Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:448

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-03-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
17/02917
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:651
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Diefstallen (art. 310 Sr) en vernieling (art. 350.1 Sr). Veroordeling uit 2004. 1. Overschrijding redelijke termijn bij betekening verstekarrest; 2. verjaring.

Ad 1. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2008:BD2578 t.a.v. overschrijding van de redelijke termijn doordat het OM bij de ex art. 366 Sv voorgeschreven betekening van een verstekmededeling niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. Middel klaagt terecht dat niet blijkt dat binnen een jaar na ’s Hofs uitspraak op de voorgeschreven wijze een verstekmededeling is betekend en dat het OM tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen. HR vermindert opgelegde gevangenisstraf van zes weken in verband hiermee met twee weken.

Ad 2. De tlgd. vernieling is strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie is gesteld. Dit feit is volgens de tll. begaan op of omstreeks 28 februari 2002. O.g.v. art. 70.1.2 jo. 72.2 Sr beloopt de verjaringstermijn i.c. ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft dit feit is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen. HR vernietigt bestreden uitspraak in zoverre, verklaart de OvJ te dier zake alsnog n-o en vermindert om doelmatigheidsredenen de opgelegde gevangenisstraf van zes weken in verband met de verjaring met één week.

CAG: nader over de vraag of HR zelf i.c. de resterende straf kan bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02917

Zitting: 12 maart 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 26 april 2004, het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2002 bevestigend, de verdachte wegens in drie gevoegd behandelde zaken bewezenverklaarde feiten ter zake van ‘diefstal, meermalen gepleegd’ en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek als omschreven in art. 27 Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte op 31 mei 2017, derhalve ruim dertien jaren na de dag waarop het hof het bestreden arrest na een behandeling bij verstek wees. Omdat de verdachte in hoger beroep niet in persoon is gedagvaard of opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen, terwijl mij ook niet is gebleken dat zich een (andere) omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, kon ingevolge art. 432, tweede lid, Sv het cassatieberoep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordeed waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend is.1 Onder de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken bevindt zich een fotokopie van een akte van uitreiking die bestemd is voor de verdachte en waarop het parketnummer bij het hof in de onderhavige zaak is vermeld. Deze akte houdt in dat een gerechtelijke brief aan de verdachte in persoon is uitgereikt op 30 mei 2017. Alhoewel de desbetreffende brief niet aan de fotokopie van de akte van uitreiking is gehecht, kan gevoeglijk worden aangenomen dat het de verstekmededeling van het bestreden arrest heeft betroffen. Aangezien ik in het procesdossier geen stuk heb aangetroffen dat een omstandigheid bevat waaruit voortvloeit dat het vonnis of arrest de verdachte eerder dan op 30 mei 2017 bekend was, kan de verdachte mijns inziens in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

3. Namens de verdachte hebben mr. G.A. Jansen en mr. Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ik bespreek de middelen in omgekeerde volgorde. De reden daarvoor zal in de loop van deze conclusie wel duidelijk worden.

5. Het derde middel klaagt dat het hof, het vonnis van de rechtbank bevestigend, ten onrechte niet de inhoud van de tenlastelegging in zijn arrest heeft opgenomen.

6. De aantekening van het door het hof bevestigde mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

1. Inhoud van de tenlastelegging.

Overeenkomstig de dagvaardingen.’

7. Art. 359, eerste lid, Sv schrijft onder meer voor dat het vonnis het tenlastegelegde bevat. Deze bepaling is op grond van art. 415, eerste lid, Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding in hoger beroep. Het voorschrift strekt ertoe controleerbaar te maken of de rechter bij het nemen van de aan hem toevertrouwde beslissingen de grondslag van de tenlastelegging heeft geëerbiedigd.2

8. Het hof heeft als gezegd in de onderhavige zaak een mondeling vonnis van de politierechter dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend, bevestigd. Ingevolge art. 378, tweede lid, Sv wordt het vonnis ‘in het proces-verbaal der terechtzitting aangetekend op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen’. Die wijze van aantekening is sinds 1996 neergelegd in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep (verder: de Regeling).3 Art. 1 van deze Regeling bepaalt dat de aantekening van het mondeling vonnis onder andere de navolgende gegevens dient te bevatten:

‘a. inhoud van de telastlegging (verwezen kan worden naar de dagvaarding en eventueel naar de nadere opgave, bedoeld bij art. 374 van het Wetboek van Strafrecht, met vermelding van nadere opgave ter terechtzitting)’

