Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:395

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
18/01047
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:987
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv vanwege beslag ex art. 94 Sv op een hond. De rechtbank heeft het klaagschrift van de beslagene ongegrond verklaard en de teruggave van de hond gelast aan een derde-belanghebbende die gesteld heeft de hond van klaagster te hebben gekocht. De AG stelt voorafgaand aan de bespreking van het middel ambtshalve twee kwesties aan de orde: (i) de beklagprocedure van art. 552a Sv kent niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van een in beslag genomen voorwerp aan een ander dan degene die een klaagschrift heeft ingediend. De derde-belanghebbende heeft geen klaagschrift ingediend, dus had de rechtbank geen teruggave aan de derde belanghebbende mogen bevelen. (ii) De hond blijkt inmiddels aan de derde-belanghebbende te zijn teruggegeven. Op grond van art. 134 lid 1 sub a Sv is het beslag dan geëindigd en klaagster niet ontvankelijk in haar cassatieberoep. Nu over (i) in cassatie niet is geklaagd kan in casu worden gehandeld alsof de teruggave niet heeft plaatsgevonden, zodat klaagster ontvankelijk kan worden geacht in haar beroep (vgl. ECLI:NL:HR:2007:AZ1656). De AG stelt zich op het standpunt dat het middel zelf, dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat een ander dan klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/01047 B

Zitting: 23 april 2019

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[klaagster]

1 Inleiding

1.1.

De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 6 februari 2018 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het onder haar gelegde beslag en teruggave van een in beslag genomen hond, ongegrond verklaard en de teruggave gelast van de hond aan een derde belanghebbende.

1.2.

Uit de stukken die zich in het dossier bevinden maak ik het volgende op.

i. Het gaat in deze zaak om de in beslag genomen [de hond] . Belanghebbende [belanghebbende] stelt dat hij op 21 november 2016 de hond voor 150 euro heeft gekocht van de klaagster. De klaagster stelt dat zij nooit heeft bedoeld om de hond aan hem te verkopen en dat zij ten tijde van de koop onder invloed van een psychische stoornis handelde waardoor er geen sprake is van rechtsgeldige koopovereenkomst.

ii. Enige tijd na de koop wordt de hond bij belanghebbende [belanghebbende] gestolen en blijkt deze in het bezit te zijn van de klaagster.

iii. Op 4 december 2017 is de hond ex art. 94 Sv onder de klaagster strafvorderlijk in beslag genomen.

iv. Twee dagen later, op 6 december 2017, heeft de officier van justitie aan de klaagster ex art. 116 lid 3 Sv medegedeeld [de hond] te zullen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten belanghebbende [belanghebbende] .

v. Op 15 december 2017 is namens de klaagster een klaagschrift ingediend strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van de hond aan haar. De rechtbank heeft dit klaagschrift ongegrond verklaard en de teruggave gelast van de hond aan belanghebbende [belanghebbende] .

vi. Uit inlichtingen bij het arrondissementsparket maak ik op dat de hond inmiddels is teruggegeven aan [belanghebbende] .

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.L. Baar, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Status van het beslag en ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel wil ik, ook al wordt daar niet over geklaagd, aan de orde stellen of de rechtbank wel bevoegd was de teruggave te gelasten van de in beslag genomen hond aan belanghebbende [belanghebbende] . Daarnaast werp ik de daarmee samenhangende vraag op of klaagster ontvankelijk is in het onderhavige cassatieberoep, nu de hond inmiddels aan [belanghebbende] is teruggegeven.

2.2.

Ik zal met deze laatste vraag beginnen. Het uitgangspunt van art. 134 lid 2 onder a Sv is dat het beslag eindigt als het in beslag genomen voorwerp wordt teruggegeven.1 Dat zou in dit geval betekenen dat de klaagster wegens gebrek aan belang niet kan worden ontvangen in haar cassatieberoep en dus bij voorbaat bot vangt, ook al is de beschikking van de rechtbank nog niet onherroepelijk.

2.3.

Daarbij doet zich echter de complicatie voor dat de rechtbank in het onderhavige geval niet mocht beslissen tot teruggave van de hond aan een ander dan de klaagster. De wet kent immers in de beklagprocedure van art. 552a Sv niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van een in beslag genomen voorwerp aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend.2 [belanghebbende] was weliswaar opgeroepen als belanghebbende bij de behandeling van het klaagschrift van de klaagster en is ook als zodanig verschenen, maar hij heeft zelf geen klaagschrift ingediend tegen het uitblijven van een last tot teruggave aan hemzelf. Dat is ook niet zo gek, aangezien de officier van justitie reeds op grond van art. 116 lid 3 Sv had aangegeven voornemens te zijn de in beslag genomen hond aan hem terug te geven.

