Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:421

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
17/02831
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:630
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02831

Zitting: 12 februari 2019

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 13 maart 2017 de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen deelvrijspraken van het onder 2 en 3C ten laste gelegde en, voor zover dus nog aan het oordeel van het hof onderworpen, de verdachte vrijgesproken van het onder 3B ten laste gelegde, hem ontslagen van alle rechtsvervolging voor bepaalde witwashandelingen bij feit 2, en hem wegens 1. “Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “Medeplegen van witwassen, ten aanzien van het gebruik maken en omzetten van het geldbedrag van € 176.000” en onder 3A en 3D telkens: “Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf. Voorts is hem het recht tot uitoefening van het beroep van financieel adviseur en hypotheekadviseur ontzegd voor de duur van zeven jaren en heeft het hof twee benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/01394, 17/01580, 17/01622, 17/01668, 17/02690 en 17/02829. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft dertien middelen van cassatie voorgesteld. Bij akte van 25 april 2018 is het beroep in cassatie ingetrokken voor zover het betreft onderdelen van het tenlastegelegde waarvan de verdachte al dan niet integraal is vrijgesproken.

  4. In deze zaak en in de daarmee samenhangende zaken draait het om de [A] (hierna ook: [A] ). [A] verleende op grote schaal financiële bemiddeling, maar blijkens de bewezenverklaringen ging onder de dekmantel van een betrouwbaar, legaal zaken doend, bedrijf een illegale tak schuil. [A] adviseerde klanten die financiële problemen hadden om een tweede huis te kopen en een extra geldlening voor kwaliteitsverbetering aan te vragen. Bij hypotheekaanvragen werd volgens het hof gebruikgemaakt van valse werkgeversverklaringen en salarisstroken. De verkregen geldlening werd vervolgens vaak gebruikt voor aflossingen van schulden of consumptieve doeleinden. Ook werden door tussenkomst van [A] bouwdepots aangevraagd. Door middel van valse facturen werden banken bewogen tot verstrekking van gelden uit bouwdepots, terwijl geen verbouwingen hadden plaatsgevonden. De door het hof gedane vaststellingen resulteerden in bijvoorbeeld veroordelingen voor deelname aan een criminele organisatie, en in veroordelingen voor valsheid in geschrift en witwassen

  5. Het eerste middel klaagt dat art. 437 Sv en 6 EVRM zijn geschonden, omdat de raadsman van rekwirant in de cassatiefase onvoldoende tijd heeft gekregen die nodig is voor de voorbereiding van zijn verdediging.

5.1. Volgens bestendige rechtspraak komt als middel van cassatie uitsluitend in aanmerking een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1 Uit deze definitie volgt dat een klacht over een beslissing van de rolraadsheer van de Hoge Raad niet in aanmerking komt voor bespreking in cassatie. Het cassatieberoep is immers gericht tegen het onderliggende arrest van het hof en de beslissing van de rolraadsheer van de Hoge Raad, om, nadat eerst een verlenging met twee weken van de termijn voor het indienen van een schriftuur was verleend, niet nogmaals die termijn te verlengen is niet een beslissing die in het in cassatie bestreden arrest is genomen. Opmerking verdient daarbij nog dat tegen deze beslissing van de als enkelvoudige kamer van de Hoge Raad opererende rolraadsheer2 ingevolge art. 78 RO ook geen zelfstandig cassatieberoep openstaat. In het geding in cassatie kan een klacht als door de raadsman geuit dus nimmer aan de orde komen.
Waar de raadsman, ter omzeiling van deze klip, met een beroep op art. 6 lid 3 sub b EVRM (het recht te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn om de verdediging voor te bereiden), verzoekt om een tussenarrest van de Hoge Raad om de raadsman alsnog de verzochte extra tijd van vijf maanden tijd te vergunnen om nadere middelen van cassatie in te dienen lijkt me dat dit een gepasseerd station is. Op het eerdere verzoek met die strekking is immers al door de rolraadsheer afwijzend beslist en voor het – in afwijking van de in de wet vastgelegde procedure – daarop terugkomen door de Hoge Raad zouden op zijn minst nieuwe (en naar het mij voorkomt zeer zwaarwegende) argumenten aangevoerd moeten zijn en die heb ik niet aangetroffen. Het verzoek dient te worden afgewezen.

6. Het tweede middel klaagt over de (herhaalde) afwijzing van het hof van het verzoek om de getuigen 55 t/m 79 en 82 t/m 88 te horen.

6.1. Met betrekking tot de door verdediging verzochte oproeping van getuigen heeft het hof in zijn arrest als volgt overwogen:

Overwegingen ten aanzien van getuigenverzoeken van de verdediging

Bij appelschriftuur heeft de verdediging het horen van een reeks getuigen verzocht alsmede overige onderzoekswensen ingediend die onder meer zien op het toevoegen van stukken en het verrichten van nader onderzoek. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof d.d. 18 maart 2016 aanvullend nog verzocht om getuige [getuige 3] te horen. Het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] heeft de raadsman ter zitting ingetrokken.

Ter zitting van 21 april 2016 heeft het hof de verzoeken afgewezen, met uitzondering van de verzoeken tot het horen van [medeverdachte 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 2] .

Deze getuigen zijn allen gehoord door de gedelegeerd raadsheer-commissaris.

Ter zitting van het hof van 3 november 2016 heeft de verdediging het verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur verzochte getuigen herhaald, voor zover die verzoeken op 21 april 2016 niet zijn toegewezen. Het horen van de getuige [getuige 2] heeft de raadsman ter zitting van 3 november 2016 ingetrokken. De raadsman heeft voorts aanvullende getuigenverzoeken ingediend.

Het hof heeft ter zitting van 3 november 2016 meegedeeld in verband met de gedachtenvorming rondom de inhoudelijke beoordeling van de zaak, niet eerder dan bij arrest een beslissing op de verzoeken te zullen nemen.

Aan de hand van de door de raadsman en in de bijlage 2 van dit arrest gehanteerde nummering, worden de verzoeken tot het horen van de getuigen 1 tot en met 88 (met uitzondering van 27), gelet op het tijdstip van indiening beoordeeld tegen de achtergrond van het noodzaakcriterium. Dat betekent dat de vraag aan de orde is of het hof het nodig acht dat de aangedragen getuigen worden gehoord. Het hof acht dit niet noodzakelijk nu uit niets blijkt dat deze getuigen relevant en/of aanvullend kunnen verklaren over de bewezenverklaring, dan wel aanvullend of relevant in ontlastende zin kunnen verklaren met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten dan wel aanvullend of relevant kunnen verklaren ten aanzien van het gevoerde ontvankelijkheidsverweer.

De verzoeken worden afgewezen.”

6.2. Het middel stelt zich op het standpunt dat het hof weliswaar het juiste (noodzakelijkheids)criterium heeft gehanteerd maar de afwijzing van de verzoeken tot het horen tot de in de aanhef van het middel genoemde getuigen niettemin onbegrijpelijk althans ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarbij spitst het middel die kwestie toe, door aan te voeren dat de genoemde getuigen blijkens de aan de verzoeken ten grondslag gelegde motivering konden dienen om aan te tonen dat in de door verdachte geleide onderneming ( [A] ) geen bedrijfscultuur heerste die gericht was op het plegen van misdrijven en het hof bij zijn afwijzing op die onderbouwing niet is ingegaan.

6.3. Ik meen dat deze klacht in het middel niet opgaat. Het noodzakelijkheidscriterium is nader ingevuld in het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake getuigenverzoeken, van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, waarin de Hoge Raad overweegt:

” 2.8. Het noodzakelijkheidscriterium, dat oorspronkelijk alleen in art. 315 Sv voorkwam, houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Met het oog daarop is hem de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden. Vanuit deze gezichtshoek bezien is bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.”