9. De (eerste) voorloper van deze Regeling, een beschikking van de minister van Justitie daterend uit 1922,4 bevatte een vergelijkbare aanwijzing. In de periode waarin deze beschikking van kracht was, is aan Uw Raad ook reeds de vraag voorgelegd of de appelrechter ter naleving van het voorschrift van art. 359, eerste lid, Sv een vonnis waarin – in overeenstemming met de Regeling – ten aanzien van de inhoud van de tenlastelegging is volstaan met verwijzing naar de dagvaarding, (gaaf) kan bevestigen. Al in HR 25 juni 1928, ECLI:NL:HR:1928:330, NJ 1928, p. 1553 overwoog Uw Raad dienaangaande dat:

‘de eisch van het eerste lid van art. 359 Sv. in hooger beroep alleen kan gelden wanneer de rechter opnieuw recht doet en de telastlegging niet behoort tot de overgenomen gedeelten van het in eersten aanleg gewezen vonnis; dat immers de wet niet kan hebben bedoeld dat de appèlrechter, bij bevestiging van het in eersten aanleg gewezen vonnis, ook nog verplicht zou zijn de telastlegging en den inhoud der bewijsmiddelen — waarvoor immers in genoemd art. 359 eerste lid, hetzelfde is bepaald als voor de telastlegging — in zijn uitspraak op te nemen; dat voorts hetzelfde geldt wanneer het hooger beroep betreft een mondeling vonnis van den Pol.-rechter, ook indien voor de telastlegging in de Aanteekening wordt verwezen naar de dagvaarding, daar voor dat geval art. 423 Sv. evenzeer den appèlrechter de bevoegdheid geeft het vonnis, met geheel of gedeeltelijke overneming of met verbetering van gronden te bevestigen;’

10. Uw Raad heeft nadien verschillende keren herhaald dat de tenlastelegging dient te worden opgenomen in het op het hoger beroep tegen een (in overeenstemming met de genoemde Regeling) aangetekend mondeling vonnis gewezen arrest indien ‘omtrent de bewezenverklaring opnieuw recht is gedaan.’5 Niet alleen indien de appelrechter het vonnis geheel bevestigt, maar ook bijvoorbeeld als hij aan bevestiging vanwege de niet-ontvankelijkheid van het appel (wegens termijnverzuim) niet toekomt,6 hij bevestigt onder aanvulling van gronden,7 of hij het vonnis slechts ten aanzien van de strafoplegging vernietigt met bevestiging voor het overige,8 volstaat derhalve dat in het bevestigde vonnis is verwezen naar de dagvaarding.

11. Doet de appelrechter ten aanzien van (een gedeelte van) de bewezenverklaring opnieuw recht (daaronder verstaat Uw Raad alleen het geval waarin het hof ‘met vernietiging van het vonnis voor wat de bewezenverklaring betreft, te dien aanzien doet, wat de Rechtbank had behooren te doen’9) dan zal hij de tenlastelegging in zijn arrest moeten opnemen. Hij kan namelijk weliswaar op grond van art. 423, derde lid, Sv bepaalde gedeelten van het vernietigde vonnis in zijn arrest overnemen, maar de verwijzing naar een tenlastelegging in het aangetekende mondeling vonnis staat niet gelijk aan de inhoud van die tenlastelegging zelf, zodat aan art. 359, eerste lid, Sv niet door de enkele overname van die verwijzing uit de aantekening mondeling vonnis kan worden voldaan.10

12. Het opnemen van de tenlastelegging in het arrest kan ook in andere gevallen noodzakelijk zijn. Een illustratie is HR 31 januari 1950, NJ 1950/292, m.nt. Röling. In deze zaak was een overtreding tenlastegelegd ter zake waarvan de rechtbank in eerste aanleg had veroordeeld. Daarnaast was een misdrijf tenlastegelegd; daarvan had de rechtbank de verdachte vrijgesproken. Zowel het door de verdachte als het door de officier van justitie tegen het vonnis ingestelde hoger beroep werd door het gerechtshof (wat de officier van justitie betreft alleen ter zake van de overtreding) niet-ontvankelijk verklaard, met bevestiging van de vrijspraak ter zake van het ten laste gelegde misdrijf. Krabbe meldt dat deze beslissing – in die tijd – juist zou zijn als de overtreding en het misdrijf cumulatief waren tenlastegelegd, maar onjuist als de overtreding subsidiair was ten laste gelegd.11 Om dat te kunnen beoordelen was het noodzakelijk, kennis te nemen van de tenlastelegging. Uw Raad oordeelde het middel, dat klaagde dat het bestreden arrest niet de tenlastelegging bevatte, gegrond: het opnemen van de tenlastelegging was op straffe van nietigheid voorgeschreven, ‘terwijl bovendien de juistheid der gegeven beslissing slechts aan de inhoud der telaste-legging kan worden getoetst’. Krabbe leidt uit – onder meer – deze uitspraak als standpunt van Uw Raad af ‘dat de tenlastelegging niet mag ontbreken, indien dat voor een goed begrip van het arrest of vonnis noodzakelijk is’.

