Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:455

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
17/03729
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1060
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Overtreding art. 7 lid 1 WVW 1994. Twee middelen. Eerste middel inzake strafmotivering faalt. De aan middel ten grondslag liggende opvatting dat hof gehouden zou zijn aan te geven of in strafmatigende dan wel strafverzwarende zin acht wordt geslagen op Justitiële Documentatie vindt geen steun in het recht. Tweede middel klaagt dat vaststelling hof dat verdachte voldoet aan opgegeven signalement niet kan volgen uit gebezigde bewijsmiddelen. De AG stelt zich op het standpunt dat het tweede middel slaagt en adviseert de Hoge Raad het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03729

Zitting: 21 mei 2019

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 25 juli 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend.

3. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, behelst de klacht dat de strafmotivering niet begrijpelijk is.

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Gravenhage op de Vissershavenweg, op 11 mei 2016 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer] ) schade was toegebracht.”

5. Ten aanzien van de op te leggen straf heeft het hof het volgende overwogen:

“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

(…)

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 juni 2017.

Het hof is – alles overwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.”

6. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof de strafmotivering ontoereikend heeft gemotiveerd, nu het hof niet heeft aangegeven in welke zin (strafmatigend dan wel strafverzwarend) acht wordt geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie

7. In het algemeen geldt dat de rechter vrij is in de keuze en waardering van de factoren die hij in het concrete geval van belang acht voor de strafoplegging. Die afweging behoeft geen motivering.1 Wel dient de rechter, voor zover ten nadele van de verdachte acht wordt geslagen op schriftelijk materiaal zoals een uittreksel uit het justitieel documentatieregister, dit materiaal ter zitting voor te lezen of de korte inhoud hiervan mede te delen. Dit volgt uit artikel 301, vierde lid, Sv.2

8. Ten aanzien van de strafmovering geldt de algemene motiveringseis van artikel 359, tweede lid eerste volzin, Sv jo. artikel 358, tweede lid Sv en artikel 350 Sv alsmede de meer specifieke motiveringseis van artikel 359, vijfde lid, Sv waarin is neergelegd dat het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft die de straf hebben bepaald.

9. Het hof heeft in de strafmotivering tot uitdrukking gebracht dat het acht heeft geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie. De korte inhoud hiervan is, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2017, ter zitting medegedeeld. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het hof gehouden zou zijn aan te geven of het in strafmatigende dan wel strafverzwarende zin acht heeft geslagen op de Justitiële Documentatie van de verdachte vindt geen steun in het recht.

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel behelst de klacht dat de vaststelling van het hof dat de verdachte voldoet aan het opgegeven signalement van de bestuurder van de auto niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en evenmin zonder nadere motivering, die ontbreekt, begrijpelijk is.

12. Het hof heeft de bewezenverklaring gestoeld op de volgende bewijsmiddelen:

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte van de politie eenheid Den Haag d.d. 22 mei 2016 met nr. PL1500-2016142959-2.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :

als de op 22 mei 2016 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Op woensdag 11 mei 2016, te 15:50 uur, bevond ik mij op Dr. Lelykade in de richting van de Vissershavenweg te ’s-Gravenhage, samen met een vriend genaamd, [betrokkene 1] .

Wij waren hier op de motor. Mijn motor was op dat moment in onbeschadigde staat.


Op diezelfde dag, datum en omstreeks 15:55 uur, werd ik op de bovengenoemde locatie aangesproken door een buitenlandse jongen. Hij was de bestuurder van een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, kleur zwart en voorzien van kenteken [kenteken] .

Ik geef u hierbij het signalement van de bestuurder van de voornoemde auto.

- ongeveer 20 jaar oud

- Noord-Afrikaans uiterlijk.


Hij vroeg mij de weg naar de boulevard. Ik heb hem uitgelegd hoe hij moest rijden. Vervolgens zag ik de Volkswagen wegrijden in de richting van de Vissershavenweg en ben ik hierachter aan gereden, omdat ik ook naar de boulevard wilde gaan.

Ik zag dat de bestuurder twijfelachtig reed. Ik reed hier ongeveer 15 km per uur. Op de Vissershavenweg remde de Volkswagen hard. Tijdens het remmen keerde hij zijn Volkswagen met de voorkant in de richting van mij. Ik moest hierdoor uitwijken en kwam ten val.

De bestuurder moet gemerkt/gezien hebben dat ik ten val ben gekomen. Vervolgens keerde de Volkswagen en reed verder over de Vissershavenweg. Vervolgens zag ik het voornoemde voertuig keren en in de richting van mij komen. De vriend die met mij mee was gaf het voertuig een stopteken. De bestuurder van het voertuig stopte. Hij opende zijn raam en zei: “Wat nu?” [betrokkene 1] wilde met hem het schadeformulier invullen en de politie erbij halen. De bestuurder van het voertuig hoorde het woord politie en reed vervolgens met hoge snelheid weg in de richting van de dr. Lelykade. Deze jongen wilde zich niet bekend maken en/of het schadeformulier invullen.


