Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:414

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
17/01580
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:606
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01580

Zitting: 12 februari 2019

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 13 maart 2017 de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep gericht tegen deelvrijspraken van de feiten 2 en 3 en heeft, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – de verdachte vrijgesproken van onderdelen van feit 3 en wegens 1. “Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.”, 2A. “Medeplegen van witwassen, terwijl het strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon en verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, en 3A. “Medeplegen van valsheid in geschrift, terwijl het strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon en verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Voorts is hem het recht tot uitoefening van het beroep van financieel adviseur en hypotheekadviseur ontzegd voor de duur van zeven jaren en heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/01394, 17/01622, 17/01668, 17/02690, 17/02829 en 17/02831. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft negen middelen van cassatie voorgesteld. Bij akte van 25 april 2018 is het beroep in cassatie ingetrokken voor zover het betreft onderdelen van het tenlastegelegde waarvan de verdachte al dan niet integraal is vrijgesproken.

  4. In deze zaak en in de daarmee samenhangende zaken draait het om de [A] (hierna ook: [A] ). [A] verleende op grote schaal financiële bemiddeling, maar blijkens de bewezenverklaringen ging onder de dekmantel van een betrouwbaar, legaal zaken doend, bedrijf een illegale tak schuil. [A] adviseerde klanten die financiële problemen hadden om een tweede huis te kopen en een extra geldlening voor kwaliteitsverbetering aan te vragen. Bij hypotheekaanvragen werd volgens het hof gebruikgemaakt van valse werkgeversverklaringen en salarisstroken. De verkregen geldlening werd vervolgens vaak gebruikt voor aflossingen van schulden of consumptieve doeleinden. Ook werden door tussenkomst van [B] aangevraagd. Door middel van valse facturen werden banken bewogen tot verstrekking van gelden uit bouwdepots, terwijl geen verbouwingen hadden plaatsgevonden. De door het hof gedane vaststellingen resulteerden in bijvoorbeeld veroordelingen voor deelname aan een criminele organisatie, en in veroordelingen wegens valsheid in geschrift en witwassen.

  5. Het eerste middel klaagt dat art. 437 Sv en 6 EVRM zijn geschonden, omdat de raadsman van rekwirant in de cassatiefase onvoldoende tijd heeft gekregen die nodig is voor de voorbereiding van zijn verdediging.

5.1. Volgens bestendige rechtspraak komt als middel van cassatie uitsluitend in aanmerking een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1 Uit deze definitie volgt dat een klacht over een beslissing van de rolraadsheer van de Hoge Raad niet in aanmerking komt voor bespreking in cassatie. Het cassatieberoep is immers gericht tegen het onderliggende arrest van het hof en de beslissing van de rolraadsheer van de Hoge Raad, om, nadat eerst een verlenging met twee weken van de termijn voor het indienen van een schriftuur was verleend, niet nogmaals die termijn te verlengen is niet een beslissing die in het in cassatie bestreden arrest is genomen. Opmerking verdient daarbij nog dat tegen deze beslissing van de als enkelvoudige kamer van de Hoge Raad opererende rolraadsheer2 ingevolge art. 78 RO ook geen zelfstandig cassatieberoep openstaat. In het geding in cassatie kan een klacht als door de raadsman geuit dus nimmer aan de orde komen.
Waar de raadsman, ter omzeiling van deze klip, met een beroep op art. 6 lid 3 sub b EVRM (het recht te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn om de verdediging voor te bereiden), verzoekt om een tussenarrest van de Hoge Raad om de raadsman alsnog de verzochte extra tijd van vijf maanden tijd te vergunnen om nadere middelen van cassatie in te dienen lijkt me dat dit een gepasseerd station is. Op het eerdere verzoek met die strekking is immers al door de rolraadsheer afwijzend beslist en voor het – in afwijking van de in de wet vastgelegde procedure – daarop terugkomen door de Hoge Raad zouden op zijn minst nieuwe (en naar het mij voorkomt zeer zwaarwegende) argumenten aangevoerd moeten zijn en die heb ik niet aangetroffen. Het verzoek dient te worden afgewezen.

6. Het tweede middel klaagt over de (herhaalde) afwijzing van het hof van het verzoek om de getuigen 1-18, 20, 22, 24-26, 28, 30 en 33-39 te horen.3

6.1. Met betrekking tot de door verdediging verzochte oproeping van getuigen heeft het hof in zijn arrest als volgt overwogen:4

Overwegingen ten aanzien van getuigenverzoeken van de verdediging

Bij appelschriftuur van 16 maart 2015 heeft de verdediging het horen van een reeks getuigen verzocht onder meer teneinde aan te tonen dat er binnen [A] geen sprake was van “een bedrijfscultuur waarbinnen strafbare gedragingen konden plaatsvinden/ plaats vonden” waaraan verdachte zou hebben leiding gegeven en dat verdachte zodoende geen lid is geweest van een criminele organisatie. Ter zitting van 21 april 2016 heeft het hof deze verzoeken afgewezen, met uitzondering van de verzoeken tot het horen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] . Buiten deze laatste getuige, zijn deze allen gehoord door de gedelegeerd raadsheer-commissaris. Op grond van het ambtsbericht d.d. 10 oktober 2016 van de gedelegeerd raadsheer-commissaris met betrekking tot [getuige 6] , waarin werd geconcludeerd dat niet te verwachten was dat de getuige binnen redelijke termijn gehoord kon worden is afgezien van het horen van deze getuige. Zowel ter zitting van het hof van 3 november 2016 als ter zitting van het hof van 23 november heeft de verdediging het verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur verzochte getuigen herhaald, voor zover die verzoeken op 21 april 2016 niet zijn toegewezen en tot een daadwerkelijk verhoor hebben geleid. Het hof heeft op genoemde zittingen telkens meegedeeld, in verband met de gedachtenvorming rondom de inhoudelijke beoordeling van de zaak, niet eerder dan bij arrest een beslissing op de verzoeken te zullen nemen.

Ter correctie op de beslissing van 21 april 2016 en aan de hand van de door de raadsman gehanteerde nummering, worden de verzoeken tot het horen van de getuigen 1, 2, 5 t/m 12, 15 t/m 18, 20, 22, 24, 25, 30, 33 t/m 41, 43, 47 en 49 t/m 52 beoordeeld tegen de achtergrond van het verdedigingsbelang, evenals het verzoek tot het horen van getuige 44, waarop het hof per abuis, op 21 april 2016 niet heeft beslist. Ten aanzien van deze getuigen oordeelt het hof dat onvoldoende concreet en gespecificeerd is aangegeven in welk opzicht verklaringen over de bedrijfscultuur bij [A] van belang zouden kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedragingen waarbij verdachte volgens de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 4] feitelijk betrokkenheid zou hebben gehad.