13. Aan het arrest uit 1950 kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat Uw Raad van zijn eerdere rechtspraak afstand heeft willen nemen. Dat volgt onder meer uit HR 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2709 (art. 81 RO, niet gepubliceerd), waar (destijds) A-G Fokkens in antwoord op een vergelijkbare klacht als de onderhavige aangaf dat de steller van het middel miskende ‘dat in die uitspraak de Hoge Raad oordeelde dat de tenlastelegging moest worden opgenomen omdat verdachte deels niet-ontvankelijk werd verklaard en deels het vonnis in eerste aanleg werd bevestigd.’12

14. Recent heeft de Hoge Raad zich als ik het goed zie niet expliciet over deze kwestie uitgesproken. Uit de overzichtsarresten die Uw Raad wees over de toepassing van art. 80a RO kan wel worden afgeleid dat Uw Raad niet geneigd is, rechtsgevolgen te verbinden aan schending van het onderhavige voorschrift. In HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt geeft Uw Raad aan dat ‘het verzuim inzake de aanhechting van de juiste, zich in het dossier bevindende stukken aan de uitspraak, bijvoorbeeld de tenlastelegging’ zich voor toepassing van art. 80a RO leent.13 In die overweging ligt op twee punten een soepele benadering ten opzichte van schendingen van dit voorschrift besloten. De tenlastelegging behoeft niet in het vonnis of arrest te worden opgenomen doch mag worden aangehecht. En zelfs het verzuim de tenlastelegging aan te hechten is een verzuim dat geen cassatie rechtvaardigt.

15. Wat het belang van de verdachte betreft kan ook nog worden opgemerkt dat in de onderhavige zaak noch bij het hof, noch bij de verdachte over de inhoud van de tenlastelegging – die gedurende de procedure niet is gewijzigd – twijfel kan hebben bestaan. De dagvaarding waarnaar de rechtbank heeft verwezen, bevindt zich immers onder de stukken van het geding en is in eerste aanleg in persoon aan de verdachte betekend. Bij die stand van zaken doet het ontbreken van de tekst van de tenlastelegging in het bestreden arrest geen afbreuk aan belangen van de verdachte, terwijl voor de verdediging en Uw Raad controleerbaar is of de rechter zijn beslissingen op de grondslag van de tenlastelegging heeft genomen.14

16. Maar uit het eerder besprokene volgt dat het middel reeds faalt omdat het hof niet opnieuw recht heeft gedaan ten aanzien van de bewezenverklaring.

17. Het derde middel faalt.

18. Het tweede middel behelst dat ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13/050401-01 onder 2 bewezenverklaarde feit het recht tot strafvervolging van het openbaar ministerie is komen te vervallen door verjaring, zodat het openbaar ministerie ter zake van dit feit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

19. In het door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank ten laste van de verdachte ter zake van het in het middel bedoelde feit bewezenverklaard dat:

‘hij op 28 februari 2002 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een pand gelegen aan de [e-straat] perceel [nummer], toebehorende aan de [A] , heeft vernield door met kracht met een hand die ruit in te slaan;’

20. De tenlastelegging van dit feit is toegesneden op art. 350, eerste lid, Sr. Deze bepaling is sinds de tenlastegelegde pleegdatum niet gewijzigd.15 Onveranderd wordt overtreding van art. 350, eerste lid, Sr bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

21. Ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit gold ingevolge art. 70, onder 2°, (oud) Sr voor een feit waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld reeds de ook thans nog in art. 70, eerste lid onder 2°, Sr genoemde verjaringstermijn van zes jaren. Op grond van art. 71 Sr ving deze verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, dus op 1 maart 2002. Zoals de steller van het middel evenwel zelf ook opmerkt is deze verjaringstermijn ‘diverse malen gestuit door daden van vervolging’, waardoor de verjaringstermijn telkens opnieuw is aangevangen in de zin van de eerste volzin van art. 72, tweede lid, Sr.

22. Bij de Wet opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten16 is aan art. 72, tweede lid, Sr een tweede volzin toegevoegd, luidend:

‘Het recht tot strafvordering vervalt evenwel indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn.’

