Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:436

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-02-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
17/01957
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:668
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Militaire zaak. Gewoontewitwassen, art. 420bis jo. 420ter Sr. Bewezenverklaring witwassen gebaseerd op kasopstelling. HR herhaalt overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:2352 t.a.v. het bewijs van de afkomst uit misdrijf van voorwerpen. Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof – na bespreking van de betwisting door verdachte van een aantal contante uitgaven – geoordeeld dat de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling, waaruit een groot verschil van ongeveer € 55.000 blijkt tussen enerzijds de vastgestelde legale contante inkomsten en anderzijds de feitelijke contante uitgaven, het vermoeden van witwassen rechtvaardigt en dat onder die omstandigheden van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring geeft dat genoemd verschil tussen legale inkomsten en feitelijke uitgaven niet van misdrijf afkomstig is. Vervolgens heeft het Hof n.a.v. hetgeen door verdachte is aangevoerd, te weten dat hij aan het begin van de in de kasopstelling in aanmerking genomen periode een groot bedrag aan contant spaargeld had, geoordeeld dat hieromtrent "geen begin van aannemelijkheid" bestaat. Die oordelen zijn onjuist noch onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2015:1793.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01957 M

Zitting: 19 februari 2019

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Na terugwijzing van de zaak door Uw Raad1 is de verdachte bij arrest van 9 maart 2017 door de militaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel keert zich tegen de bewezenverklaring. Het oordeel van het hof dat het gelet op de uitkomst van de kasopstelling niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen en goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf, zou niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van witwassen. Daardoor zou de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

‘hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2011, in Nederland, voorwerpen, te weten, personenauto's en/of sieraden en/of geldbedragen en/of wapens en/of honden en/of andere op waarde te waarderen roerende goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, van het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt.’

5. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

‘Verdachte wordt, kort gezegd, verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan gewoonte-witwassen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat dit het geval is. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een specifiek strafbaar feit dat heeft geleid tot het tenlastegelegde gewoonte-witwassen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet onomstotelijk blijkt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van hennep en dat dit voorhanden hebben heeft geleid tot witgewassen gelden en voorwerpen.

Toch kan het niet anders zijn dan dat de hierna in de bewezenverklaring te noemen gelden en voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn.

Het hof baseert dit oordeel op de door de politie gemaakte kasopstelling, waaruit blijkt dat de verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2011 veel meer contante uitgaven heeft gedaan dan hij aan legale inkomsten heeft ontvangen.

De kasopstelling houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Beginsaldo contant geld: € 50,00

Legale contante ontvangsten (inclusief bankopnamen): € 62.729,37

Eindsaldo contante ontvangsten: € 2.433,78

Beschikbaar voor het doen van uitgaven: € 60.345,59

Feitelijke contante uitgaven (inclusief bankstortingen): € 135.038,92

Verschil € 74.693,33

Allereerst dient te worden vastgesteld of het in de kasopstelling genoemde verschil in contante ontvangsten en contante uitgaven juist is. De verdachte heeft - in eerste aanleg dan wel in hoger beroep - de juistheid van een aantal -contante- uitgaven betwist.

Het hof overweegt daarover als volgt.

Personenauto’s

Verdachte heeft op 7 september 2010 in Groningen een BMW 320d met kenteken [kenteken 1] gekocht voor een bedrag van € 22.500,--. Na inruil van een Volvo personenauto is voor de BMW een bedrag van € 16.500,-- in rekening gebracht. De factuur met betrekking tot die aankoop is geadresseerd aan verdachte. Op de koopovereenkomst staat verdachte als koper vermeld en verdachte heeft de overeenkomst ondertekend. De stiefvader van verdachte, [de stiefvader] , heeft verklaard dat verdachte de auto heeft opgehaald.

Dat de BMW door de stiefvader van verdachte is gekocht door overmaking van € 6.500, inruil van de Volvo en betaling van een contant bedrag van € 10.000,--, acht het hof niet aannemelijk, gelet op hetgeen uit het dossier is gebleken met betrekking tot de financiële omstandigheden van de stiefvader van verdachte.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte een BMW heeft en de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte in een BMW reed. De vader van verdachte heeft verklaard dat verdachte twee auto’s heeft, te weten een BMW en een Ford Ka.

