Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:380

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-04-2019
Datum publicatie
18-04-2019
Zaaknummer
17/03171
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:899
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Belediging, art. 266 Sr. Verdachte heeft een jas gedragen met daarop de letters ACAB en deze gedragen ten overstaan van een politieagent. Veroordeling wegens belediging toelaatbaar in het licht van art. 10 EVRM? De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2019/109 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03171

Zitting: 16 april 2019

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

Het cassatieberoep

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 22 juni 2017 wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof een in beslag genomen jas verbeurd verklaard.

  2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

3. Het gaat in deze zaak om het gebruik van de letters A.C.A.B. Volgens de bewezenverklaring vormen de letters A.C.A.B. een afkorting van de tekst “all cops are bastards”. Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte een jas droeg met daarop (onder meer) de letters A.C.A.B., terwijl hij samen met anderen bezig was een pand te kraken. De letters waren met een stift / marker aangebracht op de jas van de verdachte en waren goed zichtbaar. Toen er politieambtenaren ter plaatse kwamen, heeft de verdachte hen benaderd en ongevraagd aangesproken. In deze zaak speelt de vraag of de verdachte wist dat de letters deze betekenis hadden. Of dacht hij wellicht aan andere betekenissen, zoals “acht cola acht bier”, “all cats are beautiful” of zelfs aan “always carry a bible”?

4. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte, door zich te begeven in een situatie waarin hij politieagenten zou tegenkomen, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij die politieagenten zou beledigen en dat er geen enkele aanwijzing is dat de verdachte de beledigende betekenis van de letters niet kende. In cassatie wordt geklaagd over dit oordeel. Ook wordt geklaagd dat de veroordeling een ontoelaatbare inmenging vormt in het recht op vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in art. 10 EVRM.

Bespreking van de middelen

5. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, althans dat het hof het verweer van de verdediging dat ertoe strekt dat het dragen van de lettercombinatie A.C.A.B. op een jas niet beledigend is, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het beroep op het recht op vrijheid van meningsuiting, zoals dat bescherming vindt in art. 10 EVRM, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

6. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij op 25 juli 2015 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid door een feitelijkheid heeft beledigd door daar toen opzettelijk beledigend zichtbaar voor voornoemde ambtenaren een jas te dragen met daarop de tekst “A.C.A.B.” (= All Cops Are Bastards).”

7. Uit de aan het hof ter terechtzitting in hoger beroep op 8 juni 2017 overgelegde pleitnotities blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte (onder meer) vrijspraak, althans ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit. Aan het verweer strekkende tot vrijspraak heeft zij ten grondslag gelegd dat de letters A.C.A.B. naar algemeen spraakgebruik niet zonder meer “all cops are bastards” betekenen. Deze kunnen volgens haar ook een afkorting vormen van “acht cola, acht bier”. Volgens de raadsvrouw is uit de context van de zaak niet gebleken dat het de verdachte ging om het beledigen van politieambtenaren, omdat op zijn jas ook de tekst “meer bier!” was vermeld. Bovendien is er volgens de raadsvrouw niet voldoende bewijs voor het aannemen van opzet op het beledigen van een politiefunctionaris, omdat de verdachte niet meer heeft gedaan dan de ter plaatse surveillerende agenten aanspreken, terwijl hij vooraf ook niet is gewaarschuwd dat hij een samenstel van letters droeg die mogelijk beledigend was voor anderen. De verdachte heeft niet verklaard te weten wat A.C.A.B. betekent en het opschrift “meer bier!” duidt er veeleer op dat de verdachte uitging van de betekenis “acht cola, acht bier”, aldus de raadsvrouw.

8. Het verweer dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging berust op de stelling dat strafrechtelijke vervolging van de verdachte in strijd is met het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM. De raadsvrouw heeft in dat verband aangevoerd dat art. 10 EVRM in beginsel niet beschermt tegen belediging die een agent in persoon is aangedaan, maar dat dit anders kan liggen als een individu niet wezenlijk door een uiting is geraakt. Zij heeft in dat verband verschillende uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aangehaald. De verdachte heeft volgens de raadsvrouw het oog gehad op alle “officials” in de wereld. Bovendien vormt de term A.C.A.B. een politieke slogan die door de anarchistische beweging wordt gebruikt, terwijl uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat uitlatingen in het publieke debat in hoge mate worden beschermd, ook als deze schokkend, verontrustend of kwetsend zijn.