Uitgangspunt is derhalve of het hof voor het nemen van enige beslissing in de zaak het noodzakelijk acht een of meer van de verzochte getuigen te horen. Voor zover het in de onderhavige zaak gaat om de door de steller van het middel bedoelde ‘bedrijfscultuur’ achtte het hof zich kennelijk reeds voldoende ingelicht. Dat oordeel ligt besloten in de bewijsvoering, met name waar het hof als volgt in het arrest heeft overwogen:

“ [A] , waarvan verdachte één van de drie directeuren was, bemiddelde in hypotheken, onder meer voor personen die problemen hadden op financieel vlak en die - kennelijk - bij andere hypotheekverstrekkers niet terecht konden. [A] adviseerde deze groep klanten een tweede huis te kopen, een extra geldlening voor kwaliteitsverbetering aan te vragen maar die daar vervolgens niet voor aan te wenden. De geldlening werd gebruikt voor consumptieve bestedingen of aflossingen van schulden. Het was een bedrijfspraktijk die veelvuldig voorkwam en de normaalste zaak van de wereld was, zo heeft [betrokkene 2] verklaard. Er werd onderling met de leidinggevenden en de medewerkers gesproken over het toepassen van deze creatieve oplossingen. Medeverdachte [medeverdachte 1] was volgens [betrokkene 2] de creatiefste in het bedenken van oplossingen. Hij bedacht oplossingen als het kopen van een tweede huis en adviseerde mensen die schulden hadden een extra lening aan te vragen voor kwaliteitsverbetering die hier echter niet voor werd aangewend. Hoewel er niet mee geadverteerd werd, ging het als een lopend vuurtje dat [A] dergelijke oplossingen aanbood en kwamen klanten speciaal hiervoor naar [A] . [betrokkene 2] noemt naast medeverdachte [medeverdachte 1] ook verdachte [verdachte] die als één van de leidinggevenden, dergelijke constructies optuigde.

Bij hypotheekaanvragen werd vervolgens gebruik gemaakt van valse werkgeversverklaringen en salarisstroken zo blijkt onder meer uit de verklaring van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] , eigenaar van [D] , heeft verklaard dat hij op enig moment door de jongens van [A] , verdachte en [betrokkene 5] , gevraagd werd salarisstroken aan te maken. [verdachte] en [betrokkene 5] kwamen met gegevens en die moest [medeverdachte 2] letterlijk ovememen in zijn salarisadministratieprogramma. [medeverdachte 2] ontving daartoe salarisspecificaties inclusief fictieve werkgeversgegevens die hij moest invoeren in het salarisprogramma waardoor er een valse salarisstrook ontstond. Op verzoek van verdachte en [betrokkene 5] maakte hij altijd een combinatie van valse werkgeversverklaringen en valse loonstroken. Dit is een tien tot twintig keer voorgekomen in de periode 2006 tot en met 2008, aldus [medeverdachte 2] .
Ook werden er door tussenkomst van [A] bouwdepots aangevraagd die vervolgens door het gebruik van valse facturen leeggetrokken werden. Een voorbeeld hiervan is de constructie die door verdachte is opgezet ten behoeve van de woningen aan de [a-straat 1 en 2] .”

6.4. Uit deze overwegingen volgt mijns inziens dat het hof het verzoek om een (groot) aantal getuigen te horen omtrent de bedrijfscultuur op niet-onbegrijpelijke wijze als niet-noodzakelijk heeft kunnen afwijzen. Voor zover het middel nog de klacht bevat dat het hof, door reeds tevoren te beslissen dat het horen van de gevraagde getuigen niet noodzakelijk was, op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op wat deze getuigen konden verklaren, stuit die klacht af op hetgeen in de slotzin van het hierboven aangehaalde citaat uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad is uitgedrukt. Kort gezegd: die klacht gaat niet op.

7. Het derde middel klaagt over de (herhaalde) afwijzing door het hof van het verzoek om de getuige [medeverdachte 3] te horen.

7.1. In de appelschriftuur van de verdediging3 is het verzoek gedaan tot het horen van onder meer de genoemde getuige [medeverdachte 3] . Daarmee is op de (eerste) beslissing van het hof het zgn. verdedigingscriterium van toepassing. In de pleitnotitie, gevoegd bij het proces-verbaal van de zitting van het hof van 18 maart 2016, is dit verzoek als volgt toegelicht:

“Ten aanzien van het horen van [medeverdachte 3] heeft [verdachte] aanwijzingen dat [medeverdachte 3] heeft gekampt met een black-out. Er is door de verdediging ook aangevoerd dat [medeverdachte 3] tijdens zijn verhoor feitelijk onjuistheden heeft verteld en bovendien vaag is in zijn uitlatingen. Er wordt door de verdediging in pleidooi ook uitgelegd hoe dat precies zit. Die uitleg is herhaald in de appèlmemorie. Nu er zoveel onduidelijkheid is over de verklaring van [medeverdachte 3] is het niet alleen in het belang van de verdediging, maar is het ook noodzakelijk om [medeverdachte 3] hieromtrent nader te kunnen bevragen.”

7.2. Op de zitting van 21 april 2016 heeft het hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting als volgt op dit verzoek beslist:

Verzoek

De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht 58 getuigen te horen. Bij de beoordeling van de getuigenverzoeken gaat het hof uit van de volgorde die door de raadsman in de appelschriftuur is gehanteerd. Het hof heeft een nummering aangebracht (zie bijlage bij dit proces-verbaal).
(…)
Beoordeling

(…)
Afwijzing verzoek tot horen getuige 16

Het hof wijst het verzoek van de verdediging om medeverdachte [medeverdachte 3] te horen af, nu dit verzoek onvoldoende concreet en gespecificeerd is onderbouwd.”

7.3. Het middel klaagt als eerste dat deze (eerste) beslissing van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, gelet op het feit dat uit de onderbouwing van het verzoek door raadsman juist concreet blijkt welke onderdelen van de verklaring van de getuige worden betwist en ook de betrouwbaarheid van diens verklaring ter discussie is gesteld. Het lijkt me dat het middel aldus miskent dat hetgeen het hof bij het verzoek had te beoordelen niet was of hetgeen de getuige heeft verklaard als aannemelijk of betrouwbaar dient te worden beoordeeld maar of er een gegronde reden is om deze getuige op de terechtzitting op te roepen. De afwijzende beslissing van het hof op die vraag is naar ik meen niet onbegrijpelijk, gelet de onderbouwing van het verzoek, waaruit immers niet valt destilleren welke vragen nu eigenlijk aan de getuige gesteld zouden moeten worden. Ik teken daarbij nog eens aan dat het stellen van de eis van een deugdelijke motivering aan getuigenverzoeken niet in strijd is met het recht, waaronder art. 6 EVRM.4 De eerste klacht faalt.

7.4. Ter terechtzitting van 3 november 2016 is, zo vervolgt het middel, het verzoek tot het horen van de getuige [medeverdachte 3] door de verdediging herhaald. Alstoen gold, zoals de steller van het middel ook niet bestrijdt, voor de beoordeling door het hof van een dergelijke verzoek het hof het noodzakelijkheidscriterium. Dat criterium is door het hof ook aangelegd, zoals blijkt uit diens overweging met betrekking tot de op de terechtzitting van 3 november 2016 gedane getuigenverzoeken, zoals opgenomen in het (eind)arrest. Deels is die afwijzing ook al aan de orde gekomen bij het tweede middel. Ik herhaal de hier de relevante passage uit het arrest. Aangezien, zoals hierboven bleek, de getuige [medeverdachte 3] met nummer 16 is aangeduid valt ook de afwijzing van deze getuige onder de hierin opgenomen generieke afwijzing door het hof:

“Ter zitting van het hof van 3 november 2016 heeft de verdediging het verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur verzochte getuigen herhaald, voor zover die verzoeken op 21 april 2016 niet zijn toegewezen. Het horen van de getuige [getuige 2] heeft de raadsman ter zitting van 3 november 2016 ingetrokken. De raadsman heeft voorts aanvullende getuigenverzoeken ingediend.

