Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:443

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-04-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
18/02341
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1489, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Verjaring. BV verstrekt geldlening zonder zekerheid te bedingen. Gedeeltelijke terugbetaling lening, waarna schuldenares failleert. Aansprakelijkstelling bestuurder van BV op grond van onbehoorlijk bestuur. Is verjaring van de vordering (tijdig) gestuit? Art. 3:317 lid 1 BW. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741 en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/02341 mr. W.L. Valk

Zitting: 19 april 2019 Conclusie inzake:

Pluvezo B.V.

tegen

1. [verweerster 1] B.V.

2. [verweerder 2]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als Pluvezo respectievelijk [verweerders]

1 Inleiding en samenvatting

1.1.

In deze zaak staat de vraag centraal of een door eiseres in cassatie gepretendeerde vordering op verweerders in cassatie uit hoofde van onbehoorlijk bestuur is verjaard, dan wel of de verjaring met een brief van 11 september 2008 is gestuit. Het hof heeft aangenomen dat die brief de verjaring niet heeft gestuit, omdat zij alleen op andere vorderingen zou zien. Wat betreft verweerster in cassatie sub 1 heeft het hof bovendien aangenomen dat de brief van 11 september 2008 niet mede tot haar was gericht.

1.2.

Mijns inziens treffen enkele klachten van het cassatiemiddel doel. Kort gezegd, heeft het hof bij de uitleg van de brief van 11 september 2008 ten onrechte geen kenbare aandacht besteed aan de inhoud van een voorafgaande e-mail van 18 april 2008 en is zonder motivering ook onbegrijpelijk dat de brief van 11 september 2008 niet mede tot verweerster in cassatie sub 1 zou zijn gericht. Bovendien heeft het hof miskend dat in het voorbehoud met betrekking tot de ene vordering besloten kan liggen een voorbehoud met betrekking tot een andere, samenhangende vordering.

2 Feiten en procesverloop

2.1.

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

2.1.1.

[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) heeft in 1981 [A] opgericht. Deze vennootschap groeide uit tot een bedrijf met op zijn hoogtepunt 180.000 legkippen.

2.1.2.

[verweerster 1] B.V. (hierna: [verweerster 1] ) is een holding waarvan [verweerder 2] (hierna: [verweerder 2] ) bestuurder was.

2.1.3.

In het voorjaar van 1995 heeft er bij het pluimveebedrijf van [betrokkene 1] een inval van de FIOD plaatsgevonden. In 1996 is [betrokkene 1] veroordeeld wegens belastingfraude.

2.1.4.

[betrokkene 1] en [verweerder 2] waren toen reeds jaren goede bekenden en deden zaken met elkaar. Om het pluimveebedrijf van [betrokkene 1] voor de toekomst veilig te stellen zijn [betrokkene 1] en [verweerder 2] in 1995 met elkaar overeengekomen dat [verweerster 1] het pluimveebedrijf van [betrokkene 1] tijdelijk zou overnemen en zo snel mogelijk (zodra de problemen van [betrokkene 1] met de belastingdienst voorbij waren) weer aan hem terug zou verkopen. [verweerster 1] heeft daarvoor in 1995 van een van de zoons van [verweerder 2] een lege vennootschap, Pluvezo, gekocht. heeft de aandelen van [A] voor ƒ 3.300.000,— overgenomen. [betrokkene 1] kwam bij in dienst als assistent-bedrijfsleider.

2.1.5.

In 1997 zijn, volgens afspraak met [betrokkene 1] , de aandelen door [verweerster 1] verkocht en geleverd aan de Belgische vennootschap Florama N.V. (toen nog Florama BVBA en hierna: Florama ) voor een koopsom van ƒ 1.125.000,—. [betrokkene 1] was enig aandeelhouder van Florama . Bestuurders waren [betrokkene 2] en de besloten vennootschappen naar Belgisch recht Mandatin (vertegenwoordigd door [betrokkene 3] , hierna: [betrokkene 3] ) en B.F.V.L. De koopsom werd opeisbaar in acht maandelijkse termijnen vanaf 1 november 2002. Tot zekerheid van de vordering die zij kreeg op Florama voor de koopsom, werd voor [verweerster 1] een pandrecht gevestigd op de aandelen . [verweerster 1] bleef aan als statutair bestuurder van en ontving daarvoor met ingang van 1 november 1997 op grond van een managementovereenkomst met een vergoeding van ƒ 50.000,— per jaar.

2.1.6.

