Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:405

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-03-2019
Datum publicatie
18-04-2019
Zaaknummer
17/02086
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Poging doodslag door op oudjaarsavond in bar in Doetinchem met kapot geslagen glas tegen oor en hals van ander te slaan, art. 287 Sr. 1. Is verdachte op camerabeelden en foto's weergegeven man met geblokt shirt? 2. Uos t.a.v. betrouwbaarheid van herkenningen van verbalisanten. 3. Begrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel dat voorbij wordt gegaan aan conclusies en aanbevelingen in NFI-rapport van deskundige. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02086

Zitting: 5 maart 2019

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 14 april 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘poging tot doodslag’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De middelen zijn gericht tegen de bewijsmotivering. Voordat ik overga tot de bespreking van de middelen geef ik daarom eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof weer.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

‘hij op 1 januari 2014, in de gemeente [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een glas op/tegen het oor en de hals van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte (…), opgemaakt op 4 januari 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van aangever [slachtoffer]:

Ik doe aangifte van poging doodslag. Ik ben [slachtoffer] en op woensdag 1 januari 2014, omstreeks 00.45 uur, ben ik met twee vriendinnen en een vriend richting het centrum van [plaats] gegaan om het nieuwe jaar in te luiden. Die dag, omstreeks 01.00 uur, ben ik samen met die twee vriendinnen en [D] bar [A] ingelopen. Ik zag dat er vier Turkse jongens voor mij stonden, ik kon moeilijk weg. Er ontstond een discussie met die vier Turkse jongens. Toen voelde ik plotseling een harde knal tegen mijn linkeroor. Ik had geen idee wie mij tegen mijn linkeroor sloeg, maar dat moest een van die Turkse jongens zijn geweest. Ik hoorde de manager zeggen dat mijn linkeroor hevig bloedde en dat ik gehecht zou moeten worden in het ziekenhuis. Even daarna besefte ik dat mijn linkeroor open lag en ik voelde toen erge pijn aan mijn linkeroor. Ik heb toen buiten gewacht op de komst van de politie, die ook mijn letsel bekeek. Zij hebben mij toen uiteindelijk naar de spoedeisende hulp van het [E] Ziekenhuis te [plaats] gebracht. Hier ben ik toen gehecht, ik heb in totaal acht hechtingen in mijn linkeroor gekregen en zeven in mijn hals, net onder mijn linkeroor: Ik hoorde een van de artsen zeggen dat ik geluk gehad heb. Men heeft namelijk bijna een ader geraakt en dan was het mogelijk erger afgelopen met mij. Ik vermoed dat ik in bar [A] met een glas geslagen ben. Buiten bar [A] , even na het incident, heeft men glassplinters in mijn haar teruggevonden.

2. Het bij het stamproces-verbaal gevoegde schriftelijke bescheid (…), inhoudende een geneeskundige verklaring (betrekking hebbende op [slachtoffer] , onderzocht op 1 januari 2014, opgemaakt op 22 januari 2014), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Uitwendig waargenomen letsel: letsel oorschelp links en snijwond hals/nek.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen (…), opgemaakt op 12 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb in verband met de aangifte gedaan door [slachtoffer] , de verstrekte camerabeelden van discotheek [A] uitgekeken. Er zijn beelden van twee camera’s beschikbaar, zijnde die van de garderobe en van de bar boven. De garderobe is ook gelegen op de bovenverdieping. Op de camerabeelden van de bar boven zag ik dat het eerste incident een mishandeling dan wel openlijke geweldpleging betreft richting getuige [Getuige 1] . Het tweede incident betreft de poging doodslag dan wel openlijke geweldpleging dan wel zware mishandeling gericht tegen aangever [slachtoffer] .

Op dezelfde camerabeelden zag ik op 02:41.15 uur dat verdachte A met zijn handen [Getuige 1] met kracht naar achteren duwde. Op een gegeven moment sloeg verdachte A met zijn rechter vuist in de richting van het gezicht van [Getuige 1] . Hierdoor ontstond er een gevecht. Ik zag dat verschillende mensen zich met de ruzie bemoeiden. Op dezelfde camerabeelden zag ik een andere jongen, nader te benoemen als verdachte B. Ik zag dat verdachte B gekleed was in een donkerkleurige trui/pullover, daaronder droeg hij een geruit/geblokt blousje, waarvan de kraag boven de trui uit kwam. Hij droeg verder een lichte broek met een donkerkleurige riem en donkerkleurige Adidas schoenen, waarvan de drie Adidas strepen licht van kleur zijn.

Op dezelfde camerabeelden zag ik op 02:42.10 uur dat de Nederlandse beveiliger, [B] , in beeld kwam en op de ruzie af liep. Op 02:42.20 uur kwam de donkerkleurige beveiliger, [C] , in beeld. Op 02:42.30 uur werden verdachte A en [betrokkene] weggehaald door de beveiliger.

Op camerabeelden van de garderobe zag ik dat verdachte B op 02:42.48 uur in beeld kwam lopen. Ik zag dat hij, vanuit het punt waar de camera hangt, links in beeld kwam lopen. Ik zag dat verdachte B doorliep richting de uitgang, gezien vanaf de camera, aan de rechterzijde. Ik zag op 02:42.55 uur dat verdachte A in beeld kwam en verdachte B trof. Ik zag dat ze beiden naar de garderobe toe liepen. Ik zag dat ze een gesprek met elkaar hadden. Ik zag op 02:43.45 uur dat verdachte A en B de garderobe weer verlieten, gezien vanaf de camera, de linker in/uitgang namen richting de bar boven.

Op de camerabeelden van de bar boven op 02:44.01 uur zag ik dat verdachte A en verdachte B, via de andere in/uitgang bij de bar, boven aan komen lopen. Ik zag dat verdachten A en B richting aangever [slachtoffer] liepen. Ik zag dat verdachte B tijdens het lopen, ter hoogte van de bar, een leeg glas met zijn rechterhand pakte en verder achter verdachte A aanliep. Ik zag dat verdachte A direct op aangever [slachtoffer] afliep. Ik zag dat verdachte A [slachtoffer] wegduwde en daarbij een meisje dat daarbij stond ook omver liep. Ik zag dat verdachte A met zijn rechtervuist in de richting van het gezicht van [slachtoffer] sloeg. Op het moment dat verdachte A de eerste klap uitdeelde aan [slachtoffer] zag ik dat verdachte B zijn glas tegen de muur kapot sloeg. Ik zag dat hij daarna met het gebroken glas in zijn rechterhand twee keer tegen het linkeroor van [slachtoffer] sloeg. Ik zag op het moment dat verdachte B tegen [slachtoffer] sloeg met het glas, het glas verder uit elkaar spatte.

Ik heb van verdachte A en verdachte B een print gemaakt. Deze zal als bijlage gevoegd worden (het hof begrijpt: de foto op pagina 128).

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (…), opgemaakt op 11 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [medeverdachte] :

Er wordt mij een foto getoond waarop een man te zien is. Dit is foto bijlage 1 (het hof begrijpt: de foto op pagina 54). Er wordt mij gevraagd wie deze jongen is. Dat ben ik.

Er wordt mij een foto getoond waarop twee mannen te zien zijn. Dit is foto bijlage 2 (het hof begrijpt: de foto van twee personen in [bedrijf] op pagina 55). Er wordt mij gevraagd wie dit is. Dat ben ik met [verdachte] . [verdachte] woont in [plaats] . Ik ken hem van de basisschool. Ik heb bij hem in de klas gezeten.