Het hof heeft ter zitting van 3 november 2016 meegedeeld in verband met de gedachtenvorming rondom de inhoudelijke beoordeling van de zaak, niet eerder dan bij arrest een beslissing op de verzoeken te zullen nemen.

Aan de hand van de door de raadsman en in de bijlage 2 van dit arrest gehanteerde nummering, worden de verzoeken tot het horen van de getuigen 1 tot en met 88 (met uitzondering van 27), gelet op het tijdstip van indiening beoordeeld tegen de achtergrond van het noodzaakcriterium. Dat betekent dat de vraag aan de orde is of het hof het nodig acht dat de aangedragen getuigen worden gehoord. Het hof acht dit niet noodzakelijk nu uit niets blijkt dat deze getuigen relevant en/of aanvullend kunnen verklaren over de bewezenverklaring, dan wel aanvullend of relevant in ontlastende zin kunnen verklaren met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten dan wel aanvullend of relevant kunnen verklaren ten aanzien van het gevoerde ontvankelijkheidsverweer.

De verzoeken worden afgewezen.”

7.5. De tweede klacht in het middel beroept zich voor het aannemen van een motiveringsgebrek met betrekking tot die afwijzing op een passage uit de (aanvullende) pleitnota voor de zittingen van 3, 9 en 10 november, getiteld “Herhaling verzoek tot het horen van getuigen” waaruit blijkt dat met betrekking tot [medeverdachte 3] het volgende is aangevoerd (p. 9-10):

“Op het moment dat de verdediging in de gelegenheid werd gesteld om [medeverdachte 3] nadere vragen te stellen met betrekking tot het bouwdepot beriep [medeverdachte 3] zich op zijn verschoningsrecht. [Voetnoot: Procesverbaal van verhoor [medeverdachte 3] bij de Rechter-commissaris d.d. 23 mei 2013, pagina's 19-20.]”5

Volgens de steller van het middel had het hof in deze passage aanleiding moeten vinden om de onmogelijkheid de getuige [medeverdachte 3] te ondervragen moeten compenseren. Waarom dat precies zou moeten blijft echter in het middel in het midden.

In de context van de herhaling van het verzoek tot het horen van getuigen staat, zo oordeelt kennelijk het hof, de kwestie van het verschoningsrecht als het ware op zichzelf. Enige andere processuele consequentie dan dat de getuige op de zitting zou moeten getuigen wordt in de pleitnota aan dit gegeven – te weten dat de getuige [medeverdachte 3] zich bij zijn verhoor, in eerste aanleg door de rechter-commissaris, op zijn verschoningsrecht zou hebben beroepen – niet verbonden. Voor een goed begrip citeer ik een iets uitgebreider gedeelte dan het middel doet:6

“Ter verificatie van voornoemde stellingen van [verdachte] kan [medeverdachte 3] worden gehoord. [verdachte] heeft hier recht en belang bij. [verdachte] heeft aanwijzingen dat [medeverdachte 3] heeft gekampt met een black-out. Er is door de verdediging ook aangevoerd dat [medeverdachte 3] tijdens zijn verhoor feitelijk onjuistheden heeft verteld en bovendien vaag is in zijn uitlatingen. In het pleidooi in eerste aanleg is uitgelegd hoe dat precies zit. Op het moment dat de verdediging in de gelegenheid werd gesteld om [medeverdachte 3] nadere vragen te stellen met betrekking tot het bouwdepot beriep [medeverdachte 3] zich op zijn verschoningsrecht.

Nu er zoveel onduidelijkheid is over de verklaring van [medeverdachte 3] is het niet alleen in het belang van de verdediging, maar is het ook noodzakelijk voor het onderzoek om [medeverdachte 3] hieromtrent nader te kunnen bevragen. Met name aangezien de Rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 3] als een bewijsmiddel heeft gebruikt.”

Anders dan de steller van het middel meent was, gelet op de context waarin het beroep op het verschoningsrecht aan de orde is gekomen, het hof niet gehouden er van blijk te geven dit aspect bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van het horen van deze getuige te hebben betrokken. Dat aspect komt pas aan de orde indien het horen van de getuige wel noodzakelijk wordt geoordeeld maar dit, vanwege het beroep op het verschoningsrecht, vruchteloos (b)lijkt te zijn. Het enkele feit dat een getuige zich op enig moment op zijn verschoningsrecht heeft beroepen maakt dus niet dat het oproepen van deze getuige op de terechtzitting vereist zou zijn. Ook deze deelklacht faalt.

7.6. Het derde middel faalt dus als geheel.

8. Het vierde middel klaagt over de (herhaalde) afwijzing van het hof van het verzoek om de getuige [medeverdachte 2] (getuige nr. 77) te horen.

8.1. Ook om het horen van deze getuige is door de verdediging ter terechtzitting van 3 november 2016 verzocht en ook daarvoor gold dus, zoals de steller van het middel terecht onderkent, het noodzakelijkheidscriterium. Voorts geldt dat het hof (ook) het horen van deze getuige met de motivering zoals weergegeven bij de bespreking het tweede middel heeft afgewezen.

8.2. Met betrekking tot het verzoek tot het horen van deze getuige, [medeverdachte 2] (getuige nr. 77) is specifiek in de pleitnota voor de zittingen van 3, 9 en 10 november, getiteld “Herhaling verzoek tot het horen van getuigen” het volgende aangevoerd:

“Motivering

Nu het Openbaar Ministerie kennelijk de verdenking handhaaft ten aanzien van het vormen van een criminele organisatie met ook [medeverdachte 1] , heeft de verdediging van [verdachte] zich bij de regiezitting d.d. 18 maart 2016 aangesloten bij de getuigenverzoeken die zien op onderzoek naar de bedrijfscultuur zoals genoemd in het pleidooi en appèlschriftuur van mr. Canatan, waaronder ook het verzoek om het horen van deze getuige.

Het Openbaar Ministerie is middels haar appèlschriftuur in hoger beroep gegaan tegen het oordeel van de Rechtbank dat [verdachte] niet met (onder meer) [medeverdachte 1] de vermeende criminele organisatie vormde. Uit het bewijsmiddelenoverzicht van het OM zou blijken dat daar voldoende aanknopingspunten voor zijn, waaronder dat [verdachte] “de truc van [medeverdachte 1] ” zou hebben meegenomen en hebben verfijnd in een eigen werkwijze; dat notaris [betrokkene 7] op het kantoor van [A] aktes passeerde voor panden van [verdachte] ; dat [verdachte] , [betrokkene 5] en anderen geregeld langs kwamen op het kantoor van [A] ; dat er panden vanuit de [A] portefeuille werden aangeboden aan [verdachte] en andersom.65

In haar appèluitwerking 140 Sr voert het OM aan dat [verdachte] en [medeverdachte 1] gezamenlijk leiding zouden hebben gegeven aan een criminele organisatie en dat deze organisatie rond de bedrijven van [medeverdachte 1] ; [A] en [B] zou hangen waarna het OM dit nader uitwerkt.