2.4.

De rechtbank had zich dan ook moeten beperken tot de vraag of het klaagschrift van de klaagster al dan niet gegrond was en het aan de officier van justitie moeten overlaten om, zodra de beslissing van de rechtbank onherroepelijk zou worden, over te gaan tot teruggave van de hond aan de rechthebbende als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv.3

2.5.

Nu het middel geen klacht bevat over de omstandigheid dat de rechtbank niet de bevoegdheid had te beslissen de hond aan de belanghebbende [belanghebbende] terug te geven, laat ik dat punt verder rusten.4

Wat de ontvankelijkheid van de klaagster in haar cassatieberoep betreft, heeft deze gang van zaken tot gevolg dat het beklag, ook al is de hond reeds teruggegeven aan de belanghebbende [belanghebbende]5, kan worden behandeld alsof de teruggave niet heeft plaatsgevonden, zodat klaagster ontvankelijk kan worden geacht.6

Na deze inleidende schermutselingen kom ik nu toe aan een bespreking van het middel.

3 Het middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat art. 116 Sv is geschonden, doordat het oordeel van de raadkamer dat belanghebbende [belanghebbende] als redelijkerwijs rechthebbende aan te merken is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

Beoordeling van het beklag

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het beklag en het klaagschrift is tijdig ingediend.

De feiten

Het klaagschrift is gericht op teruggave van de [de hond] aan klaagster. [de hond] is op enig moment van klaagster naar belanghebbende [belanghebbende] gegaan, en klaagster wil [de hond] terug hebben. Uit het dossier blijkt dat [de hond] middels een strafbaar feit (diefstal) weer bij klaagster terecht is gekomen. Op 4 december 2017 is [de hond] ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen onder klaagster. Bij brief van 6 december 2017 is door het Openbaar Ministerie aan klaagster medegedeeld dat [de hond] op grond van artikel 116 lid 3 Wetboek van Strafvordering zal worden teruggegeven aan [belanghebbende] .

Het standpunt van klaagster

Klaagster is van oordeel dat er geen strafvorderlijk belang voor de inbeslagname is, nu het Openbaar Ministerie te kennen heeft gegeven over te gaan tot teruggave van [de hond] aan [belanghebbende] . Op grond van artikel 116 Sv dient [de hond] echter te worden teruggegeven aan klaagster nu zij degene is onder wie het beslag is gelegd. Klaagster betwist dat [belanghebbende] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nu zij nooit heeft bedoeld om [de hond] aan hem te verkopen. Er kan dan ook niet van een rechtsgeldige koop worden uitgegaan, aangezien zij ten tijde daarvan onder invloed van een psychische stoornis handelde. Klaagster roept om die reden de nietigheid van de koop in. Indien niet duidelijk is wie een beter recht op de hond heeft, moet het beslag - gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad - terug naar de beslagene, aldus klaagster.

Het standpunt van de belanghebbende [belanghebbende]

stelt dat hij in november 2016 [de hond] voor 150 euro heeft gekocht van klaagster. Klaagster zou [de hond] via Marktplaats te koop hebben aangeboden. Klaagster zou tegen [belanghebbende] hebben verklaard dat haar relatie was verbroken en drie honden te veel (voor haar) was. De eerste vier maanden na de aankoop heeft hij steeds contact gehouden met klaagster door haar berichten en foto’s te sturen. Na ongeveer drie maanden gaf klaagster te kennen dat zij de hond terug wilde hebben. Belanghebbende wilde de hond echter houden en heeft het contact met klaagster verbroken. Enige tijd later is de hond zonder zijn toestemming of wetenschap uit zijn huis weggenomen en nog weer later, na zijn melding daarvan aan de politie, in beslag genomen onder klaagster. [belanghebbende] wil [de hond] terug.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van [de hond] aan klaagster en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er loopt nog een strafzaak tegen klaagster. Het is duidelijk dat de hond is gestolen en er is een verdenking van betrokkenheid van klaagster bij deze diefstal. Omdat de hond bij haar is aangetroffen is er ook een verdenking van heling. Er is dan ook nog een strafvorderlijk belang omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de hond verbeurd zou worden verklaard. Anderzijds kan er ook worden vastgesteld dat [belanghebbende] buiten redelijke twijfel als rechthebbende kan worden gezien. Uit een bankafschrift blijkt dat hij 150 euro aan klaagster heeft betaald met omschrijving ‘ [de hond] ’. Hij had ten tijde van de koop geen aanwijzingen dat klaagster niet in staat was om een rechtsgeldig wilsbesluit te nemen en hij heeft de hond dus ter goeder trouw gekocht, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard en dat [de hond] dient te worden teruggegeven aan belanghebbende [belanghebbende] .