Op basis van art. III en de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet heeft Uw Raad geoordeeld dat in geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt geldt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt gerespecteerd.17 Dat brengt mee dat de nieuwe verjaringsregel van art. 72, tweede lid, tweede volzin, Sr toepasselijk was op verjaringstermijnen die ten tijde van de inwerkingtreding van de wet reeds waren aangevangen doch nog niet waren verstreken, zoals die van het in het middel bedoelde strafbare feit.

23. Uit het (ook thans nog) bepaalde in art. 72, tweede lid, Sr vloeit derhalve voort dat het recht tot strafvervolging ter zake van het in het middel bedoelde feit verjaarde twaalf jaren na de in art. 71 Sr bedoelde dag waarop de verjaringstermijn voor het eerst aanving.18 Met betrekking tot dit feit is het recht tot strafvervolging daarmee op 1 maart 2014 vervallen door verjaring.

24. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Naar het mij voorkomt kan Uw Raad, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte ter zake van het onderhavige feit.

25. De vraag is vervolgens of het slagen van het middel tot vernietiging van de strafoplegging dient te leiden. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde straf in het licht van de partiële niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie bestaat volgens Uw Raad onvoldoende grond indien ‘de aard en ernst van hetgeen overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard’ door deze partiële niet-ontvankelijkverklaring niet worden aangetast.19 Dat criterium is overigens naar het mij voorkomt minder gelukkig verwoord. Aard en ernst van hetgeen overigens bewezen is verklaard worden zelden aangetast doordat van andere feiten alsnog wordt vrijgesproken of de officier van justitie in de vervolging van andere feiten alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard. Waar het om gaat, is of aard en ernst van het totaal aan feiten dat door het gerechtshof bewezen is verklaard (als basis van de opgelegde straf), worden aangetast doordat de bewezenverklaring van een deel van die feiten in cassatie niet in stand blijft.20

26. Bij de zaken waarin op grond van het genoemde criterium de strafoplegging in stand blijft, gaat het om zaken waarin het feit waarvan Uw Raad vrijspreekt dan wel in de vervolging waarvan de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard, vrijwel geheel wegvalt tegen andere strafbare feiten waarvan de bewezenverklaring in stand blijft.21 Waarbij overigens niet altijd meteen evident is dat het feit in die mate wegvalt. In HR 15 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2769 stelde Uw Raad vast dat de onder 2 (en 4) tenlastegelegde feiten voor zover begaan in de periode vóór 15 september 1997 waren verjaard. Daardoor waren vijf uit twaalf in deze beide onderdelen opgenomen feiten geheel (twee) of partieel (drie) verjaard. Naast deze feiten, die strafbaar waren gesteld in art. 348 Sr in verbinding met de artikelen 47 en 51 Sr, was onder 5 een ander misdrijf bewezen verklaard.22 Uw Raad verklaarde de officier van justitie voor genoemd deel van de tenlastelegging niet-ontvankelijk in de vervolging en oordeelde dat voor het verminderen van de duur van de opgelegde straf onvoldoende grond bestond, aangezien ‘de aard en de ernst van hetgeen overigens onder 2 alsmede onder 4 en 5 ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door bedoelde partiële niet-ontvankelijkverklaring’.

27. Dit arrest is ook om een tweede reden interessant voor de onderhavige zaak. Uw Raad stelde namelijk eveneens vast dat het gerechtshof ten onrechte toepassing had gegeven aan art. 14a, eerste lid, Sr zoals die bepaling sinds 1 februari 2006 luidde en dat dit zou dienen te leiden ‘tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging en ver- of terugwijzing van de zaak in zoverre’. Uw Raad gaf evenwel aan ‘[n]a afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen, waaronder het belang van een doelmatige rechtspleging’ te hebben beslist de zaak in dit opzicht zelf af te doen. Uw Raad bepaalde de door het Hof opgelegde gevangenisstraf (zestien maanden waarvan zes voorwaardelijk) op vijftien maanden waarvan vijf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. En verlaagde de straf in verband met schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn vervolgens verder tot veertien maanden waarvan vier maanden en twee weken voorwaardelijk.

28. Veel groter nog was de aanpassing van de opgelegde straf in HR 6 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0651. Daarin was de verdachte voor een aantal diefstallen en pogingen daartoe veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. Uw Raad stelde vast dat deze strafoplegging in strijd was met art. 14a Sr zoals dat luidde tot 1 februari 2006 en bepaalde de straf op twaalf maanden voorwaardelijk. Deze beide uitspraken duiden erop dat Uw Raad het belang van een doelmatige rechtspleging (al dan niet expliciet) betrekt bij de beslissing of teruggewezen wordt voor de strafoplegging. Daarbij gaat het in beide arresten echter wel om een specifieke situatie, waarin Uw Raad in het licht van de opgelegde straf en de geschonden rechtsregel tot een aanpassing komt die ertoe strekt te benaderen wat bij het in acht nemen van die rechtsregel vermoedelijk zou zijn opgelegd.

29. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Naast de vernieling zijn drie gevallen van diefstal bewezenverklaard. De maximaal op te leggen straf wordt door de partiële niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie derhalve niet anders. Daar staat tegenover dat het gaat om de diefstal van zaken van betrekkelijk geringe waarde (drie dvd’s, een paar sportschoenen en flesjes aftershave), terwijl de vernieling een ruit van de [A] betreft. Blijkens de bewijsmiddelen 7 en 9 gaat het om een ruitje in de (deur van de) wachtruimte waar de verdachte na te zijn aangehouden wegens de diefstal van de sportschoenen naar toe was gebracht. Die vernieling valt niet volledig weg tegen de diefstallen. In de door het hof overgenomen strafmotivering van de politierechter is de vernieling ook naast de diefstallen gezet: ‘bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan (heeft de politierechter) laten meewegen, dat verdachte in een tijdsbestek van 2 maanden 3 winkeldiefstallen en een vernieling heeft gepleegd. De winkeliers hebben hierdoor behoorlijke hinder ondervonden en financieel nadeel geleden’. Daar staat weer tegenover dat de politierechter ook vermeldt dat de verdachte reeds eerder veroordeeld is voor winkeldiefstal; die strafbepalende factor verandert niet door de partiële niet-ontvankelijkverklaring.

30. De steller van het middel meent dat strafvermindering geïndiceerd is nu de politierechter in de door het hof bevestigde strafmaatoverweging expliciet naar de vernieling verwijst. Dat lijkt mij te kort door de bocht. In het geval tien winkeldiefstallen bewezen zouden zijn verklaard en de politierechter zou hebben overwogen de straf op tien winkeldiefstallen te hebben gebaseerd, zou de enkele omstandigheid dat de officier van justitie door Uw Raad in de vervolging van één van deze winkeldiefstallen niet-ontvankelijk wordt verklaard, niet meebrengen dat voor de strafoplegging dient te worden teruggewezen. Het gaat om een inschatting of het wegvallen van het betreffende feit tot een andere straf zou hebben geleid; de strafmotivering is daarbij slechts van belang voor zover zij bij die inschatting helpt. In het licht van het geheel van omstandigheden die in het vorige randnummer zijn vermeld, meen ik evenwel dat de opgelegde straf niet in stand kan blijven.

31. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden in de periode tussen het bij verstek gewezen arrest van het hof van 26 april 2004 en de uitreiking van de verstekmededeling aan de verdachte in persoon op 30 mei 2017, hetgeen dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf.

32. Naar vaste rechtspraak van Uw Raad kan van overschrijding van de redelijke termijn sprake zijn doordat het openbaar ministerie bij de betekening van de verstekmededeling op grond van art. 366 Sv niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. Uw Raad stelt in dit verband het volgende voorop:23

‘3.3.1. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:

a. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend

1. hetzij aan de verdachte in persoon,

2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.

b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, èn indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv (vgl. HR 17 juli 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.19).

3.3.2. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat een verdachte, die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht kan beroepen op schending van de hiervoor genoemde verdragsbepaling (vgl. HR 30 januari 2001, LJN ZD2099).’

33. De aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen voor de rechtbank Amsterdam op 30 mei 2002 is aan hem op 18 april 2002 in persoon uitgereikt.

(ii) De inhoudelijke behandeling van de onderhavige strafzaak door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vond plaats op 30 mei 2002. De verdachte was op deze terechtzitting niet aanwezig. De politierechter heeft op diezelfde dag mondeling vonnis gewezen.

(iii) Tegen dit vonnis is namens de verdachte op 13 juni 2002 hoger beroep ingesteld.

(iv) Uit een ID-staat SKDB van 13 september 2012 (en ten dele ook uit een op 25 maart 2004 aangevraagd GBA-overzicht) volgt dat de verdachte tussen 16 april 2002 en 27 mei 2003 in de GBA als postadres [a-straat 1] te [woonplaats] had. Tot 24 november 2005 is hij daarna zonder vaste woon- of verblijfplaats. Tot 1 maart 2006 staat hij vervolgens in de GBA met postadres [a- straat 2] . Daarna zijn in de GBA opgenomen woonadressen achtereenvolgens [b-straat 1] (tot 20 juni 2006), [c-straat 1] (tot 7 maart 2012) en [d-straat 1] , alle te [woonplaats] . Laatstgenoemd adres is blijkens een informatiestaat SKDB van 27 oktober 2017 ook dan nog het woonadres van de verdachte.