Voorts stelt het OM in haar appèluitwerking 140 Sr dat ook [medeverdachte 2] een rol zou hebben gespeeld binnen de vermeende criminele organisatie waar cliënt aan leiding zou hebben gegeven. Namelijk binnen het kader “interne (eigen werknemers) en externe (van buiten) “hulp” met opmaken valse salarisstroken en werkgeversverklaringen”.66 Het OM stelt dat medeverdachte [medeverdachte 2] bij [A] heeft gewerkt en daar salarisstroken en werkgeversverklaringen heeft vervalst. Bovendien heeft de Rechtbank geoordeeld dat [medeverdachte 2] deel uitmaakt van de criminele organisatie waar [verdachte] aan leiding zou geven. [verdachte] ontkent daar van het voorgaande sprake is en wenst om dit aan te tonen [medeverdachte 2] te bevragen. De verdediging is van oordeel dat zijn verklaringen zouden kunnen aantonen dat [verdachte] zich niet schuldig heeft gemaakt aan het leidinggeven aan een criminele organisatie, waar het OM hem van beschuldigd.

Het betreft een getuige die gedurende langere tijd met of voor [A] heeft gewerkt (gedurende de tenlastegelegde periode) en die kan onderbouwen dat er geen sprake is geweest van strafbare gedragingen binnen en/of door de onderneming. Door deze getuige kan verklaard worden over de werkwijze van [A] , de richtlijnen, de bedrijfscultuur en de positie en gedragingen van [verdachte] . De verklaringen van [medeverdachte 2] kunnen ook de betwisting van cliënt van de belastende verklaringen van o.a. [betrokkene 5] en [betrokkene 2] ondersteunen.

Het horen van [medeverdachte 2] is dan ook in het belang van de verdediging daar de verklaring van deze getuige zou kunnen aantonen dat van de vermeende criminele organisatie waar [verdachte] (met [medeverdachte 1] ) leiding aan zou hebben gegeven geen sprake is. [medeverdachte 2] zou ontlastend kunnen verklaren. De verdediging is van oordeel dat het horen van [medeverdachte 2] kan bijdragen aan enige door Uw Hof te beantwoorden vraag in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv.”

8.3. Naar ik meen onderscheidt de redengeving voor het horen van deze getuige (nr. 77) zich niet wezenlijk van die voor de getuigen die in het tweede middel aan de orde kwamen. Mede gelet op hetgeen het hof over de onderhavige en die andere getuigen heeft overwogen – welke overweging bij de bespreking van het tweede middel reeds is geciteerd – alsmede mijn opmerkingen over die andere getuigen acht ik ook de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuige 77 niet onbegrijpelijk.

8.4. Het middel faalt.

9. Het vijfde middel klaagt dat het hof ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd de verklaringen van de getuige [betrokkene 2] tot het bewijs heeft gebezigd, aangezien de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuige adequaat en effectief te ondervragen en deze beperking van het ondervragingsrecht evenmin op andere wijze is gecompenseerd, terwijl deze verklaringen minst genomen van ‘considerable weight’ zijn voor de bewezenverklaringen.

9.1. De vraag naar de bruikbaarheid van de verklaring van de bedoelde getuige is door het hof besproken in aansluiting op de (inleidende) bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 3.D van de tenlastelegging. Ik geef die overwegingen hier eerst weer:

Feit 3.D

Tenlastelegging

Verdachte wordt onder feit 3.D verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift met betrekking tot het opmaken/vervalsen van facturen die vervolgens aan de banken ter verkrijging van een uitbetaling van bouwdepots zijn overgelegd. Dit alles met betrekking tot de woningen aan de [a-straat 1 en 2] in [plaats 1] .

Feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van deze verwijten wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden, zoals daarvan blijkt uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen.

- [a-straat 1]

Aan de [betrokkene 1 en 2] is blijkens een hypotheekofferte op 28 juni 2006 door de SNS Bank een lening verstrekt inclusief € 15.000,- bouwdepot. Betaling uit het bouwdepot geschiedt, zo luidt de afspraak, na overlegging van de door de [betrokkene 1 en 2] voor akkoord ondertekende (ver)bouwnota.

Bij brief van 28 september 2006 verzoeken de [betrokkene 1 en 2] om een bijgevoegde factuur ten laste van het bouwdepot over te maken naar de bankrekening van de [betrokkene 1] . Volgens de tekst op de factuur met nummer 5016 is deze afkomstig van [C] , [b-straat 1] te [postcode] [vestigingsplaats] . Hierbij wordt een bedrag van € 14.975,- in rekening gebracht voor de renovatie van de woning [a-straat 1] , met specificatie waar die kosten voor zijn gemaakt. De factuur vermeldt dat deze op 26 september 2006 contant is voldaan.

Op 25 oktober 2006 is een bedrag van € 14.975,- bijgeschreven op het rekeningnummer [rekeningnummer] van [betrokkene 1] met omschrijving "Spoedopdracht 911494715 [betrokkene 1] overboeking uit bouwdepot".

- [a-straat 2]

Aan de [betrokkene 1 en 2] is blijkens een hypotheekofferte op 10 juli 2006 door de Rabobank een lening verstrekt inclusief € 15.000,- bouwdepot.

Op de factuur met nummer 5017 die volgens het opschrift afkomstig is van [C] , [b-straat 1] te [postcode] [vestigingsplaats] , wordt een bedrag van € 14.975,- in rekening gebracht voor de renovatie van de woning [a-straat 2] , met specificatie waar die kosten voor zijn gemaakt. De factuur vermeldt dat deze op 26 september 2006 contant is voldaan.
Volgens de betalingsopdracht van Rabobank Amsterdam en omstreken gedagtekend 28 september 2006, wordt aan [betrokkene 1] € 15.000,- overgemaakt.

[betrokkene 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij via [betrokkene 2] aan het adres [a-straat 1] is gekomen. [betrokkene 2] had aangeboden om vanuit het bouwdepot schulden af te lossen. [betrokkene 1] heeft meer specifiek verklaard: "Er is niet verbouwd, ik heb het geld gekregen door facturen die [verdachte] voor mij heeft opgemaakt. Daarvoor moest ik hem betalen. U vraagt mij hoe ik weet dat [verdachte] die heeft opgemaakt. Hij heeft mij die facturen laten tekenen ".

Op de vraag of hij geld uit het bouwdepot van de [a-straat 2] heeft ontvangen, antwoordt [betrokkene 1] bevestigend. Dit betrof € 15.000,-: "Ik kreeg het ook op mijn rekening, op dezelfde manier als die van nummer 65. "

[betrokkene 2] heeft dienaangaande tegenover de politie verklaard: Ik ben in dienst getreden bij [A] Nederland. Dit was in 2005. [verdachte] , [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en de broer van [medeverdachte 1] uit [woonplaats] die ik ken als [betrokkene 9] waren eigenaar van het [A] bedrijf.

[medeverdachte 1] was creatief in oplossingen. Hij kende het wereldje. Hij kon oplossingen bedenken zoals een 2e huis. Zoals bij mensen die schulden hadden en die dit in een hypotheek kunnen krijgen. Het kon door middel van een depot. De klant werd dan geadviseerd om een tweede huis te kopen en daar kwam een extra geldlening bij voor kwaliteitsverbetering die daarvoor dan niet werd aangewend. Maar die werd dan aangewend voor consumptieve bestedingen of aflossingen van schulden. Voorts heeft [betrokkene 2] verklaard dat [betrokkene 1] [A] en [verdachte] via hem kende en dat de constructie met betrekking tot de koop van de [a-straat 1 en 2] door [verdachte] bedacht was. [betrokkene 2] heeft al het papierwerk gedaan.”