Het oordeel van de rechtbank

Bij het beoordelen van een beklag op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering - waar in het onderhavige geval sprake van is - dienen de volgende vragen te worden beoordeeld:

(1) Verlangt het belang van strafvordering dat het beslag wordt voortgezet?

(2) Is een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek zich richt redelijkerwijs rechthebbende en is die ander bekend?

Het is de rechtbank gebleken dat het Openbaar Ministerie bij brief van 6 december 2017 een mededeling ex artikel 116 lid 3 Sv heeft gedaan, inhoudende dat de [de hond] zal worden teruggegeven aan belanghebbende [belanghebbende] . Een beslissing op grond van artikel 116 Sv wordt pas genomen op het moment dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave. De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dat het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van de hond.

Zodra het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp geldt de hoofdregel dat het voorwerp moet worden teruggegeven aan degene onder wie het is inbeslaggenomen. Van die regel wordt afgeweken indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en het maatschappelijk niet onverantwoord is om het voorwerp terug te geven aan die ander.

Uit het dossier maakt de rechtbank op dat belanghebbende [belanghebbende] op 21 november 2016 een bedrag van 150,00 euro, onder vermelding van ‘ [de hond] ’, heeft overgemaakt aan klaagster. Belanghebbende heeft daarover verklaard dat klaagster de hond op Marktplaats had geadverteerd en dat hij op deze advertentie heeft gereageerd. De verklaring van klaagster dat de hond slechts voor korte tijd bij belanghebbende was ondergebracht voor tijdelijke verzorging, vindt geen steun in het dossier. De rechtbank concludeert dan ook dat het er alle schijn van heeft dat er een koopovereenkomst is gesloten tussen klaagster en belanghebbende. Dat klaagster nadien spijt heeft gekregen van die koop doet daar niets aan af. Over de vraag of klaagster ten tijde van het wilsbesluit (de verkoop) onder invloed van een psychische stoornis verkeerde en of de nietigheid van de koop dient te worden ingeroepen, behoeft de rechtbank op dit moment geen oordeel te geven. Deze kwestie kan in een civiele procedure aan de orde gesteld te worden. Nu daarin nog geen beslissing is genomen, is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Voorts is niet gebleken dat het maatschappelijk onverantwoord is om de hond terug te geven aan [belanghebbende] en heeft [belanghebbende] in raadkamer verklaard dat hij de hond terug wenst te krijgen. De rechtbank zal zo beslissen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond en gelast de teruggave van de [de hond] aan belanghebbende [belanghebbende] .”

3.3.

Het middel is, zoals gezegd, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende [belanghebbende] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De kern van de klacht is dat de civielrechtelijke eigendomsverhouding in deze allerminst helder is en dat de rechtbank daarom niet had mogen afwijken van de hoofdregel dat het beslag terug moet naar de beslagene.

3.4.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter (i) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee (ii) de teruggave van het in beslag genomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In het systeem van de wet ligt besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen.7 Dit is bijvoorbeeld het geval bij een klaagschrift dat is gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan anderen dan de beslagene, zoals in onderhavige zaak. In dat voornemen ligt, gelet op art. 116 lid 1 Sv, besloten dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Het staat de rechter dan niet vrij bij de beoordeling van het klaagschrift te treden in de vraag of zodanig belang aan de teruggave in de weg staat. De te beantwoorden vraag voor de rechter is dan slechts of degene aan wie de officier van justitie voornemens is het voorwerp terug te geven op het eerste gezicht redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar mag hij daarbij wel civielrechtelijke aspecten betrekken. Het gaat in de beslagprocedure om een (voorlopig) oordeel over de eigendomsverhoudingen.8

3.5.

De vraag is of de rechtbank de bovenstaande maatstaven juist heeft toegepast.

3.6.

De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster kennelijk opgevat als zowel te zijn gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave aan de klaagster, als tegen het voornemen van de officier van justitie als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv de hond aan de belanghebbende [belanghebbende] terug te geven. Dat de klaagster ook opkwam tegen dit voornemen van de officier van justitie blijkt niet als zodanig uit het ingediende klaagschrift, maar wel uit de zich bij de gedingstukken bevindende pleitnotitie van de raadsman, die aan het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 23 januari 2018 is gehecht. Het is dus niet onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de door het openbaar ministerie gedane mededeling ex art. 116 lid 3 Sv meebrengt dat het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van de hond. Als de officier van justitie immers als zijn voornemen te kennen geeft een inbeslaggenomen voorwerp terug te geven aan een derde die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, ligt daarin besloten dat naar het oordeel van het openbaar ministerie het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave. Daaraan doet niet af dat de officier van justitie zich tijdens de raadkamerbehandeling op het (tegenstrijdige) standpunt heeft gesteld dat er wel nog een strafvorderlijk belang is.