(v) Een dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2004, is op 25 maart 2004 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op 30 maart 2004 is een dagvaarding tevergeefs aangeboden aan het laatst bekende GBA-adres van de verdachte, [a-straat 1] te [woonplaats] . Omdat de betrokken ambtenaar op dat adres niemand aantrof, heeft hij de gerechtelijke brief en de akte teruggezonden aan de afzender. Ook deze brief is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, ditmaal op 19 april 2004.

(vi) De verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2004. Zijn aldaar aanwezige raadsman heeft op deze terechtzitting medegedeeld niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdachte als raadsman te verdedigen. Tegen de niet verschenen verdachte heeft het hof verstek verleend.

(vii) Bij arrest van 26 april 2004 heeft het hof de verdachte veroordeeld zoals hiervoor onder 1. vermeld.

(viii) Op 13 november 2007 is getracht een mededeling van de uitspraak aan de verdachte uit te reiken op het toenmalige GBA-adres van de verdachte [c-straat 1] te [woonplaats] . Op de akte van uitreiking zijn verschillende opties aangekruist en weer doorgehaald, maar duidelijk is dat de betrokken postbezorger de bij de akte behorende brief niet aan de verdachte heeft kunnen uitreiken. Deze is teruggezonden aan de afzender.

(ix) Vervolgens is op 21 maart 2011 en op 11 april 2011 wederom getracht de verstekmededeling aan de verdachte uit te reiken op het genoemde GBA-adres [c-straat 1] te [woonplaats] . Beide keren is de gerechtelijke brief niet uitgereikt, omdat de geadresseerde niet werd aangetroffen.

(x) Op 30 mei 2017 is op het adres Goudbloemstraat 156-1, als gezegd op dat moment het GBA-adres van de verdachte, een gerechtelijke brief aan hem in persoon uitgereikt.

(xi) Op 31 mei 2017 is beroep in cassatie ingesteld.

34. Nu uit de stukken niet blijkt dat binnen een jaar nadat het hof op 26 april 2004 uitspraak heeft gedaan een verstekmededeling is betekend, is het middel mijns inziens gegrond.24 Daarnaast volgt uit bovenstaand overzicht dat uit de stukken niet blijkt dat vanaf 24 november 2005 regelmatig is geprobeerd een verstekmededeling aan de verdachte uit te reiken; in een periode van dertien jaar blijkt van drie pogingen waarvan twee in 2011. Dit zal moeten leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes weken.

35. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt niet een maatstaf voor de strafvermindering die in gevallen als de onderhavige wordt toegepast. Die is ook lastig te formuleren, gelet op de verscheidenheid in gevallen die zich kunnen voordoen. Geconstateerd kan wel worden dat Uw Raad in HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3475 een betrekkelijk forse korting verleende. Twee maanden onvoorwaardelijk werd een maand en twee weken onvoorwaardelijk. In die zaak was sprake van een korter tijdsverloop dan in de onderhavige strafzaak; het arrest van het gerechtshof dateerde van 26 oktober 2005. Daarbij staat in die zaak vast dat de verdachte was gesignaleerd en leid ik uit de conclusie van A-G Machielse af dat op 11 mei 2006, 15 oktober 2007 en 21 november 2008 ‘de GBA is benaderd teneinde te weten te komen of verdachte zich inmiddels had ingeschreven’.25 In de onderhavige strafzaak was de verdachte vanaf 24 november 2005 ingeschreven, en is nadien drie keer geprobeerd een verstekmededeling aan de verdachte uit te reiken. Al met al ligt het naar het mij voorkomt in de rede een iets grotere korting toe te passen dan in de zaak uit 2014.

36. In HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3134, een zaak die in sommige opzichten met de onderhavige vergelijkbaar is, koos Uw Raad een nog rigoureuzere oplossing. In die zaak had het hof op 2 mei 1997 arrest gewezen. Uw Raad stelde eerst vast dat het Openbaar Ministerie (wegens verjaring) niet-ontvankelijk was inzake één van de twee ten laste gelegde feiten; ook daar ging het om zaaksbeschadiging. Uw Raad stelde vervolgens vast dat de stukken niets behelsden waaruit bleek dat tussen 2 mei 1997 en november 2005 op rechtsgeldige wijze is getracht een verstekmededeling aan de verdachte (die vanaf 13 april 1989 onafgebroken op hetzelfde GBA-adres stond ingeschreven) te betekenen en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Het hof had acht maanden gevangenisstraf opgelegd. Het andere feit (zware mishandeling) bleef aldus onbestraft.26 Destijds gold al dat ‘overschrijding van de redelijke termijn (…) slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging’ leidt.27 Situaties als waarvan in de onderhavige strafzaak sprake is, behoorden tot die uitzonderlijke gevallen.