In 2003 zijn door diverse leningen verstrekt aan [B] B.V. (hierna: [B] ) tot een bedrag van € 1.000.000,— (hierna: de lening). Daarvan is één overeenkomst van geldlening opgemaakt, gedateerd 31 december 2003, waarin onder meer is bepaald dat de looptijd van de lening in beginsel twee jaar bedraagt, dat er op jaarbasis een rente verschuldigd is over (het restant van) de hoofdsom van 5% en dat er door de geldnemer geen nadere zekerheden worden gesteld. Geldnemer [B] is een pluimveebedrijf waarvan [C] B.V. (hierna: [C] ) enig aandeelhouder is. Aandeelhouders van [C] zijn [D] B.V. en [E] B.V. Deze vennootschappen zijn elk voor de helft eigendom van de twee zonen van [verweerder 2] .

2.1.7.

Eind 2003 is het dispuut van [betrokkene 1] met de belastingdienst geëindigd met een vaststellingsovereenkomst.

2.1.8.

Met ingang van 16 februari 2004 is [betrokkene 1] (in plaats van [betrokkene 2] ) aangetreden als voorzitter van de raad van bestuur van Florama . Op 30 april 2004 is [verweerster 1] ontslag verleend als bestuurder van Florama . Sindsdien is Florama enig bestuurder van Pluvezo.

2.1.9.

De accountant van Pluvezo, [F] (hierna: [F] ), heeft bij brief van 8 juni 2004 aan Florama (ter attentie van [betrokkene 3] ) een conceptbesluit voorgelegd strekkende tot het verlenen van decharge aan [verweerster 1] wegens het door deze vennootschap als bestuurder van gedurende de gehele bestuursperiode gevoerde beleid. Volgens is dit besluit niet ondertekend.

2.1.10.

In de aandeelhoudersvergadering van van 15 februari 2005 is door Florama de jaarrekening 2003 Van Pluvezo, waarin opgenomen de lening, (ongewijzigd) vastgesteld. De winst van € 572.273,— is toegevoegd aan de algemene reserves en aan de directie van is voor het boekjaar 2003 decharge verleend. Later in dat jaar is tot een dividenduitkering van € 550.000,— aan Florama besloten.

2.1.11.

In 2006 is door [B] € 500.000,— op de lening afgelost en tot 2007 is de rente voldaan. Op 16 oktober 2007 is het faillissement van [B] uitgesproken. Er zijn in het faillissement geen uitkeringen aan gedaan. Op 28 oktober 2010 is het faillissement beëindigd. Bij per e-mail verzonden brief van [betrokkene 1] aan [verweerder 2] van 18 april 2008 heeft [betrokkene 1] [verweerder 2] – kort gezegd – gevraagd om de in 1995 en 1997 tussen hen gemaakte afspraken na te komen en om:

‘(…) mij en Pluvezo schadeloos te stellen voor de schade opgelopen door het niet terug betalen van leningen uit de [C] groep, leningen die jij namens Pluvezo zonder zekerheden en zonder toestemming van de aandeelhouders hebt uitgeleend aan de inmiddels failliete bv’s [C] en [B] , en welk nu oninbaar zijn. (...)’

2.1.12.

Een brief van [betrokkene 1] aan de advocaat van [verweerder 2] van 11 september 2008 luidt voor zover relevant:

‘(...) Verder is het een beetje een flauwe woordspeling om via een advocaat te laten melden dat [verweerder 2] in privé geen financiële verplichtingen zou hebben. De zakelijke transacties als ook de afspraken en verplichtingen, waarover wij ( [verweerder 2] en ik) over praten gaan inderdaad niet tussen [verweerder 2] in privé, maar zijn verplichtingen tussen enerzijds [verweerster 1] en mij (of aan mij gelieerde bedrijven). De formele financiële verplichtingen betreffen dus [verweerster 1] , Deze verplichtingen vloeien voort uit afspraken, die ik destijds heb gemaakt met [verweerder 2] (als directeur van [verweerster 1] ).

(...)

Helaas zijn bedragen, die [verweerster 1] , voortvloeiende uit die afspraken nog moet betalen/verrekenen door de jaren heen volledig uit de hand gelopen.

(...)

Het faillissement van de [C] groep, hoe triest ook, heeft helemaal niets te maken met de afspraken (...)

Hoewel ik mij kan voorstellen dat [verweerster 1] ook erg ongelukkig is met het faillissement van de [C] groep, is dat geen reden om de afspraken niet meer na te komen. Ik wil hier nogmaals duidelijk aangeven, dat ik hierop geen enkele wijze ook maar enige schuld aan heb. Mij is hiervan niks te verwijten en het past niet om dit aan te grijpen om de verplichtingen van [verweerster 1] naar mij om die reden niet te voldoen. Zeker niet omdat ik buiten mijn schuld om ook al slachtoffer ben van het faillissement.

(...)

Wat ik mij wel kan voorstellen, dat er met begrip voor de situatie naar een passende oplossing gezocht wordt. (...) Dat is ook de reden waarom ik nogmaals heb voorgesteld om een mediator aan te stellen, die de opdracht krijgt om in alle redelijkheid voor beide partijen te bemiddelen en om oplossing te zoeken. (...)’

2.1.13.