De herhaalde verzoeken tot het horen van de getuigen 3, 4, 14, 26, 28, 45, 46 en 48 worden beoordeeld tegen de achtergrond van het noodzakelijkheidscriterium, evenals het verzoek tot het horen van getuige 13, waarop het hof per abuis, op 21 april 2016 niet heeft beslist. Het hof is ten aanzien van deze getuigen onvoldoende gebleken van de noodzaak tot horen. De verzoeken worden afgewezen.”

6.2. Het middel stelt zich op het standpunt dat het hof weliswaar het juiste (verdedigings- c.q. noodzakelijkheid-)criterium heeft gehanteerd maar de afwijzing van de verzoeken tot het horen tot de in de aanhef van het middel genoemde getuigen (nrs. 1-18, 20, 22, 24-26, 28, 30 en 33-39) niettemin onbegrijpelijk althans ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarbij spitst het middel die kwestie toe, door aan te voeren dat de genoemde getuigen blijkens de aan de verzoeken ten grondslag gelegde motivering konden dienen om aan te tonen dat in de door verdachte geleide onderneming ( [A] ) geen bedrijfscultuur heerste die gericht was op het plegen van misdrijven en het hof bij zijn afwijzing op die onderbouwing niet is ingegaan.

6.3. Ik meen dat deze klacht in het middel niet opgaat. Ten aanzien van de bedoelde getuigen die met toepassing van het verdedigingscriterium zijn afgewezen heeft het hof de onderbouwing door de verdediging van het verzoek deze getuigen op te roepen als te mager beoordeeld. Die motivering van het hof is naar ik meen niet onbegrijpelijk, gelet de onderbouwing van het verzoek, waaruit immers niet valt destilleren welke vragen nu eigenlijk aan de getuigen gesteld zouden moeten worden. Ik teken daarbij nog eens aan dat het stellen van de eis van een deugdelijke motivering aan getuigenverzoeken niet in strijd is met het recht, waaronder art. 6 EVRM.5 Waar het hof het horen van de overige getuigen (3, 14, 16, 28) niet noodzakelijk heeft geacht is dat, mede tegen de achtergrond van de, ten aanzien van deze getuigen, grosso modo gelijkluidende onderbouwing door de verdediging evenmin onbegrijpelijk.

6.4. Voor zover het middel nog lijkt te berusten op de opvatting dat voor getuigen, die voor het bewijs zijn gebezigd, een andere, zwaardere maatstaf dan het noodzakelijkheids- c.q. verdedigingscriterium zou gelden, of dat alsdan het niet-horen van de getuigen op een of andere wijze gecompenseerd zou dienen te worden, vindt die opvatting geen steun in het recht.

6.5. Het middel faalt.

7. Het derde middel klaagt over de afwijzing door het hof van het (herhaalde) verzoek om de getuigen [medeverdachte] (nr. 40), [getuige 7] (nr. 41) en [getuige 8] (nr. 43) te horen. Het hof heeft, door een motivering te bezigen die ziet op andere getuigen (de getuigen in middel 2) de facto niet gerespondeerd op de onderbouwing van de getuigenverzoeken.

7.1. De in dit middel genoemde getuigen zijn opgenomen in de appelschriftuur van de verdediging doch waren niet opgeroepen voor de zitting. Op de (regie)zitting van 21 april 2016 is het verzoek tot het horen van – onder meer – deze getuigen door de verdediging herhaald, welk verzoek door het hof blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting als volgt is afgewezen:

“De voorzitter deelt mee dat vandaag de beslissing van het hof op de ingediende onderzoekswensen zal worden meegedeeld.

Het hof beslist als volgt:

Verzoek

Bij de beoordeling van de getuigenverzoeken gaat het hof uit van de nummering zoals door de raadsman is aangebracht in de appelschriftuur d.d. 16 maart 2015 (zie bijlage bij dit proces-verbaal).

De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht 52 getuigen te horen.

Beoordeling

Toewijzing verzoek tot horen van getuigen 23, 27, 31, 32, 42, 50

Het hof wijst het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [getuige 1]

(nr. 23), [getuige 2] (nr. 27), [getuige 3] (nr. 31), [getuige 4]

(nr. 32), [getuige 5] (nr. 42) en [getuige 6] . (nr. 50) toe, nu het Openbaar Ministerie zich niet tegen het horen van deze getuigen heeft verzet dan wel de noodzaak van het horen voldoende is gebleken en het hof ambtshalve geen reden ziet anders te oordelen.

Proceseconomische gronden brengen mee dat het noodzakelijk is de getuigen, op de voet van het in artikel 316 juncto 415 Wetboek van Strafvordering bepaalde, te doen horen door een gedelegeerd raadsheer-commissaris. De advocaat-generaal en de raadsman hebben op de terechtzitting van 24 februari 2016 aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben.

Afwijzing verzoek tot horen van getuigen 1 t/m 12, 14 t/m 18, 20, 22, 24, 25, 26, 28, 30, 31, 33, 34, 35 en 36 t/m 39

Het hof wijst het verzoek van de verdediging om deze getuigen te horen over de bedrijfscultuur bij [A] af.

In de toelichting op het verzoek om deze getuigen te horen is door de verdediging onvoldoende concreet en gespecificeerd onderbouwd in welk opzicht verklaringen over de bedrijfscultuur bij [A] van belang zouden kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan verboden gedragingen waarbij hij feitelijke betrokkenheid zou hebben gehad.

De verzoeken zijn beoordeeld tegen de achtergrond van het

noodzakelijkheidscriterium. De verdediging heeft aangevoerd dat dit formeel juist is, maar dat de wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg heeft plaatsgevonden nadat er al getuigen waren gehoord. Ook tegen de achtergrond van het criterium van het verdedigingsbelang is onvoldoende onderbouwd waarom dit belang zou moeten leiden tot het toewijzen van de verzoeken.

Afwijzing verzoek tot horen van getuigen 40, 41, 43, 45 t/m 49, 51, 52

Het hof wijst het verzoek van de verdediging om deze getuigen te horen af, nu deze verzoeken onvoldoende concreet en gespecificeerd zijn onderbouwd.