Op 3 oktober 2011 stond op naam van verdachte een Ford Ka 1.31 met kenteken [kenteken 2] geregistreerd. Volgens de verkoper, [verkoper] , heeft een jongedame samen met haar moeder en haar vriend een proefrit in de Ford Ka gemaakt. Deze auto is gekocht voor een bedrag van € 2.550,-- en voldaan met biljetten van 50 euro. De jonge man was een atletisch, beetje patserig persoon die in een opzichtige auto reed met lichtmetalen velgen, een BMW 320, kleur zwart.

De militaire kamer is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat zowel de BMW als de Ford Ka door verdachte zijn gekocht en betaald en aan hem in feitelijke eigendom toebehoorden.

Mercedes

Het hof acht met de rechtbank in de ontnemingszaak niet zonder meer onaannemelijk de stelling van verdachte dat de in het dossier genoemde Mercedes van de vader van verdachte was, zodat een bedrag van € 12.000 in mindering dient te worden gebracht op het hiervoor genoemde in de kasopstelling opgenomen verschil van € 74.693,33.

Sieraden

Tijdens de huiszoeking in de woning van verdachte is een tweetal horloges aangetroffen. Het betrof een herenhorloge van het merk EP Pequinet en een dameshorloge van het merk Movado. Gebleken is dat de horloges zijn gekocht door verdachte voor respectievelijk € 2.658,-- en € 1.900,--. Deze bedragen zijn door verdachte contant voldaan.

Tevens is uit inbeslaggenomen bonnen gebleken dat door verdachte op 12 januari 2010, op 23 februari 2010 en 15 oktober 2010 een totaalbedrag van € 6.695,--is betaald voor de aankoop van twee Breitling horloges.

Geldbedragen

In de woning van verdachte werd tijdens de doorzoeking op verschillende plekken contant geld aangetroffen tot een bedrag van in totaal € 2.433,78.

Wapens

Tijdens de doorzoeking van de woning op 6 december 2011 zijn twee vuurwapens aangetroffen. Het betrof een Luger 9 mm Tangfolio 9x19 mm, door verdachte op 8 november 2011 gekocht voor een bedrag van € 1.550,-- bij [A] , en een Smith & Wesson, kaliber .357, door verdachte op 14 december 2010 voor een bedrag van € 900,-- gekocht bij [B] .

Honden

Verdachte heeft erkend een hond te hebben gekocht in de Verenigde Staten. In het dossier bevindt zich een contract waaruit blijkt dat deze hond is gekocht voor een bedrag van $ 10.000 (omgerekend € 7.692,20). Het hof is van oordeel dat verdachte dit bedrag heeft betaald. In het dossier ligt weliswaar een brief (overeenkomst) van de stiefbroer van verdachte dat hij verdachte een bedrag van $ 10.000 heeft geleend voor de aanschaf van de honden, maar het hof is niet overtuigd door de brief. Er blijkt namelijk niet dat deze dateert van voor de aankoop van de honden. Het hof acht het bovendien onbegrijpelijk dat de stiefbroer van verdachte de gehele aankoopsom aan verdachte leent, en slechts deelt in de opbrengst uit het fokken met die honden. Er is niets geregeld over de terugbetaling van de vermeende lening. Het hof betrekt in zijn overweging ook nog dat verdachte in het vooronderzoek lange tijd heeft gezwegen over de wijze waarop hij de aanschaf van de hond heeft bekostigd.

Vakanties

In de tenlastegelegde periode is verdachte meermalen met vakantie geweest. Verdachte heeft gesteld dat deze vakanties schenkingen betroffen van ouders/stiefouders. Eén vakantie zou zijn betaald met geleend geld. Het hof gaat er vanuit dat verdachte de in de kasopstelling meegenomen vakanties heeft betaald, omdat op grond van de verklaringen in het dossier niet aannemelijk is dat deze door anderen betaald zijn. Over de vakanties is in het dossier wisselend verklaard. Zo is er door stiefvader [de stiefvader] wel verklaard dat hij meerdere vakanties heeft betaald als schenking, maar er is niet eensluidend verklaard over de data en de bestemming van die vakanties. De verklaring van [de stiefvader] acht het hof bovendien niet aannemelijk gelet op diens verklaring dat hij maar een bedrag van € 10.000 aan spaargeld had. Daarbij komt dat de vakanties op ongebruikelijke wijze zijn betaald, via rekeningen van meerdere andere personen.