9.2. Ten aanzien van de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaring van de getuige [betrokkene 2] , die zich bij een eerder verhoor door de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, heeft het hof als volgt overwogen:

De bruikbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2]

In het licht van de uitspraak EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071, NJ 2012/649 nr. 29353/06 (Vidgen tegen Nederland), geldt in een geval als het onderhavige, waarin de op verzoek van de verdediging opgeroepen en bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris verschenen getuige op grond van het hem toekomende verschoningsrecht heeft geweigerd antwoord te geven op de hem gestelde vragen, dat de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring.
Volgens vaste jurisprudentie staat art. 6 EVRM echter niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring, indien de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (Vgl. HR 10 januari 2012, LJN BU3486, NJ 2012/149, m.nt. Sch, rov. 2.3).

Het bewijs van de betrokkenheid van verdachte berust - anders dan de raadsman heeft betoogd - niet alleen of in beslissende mate (‘solely or to a decisive degree’) op de verklaring van [betrokkene 2] . De door de verdediging gelaakte verklaringen vormen namelijk niet het enige of in beslissende mate het bewijs voor de feiten die het hof hierna bewezen zal verklaren op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen. Het hof doelt hierbij, naast de facturen en hypotheekoffertes, op de verklaring van [betrokkene 1] . Met deze bewijsmiddelen kan op zich reeds directe betrokkenheid en wetenschap van verdachte bij voormelde strafbare gedragingen bewezen worden.

Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat, ook wanneer de verklaring van een getuige die niet gehoord is kunnen worden door de verdediging niet alleen of in beslissende mate bepalend is voor het bewijs, niettemin onder omstandigheden de vraag aan de orde kan zijn of er voldoende compenserende factoren zijn geboden die een eerlijke en adequate beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaring mogelijk maken. Daargelaten de vraag of van dergelijke omstandigheden sprake is geweest, vastgesteld kan worden dat als 'compensatie' voor het niet kunnen horen van [betrokkene 2] wel gehoord is, [betrokkene 1] , wiens verklaring, zoals hiervoor genoemd, steun biedt aan de voor het bewijs te gebruiken verklaring van [betrokkene 2] . Immers, de verdediging was in de gelegenheid om de getuige [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris op 10 maart 2014 te bevragen. De verdediging werd daarbij vertegenwoordigd door mr. Hendriksen. De getuige is uitgebreid bevraagd op het onderdeel van de verklaring van [betrokkene 2] die door verdachte is betwist. De verdediging heeft aldus in voldoende mate de gelegenheid gehad de verklaring van [betrokkene 2] op haar betrouwbaarheid te toetsen.

De verklaring van de getuige [betrokkene 2] kan gebruikt worden voor het bewijs.”

9.3. Het hof verwijst in zijn overwegingen terecht naar de zaak Vidgen, waarin het EHRM oordeelde dat ingeval een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van vragen verschoont, niet kan worden gesproken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging in de zin van art. 6 lid 3 sub d EVRM. De Hoge Raad deed naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM op 4 juli 2017 opnieuw uitspraak in de zaak Vidgen.7 Daarin zijn, met inachtneming van de voor deze thematiek eveneens relevante EHRM-zaak Schatschaschwili,8 de volgende uitgangspunten geformuleerd:

“3.2.1.

Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2.

Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3.

Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”

9.4. Waar het middel zich op het standpunt lijkt te stellen dat het voorgaande, door de Hoge Raad verschafte toetsingskader niet spoort met dat van het EHRM, aangezien aldaar de maatstaf van ‘considerable weight’ wordt gehanteerd, verwijs ik graag naar een recent arrest van de Hoge Raad (HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123), waarin is uiteengezet dat dit een misvatting is. Ik zal de klacht in het middel dus uitsluitend tegen de achtergrond van het hierboven weergegeven kader beoordelen.

9.5. Het positieve antwoord van het hof op de vraag, of in de onderhavige zaak voldoende steunbewijs aanwezig is voor de gewraakte verklaring van de getuige is naar mijn mening niet onbegrijpelijk, gelet op de bewijsvoering als geheel. Dat ten aanzien van de andere getuige wiens verklaring voor het bewijs is gebezigd door de verdediging wel van het ondervragingsrecht gebruik kon worden gemaakt (en gemaakt is) maakt dat het beroep op art. 6 EVRM op een ‘extra’ goede grond is verworpen. Of die omstandigheid alleen de verwerping van het verweer zou kunnen dragen is een academische kwestie die in cassatie niet verder hoeft te worden geëxploreerd.

9.6. Het middel faalt.

10. Het zesde middel klaagt dat het hof een aantal feiten of omstandigheden redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring van feit 1 (p. 45 arrest), maar heeft verzuimd deze ofwel in de bewijsvoering op te nemen, ofwel met voldoende nauwkeurigheid de vindplaats aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.

10.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van valsheid in geschrift ten behoeve van hypotheekfraude en het plegen van witwassen, aan welke organisatie hij, verdachte heeft leiding gegeven.”

10.2. De op p. 45 in het arrest opgenomen bewijsoverweging waar het middel tegen opkomt, luidt als volgt:

“Ook werden er door tussenkomst van [A] bouwdepots aangevraagd die vervolgens door het gebruik van valse facturen leeggetrokken werden. Een voorbeeld hiervan is de constructie die door verdachte is opgezet ten behoeve van de woningen aan de [a-straat 1 en 2] . Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich hieraan in een andere zaak (ZD 244) schuldig gemaakt en adviseerde klanten een dergelijke constructie aan te gaan en droeg deze werkwijze uit aan zijn medewerkers. Een belangrijke schakel in het geheel was voorts medeverdachte [medeverdachte 3] , eigenaar van bouwbedrijf [C] . [medeverdachte 3] maakte facturen op voor de door verdachte opgetuigde constructies. Hij vermeldde in strijd met de waarheid op de factuur dat deze 'contant betaald' was, terwijl er geen verbouwingen hadden plaatsgevonden. [medeverdachte 3] ontving de gelden die vrijkwamen uit de betreffende bouwdepots op zijn rekening en boekte deze door naar [verdachte] . Dit heeft naar zijn zeggen zo'n 8 à 9 keer per jaar, vanaf 2007/2008 plaatsgevonden.”

10.3. Ik geef de steller van het middel toe dat de vergelijking van deze, als lopend betoog vormgegeven bewijsoverweging, met de in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen een zoekplaatje oplevert. Daarbij ben ik echter wel wat verder gekomen dan de geëerde steller van het middel, zo moet ik in alle bescheidenheid zeggen. Waar dat zoekplaatje niet tot in de details geheel bevredigende oplossingen leidt is het vervolgens de vraag of dat tot cassatie moet leiden. Ik beantwoord die vraag negatief.
Volgens de steller van het middel zijn de volgende feiten en omstandigheden niet op de gebezigde bewijsmiddelen terug te voeren, waarbij ik gemakshalve een nummering heb aangebracht:

(i) - dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich in zaak (ZD 244) schuldig heeft gemaakt aan het leegtrekken van bouwdepots;

(ii) - dat medeverdachte [medeverdachte 3] facturen maakte op voor de door verdachte opgetuigde constructies waarin hij in strijd met de waarheid vermeldde dat deze 'contant betaald' waren, terwijl er geen verbouwingen hadden plaatsgevonden;

(iii) - en dat [medeverdachte 3] de gelden ontving die vrijkwamen uit de betreffende bouwdepots op zijn rekening en deze doorboekte naar rekwirant en dat [medeverdachte 3] heeft verklaard dat dit ca. 8 à 9 keer per jaar, vanaf 2007/2008 had plaatsgevonden.