9. Het hof heeft de hiervoor bedoelde verweren verworpen en heeft het volgende overwogen over het bewijs en de strafbaarheid van het bewezen verklaarde:

“Bewijsoverwegingen

(…)

De verdachte heeft op de Admiraal de Ruijterweg in Amsterdam een jas gedragen met daarop de letters “A.C.A.B.”. Deze letters zijn met een stift/marker aangebracht op de jas die de verdachte droeg en waren voor een ieder goed zichtbaar. De verdachte heeft deze jas gedragen terwijl hij samen met andere bezig was een woning te kraken. De letters "ACAB” vormen volgens de verbalisanten een afkorting van ‘All Cops are Bastards’.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door zich gekleed in een jas met daarop voor een ieder zichtbaar het opschrift “A.C.A.B.” te begeven in een situatie waarin hij politieagenten zou tegenkomen, te weten tijdens het kraken van een woning, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij die politieagenten zou beledigen. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte zich aan de ter plaatse gekomen politieambtenaren als voorman van de groep heeft opgeworpen door op hen af te lopen en hen ongevraagd aan te spreken. Derhalve acht het hof bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het beledigen van politieambtenaren.

Daarbij betrekt het hof dat er in het onderhavige geval geen enkele aanwijzing is dat de verdachte de beledigende betekenis van de term “A.C.A.B.” niet kende, mede gelet op zijn weigering te verklaren over welke betekenis de letters anders zouden kunnen hebben gehad.

(…)

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Door de raadsvrouw is een beroep gedaan op het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting op grond van artikel 10 EVRM.

Dit verweer treft naar het oordeel van het hof geen doel nu de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM is begrensd door artikel 266 Sr. De letters op de jas van de verdachte hebben een beledigend karakter en zijn onnodig grievend zodat de door art. 266 Sr geboden bescherming daartegen kan worden aangemerkt als noodzakelijk in een democratische samenleving en aan de verdachte geen rechtvaardigingsgrond toekomt ex artikel 10 EVRM.”

Het toetsingskader bij strafbare belediging

10. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr acht dient te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.1 In de literatuur wordt in deze overwegingen een zogenoemde “drietrapsbenadering” ontwaard. Centraal daarin staan: (i) de uitlating als zodanig, (ii) de context waarin de uitlating is gedaan, in het bijzonder of het gaat om een uitlating in het publieke debat of als vorm van artistieke expressie (iii) de vraag of de uitlating niet onnodig grievend is. Het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting is in dit toetsingskader ingepast. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 10 EVRM niet in de weg staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr indien zodanige veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting vormt. Daarbij gaat het om een inmenging die bij wet is voorzien, een gerechtvaardigd doel dient en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijk is. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van (onder meer) de context waarin de uitlating is gedaan. Daarbij is van belang of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat, of sprake is van een uiting van artistieke expressie en of deze niet onnodig grievend is.2

11. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorts dat een uitlating – of een feitelijkheid3 – beledigend is als deze de strekking heeft om een ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Daarvan is in het algemeen sprake indien de uitlating woorden bevat die als zodanig een beledigend karakter hebben, zoals scheldwoorden.4 Het oordeel dat van belediging sprake is, zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.5 Zo kon het hof volgens de Hoge Raad oordelen dat het in aanwezigheid van veel winkelend publiek luidkeels en herhaaldelijk tegen verbalisanten roepen van de woorden “Wat moet je nou mafkees” de strekking had hen in hun eer en goede naam aan te tasten.6 Ook het gebruik van de term “mierenneuker” kon het hof volgens de Hoge Raad, gelet op de context waarin de uitlating was gedaan, als beledigend beschouwen.7

12. De context kan aldus aan een uitlating een beledigend karakter verlenen. De context kan er evenwel ook toe leiden dat een op zichzelf kwetsende uitlating geen strafbare belediging oplevert.8 Daarbij moet worden bedacht dat de vrijheid van meningsuiting ook bescherming biedt aan uitlatingen die “offend, shock or disturb”.9 In een zaak waarin de verdachte werd vervolgd voor groepsbelediging (art. 137c Sr) had het hof geoordeeld dat de uitlating in direct verband stond met de uiting van een geloofsopvatting en voor de verdachte van betekenis was voor een maatschappelijk debat. Het hof achtte de gewraakte uitlating in het licht van de context niet beledigend in de zin van art. 137c Sr. De Hoge Raad oordeelde dat het hof aldus geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de term “beledigend” in de betekenis die daaraan toekomt in art. 137c Sr.10 De context stond ook aan een veroordeling wegens groepsbelediging in de weg in een zaak waarin de volgende in een column geuite tekst centraal stond: “Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen”.11 Het hof had geoordeeld dat de uitlating “op zichzelf beschouwd beledigend is voor Joodse mensen”, maar dat “gelet op het onderwerp van de column, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, in het licht van dat onderwerp, column en de inhoud van de column, niet gezegd kan worden dat de betreffende uitlating nodeloos grievend was”. De Hoge Raad overwoog dat het hof als zijn oordeel tot uitdrukking had gebracht dat de verdachte met deze uitlating niet de grenzen had overschreden van hetgeen in het licht van het in art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting toelaatbaar moet worden geacht en dat die uitlating niet als ‘beledigend jegens een groep mensen wegens hun ras’ als bedoeld in art. 137c, eerste lid, Sr kon worden aangemerkt. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

De rechtspraak van de Hoge Raad over belediging en de lettercombinatie A.C.A.B.