[plaats] , trouwerij

Volgens verdachte heeft de trouwerij “zich terugbetaald”, omdat vrijwel alle gasten “mee hebben betaald” via giften. Het hof acht dit, met de rechtbank in de ontnemingszaak, niet zonder meer onaannemelijk, zodat een bedrag van € 4401,35 op het hiervoor genoemde in de kasopstelling opgenomen verschil van € 74.693,33 in mindering dient te worden gebracht.

Kinderkleding

Het hof acht met de rechtbank in de ontnemingszaak de stelling van verdachte dat een bedrag van € 3.109,82 aan kinderkleding afkomstig is van schenkingen van derden niet onaannemelijk, zodat deze post in mindering dient te worden gebracht op het hiervoor genoemde in de kasopstelling opgenomen verschil van € 74.693,33

Het hof stelt vast dat de juistheid van de overige in de kasopstelling opgenomen posten/contante uitgaven niet door verdachte is betwist. Ook het hof gaat daarom uit van de juistheid daarvan.

Op grond van het bovenstaande stelt het hof vast dat daadwerkelijk sprake is van een groot verschil in de vastgestelde legale contante inkomsten en uitgaven, namelijk een bedrag van ongeveer € 55.000.

Naar het oordeel van het hof is daardoor, op grond van het bovenstaande, sprake van een vermoeden van witwassen.

Van verdachte mag bij een dergelijk vermoeden worden verwacht dat hij een concrete, min of meer te verifiëren en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen die hebben geleid tot dit verschil.

Verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat het verschil wel degelijk afkomstig is van een legale contante inkomstenbron. Hij heeft verklaard dat het in de kasopstelling opgenomen beginsaldo aan contant geld van € 50,00 onjuist is. Volgens hem beschikte hij over een groot bedrag aan contant spaargeld. Hij had in de vijf jaren voor zijn huwelijk met [C] een vast inkomen. Hij woonde toen bij zijn ouders en hoefde niets te betalen voor kost en inwoning. Hij gaf vrijwel geen geld uit en heeft daardoor veel kunnen sparen.

Het hof is echter van oordeel dat deze verklaring niet concreet, noch te verifiëren en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De verklaring van verdachte houdt niet veel meer dan een enkele stelling in en is niet of nauwelijks onderbouwd. Het hof baseert dit onder meer op het volgende:

 Verdachte heeft pas in hoger beroep verklaard dat hij in die periode veel heeft gespaard van zijn inkomen, omdat hij geen kosten had.

 Verdachte heeft niet kunnen aangeven hoeveel spaargeld hij had.

 Verdachte heeft niet kunnen aangeven waaraan en wanneer hij het heeft uitgegeven.

 Verdachte heeft verklaard dat hij zijn spaargeld niet bij de bank bewaarde, omdat hij overzicht over zijn geld wilde. Uit het voorgaande blijkt echter dat hij geen overzicht had.

 Verdachte heeft verklaard dat hij zijn inkomsten per bank kreeg en deze contant opnam om te sparen. Hij heeft echter geen bankafschriften overgelegd waaruit deze inkomsten en opnames blijken.

 Verdachte kon niet aangeven waar hij de gespaarde contante bedragen precies bewaarde en hij heeft daarover wisselend verklaard. Getuigen hebben van elkaar afwijkende verklaringen over het bewaren door verdachte afgelegd. Volgens de stiefvader van verdachte bewaarde hij zijn geld in een kluis en heeft hij die kluis meegenomen toen hij uit huis ging. Volgens verdachte bewaarde hij (een deel van) zijn spaargeld bij zijn (stief)ouders en belde hij hen als hij daarvan geld nodig had. Geen van zijn (stief)ouders heeft bevestigd ooit te zijn gebeld als verdachte zijn spaargeld nodig had.

 Verdachte heeft niet bij de Belastingdienst opgegeven dat hij spaargeld had.

 In de huwelijkse voorwaarden is geen spaargeld vermeld.