10.4. (i) Met betrekking tot deze omstandigheid neem ik – veronderstellenderwijze – aan dat het hof de specifieke betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte 1] bij zaak ZD 244 heeft vastgesteld in de tegelijkertijd berechte zaak tegen die medeverdachte. Het gebruik van die gegevens in de onderhavige zaak is uiteraard niet zonder meer mogelijk. Tot cassatie hoeft dat naar ik meen niet te leiden, aangezien het hof onder de bewijsmiddelen (als nr. 22) onder meer ook de verklaring van de getuige [betrokkene 2] heeft opgenomen, waaruit van betrokkenheid van deze medeverdachte bij het “leegtrekken van bouwdepots” evenzeer blijkt.
(ii) Onder de bewijsmiddelen zijn enkele facturen van het bedrijf van [medeverdachte 3] opgenomen, waarvan als nr. 19 één factuur met de vermelding “Bedrag contant voldaan.” Dat (ook) deze factuur vals was blijkt uit de getuigenverklaring opgenomen als bewijsmiddel 21. [medeverdachte 3] verklaart daarover in hoofdlijn zelf ook, zie bewijsmiddel 25. Dat het hof spreekt over het opmaken van valse facturen is voor het overige gedekt door de bewijsmiddelen.

(iii) dat (het bedrijf van) [medeverdachte 3] in ieder geval één keer uit een bouwdepot ontvangen gelden doorboekte naar [verdachte] kan worden afgeleid uit het bankafschrift, opgenomen als bewijsmiddel 30, in samenhang met de declaratie voor hetzelfde bedrag dat kennelijk als gevolg daarvan door het bedrijf van [medeverdachte 3] (voor zgn. verbouwingswerkzaamheden) op de bank is ontvangen. Dat dit 8 á 9 keer per jaar zou hebben plaatsgevonden blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit – uit de bewijsmiddelen – kan wel worden afgeleid dat het ‘leegtrekken’ van een bouwdepot meermalen heeft plaatsgevonden. In het licht daarvan acht ik het geconstateerde gebrek van zo ondergeschikte aard dat dit niet tot cassatie moet leiden. Daarbij heb ik ook gelet op de bewijsvoering ten aanzien van het onderhavige feit voor het overige – de misdrijven, waarop de organisatie het oogmerk had hadden ook nog betrekking op het vervalsen van werkgevers- en inkomensverklaringen ten behoeve van het verkrijgen van hypotheken.

10.5. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

11. Het zevende middel klaagt dat het onder 2 bewezen verklaarde omzetten en gebruik maken van een geldbedrag afkomstig uit enig misdrijf niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

11.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 juli 2008 in de gemeente Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander onderstaand voorwerp

- heeft verworven en/of voorhanden gehad en omgezet en ervan gebruik gemaakt, te weten een geldbedrag van 176.000 Euro (hypothecaire lening zaak 10) terwijl hij verdachte en/of zijn mededader wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

11.2. Omtrent de bewezenverklaring van dit feit heeft het hof (onder meer) het volgende overwogen (arrest p. 39):

“Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift, in die zin dat de ter verkrijging van de hypothecaire geldlening van € 176.000,- bij de hypotheekaanvraag bij de MNF Bank overgelegde werkgeversverklaring en salarisspecificatie valselijk zijn opgemaakt. Op basis van deze geschriften is een hypothecaire geldlening van € 176.000,- verworven en hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] dit bedrag voorhanden gehad. Deze hypothecaire geldlening is daarmee onmiddellijk afkomstig uit het door verdachte en zijn mededader [medeverdachte 4] gepleegde misdrijf valsheid in geschrift.

Zoals uit de brief van 26 juni 2006 van verdachte en [medeverdachte 4] aan de MNF bank blijkt, werd met deze hypothecaire geldlening (na aftrek van provisie en kosten) de eerste particuliere hypotheeknemer, dat is verdachte, voldaan. Het verschil tussen het oorspronkelijk door verdachte gefinancierde bedrag van € 207.111,38 en het door MNF Bank verstrekte krediet van € 176.000,— werd door verdachte aan [medeverdachte 4] geschonken. De uit de hypothecaire lening bij MNF Bank verkregen gelden zijn mitsdien gebruikt en omgezet, ze zijn namelijk aangewend/gebruikt ter aflossing (deels) van de particuliere hypotheekverstrekking door [verdachte] aan [medeverdachte 4] van 207.111,38.”

11.3. De steller van het middel spitst de bewijsklacht ten aanzien van dit omzetten en gebruik maken van de in de bewezenverklaring genoemde € 176.000,-- toe op bewijsmiddel 9, aangezien daaruit slechts van het voornemen van de omzetting zou blijken maar niet van de voltooiing daarvan. Dit bewijsmiddel luidt als volgt:

9. Een schriftelijk stuk, te weten een door [verdachte] en [medeverdachte 4] ondertekende brief d.d. 26 mei 2006 gericht aan de MNF Bank, zaaksdossier 10, pagina 1169 - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ondergetekenden verklaren hierbij als volgt.

Thans is [medeverdachte 4] bezig met de financiering van haar woning. In dit kader verklaart [medeverdachte 4] dat zij reeds het eigendom van de woning heeft verkregen. Indien de bank haar de hypotheek met als hoofdsom € 176.000,- verstrekt, dan is dit bedrag reeds voldoende. Met het netto-hypotheekbedrag (na aftrek van provisie en kosten) zal de huidige particuliere hypotheekverstrekker worden voldaan. Het verschil tussen de huidige particuliere hypotheekbedrag ad € 207.111,38 en het hypotheekbedrag van de MNF Bank zal ondergetekende aan haar schenken, dan wel geven. Met nadruk verklaren wij hierbij dat er geen sprake zal zijn van rente en/of aflossing uit en/of hoofde van deze schenking. Dit gezien onze relatie.”

11.4. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof uit de genoemde brief mede heeft kunnen afleiden dat de bedoelde omzetting van de “onderhandse” lening in de door de bank verschafte hypothecaire lening ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Betwist is dit ook niet in feitelijke aanleg. Daarbij kan nog worden betrokken hetgeen [medeverdachte 4] (de begunstigde van de leningen) heeft verklaard, zoals onder 14. bij de bewijsmiddelen is opgenomen:

14. Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 4] d.d. 31 oktober 2011, zaaksdossier 10, pagina's 954 tot en met 961 - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [medeverdachte 4]:

Ik heb zelf op Funda gekeken en heb de woning in de [c straat] in [plaats 2] gevonden. Ik heb toen aan [verdachte] gevraagd of hij dat verder voor mij kon regelen. Hij heeft de notaris, [betrokkene 8] uit Almere, benadert en ook contact gezocht met de makelaar ik dacht dat dat [betrokkene 6] uit de [d-straat] In [plaats 2] was. Tevens heeft er een taxatie van het pand plaatsgevonden, ook dat heeft [verdachte] of de makelaar geregeld, hoe dat precies gegaan is weet ik niet en ook niet voor welk bedrag het getaxeerd is. Ook de hypotheek heeft [verdachte] verder voor mij geregeld, hij heeft de MNF bank hiervoor benaderd. Ik heb hem mijn adresgegevens en een kopie van mijn paspoort gegeven. Verder heeft [verdachte] een werkgeversverklaring en een loonstrook geregeld van een administratiekantoor in [plaats 2] aan de [e straat] . Ik heb daar nooit gewerkt. Ik weet niet hoe het administratiekantoor heet. Ik ben daar ook nooit geweest. [verdachte] heeft alle papieren gekregen. Ik heb niets gekregen ook geen geld van dat bedrijf. [verdachte] had in eerste instantie voordat de hypotheek bij de MNF bank rond was in privé de hypotheek bij de notaris betaald, daarna is de hypotheek door [verdachte] bij de MNF geregeld.”