In 2011 heeft [F] aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van het naar haar mening onjuiste advies in 2005 om [verweerster 1] decharge te verlenen. De vordering is bij vonnis van de rechtbank Limburg van 11 september 2013 afgewezen omdat de rechtbank van oordeel was dat het dechargebesluit van 15 februari 2005 (voor zover de inhoud daarvan is op te maken uit de notulen van voornoemde aandeelhoudersvergadering) slechts zag op het opstellen van de jaarrekening 2003 en niet op het handelen van [verweerster 1] als bestuurder, in het bijzonder niet op het door deze als bestuurder aangaan van de lening.

2.1.14.

Op 11 september 2013 heeft vervolgens haar voormalig bestuurder [verweerster 1] aansprakelijk gesteld voor schade geleden als gevolg van de onverhaalbaarheid van een deel van de ongesecureerde lening.

2.2.

heeft in rechte betrokken en gevorderd dat hoofdelijk worden veroordeeld om aan te betalen een bedrag van € 500.000,— in hoofdsom en (primair) € 455.021,33 aan wettelijke handelsrente dan wel (subsidiair) € 221.861,79 aan contractueel overeengekomen rente. Daaraan heeft ten grondslag gelegd dat [verweerster 1] (en [verweerder 2] ex art. 2:11 BW) als bestuurder in strijd met de op grond van art. 2:9 lid 1 BW op haar rustende verplichtingen heeft gehandeld, doordat namens leningen zijn aangegaan zonder dat ter zekerheid van terugbetaling van die leningen zekerheden zijn bedongen. Daarnaast heeft haar vorderingen gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming van [verweerster 1] in de nakoming van de tussen en [verweerster 1] gesloten managementovereenkomst, en de tussen en [verweerster 1] gesloten overeenkomst van opdracht. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij hebben onder meer een beroep gedaan op verjaring van de vordering van .

2.3.

De rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft bij vonnis van 13 mei 2015 de vorderingen van afgewezen op de grond dat de vordering van zou zijn verjaard.

2.4.

Bij arrest van 27 februari 2018 heeft het hof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

2.5.

Bij procesinleiding van 28 mei 2018 heeft tijdig2 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2018. hebben verweer gevoerd. [verweerders] hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. Pluvezo heeft afgezien van de mogelijkheid om haar standpunten schriftelijk te doen toelichten. Namens Pluvezo is gerepliceerd.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.

Het middel bestaat uit vijf onderdelen, die zich alle richten tegen rechtsoverwegingen 6.10 en 6.11 van het arrest van 27 februari 2018. Ik citeer die overwegingen:

‘6.10. Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof het volgende voorop. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). Volgens vaste jurisprudentie op dit onderwerp moet daarbij aan de mededeling de eis worden gesteld dat de wederpartij daaruit had behoren te begrijpen dat eiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt. Voor een voldoende duidelijke waarschuwing is noodzakelijk dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld. Daartoe is in elk geval vereist dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren.

6.11.

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat de brief van 11 september 2008 niet voldoet als een dergelijke stuitingshandeling. De brief maakt geen gewag van enige rechtsvordering uit onbehoorlijk bestuur, noch van het in 2003 verstrekken van een ongesecureerde lening aan [B] . Ook na herhaalde lezing is in die brief of in de overige correspondentie tussen 18 april 2008 en 12 januari 2009, waarnaar Pluvezo verwijst, niet iets te vinden waaruit [verweerder 2] (laat staan [verweerster 1] , waaraan de correspondentie niet is gericht) had moeten begrijpen dat [betrokkene 1] een vordering uit onbehoorlijk bestuur op hem pretendeerde te hebben en uit dien hoofde aanspraak maakte op schadevergoeding, laat staan dat [betrokkene 1] zich ondubbelzinnig zijn recht op een dergelijke vordering voorbehield. Alle brieven van [betrokkene 1] hebben betrekking op nakoming van financiële afspraken/bedragen te betalen/verrekenen voortvloeiend uit afspraken tussen [verweerder 2] en [betrokkene 1] gemaakt bij het aangaan van de samenwerking in 1995 en toezeggingen tot nakoming van die afspraken door [verweerder 2] nadien gedaan. Nu door Pluvezo geen andere omstandigheden van het geval zijn aangevoerd aan welke mede betekenis zou kunnen toekomen bij de vraag of de brief van 11 september 2008 moet worden aangemerkt als een stuitingshandeling, komt ook het hof tot de conclusie dat er niet tijdig is gestuit en dat het beroep op verjaring slaagt.’

3.2.

Mijns inziens slagen diverse klachten van het middel. Voordat ik die klachten bespreek eerst iets over het juridisch kader.

3.3.