Er worden mij foto’s getoond waarop een man te zien is. Dit is fotobijlage 3 en fotobijlage 4 (het hof begrijpt: de foto’s op pagina 56 en 57). Er wordt mij gevraagd wie dit is. Dat moet [verdachte] zijn (het hof begrijpt: verdachte). Ik ben er vrij zeker van. Hij lijkt op hem. Dat moet hem zijn.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (…), opgemaakt op 12 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [medeverdachte] :

In mijn vorige verklaring heb ik [verdachte] herkend van een foto. Dat klopt wel. Op de beelden staat dat [verdachte] ook in [A] is op nieuwjaarsmorgen. Ik ken hem gewoon. Toen ik [A] binnenging, wist ik dat [verdachte] daar ook was.

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (…), opgemaakt op 22 januari 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [getuige 2] :

Ik ben [beroep getuige 2] in bar [A] , gevestigd aan [adres 1] te [plaats] . In de nacht van dinsdag 31 december 2013 op woensdag 1 januari 2014 was ik als [beroep getuige 2] werkzaam in bar [A] . Ik ben toen naar boven gegaan en zag [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) bebloed boven bij de trap staan. Ik zag dat [slachtoffer] een doek op zijn hals hield en ik wist niet wat er op dat moment gebeurd was. Ik heb dat pas later gezien op de beschikbare beelden, die bar [A] had.

Op vrijdag 3 januari 2014 heb ik samen met [F] en veel verschillende medewerkers van bar [A] de beelden teruggekeken. Ik heb gekeken, met die medewerkers die met oud en nieuw hebben gewerkt.

Conflict 2: .

Niet veel later dan dat conflict 1 afgelopen is, zie ik op de beelden dat twee jongens, verdachte 1 en verdachte 2, in de richting van de bar lopen op de bovenverdieping van [A] . Verdachte 2 kan ik omschrijven als een getinte jongen van ongeveer 20-25 jaar oud gekleed in een donkerkleurige sweater met een blouse eronder. Ik zie dat hij donkerkleurig, kort haar heeft. Ik zag op de beelden dat verdachte 1 en 2 in de garderobe met elkaar praten. Ik zag op de beelden dat ze samen richting de bar lopen via de zijkant van de garderobe. Op de beelden zie ik dat verdachte 1 voorop loopt en verdachte 2 daarachter. Nadat ik die beelden vaak bekeken heb, kreeg ik van aangever/benadeelde [slachtoffer] (het hof begrijpt [slachtoffer] ) een foto toegestuurd via de WhatsApp. Kennelijk heeft [slachtoffer] op de site van [bedrijf] van 22-24 gezocht op de twee verdachten die hem aanvielen. Deze foto is afkomstig van www. [bedrijf] .nl. Toen ik die foto zag, herkende ik beide jongens als de jongens die ik op de beelden zag als verdachte 1 en 2.

Opmerking verbalisant: als bijlage 2 is de foto toegevoegd, afkomstig van [bedrijf] en toegevoegd aan dit verhoor (het hof begrijpt: de foto op pagina 98 van het dossier).

7. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland op 9 juni 2015, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Mij wordt de foto op pagina 98 getoond. Ik ben die persoon met het bruinachtige shirt, dat kan ik volmondig verklaren.

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen (…), opgemaakt op 19 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op woensdag 16 april 2014, omstreeks 00.05 uur, was ik aan het politiebureau te [plaats] , gelegen aan de [adres 2] , te [plaats] . Ik zag dat een man zich legitimeerde met een geldig legitimatiebewijs als: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1991 te [plaats] , wonende aan [adres 3] te [plaats] . Ik heb met [verdachte] een gesprek gevoerd en ik heb hem goed kunnen observeren.

In verband met de poging tot doodslag in Bar [A] zag ik 18 mei 2014 een tweetal foto’s. Dit betreft een foto van de website ‘www. [bedrijf] .nl’, in dit proces-verbaal opgenomen als bijlage 1 en nader te noemen als foto 1 (het hof begrijpt: dezelfde foto als op pagina 98 van het dossier), en een print-screen van de camerabeelden vanuit de garderobe uit Bar [A] , in dit proces-verbaal opgenomen als bijlage 2 en nader te noemen als foto 2 (het hof begrijpt: dezelfde foto als op pagina 99 van het dossier).

Op foto 1 staan twee personen afgebeeld. Ik herkende de rechter als [verdachte] , die voor mij ten behoeve van het eerder genoemde gesprek op het politiebureau verscheen. Ditzelfde geldt voor foto 2, waarop de linker persoon in de rode cirkel [verdachte] moet zijn. Zijn houding op de foto 2 is gelijkend aan zijn houding die hij had eerder aan de balie van het politiebureau op 16 april 2014. Ik weet zeker dat ik [verdachte] herken op beide foto’s.

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen (…), opgemaakt op 17 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op woensdag 16 april 2014 hoorde ik, in verband met het voorhanden hebben van een wapenstok, een manspersoon die mij op gaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1991 te [plaats] , wonende aan [adres 3] te [plaats] . Op het moment dat [verdachte] voor mij verscheen, had ik het idee dat hij de verdachte zou kunnen zijn inzake de poging doodslag in Bar [A] te [plaats] op 1 januari 2014. Ik vond hem namelijk gelijken op de foto die ik toentertijd van die mishandeling had gezien. In verband met de poging tot doodslag in Bar [A] zag ik vandaag 17 mei 2014 een tweetal foto’s. Dit betreft een foto van de website ‘www. [bedrijf] .nl’, in dit proces-verbaal opgenomen als bijlage 1 en nader te noemen als foto 1 (het hof begrijpt, dezelfde foto als op pagina 98 van het dossier), en een print-screen van de camerabeelden vanuit de garderobe uit Bar [A] , in dit proces-verbaal opgenomen als bijlage 2 en nader te noemen als foto 2 (het hof begrijpt: dezelfde foto als op pagina 99 van het dossier). Op foto 1 staan twee personen afgebeeld. Ik vond de rechterpersoon erg veel gelijken op [verdachte] , die voor mij ten behoeve van het eerder genoemde verhoor verscheen. Ditzelfde geldt voor foto 2, waarop de linker persoon in de rode cirkel naar mijn idee [verdachte] moet zijn.

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen (…), opgemaakt op 19 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op dinsdag 13 mei 2014 kreeg ik de opdracht om de aangehouden verdachte [verdachte] , geboren te [plaats] op [geboortedag] 1991, wonende te [plaats] , [adres 3] , te horen als verdachte van een mishandeling welke had plaatsgevonden op 1 januari 2014 tijdens een nieuwjaarsfeest in een horecagelegenheid te [plaats] genaamd “ [A] ”.

Om mij te kunnen inleven heb ik de ons ter beschikking gestelde camerabeelden van de beveiligingscamera van horecagelegenheid “ [A] ” bekeken en goed in mij opgenomen. Met name de beelden waarbij de manspersoon, die de aangehouden verdachte zou moeten zijn, in beeld was. Voor mij was het de eerste keer dat ik deze persoon zag. Op dinsdag 13 mei 2014 vond om 11.15 uur het eerste verhoor van verdachte [verdachte] plaats. Verdachte [verdachte] werd door een medewerker van de arrestantenzorg bij ons gebracht. Toen ik naar hem mijn hand uitstak ter begroeting en hem op dat moment in zijn gezicht keek, herkende ik hem direct voor 100% als de manspersoon die ik even daarvoor op de beelden van de beveiligingscamera van horecagelegenheid “ [A] ” de mishandeling, door middel van het bierglas, had zien plegen. Eén en ander had te maken met de goede kwaliteit van de betreffende camerabeelden.

11. De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek in raadkamer van de rechtbank Gelderland, naar aanleiding van een vordering tot gevangenhouding, op 22 mei 2014, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Mij wordt gevraagd of ik bij mijn verklaring blijf, dat ik op de bewuste avond niet in [A] ben geweest. Nee. Ik wil nu graag een verklaring afleggen. Het is wel gebeurd, maar niet bewust. Ik ben inderdaad de persoon op de beelden.

