2017 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2016, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens subsidiair 1e alternatief/cumulatief “diefstal” en subsidiair 2e alternatief/cumulatief “bedreiging”, bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf weken, waarvan zes weken voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat art. 14j, eerste lid, Sr is geschonden, nu het hof in weerwil van het bepaalde in dit artikellid de toewijzende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet heeft gemotiveerd.

  4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 juli 2017 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De raadsman, van de verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven.

De raadsman geeft op dat de verdachte van oordeel is dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 09-818579-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in eerste aanleg ten onrechte is toegewezen.

[…]

De raadsman voert het woord tot verdediging:

Het appel is slechts gericht tegen de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één (1) week. Kort na de zitting waar hij een taakstraf had gekregen heb ik mijn cliënt gesproken en toen bleek dat die nieuwe kans hem goed deed. Hij had plannen voor het vinden van woonruimte en plannen om een traject te gaan volgen om sportleraar te kunnen worden. Sindsdien heb ik geen contact meer met hem gehad en dit is een goed teken.

Ik ga er dan ook vanuit dat de taakstraf goed is verlopen, ook omdat ik daar anders wel bericht van had gekregen.

De vordering tot tenuitvoerlegging is in deze zaak wel begrijpelijk, desondanks vraag ik u deze af te wijzen omdat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf tot een breuk in zijn broze bestaan zou kunnen leiden. Een gevangenisstraf kan er toe leiden dat zijn uitkering wordt stopgezet en dat kan er weer toe leiden dat hij opnieuw zal gaan stelen. Ik verzoek u dan ook om de week gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf, mogelijk zelfs een langere taakstraf dan waar de week gevangenisstraf voor staat, indien u dat nodig acht.”

5. Het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Beslissing op vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling.

T.a.v. 09/818579-16 (TUL)

Gelast dat de niet ten uitvoer gelegde straf alsnog zal worden ten uitvoergelegd, te weten:

Gevangenisstraf voor de duur van 1 week”.

6. De toelichting op het middel wijst er nog op dat bij pleidooi nadrukkelijk is gevraagd af te zien van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf door te beslissen dat deze zal worden omgezet in een taakstraf. Het hof had, aldus de steller van het middel, ook in dat licht dienen te motiveren waarom desondanks de vordering tot tenuitvoerlegging integraal wordt toegewezen in de vorm van een gevangenisstraf.

7. Allereerst merk ik op dat naar mijn inzicht moet worden aangenomen dat door het vonnis, behoudens wat betreft de strafoplegging, te bevestigen het hof de beslissing tot tenuitvoerlegging tot de zijne heeft gemaakt. Deze zaak is in zoverre vergelijkbaar met de zaak die leidde tot HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1431. Ook toen had het hof het vonnis van de rechtbank met uitzondering van de strafoplegging bevestigd en in het arrest geen nadere aandacht besteed aan de vordering tot tenuitvoerlegging. Mijn ambtgenoot Spronken was van oordeel dat het hof kennelijk was vergeten te beslissen op de vordering tot tenuitvoerlegging en concludeerde tot partiële vernietiging en terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad nam evenwel aan dat de gedeeltelijke vernietiging van het vonnis zich niet tevens uitstrekte over de vordering tot tenuitvoerlegging en dat het vonnis dus ook in zoverre door het hof was bevestigd. Wel merkte de Hoge Raad op dat het teneinde – ook met betrekking tot de tenuitvoerlegging – misverstanden te voorkomen, in voorkomende gevallen aanbeveling verdient dat het dictum van het arrest van het hof een integrale weergave van alle opgelegde straffen en/of maatregelen bevat. Dit arrest van de Hoge Raad dateert van na de bestreden uitspraak in de onderhavige zaak, waardoor het hof deze aanbeveling niet ter harte heeft kunnen nemen. Op basis van het genoemde arrest moet in de voorliggende zaak ervan worden uitgegaan dat het hof met zijn bevestigend arrest ook de hiervoor onder 5. aangehaalde beslissing van de rechtbank heeft bevestigd.

8. Op grond van art. 14j, eerste lid, Sr moet een rechterlijke beslissing omtrent een vordering van het openbaar ministerie met redenen zijn omkleed. Derhalve moet ook een bevel tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf onder opgave van redenen geschieden. Aan deze motiveringsplicht worden geen zware eisen gesteld. Zo laat de rechtspraak van de Hoge Raad daaromtrent zien dat de feitenrechter in het algemeen kan volstaan met de constatering dat in de proeftijd een strafbaar feit is gepleegd en dat daarmee een algemene voorwaarde niet is nageleefd.1 Naast deze algemene motiveringsplicht bestaan er, voor zover mij bekend, bij het geven van een bevel tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf geen bijzondere motiveringseisen. De feitenrechter is dus niet snel gehouden de afwijking van een verweer – strekkende bijvoorbeeld tot afwijzing van de vordering of tot omzetting van een gevangenisstraf in een taakstraf – nader te motiveren.2

9. Het middel is terecht voorgesteld, nu elke motivering ontbreekt in zowel het door het hof op dit punt bevestigde vonnis van de politierechter, als in het onderhavige arrest.3 Noch dat vonnis, noch het arrest van het hof bevat bijvoorbeeld de constatering dat in de proeftijd een strafbaar feit is gepleegd en dat daarmee een algemene voorwaarde niet is nageleefd, dan wel een overweging met een soortgelijke inhoud.

10. Het middel slaagt.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 09-818579-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2956, NJ 2014/463, HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1290, NJ 2017/329 en HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:1313 (HR: art. 80a RO; niet gepubliceerd).

2 Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2956, NJ 2014/463 en HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1290, NJ 2017/329. Zie ook F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde: een onderzoek naar de voorwaardelijke veroordeling en andere voorwaardelijke modaliteiten (diss. Nijmegen), Deventer: Quint Gouda 1996, p. 162.

3 Aldus ook HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2525.De Hoge Raad kwam tot partiële vernietiging van de bestreden uitspraak, omdat de beslissing van het hof in het geheel niet was voorzien van de in art. 14j, eerste lid, Sr vereiste motivering.