3.7.

Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat zodra het belang van strafvordering zich niet meer verzet, de hoofdregel geldt dat het voorwerp moet worden teruggegeven aan de beslagene maar dat van die regel wordt afgeweken indien een ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en het maatschappelijk niet onverantwoord is om het voorwerp terug te geven aan die ander. De rechtbank heeft hiermee de juiste maatstaven gehanteerd. In zoverre vindt de opvatting van de steller van het middel dat ‘uit de wet als ook de jurisprudentie van uw Hoge Raad geen mogelijkheid blijkt om van die hoofdregel af te wijken’, dan ook geen steun in het recht.

3.8.

De kern van de klacht is dat de rechtbank niet van de hoofdregel had mogen afwijken omdat de civielrechtelijke rechtsverhouding niet voldoende duidelijk is geworden.

3.9.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de hond middels diefstal bij de klaagster terecht is gekomen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende [belanghebbende] een bedrag van 150,00 euro heeft overgemaakt aan klaagster onder vermelding van ‘ [de hond] ’ en dat hij daarover heeft verklaard dat klaagster de hond op Marktplaats had geadverteerd en dat hij hierop heeft gereageerd. De verklaring van klaagster dat zij de hond slechts voor korte tijd bij belanghebbende had ondergebracht voor tijdelijke verzorging, vindt volgens de rechtbank geen steun in het dossier. De rechtbank concludeert hieruit dat het er alle schijn van heeft dat er een koopovereenkomst is gesloten tussen klaagster en belanghebbende en dat zij over de vraag of klaagster ten tijde van deze verkoop onder invloed psychische stoornis verkeerde en of de koopovereenkomst op grond daarvan nietig is, geen oordeel hoeft te geven. Die kwestie kan volgens de rechtbank in een civiele procedure aan de orde worden gesteld.

3.10.

Anders dan de steller van het middel betoogt, getuigt dit oordeel van de rechtbank mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank heeft met haar overwegingen tot uitdrukking gebracht dat belanghebbende [belanghebbende] op het eerste gezicht een beter recht heeft op de hond dan de klaagster. De rechtbank is daarbij niet getreden in de beslechting van civielrechtelijke eigendomskwesties, maar heeft bij haar oordeel slechts betrokken dat het er alleen schijn van heeft dat er sprake is geweest van een rechtsgeldige koopovereenkomst.9 Dat oordeel is, gelet op de vaststellingen die gebaseerd zijn op het dossier, niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik nog op dat artikel 116 lid 6 Sv bepaalt dat de beslissingen ex artikel 116 Sv ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet laten en verwijst de beslagene aldus naar de civiele rechter om eventuele civiele claims te kunnen beslechten.

3.11.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. bijvoorbeeld de situatie waarin uit uitlichtingen bij de Hoge Raad blijkt dat het in beslag genomen voorwerp is teruggegeven aan de beslagene zelf: HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:8.

2 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.6.

3 Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0514, NJ 2007/361.

4 Tot ambtshalve vernietiging hoeft dit niet te leiden, zie HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9355.

5 Overigens maak ik uit de zich in het dossier bevindende reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift van de klaagster op dat de hond reeds gedurende de procedure bij belanghebbende [belanghebbende] in bewaring was gegeven (art. 116 lid 4 Sv schept deze mogelijkheid). Omdat de gerechtelijke last tot teruggave is gericht aan de bewaarder, doet zich hier dus de situatie voor dat de bewaarder zichzelf als het ware de hond teruggeeft.

6 Vgl. de situatie waarin de officier van justitie zonder dat de beslissing onherroepelijk is geworden, overgaat tot teruggave en in cassatie wordt gehandeld als ware het voorwerp niet teruggegeven, impliciet HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4381 en expliciet de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga. Zie ook HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1656, NJ 2007/147 en van recentere datum HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2588 (officier van justitie gaat zonder toepassing art 116 lid 3 Sv over tot teruggave aan derde en de beslagene is toch ontvankelijk omdat diens beklag moet worden beschouwd als te zijn gericht tegen het voornemen van de officier van justitie alsof de teruggave nog niet heeft plaatsgevonden).

7 Vgl. HR 4 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6283, NJ 2006/385.

8 Zie voor dit alles HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m. nt. Mevis, rov. 2.8-2.13.

9 Vgl. HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003/459.