13. De Hoge Raad heeft zich eerder uitgelaten over de strafbaarheid van het dragen van een jas met daarop de lettercombinatie A.C.A.B. In zijn eerste arrest in de desbetreffende zaak viel de Hoge Raad over het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat A.C.A.B. een afkorting is van “all cops are bastards”, onder meer omdat voor het hof niet zonder meer duidelijk was dat dit een feit van algemene bekendheid was en het hof zich daarover buiten het onderzoek op de terechtzitting om had doen voorlichten.12 Na terugwijzing van de zaak sprake het hof de verdachte vrij, omdat “niet aannemelijk [was] geworden dat het ten tijde van het tenlastegelegde in Nederland als een feit van algemene bekendheid had te gelden dat de lettercombinatie ‘ACAB’ de afkorting vormt van de woorden ‘All Cops Are Bastards’”. De Hoge Raad overwoog vervolgens dat het hof een te beperkte uitleg had gegeven aan art. 266 in verbinding met art. 267 Sr.13 Bij de beoordeling of de genoemde uitlating beledigend is in de zin van die bepalingen is volgens de Hoge Raad “niet doorslaggevend de enkele omstandigheid of het een feit van algemene bekendheid is dat de onderhavige lettercombinatie de afkorting is van bovengenoemde woorden”.14 De zaak werd verwezen naar het aangrenzende hof en mondde daar uit in een veroordeling. De Hoge Raad verwierp het tegen dit arrest gerichte cassatieberoep. De Hoge Raad overwoog:

“2.5.

De klacht van het middel stelt de vraag aan de orde of het dragen van het jack met het opschrift A.C.A.B., welke afkorting naar het Hof heeft vastgesteld de, ook aan de verdachte bekende, betekenis ‘All Cops Are Bastards’ heeft en naar zijn aard de algemene strekking heeft om politiefunctionarissen wereldwijd en ook in Nederland in diskrediet te brengen, kan worden aangemerkt als opzettelijke belediging aan de individuele politiefunctionaris verbalisant in zijn tegenwoordigheid aangedaan als bedoeld in art. 266, eerste lid, Sr.

Het antwoord op de vraag of in zo een geval het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op belediging van de individuele politiefunctionaris is gericht, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zal, indien de beledigende uitlating of feitelijkheid, zoals hier, betrekking heeft op een categorie mensen in een bepaalde hoedanigheid, de enkele omstandigheid dat deze uitlating of feitelijkheid wordt waargenomen door een persoon die tot deze categorie behoort, niet voldoende zijn om te kunnen aannemen dat het opzet van de verdachte op belediging van die specifieke persoon is gericht.

2.6.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte in de gegeven omstandigheden bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij politiefunctionaris (…) zou beledigen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verdachte:

— wist dat politieagenten zich door die afkorting beledigd kunnen voelen;

— de week voorafgaande aan de dag waarop verbalisant waarnam dat hij het jack met het opschrift A.C.A.B. droeg, was gewaarschuwd door politieambtenaren voor het beledigende karakter van die uitdrukking;

— desondanks het jack met dat opschrift, voor ieder zichtbaar, in het openbaar met een groep jongeren is blijven dragen op een uitgaansavond in het centrum van Goes, en

— moet hebben geweten dat de kans dat hij daar en toen politieagenten zou tegenkomen die bezig waren met het uitoefenen van hun functie (zoals het surveilleren in het kader van de handhaving van de openbare orde in het uitgaanscentrum) aanmerkelijk was.”15

14. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen kan worden afgeleid dat het dragen van een jas met daarop zichtbaar de lettercombinatie A.C.A.B. volgens de Hoge Raad onder omstandigheden een belediging kan opleveren. Daarmee is nog niet gezegd dat degene die een jas met daarop de lettercombinatie A.C.A.B. draagt zich per definitie schuldig maakt aan de belediging van iedere politiefunctionaris die deze jas waarneemt. In geval de uitlating of feitelijkheid betrekking heeft op een categorie mensen in een bepaalde hoedanigheid, is de enkele omstandigheid dat deze uitlating of feitelijkheid wordt waargenomen door een persoon die tot deze categorie behoort niet voldoende om te kunnen aannemen dat het opzet van de verdachte op belediging van die specifieke persoon is gericht. Er zal als het ware een transitie dienen plaats te vinden van het collectieve naar het individuele. Een vergelijkbare benadering is te vinden in de rechtspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht. Ik ga hierna kort in op enkele uitspraken van het Duitse grondwettelijk Hof.