 Er zijn geen getuigen die ooit verdachtes spaargeld hebben gezien. Dat geldt ook voor de echtgenote van verdachte, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij het geld is gaan uitgeven vanwege een ander uitgavenpatroon na zijn huwelijk.

Het hof is van oordeel dat verdachte zijn verklaring dat hij over veel spaargeld beschikte onvoldoende handen en voeten heeft gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat er met betrekking tot het gestelde spaargeld geen begin van aannemelijkheid is.

Het openbaar ministerie hoefde dan ook geen nader onderzoek te doen naar de verklaringen van verdachte over zijn spaargeld, nog daargelaten dat het hof niet inziet hoe een dergelijk onderzoek dan vorm had moeten krijgen. Verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie had kunnen checken dat verdachte in de door hem genoemde periode werkte en bij zijn ouders woonde. Uit de vaststelling van de juistheid daarvan kan echter op geen enkele wijze blijken dat en hoeveel verdachte dan wel gespaard zou hebben.

Uit het bovenstaande volgt dat er geen legale inkomstenbron aannemelijk is geworden voor het vastgestelde verschil tussen de contante inkomsten en uitgaven. Bij gebreke van een legale inkomstenbron voor dit verschil kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen als hierna bewezen zal worden verklaard.’

6. Recent heeft Uw Raad in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 eerdere rechtspraak over het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, zoals dat voorkomt in onder meer art. 420bis Sr, als volgt samengevat:

‘2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.’2

7. Ook in het arrest dat eerder in de onderhavige zaak door de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gewezen is en dat op 7 juli 2015 door Uw Raad gecasseerd werd, was de verdachte veroordeeld wegens het ‘van het plegen van witwassen een gewoonte maken’. Het vierde middel klaagde destijds eveneens dat de bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd. Uw Raad casseerde omdat de verdediging ‘onder verwijzing naar over meerdere jaren gespaarde inkomsten’ had gesteld dat de voorwerpen een legale herkomst hadden, terwijl het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank slechts inhield dat de verdachte weigerde op hem gestelde vragen te antwoorden en weigerde inzicht te geven in zijn financiële uitgavenpatroon of bronnen van contant geld, zodat het -aldus de rechtbank- ‘bij gebreke van een legale inkomstenbron voor de door de verdachte gedane contante uitgaven (…) niet anders (kan) dan dat de verdachte gelden uit enig misdrijf (...) heeft witgewassen’. De stelling dat de uitgaven zijn bekostigd uit spaargeld speelt bij dit cassatieberoep wederom een rol. A-G Bleichrodt laat in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest uit 2015 ook aarzelingen blijken bij het gebruik dat in de bewijsconstructie van de figuur van een kasopstelling is gemaakt. Die aarzelingen komen via het middel eveneens weer aan de orde.

8. Het hof heeft het bewijs van het tenlastegelegde gewoontewitwassen namelijk (wederom) mede doen steunen op de uitkomst van een kasopstelling door de Koninklijke Marechaussee over de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2011.3 Bij een kasopstelling wordt het patroon van contante inkomsten en uitgaven tot uitgangspunt wordt genomen. Eerst wordt het beginsaldo, de omvang van de liquide middelen bij aanvang van de onderzoeksperiode, vastgesteld. Vervolgens wordt, rekening houdend met het begin- en eindsaldo, het verschil tussen de feitelijke contante uitgaven en de legale contante ontvangsten berekend. De kasopstelling door de Koninklijke Marechaussee houdt in dat een verschil van € 74.693,33 bestaat tussen de feitelijke contante uitgaven van de verdachte en het bedrag dat beschikbaar was voor legale contante uitgaven. Het hof heeft dat bedrag naar aanleiding van de betwisting door de verdachte van een aantal contante uitgaven gecorrigeerd tot (afgerond) € 55.000,-. Aldus heeft het hof op grond van de uitkomst van de kasopstelling vastgesteld dat de verdachte in de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2011 tot een bedrag van ongeveer € 55.000,- meer contante uitgaven heeft gedaan dan hij aan legale inkomsten heeft ontvangen.

9. Het middel klaagt in de eerste plaats dat de enkele omstandigheid dat uit een kasopstelling volgt dat er een verschil is tussen uitgaven en ontvangsten niet tot de conclusie kan leiden dat het niet anders kan zijn dan dat de bewezenverklaarde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarbij wordt verwezen naar de stellingname van A-G Bleichrodt in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest uit 2015.