37. Mede in het licht van de betrekkelijk forse gevolgen die Uw Raad aan deze vorm van schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn verbindt, vraag ik mij af of het aangewezen is de zaak voor strafoplegging terug te wijzen. Daarover het volgende.

38. Uit de vernietiging van de strafoplegging volgt niet dat er iets mis is met de veroordeling wegens de diefstallen. Dat de strafoplegging ook ter zake van de diefstallen wordt vernietigd, is enkel het gevolg van de omstandigheid dat bij meerdaadse samenloop van misdrijven één straf wordt bepaald (art. 57 Sr). Zelf zie ik geen reden waarom Uw Raad, in een geval als het onderhavige, de straf voor de diefstallen niet op vergelijkbare wijze zou kunnen bepalen als in art. 423, vierde lid, Sv is voorgeschreven.28 Art. 440, tweede lid, Sv laat daarvoor ruimte: net als het hof in het geval van art. 423, vierde lid, Sv kan Uw Raad de straf bepalen ‘zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden’.29

39. Daarbij speelt een rol dat de achterliggende reden van de vernietiging, tijdsverloop, in het algemeen geen reden is om opnieuw een straf te bepalen. Bij grote overschrijdingen van de redelijke termijn in de cassatiefase handelt Uw Raad ‘naar bevind van zaken’.30 Uw Raad wijst in die gevallen niet terug teneinde (in het licht van mogelijk veranderde persoonlijke omstandigheden als waar de steller van het middel in de schriftuur onder ‘Toelichting belang ex art. 80a RO’ op wijst) de feitenrechter een nieuwe straf te laten bepalen. Het heeft dan iets ongerijmds als de verjaring van één van de bewezen verklaarde feiten die aan de strafoplegging ten grondslag liggen (als er iets wijzigt aan aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten als geheel) automatisch tot het bepalen van een nieuwe straf voor de overblijvende feiten moet leiden.31

40. Het effect dat de schending van de redelijke termijn op de opgelegde straf dient te hebben, is naar mijn inschatting groter dan het effect van de verjaring van de vernieling. Gebruikelijk is dat Uw Raad dat effect bepaalt, indien de schending na de berechting in hoger beroep optreedt. Uit oogpunt van rechtsgelijkheid heeft het zo bezien voordelen als Uw Raad in de onderhavige zaak de straf vermindert. Een bijkomend argument is dat het belang van een doelmatige rechtspleging waar Uw Raad in de eerder besproken arresten aan refereerde daarmee gediend is. Zelf kan ik mij voorstellen dat Uw Raad twee weken in mindering brengt wegens overschrijding van de redelijke termijn en één week voor het verjaren van de vernieling en aldus de straf bepaalt op drie weken.

41. Het eerste en tweede middel slagen, het derde middel faalt. Het derde middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

42. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

43. Deze conclusie strekt tot:

- vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13/050401-01 onder 2 bewezenverklaarde feit en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van het in de zaak met parketnummer 13/050401-01 onder 2 ten laste gelegde feit,

- het verminderen van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze drie weken beloopt, en

- verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ten tijde van de behandeling van deze zaak door het gerechtshof leverde het thans in art. 432, eerste lid onder d, Sv beschreven geval nog geen omstandigheid op ten gevolge waarvan de beroepstermijn met de einduitspraak aanving. Dat geval doet zich in de onderhavige zaak overigens ook niet voor.

2 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers & T. Kooijmans, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 887, onder verwijzing naar HR 4 april 1932, NJ 1932, p. 1203.

3 Ministeriële regeling van 2 oktober 1996, Stcrt. 1996, 197.

4 Ministeriële beschikking van 21 Juli 1922, Stcrt. 1922, 141.

5 Vgl. enerzijds HR 10 maart 1941, ECLI:NL:HR:1941:121, NJ 1941/498; HR 2 november 1948, ECLI:NL:HR:1948:88, NJ 1949/16; HR 29 maart 1977, DD 77.140 (niet opnieuw recht gedaan t.a.v. bewezenverklaring) en anderzijds HR 23 januari 1939, ECLI:NL:HR:1939:20, NJ 1939/860, m.nt. Taverne; HR 3 oktober 1939, ECLI:NL:HR:1939:206, NJ 1940/69, m.nt. Pompe; HR 16 oktober 1939, ECLI:NL:HR:1939:242, NJ 1940/129, m.nt. Pompe en HR 1 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB3374, NJ 1966/385, m.nt. Van Berckel (wel opnieuw recht gedaan t.a.v. bewezenverklaring).

6 HR 2 november 1948, ECLI:NL:HR:1948:88, NJ 1949/16.

7 HR 10 maart 1941, ECLI:NL:HR:1941:121, NJ 1941/498.

8 HR 16 mei 1938, ECLI:NL:HR:1938:244, NJ 1938/1019, m.nt. Pompe.

9 Aldus HR 10 maart 1941, ECLI:NL:HR:1941:121, NJ 1941/498.

10 Zo uitdrukkelijk HR 23 januari 1939, ECLI:NL:HR:1939:20, NJ 1939/860, m.nt. Taverne en de noot van Taverne bij dit arrest, alsmede HR 1 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB3374, NJ 1966/385, m.nt. Van Berckel.

11 H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, Alphen aan den Rijn: H.D. Tjeenk Willink 1983, p. 164.Van die laatste lezing ging A-G Langemeijer uit; die concludeerde op die grond tot vernietiging.

12 Vgl. ook HR 29 maart 1977, DD 77.140. Het beroep dat de steller van het middel doet op de conclusie van A-G Vellinga voor HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5618 leidt niet tot een ander oordeel. Vooropgesteld kan worden dat aan de hand van de publicatie van de conclusie en het arrest in deze zaak niet is vast te stellen of het bevestigde vonnis een verwijzing naar de dagvaarding inhield. Daarbij gaat de Hoge Raad niet in op de opmerking die A-G Vellinga in aanvulling op het middel over het ontbreken van de tenlastelegging maakt.

13 Vgl. ook HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 (rov. 2.4.2.), m.nt. Van Kempen.

14 Vgl. in dit verband de kritische annotatie van Van Berckel onder HR 1 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB3374, NJ 1966/385. Dat de appelrechter die opnieuw recht doet op de bewezenverklaring niet kan volstaan met overname van de verwijzing naar de dagvaarding uit het (vernietigde) vonnis achtte hij onaanvechtbaar juist, maar toonde volgens hem wel aan ‘dat ons strafprocesrecht hier een formalistische regel bevat, wiens toepassing in de praktijk tot onredelijkheid leidt.’

15 Wel is art. 350, tweede lid, Sr in de tussenliggende periode gewijzigd. De wijzigingen in dat artikellid zijn voor de onderhavige zaak zonder belang.

16 Stb. 2005, 595, inwerkingtreding per 1 januari 2006.

17 Zie HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231 en HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6357, NJ 2010/232, m.nt. Borgers.

18 Voor overtredingen is nadien nog een bijzondere regel ingevoerd door de Wet verlenging verjaring inzake overtredingen na stuiting, Stb. 2006, 310.

19 Vgl. o.a. HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:666, rov. 6.4.

20 In die zin HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191; HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1822. .

21 Vgl. het genoemde HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:666. Zie voorts HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191; HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3701; HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1822; HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:650.

22 Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een der in art. 10 van de Coördinatiewet Sociale verzekering bedoelde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd.

23 Geciteerd uit HR 3 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3638. Zie voorts o.a. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:113 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3475.

24 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3475.

25 Zie ter vergelijking nog HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3216; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2749 (18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk wordt 16 maanden en 2 weken waarvan 6 maanden voorwaardelijk); HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5158 (2 maanden waarvan 1 voorwaardelijk wordt 1 maand en 3 weken waarvan 1 maand voorwaardelijk); HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6558 (tien maanden wordt acht maanden); HR 1 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5931 (geen rechtsgevolg); HR 20 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU8904 (5 maanden wordt 4 maanden); HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4741 (geen rechtsgevolg).

26 Vgl. ook HR 31 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8320; HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8283; HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3475.

27 HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. De Hullu, rov. 3.5. Pas in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/721 m.nt. Mevis bepaalde Uw Raad dat overschrijding van de redelijke termijn ook in uitzonderlijke gevallen niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie leidt (rov. 3.5.1).

28 Daarmee bepleit ik niet dat dit de regel wordt. In tal van situaties zal het wenselijk blijven met het oog op een goede straftoemeting terug te wijzen.

29 En de inschatting in welke mate een weggevallen feit de straf heeft bepaald, ligt in het verlengde van de inschatting dat het feit niet van invloed is geweest op de opgelegde straf.

30 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.4.

31 Vanzelfsprekend kan de verdachte na het onherroepelijk worden van de veroordeling een gratieverzoek indienen (vgl. art. 2 Gratiewet).