11.5. Ook dit middel faalt.

12. Het achtste middel klaagt dat het onder 3A bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

12.1. Ten laste van de verdachte is onder 3A bewezenverklaard dat hij:

“hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 juli 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, telkens geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een salarisspecificatie en een werkgeversverklaring heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen doen te gebruiken bestaande die valsheid uit het vermelden van onjuiste salarisgegevens en een onjuiste werkgever en dat gebruiken of doen gebruiken uit het overleggen van die valse salarisspecificatie en werkgeversverklaring aan banken ter financiering en verkrijging van een hypothecaire lening (zaak 10).”

12.2. Omtrent het medeplegen van dit feit, tezamen met medeverdachte [medeverdachte 2] , heeft het hof als volgt overwogen (p. 38/39):

Oordeel hof

De ten behoeve van de hypotheekaanvraag van de woning aan de [c-straat 1] te [plaats 2] bij de MNF Bank ingediende werkgeversverklaring en salarisspecificatie zijn in strijd met de waarheid opgemaakt. Volgens medeverdachte [medeverdachte 2] is er nooit iemand in dienst geweest van [D] , welk bedrijf op zijn naam stond, ook [medeverdachte 4] niet. [medeverdachte 2] beschrijft hoe hij tot het opmaken van deze en andere werkgeversverklaringen/salarisstroken is gekomen. Die beschrijving komt erop neer dat hij op verzoek van [verdachte] en [betrokkene 5] altijd een combinatie maakte van valse werkgeversverklaringen en valse loonstroken. [medeverdachte 4] heeft bovendien verklaard dat het [verdachte] was die een werkgeversverklaring en een loonstrook regelde van een administratiekantoor aan de [e straat] in [plaats 2] . Deze verklaringen in onderling verband bezien tonen rechtstreekse betrokkenheid aan van [verdachte] bij het vervalsen van de gebruikte werkgeversverklaring en loonspecificatie. Een betrokkenheid bovendien die kan worden aangemerkt als een bewuste en nauwe samenwerking met [medeverdachte 2] bij het vervalsen van de werkgeversverklaring en salarisspecificatie.”

12.3. Volgens de steller van het middel diende het hof, nu de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen van het ten laste gelegde delict heeft gepleegd bijzondere aandacht te schenken aan de vraag of de verdachte niettemin als medepleger beschouwd kan worden. Dat uitgangspunt is juist, maar anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof wel toereikend heeft gemotiveerd waarom de rol van de verdachte als medeplegen is aangemerkt. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

12.4. De klacht en daarmee het middel faalt

13. Het negende middel behelst de klacht dat het hof in bewijsmiddel 14 een ontoelaatbare conclusie voor het bewijs heeft gebezigd inhoudende dat rekwirant “een werkgeversverklaring en een loonstrook heeft geregeld.”

13.1. De in het middel bedoelde passage komt voor in de verklaring van de getuige [medeverdachte 4] , opgenomen als nummer 14. van de bewijsmiddelen en die hierboven, bij de bespreking van het zevende middel reeds door mij is aangehaald. Voor zover de bedoelde passage een conclusie van de getuige inhoudt kan die rechtstreeks volgen uit hetgeen de getuige overigens heeft verklaard, namelijk dat zij – kennelijk met het doel om de hypotheek te ‘regelen’ – haar adresgegevens en een kopie van haar paspoort aan de verdachte heeft gegeven, waarna een en ander, zoals zij zelf kon waarnemen, resulteerde in de verstrekking van de voor de hypotheek noodzakelijke, doch valse documenten. De conclusie dat de verdachte die documenten had ‘geregeld’ volgt daaruit naar ik meen geheel logisch.

13.2. Het middel faalt.

14. Het tiende middel behelst de klacht dat het hof in bewijsmiddel 21 een ontoelaatbare conclusie voor het bewijs heeft gebezigd inhoudende dat rekwirant ‘facturen heeft opgemaakt’.

14.1. De in dit middel gewraakte passage komt voor in de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , opgenomen onder de bewijsmiddelen als nr. 21:

“Via [betrokkene 2] , die heeft mij die twee panden aangeboden. Hij was mijn hypotheker. [betrokkene 2] had mij aangeboden om vanuit een bouwdepot, ik had wat schulden, om die in te lossen via het bouwdepot en om te verhuren.

Wat kunt u verklaren over een bouwdepot bij de aankoop van dit pand? Er is niet verbouwd, ik heb het geld gekregen door facturen die [verdachte] voor mij heeft opgemaakt. Daarvoor moest ik hem betalen. U vraagt mij hoe ik weet dat [verdachte] die heeft op gemaakt. Hij heeft mij de facturen laten tekenen.

Heeft u geld uit het bouwdepot van nr. 85 ontvangen? Ja. Dat was ook 15.000 euro.

Hoe is dat gegaan? Ik kreeg het ook op mijn rekening, op dezelfde manier als die van nummer 65.

Op 19 december 2011 verklaart u: “ [verdachte] heeft ook voor 4.500 euro totaal voor beide woningen de valse bouwfacturen geregeld.” Klopt dit? Dat zijn de twee bedragen die ik bedoel.”

14.2. Volgens de steller van het middel kon de getuige niet uit eigen waarneming of ondervinding verklaren dat de verdachte (zelf) de valse facturen had opgemaakt. Ik meen echter dat die eerste passage gelezen dient te worden in samenhang met hetgeen de getuige in de laatste alinea verklaart, te weten dat de verdachte “de valse bouwfacturen [heeft] geregeld”. Hoe dat precies gegaan is, met name wie de uitvoeringshandeling van het opstellen van de valse facturen heeft verricht, zal de getuige niet hebben bedoeld te verklaren. Wel dat door tussenkomst van [verdachte] de valse facturen op tafel kwamen. Zo gelezen is van een ongeoorloofde conclusie, mening of gissing geen sprake.

14.3. Ook dit middel faalt.

15. Het elfde middel klaagt dat het onder 3D bewezen verklaarde medeplegen niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

15.1. Ten laste van de verdachte is onder 3D bewezenverklaard dat hij:

“hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen telkens geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten facturen valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen doen te gebruiken bestaande die valsheid uit het vermelden op die facturen dat kosten in rekening zijn gebracht voor een renovatie en waar die kosten voor zijn gemaakt en dat die facturen zijn voldaan terwijl die renovatie en betaling niet hebben plaatsgevonden en dat gebruiken of doen gebruiken uit het overleggen van die valse facturen aan de bank ter verkrijging van een uitbetaling van het bouwdepot met betrekking tot de onroerende zaken/woningen gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats 1] en [a-straat 2] te [plaats 1] .”