10. Het gerechtshof heeft vastgesteld dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een specifiek strafbaar feit dat heeft geleid tot het tenlastegelegde gewoontewitwassen. En het hof heeft aangegeven dat het zijn oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de bewezenverklaring vermelde gelden en voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn ‘baseert (…) op de door de politie gemaakte kasopstelling’. Uit de bewijsoverweging in zijn geheel beschouwd volgt evenwel dat het hof ook in zijn bewijsvoering heeft betrokken dat de verdachte over een aantal contanten uitgaven niet aannemelijke verklaringen heeft afgelegd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2017 verklaard: ‘In de BMW zat geen € 10.000 van mij.’ Het hof heeft echter vastgesteld dat zowel de BMW als de Ford Ka door de verdachte zijn gekocht en contant betaald en dat beide auto’s aan hem in feitelijke eigendom toebehoorden.4 Het hof heeft voorts overwogen niet overtuigd te zijn door de zich in het dossier bevindende brief van de stiefbroer van de verdachte inhoudende dat hij de verdachte een bedrag van $ 10.000,- heeft geleend voor de aanschaf van de honden. Het hof doelt hierbij kennelijk op de door de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 september 2013 overgelegde schriftelijke verklaring van de stiefbroer van de verdachte.5 Daarin ligt als vaststelling van het hof besloten dat de verdachte een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven over de aankoop van de honden. Ten aanzien van de in bewijsmiddel 1 (de kasopstelling) genoemde vakanties (reizen naar Lapland, Turkije en Egypte) heeft het hof overwogen dat de verdachte heeft gesteld dat deze schenkingen van ouders/stiefouders betroffen en dat één van deze vakanties zou zijn betaald met geleend geld. Het hof heeft echter geoordeeld dat niet aannemelijk is dat deze vakanties door anderen zijn betaald en op basis daarvan vastgesteld dat de verdachte de vakanties zelf heeft betaald. Uiteindelijk heeft het gerechtshof pas op grond van deze nadere analyse vastgesteld dat ‘sprake (is) van een vermoeden van witwassen’.

11. Een dergelijke onderbouwing van het vermoeden van witwassen lijkt mij niet onverenigbaar met de benadering van A-G Bleichrodt in zijn conclusie voorafgaand aan HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793. Het hof is er niet van uit gegaan dat uit de enkele uitkomst van een kasopstelling kan worden afgeleid dat het verschil tussen uitgaven en ontvangsten afkomstig is uit misdrijf. A-G Bleichrodt stelt niet en uit het vervolgens gewezen arrest van Uw Raad in de onderhavige zaak blijkt niet dat een uit een kasopstelling blijkend verschil tussen uitgaven en ontvangsten niet als basis mag worden genomen van een bewijsredenering waar een vermoeden van witwassen uit volgt.6 Een dergelijke bewijsredenering is ook niet onverenigbaar met het beslisschema uit HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, dat onder 6 is weergegeven.7

12. Daaraan doet niet af dat Uw Raad arresten waarin het hof een bewezenverklaring van witwassen baseerde op een bewijsredenering die van een kasopstelling gebruik maakte, enkele malen gecasseerd heeft. In HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:743 had het gerechtshof uit een kasopstelling afgeleid dat de verdachte een bedrag van € 162.990,70 contant had uitgegeven aan onder meer vakanties, voertuigen en verbouwing van de woning. Uw Raad casseerde omdat het hof de omvang van dat geldbedrag had ontleend aan resultaten van onderzoek naar de financiële situatie van de verdachte en zijn echtgenote en in het midden had gelaten in hoeverre de desbetreffende contante uitgaven door de verdachte zelf waren gedaan. In HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:61 had de raadsman van de verdachte (de hoogte van) uitgaven die in de kasopstelling waren betrokken bestreden. Uw Raad oordeelde dat het hof niet op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt had gerespondeerd. In HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2758, NJ 2014/433 had de verdachte aangevoerd dat hij het geld dat hij uitgaf in het casino had verdiend door roulette te spelen. Uw Raad casseerde de veroordeling: ’s hofs oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren, was gelet op de daartoe door het hof in aanmerking genomen omstandigheden niet zonder meer begrijpelijk. Bij dat laatste kan een rol hebben gespeeld dat het bij het witwassen om relatief beperkte bedragen ging en dat het spelen van roulette niet voor iedereen per definitie tot verlies leidt (vgl. de conclusie van A-G Bleichrodt).