Art. 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis onder meer kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vaste rechtspraak is dat deze schriftelijke mededeling een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar moet inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.3 Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet – hetgeen neerkomt op uitleg van die mededeling aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW – dient niet alleen te worden gelet op de formulering van de mededeling, maar ook op de context waarin zij is gedaan en op de overige omstandigheden van het geval.4 Tot die context en overige omstandigheden behoort vanzelfsprekend ook de inhoud van overige correspondentie tussen partijen.5 Dit betreft niet uitsluitend correspondentie voorafgaand aan de schriftelijke mededeling die ter beoordeling staat, maar ook correspondentie die op die schriftelijke mededeling volgt.6 Die aan de (mogelijke) stuitingshandeling anterieure correspondentie lijkt mij met name van belang te kunnen zijn voor zover daaruit blijkt hoe de schriftelijke mededeling door de wederpartij is opgevat.7

3.4.

De bij de uitleg van de (mogelijke) sluitingshandeling in aanmerking te nemen context moet dus alleszins ruim worden genomen. Dat is in overeenstemming met wat in het algemeen bij de uitleg van rechtshandelingen geldt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de bekende Haviltexmaatstaf.8 Noch de in art. 3:317 lid 1 BW voorgeschreven schriftelijke vorm, noch het vereiste van ondubbelzinnigheid leidt tot iets anders. Het vereiste van een schriftelijke vorm verhindert dat louter mondelinge of impliciete verklaringen tot stuiting leiden. Is echter een schriftelijke mededeling voorhanden, dan komt bij de uitleg van die mededeling de context waarin zij is gedaan ten volle in aanmerking. Het vereiste van ondubbelzinnigheid betekent mijns inziens dat bij gerede twijfel over wat de wederpartij redelijkerwijs kon begrijpen, die wederpartij het voordeel van de twijfel geniet. Dat is iets wat, als ik me zo mag uitdrukken, aan het einde van de beoordeling staat – de rechter mag niet reeds bij de daaraan voorafgaande beoordeling van wat de wederpartij inderdaad redelijkerwijs behoorde te begrijpen, zich geheel of gedeeltelijk afsluiten van de context die aan de schriftelijke mededeling mede haar betekenis geeft.

3.5.

In het bijzonder in het geval aan een partij meer dan één vordering toekomt, rijst de vraag welke eisen behoren te worden gesteld aan de duiding van de identiteit van de vordering of vorderingen waarop de schriftelijke mededeling houdende stuiting ziet. Een arrest van uw Raad van 8 oktober 2010 zegt het zo dat voor een voldoende duidelijke waarschuwing noodzakelijk is dat voor de schuldenaar kenbaar is welke vordering is bedoeld, en dat daartoe in elk geval vereist is dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren.9 Ook de kwestie van de identiteit van de vordering staat aldus in de sleutel van de wilsvertrouwensleer en daarvoor geldt daarom ook wat hiervoor is gezegd over de bij de uitleg van de schriftelijke verklaring in aanmerking te nemen context.

3.6.

Het hof heeft in zijn vooropstelling van de aan te leggen maatstaf in rechtsoverweging 6.10 zich aangesloten bij de formulering van het zojuist genoemde arrest van uw Raad van 28 oktober 2010. Tegen enkel die vooropstelling richt het middel geen rechtsklacht10 en dat lijkt mij terecht. Van die vooropstelling kan slechts worden gezegd dat ze niet volledig is, omdat wat hiervoor onder 3.3 en 3.4 over de in aanmerking te nemen context is gezegd, er niet in tot uitdrukking komt. Tot een aan zijn eigenlijke beoordeling voorafgaande omschrijving van de aan te leggen maatstaf was het hof echter niet gehouden en dus ook niet tot enige volledigheid in die omschrijving. Waar het op aankomt is of wat het hof heeft overwogen en beslist met die maatstaf in overeenstemming is, althans daarmee niet in strijd is, en of zijn overwegingen en beslissingen in het licht van de juiste maatstaf voldoende begrijpelijk zijn.

3.7.

Ik kom nu tot een bespreking van de klachten van het cassatiemiddel.

3.8.

Onderdeel 1 bevat twee motiveringsklachten. Volgens de eerste klacht, het onderdeel onder A, is het oordeel van het hof dat het beroep op verjaring slaagt niet toereikend gemotiveerd omdat het hof in zijn bespreking van de context waarin de brief van 11 september 2008 en de overige correspondentie moeten worden uitgelegd niet ook de e-mail van van 18 april 2008 heeft betrokken, ondanks het beroep dat Pluvezo op die e-mail mede had gedaan.11

3.9.

Mijns inziens slaagt deze klacht.

3.10.

Wat betreft de context die het hof bij de uitleg van de brief van 11 september 2008 in aanmerking heeft genomen, verwijst het hof naar ‘correspondentie tussen 18 april 2008 en 12 januari 2009’. Deze formulering (let op het gebruik van het woordje ‘tussen’ in plaats van bijvoorbeeld ‘vanaf’) impliceert dat het hof de e-mail van 18 april 2008 inderdaad buiten beschouwing heeft gelaten, hoewel op de in het onderdeel vermelde plaatsen voor de uitleg van de brief van 11 september 2008 door Pluvezo mede op de inhoud van die e-mail een beroep was gedaan.