De verzoeken zijn beoordeeld tegen de achtergrond van het

noodzakelijkheidscriterium. Ook hier geldt dat de verdediging heeft aangevoerd dat dit formeel juist is, maar dat de wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg heeft plaatsgevonden nadat er al getuigen waren gehoord. Ook tegen de achtergrond van het criterium van het verdedigingsbelang is echter onvoldoende onderbouwd waarom dit belang zou moeten leiden tot het toewijzen van de verzoeken.
(…)”

7.2. Op de terechtzitting van het hof van 3 november 2016 is blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota met het verzoek tot het horen van de getuigen 40, 41 en 43 herhaald en als volgt nader toegelicht:

p.2 “Getuigen 14 t/m 18, 20, 22, 24, 25, 26, 28, 30, 33 t/m 39, 40, 41, 43

Deze getuigen heeft uw Hof afgewezen op grond van het noodzakelijkheidscriterium terwijl zij, behoudens getuigen 14, 26 en 28 niet in eerste aanleg zijn gehoord en wel tijdig zijn opgegeven bij appelschriftuur zodat getoetst moet worden aan het verdedigingsbelang. Ik betwist dan ook dat ik ten aanzien van deze getuigen mij op het standpunt zou hebben gesteld dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing zou zijn.
Ik herhaal de onderbouwing zoals ik die ter zitting d.d. 26 februari jl. heb uiteengezet. Voor zover uw Hof de onderbouwing als herhaald en ingelast beschouwt zal ik dat niet opnieuw voordragen. Wel zal ik de getuigen betreffende de bedrijfscultuur (groepsgewijs) en de getuigen onder 40, 41, 43 en 47 t/m 49 nader onderbouwen.


(…)

(p. 19-21) Getuigen met name genoemde panden

Onderstaande personen zijn de eigenaren van de panden die vermeld zijn in de telastelegging. Zij zijn derhalve bij uitstek de getuigen die hierover ondervraagd kunnen worden. De rechtbank heeft bijna al hun verklaringen voor het bewijs gebruikt, maar stelselmatig het verzoek om deze getuigen te mogen ondervragen afgewezen. De getuigen [getuige 4] en [getuige 1] vallen ook onder deze categorie, maar zijn reeds hiervoor opgenomen. De motivering geldt echter ook voor hen. Achter de naam van de getuige is het betreffende pand vermeld.

Volgens het OM zijn de verklaringen helemaal niet voor het bewijs gebruikt en getuigt dat van een onjuiste lezing van blad 4 van het vonnis. De onjuiste lezing zit echter bij het OM omdat de rechtbank (op andere pagina’s van het vonnis) wel degelijk gebruikt maakt van deze verklaringen. Zie voor [medeverdachte] , blad 12, voor [getuige 7] blad 16, voor [getuige 4] blad 15, voor [getuige 4] blad 16 en voor [getuige 1] blad 9. [getuige 8] is nooit gehoord, dus alleen voor haar geldt uiteraard niet dat haar verklaring voor het bewijs is gebruikt.

(…)

40. [medeverdachte] [ [a-straat 1] te [plaats 1] ]

[medeverdachte] kan verklaren over de contacten met [getuige 2] en met name over wat hij haar heeft verteld over de valse factuur en hoe hij daaraan is gekomen. Volgens [getuige 2] regelde cliënt dat immers bij [getuige 6] . Dat is iets dat cliënt betwist. Bovendien heeft de rechtbank kennelijk de verklaring van [medeverdachte] van belang geacht als steun voor de verklaringen van [getuige 2] . De verdediging meent echter dat hij juist op eigen initiatief en met een eigen belang strafbare feiten heeft gepleegd buiten medeweten van cliënt om. Dat vind onder andere steun in de verklaring van [medeverdachte] dat hij 25.000,- tot 30.000,- schuld had voorgeschoten. [medeverdachte] geldt ook als compensatiegetuige omdat [getuige 2] zich op zijn verschoningsrecht beroept.

41. [getuige 7] [ [b-straat 1] te [plaats 2] ]

Uit de RHC-verklaring van [getuige 4] blijkt dat zij is geïnstrueerd door [getuige 2] om zijn naam niet, maar daarvoor in de plaats die van cliënt te noemen. Zij erkent dan dus ook dat zij in haar politieverklaring heeft gelogen. [getuige 7] is een vriendin van [getuige 4] en zij hebben onderling ook gesproken nadat [getuige 4] verklaard had bij de politie (p. 5 RHC-verklaring). Ter ondersteuning van de ontlastende verklaring van [getuige 4] wenst de verdediging ook [getuige 7] te ondervragen. Ook voor haar geldt wat ik hiervoor over [medeverdachte] heb gezegd ten aanzien van de verklaringen van [getuige 2] .

42. [getuige 5] [ [c-straat 1] te [plaats 2] ]

Is gehoord.

43. [getuige 8] [ [d-straat 1] te [plaats 2] ]

De naam is overgenomen uit blad 26 van het vonnis. Zij is de met name genoemde persoon in de telastelegging is die door cliënt (al dan niet als feitelijk leidinggevende) ertoe gebracht zou zijn een hypotheekakte te tekenen. Zij is dus bij uitstek de persoon om daarover te verklaren, namelijk of dat inderdaad zo is en waar dat ertoe brengen feitelijk uit zou bestaan. De vragen aan haar zullen dus gaan over wie er bij het tekenen aanwezig waren, wat daarover besproken is, waarom zij getekend heeft en of cliënt daar met haar over heeft gesproken of niet (cliënt betwist dat immers, hij heeft verklaard hier geen betrokkenheid bij te hebben).”

7.3. Het hof heeft bij eindarrest op alle (herhaalde) getuigenverzoeken beslist. ’s Hofs overweging daaromtrent heb ik hierboven onder 6.1, bij de bespreking van het tweede middel reeds weergegeven.

7.4. Waar de steller van het middel signaleert dat het hof geen specifieke, op de nadere onderbouwing gerichte overweging heeft gewijd aan de getuigen 40, 41 en 43 heeft hij het gelijk aan zijn zijde. De hier genoemde getuigen zijn door de verdediging – niet in de appelmemorie en evenmin in het nadere verzoek van 3 november 2016 – in de groep van ‘getuigen omtrent de bedrijfscultuur’ geplaatst, terwijl het hof, desalniettemin, blijkens de weergegeven overweging de getuigen als wél varende onder die vlag heeft afgewezen. Daarmee lijkt het hof even het juiste pad te hebben gemist in het zijdens de verdediging verzochte woud aan getuigen, met complicaties in de vorm van meermaals herhaalde en nader onderbouwde verzoeken.

7.5. Of het gesignaleerde motiveringsgebrek tot cassatie moet leiden is echter de vraag. Ik meen na ampele overweging van niet.