12. Uit deze arresten kan wellicht worden afgeleid dat bewijsredeneringen bij witwassen die gebaseerd worden op een kasopstelling betrekkelijk kwetsbaar zijn. Er kan niet uit worden afgeleid dat dergelijke redeneringen niet voldoende sluitend kunnen zijn. In het onderhavige geval heeft het hof naar het mij voorkomt uit de weergegeven bewijsredenering kunnen afleiden dat sprake is van een vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, zodat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit volgt dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

12. Het middel klaagt blijkens de toelichting voorts over het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte voor de herkomst van het geld niet concreet, noch te verifiëren en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

12. Het hof heeft overwogen dat de verdachte in hoger beroep heeft verklaard dat het aan de hand van de kasopstelling berekende verschil tussen zijn legale contante inkomsten en feitelijke uitgaven wel degelijk afkomstig is van een legale contante inkomstenbron, te weten een groot bedrag aan contant geld dat hij heeft kunnen sparen doordat hij in de vijf jaren voor zijn huwelijk met [C] een vast inkomen had, hij toen bij zijn ouders woonde en niets hoefde te betalen voor kost en inwoning en hij vrijwel geen geld uitgaf. Het hof heeft geoordeeld dat deze verklaring niet veel meer inhoudt dan een enkele stelling en niet of nauwelijks is onderbouwd. Dat oordeel heeft het hof onder meer gebaseerd op negen in de bewijsoverweging nader genoemde feiten en omstandigheden.

12. In dit verband heeft het hof onder meer overwogen dat de verdachte pas in hoger beroep heeft verklaard dat hij in de periode van vijf jaren voor zijn huwelijk veel heeft gespaard van zijn inkomen omdat hij geen kosten had. De stellers van het middel betogen dat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen namens de verdachte is gesteld, ‘waarbij verwezen is naar de bij de politie reeds in 2013 afgelegde verklaringen van verdachte’. In de schriftuur ontbreekt een vindplaats van de beweerdelijke verwijzing naar door de verdachte in 2013 bij de politie afgelegde verklaringen. Een dergelijke verwijzing heb ik niet aangetroffen in de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep, noch in de overgelegde pleitnota’s. In de ter terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2017 overgelegde pleitnota is wel het volgende te lezen: ‘Bij de politie heeft Cl al verklaard dat hij al jaren spaart [pv d.d. 7-12-11 te 13.00 uur pag. 17 van 19].’8 Ik houd het ervoor dat de stellers van het middel het oog hebben op deze verwijzing door de raadsman naar de verklaring die de verdachte op 7 december 2011 heeft afgelegd, waarbij ik opmerk dat niet ging om een verklaring bij de politie maar bij de Koninklijke Marechaussee.9 Het betreffende proces-verbaal van verhoor bevindt zich bij de gedingstukken en houdt onder meer het volgende in:

‘V = Vraag verbalisant

A = Antwoord verdachte

O = Opmerking verbalisant

(…)

O: Op dit moment is er een financieel rechercheur bezig om alle bonnetjes die bij jullie thuis zijn aangetroffen, en in beslag zijn genomen, te indexeren. Er zal dan een vergelijking plaats gaan vinden met jullie rekeningen. Die informatie is ook opgevraagd. We hebben zojuist van deze financiële rechercheur gehoord dat er per maand ongeveer 800 tot 900 euro meer door jou wordt uitgegeven dan dat je aan salaris ontvangt.

(…)

O: Er ontstaat dus een verschil (…) met jullie contante betalingen en het geld dat je van je rekening af hebt gehaald.

V: Wat voor verklaring heb jij hier dan voor?

A: Geen antwoord

(…)

O: Je hoeft geen rechercheur te zijn om te begrijpen dat iemand niet meer kan uitgeven dan dat hij binnen krijgt.

V: Of wel?

A: lijkt mij niet

V: Hoe kan dit dan bij jou wel gebeuren?