3.11.

Dat klemt temeer voor wie de correspondentie vanaf 18 april 2008 tot en met 11 september 2008 – hiervoor onder 2.1.11 en 2.1.12, in navolging van het hof, door mij verkort weergegeven – meer volledig tot zich neemt. In de e-mail van 18 april 2008 is door [betrokkene 1] niet slechts in een enkel zinnetje (het zinnetje hiervoor onder 2.1.11 geciteerd) om schadeloosstelling gevraagd voor de schade door het niet terugbetalen van leningen die zonder zekerheden en zonder toestemming van de aandeelhouders zijn verstrekt en inmiddels oninbaar gebleken. Nee, het verwijt waarop die gepretendeerde vordering volgens [betrokkene 1] berustte, was in een passage die aan dat zinnetje voorafging ook met veel nadruk uitgewerkt. Ik citeer het vorige blad van de print van de e-mail die als productie 8 bij inleidende dagvaarding is overgelegd:

‘Wat er (…) gebeurd is hoef ik niet uit te leggen. Het is inderdaad daarna kompleet uit de hand gelopen, in plaats van zaken af te wikkelen en op zin minst een begin te maken met terugbetalen, heb je daarna bewust toegestaan dat [betrokkene 2] in latere jaren emailtjes ging sturen naar kantoor om steeds regelmatiger grote bedragen van de rekening van Pluvezo BV over te laten boeken naar rekeningen van [verweerder 2] bedrijven alsof het zijn eigen rekening betrof, zogenaamd tijdelijk en daar werden dan later als het geld niet terugkwam leenovereenkomsten voor gemaakt zonder medeweten en toestemming (vooraf of achteraf) van de aandeelhouder, dat dit gebeurde zonder enige zekerheid te stellen naar Pluvezo BV was op geen enkele manier zakelijk en had nooit maar dan ook nooit mogen gebeuren.

Daar dit ook nog eens over zeer grote bedragen ging, bedragen die geen enkele bank of wie dan ook zonder degelijke hypothecaire zekerheden zou uitlenen, zelfs niet aan de meest solvabele bedrijven maakt dat de toenmalige directie hier schuldig is aan grove nalatigheid jegens Pluvezo en derhalve verantwoordelijk is voor de uiteindelijke schade die hieruit is voortgevloeid.

Dat dit ook nog eens gebeurde aan [verweerder 2] bedrijven, die op dat moment grote financiele problemen hadden en geen normale bankfinanciering konden krijgen, (waarvan de toenmalige directie van Pluvezo gezien de familiaire verhoudingen uiteraard voor 100% op de hoogte was) en dan met die wetenschap zulke bedragen onttrekken aan Pluvezo BV, nogmaals zonder enige zekerheid te verstrekken, zonder toestemming vooraf of zelfs achteraf is eigenlijk gewoon diefstal.

Dit is een groot woord maar gezien hoe een en ander gelopen is, is het niet anders te noemen.’

3.12.

Op de uitvoerige e-mail van 18 april 2008 is eerst door [verweerder 2] en vervolgens door diens advocaat uitgesproken kort gereageerd. Voor een volledig beeld zal ik ook die reacties citeren. Eerst de e-mail van [verweerder 2] van 2 mei 2008:12

‘Ik heb jouw brief in goede orde ontvangen.

Met de inhoud ben ik het volledig oneens.

Na lezing ben ik mogelijk nog zwaarder teleurgesteld in jou dan jij in mij.

Uit jouw brief maak ik op dat je volledig voorbij gaat aan de vooral morele en emotionele steun die jij in moeilijke tijden van mij gehad hebt.

Verrassend is de inhoud niet voor mij, daar ik deze al via diverse contacten heb vernomen.

Verder wens ik je in de toekomst, die in belangrijke mate door mij mogelijk is gemaakt, oprecht het allerbeste.’

3.13.

Aldus is [verweerder 2] niet op de inhoud van de verwijten die hem in de e-mail van 18 april 2008 waren gemaakt ingegaan en evenmin op de in die e-mail gepretendeerde vorderingen. Ook de reactie van de advocaat van [verweerder 2] bij brief van 26 juni 200813 is uitgesproken kort. Inhoudelijk wordt slechts één kwestie aangeroerd, namelijk de vraag of [betrokkene 1] dan wel Pluvezo een vordering op [verweerder 2] in privé zouden kunnen laten gelden. Ik citeer:

‘Mijn cliënt heeft mij in kennis gesteld van de recente correspondentie met u. Mijn cliënt ontkent met klem dat hij in privé jegens u financiële verplichtingen zou hebben. Anders dan u blijkens uw brieven van 18 [april] en 14 mei jl.14 veronderstelt, is mijn cliënt niet gehouden om aan te tonen dat hij u niets verschuldigd is, maar ligt het juist op uw weg om te bewijzen dat u een vordering op mijn cliënt in privé hebt.’