7.6. Eerst ga ik, hoewel dat niet doorslaggevend is, wat nader in op het door het hof gehanteerde criterium voor de beoordeling van de op de zitting van 3 november 2016 herhaalde getuigenverzoeken van de verdediging. Kennelijk is het hof er van uitgegaan dat, ter correctie van het eerder gehanteerde criterium bij de beoordeling van de verzoeken zoals neergelegd in de appelschriftuur, voor de latere verzoeken alsnog het zgn. verdedigingscriterium zou moeten gelden. Daarmee miskent het hof echter hetgeen het heeft overwogen bij de eerdere afwijzing van onder meer dezelfde getuigen, op de regiezitting van 21 april 2016. Het hof was toen van mening dat ook tegen de achtergrond van het criterium van het verdedigingsbelang onvoldoende was onderbouwd waarom dit belang zou moeten leiden tot toewijzing van de verzoeken. De facto is destijds dus ook het juiste criterium gehanteerd, hetgeen maakt dat de latere verzoeken, als ter terechtzitting gedaan, op grond van het ‘lichtere’ noodzaakcriterium konden worden beoordeeld en niet volgens de – doorgaans als wat strenger beschouwde – maatstaf van het verdedigingsbelang. Doorslaggevend is dat alles niet, zo ving ik deze alinea aan. De Hoge Raad heeft immers – naar ik meen terecht – overwogen in het overzichtsarrest over getuigen(verzoeken) dat aan de hantering van het (formele) criterium slechts een beperkte betekenis toekomt in cassatie maar dat het gaat om wat ik maar noem de materiële kwestie, door de Hoge Raad weergegeven als volgt:6

“Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.”

7.7. Tegen deze achtergrond zal ik nader ingaan op de vraag of het gesignaleerde motiveringsgebrek bij de afwijzing van de verzochte getuigen tot cassatie moet leiden, hetgeen mede neerkomt op de vraag of er redelijkerwijs een voldoende belang is gemoeid bij cassatie en terugwijzing naar het hof. Ik loop daartoe het drietal getuigenverzoeken af, zij het in een iets andere volgorde dan in het middel.

7.8. Ten aanzien van getuige nr. 43, [getuige 8] , ligt de zaak relatief simpel. Het tenlastegelegde feit 3.E, waaromtrent de verdediging deze getuige nader vragen wilde stellen, zoals de vraag of zij er door de verdachte toe is gebracht om een – eventueel op onjuiste voorstellingen gebaseerde – hypotheekakte te tekenen is gelet op ’s hofs eindbeslissing in de zaak niet meer relevant. Om deze reden kon het hof een beslissing op het getuigenverzoek naar ik meen zelfs geheel achterwege laten, aangezien daarbij in feitelijke aanleg al geen belang meer bij was gediend.

7.9. Een iets andere uitkomst is aan de orde bij het verzoek tot het horen van getuige nr. 40, [medeverdachte] . Het pand waarvan deze getuige eigenaar was geworden, [a-straat 1] te [plaats 1] , komt voor in de bewezenverklaring onder feit 2.A. In dit feit 2.A waren onder twee gedachtestreepjes meerdere vormen van witwassen tenlastegelegd, gepleegd door de [A] , waaraan de verdachte telkens feitelijke leiding (in de zin van art. 51 Sr) zou hebben gegeven. Van die feiten is naast een ander geval het witwassen met betrekking tot het pand [a-straat 2] bewezenverklaard. De verklaring van deze getuige nr. 40 ( [medeverdachte] ) is onder de bewijsmiddelen is opgenomen, als bewijsmiddel 43. Dit bewijsmiddel luidt als volgt:

Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 20 december 2011, zaaksdossier 255, pagina's 289 tot en met 298 - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde een factuur d.d. 15 februari 2005 met het factuurnummer 05-0438 van Aannemersbedrijf [getuige 6] . en gericht aan [medeverdachte] .

A. Dit ken ik wel. Dit is iets dat ik heb ondertekend bij de hypotheekaanvraag. Dit heb ik ondertekend voor een bouwdepot. [getuige 6] heeft hier niks gedaan in de woning. [getuige 2] heeft mij verteld dat deze factuur voor het bouwdepot was. Het geld heb ik op mijn bankrekening ontvangen. Met dit geld heb ik vervolgens [getuige 2] terugbetaald. [getuige 2] had mij geld geleend.

Ik heb [getuige 6] niks betaald. Ik ken geen [getuige 6] . Deze factuur is onzin.”

7.10. Anders dan in de onderbouwing aan het getuigenverzoek wordt gesteld komt in de verklaring van de getuige, voor zover die voor het bewijs is gebruikt, niet naar voren dat de verdachte op een of andere wijze betrokken was bij de door [getuige 6] uitgebrachte (valse) factuur. Op dat punt is er dus ook geen belang aanwezig bij enige - nadere - ‘ontlastende’ verklaring van de getuige, zo meen ik. Waar verder in de onderbouwing kennelijk nog wordt verwezen naar het de noodzaak deze getuige te horen als ‘compensatie’ voor het feit dat de getuige [getuige 2] zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen verwijs is naar mijn bespreking van het vierde middel. Daaruit volgt namelijk dat geen enkele noodzaak bestond voor het hof om dit feit op een of andere wijze te compenseren. Ik meen al met al dat gelet op hetgeen aan het verzoek tot het horen van deze getuige nr. 40 ten grondslag is gelegd bij de klacht in cassatie onvoldoende belang is gemoeid.7

7.11. Dan is als derde nog aan de orde het verzoek tot het horen van getuige nr. 41, [getuige 7] . Haar verklaring is als bewijsmiddel 28 in de aanvulling van het arrest opgenomen. Voor een goed begrip geef ik dat bewijsmiddel hier integraal weer:

28. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 8 november 2011, zaaksdossier 237, pagina's 298 tot en met 302 - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik heb een bouwdepot voor de [b-straat ] (het hof begrijpt [b-straat 1] ) aangevraagd.

Ik heb € 17.000,-- extra aangevraagd.

Noot verbalisanten: gehoorde laten wij 2 facturen zien van [C] factuurnummer 2007625 ad €7.140,-- en 2007601 ad € 10.115,--.

De verbouwingen zoals die op deze facturen staan hebben niet plaatsgevonden en ik ken het bedrijf [C] ook niet. De facturen zijn alleen opgemaakt om het bouwdepot leeg te halen.

Het belangrijkste voor mij was dat ik door middel van mijn bouwdepot mijn persoonlijke lening kon inlossen.”

7.12. Zoals blijkt uit de verklaring van deze getuige, voor zover die door het hof voor het bewijs is gebruikt, noemt de getuige daarin geen enkele naam van een persoon die (al dan niet) namens [A] bij de verstrekking van het bouwdepot of de ingediende factuur was betrokken, in het bijzonder niet de naam van de verdachte. Terwijl dat laatste nu juist het punt was waaromtrent de getuige gehoord moest worden, blijkens het verzoek. Onder deze omstandigheden hoeft naar ik meen het aan het verzuim van het hof nader te motiveren waarom deze getuige niet gehoord hoefde te worden geen gevolg in cassatie te worden verbonden.