Een blik over de grens: de rechtspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht

15. De steller van het middel wijst op een tweetal uitspraken van het Bundesverfassungsgericht, waarin dit Hof oordeelde dat de veroordeling wegens belediging in de vorm van het dragen van een broek met daarop de tekst A.C.A.B. / het omhoog houden van letters A.C.A.B. in de gegeven omstandigheden een ontoelaatbare inbreuk vormde op het recht op vrijheid van meningsuiting. Hij verzuimt evenwel te verwijzen naar een – meer recente – uitspraak waarin de veroordeling wel in stand bleef. Voor de volledigheid bespreek ik de drie uitspraken kort.

16. In de eerste zaak16 had de verdachte een voetbalwedstrijd bezocht, terwijl hij een broek droeg met daarop de tekst A.C.A.B. Na de wedstrijd verliet hij het stadion en liep hij over een weg waar zich enkele politieambtenaren bevonden. Er werd tegen hem proces-verbaal opgemaakt, waarna hij werd vervolgd en veroordeeld voor belediging. Het Bundesverfassungsgericht stelt in zijn uitspraak voorop dat het ervan uitgaat dat de lettercombinatie A.C.A.B. staat voor “all cops are bastards” en dat dit algemeen bekend is, zodat het gebruik van de lettercombinatie kan worden gelijkgesteld aan het gebruik van de uitgeschreven woorden. Het dragen van kleding met daarop de tekst A.C.A.B. valt volgens het Hof onder de vrijheid van meningsuiting. De tekst is niet inhoudsloos, maar behelst een algemene afwijzing van politiemacht en brengt tot uitdrukking dat staatsmacht moet worden begrensd. Het Hof overweegt dat de vrijheid van meningsuiting haar grens vindt daar waar iemand in zijn eer wordt aangetast. Onder omstandigheden kan ook een uitlating die geen specifieke persoon betreft maar een collectief een inbreuk vormen op de eer van een lid van dat collectief. Hoe groter evenwel het collectief is, des te kleiner de mogelijkheid dat een lid van dat collectief met de uitlating wordt beledigd. Het Oberlandesgericht, dat tot een veroordeling van de betrokkene kwam, heeft dat volgens het Hof miskend. Uit de vaststellingen van het Oberlandesgericht blijkt slechts dat de betrokkene de broek met daarop A.C.A.B. droeg terwijl hij zich ervan bewust was dat er politieambtenaren aanwezig waren en hij deze voorbij liep. Niet is komen vast te staan dat de verdachte zich bewust in de nabijheid van één of meer politieambtenaren heeft opgehouden om hen met de lettercombinatie te confronteren. Er zijn geen vaststellingen gedaan waaruit kan worden afgeleid dat de lettercombinatie specifiek is gericht tegen bepaalde politieambtenaren. De inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting (door de strafrechtelijke vervolging en veroordeling) is volgens het Hof dan ook niet gerechtvaardigd.

17. In de tweede zaak17 had de betrokkene tijdens een voetbalwedstrijd samen met anderen verschillende spandoeken omhoog gehouden, met daarop teksten als “Stuttgart 21 – Polizeigewalt kann jeden treffen” en “BFE ABSCHAFFEN18”. Verder droegen de betrokkene en enkele anderen de vier letters A, C, A en B die zij in deze volgorde omhoog hielden. In het stadion aanwezige politieambtenaren voelden zich door deze tekst in hun eer aangetast. Ook hier kon de veroordeling wegens belediging volgens het Bundesverfassungsgericht niet in stand blijven, omdat niet was vastgesteld dat de gewraakte de lettercombinatie ”sich individualisiert gegen bestimmte Beambte richtete”.

18. Een veroordeling wegens belediging van politieambtenaren bleef wel in stand in een zaak waarin de verdachte bij een demonstratie een tas had gedragen met daarop een afbeelding van een kat en daaronder de lettercombinatie A.C.A.B. en de tekst “All CATS are BEAUTIFUL”.19 Politieambtenaren hadden de verdachte opgedragen de tas niet openlijk te dragen, maar de verdachte had hieraan geen gevolg gegeven en de tas “nunmehr ostentativ” en “nachgerade paradierend” gedragen voor het oog van de aanwezige politieambtenaren. Het Bundesverfassungsgericht stelt vast dat er terecht van is uitgegaan dat met de tekst “All CATS are BEAUTIFUL” in wezen de tekst “all cops are bastards” wordt geuit en herhaalt dat deze tekst een algemene afwijzing van politiemacht behelst en tot uitdrukking brengt dat staatsmacht moet worden begrensd. Uit de vaststellingen van het Amtsgericht kan volgens het Hof worden afgeleid dat de betrokkene zich bewust in de buurt van de politieambtenaren heeft opgehouden en zich specifiek tot hen heeft gericht. De veroordeling stuit niet op grondrechtelijke bezwaren. Het Hof overweegt in dat verband dat de afweging tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en de bescherming van de rechten van anderen (het Hof spreekt van het “allgemeinen Persönlichkeitsrecht der Betroffenen”) vanwege de geringe inhoud van het gemaakte statement (“des geringen Aussagegehalts”) en de wezenlijke eeraantasting (“der erheblichen Ehrverletzung”) terecht heeft geleid tot het doen prevaleren van het laatstgenoemde recht.