12. De eigen waarneming van dit hof, gedaan ter terechtzitting van 31 maart 2017, blijkend uit het arrest van 14 april 2017 (pagina 5), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Tijdens het zien van de camerabeelden heeft het hof waargenomen dat de persoon met het geruite blousje en de donkere trui, die te zien is op de camerabeelden (en op pagina 56 van het dossier), een sterke gelijkenis vertoont met verdachte en dat verdachte niet lijkt op de man die steeds bij de muur staat rechtsonder op de beelden, waarvan verdachte zegt dat hij het is.’

6. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De verdediging heeft daartoe -kort gezegd en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet de persoon is die aangever met het kapotgeslagen glas heeft geslagen. Op de camerabeelden is hij niet de persoon met de geblokte kraag, maar de persoon met het lichte shirt, die (op de camerabeelden gezien) rechtsonder in beeld staat, leunend tegen de muur. De rechtbank heeft de verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de raadkamerzitting van 22 mei 2014, op onjuiste wijze voor het bewijs gebezigd. Het NFI-rapport stelt dat het iets waarschijnlijker is dat de persoon die is afgebeeld op de onderzochte beelden, niet dezelfde is als verdachte. De verklaring die door [medeverdachte] is afgelegd, nadat hem foto’s zijn getoond, is niet betrouwbaar. De daarop volgende herkenningen van verdachte door verbalisanten van verdachte op de stills van de camerabeelden zijn eveneens onbetrouwbaar. Voorts wordt verdachte, aldus de raadsman, vaak verward met zijn broertje en mogelijk is een familielid van verdachte degene geweest die aangever met een kapot glas heeft geslagen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder.

Aangever [slachtoffer] heeft op 1 januari 2014 aangifte gedaan van poging tot doodslag op 1 januari 2014 te [plaats] in bar [A] en -zakelijk weergegeven- onder meer verklaard:

Er stonden vier Turkse jongens voor aangever. Eén van hen heeft aangever een harde klap tegen zijn linkeroor gegeven. Zijn linkeroor bloedde hevig en lag open. Nadat aangever naar het ziekenhuis is gegaan, heeft hij acht hechtingen in zijn linker oor gekregen en zeven in zijn hals. Er was bijna een ader geraakt. Aangever vermoedt dat hij met glas is geslagen. In zijn haar zijn glassplinters aangetroffen.

Uit de medische verklaring betreffende [slachtoffer] volgt dat op 1 januari 2014 is vastgesteld dat hij letsel had aan zijn linker oorschelp en een snijwond in zijn hals/nek.

Door de politie zijn camerabeelden van het incident uitgekeken. Deze camerabeelden zijn vastgelegd op een gegevensdrager die deel uitmaakt van het procesdossier. Er zijn opnames beschikbaar van verschillende camera’s die in bar [A] hingen. Eén camera heeft beelden vastgelegd van de garderobe en met een andere camera zijn opnames gemaakt in de ruimte van de bar op de bovenverdieping in bar [A] te [plaats] . Op de camerabeelden van de bar is te zien dat achtereenvolgens sprake is geweest van twee incidenten.

Om 02.41.15 uur is te zien dat verdachte A geweld pleegt tegen [Getuige 1] , waarna er een gevecht ontstaat. Te zien is dat verschillende mensen zich ermee bemoeien. Verbalisanten zien op dezelfde camerabeelden een andere jongen, verdachte B. Hij is gekleed in een donkerkleurige trui/pullover, waaronder hij een geruit/geblokt blousje draagt, waarvan de kraag boven de trui uit kwam. De vechtende groep is om 02.42.30 uur uit elkaar gehaald. Vervolgens is op de camerabeelden van de garderobe te zien om 02.42.48 uur dat eerst verdachte B in beeld komt. Op 02.42.55 uur komt vervolgens verdachte A in beeld en hij treft in de garderobe dus verdachte B. Het lijkt er sterk op dat zij een gesprek met elkaar hebben, er worden in elk geval woorden gewisseld. Er is ook lichamelijk contact tussen beide personen. Te zien is dat verdachte B, verdachte A aan zijn arm trekt en beide personen verlaten om 02.43.45 uur de garderobe weer.

Op de camerabeelden van de bar is om 02.44.01 uur te zien dat verdachte A en verdachte B komen aanlopen bij de bar boven. Verdachte B loopt aanvankelijk voorop. Zij lopen in de richting van aangever. Verdachte B pakt tijdens het lopen -zo is op de beelden te zien-, ter hoogte van de bar, een leeg glas met zijn rechterhand, wordt ingehaald door verdachte A, waarop verdachte B verder achter verdachte A aanloopt. Verdachte A loopt dan direct op aangever af en duwt hem weg. Vervolgens slaat hij hem. Op dat moment slaat verdachte B het glas in zijn rechterhand tegen de muur kapot en meteen hierna slaat hij vervolgens twee keer, met het gebroken glas in de rechterhand, tegen de linkerkant van het gezicht van aangever ongeveer ter hoogte van diens linkeroor. Het glas spat dan verder uit elkaar. Op pagina 128 van het dossier is een screenshot van de camerabeelden afgedrukt en daarop is aangegeven wie als verdachte A en verdachte B zijn aangeduid.

Medeverdachte [medeverdachte] is verschillende keren door de politie verhoord. Aan hem is een foto getoond waarop een man is te zien (pagina 54 van het dossier). Het hof stelt vast dat dit dezelfde persoon is als verdachte A op de foto op pagina 128 van het politieproces-verbaal. Medeverdachte [medeverdachte] heeft over de op de foto op pagina 54 afgebeelde persoon verklaard dat hij die jongen is, waaruit volgt dat hij dezelfde persoon is als degene die als verdachte A wordt aangeduid op pagina 128. Vervolgens worden [medeverdachte] drie foto s getoond met daarop een andere jongen (pagina’s 56 en 57 van het politieproces-verbaal). Het hof stelt vast dat dit de persoon is die op de foto op pagina 128 is aangeduid als verdachte B. Medeverdachte [medeverdachte] heeft deze persoon herkend als ‘ [verdachte] ’, oftewel verdachte. In een daaropvolgend verhoor (een dag later) heeft [medeverdachte] zijn verklaring over de herkenning van verdachte nog eens bevestigd.

Getuige [getuige 2] (…) is [beroep getuige 2] van bar [A] . Zij was aan het werk op het moment dat het incident zich voor deed. Zij heeft niet gezien wie aangever met het glas heeft geslagen. Zij heeft daarom de camerabeelden van het incident teruggekeken, om te zien of zij deze persoon zou herkennen. De persoon die zij voorop ziet lopen en die aangever als eerste aanvalt, omschrijft zij als verdachte 1. De persoon die vervolgens met een glas inslaat op aangever, omschrijft zij als verdachte 2. Nadat zij de beelden had bekeken, kreeg zij van aangever een foto toegestuurd met daarop afgebeeld twee mannen (de foto op pagina 98 van het dossier). Toen zij deze foto zag, herkende zij beide jongens als de jongens die zij op de beelden omschreef als verdachte 1 en 2.

Ter terechtzitting in eerste aanleg op 9 juni 2015 is de foto op pagina 98 aan verdachte getoond. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij de (rechter)persoon is op deze foto in het bruine shirt.

Verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben verdachte op het politiebureau gezien. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de persoon rechts op de foto op pagina 98 en de persoon links in de rode cirkel op de foto op pagina 99 als verdachte [verdachte] herkend. Verbalisant [verbalisant 3] heeft dezelfde herkenning gedaan. Verbalisant [verbalisant 4] heeft, nadat hij de camerabeelden van het incident had bekeken, verdachte herkend als de persoon die hij op de beelden met het glas zag slaan.