A: Geen antwoord

(…)

O: Als we kijken naar jou uitgaven en inkomsten; je uitgaven zijn veel groter dan je inkomsten. Jij kan, of wilt, niet vertellen waar die overige inkomsten vandaan komen. (…)

V: Je absurd hoge uitgaven?

A: Niks over te zeggen

O: Je had een duizendje of 2 thuis liggen, voor de reis naar Lapland

V: Waar lag dat geld?

A: onder mijn matras.

(…)

V: Dat geld onder het matras, wat voor biljetten waren dat?

A: Ik denk briefjes van 50. Ik weet dat niet precies. Het is spaargeld. Ik denk dat het rond de 2000 euro was.

V: Hoe spaar je dat dan?

A: Geen commentaar

V: Niet hoe je er aan komt maar op welke manier spaar je?

A: Geen commentaar

V: En waarom onder je matras en niet op de bank?

A: Nee, niet op de bank. Op de bank moet je alleen maar betalen. Het was vroeger dat je hier nog rente voor kreeg.

O: Als ik de berekening van [D] aan ga houden, dat je na aftrek van vaste lasten een bedrag van 125 euro over zou houden, en daar nog boodschappen en benzine voor moet betalen.

V: Hoe lang heb je er dan over moeten doen om dit bij elkaar te sparen?

A: geen commentaar

V: Dus je weet het niet?

A: Ja jaren

V: Dus je spaart al jaren voor het reisje naar Lapland?

A: Geen commentaar.

(…)

O: Alles bij elkaar blijft het een vreemd verhaal. Jij hebt geld in je woning liggen waar je jaren voor zou moeten sparen. Dit geld is voor een reisje naar Lapland. (…) Je uitgaven zijn veel hoger dan je inkomsten, je hebt geen neveninkomsten zeg je. Raar maar waar dat je dus ergens geld vandaan tovert en niets te zeggen hebt in jou voordeel, dus een uitleg hoe dit kan.

A: Ik dacht dat jullie bedoelden voor al dat geld, niet alleen het geld dat onder mijn matras lag.

V: Leg ons eens uit hoe je alles kan betalen. Als je per maand minder dan 125 euro over houdt. Wat is jou geheim want dat willen wij dan ook graag weten.

A: Geen commentaar.

V: Hoe lang heb je dan moeten sparen voor het geld dat onder je matras lag?

A: Geen commentaar

V: Zijn er nog zaken waar jij het over wilt hebben of waar jij op terug wilt komen, is er nog iets te vertellen in jou voordeel?

A: niks’

17. Met de overweging dat de verdachte pas in hoger beroep verklaard heeft dat hij in de periode van vijf jaren voor zijn huwelijk veel heeft gespaard van zijn inkomen omdat hij geen kosten had, heeft het hof kennelijk bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegelicht hoe het volgens hem mogelijk was om een geldbedrag ter hoogte van het uit de kasopstelling volgende verschil te sparen. Die gevolgtrekking van het hof is niet onbegrijpelijk. Uit het verhoor van de verdachte van 7 december 2011, waarnaar de raadsman heeft verwezen, volgt immers dat de verdachte toen weliswaar heeft verklaard dat hij spaarde, maar ook en vooral dat hij geen antwoord heeft gegeven op vervolgvragen die ertoe strekten duidelijkheid te verkrijgen over de vraag hoe hij zoveel heeft kunnen sparen. Al met al heeft de verdachte in dat verhoor vooral geweigerd antwoord te geven op vragen.10 Ik wijs er voorts op dat de rechtbank de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 september 2013 uitgebreid heeft ondervraagd en dat hij toen evenmin antwoord heeft gegeven op vragen over zijn uitgaven in relatie tot zijn inkomsten.11

18. De stellers van het middel bekritiseren ook de overweging van het hof dat de verdachte geen bankafschriften heeft overgelegd waaruit de door hem gestelde inkomsten per bank en contante opnames blijken. Zij menen dat de opvatting van het hof in feite een omkering van de bewijslast betekent, in die zin ‘dat als een verdachte aangeeft legale inkomsten via de bank gestort te hebben gekregen en daar contant te hebben opgenomen, dit door de verdachte zelf maar moet worden aangetoond door bankafschriften te overleggen’. Naar het mij voorkomt berust het middel in zoverre op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. Het hof heeft de omstandigheid dat de verdachte geen bankafschriften heeft overgelegd in aanmerking genomen als één van negen factoren die het noemt als onderbouwing van zijn oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer te verifiëren en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven waaruit zou volgen dat het verschil tussen inkomsten en uitgaven niet afkomstig is uit misdrijf. Uit de gewraakte overweging kan niet worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat de verdachte door het overleggen van bankafschriften de juistheid van zijn verklaring diende aan te tonen. Ook anderszins kan ik in het bestreden arrest niet lezen dat van een omkering van de bewijslast sprake zou zijn.