19. De besproken uitspraken van het Bundesverfassungsgericht liggen in de lijn van de hiervoor besproken uitspraak van de Hoge Raad. Het dragen van een voorwerp met daarop de lettercombinatie A.C.A.B. kan onder omstandigheden een strafbare belediging opleveren, maar voor een veroordeling is meer nodig dan de enkele omstandigheid dat de verdachte zich met de desbetreffende tekst ergens begeeft terwijl hij kan verwachten dat daar (ook) politieambtenaren aanwezig zijn die de uiting kunnen waarnemen. Duidelijk moet zijn geworden dat het dragen van de tekst ertoe strekte individuele politieambtenaren te beledigen, bijvoorbeeld doordat de verdachte specifieke ambtenaren met de tekst heeft geconfronteerd door hen te benaderen. Deze rechtspraak lijkt ook in overeenstemming met rechtspraak van het EHRM over de vraag of het recht op vrijheid van meningsuiting mag worden beperkt door een strafrechtelijke vervolging en veroordeling wegens belediging. Ik bespreek die rechtspraak hierna kort.

Het recht op vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) in de context van uitlatingen over politieambtenaren

20. Het EHRM heeft zich niet uitgelaten over het gebruik van de lettercombinatie A.C.A.B. in het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting. Wel bestaat veel rechtspraak over de toelaatbaarheid van veroordelingen wegens andersoortige uitlatingen in het licht van art. 10 EVRM. De steller van het middel wijst in dit verband op verschillende zaken. In veel van deze zaken ging het om door journalisten gedane uitlatingen, waarin het EHRM wees op het belang van de persvrijheid.20 Ook betrof het gevallen waarin politici bepaalde uitlatingen hadden gedaan,21 of waarin vervolgingen hadden plaatsgevonden vanwege (passages in) romans22, gedichten23 of uitlatingen op televisie24. Eén zaak betrof een geval waarin in een open brief uitlatingen waren gedaan over een specifieke persoon, een journaliste,25 en er was een zaak waarin in een (niet openbaar gemaakte) brief door gevangenen werd geklaagd over het gedrag van enkele gevangenbewaarders26. Geen van deze zaken laat zich goed vergelijken met de onderhavige.

21. Beter vergelijkbaar is de zaak Janowski tegen Polen. In deze zaak was de klager veroordeeld voor belediging van “municipal guards”.27 Deze ambtenaren hadden straatverkopers opgedragen een plein te verlaten, waarop de klager had gezegd dat zij niet bevoegd waren tot het geven van een dergelijke opdracht. Van de discussie waren enkele mensen getuige. Het EHRM oordeelt dat sprake is van een inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting die een “legitimate aim” dient, te weten “the prevention of disorder”. Het Hof stelt vast dat de klager is veroordeeld omdat hij de ambtenaren “oafs” en “dumb” had genoemd en dat omstanders hiervan getuige waren geweest. Deze uitlatingen vormden geen onderdeel van een maatschappelijk relevant debat en betroffen ook niet de persvrijheid. De veroordeling was gebaseerd op de hiervoor genoemde woorden en niet op het feit dat de klager de ambtenaren had verteld dat zij niet ter zake bevoegd waren. Het Hof oordeelt de inmenging proportioneel en neemt daarbij in aanmerking dat in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, een financiële sanctie was opgelegd en geen vrijheidsbenemende sanctie.

22. Een andere uitspraak die in dit verband vermelding verdient, is die in de zaak Savva Terentyev tegen Rusland.28Naar aanleiding van een politie-inval in verkiezingstijd bij een lokale krant die een kandidaat van de oppositie steunde, had de klager zich in een blog zeer negatief uitgelaten over de politie. De politie werd onder de aanhef “I hate the cops, for fuck’s sake” onder meer gekenschetst als “the regime’s faithful dogs”, vergeleken met “pigs”. Verder bevatte de tekst de zinsnede “only lowbrows and hoodlums [become cop]”. Volgens de auteur zou het geweldig zijn “if in the centre of every Russian city, on the main square ... there was an oven, like at Auschwitz, in which ceremonially every day, and better yet, twice a day (say, at noon and midnight) infidel cops would be burnt.” De klager werd veroordeeld wegens het oproepen van haat en geweld tegen en belediging van een “social group”. In die zin is de verwantschap met de onderhavige zaak, waarin de belediging van twee nader gespecificeerde ambtenaren is bewezen verklaard, minder sterk. Het EHRM overweegt dat sprake is van een inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting die bij wet is voorzien en een legitiem doel dient (“the reputation or rights of others”) en buigt zich vervolgens over de vraag of de inbreuk “necessary in a democratic society is”. Het Hof komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. De uitlatingen van de betrokkene moeten worden gezien in de context van de deelname aan een discussie naar aanleiding van de politie-inval, waarbij van belang is dat het verkiezingstijd was en de ontstane discussie ging over de vraag of de politie betrokken was bij het monddood maken van de oppositie. Het Hof benoemt voorts enkele omstandigheden die eraan bijdragen dat het recht op vrijheid van meningsuiting in dit geval niet had mogen worden beperkt, waaronder dat “the applicant’s remarks did not attack personally any identifiable police officers but rather concerned the police as a public institution”.29