Verdachte heeft op 22 mei 2014 tijdens zijn verhoor op de vordering gevangenhouding in de raadkamer van de rechtbank Gelderland verklaard, als antwoord op de vraag of hij de bewuste avond in bar [A] was: (..)“dat het wel gebeurd is, maar niet bewust”. Hij heeft verklaard dat hij de persoon is op de beelden.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep zijn alle beschikbare camerabeelden -die naar het oordeel van het hof van goede kwaliteit zijn- meermalen in aanwezigheid van verdachte getoond. Tijdens het zien van de camerabeelden heeft het hof waargenomen dat de persoon met het geruite blousje en de donkere trui, die te zien is op de camerabeelden (en op pagina 56 van het dossier), een sterke gelijkenis vertoont met verdachte.

Gelet op al het voorgaande, in onderling(e) verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die aangever heeft geslagen en/of gestoken met een kapot geslagen glas. Het hof kwalificeert deze daad als een poging tot doodslag. Verdachte lijkt bijna doelgericht te hebben gehandeld nu op de camerabeelden is te zien dat verdachte vanuit de garderobe naar de bar loopt, onderweg een glas van de bar pakt, dit langs zijn lichaam naar beneden vasthoudt en daarmee achter de medeverdachte [medeverdachte] in de richting van aangever loopt. Vrijwel onmiddellijk nadat [medeverdachte] aangever heeft geslagen, slaat verdachte het glas tegen de muur stuk en steekt/slaat aangever daarmee twee keer heel kort na elkaar (met kracht) tegen zijn linkeroor en in zijn halsstreek. Dit doet hij derhalve met een kapotgeslagen glas wat op dat moment een met een mes vergelijkbaar vlijmscherp wapen is. Zoals hiervoor reeds is vermeld, is op de camerabeelden duidelijk te zien dat verdachte tweemaal snel en met kracht (met het glas) uithaalt naar de nek/de hals/het linkeroor van aangever. Het behoeft geen nader betoog dat verdachte met zijn handelen de geenszins denkbeeldige kans in het leven heeft geroepen dat bijvoorbeeld de halsslagader van aangever zou worden geraakt, hetgeen levensbedreigend bloedverlies ten gevolge zou hebben gehad.

Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever daarbij dodelijk zou verwonden en daarmee minst genomen in voorwaardelijke zin opzet op de dood van aangever heeft gehad.

Ten aanzien van de verweren van de verdediging overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Bij de rechter-commissaris, op 15 mei 2014, heeft hij een eerste verklaring afgelegd. Verdachte stelt dat hij de bewuste avond niet in bar [A] is geweest. Gebleken is, zo heeft verdachte later ook zelf verklaard, dat hij die avond wél aanwezig was in de bar. De eerdere verklaring van verdachte, ten overstaan van de rechter-commissaris, dat hij niet aanwezig was in de bar, is derhalve kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te bemantelen. Bij het volgende verhoor, in de raadkamer van de rechtbank op 22 mei 2014, heeft verdachte verklaard ‘dat het wel gebeurd is, maar niet bewust’. Hij heeft tijdens dit verhoor tevens verklaard dat hij de persoon is op de beelden. Vervolgens, zowel bij de rechtbank als het hof, legt verdachte telkens wisselende verklaringen af. Verdachte stelt dat hij op de camerabeelden de persoon is met het lichte shirt aan, die (op de camerabeelden gezien) rechtsonder in beeld staat. Hij is naar eigen zeggen niet de man met de blokjes-blouse. Het hof acht deze verklaring echter volstrekt ongeloofwaardig. Verdachte heeft ter terechtzitting van de eerste rechter en ter zitting van het hof aangevoerd dat hij de boel wilde sussen. Desgevraagd kon verdachte ter zitting van het hof echter niet uitleggen hoe dat sussen heeft plaatsgevonden en gaf hij aan dat hij dat kon uitleggen bij het zien van de camerabeelden. Op de camerabeelden is echter nergens te zien dat de persoon met het lichte shirt -van wie verdachte beweert dat hij die persoon is- enige handeling verricht die kan worden geduid als sussen. Dat verdachte iets zou hebben gezegd tegen de vechtende personen om het gevecht te beëindigen, zoals hij ter zitting van het hof heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk geworden. Bovendien heeft verdachte tijdens zijn verhoor in de raadkamer van de rechtbank verklaard dat hij na het eerste geweldsincident van die avond naar de garderobe is gelopen en daarna terugkwam. Op de camerabeelden is dit van de persoon met het lichte shirt niet waargenomen. Hij blijft nagenoeg voortdurend staan bij of in de directe nabijheid van de muur rechtsonder in beeld op de opnames van de bar op de bovenverdieping. Daarentegen kan aan de hand van de camerabeelden worden vastgesteld dat de persoon met de geblokte kraag c.q. ruitjesblouse wel naar de garderobe is gelopen na het eerste geweldsincident in de bar. Voorts heeft het hof waargenomen dat de persoon met het lichte shirt qua postuur en lichaamsbouw niet op verdachte lijkt.

Het hof heeft overigens geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte die hij op 22 mei 2014 bij de raadkamer van de rechtbank heeft afgelegd, met name gelet op de andere, hierboven genoemde bewijsmiddelen. Dat verdachte achteraf een andere uitleg heeft gegeven aan de inhoud van de door hem afgelegde verklaring op 22 mei 2014, doet daar niet aan af. De verklaringen die verdachte vervolgens bij de rechtbank en het gerechtshof heeft afgelegd, zijn wisselend, ontwijkend, op onderdelen vaag en daarmee niet geloofwaardig.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij vaak wordt verward met zijn broer(s). Hij heeft eerst ter zitting van het hof de suggestie gewekt dat de persoon die met het glas heeft geslagen mogelijk een familielid van hem is, maar desgevraagd heeft hij geweigerd de naam van die persoon te noemen. Het hof stelt voorop dat naar zijn oordeel boven redelijke twijfel verheven is dat verdachte degene is geweest die aangever heeft geslagen en gestoken met het glas. Het hof merkt in dit verband op dat de bovengenoemde suggestie van verdachte, dat één van zijn broers mogelijk de dader zou zijn, op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de politieverklaring van [medeverdachte] , waarin hij heeft verklaard dat verdachte de persoon was op de foto’s die hem zijn getoond (oftewel de persoon die volgens de camerabeelden aangever met een kapotgeslagen glas heeft geslagen).

De niet nader onderbouwde bewering van de verdediging dat medeverdachte [medeverdachte] door de politie onder druk zou zijn gezet om een bepaalde, voor hem, verdachte, belastende verklaring af te leggen, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het hof acht de verklaring die medeverdachte [medeverdachte] later, ter zitting van de rechtbank, als getuige heeft afgelegd, voor zover inhoudende dat zijn eerdere herkenning van verdachte bij de politie niet klopt, dat hij daartoe is gedwongen door de politie en dat hij verdachte niet kent, volstrekt ongeloofwaardig en geenszins aannemelijk geworden. Door verbalisanten is immers vastgesteld dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte en [medeverdachte] een gesprek hebben in de garderobe en dat zij de garderobe samen verlaten. Het hof heeft op de camerabeelden waargenomen dat het contact tussen [medeverdachte] en verdachte (in de garderobe) er amicaal uitziet en dat het erop lijkt alsof de twee personen elkaar kennen. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte] zijn herkenning in een tweede verhoor, een dag later, herhaald, hetgeen de betrouwbaarheid van die herkenning versterkt. Het hof heeft evenmin redenen om aan de betrouwbaarheid en juistheid van de herkenningen van verbalisanten te twijfelen.