18. Aangestipt kan nog worden dat het gerechtshof, door te onderzoeken of enigermate aannemelijk is dat de uitgaven die de verdachte heeft gedaan zijn gefinancierd uit contant spaargeld, in een bewijsmotivering heeft voorzien die ontbrak in het arrest dat in 2015 gecasseerd werd. Het indertijd door het gerechtshof met overneming van gronden bevestigde vonnis van de militaire kamer hield slechts in dat deze ‘geen rekening kan houden met eventueel alternatieve bronnen voor de gedane uitgaven’. Het gerechtshof heeft in het thans bestreden arrest nadrukkelijk wel rekening gehouden met de mogelijkheid van contant spaargeld, maar deze mogelijkheid in de bewijsoverwegingen uitgesloten.

18. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zijn verklaring dat hij over veel spaargeld beschikte ‘onvoldoende handen en voeten heeft gegeven’, dat er dan ook met betrekking tot het gestelde spaargeld geen begin van aannemelijkheid is en dat het openbaar ministerie daarom geen nader onderzoek behoefde te doen naar de verklaringen van de verdachte over zijn spaargeld. Daarmee heeft het hof – zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk – tot uitdrukking gebracht dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geldbedrag van € 55.000,-- heeft gegeven, zodat geen noodzaak aanwezig was voor het instellen van nader onderzoek.12 Anders dan in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 is de onwaarschijnlijkheid van de lezing dat een uitgave is gefinancierd uit eerdere inkomsten niet gepasseerd met alleen een beroep op het niet overgelegd zijn van relevante stukken. Nu het hof heeft kunnen oordelen dat de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen en dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geldbedrag van € 55.000,- heeft gegeven, is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard leent ’s hofs oordeel zich niet voor verdere toetsing in cassatie.13

21. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven. Wel wijs ik erop dat, nu het cassatieberoep is ingesteld op 22 maart 2017, de redelijke termijn zal zijn overschreden indien Uw Raad uitspraak zou doen na 22 maart 2019. Dat zou in dat geval dienen te leiden tot strafvermindering.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793.

2 Zie voor in dit kader relevante rechtspraak ook randnummer 8 van de conclusie van A-G Bleichrodt voorafgaand aan HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1196 (art. 81 RO).

3 Zie bewijsmiddel 1 in de aanvulling op het verkort arrest. Het hof overweegt abusievelijk dat de kasopstelling door de politie is gemaakt.

4 Bewijsmiddel 1 houdt in dat voor de BWM een bedrag van € 10.000 contant is betaald. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ook de Ford Ka contant heeft betaald (€ 2.550,-- in biljetten van 50 euro).

5 Zie p. 5 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

6 Vgl. het recente HR 12 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:217 (art. 81 RO) en de voorafgaande conclusie van A-G Bleichrodt (onder 40 en 41), waarin eveneens van een eenvoudige kasopstelling sprake was.

7 Zo is, anders dan uit de toelichting op het middel zou kunnen worden afgeleid, niet vereist dat sprake is van één of meer witwastypologieën.

8 Pagina 7 van de pleitnota.

9 Proces-verbaal van verhoor van 7 december 2011 (te 13:00 uur). Dit proces-verbaal bestaat uit negentien pagina’s (dossierpagina’s 227-245).

10 Ik wijs er in dit verband op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2017 heeft verklaard: ‘Bij de politie heb ik niet veel verklaard. Zij probeerden mij er alleen maar in te luizen.’

11 Zie met name p. 4 van het proces-verbaal van die terechtzitting.

12 Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471, NJ 2010/460.

13 Vgl. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197, rov. 3.5.