Conclusie

23. Zowel de Hoge Raad als het Bundesverfassungsgericht heeft geoordeeld dat het gebruik van de letters A.C.A.B. strafbaar kan zijn als belediging. Daartoe is wel vereist dat er opzet heeft bestaan op het beledigen van een individuele politiefunctionaris. Onvoldoende daarvoor is dat de lettercombinatie wordt gebruikt op een locatie waar naar verwachting een politiefunctionaris aanwezig zal zijn. Deze rechtspraak lijkt niet in strijd te zijn met de hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM. Ik kom nu toe aan een bespreking van de middelen.

Bespreking van de middelen

24. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een jas droeg met daarop voor eenieder zichtbaar – aangebracht met een stift/marker – de letters A.C.A.B. en dat de verdachte deze jas droeg terwijl hij samen met anderen bezig was een woning te kraken. Voorts heeft het hof overwogen dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het beledigen van politieambtenaren. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verdachte bezig was een woning te kraken, dat de letters A.C.A.B. volgens de verbalisanten een afkorting vormen van “all cops are bastards” en dat de verdachte zich aan de ter plaatse gekomen politieambtenaren als voorman van de groep heeft opgeworpen door op hen af te lopen en hen ongevraagd aan te spreken. Uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 1) blijkt in dat verband dat zich ongeveer tien personen bevonden bij het desbetreffende perceel, dat één persoon een werkjas van PTT-post droeg met daarop de letters A.C.A.B. en dat deze persoon naar de verbalisanten toeliep en ongevraagd verklaarde: “Ik ben hier de woordvoerder. Ik ben degene die praat”. Ten slotte heeft het hof overwogen dat er geen enkele aanwijzing is dat de verdachte de beledigende betekenis van de term A.C.A.B. niet kende, mede gelet op zijn weigering te verklaren over welke betekenis de letters anders zouden kunnen hebben gehad.30

25. De steller van de middelen voert aan dat het hof ten aanzien van de betekenis van de lettercombinatie A.C.A.B. enkel heeft geoordeeld dat deze “volgens de verbalisanten” een afkorting vormt van “all cops are bastards”. De steller van het middel betoogt dat, als het hof daarmee heeft bedoeld te zeggen dat voor de vraag of de uiting beledigend is de betekenis die de betrokken politieagenten aan de lettercombinatie hebben gegeven zonder meer doorslaggevend is, het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat een dergelijke opvatting niet in de bestreden uitspraak is te lezen. Ik lees de desbetreffende overweging van het hof aldus, dat het, onder verwijzing naar het proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 1), ervan is uitgegaan dat A.C.A.B. een afkorting vormt van “all cops are bastards”. Aldus gelezen, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting.31

26. Het hof is niet uitdrukkelijk ingegaan op mogelijke andere betekenissen die aan de lettercombinatie kunnen worden toegekend. Wel heeft het hof overwogen dat het geen enkele aanwijzing heeft dat de verdachte de beledigende betekenis van de term A.C.A.B. niet kende, mede gelet op zijn weigering te verklaren over welke betekenis de letters anders kunnen hebben gehad. Wat ook zij van de door het hof gekozen bewoordingen, daarin kan in elk geval worden gelezen dat het hof ervan is uitgegaan dat de lettercombinatie in de onderhavige zaak is gebruikt in de – gangbare – betekenis van “all cops are bastards”, dat deze lettercombinatie naar haar aard de strekking heeft om politiefunctionarissen in diskrediet te brengen en dat de verdachte dat wist. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het gaat om een tekst die als zodanig een beledigend karakter heeft. De term “bastard” kan als een scheldwoord worden beschouwd.32 Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk de raadsvrouw niet gevolgd in haar betoog dat de vermelding van “meer bier!” op de jas die de verdachte droeg steun biedt aan de veronderstelling dat de lettercombinatie A.C.A.B. duidde op “acht cola acht bier”. Het zou een feit van algemene bekendheid zijn dat A.C.A.B. de laatstgenoemde betekenis heeft. Het komt mij voor dat het veeleer een feit van algemene bekendheid genoemd kan worden dat duidingen als “acht cola acht bier”, onder meer in kringen van krakers, worden gebruikt ter verhulling van de daadwerkelijke, beledigende betekenis van de lettercombinatie. De term “meer bier!” heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in dat licht bezien.33 Bij dit alles moet worden bedacht dat de verdachte de jas met het opschrift droeg terwijl hij samen met anderen bezig was een woning te kraken en dat de verdachte zich opwierp als de woordvoerder van de groep.