7.13. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

8. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd de verklaringen van de getuigen [getuige 7] , [medeverdachte] en [getuige 2] voor het bewijs heeft gebezigd, aangezien de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de getuigen adequaat en effectief te ondervragen en deze beperking van het ondervragingsrecht evenmin op andere wijze is gecompenseerd, terwijl deze verklaringen minst genomen van ‘considerable weight’ zijn voor de bewezenverklaringen.

8.1. Eerst zal ik de stelling in het middel bespreken dat de verklaring van de getuige [getuige 2] ten onrechte voor het bewijs is gebezigd, althans zonder dat daarvoor adequate compensatie is geboden. Deze getuige heeft zich bij zijn verhoor door de rechter-commissaris in eerste aanleg op zijn verschoningsrechte beroepen. Met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van diens tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring heeft het hof het volgende overwogen:

“Verweer bruikbaarheid en betrouwbaarheid verklaring getuige [getuige 2]

De raadsman stelt zich - tegen de achtergrond van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), 15 december 2011, Al Khawaja en Taheiy tegen Verenigd Koninkrijk, nrs. 26766/05 en 22228/06, EHRM, 10 juli 2012, Vidgen tegen Nederland, nr. 29353/06 en EHRM, 17 april 2014, Schatschaschwili tegen Duitsland, nr. 9154/10 - op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten die nog aan de orde zijn, onder meer omdat de verklaringen van [getuige 2] in verband met schending van art. 6, derde lid onder d, EVRM dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdediging is niet in de gelegenheid geweest om [getuige 2] te ondervragen aangezien hij zich steeds op zijn verschoningsrecht heeft beroepen tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris. Voorts is het bewijs in overwegende mate gebaseerd op de verklaringen van [getuige 2] . Bovendien zijn aan de verdediging niet voldoende andere adequate mogelijkheden geboden om de verklaringen van [getuige 2] te toetsen, nu de getuigen [getuige 4] en [getuige 4] , in tegenstelling tot wat zij bij de politie hebben verklaard, bij de raadsheer-commissaris niet langer belastend over verdachte verklaarden. [getuige 4] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard te hebben gelogen tijdens haar verklaring bij de politie, terwijl [getuige 4] bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard onder druk zaken misschien anders te hebben weergegeven dan bedoeld en dat hij de factuur te tekenen kreeg van de adviseur en dat het niet verdachte was die hem de factuur liet tekenen. Derhalve hebben de verhoren bij de raadsheer-commissaris alleen maar meer vragen opgeroepen over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van [getuige 2] en diens verklaringen, zodat de verdediging alleen nog maar meer belang heeft gekregen om, als de verklaringen van [getuige 2] wel voor het bewijs gebruikt zouden worden, in ieder geval nog in de gelegenheid gesteld te worden nadere getuigen te horen zoals subsidiair verzocht.

Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [getuige 2] bruikbaar is voor het bewijs en tevens als betrouwbaar is aan te merken.

Beoordeling hof
Het hof onderscheidt de vraag of de verklaringen van [getuige 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs vanwege onbruikbaarheid nu er sprake zou zijn geweest van een gebrek aan mogelijkheden om de betrouwbaarheid ervan te toetsen van de vraag of deze verklaringen als betrouwbaar aangemerkt kunnen worden.

De bruikbaarheid van de verklaringen van [getuige 2]
In het licht van de uitspraak EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071, NJ 2012/649 nr. 29353/06 (Vidgen tegen Nederland), geldt in een geval als het onderhavige, waarin de op verzoek van de verdediging opgeroepen en bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris verschenen getuige op grond van het hem toekomende verschoningsrecht heeft geweigerd antwoord te geven op de hem gestelde vragen, dat de verdachte niet het bij art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende, verklaring. Volgens vaste jurisprudentie staat art. 6 EVRM echter niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring, indien de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit steunbewijs betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (Vgl. HR 10 januari 2012, LJN BU3486 NJ 2012/149, rov. 2.3, m.nt. Sch).

Het bewijs van de betrokkenheid van verdachte berust - anders dan de raadsman heeft betoogd - niet alleen of in beslissende mate (‘solely or to a decisive degree’) op de verklaringen van [getuige 2] . De door de verdediging gelaakte verklaringen vormen namelijk niet het enige of in beslissende mate het bewijs voor de feiten die het hof hierna bewezen zal verklaren, zoals zal blijken uit de nadere overwegingen en uit de te bezigen bewijsmiddelen. Het hof doelt hierbij, naast de valse werkgeversverklaring van [getuige 1] en verdachtes eigen verklaring over zijn rol binnen [A] , in bijzonder op de in het dossier aanwezige verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 4] . Met deze bewijsmiddelen kan op zich reeds directe betrokkenheid bij en wetenschap van strafbare gedragingen aan de zijde van verdachte bewezen worden.

Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat, ook wanneer de verklaring van een getuige die niet gehoord is kunnen worden door de verdediging niet alleen of in beslissende mate bepalend is voor het bewijs, niettemin onder omstandigheden de vraag aan de orde kan zijn of er voldoende compenserende factoren zijn geboden die een eerlijke en adequate beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaring mogelijk maken. In casu zijn echter voldoende compenserende factoren geboden. Immers, de verdediging heeft de getuigen [getuige 4] en [getuige 4] bevraagd en deze getuigen hebben op die vragen ook antwoord gegeven. Nu deze verklaringen bovendien betrekking hebben op die onderdelen van de verklaring van [getuige 2] die door verdachte zijn betwist, heeft de verdediging in voldoende mate de gelegenheid gehad de verklaringen van [getuige 2] op betrouwbaarheid te toetsen.

De verklaring van de getuige [getuige 2] kan gebruikt worden voor het bewijs.

De betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2]

(…)”

8.2.

Het hof verwijst in zijn overwegingen terecht naar de zaak Vidgen, waarin het EHRM oordeelde dat ingeval een getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van vragen verschoont, niet kan worden gesproken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging in de zin van art. 6 lid 3 sub d EVRM. De Hoge Raad deed naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM op 4 juli 2017 opnieuw uitspraak in de zaak Vidgen.8 Daarin zijn, met inachtneming van de voor deze thematiek eveneens relevante EHRM-zaak Schatschaschwili,9 de volgende uitgangspunten geformuleerd:

“3.2.1.

Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2.

Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3.

Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”

8.3.

Waar het middel zich op het standpunt lijkt te stellen dat het voorgaande, door de Hoge Raad verschafte toetsingskader niet spoort met dat van het EHRM, aangezien aldaar de maatstaf van ‘considerable weight’ wordt gehanteerd, verwijs ik graag naar een recent arrest van de Hoge Raad (HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123), waarin is uiteengezet dat dit een misvatting is. Ik zal de klacht in het middel dus uitsluitend tegen de achtergrond van het hierboven weergegeven kader beoordelen.