Tot slot merkt het hof het volgende op. Het door de verdediging in ontlastende zin aangehaalde rapport van het NFI ten aanzien van de ‘vergelijking van beelden en gezichten naar aanleiding van mishandeling te [plaats] op 1 januari 2014’, van 3 april 2015, schiet naar het oordeel van het hof te kort en de conclusies zijn gebaseerd op onvolledig onderzoeksmateriaal. Het NFI heeft immers niet de beschikking gehad over de gegevensdrager waarop bewegende beelden zichtbaar zijn van de gebeurtenissen in bar [A] . De conclusie is gebaseerd op een vergelijking met een drietal stills van de camerabeelden in de bar waarop de persoon op die stills schuin van boven zichtbaar is. De keuze voor juist deze stills wekt verbazing nu het gezicht van de persoon met de blokjes-/ruitjesblouse op meerdere momenten volledig zichtbaar is en het voor de hand zou hebben gelegen om juist van die momenten stills als vergelijkingsmateriaal te gebruiken. Het hof gaat reeds daarom voorbij aan de conclusies en aanbevelingen in het rapport.

Een andere reden om weinig (bewijs)waarde toe te kennen aan genoemd rapport is gelegen in het feit dat de deskundige Ruifrok in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris op 3 oktober 2016, naar aanleiding van het door hem opgemaakte rapport, onder meer, heeft verklaard: (...) “Ik merk al meteen op dat de kwaliteit van de foto niet hoog was. Er was hier sprake van een spotlight waarvan de bundel op het hoofd voor vertekening kan zorgen” (...) “Op dit soort kwalitatief slechte foto’s (opmerking hof: verwezen is naar pagina 5 van het rapport) kun je de vorm van het hoofd niet zo goed bepalen”.

Gelet op al het voorgaande acht het hof het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.’

7. Het eerste middel klaagt dat de bewijsvoering van het gerechtshof ‘niet redengevend is voor het bewezen verklaarde’ en/of dat het oordeel van het hof dat de verdachte de op de camerabeelden en foto’s weergegeven man met het geblokte shirt is, onvoldoende met redenen zou zijn omkleed.

8. Het hof heeft overwogen dat verbalisant [verbalisant 4] , nadat hij de camerabeelden van het incident had bekeken, de verdachte heeft herkend als de persoon die hij op de beelden met het glas zag slaan. Het als bewijsmiddel 10 gebezigde, in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen houdt in dat verbalisant [verbalisant 4] de camerabeelden van de beveiligingscamera van horecagelegenheid [A] heeft bekeken en goed in zich heeft opgenomen, met name de beelden waarbij de manspersoon, die de aangehouden verdachte zou moeten zijn, in beeld was. [verbalisant 4] heeft de verdachte vervolgens, toen de verdachte op dezelfde dag voor hem verscheen voor een verhoor en [verbalisant 4] hem in zijn gezicht keek, direct voor 100% herkend als de manspersoon die hij even daarvoor op de beelden van de beveiligingscamera ‘de mishandeling, door middel van het bierglas, had zien plegen’.

9. De toelichting op het middel (onder 21) houdt in dat het relaas van verbalisant [verbalisant 4] ‘geen enkele informatie over de aan die herkenning ten grondslag liggende elementen, de redenen van zijn wetenschap, bevat’. Daarmee refereert de steller van het middel kennelijk aan art. 153, tweede lid, Sv, dat voorschrijft dat bij het opmaken van een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ‘zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap’. De redenen van wetenschap behoeven evenwel niet in het vonnis of arrest te worden vermeld. Voldoende is dat hetgeen in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar wordt weergegeven voor waarneming vatbaar is.1 De reden van wetenschap spreekt hier bovendien betrekkelijk vanzelf: verbalisant [verbalisant 4] heeft de gelijkenis gezien.

10. Het hof heeft dan ook uit bewijsmiddel 10 kunnen afleiden dat de verdachte degene is die de aangever met een glas heeft geslagen. Gelet op de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 4] heeft het hof ook kunnen oordelen dat de verdachte de persoon is die in bewijsmiddel 3 wordt aangeduid als ‘verdachte B’, die was gekleed in een donkerkleurige trui/pullover met daaronder een geruit/geblokt blouseje waarvan de kraag boven de trui uitkwam.

10. Uit het voorgaande volgt reeds dat het middel vruchteloos is voorgesteld voor zover daarin wordt geklaagd dat ‘s hofs oordeel dat de verdachte de op de camerabeelden weergegeven man met het geblokte shirt is, onvoldoende met redenen is omkleed. In het navolgende bespreek ik de deelklachten waarin wordt betoogd dat (andere) bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Al kan daaraan voorafgaand al worden opgemerkt dat de enkele vaststelling dat (onderdelen van) bewijsmiddelen niet redengevend zijn, tegenwoordig geen cassatie rechtvaardigt.2

12. In de toelichting op het middel (onder 8) wordt geklaagd dat uit de als bewijsmiddel 4 gebruikte verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] die deze op 11 mei 2014 bij de politie heeft afgelegd, niet kan worden afgeleid bij welke gelegenheid de aan [medeverdachte] getoonde fotobijlagen 3 en 4, waarop hij de verdachte herkent, zijn gemaakt. Zonder verdere vermelding ‘van wat op die foto’s staat en welke gebeurtenis die foto’s hebben vastgelegd’, zou uit dit bewijsmiddel de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde niet kunnen volgen.

12. Het hof heeft blijkens de verwoording van bewijsmiddel 4 vastgesteld dat de fotobijlagen 3 en 4 dezelfde zijn als de foto’s op pagina’s 56 en 57 van het dossier.3 Die vaststelling komt niet onbegrijpelijk voor, in het licht van hetgeen [medeverdachte] bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard.4 Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 19 augustus 2014 houdt in dat [medeverdachte] als getuige heeft verklaard: ‘De raadsman toont mij de foto’s op pagina’s 56 en 57 van het dossier en ik zie een man met een geruit kraagje op de foto’s staan.’ [medeverdachte] heeft vervolgens verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij bij de politie de naam van de verdachte heeft genoemd als degene die op die foto’s staat afgebeeld, maar dat hij dat onder druk van de politie heeft gedaan. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat de foto’s op pagina’s 56 en 57 dezelfde zijn als fotobijlagen 3 en 4. Over die vaststelling wordt als ik het goed zie in cassatie niet geklaagd.

14. Het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg werpt ook licht op wat op deze foto’s is vastgelegd. De voorzitter heeft op die terechtzitting vastgesteld dat de verdachte een sterke gelijkenis vertoont met de persoon afgebeeld op de foto op pagina 56 van het dossier. De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de persoon op die foto iemand anders dan de verdachte kan zijn. Blijkens zijn pleitnota heeft de raadsman op die terechtzitting onder meer het volgende gesteld: ‘ [medeverdachte] noemt op enig moment (…) [verdachte] als de persoon die hij op fotobijlage 2 bij zijn tweede verhoor herkent. Ik wijs erop dat dit niet een foto is van de avond van het incident, maar een foto van een verjaardagfeest van 1 op 2 november 2013. Dan wordt er aan [medeverdachte] fotobijlage 3 en 4 getoond. Dit zijn foto’s van de vermeende verdachte op de beelden van de avond van het incident.’ Daaruit volgt dat de raadsman van de verdachte ervan uitging dat [medeverdachte] de verdachte heeft herkend op fotobijlagen 3 en 4, en dat die bijlagen foto’s betreffen die op 1 januari 2014 in bar [A] zijn gemaakt.

14. De rechtbank heeft het onderzoek op die terechtzitting geschorst voor het uitvoeren van een biometrisch/gezichtsvergelijkend onderzoek. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt daarover: ‘Dit betreft dan met name onderzoek naar de man met de zwarte trui met de ruitjes kraag o.m. zichtbaar op een ‘still’ van de bewegende beelden op pagina’s 56 en 57 van het dossier (…).’ Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman in zijn daar overgelegde pleitnota uitdrukkelijk verwezen naar de pleitnota in eerste aanleg. Het hiervoor weergegeven gedeelte van de pleitnota in eerste aanleg wordt geciteerd op pagina 7 van de pleitnota in hoger beroep. Ook ter terechtzitting in hoger beroep is de raadsman er derhalve van uit gegaan dat de fotobijlagen 3 en 4, die aan [medeverdachte] tijdens diens verhoor op 11 mei 2014 zijn getoond, foto’s betreffen van ‘de vermeende verdachte op de beelden van de avond van het incident’.

14. Dat spoort ook met bewijsmiddel 5. Daaruit volgt dat [medeverdachte] op 12 mei 2014, de dag nadat hij de als bewijsmiddel 4 opgenomen verklaring heeft afgelegd, heeft verklaard dat hij in zijn vorige verklaring de verdachte heeft ‘herkend van een foto. (...) Op de beelden staat dat [verdachte] ook in [A] is op nieuwjaarsmorgen’. Als bewijsmiddel 12 is voorts de eigen waarneming van het gerechtshof opgenomen, inhoudend ‘dat de persoon met het geruite blousje en de donkere trui, die te zien is op de camerabeelden (en op pagina 56 van het dossier), een sterke gelijkenis vertoont met verdachte’. In het licht van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft het hof daarmee naar het mij voorkomt (voldoende duidelijk) tot uitdrukking gebracht dat de foto’s op pagina’s 56 en 57 van het dossier zijn ontleend aan de camerabeelden.

14. Al met al meen ik dat uit ’s hofs bewijsconstructie volgt dat de fotobijlagen 3 en 4 dezelfde zijn als de foto’s op pagina’s 56 en 57 van het politiedossier, dat deze foto’s zijn ontleend aan de camerabeelden en dat op die foto’s te zien is dat de verdachte (op het betreffende tijdstip) in [A] aanwezig was. Tegen die achtergrond heeft het hof bewijsmiddel 4 redengevend kunnen oordelen voor de bewezenverklaring. Voor zover noodzakelijk kan daar naar het mij voorkomt ook de procesopstelling van de verdachte en zijn raadsman bij worden betrokken. Als het tijdens het onderzoek ter terechtzitting voor iedereen duidelijk is wat op een foto te zien is, behoeft het hof dat niet via een uitgebreide weergave van de eigen waarneming uit de doeken te doen. De vaststellingen van het hof die verband houden met de foto’s op pagina’s 56 en 57 kunnen voor niemand een verrassing zijn geweest.

14. De steller van het middel bestrijdt ook de redengevendheid van bewijsmiddel 6 (onder 20). Dat bewijsmiddel betreft de verklaring van de [beroep getuige 2] van bar [A] . Zij geeft daarin aan dat zij de beide personen die op de camerabeelden in de garderobe met elkaar praten, heeft herkend als de personen die staan afgebeeld op de foto op pagina 98 van het dossier. Uit bewijsmiddel 7 volgt dat de verdachte heeft verklaard op die foto te staan. Geklaagd wordt dat in de verklaring niet over de aanval zelf wordt gesproken. En dat de getuige niet aangeeft welke van de beide personen op de foto zij als verdachte 1 dan wel verdachte 2 aanmerkt. Dat doet aan de redengevendheid van de bewijsmiddelen 6 en 7, in onderling verband bezien, evenwel niet af. Zij ondersteunen, in samenhang met bewijsmiddel 3, de vaststelling dat de verdachte één van de twee personen was die het slachtoffer hebben aangevallen.

14. De steller van het middel klaagt ook (onder 15 en 16) dat de herkenningen door verbalisant [verbalisant 2] (bewijsmiddel 8) en verbalisant [verbalisant 3] (bewijsmiddel 9) niet redengevend zijn voor het bewezenverklaarde. Wat verbalisant [verbalisant 2] betreft, geldt dat deze de verdachte heeft herkend als één van de personen die is afgebeeld op de foto op pagina 98. Deze herkenning ondersteunt de herkenning in bewijsmiddel 6. Verbalisant [verbalisant 2] herkent de verdachte voorts op ‘een print-screen van de camerabeelden vanuit de garderobe in Bar [A] ’. Voor zover het middel klaagt dat niet is ‘vermeld wat er op die foto te zien is’ ontbeert het derhalve feitelijke grondslag. Aan de redengevendheid van deze herkenning doet niet af dat verbalisant [verbalisant 2] niets verklaart over de kleding van de verdachte. Voor de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , die zijn herkenning op dezelfde foto’s baseert, geldt hetzelfde. Dat het gerechtshof heeft vastgesteld dat het bij de tweede foto gaat om de foto op pagina 99 van het dossier, zonder nader aan te geven wat op die foto te zien is, lijkt mij van weinig belang nu uit de verklaring van beide verbalisanten al blijkt wat daarop te zien is.

14. De steller van het middel klaagt -zo begrijp ik- ook over gebrek aan redengevendheid van bewijsmiddel 11 (onder 23). Dat behelst de verklaring die de verdachte tijdens het onderzoek in raadkamer op 22 mei 2014 heeft afgelegd: ‘Mij wordt gevraagd of ik bij mijn verklaring blijf, dat ik op de bewuste avond niet in [A] ben geweest. Nee. Ik wil nu graag een verklaring afleggen. Het is wel gebeurd, maar niet bewust. Ik ben inderdaad de persoon op de beelden.’ In de toelichting op het middel wordt gesteld dat op grond van de laatste zin niet de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte ook de dader is geweest op de beelden, nu er meerdere personen op de beelden te zien zijn. Daarmee miskent de steller evenwel de samenhang tussen de laatste zin en de daaraan voorafgaande zin(nen). Zeker in die context gelezen heeft het hof de laatste zin aldus kunnen verstaan dat de verdachte daarin toegeeft de persoon op de beelden te zijn die twee keer met het gebroken glas tegen de linkerkant van het gezicht van de aangever slaat. Daarbij moet worden bedacht dat de uitleg van verklaringen behoort tot het domein van de feitenrechter.

14. Het middel klaagt blijkens de toelichting (onder 24-26) ten slotte ook dat het hof als bewijsmiddel 12 zijn eigen waarneming heeft gebezigd, maar dat uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet blijkt dat dit de waarneming van het hof is geweest. Volgens de steller van het middel is slechts sprake van een waarneming door de voorzitter. Voorts wordt betoogd dat de in het proces-verbaal van de terechtzitting beschreven waarneming veel beperkter is geweest dan de waarneming die in bewijsmiddel 12 is opgenomen.

14. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

‘De voorzitter deelt mede -zakelijk weergegeven- :

We gaan de camerabeelden van het incident bekijken. We beginnen op het tijdstip 02.41.00 uur en eindigen op 02.44.32 uur.

De beelden worden afgespeeld.

De camerabeelden die dezelfde avond zijn gemaakt in de garderobe worden eveneens afgespeeld, vanaf 02.42.20 uur.

De voorzitter houdt de verdachte voor dat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de man met het witte T-shirt is en vraagt verdachte of hij de andere man in de geruite/geblokte blouse is.

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

De persoon in de blouse met blokjes ken ik niet. Ik ben dat niet.

De voorzitter deelt mede -zakelijk weergegeven-:

Op de beelden van de beveiligingscamera in bar is te zien dat om 02.43.56 uur de twee mannen, die in de garderobe waren, in de bar komen aanlopen. De man met de geruite/blokjesblouse loopt dan nog voorop. De man met de blokjesblouse pakt met zijn rechterhand iets van de bar. [medeverdachte] loopt de andere man (met de blokjesblouse) dan voorbij en gaat voorop lopen. De man met de geruite/blokjesblouse, die iets in zijn hand heeft, laat zijn rechterarm langs het lichaam naar beneden hangen met het voorwerp in zijn handen en loopt achter [medeverdachte] aan.

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

Ik ben niet de persoon met de geruite/blokjesblouse die op de beelden achter [medeverdachte] aanloopt.

De voorzitter deelt mede -zakelijk weergegeven-:

We tonen de beelden opnieuw vanaf 02.43.56 uur. Waargenomen wordt dat de man met de blokjesblouse een voorwerp pakt, achter [medeverdachte] aanloopt, dat voorwerp -naar later bleek een glas- tegen de muur slaat, en daar vervolgens mee uithaalt in de richting van de zijkant van het gezicht van de aangever.

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

Ik ben die persoon niet. Ik ben de persoon die op de beelden steeds rechts onderaan is te zien, de persoon die tegen de muur staat. (…) Ik hoor de oudste raadsheer opmerken dat het contact op de camerabeelden tussen [medeverdachte] en de man in de blouse met blokjes er bijna vriendelijk en amicaal uitziet en dat zij op alle beelden bij elkaar in de buurt zijn. De oudste raadsheer merkt op dat het lijkt alsof zij elkaar kennen. (…) De voorzitter merkt op dat als zij de man ziet waarvan ik zeg dat ik het ben, de man die steeds bij de muur staat rechtsonder op de beelden van de gebeurtenissen in de bar, dat zij dan helemaal niet vindt dat ik op hem lijk, qua postuur. Ik hoor de voorzitter zeggen dat zij waarneemt dat ik qua postuur op de man met de geblokte blouse lijk. (…)’

23. Het hof heeft als bewijsmiddel 12 gebezigd de ‘eigen waarneming van dit hof, gedaan ter terechtzitting van 31 maart 2017, blijkend uit het arrest van 14 april 2017 (pagina 5)’. Dat bewijsmiddel bevat een beschrijving van hetgeen ‘het hof’ tijdens het zien van de camerabeelden heeft waargenomen. In overeenstemming daarmee heeft het hof op pagina’s 5 en 6 van het arrest5 het volgende overwogen: ‘Tijdens de terechtzitting in hoger beroep zijn alle beschikbare camerabeelden -die naar het oordeel van het hof van goede kwaliteit zijn- meermalen in aanwezigheid van verdachte getoond. Tijdens het zien van de camerabeelden heeft het hof waargenomen dat de persoon met het geruite blousje en de donkere trui, die te zien is op de camerabeelden (en op pagina 56 van het dossier), een sterke gelijkenis vertoont met verdachte. (…) Verdachte stelt dat hij op de camerabeelden de persoon is met het lichte shirt aan, die (op de camerabeelden gezien) rechtsonder in beeld staat. (…) Voorts heeft het hof waargenomen dat de persoon met het lichte shirt qua postuur en lichaamsbouw niet op verdachte lijkt.’

24. Daaruit blijkt voldoende dat de als bewijsmiddel 12 gebezigde waarneming ter terechtzitting door het hof is gedaan.6 De klacht lijkt te berusten op de opvatting dat het hof zijn eigen waarneming alleen voor het bewijs kan gebruiken indien uit het proces-verbaal van de terechtzitting met zoveel woorden blijkt dat die waarneming daar door het hof is gedaan. Die opvatting is onjuist. Het is volgens vaste rechtspraak in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming daar ter sprake brengt.7 Daaruit volgt dat in zijn algemeenheid evenmin is vereist dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat die waarneming daar is gedaan.8 In dit verband merk ik nog op dat het hof, door het tot het bewijs bezigen van zijn waarneming als in bewijsmiddel 12 weergegeven, aan de camerabeelden geen wezenlijk andere betekenis heeft gegeven dan de waarneming die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting daar door de voorzitter is verwoord.9

25. Uit het voorgaande volgt dat dat de deelklachten die betogen dat door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn, falen. En het oordeel van het hof dat de verdachte de op de camerabeelden en foto’s weergegeven man met het geblokte shirt is, is voldoende met redenen omkleed.

25. Het eerste middel faalt.

25. Het tweede middel klaagt dat het hof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het bezwaarlijk anders dan als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan te merken verweer dat de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] onbetrouwbaar zijn.

25. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:

‘9. Tenslotte merkt de verdediging op dat de rechtbank vrijwel geheel ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in de pleitnota omtrent herkenning:

“(…) Want die conclusie van [medeverdachte] “dat het [verdachte] wel moet zijn”, die zogenaamde herkenning krijgt vervolgens navolging door ambtsedige pv’s, waarbij verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ook menen cliënt in de foto’s kunnen ontwaren.

Deze verbalisanten beschikten voorafgaand aan het bekijken van de beelden over de informatie dat cliënt verdachte was van dit feit en dat hij bovendien op die beelden te zien zou zijn. Deze herkenning door de verbalisanten is als gevolg van die voor-informatie die zij vooraf over de persoon die op de beelden te zien zal zijn, volstrekt onbetrouwbaar. Het gevolg is namelijk dat de herkenning van cliënt is ingegeven door een verwachting.

Ter verduidelijking: als ik u wijs op een wolkenformatie en ik zeg daarin een man met een pijp te zien, ziet u die ook, terwijl u daar vooraf helemaal niet aan dacht.

Er wordt op geen enkele wijze gerelateerd dat men bij de herkenning te werk is gegaan op een wijze waardoor is uitgesloten dat het niet toch een ander is die op de beelden is waar te nemen. De verbalisanten kennen cliënt van beelden of treffen (BFK: hem) en de persoon op de beelden lijkt er in sommige aspecten wel op, en dus is het cliënt. Zo moet het zijn gegaan, want overigens blijkt niet op welke wijze, onder welke omstandigheden en op grond van welk referentiemateriaal men tot de herkenning van cliënt is gekomen en hoe men heeft uitgesloten dat het geen ander dan cliënt kan zijn.

Daarmee is er geen enkele waarborg tegen een vergissing of een subjectieve interpretatie. Terwijl deze stapeling van herkenningen toch het centrale bewijs voor het OM vormen.

Een opvallend detail is nog dat verbalisant [verbalisant 5] verwijst naar een huisbezoek van ongeveer vier weken terug bij de familie [verdachte] over een openstaande boete en dat hij toen aan de deur heeft gesproken met [verdachte] . Dit was echter niet [verdachte] , maar zijn broertje. Daarnaast zegt hij dat op de foto een manspersoon van Turkse afkomst herkent, die hij ambtshalve herkent als [verdachte] .

Het moge duidelijk zijn dat [verdachte] niet van Turkse afkomst is. Deze verbalisant maakt de ene vergissing na de andere, maar niet alleen deze verbalisant.

Ik acht het van belang om nog even aan te geven dat het broertje van cliënt, [H] , in de afgelopen periode meerdere malen door de wijkagenten is aangesproken en zelfs is staande gehouden (wegens overtreding horecaverbod) omdat zij het broertje voor cliënt aanzagen.

Dat er sprake is van herkenning door verbalisanten, maakt de herkenning ook niet betrouwbaar. En er zijn dan ook gevallen waarin de feilenrechter terecht meent dat zelfs aan een ambtsedige herkenning door meerdere agenten onvoldoende bewijskracht kan worden toegekend.

Bijvoorbeeld: Hof Den Haag (…), 6 december 2011, NbSr 2011, 73:

“een drietal verbalisanten meent weliswaar een van de personen op de camerabeelden te herkennen als zijnde de verdachte. Mede gelet op het feit dat van de persoon op de camerabeelden weinig details zichtbaar zijn, komt aan deze herkenningen naar het oordeel van het Hof echter geen overtuigende kracht toe”.

De waardering door uw Rechtbank van de herkenning door deze verbalisanten maar ook de herkenning door [medeverdachte] dient tegen de achtergrond van de onduidelijke camerabeelden, de mogelijke verwachtingen die bij hen een rol hebben gespeeld en het gebrek aan waarborgen tegen een vergissing, te worden beoordeeld.”

(…)

13. Nu enig ander of objectief bewijs van daderschap van cliënt ontbreekt verzoek ik u cliënt alsnog vrij te spreken van het tenlastegelegde feit.’

29. Blijkens hetgeen in het bestreden arrest is vermeld onder ‘Standpunt van de verdediging’ heeft het hof de in het middel bedoelde betwisting van de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten onder ogen gezien. Naar aanleiding van de verweren van de verdediging heeft het hof onder meer overwogen dat het geen redenen heeft om aan de betrouwbaarheid en juistheid van de herkenningen door de verbalisanten te twijfelen.

29. Naar het mij voorkomt heeft het hof daarmee genoegzaam gerespondeerd op het in het middel bedoelde verweer. De aan het verweer ten grondslag gelegde argumentatie is niet zodanig indringend dat zij het hof tot een nadere motivering noopte. In de kern is niet meer aangevoerd dan dat de herkenningen onbetrouwbaar zijn omdat de verbalisanten voorafgaand aan het bekijken van de beelden beschikten over de informatie dat de verdachte op de beelden te zien zou zijn. Dat de ‘mogelijke verwachtingen’ bij de verbalisanten als gevolg van dergelijke voorinformatie de herkenningen ‘volstrekt onbetrouwbaar’ maken, valt niet zonder meer in te zien.10 Ik merk daarbij op dat een gedeelte van de argumentatie van de raadsman specifiek betrekking had op de herkenning door verbalisant [verbalisant 5] en dat het hof die herkenning niet voor het bewijs heeft gebruikt, zodat in zoverre geen sprake is van een tot motivering nopende afwijking van het standpunt van de verdediging.

31. Het in het middel bedoelde verweer maakte bovendien deel uit van een breder betoog dat inhield dat de verdachte niet de persoon met het geruite blouseje en de donkere trui op de beelden was. Aan dat bredere betoog, dat in punt 13 van de pleitnota uitloopt op een verzoek om vrijspraak, heeft het hof uitvoerige overwegingen gewijd. In die overwegingen ligt besloten dat het hof de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] bruikbaar heeft geacht voor het bewijs mede omdat zij steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Zo heeft het hof, zo bleek bij de bespreking van het eerste middel, overwogen dat tijdens de terechtzitting in hoger beroep alle beschikbare camerabeelden – die naar het oordeel van het hof van goede kwaliteit zijn – meermalen in aanwezigheid van de verdachte zijn getoond en dat het hof daarbij heeft waargenomen dat de persoon met het geruite blouseje en de donkere trui een sterke gelijkenis vertoont met de verdachte. De vaststelling van het hof dat de camerabeelden van goede kwaliteit zijn, vormt tevens een weerlegging van de stelling van de raadsman dat sprake is van ‘onduidelijke camerabeelden’. Het hof heeft bovendien vastgesteld dat het gezicht van de persoon met de blokjes-/ruitjesblouse op meerdere momenten volledig zichtbaar is. Ik merk hierbij nog op dat de raadsman blijkens het gevoerde verweer ervan uit is gegaan dat verbalisant [verbalisant 4] de verdachte heeft herkend op foto’s. Uit bewijsmiddel 10 kan echter worden afgeleid dat verbalisant [verbalisant 4] de bewegende camerabeelden heeft bekeken. Daarbij heeft ook deze verbalisant opgemerkt dat de beelden van goede kwaliteit zijn.

31. Het tweede middel faalt.

31. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof, inhoudende dat voorbij wordt gegaan aan de conclusies en aanbevelingen in het NFI-rapport van de deskundige Ruifrok , onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen omkleed.

31. Vooropgesteld kan worden dat het is voorbehouden aan de feitenrechter om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.

31. Het hof heeft geoordeeld dat het NFI-rapport te kort schiet en dat de conclusies zijn gebaseerd op onvolledig onderzoeksmateriaal. Daartoe heeft het hof in de eerste plaats overwogen dat het NFI niet de beschikking heeft gehad over de bewegende camerabeelden en dat de conclusie in het rapport is gebaseerd op een vergelijking met drie stills van die beelden. Het hof heeft overwogen dat de persoon op die stills schuin van boven zichtbaar is en dat de keuze voor juist die stills verbazing wekt omdat het gezicht van de persoon met de blokjes-/ruitjesblouse op meerdere momenten volledig zichtbaar is, waarbij het hof kennelijk doelt op de bewegende beelden. Daarin ligt als vaststelling van het hof besloten dat op de voor het onderzoek gebruikte stills het gezicht van de afgebeelde persoon slechts gedeeltelijk zichtbaar is. Het hof heeft zijn oordeel dat weinig (bewijs)waarde moet worden toegekend aan het rapport voorts gebaseerd op de verklaring van de deskundige Ruifrok dat de kwaliteit van de foto niet hoog was, dat sprake was van een spotlight waarvan de bundel op het hoofd voor vertekening kan zorgen en dat op ‘dit soort kwalitatief slechte foto’s’ de vorm van het hoofd niet zo goed kan worden bepaald. Het op een en ander gebaseerde oordeel van het hof dat voorbij wordt gegaan aan de conclusies in het rapport is, mede gelet op de vrijheid van de feitenrechter dienaangaande, niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd.

31. Ik wijs er nog op dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zelf heeft gewezen op de volgende passages uit de verklaring van de deskundige Ruifrok : ‘Een spot in het plafond kan bij zelfs een lichte beweging van het hoofd een ander resultaat opleveren. (…) De grootte van het hoofd is op dit soort foto’s niet te bepalen. (…) Op zich zijn dus de vorm en grootte van het hoofd wel van belang maar op deze vergelijkingsfoto’s niet te bepalen.’ Op grond hiervan heeft de raadsman zelf gesteld dat de deskundige zegt ‘dat de kwaliteit van de beelden feitelijk te slecht is voor een bruikbare vergelijking ten behoeve van herkenning.’11

37. Het derde middel faalt.

37. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding geven.

37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 13e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 503-505.

2 Vgl. onder meer HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:715.

3 Zoals het hof in de omschrijving van bewijsmiddel 4 heeft vastgesteld, is het desbetreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen op pagina’s 51-57. Het verhoor zelf (tweede zakelijke verklaring) is opgenomen op pagina’s 51-53. Op pagina 56 is een foto afgebeeld met de aanduiding ‘Foto Bijlage 3’. Op pagina 57 zijn twee foto’s afgebeeld met de aanduiding ‘Foto bijlage 4’.

4 Het bestreden arrest houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 maart 2017 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014 en 9 juni 2015. Op 9 juni 2015 is het onderzoek met instemming van de raadsman en de officier van justitie hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing daarvan op 19 augustus 2014.

5 Het hof heeft in de omschrijving van bewijsmiddel 12 abusievelijk slechts pagina 5 genoemd.

6 Vgl. reeds HR 29 april 1935, ECLI:NL:HR:1935:145, NJ 1936/50 m.nt. Pompe (vierde middel) waarin Uw Raad overwoog dat uit de ‘overweging der Rechtbank alleszins voldoende blijkt, dat deze eigen waarneming ter terechtzitting is geschied’.

7 Vgl. HR 18 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1610, NJ 1993/28 m.nt. Schalken, rov. 5.1; HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831, NJ 2011/78 m.nt Reijntjes; HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4990, NJ 2012/559; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1405, NJ 2016/333; HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2639, NJ 2018/35 m.nt. Rozemond. Ik merk hierbij op dat de rechter wel is gehouden zijn waarneming ter terechtzitting ter sprake te brengen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening hoefden te houden. Het middel klaagt – gelet op het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep: terecht – niet dat de verdediging geen rekening hoefde te houden met het gebruik voor het bewijs van de in bewijsmiddel 12 bedoelde waarneming.

8 Zie ook HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831, NJ 2011/78 m.nt Reijntjes, rov. 3.4 (‘heeft kunnen doen’).

9 Zie in dit verband HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4990, NJ 2012/559.

10 Uit bewijsmiddel 8 volgt overigens niet dat verbalisant [verbalisant 2] over dergelijke voorinformatie beschikte toen hij de print-screen van de camerabeelden van de garderobe bekeek.

11 Pagina 6 van de pleitnota.