3.14.

De brief van 11 september 2008 die in dit geding centraal staat, is een reactie op deze brief van de advocaat van [verweerder 2] . De inhoud van de brief van 11 september 2008 is met de citaten hiervoor onder 2.1.12 voldoende weergegeven.

3.15.

Het zal duidelijk zijn dat sprake is van één doorgaande lijn in de correspondentie en dat voor een goed begrip van de brief van 11 september 2008 de inhoud van de e-mail van 18 april 2008 niet slechts in theorie, maar ook daadwerkelijk betekenis heeft. Pluvezo heeft bij de klacht dus bepaald belang.

3.16.

Ten overvloede nog: mijns inziens zijn er meer aanknopingspunten voor een beslissing in andere zin dan die van het hof dan alleen de doorgaande lijn in de correspondentie vanaf de e-mail van 18 april 2008 (of eventueel eerder). Ik duidde al aan dat voorafgaande aan de brief van 11 september 2008 van een inhoudelijke reactie van de zijde van [verweerder 2] en diens advocaat niet of nauwelijks sprake is geweest. Dat pleit uiteraard niet voor een uitleg volgens welke de brief van 11 september 2008 uitsluitend zag op contractuele aanspraken en niet ook op de in de e-mail van 18 april 2008 zo duidelijk verwoorde aanspraak uit hoofde van onbehoorlijk bestuur. Ook verwijst [betrokkene 1] in zijn brief niet naar ‘afspraken [met] en verplichtingen [van]’ [verweerster 1] zonder meer, maar met de toevoeging ‘waar… wij ( [verweerder 2] en ik) over praten’, wat mijns inziens kan worden opgevat als mede een verwijzing naar de tussen [betrokkene 1] en [verweerder 2] gevoerde correspondentie, met inbegrip van de e-mail van 18 april 2008. Verder frappeert mij de overeenstemming tussen de woordkeuze in de zinsnede uit de brief van 11 september 2008: ‘Helaas zijn de bedragen, die [verweerster 1] , voortvloeiende uit afspraken nog moet betalen/verrekenen door de jaren heen volledig uit de hand gelopen…’ (brief van 11 september 2008), en het begin van de passage uit de e-mail van 18 april 2008 zoals hiervoor onder 3.11 geciteerd: ‘Het is (...) daarna kompleet uit de hand gelopen…’. Laatstbedoelde passage ziet onmiskenbaar op de beweerde vordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur. Weliswaar wordt in de eerstbedoelde passage gesproken over bedragen die moeten worden betaald of verrekend ‘voortvloeiende uit afspraken’, maar het valt mijns inziens te betwijfelen of dat bepalend kan zijn. De geldleningen hebben plaatsgevonden met vermogen dat, kort gezegd, door [betrokkene 1] bij [verweerster 1] was gestald en waarover tussen [betrokkene 1] en [verweerder 2] afspraken waren gemaakt. Het komt mij daarom weinig overtuigend voor dat het door het hof gemaakte (juridische) onderscheid tussen aanspraken uit hoofde van enerzijds de omtrent het gestalde vermogen gemaakte afspraken en anderzijds onbehoorlijk bestuur van de vennootschap waar dat vermogen werd gestald, beslissend zou zijn voor wat [verweerster 1] en [verweerder 2] wel of niet redelijkerwijs als de bedoeling van (de agrarische ondernemer) [betrokkene 1] dienden te begrijpen.

3.17.

Hoe dan ook, voor het slagen van de klacht van onderdeel 1 onder A volstaat dat het hof de e-mail van 18 april 2008 niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Dat maakt dat het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is.

3.18.

Een mogelijk misverstand behoort nog te worden benoemd. Tussen partijen staat vast dat de e-mail van 18 april 2008 zelf de verjaring heeft gestuit.15 Dat betekent niet dat de periode tot en met 18 april 2008 als afgesloten mag worden beschouwd, in die zin dat zij bij de beantwoording van de vraag of op een later moment opnieuw stuiting heeft plaatsgevonden, buiten beschouwing zou moeten blijven. Een verklaring kan uiteraard tegelijk zelfstandige betekenis hebben én in aanmerking komen als behorende tot de context waarin een erop volgende verklaring is afgelegd.

3.19.

Na het voorgaande is het niet nodig om over de overige klachten van het cassatiemiddel nog uitvoerig te zijn. Ik zal die klachten summier bespreken.

3.20.