15.2. Het middel borduurt de klacht over het aannemen van het medeplegen door de verdachte op hetzelfde stramien als werd gebruikt bij het zevende middel. Net als bij dat middel faalt de klacht ook hier. Ik verwijs naar de uitgebreide motivering van het hof op p. 40/41 van het arrest:

Oordeel hof

Het hof acht de verklaring van [betrokkene 1] betrouwbaar. [betrokkene 1] heeft duidelijk verklaard dat het nimmer de bedoeling was om te verbouwen en dat de gelden die uit de bouwdepots vrijkwamen zijn ingezet om zijn schulden af te betalen. Hiermee belast hij zichzelf ook. [betrokkene 1] heeft tegenover de rechter-commissaris uitgebreid verklaard hoe het ontstane contact met [verdachte] en [betrokkene 2] tot stond is gekomen en hoe dat er vervolgens toe heeft geleid dat er valse facturen zijn opgesteld ten behoeve van het ontvangen van de bouwdepots. Die verklaring wordt in algemene en specifieke zin ondersteund door de verklaring van [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft immers verklaard dat de constructie voor de koop van de panden [a-straat 1 en 2] door [verdachte] bedacht was en dat hijzelf het papierwerk deed. Het hof verstaat deze verklaring, bezien in het licht van de werkzaamheden van [A] (en dus [verdachte] en [betrokkene 2] ), aldus dat met de koop wordt bedoeld de verkrijging van de panden, dat is inclusief hetgeen ten aanzien van de bouwdepots is afgesproken/besproken. Dat bouwdepot werd immers tegelijk met de financiering van de woning geregeld. De verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] versterken elkaar voorts in algemene zin nu [betrokkene 2] de door [betrokkene 1] geschetste gang van zaken over het voorstel om een bouwdepot aan te vragen ter aflossing van schulden, onderschrijft en dit zelfs typeert als bedrijfspraktijk. De verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in onderling verband tonen rechtstreekse betrokkenheid aan van [verdachte] bij het vervalsen van de facturen. Een betrokkenheid bovendien die kan worden aangemerkt als een bewuste en nauwe samenwerking.”

15.3. Naar ik meen heeft het hof op toereikende wijze gemotiveerd waarom de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. In aanvulling hierop verwijs ik ook nog naar de als bewijsmiddel 21 opgenomen verklaring van de [betrokkene 1] , waaruit blijkt dat de verdachte [betrokkene 1] de facturen heeft laten tekenen. Het oordeel van het hof dat de verdachte rechtstreeks was betrokken bij de valsheid in geschrift is ook gelet daarop geenszins onbegrijpelijk.

16. Het twaalfde middel klaagt over de strafmotivering, meer in het bijzonder dat het hof heeft overwogen dat de banken financieel nadeel hebben geleden door het bewezenverklaarde terwijl uit de bestreden uitspraak, de aanvulling bewijsmiddelen, noch uit de stukken van het geding blijkt van dit nadeel.

16.1. Met betrekking tot de strafmotivering heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen medeplegen van valsheid in geschrift en het plegen van witwassen. Hij heeft voorts als leider deelgenomen aan een criminele organisatie waarbinnen deze strafbare gedragingen, kortgezegd hypotheekfraude, op veel grotere schaal werden gepleegd. Verdachte had feitelijke zeggenschap binnen [A] , had betrokkenheid bij en wetenschap van fraudegevallen en heeft het nemen van maatregelen achterwege gelaten. Uit het samenspel van feiten blijkt dat hij mede door inzet van zijn bedrijf, deze werkwijze juist heeft bevorderd en uitgedragen en anderen, zijnde noodzakelijke schakels in de door hem opgezette constructies, hiertoe heeft aangezet. Dit gebeurde op grote schaal en verdachte heeft een aanzienlijk aandeel gehad in en aangezet tot voornoemde gedragingen.

Het betreffen ernstige feiten, nu de integriteit van het financieel en economisch verkeer daardoor wordt aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt door dergelijke feiten ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Meer specifiek geldt dat in het economische verkeer hypothecaire geldleningen een belangrijke rol spelen. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvragen is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Verdachte heeft door inzet van zijn bedrijf misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming alsook van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker die er van uit moet kunnen gaan dat overgelegde documenten naar waarheid zijn opgemaakt. Door het plegen van valsheid in geschrift zijn banken bewogen tot het verstrekken van hypothecaire geldleningen en gelden uit bouwdepots, terwijl zij dit anders niet zouden hebben gedaan. Deze banken hebben hierdoor financieel nadeel geleden.

(…)”

16.2. De steller van het middel valt het oordeel van het hof, dat de banken financieel nadeel hebben ondervonden, aan door te stellen dat niet is gebleken dat de banken daadwerkelijk nadeel hebben geleden. Ik meen dat die klacht blijk geeft van een onjuiste lezing van ’s hofs overweging. Niet bedoeld door het hof is, zo lijkt mij, vast te stellen dat er een dadelijk te nemen financieel verlies is ontstaan door de malversaties van onder meer de verdachte, maar dat wel aannemelijk is dat door het verstrekken van wat ik maar noem ‘rommelhypotheken’ de balans van de banken negatief beïnvloed wordt. Dát aanmerken als financieel nadeel is niet onbegrijpelijk.

16.3. Het middel faalt.

17. Het dertiende middel tenslotte. Dat klaagt dat de opgelegde bijkomende straf van ontzetting uit het beroep van hypotheekadviseur voor de duur van zeven jaren (ten tijde van de bewezenverklaarde feiten) niet bij wet was voorzien.

17.1. De verdachte is onder meer veroordeeld wegens het misdrijf van art. 420bis Sr (witwassen). Voorts luidt art 420quinqies Sr:

Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 420bis tot en met 420quater omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden uitgesproken en kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf heeft begaan.

17.2. Vervolgens is van belang hetgeen de Hoge Raad leert omtrent de processuele verwerking van deze bijkomende straf, zie HR 2 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:87:

“Voor de oplegging van de bijkomende straf van ontzetting van een recht om een bepaald beroep uit te oefenen als bedoeld in art. 28, eerste lid, Sr geldt niet als vereiste dat ten laste is gelegd - en dienovereenkomstig bewezen wordt verklaard - dat het misdrijf in die uitoefening van een beroep is begaan (vgl. HR 18 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4310, NJ 2000/589 met noot D.H. de Jong). Het is in de gevallen dat de wet de ontzetting van het recht een beroep uit te oefenen wegens het begaan van een misdrijf toelaat, toereikend dat van de omstandigheid dat het misdrijf is begaan in de uitoefening van het beroep ter terechtzitting is gebleken en dat de rechter in de motivering van zijn beslissing hiervan blijk geeft.”

17.3. Met betrekking tot de oplegging van de bijkomende straf heeft het hof het volgende overwogen:

“Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen als financieel- en hypotheekadviseur ernstig geschonden. In de omstandigheid dat het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden binnen de uitoefening van dit beroep en verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen en dus de vrees bestaat dat hij, vanuit dat gebrekkige zelfinzicht, in herhaling zal vervallen, ziet het hof - evenals de advocaat-generaal - aanleiding verdachte als bijkomende straf te ontzetten van het recht tot uitoefening van het beroep van financieel- en hypotheekadviseur voor de duur van zeven jaren. Van deze ontzetting dient ook naar andere financieel adviseurs het signaal uit te gaan dat het beroep slechts kan worden uitgeoefend indien dat integer gebeurt. Wie dat in omvangrijke mate niet doet diskwalificeert zichzelf als integer adviseur en kan om die reden in die beroepsuitoefening niet gehandhaafd worden.”

17.4. In deze overweging is naar ik meen genoegzaam weergegeven dat het hof van oordeel is dat (ook) het in art. 420quienquies genoemde witwassen in de uitoefening van het beroep van hypotheekadviseur is begaan.

18. Het laatste middel faalt.

19. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

20. Ambtshalve wijs ik erop dat de redelijke termijn van twee jaren op 21 maart 2019 verstrijkt. Indien Uw Raad na die datum uitspraak doet, dan zal daarmee bij de afdoening rekening dienen te worden houden. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179.

2 Idem als noot 1, p. 85.

3 Dit stuk is ongedateerd maar, evenals kennelijk het gerechtshof, ga ik ervan uit dat deze schriftuur tijdig, dat wil zeggen binnen de termijn, genoemd in art. 410 Sv is ingediend.

4 Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

5 Dezelfde passage op valt op. 177 van de (overkoepelende) pleitnota lezen (inclusief voetnoot 532).

6 Met weglating van voetnoten.

7 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017.

8 EHRM 15 december 2015, Appl. no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland).