Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:415

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
16/02556
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag beslag, art. 552a Sv. Verzoek om teruggave van twee horloges en twee goudstaven. Ambtshalve concludeert de AG dat het hof de klager niet ontvankelijk had behoren te verklaren omdat in de onderliggende strafzaak de horloges en de goudstaven reeds verbeurd zijn verklaard. In de procedure ex art. 552a Sv kunnen slechts beslissingen worden gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter aangaande het beslag. Op grond hiervan adviseert de AG de Hoge Raad de klager alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn beklag. In het geval dat de Hoge Raad daar anders over oordeelt is de AG van mening dat het hof niet de juiste beoordelingsmaatstaf heeft toegepast en adviseert de AG de bestreden beschikking te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02556 B

Zitting: 23 april 2019

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klager]

1 Inleiding

1.1.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 29 april 2016 het klaagschrift van de klager gegrond verklaard voor zover het strekte tot teruggave aan hem van een inbeslaggenomen geldbedrag en voor het overige ongegrond verklaard.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld, dat gericht is tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift voor zover teruggave is verzocht van twee blokken goud, een Rolex horloge en een Cartier horloge.

2 De bestreden beschikking

2.1.

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“Inhoud van het klaagschrift

Het bezwaarschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager van de onder de verdachte [verdachte] (in de strafzaak in hoger beroep met parketnummer 23-001114-14) op 17 januari 2009 in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een geldbedrag van

€75.000,00 (niet wettelijke rente), twee blokken goud en twee horloges (Rolex nr. 16 en Cadier nr. 27 op de beslaglijst).

(…)

Beoordeling

Het klaagschrift is tijdig namens de klager ingediend.

Op 17 januari 2009 zijn onder de verdachte [verdachte] (in de strafzaak in hoger beroep met parketnummer 23-001114-14) op grond van het bepaalde in artikel 94 WvSv onder meer een geldbedrag van € 98.750.00, twee blokken goud en twee horloges (Rolex nr. 16 en Cartier nr. 27 op de beslaglijst) in beslag genomen. In de strafzaak met parketnummer 15-7000041-09 is de klager in de hoedanigheid van verdachte bij inmiddels onherroepelijk vonnis van 7 mei 2013 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, vrijgesproken van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De advocaat van de klager heeft in raadkamer onder meer kenbaar gemaakt dat het geldbedrag van € 75.000.00 een legale herkomst heeft nu de klager op 3 november 2006 in het kader van een belastingteruggave een geldbedrag van € 143.679.78 van de belastingdienst heeft ontvangen. De klager heeft het in beslag genomen geldbedrag en twee goudblokken bij zijn dochter [dochter] in bewaring gegeven, die op haar beurt de voorwerpen en het geldbedrag vanwege een vakantie tijdelijk aan haar moeder, de verdachte [verdachte] , in bewaring heeft gegeven. De klager zou de twee goudblokken respectievelijk in juni 2004 en november 2006 hebben gekocht bij [A] in [plaats] . De twee horloges zijn in het buitenland aangeschaft en de klager heeft daar geen bonnen van.

Bij arrest van 29 april 2016 van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak met parketnummer 23-001114-14 is de verdachte [verdachte] ten aanzien van het onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren en diverse bijzondere voorwaarden, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Voorts heeft het hof ten aanzien van de onder de verdachte [verdachte] in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen en geldbedragen beslist tot verbeurdverklaring en ten aanzien van een geldbedrag van € 73.750.00 beslist tot bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

Naar het oordeel van het hof dient de klager te worden beschouwd als de rechthebbende van voornoemd geldbedrag. Dit is (enigszins) lager dan het door de klager verzochte bedrag van € 75.000.00, nu in de tenlastelegging van de verdachte [verdachte] , onder 1 cumulatief vierde gedachtestreepje, onder meer een geldbedrag van € 98.750.00 is genoemd. Dit is destijds in beslag genomen en de rechtbank heeft de verdachte [verdachte] reeds vrijgesproken van het witwassen van een geldbedrag van € 25.000.00, nu [eigenaar] gemotiveerd heeft aangegeven dat de € 25.000,00 hem toebehoort (€ 98.750,00 minus € 25.000.00 = € 73.750.00).

Het hof zal daarom het beklag grotendeels gegrond verklaren en de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan de klager gelasten. Het hof zal niet de door de klager verzochte wettelijke rente toewijzen nu daartoe geen termen aanwezig zijn.

Voor zover het beklag ziet op de teruggave van de twee blokken goud en twee merkhorloges is door en namens de klager onvoldoende aangevoerd, en bevat het dossier overigens onvoldoende stukken, om dit deel van het verzoek toereikend te (kunnen) ondersteunen. Derhalve zal het beklag om die reden in zo verre ongegrond worden verklaard.”

3 De omvang van het beroep in cassatie

3.1.

Voordat ik het middel bespreek wil ik opmerken dat het namens de klager ingestelde cassatieberoep tegen de bestreden beschikking niet is beperkt. Uit de schriftuur blijkt echter dat het de klager alleen te doen is om het ongegrond verklaarde deel van zijn klaagschrift. De klager heeft ook geen rechtens te respecteren belang bij zijn beroep tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift, voor zover dit strekte tot teruggave aan hem van het onder [verdachte] inbeslaggenomen geldbedrag van € 73.750.00.

3.2.

De Hoge Raad pleegt in een geval als het onderhavige het onbeperkt ingestelde cassatieberoep op te vatten als kennelijk niet te zijn gericht tegen de bestreden beschikking, voor zover daarbij het klaagschrift gegrond is verklaard.1 In dat verband heb ik mij afgevraagd of hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 24 april 20182 heeft bepaald, namelijk dat de Hoge Raad niet langer ambtshalve onbeperkt ingestelde cassatieberoepen in (reguliere) strafzaken beperkt, ook geldt voor de beroepen ingesteld tegen beschikkingen als het onderhavige. Ook in deze gevallen geldt immers – zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 24 april 2018 overweegt – dat mag worden aangenomen dat het instellen van het beroep in cassatie en het al dan niet beperken van dat beroep of het al dan niet (gedeeltelijk) intrekken daarvan, berust op een weloverwogen keuze van de advocatuur en het openbaar ministerie en dat de Hoge Raad daarom uit het achterwege blijven van het gebruik van deze bevoegdheden kan afleiden dat het niet beperken van het beroep berust op een weloverwogen keuze. Het lijkt mij voor de rechtspraktijk van belang dat de Hoge Raad zich daarover uitlaat.

3.3.

Voor de onderhavige zaak speelt dit niet omdat de cassatieschriftuur vóór 1 juli 2018 door de raadsvrouw ingediend, zijnde de datum die de Hoge Raad in zijn arrest van 24 april 2018 noemt. Op daarna ingediende cassatieschrifturen past de Hoge Raad de nieuwe regel toe. Dit betekent dat hetgeen in voormeld arrest is bepaald – mocht dat ook gelden voor de onbeperkt ingestelde cassatieberoepen tegen beschikkingen gewezen op klaagschriften ingediend op de voet van art. 552a Sv – niet van toepassing is, omdat de raadsvrouw niet bedacht kon zijn op de afschaffing van de door de Hoge Raad gehanteerde gewoonteregel van ambtshalve beperking van het cassatieberoep. Het namens de klager ingestelde beroep in cassatie dient daarom te worden opgevat als kennelijk niet te zijn gericht tegen de bestreden beschikking, voor zover het klaagschrift daarbij gegrond is verklaard, maar slechts tegen de ongegrondverklaring van klagers klaagschrift, voor zover dit klaagschrift strekte tot teruggave aan de klager van twee goudstaven en twee horloges die onder [verdachte] in beslag zijn genomen.

4 De status van het beslag

4.1.

Dan doet zich nog een kwestie voor, die aan de bespreking van het middel moet voorafgaan. Uit de bestreden beschikking blijkt dat door het hof is vastgesteld dat het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 29 april 2016 in de strafzaak met parketnummer 23-001114-14 tegen [verdachte] “ten aanzien van de onder de verdachte [verdachte] in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (…) [heeft] beslist tot verbeurdverklaring”.

4.2.

Deze vaststelling roept bij mij de vragen op. In de eerste plaats of het hof de klager wel had moeten ontvangen in zijn op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift voor zover dit strekte tot teruggave aan hem van de twee goudstaven en de twee horloges die onder [verdachte] in beslag zijn genomen. En in de tweede plaats of het hof het klaagschrift van de klager ten aanzien van deze voorwerpen had moeten opvatten als een beklag op de voet van art. 552b Sv, op grond waarvan een belanghebbende, zijnde een ander dat de verdachte of veroordeelde kan klagen over onder meer de verbeurdverklaring van hun toekomende voorwerpen. Voor de beantwoording van die vragen is het volgende van belang.

4.3.

De twee horloges waarvan de klager de teruggave verzoekt komen overeen – zo blijkt uit het klaagschrift en de bestreden beschikking – met de voorwerpen vermeld onder nummer 16 en 27 van de beslaglijst. De twee goudstaven waarvan de klager de teruggave verzoekt zijn niet gespecificeerd in het klaagschrift, noch in de bestreden beschikking. Uit het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van 15 april 2016 blijkt dat de advocaat van de klager namens de klager een aantal stukken heeft overgelegd die betrekking hadden op de persoonlijke omstandigheden van de klager en de reden waarom hij niet in raadkamer was verschenen. Aan deze overgelegde stukken, die zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden, is een verklaring van de klager gehecht, inhoudende dat de goudstaven waarvan hij teruggave verzoekt de goudblokken zijn zoals getoond op pagina 1313 van het dossier. Op een kopie van deze dossierpagina die bij de verklaring is gevoegd zijn twee goudstaven waar te nemen en is daarbij het volgende nummer vermeld: “01.06.a.16”.

4.4.

Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat in de strafzaak tegen [verdachte] , met parketnummer 23/001114-14, beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 24 april 20183 het bestreden hof-arrest – voor zover het aan zijn oordeel was onderworpen – partieel vernietigd. Het dictum van dit arrest luidt als volgt:

“De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak – voor zover aan zijn oordeel onderworpen – doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, waaronder dus begrepen de beslissingen als bedoeld in art. 353-354 Sv omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.”

4.5.

Het hof had in het vernietigde arrest met betrekking tot de in casu van belang zijnde inbeslaggenomen voorwerpen als volgt beslist:

“Het hof:

(…)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de nummers (…), 14 tot en met 27, 29 tot en met 40, (…) van de aan dit arrest gehechte beslaglijst.”

4.6.

De beslaglijst die aan het arrest van het hof is gehecht vermeldt het volgende:

“Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

Parketnr.: 41/700039-09

Naam verdachte: [verdachte]

Voorwerpen

(…)

16 1.00 STK Horloge KI: zilver

ROLEX heren

01.04a01

(…)

27 1.00 STK Horloge Kl: zilverkl.

CARTIER heren

01.06.

a.01z

(…)

31 2000.00 GR Goud

staaf

01.06.

a.16

(…)”

4.7.

Uit het voorgaande kan de conclusie worden getrokken dat de twee horloges en de twee goudstaven waarvan de klager de teruggave verzoekt (nog) niet onherroepelijk verbeurd zijn verklaard.4

Hieruit volgt dat in cassatie ervan uit kan worden gegaan dat het gaat om een op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift en het hof dit niet had hoeven opvatten als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv.

4.8.