De tweede klacht van onderdeel 1 (onder B) veronderstelt dat het hof de e-mail van 18 april 2008 wél in zijn oordeel heeft betrokken, en klaagt voor dat geval dat niet begrijpelijk is dat ook deze e-mail niets zou inhouden waaruit moesten begrijpen dat [betrokkene 1] een vordering uit onbehoorlijk bestuur op hen pretendeerde, nu tussen partijen niet in geschil is dat de e-mail van 18 april 2008 als stuitingshandeling kan worden aangemerkt. Mijns inziens bestaat geen aanleiding voor de veronderstelling dat het hof de e-mail van 18 april 2008 wél in zijn oordeel heeft betrokken. De klacht is door de cassatieadvocaten van Pluvezo kennelijk zekerheidshalve opgeworpen.

3.21.

Onderdeel 2 somt zeven stellingen op die het hof ten onrechte niet kenbaar in zijn oordeel zou hebben betrokken. Als ik het goed zie is het manco van veel van deze stellingen dat zij zien op terugbetaling van de leningen en niet op onbehoorlijk bestuur. Zonder dat verband wordt gelegd tussen de leningen en de gepretendeerde vordering uit onbehoorlijk bestuur (zoals onderdeel 3 onder B wel probeert te doen, maar onderdeel 2 in ieder geval niet), zijn deze stellingen niet als essentieel aan te merken. Dat is anders met de stellingen die in de klacht worden aangeduid onder de letters a (weigering van decharge) en c (aandringen op schadeloosstelling voor de geldonttrekking). Verdedigbaar is dat in zoverre ook onderdeel 2 doel treft.

3.22.

Onderdeel 3 behelst twee klachten.

3.23.

Onder A klaagt het onderdeel over een onjuiste rechtsopvatting van het hof. Ik begrijp de klacht zo dat het hof voor een geldige stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW verlangd zou hebben dat de vordering zélf in de schriftelijke mededeling moet zijn omschreven, en daarmee zou hebben miskend dat ook uit een omschrijving van een bepaalde vordering voldoende begrijpelijk kan volgen dat ook een andere vordering is bedoeld. Hierbij beroept het onderdeel zich op conclusie van collega Hartlief, die schrijft:16

‘Bij de uitleg [van de schriftelijke mededeling] kan ook de samenhang van de betrokken vordering met een of meer andere vorderingen van belang zijn. Niet uitgesloten is dat een stuitingsbrief waarin slechts één bepaalde vordering uitdrukkelijk wordt genoemd ook de verjaring van een andere vordering stuit. Dit zal in het bijzonder het geval kunnen zijn als deze andere vordering (ook voor de schuldenaar) voldoende verband houdt met de wel uitdrukkelijk genoemde vordering.’

3.24.

Mijns inziens is de rechtsopvatting waarvan de klacht en Hartlief uitgaan zonder meer juist. Een vordering kan in juridische of in feitelijke zin zozeer samenhangen met een andere vordering, dat onder het ondubbelzinnige voorbehoud met betrekking tot die andere vordering de eerstbedoelde vordering mede moet worden begrepen. De maatstaf is ook in dit verband de wilsvertrouwensleer, dus wat redelijkerwijs voor de wederpartij duidelijk behoorde te zijn.

3.25.

Het is een kwestie van smaak of men een rechtsopvatting in andere zin in het arrest van het hof wenst in te lezen, want uitdrukkelijk blijkt daarvan niet. In verband met de hiervoor onder 3.16 benoemde samenhang tussen aanspraken uit hoofde van enerzijds de omtrent het gestalde vermogen gemaakte afspraken en anderzijds onbehoorlijk bestuur van de vennootschap waar dat vermogen werd gestald, ben ik geneigd om met de stellers van het middel het arrest van het hof inderdaad zo te lezen dat het hof heeft miskend dat uit de omschrijving in de schriftelijke mededeling van een bepaalde vordering kan volgen dat ook een ándere vordering is bedoeld, vanwege de onderlinge samenhang tussen beide vorderingen.

3.26.

De motiveringsklacht van onderdeel 3 onder B acht ik minder sterk omdat deze klacht alleen een verband lijkt te leggen tussen de vordering uit hoofde van onbehoorlijk bestuur en de vordering tot terugbetaling van de lening. Laatstbedoelde vordering is een vordering op [C] en niet op [verweerster 1] , tot wie de brief van 11 september 2008 zich richtte. Mijns inziens heeft het hof de vordering tot terugbetaling van de lening ook niet begrepen onder de vordering tot ‘nakoming van financiële afspraken/bedragen te betalen/verrekenen voortvloeiend uit afspraken tussen [verweerder 2] en [betrokkene 1] gemaakt bij het aangaan van de samenwerking in 1995 en toezeggingen tot nakoming van die afspraken door [verweerder 2] nadien gedaan’ waarop volgens het hof de brief van 11 september 2008 uitsluitend ziet.

3.27.