8.4.

Het positieve antwoord van het hof op de vraag, of in de onderhavige zaak voldoende steunbewijs aanwezig is voor de gewraakte verklaring van de getuige is naar mijn mening niet onbegrijpelijk, gelet op de bewijsvoering als geheel. Dat ten aanzien van de andere getuige wiens verklaring voor het bewijs is gebezigd door de verdediging wel van het ondervragingsrecht gebruik kon worden gemaakt (en gemaakt is), maakt dat het beroep op art. 6 EVRM op een ‘extra’ goede grond is verworpen. Of die omstandigheid alleen de verwerping van het verweer zou kunnen dragen is een academische kwestie die in cassatie niet verder hoeft te worden geëxploreerd.

8.5.

Met betrekking tot de andere twee genoemde getuigen, wier verklaringen volgens het middel ten onrechte of ontoereikend gemotiveerd voor het bewijs zijn gebruikt – het betreft de getuigen [medeverdachte] en [getuige 7] – kan ik korter zijn. Ten eerste berust het middel op de stelling dat vanwege het feit dat aan deze getuigenverklaringen door het hof ‘considerable weight’ voor het bewijs zou zijn toegekend een speciale behandeling vereist zou zijn in het licht van art. 6 EVRM. Die stelling is onjuist. Ik verwijs naar hetgeen ik hierboven, onder 8.3 heb opgemerkt. Evenzeer onjuist is de stelling dat het enkele feit dat deze verklaringen voor het bewijs zijn gebruikt, terwijl de verdachte deze getuigen niet op enig moment heeft kunnen ondervragen meebrengt dat daarvoor compenserende maatregelen door het hof getroffen hadden moeten worden. Voor zover in de toelichting bij het middel de klacht besloten zou liggen dat de bedoelde verklaringen voor het bewijs ‘sole or decisive’ zijn geweest is die klacht in het geheel niet gesubstantieerd. Niet is aangegeven voor welke van de bewezenverklaarde feiten dit zou gelden en op welke punten de verklaringen kennelijk doorslaggevend zijn geweest. Ik volsta er dan ook mee te zeggen dat de klacht mij, de gehele bewijsconstructie overziende, geenszins gegrond voorkomt.

9. Het vijfde middel klaagt dat het hof feiten of omstandigheden redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring van feit 1, maar heeft verzuimd deze ofwel in de bewijsvoering op te nemen, ofwel met voldoende nauwkeurigheid de vindplaats aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.

9.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van valsheid in geschrift en het plegen van witwassen, aan welke organisatie hij, verdachte, heeft leiding gegeven.”

9.2.

Volgens het middel gaat het bij de klacht om de volgende door het hof in zijn bewijsoverwegingen op p. 21 van het arrestgenoemde feiten en omstandigheden (door mij gemakshalve genummerd van i tot en met iv):

(i) - Een voorbeeld van de constructie om met valse facturen bouwdepots leeg te trekken is die door [getuige 11] is opgezet ten behoeve van de woningen aan de [e-straat 1 en 2] .

(ii) - [getuige 12] maakte facturen ter zake de door [getuige 11] opgetuigde constructies.

(iii) - [getuige 12] vermeld[d]e in strijd met de waarheid op de factuur dat deze ‘contant betaald’ was, terwijl er geen verbouwingen hadden plaatsgevonden.

(iv) - [getuige 12] ontving de gelden die vrijkwamen uit de betreffende bouwdepots op zijn rekening en boekte deze door naar medeverdachte [getuige 11]. Dit heeft naar zijn zeggen zo’n 8 a 9 keer per jaar, vanaf 2007/2008 plaatsgevonden.

9.3.

Naar mijn mening faalt het middel. Zonder al te veel moeite valt de koppeling van de bewijsoverwegingen van het hof met de gebezigde bewijsmiddelen te leggen. In die zin verbaast het middel mij enigszins, zo veroorloof ik mij op te merken. Daarbij teken ik aan dat hier en daar weliswaar een kleine afwijking valt te constateren tussen de als ‘lopend betoog’ opgezette bewijsoverwegingen en de daaronder schuil gaande bewijsmiddelen, maar dat die afwijkingen van zo ondergeschikte aard zijn dat cassatie op grond daarvan niet aan de orde is.
Ik zal mijn bevindingen ten aanzien van de (door mij genummerde) omstandigheden kort aangeven.

(i) Ik verwijs naar bewijsmiddel 21, waar de getuige [getuige 2] verklaart:

“Het feit dat er sprake was van bouwdepots die leeggetrokken moesten worden is mij bekend. Dit was ook de constructie om het geld vrij te krijgen.

V: Hoe is de verkoop van deze panden tot stand gekomen, wat was uw rol daarbij, in wiens opdracht deed u dit en in hoeverre bent u door uw opdrachtgever in de uitvoering van deze opdracht geïnstrueerd?

A: De constructie was destijds door [getuige 11] bedacht. Ik heb alle papierwerk gedaan. Dat geldt voor beide panden aan de [e-straat] waarom het ging.”

Voorts luidt bewijsmiddel 47, de verklaring van de getuige [getuige 9] als volgt:

“Via [getuige 2] ben ik bij het adres [e-straat 1] gekomen. Hij heeft mij die twee panden aangeboden. Hij was mijn hypotheker. [getuige 2] had mij aangeboden om vanuit een bouwdepot, ik had wat schulden, om die in te lossen via het bouwdepot en om te verhuren.

Wat kunt u verklaren over een bouwdepot bij de aankoop van dit pand? Er is niet verbouwd, ik heb het geld gekregen door facturen die [getuige 11] voor mij heeft opgemaakt. Daarvoor moest ik hem betalen. U vraagt mij hoe ik weet dat [getuige 11] die heeft op gemaakt. Hij heeft mij de facturen laten tekenen. Heeft u geld uit het bouwdepot van nr. [e-straat 2] ontvangen? Ja. Dat was ook 15.000 euro.

Hoe is dat gegaan? Ik kreeg het ook op mijn rekening, op dezelfde manier als die van nummer [e-straat 1] .

Op 19 december 2011 verklaart u: “ [getuige 11] heeft ook voor 4.500 euro totaal voor beide woningen de valse bouwfacturen geregeld.” Klopt dit? Dat zijn de twee bedragen die ik bedoel.”