Deze jongen heeft schade veroorzaakt aan mijn motor en zijn identiteit opzettelijk niet aan mij bekend gemaakt. De schade is veroorzaakt door de bestuurder van de Volkswagen Polo.


Aan niemand werd het recht en/of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.


2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van de politie eenheid Den Haag d.d. 18 juli 2016 met nr. PL1500-2016142959-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :


als de op 18 juli 2016 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :


Op woensdag 11 mei 2016, omstreeks 16:00 uur, bevond ik mij op de Dr. Lelykade. Ik was hier samen met mijn vriend [slachtoffer] . Wij waren hier op de motor. Wij waren voornemens om in de richting van de boulevard te rijden. Vervolgens kwam er een personenauto, van het merk Volkswagen, type Polo, kleur zwart en voorzien van kenteken [kenteken] .


De bestuurder omschrijf ik als volgt:

- Noord-Afrikaans

- 18-25 jaar

- Man


Na de bocht bij de 2e Zeesluisdwarsweg trapte de bestuurder vol op de rem. Ik zag heel kort zijn remlichten. De bestuurder draaide vervolgens zijn auto. [slachtoffer] moest hierdoor uitwijken en kwam ten val.

De bestuurder reed vervolgens terug in de richting van ons. Ik ben naar de bestuurder van de auto gelopen. Ik zei: “Het is niet normaal wat je doet. Blijf maar even staan.” Hij vroeg: “Wat nu?” Ik zei: “Ik bel de politie.” Vervolgens reed de bestuurder vol gas weg.


3. Een geschrift, zijnde een uitdraai van bevraging van de RDW, d.d. 20 december 2016. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :


NL-RDW
Kenteken [kenteken]
Merk VOLKSWAGEN

Type POLO; TDI 74 KW

Kleur ZWART

Peildatum 20-12-2016
KENTEKENHOUDER
Identiteit [verdachte]

Geboren [geboortedatum] -1995
Begindatum 29-04-2016 14:26 uur

Soort eigenaar Natuurlijk persoon (tenaamstelling natuurlijk persoon)

Adres [a-straat 1] , [postcode] [plaats] ”

13. Het hof heeft, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende met betrekking tot het bewijs in het bestreden arrest overwogen:

Nadere bewijsoverweging

(…)

Op 11 mei 2016 heeft op de Vissershavenweg te Den Haag een ongeval plaatsgevonden waarbij een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] betrokken was. De bestuurder van de auto heeft de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken. Volgens aangever [slachtoffer] was de bestuurder een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk van ongeveer 20 jaren oud. Volgens getuige [betrokkene 1] was de bestuurder een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk van tussen de 18 en 25 jaren oud. Na bevraging van de RDW is gebleken dat de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] ten tijde van het ongeval op naam van de verdachte [verdachte] stond.

Het hof overweegt als volgt.


Gelet op het gegeven dat de auto ten tijde van het ongeval op naam van de verdachte stond en dat de verdachte voldoet aan de opgegeven signalementen is het hof van oordeel dat, mede gelet op het feit dat hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en derhalve niet heeft ontkracht dat hij heeft gereden, de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde de auto heeft bestuurd. Derhalve is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.”

14. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Wanneer de rechter zich – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden die niet reeds in de opgenomen bewijsmiddelen zijn vermeld, dient de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.3

15. Het hof heeft in de nadere bewijsoverweging vastgesteld dat de verdachte voldoet aan het signalement van de bestuurder van de auto zoals opgegeven door de aangever en de getuige. Echter, uit de gebezigde bewijsmiddelen dan wel nadere bewijsoverweging blijkt niet aan welk wettig bewijsmiddel het hof deze vaststelling heeft ontleend. De verdachte is in eerste aanleg en in hoger beroep niet op de terechtzitting verschenen en evenmin is bij de bewijsmiddelen een foto van de verdachte opgenomen dan wel een proces-verbaal van herkenning van de politie of een ander bewijsmiddel waaraan het hof de vaststelling dat de verdachte voldoet aan het opgegeven signalement heeft kunnen ontlenen, terwijl deze vaststelling wel redengevend is voor de bewezenverklaring. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is ’s hofs oordeel dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet begrijpelijk, nu de bewezenverklaring op dit punt niet door de inhoud van enig bewijsmiddel wordt geschraagd. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

16. Het eerste middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel slaagt.

17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijv. HR 26 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8474, NJ 1985/138; HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353; HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805; HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9252, NJ 2010/393 m.nt. P.A.M. Mevis en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 265.

2 Zie ook HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165 m.nt. J.M. Reintjes, en HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008/69 m.nt. M.J. Borgers.

3 HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008/69.