27. De term “all cops are bastards” heeft als zodanig een algemene strekking en heeft betrekking op een categorie mensen in een bepaalde hoedanigheid. De enkele omstandigheid dat deze uitlating of feitelijkheid wordt waargenomen door een persoon die tot deze categorie behoort, is niet voldoende om aan te nemen dat het opzet van de verdachte op belediging van die specifieke persoon is gericht. Het oordeel van het hof dat de verdachte in de omstandigheden van het geval opzet had op het krenken van de eer en goede naam van de politieambtenaren getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat:

(i) de verdachte een jas droeg met daarop voor eenieder goed zichtbaar de letters A.C.A.B.;

(ii) het opschrift A.C.A.B. is gebezigd in de betekenis van “all cops are bastards” en dat de verdachte dat wist;

(ii) dat de verdachte is afgestapt op de verbalisanten en ongevraagd het woord tot hen heeft gericht, terwijl anderen het tafereel waarnamen.

28. In het oordeel van het hof ligt besloten dat geen sprake is geweest van een algemene belediging aan een collectief, zoals de steller van het middel aanvoert, maar van het beledigen van de individuele politieambtenaren op wie de verdachte afstapte.

29. Het hof heeft voorts het beroep op art. 10 EVRM verworpen en in dat verband overwogen dat de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM is begrensd door art. 266 Sr en dat de letters op de jas van de verdachte een beledigend karakter hebben en onnodig grievend zijn, zodat de door art. 266 Sr geboden bescherming daartegen kan worden aangemerkt als noodzakelijk in een democratische samenleving. Ook dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. In de overwegingen van het hof ligt als niet onbegrijpelijk oordeel besloten dat de context waarin de jas is getoond de strafbaarheid van de op zichzelf kwetsende uitlating niet wegneemt. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de beledigende uitingen specifiek waren gericht tegen de politieambtenaren op wie de verdachte afstapte. Ten aanzien van de proportionaliteit van de inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting verdient ten slotte vermelding dat de uiting louter bestaat uit het uitschelden van politieambtenaren, terwijl het hof heeft volstaan met de oplegging van een geldboete van € 300,- (subsidiair zes dagen hechtenis).34

30. Het hof heeft aldus de bewezenverklaring en de kwalificatie voldoende met redenen omkleed.

31. De middelen falen.

32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282 m.nt. Dommering onder NJ 2018/283, HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5623, NJ 2009/466, en – ten aanzien van de artikelen 137c en 137d Sr – HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:539, NJ 2018/283 m.nt. Dommering , HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108 m.nt. Rozemond , HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003/261 m.nt. P.A.M. Mevis , HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6731, NJ 2012/37 m.nt. Dommering , HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203 m.nt. De Hullu .

2 Onder meer HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282 m.nt. Dommering onder NJ 2018/283 en – ten aanzien van art. 137d Sr – HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108 m.nt. Rozemond .

3 Vgl. HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8985, rov. 3.4 (opsteken middelvinger en het uitspreken van de woorden ‘fuck you’) en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3114, NJ 2015/126 m.nt. Mevis (dragen jack met daarop de letters A.C.A.B.).

4 Zie onder meer HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5623, NJ 2009/466 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:709, NJ 2015/187.

5 Zie onder meer HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3106, HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9188, HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085 m.nt. Mevis en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003 m.nt. Keijzer .

6 HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9896, NJ 2010/671 m.nt. Buruma

7 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181 m.nt. Keijzer . Zie voorts HR 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:306, waarin het ging om het stotterend aanspreken van iemand die zelf stotterde en HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, NJ 2016/248 m.nt. Keijzer , waarin het hof de woorden “Ali B. en Mustapha, ga toch terug naar Ankara” gelet op de context waarin de uitlating was gedaan als groepsbelediging en aanzettend tot discriminatie had aangemerkt. Dat oordeel bleef in cassatie in stand.

8 Mijn ambtgenoot Spronken meent daarbij dat de vraag of de uitlating vanwege de context strafbaar is, in de eerste vraag van de drietrapsbenadering valt, en de vraag of de uitlating vanwege de context strafbaarheid ontbeert bij de beantwoording van de tweede vraag van belang is. Zie de onderdelen 4.1.1 en 4.1.2 van haar conclusie voorafgaand aan HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282 m.nt. Dommering onder NJ 2018/283.

9 Vgl. onder meer EHRM 21 januari 1999, nr. 25716/94 ( Janowski tegen Polen) en EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09 ( Savva Terentyev tegen Rusland).