(ii) Ik verwijs naar bewijsmiddel 48, waar de getuige [getuige 10] verklaart:

“Ik heb de woning aan de [f-straat 1] gekocht. [getuige 11] heeft voor mij de hypotheek geregeld bij de ING Bank. Hij stelde mij voor om extra geld te lenen voor een verbouwing. [getuige 11] vertelde mij dat hij wel aannemers kende die voor mij de verbouwing zouden kunnen realiseren. De aannemer dat was [getuige 12]. Ik heb toen een offerte ontvangen via [getuige 12], dat heb ik bij [getuige 11] op kantoor, van [getuige 11] ontvangen en deze offerte moest ik ondertekenen. Ik had een formulier voor het bouwdepot. Ik wist niet hoe het werkte en [getuige 11] heeft voor mij een aantal dingen op het formulier ingevuld en ik heb getekend.

Op een gegeven moment stelde [getuige 11] mij voor dat ik ook met het geld van het bouwdepot eerst mijn lening kon aflossen en dan later de verbouwing beetje bij beetje kon doen. Dat vond ik een goed idee omdat mijn lasten erg hoog waren en ik graag van die lening af wilde.”

Ik vermeld hierbij dat blijkens de overwegingen van het hof met [getuige 12] wordt verwezen naar het bedrijf van (medeverdachte) [getuige 12] Voorts is als bewijsmiddel 49 de door de getuige getekende en door [getuige 12] opgemaakte factuur opgenomen.

(iii) Inderdaad bevat de zojuist genoemde, als bewijsmiddel 49 opgenomen factuur niet de vermelding: contant betaald. Dat lijkt me in deze context een ondergeschikte aangelegenheid. Wel kon het hof uit de verklaring van [getuige 10] afleiden dat de verbouwing niet had plaatsgevonden.

(iv) Uit bewijsmiddel 52, een bankafschrift van [getuige 12] ([getuige 12]), volgt dat kort nadat het bedrag ad € 18.623,50 van de aan [getuige 10] uitgebrachte factuur op de bank was ontvangen, een overboeking ten bedrage van € 11.000,- plaatsvindt naar de rekening van [getuige 11]. Dat dit 8 á 9 keer per jaar zou hebben plaatsgevonden blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit – uit de bewijsmiddelen – kan wel worden afgeleid dat het ‘leegtrekken’ van een bouwdepot meermalen heeft plaatsgevonden. In het licht daarvan acht ik het geconstateerde gebrek van zo ondergeschikte aard dat dit niet tot cassatie moet leiden. Daarbij heb ik ook gelet op de bewijsvoering ten aanzien van het onderhavige feit voor het overige – de misdrijven, waarop de organisatie het oogmerk had hadden ook nog betrekking op het vervalsen van werkgevers- en inkomensverklaringen ten behoeve van het verkrijgen van hypotheken.

10. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

10. Het zesde middel klaagt dat het onder 2A bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

11.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2A bewezenverklaard dat:

“de [A] in de periode van 13 september 2004 tot en met 31 oktober 2011 in de gemeente Amsterdam en/of Almere, tezamen en in vereniging met een of meer andere mededaders, van onderstaande voorwerpen gebruik heeft gemaakt, te weten

- een geldbedrag van 957,00 Euro (bouwdepot [c-straat 1] ) en een geldbedrag (bouwdepot uit de hypothecaire lening van het pand [a-straat 1] ) terwijl de [A] en zijn mededaders telkens wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.”

11.2.

Blijkens de toelichting richt het middel zich met name tegen de vaststelling door het hof dat de in de bewezenverklaarde opgenomen rechtspersonen als dader in de zin van art. 51 Sr zijn aan te merken.

11.3.

Omtrent het daderschap van de rechtsperso(o)n(en) heeft het hof als volgt overwogen:

“Feitelijk leidinggeven

De vraag is of de gedragingen van [getuige 2] ( [b-straat 1] , [c-straat 1] , [a-straat 1] ) en verdachte ( [b-straat 2] ) in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan [A] .

De [A] (hierna: [A] ) hielden zich bezig met financiële dienstverlening. De werkzaamheden bestonden uit het regelen van hypotheken en verzekeringen. [getuige 2] was ten tijde van de onder feit 2 verweten gedragingen werkzaam binnen [A] als hypotheekadviseur. Het handelen van [getuige 2] vond binnen dat kader plaats en werd door [A] aangestuurd. Hetzelfde geldt voor het eigen handelen van verdachte inzake de [b-straat 2] . Verdachte was weliswaar directeur van [A] , maar hield zich, getuige diens feitelijk handelen rondom de [b-straat 2] , ook bezig met enige hand- en spandiensten aan de werkvloer van de hypotheekadviseurs. De gedragingen van [getuige 2] en die van de als hypotheekadviseur optredende verdachte kunnen worden toegerekend aan [A] . Het bij [getuige 2] en verdachte aanwezige opzet op de strafbare gedragingen kan aan [A] worden toegerekend. De onder feit 2 verweten gedragingen passen binnen de normale bedrijfsvoering van [A] , zijn [A] dienstig geweest en kunnen worden aangemerkt als te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtsperso(o)n(en). De gedragingen kunnen in redelijkheid worden toegerekend aan [A] en het hof is daarbij van oordeel dat de rechtsperso(o)n(en) het voor een bewezenverklaring benodigde opzet heeft gehad én het oogmerk van wederechtelijke bevoordeling.”

11.4.

Volgens de steller van het middel is het toerekenen van de handelingen van de hypotheekadviseur [getuige 2] aan de rechtspersoon niet begrijpelijk, aangezien deze het geld, dat object was van het witwassen, rechtstreeks van degene aan wie de hypothecaire lening was verschaft heeft ontvangen. Niettemin acht ik het oordeel van het hof geenszins onbegrijpelijk. De handelingen van de hypotheekadviseur vonden binnen de sfeer van de rechtspersoon plaats en waren de rechtspersoon eveneens dienstig, aldus het hof.10 Dat wordt mijns inziens niet anders als er, als beloning voor de door de betrokken hypotheekadviseur verleende diensten, de mogelijkheid wordt verschaft om door fraude verkregen geld als “zwart geld” in de eigen zak te steken. Het geheel was zeker ‘dienstig’ voor de rechtspersoon. Deze kon daardoor immers meer omzet draaien.11 Ten aanzien van dat laatste is illustratief hetgeen de betrokken hypotheekadviseur blijkens de bewijsmiddelen als getuige heeft verklaard (bewijsmiddel 20):

“(…)

Het was een bedrijfspraktijk die veelvuldig voorkwam en de normaalste zaak van de wereld was bij [A] . Het was geen taboe. Er werd niet mee geadverteerd. Er werd onderling met de leidinggevenden en de medewerkers gesproken over het toepassen van deze creatieve oplossingen. Ik werd min of meer zo opgevoed. Het ging als een lopend vuurtje en mensen kwamen hiervoor speciaal naar [A] . Veel ging via mond tot mond reclame.”

12. Het zevende middel klaagt dat het onder 3A bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

12.1.

Ten laste van de verdachte is onder 3A bewezenverklaard dat:

“de [A] in de periode van 1 april 2004 tot en met 13 september 2004 in de gemeente Amsterdam en/of Almere, tezamen en in vereniging andere mededaders, een aanvraagformulier voor een hypothecaire geldlening valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid uit het vermelden van onjuiste salarisgegevens, een onjuiste werkgever en onjuiste opgave van reeds bestaande financiële verplichtingen aan een bank ter financiering en verkrijging van een hypothecaire lening met betrekking tot de onroerende zaak/woning gelegen aan de [d-straat 1] te Amsterdam (zaak 319), welk geschrift bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.”

12.2.

Het middel stelt dat men name het door de verdachte feitelijke leiding geven niet “zonder meer” uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Waaraan het schort wordt echter niet toegelicht. Ik meen dat ook te kunnen volstaan met de conclusie dat ook dit aspect op niet onbegrijpelijke wijze uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

13. Het middel faalt.

13.1.

Het achtste middel klaagt over de strafmotivering, meer in het bijzonder dat het hof heeft overwogen dat de banken financieel nadeel hebben geleden door het bewezenverklaarde terwijl uit de bestreden uitspraak, de aanvulling bewijsmiddelen, noch uit de stukken van het geding blijkt van dit nadeel.

13.2.

Met betrekking tot de strafmotivering heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen medeplegen van valsheid in geschrift en het plegen van witwassen. Hij heeft voorts als leider deelgenomen aan een criminele organisatie waarbinnen deze strafbare gedragingen, kortgezegd hypotheekfraude, op veel grotere schaal werden gepleegd. Verdachte had feitelijke zeggenschap binnen [A] , had betrokkenheid bij en wetenschap van fraudegevallen en heeft het nemen van maatregelen achterwege gelaten. Uit het samenspel van feiten blijkt dat hij mede door inzet van zijn bedrijf, deze werkwijze juist heeft bevorderd en uitgedragen en anderen, zijnde noodzakelijke schakels in de door hem opgezette constructies, hiertoe heeft aangezet. Dit gebeurde op grote schaal en verdachte heeft een aanzienlijk aandeel gehad in en aangezet tot voomoemde gedragingen.

Het betreffen ernstige feiten, nu de integriteit van het financieel en economisch verkeer daardoor wordt aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt door dergelijke feiten ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Meer specifiek geldt dat in het economische verkeer hypothecaire geldleningen een belangrijke rol spelen. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvragen is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Verdachte heeft door inzet van zijn bedrijf misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming alsook van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker die er van uit moet kunnen gaan dat overgelegde documenten naar waarheid zijn opgemaakt. Door het plegen van valsheid in geschrift zijn banken bewogen tot het verstrekken van hypothecaire geldleningen en gelden uit bouwdepots, terwijl zij dit anders niet zouden hebben gedaan. Deze banken hebben hierdoor financieel nadeel geleden.

(…)”

13.3.

De steller van het middel valt het oordeel van het hof, dat de banken financieel nadeel hebben ondervonden, aan door te stellen dat niet is gebleken dat de banken daadwerkelijk nadeel hebben geleden. Ik meen dat die klacht blijk geeft van een onjuiste lezing van ’s hofs overweging. Niet bedoeld door het hof is, zo lijkt mij, vast te stellen dat er een dadelijk te nemen financieel verlies is ontstaan door de malversaties van onder meer de verdachte, maar dat wel aannemelijk is dat door het verstrekken van wat ik maar noem ‘rommelhypotheken’ de balans van de banken negatief beïnvloed wordt. Dát aanmerken als financieel nadeel is niet onbegrijpelijk.

13.4.

Het middel faalt.

14. Het negende middel tenslotte. Dat klaagt dat de opgelegde bijkomende straf van het recht tot uitoefening van het beroep van financieel adviseur en hypotheekadviseur voor de duur van 7 jaren de maximaal toegestane duur te boven gaat.

14.1.

Dit middel slaagt. Ingevolge art. 31 lid 1, onder 2o, Sr kan de duur van de bijkomende straf van ontzetting van rechten, gelet op de opgelegde hoofdstraf van 18 maanden gevangenisstraf, in dit geval ten hoogste 6 jaar en 6 maanden bedragen. De Hoge Raad kan de bijkomende straf zelf verminderen.

15. De middelen een tot en met acht falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het negende middel slaagt.

15. Ambtshalve wijs ik erop dat de redelijke termijn van twee jaren op 17 maart 2019 eindigt. Indien Uw Raad na die datum uitspraak doet, dan zal daarmee bij de afdoening rekening dienen te worden houden. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde bijkomende straf, tot bepaling daarvan op 6 jaar en 6 maanden, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179.

2 Idem als noot 1, p. 85.

3 In de schriftuur worden genoemd (1) [betrokkene 1], (2) [betrokkene 2], (3) [betrokkene 3], (4) [betrokkene 4], (5) [betrokkene 5], (6) [betrokkene 6], (7) [betrokkene 7], (8) [betrokkene 8], (9) [betrokkene 9], (10) [betrokkene 10], (11) [betrokkene 11], (12) [betrokkene 12], (13) [getuige 11], (14) [betrokkene 13] (15) [betrokkene 14], (16) [betrokkene 15], (17) [betrokkene 16], (18) [betrokkene 17], (20) [betrokkene 18], (22) [betrokkene 19], (24) [betrokkene 20], (25) [betrokkene 21], (26) [betrokkene 22], (28) [betrokkene 23], (30) [betrokkene 24], (33) [betrokkene 25], (34) [betrokkene 26], (35) [betrokkene 27], (36) [betrokkene 28], (37) [betrokkene 29], (38) [betrokkene 30], (39)

4 Met weglating van een voetnoot.

5 Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219.

6 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441.

7 Vgl. HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:409. Opmerking verdient dat de Hoge Raad bij de toetsing van de begrijpelijkheid van de afwijzing een getuigenverzoek kan betrekken wat de feitenrechter in de bewijsvoering heeft opgenomen. Vgl. in het kader van het noodzakelijkheidscriterium HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1587, NJ 2014/446 m.nt. Borgers, rov. 2.3 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1559, NJ 2014/442 m.nt. Borgers, rov. 2.6 en in het kader van het verdedigingscriterium HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. Kooijmans, rov. 4.3.

8 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017.

9 EHRM 15 december 2015, Appl. no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland).

10 Vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006, 328 (Drijfmest).

11 Vgl. HR 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7619: de illegale wijze van vissen is de rechtspersoon dienstig geweest omdat daardoor meer vis kon worden gevangen.