Dat laat echter onverlet dat het gaat om voorwerpen die door het hof in de strafzaak tegen [verdachte] al waren verbeurd verklaard en dat in het kader van de beklagprocedure ex art. 552a Sv slechts beslissingen kunnen worden gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter aangaande het beslag. Dat wordt pas anders als de beslissing tot verbeurdverklaring in de strafzaak uitvoerbaar is geworden. Dan kan daartegen op grond van art. 552b Sv worden geklaagd.

De uitkomst van deze puzzel is dus dat het hof de klager in zijn op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift niet ontvankelijk had moeten verklaren, omdat het hof als beklagrechter geen andersluidende beslissing (meer) kon geven dan het hof in de strafzaak had gedaan. De klager had op grond daarvan bij zijn verzoek gebaseerd op art. 552a Sv geen belang meer.5

4.9.

De vraag is vervolgens of de omstandigheid dat het arrest van het hof waarbij op het beslag is beslist inmiddels door de Hoge Raad is vernietigd en de zaak door de Hoge Raad is teruggewezen, thans tot een ander oordeel moet leiden over het belang van de klager bij het oorspronkelijke klaagschrift. Dit lijkt van niet. Door de vernietiging van het arrest van het hof door de Hoge Raad herleeft het vonnis van de rechtbank gewezen in de strafzaak tegen [verdachte] , waarbij eveneens is beslist tot verbeurdverklaring van de twee horloges en de twee goudstaven waarvan de klager de teruggave heeft verzocht.6 Zolang dit vonnis en de daarin gegeven beslissing op het beslag niet is vernietigd door het hof, kan er op het klaagschrift van de klager geen beslissing volgen, althans geen andersluidende beslissing dan reeds in dat vonnis is gegeven.

4.10.

Ik kom dan ook tot de conclusie dat de klager door de Hoge Raad alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag. Voor het geval de Hoge Raad hier anders over denkt, bespreek ik hierna het middel.

5 Het middel

5.1.

In het middel wordt gesteld dat het hof op grond van een onjuiste maatstaf heeft geoordeeld dat het klaagschrift van de klager ongegrond moet worden verklaard ten aanzien van de goudstaven en de horloges waarvan hij de teruggave verzoekt, althans dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

5.2.

De klager verzoekt teruggave van voorwerpen die op de voet van art. 94 Sv onder een ander in beslag zijn genomen. De beoordelingsmaatstaf voor een dergelijk verzoek is of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en, mocht dat het geval zijn, of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.7

5.3.

Het hof heeft aan zijn oordeel dat het beklag ongegrond moet worden verklaard, voor zover het ziet op de teruggave van de twee blokken goud en de twee merkhorloges, ten grondslag gelegd dat “namens de klager onvoldoende [is] aangevoerd, en het dossier overigens onvoldoende stukken [bevat], om dit deel van het verzoek toereikend te (kunnen) ondersteunen.” Daaruit blijkt dat het hof niet de voorgeschreven maatstaf heeft toegepast.

6. Het middel klaagt hierover terecht.

7 Conclusie

7.1.

Ambtshalve heb ik geen andere dan de hiervoor onder 4. besproken gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

7.2.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover deze aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen, en in zoverre tot het (alsnog) niet-ontvankelijk verklaren van de klager in zijn beklag.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vlg. o.m. HR 19 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2142, onder 1.; HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:341 en HR 20 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3424.

2 HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:507.

3 ECLI:NL:HR:2018:507.

4 Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft het hof Amsterdam de strafzaak tegen [verdachte] , na terugwijzing daarvan door de Hoge Raad, nog niet afgedaan.

5 Vlg. o.m. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5263, HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3859, en HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:1273.

6 Het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 maart 2014, parketnummer 15/700039-09, in de strafzaak tegen [verdachte] , houdt als beslissing van de rechtbank in: “8. Beslissing omtrent het beslag Verbeurdverklaring De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de nummers (…), 14 t/m 27, (…), 29 t/m 44, (…) op de beslaglijst, dienen te worden verbeurd verklaard.”

7 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654.