Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:422

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
18/01589
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:905
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag beslagene ex art. 552a Sv vanwege art. 94 Sv beslag op een auto. De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard omdat een derde meer dan klager in staat is geweest te onderbouwen dat hij bezitter en daardoor rechthebbende is van de auto. Hiermee heeft de rechtbank volgens de AG miskend dat het in dit geval niet aan de klager als beslagene was om aan te tonen dat hij een beter recht had op de auto dan deze derde. De AG stelt zich op het standpunt dat het middel slaagt en adviseert de Hoge Raad de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/01589 B

Zitting: 23 april 2019

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klager]

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle heeft bij beschikking van 21 maart 2018 het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan hem van een onder hem in beslag genomen auto, ongegrond verklaard.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen (Utrecht), heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 De aanleiding en de procesgang

2.1.

Uit de gedingstukken maak ik het volgende op.

- De kennisgeving van inbeslagneming (KVI) vermeldt dat op 8 januari 2018 een Volkswagen Golf personenauto ex art. 94 Sv in het kader van de waarheidsvinding in beslag is genomen, omdat deze als gestolen stond gesignaleerd.

- Deze signalering is gebaseerd op een aangifte van diefstal op 26 oktober 2017 gedaan door [belanghebbenden] , vlak nadat hij de auto op een veiling van de Belastingdienst had gekocht. Na de veiling werd hij aangesproken door drie personen, waaronder de voormalige eigenaar van de auto, [betrokkene] (broer van de klager), die hem vertelde dat hij de autosleutels nog had en de auto voor € 1800,- wilde kopen.

- De broer van de klager zou de papieren ophalen en ondertussen is [belanghebbenden] naar de Rijksdienst voor het Wegverkeer gegaan om een andere auto op zijn naam te laten zetten.

- Bij terugkomst zag [belanghebbenden] dat de Volkswagen Golf weg was. Een medewerker van de Belastingdienst gaf aan dat de klager een vrijwaringsbewijs had laten zien en dat hij de auto aan de klager had meegegeven.

- [belanghebbenden] stelt dat hij geen geld voor de auto heeft gekregen en dat er sprake is van diefstal. Dit wordt door de klager betwist. Hij stelt dat [belanghebbenden] de auto aan hem heeft verkocht voor € 1800,-.

- Het openbaar ministerie heeft in haar reactie op het klaagschrift medegedeeld dat zij voornemens is de strafzaak tegen de klager wegens onvoldoende bewijs te seponeren en de auto terug te geven aan [belanghebbenden] .

- Een hulpofficier van justitie heeft op 8 januari 2018 de auto teruggegeven aan [belanghebbenden] .

- Kennelijk is op 12 januari 2018 deze onbevoegd bevolen teruggave gerectificeerd en in de plaats daarvan is de auto aan [belanghebbenden] in bewaring gegeven, in afwachting van een beslissing van de officier van justitie.

- Voor zover mij bekend, heeft de officier van justitie tot op heden geen verdere beslissingen genomen omtrent de teruggave en is de auto ook thans nog in bewaring bij [belanghebbenden] .

- De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard.

3 Het middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

3.2.

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“5. De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Maatstaf

Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De rechtbank dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Feiten en omstandigheden

Op 8 januari 2018 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde personenauto.

Overwegingen

Klager, onder wie de auto in beslag genomen is, stelt dat de inbeslagneming onrechtmatig is en maakt bezwaar dat de auto daarna aan [belanghebbenden] in bewaring is gegeven. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Meer dan klager is [belanghebbenden] in staat geweest te onderbouwen dat hij bezitter is van de personenauto en daardoor rechthebbende.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en dat de inbeslaggenomen personenauto in de bewaring van [belanghebbenden] moet blijven.

6. De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.”

3.3.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank door te overwegen dat [belanghebbenden] meer dan de klager in staat is geweest te onderbouwen dat hij bezitter is geweest van de personenauto en daardoor rechthebbende, een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 3:119 BW. Deze bepaling houdt in dat de bezitter van een goed wordt vermoed de rechthebbende te zijn. Volgens de steller van het middel staat vast dat de klager op het moment van inbeslagname bezitter van de auto was en dat daaruit dus voortvloeit dat hij als rechthebbende van de auto had moeten worden aangemerkt. Dit kan slechts anders zijn indien [belanghebbenden] dit wettelijke vermoeden weerlegt. De rechtbank heeft nagelaten te motiveren op grond van welke feiten en omstandigheden [belanghebbenden] meer dan klager zou hebben onderbouwd dat hij en niet de klager als bezitter en daardoor rechthebbende van de auto dient te worden aangemerkt.

3.1.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Bij het beoordelen van een beklag tegen een op grond van art. 94 Sv in beslag genomen goed dient de rechter (i) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, (ii) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.1

3.2.

De rechtbank heeft in haar beschikking onder het kopje “maatstaf” op zichzelf het juiste toetsingskader aangehaald. Bij de toepassing hiervan heeft de rechtbank niet expliciet overwogen dat het belang van strafvordering zich thans niet meer verzet tegen opheffing van het beslag, Dat valt nog wel te begrijpen. De officier van justitie heeft immers in de reactie op het klaagschrift van de klager laten weten dat het openbaar ministerie voornemens is de strafzaak tegen klager te seponeren wegens gebrek aan bewijs en de auto terug te geven aan de (in de ogen van het openbaar ministerie) rechthebbende, zijnde [belanghebbenden] . Deze schriftelijke reactie is voorafgaand aan de zitting ook toegezonden aan de klager en zijn raadsman (zie proces-verbaal van raadkamerbehandeling van 21 maart 2018). In deze mededeling ligt mijns inziens voldoende besloten dat volgens de officier van justitie het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Dat betekent dat de rechtbank zich slechts had te buigen over de vraag of een ander dan de klager, in dit geval [belanghebbenden] , redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt.2 Bij de beantwoording van deze laatste vraag heeft de rechterbank volstaan met de overweging dat [belanghebbenden] meer dan klager in staat is geweest te onderbouwen dat hij bezitter is van de personenauto en daardoor rechthebbende is.

3.3.

Dat oordeel van de rechtbank acht ik niet zonder meer begrijpelijk. De rechtbank heeft hierbij mijns inziens miskend dat het in dit geval niet aan de klager was om aan te tonen dat hij een ‘beter recht’ op de auto had dan [belanghebbenden] , omdat de auto onder de klager in beslag genomen is.3 Voor zover de rechtbank met haar overweging slechts tot uitdrukking bedoelde te brengen dat [belanghebbenden] redelijkerwijs als rechthebbende van da auto moet worden aangemerkt, ben ik het met de steller van het middel eens dat het op de weg van de rechtbank had gelegen daaraan een nadere feitelijke onderbouwing te geven. Door dit na te laten heeft de rechtbank zijn beslissing niet naar behoren gemotiveerd.

3.4.

Het middel slaagt.

4 Ambtshalve opmerking

4.1.

Aangezien ik van mening ben dat het voorgestelde middel dient te slagen en de zaak moet worden teruggewezen naar de rechtbank, veroorloof ik mij de volgende ambtshalve opmerking die van belang is voor een hernieuwde behandeling van het klaagschrift. Uit de stukken van geding blijkt niet dat [belanghebbenden] , die stelt rechthebbende te zijn van het in beslag genomen voorwerp, is opgeroepen als belanghebbende om tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord en desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen. Dat had op grond van art. 552a lid 5 Sv wel moeten gebeuren.

5 Conclusie

5.1.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.8.

2 In het systeem van de wet ligt immers besloten dat, indien het openbaar ministerie te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.10 en HR 4 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6283, NJ 2006/385.

3 Vgl. HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:949 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Knigge, ECLI:NL:PHR:2018:634, onder 4.4-4.6.