10 HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003/261 m.nt. Mevis . Zie in vergelijkbare zin HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203 m.nt. De Hullu

11 HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6731, NJ 2012/37 m.nt. Dommering .

12 HR 11 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116 m.nt. Mevis .

13 HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9978, NJ 2012/558 m.nt. Mevis .

14 Zie hierover ook de noot van Mevis onder het arrest van het hof: hof ’s-Gravenhage 13 mei 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ4426, NJ 2011/299 en P.A.M. Mevis , ‘A.C.A.B. Ik zie, ik zie wat jij niet ziet…’, Mediaforum 2011-2, p. 29-30.

15 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3114, NJ 2015/126 m.nt. Mevis .

16 Bundesverfassungsgericht 17 mei 2016, 1 BvR 257/14.

17 Bundesverfassungsgericht 17 mei 2016, 1 BvR 2150/14.

18 Het Bundesverfassungsgericht stelt vast dat het BFE staat voor “Beweis- und Festnahmeeinheiten”.

19 Bundesverfassungsgericht 13 juni 2017, 1 BvR 2832/15.

20 Zie onder meer EHRM 31 juli 2007, nr. 25968/02 ( Dyuldin tegen Rusland), EHRM 3 april 2012, nr. 43206/07 ( Kaperzynski tegen Polen), EHRM 28 maart 2013, nr. 14087/08 ( Novaya Gazeta en Borodyanskiy tegen Rusland), EHRM 22 april 2010, nr. 40984/07 ( Fatullayev tegen Azerbeidzjan) en EHRM 4 juli 2017, nr. 10947/11 ( Kacki tegen Polen).

21 EHRM 2 februari 2010, nr. 571/04 ( Kubaszweski tegen Polen).

22 EHRM 29 juni 2004, nr. 64915/01 ( Chauvy and Others tegen Frankrijk) en EHRM 29 juni 2005, nr. 40287/98 (Alinak tegen Turkije).

23 EHRM 8 juli 1999, nr. 23168/94 ( Karatas tegen Turkije).

24 EHRM 23 september 1994, nr. 15890/89 ( Jersild tegen Denemarken) en EHRM 30 juni 2009, nr. 32772/02 (Verein gegen Tierfabriken Schweiz (VgT) tegen Zwitserland no. 2) (waarin het ging om een verbod op het uitzenden van een commercial door dierenactivisten).

25 EHRM 27 juni 2017, nr. 17224/11 ( Medzlis Islamske Zajednice Brcko and Others tegen Bosnië Herzegovina). Zie in dit verband ook de door de steller van het middel aangehaalde uitspraak EHRM 23 april 2015, nr. 29369/10 (Morice tegen Frankrijk) waarin het ging om gedane uitlatingen over enkele rechters.

26 EHRM 21 juli 2016, nrs. 35365/12 en 69125/12 ( Shahanov and Palfreeman tegen Bulgarije).

27 EHRM 21 januari 1999, nr. 25716/94 ( Janowski tegen Polen).

28 EHRM 28 augustus 2018, nr. 10692/09 ( Savva Terentyev tegen Rusland).

29 Zie in dit verband ook EHRM 2 februari 2010, nr. 571/04 ( Kubaszweski tegen Polen), rov. 43.

30 Vgl. onderdeel 8.7 van de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9978, NJ 2012/558 m.nt. Mevis . Hij wijst erop dat bij het bewijs van de betekenis die de verdachte aan de lettercombinatie toekent, acht kan worden geslagen op tal van factoren, waaronder de betekenis die aan de lettercombinatie wordt toegekend in de kringen waarin de verdachte verkeert. Als de betekenis van de lettercombinatie in bepaalde kringen als gangbaar of normaal wordt aangemerkt, wordt minder aannemelijk dat de verdachte met de lettercombinatie iets anders bedoelde.

31 Zie vergelijkbaar ten aanzien van de term ‘kaolo’ HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:709, rov. 3.4.

32 Vgl. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:709 voor een pendant in de straattaal (“kaolo”).

33 Zie in dit verband punt 2 van de noot van Mevis onder HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3114, NJ 2015/126, die erop wijst dat “het zoeken naar een afbakening van het beledigende via de eis van voldoende bekendheid in zaken als deze een betrekkelijk heilloze weg [is], want dan staat op het volgende T-shirt onder de letters A.C.A.B. de toevoeging ‘Acht Cola en Acht Bier’, juist om te benadrukken dat de drager van het T-shirt met het opschrift A.C.A.B. in wezen iets anders, wel beledigends, bedoelt uit te drukken”.

34 Zie in dit verband de noot van Dommering onder HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:539, NJ 2018/283 ten aanzien van het “pure schelden en inhakken op bevolkingsgroepen”. Vgl. ten aanzien van het volstaan met een financiële sanctie: EHRM 21 januari 1999, nr. 25716/94 ( Janowski tegen Polen).