Onderdeel 4 klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rechtsoverweging 6.11 (derde volzin, tussen haakjes) dat [verweerster 1] uit de correspondentie tussen 18 april 2008 en 12 januari 2009 niet behoefde te begrijpen dat , kort gezegd, een vordering uit onbehoorlijk bestuur op haar pretendeerde te hebben, omdat deze correspondentie niet aan [verweerster 1] maar aan [verweerder 2] was gericht. Wat betreft de vordering tegen [verweerster 1] draagt dit oordeel als een tweede pijler de beslissing van het hof.

3.28.

De klacht is terecht voorgesteld. heeft bij memorie van grieven onder 167 uitdrukkelijk aangevoerd dat de correspondentie tevens aan [verweerster 1] was gericht en dat dit ook zo is begrepen. Het hof is hieraan zonder enige motivering voorbijgegaan, wat zijn oordeel onbegrijpelijk maakt. Ik merk nog op dat het citaat dat het hof van de brief van 11 september 2008 heeft opgenomen (hetzelfde citaat als hiervoor onder 2.1.12) nota bene begint met de opmerking van [betrokkene 1] dat hij wat betreft ‘de formele financiële verplichtingen’ [verweerster 1] op het oog heeft.

3.29.

Onderdeel 5 klaagt dat als het hof zijn oordeel over de verjaring impliciet mede erop heeft gebaseerd dat niet blijkt dat de correspondentie tussen 18 april 2008 en 12 januari 2009 van afkomstig was, dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd.

3.30.

Ik ben geneigd om te denken dat in de aanduiding door het hof in rechtsoverweging 6.11 van onder meer de brief van 11 september 2008 als een brief ‘van [betrokkene 1] ’, niet mag worden gelezen dat het hof hieraan consequenties heeft verbonden. Daarvan uitgaande mist de klacht feitelijke grondslag. Bij een andere uitleg van het arrest van het hof treft de klacht intussen wél doel. Gelet op de inhoud van de door de klacht aangeduide plaatsen in onder meer de memorie van grieven17 behoefde een oordeel volgens welke [betrokkene 1] niet (mede) namens Pluvezo heeft gehandeld, nadere motivering.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vergelijk het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 27 februari 2018 onder 6.1.

2 De in de wet gestelde termijn van art. 402 lid 1 Rv eindigde op zondag 27 mei 2018, zodat de termijn op grond van art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet is verlengd tot en met maandag 28 mei 2018.

3 Vaste rechtspraak, zie o.a. HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2274, NJ 1997/244 (Van der Weide/Maneba); HR 1 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8718, NJ 2001/46 ( [.../...] ) HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6020, NJ 2004/603 (Crans/Bush HMA); HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418, NJ 2006/642 ( […] /De Noordhollandsche van 1816); HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1494, NJ 2008/373 (T./Trio Bedrijven); HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741, NJ 2015/382 (ISG/RBS) en HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:108, NJ 2018/461.

4 HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502, NJ 2009/439 ( […] /Fortis) en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112, NJ 2016/291 (Gemeente Hengelo/ […] ).

5 HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063, NJ 2011/503 ( […] /TMF).

6 HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741, NJ 2015/382 (ISG/RBS).

7 W.L. Valk, in: H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, Preadvies VBR, Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, p. 27-28.

8 Die ook wat betreft eenzijdig gerichte rechtshandeling kan worden beschouwd als een alternatieve formulering van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Vergelijk C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 430 en W.L. Valk, in: H.N. Schelhaas & W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, Preadvies VBR, Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, p. 18.

9 HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615, NJ 2010/545 ( […] e.a./Chipshol en Forward).

10 Onderdeel 3 doet dat wel tegen de wijze waarop het hof aan de vooropgestelde maatstaf in rechtsoverweging 6.11 toepassing geeft.

11 De klacht verwijst naar de memorie van grieven onder 148-178 en in het bijzonder onder 175-177.

12 Productie 9 bij inleidende dagvaarding.

13 Productie 10 bij inleidende dagvaarding.

14 De e-mail van [betrokkene 1] van 14 mei 2008 aan [verweerder 2] is overgelegd als bijlage 31 bij de memorie van grieven. Op het tweede blad van die productie, vierde alinea, verwijst [betrokkene 1] naar het ‘veelvuldig gebruik’ door aan [verweerders] gelieerde bedrijven (‘jullie bedrijven’) ‘van de financiele ruimte van Pluvezo zoals bekend’, mijns inziens een onverholen verwijzing naar het verwijt van onbehoorlijk bestuur van [verweerder 2] door zonder toestemming en zonder enige zekerheid geld uit te lenen aan [C] , waarvan de zonen van [verweerder 2] indirect aandeelhouder zijn (hiervoor onder 2.1.6).

15 Vonnis van de rechtbank onder 4.5.

16 Conclusie A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2017:1322) voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3255, RvdW 2018/83, onder 3.4.

17 Zie voetnoten 30, 31 en 32 van de procesinleiding in cassatie.