Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:38

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
17/02569
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:308
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over het tijdig instellen van hoger beroep bij de juiste griffie en het aanwenden van dit rechtsmiddel op de laatste dag van de beroepstermijn na sluitingstijd van de griffie. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02569

Zitting: 15 januari 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 12 mei 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2016 met parketnummer 16-060184-16.

  2. Namens de verdachte heeft mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat ’s hofs beslissing de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

  4. De bestreden uitspraak houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is evenwel pas na sluitingstijd van de griffie op de laatste dag van deze termijn ingesteld, derhalve na het verstrijken van die termijn. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2017 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“De advocaat-generaal draagt de zaak voor en merkt daarbij – zakelijk weergegeven – het volgende op:

De inhoudelijke behandeling heeft op 18 november 2016 plaatsgevonden en toen is ook direct uitspraak gedaan. Het betrof een behandeling op tegenspraak, zodat verdachte binnen veertien dagen hoger beroep kon instellen. Dat is echter pas op 4 januari 2017 gedaan, zodat verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

Verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – :

Het klopt dat ik op de zitting in eerste aanleg aanwezig was.
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik dan veertien dagen de tijd had om hoger beroep in te stellen en dat ik op 2 december 2016 om 19.46 uur een mail aan de griffie heb verstuurd.
Dat klopt. Dat was op de laatste dag van de beroepstermijn.
Ik ben die dag bij de rechtbank in Maastricht geweest en daar heb ik geprobeerd mijn hoger beroep in te dienen. Dat is niet gelukt, omdat het op een andere vestiging moest gebeuren. Ik heb toen een telefoonnummer van iemand gekregen en toen ik dat nummer had gebeld, kreeg ik een mailadres. Toen ik een computer tot mijn beschikking had, heb ik de mail opgesteld. Er zat alleen geen handtekening bij, waardoor ik het opnieuw in moest dienen. Het klopt dat ik later een brief met een handtekening heb opgestuurd.

De advocaat-generaal merkt op – zakelijk weergegeven –:

Weliswaar is de Hoge Raad welwillend als het gaat om het appelleren van verdachten, zodat je zou kunnen zeggen dat de e-mail van verdachte als een schriftelijke machtiging moet worden beschouwd, maar de e-mail is verstuurd na sluitingstijd van de griffie en in dat verband is het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2014, LJN nummer 2014, 231 van belang. Daar ging het om een paar minuten. De sluitingstijd van de griffie is bepalend. Dat is anders bij appelschrifturen, omdat bij het instellen van hoger beroep de griffier een handeling moet verrichten en die heeft dat niet binnen de kantoortijd kunnen doen. Verdachte is dus niet-ontvankelijk.

Verdachte verklaart – zakelijk weergegeven –:

Ik ben niet op de hoogte van de sluitingstijden. Ik wist dat het op die dag kon, maar niet dat het maar tot die tijd kon.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat verdachte volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep kon instellen en dat het hoger beroep pas na sluitingstijd van de griffie op de laatste dag van deze termijn is ingesteld, derhalve na het verstrijken van die termijn. Daarom verklaart het hof verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”

6. Onder de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken van het geding bevindt zich een “akte instellen hoger beroep”, inhoudende dat een door de verdachte gemachtigde griffiemedewerker namens hem ter griffie hoger beroep heeft ingesteld. Zulks blijkt uit de aan de akte gehechte brief (zie hierna), die gezien een daarop geplaatst stempel op 4 januari 2017 bij de rechtbank is ingekomen. Aan de akte is een uitdraai van een e-mailwisseling gehecht, die – in door mij samengevatte vorm en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende inhoudt. Op 2 december 2016 om 19:46 uur verzendt de verdachte het e-mailbericht aan het e-mailadres van de rechtbank Midden-Nederland, waarin hij kenbaar maakt hoger beroep te willen instellen tegen het vonnis van de politierechter. Op 5 december 2016 om 08:52 uur antwoordt een administratief medewerker van deze rechtbank in een e-mail aan de verdachte dat het verzoek in goede orde is ontvangen, maar dat de griffie alvorens een akte hoger beroep op te maken graag een machtiging voorzien van de handtekening van de verdachte ontvangt. Op de zojuist al door mij genoemde datum van 4 januari 2017 om 15.45 uur verzendt de verdachte een e-mailbericht dat is voorzien van een bijlage (de eerder genoemde, aan de akte gehechte brief) met daarop een handtekening en de begeleidende tekst dat de verdachte verklaart in hoger beroep te gaan tegen “de beslissing die is genomen op vrijdag 18 november met parketnummer 16-060184-16 te Utrecht”.

7. Blijkens de toelichting valt het middel uiteen in een primaire, een subsidiaire en een meer subsidiaire klacht. Primair klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld niet zonder meer begrijpelijk is in het licht van zijn tijdige verschijning ter griffie, zij het onfortuinlijk genoeg die van de verkeerde rechtbank. Subsidiair behelst het middel de klacht dat de bestreden uitspraak geen feitelijke vaststelling inhoudt over de sluitingstijd van de griffie van de rechtbank Midden-Nederland, zodat het oordeel dat de verdachte pas na sluitingstijd van die griffie hoger beroep heeft ingesteld niet zonder meer begrijpelijk is. Meer subsidiair bestrijdt de steller van het middel de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin het einde van de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, is gebonden aan het laatste tijdstip waarop de griffie van het gerecht geopend is of geopend behoort te zijn.

8. Eerst de primaire klacht. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer de verklaring van de verdachte in dat hij op de laatste dag van de beroepstermijn bij de rechtbank in Maastricht heeft geprobeerd tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland hoger beroep in te stellen. Dat is niet gelukt, omdat het instellen van hoger beroep – in de woorden van de verdachte – bij “een andere vestiging moest gebeuren.” De feitelijke vaststellingen van het hof weerspreken deze verklaring niet, zodat in cassatie van de juistheid ervan moet worden uitgegaan.1 De met de primaire klacht betrokken impliciete stelling komt erop neer dat de verdachte reeds hoger beroep had ingesteld door ter griffie van de rechtbank Limburg in persoon kenbaar te maken hoger beroep te willen instellen, terwijl in cassatie onvoldoende vaststaat dat zijn verschijning bij deze (verkeerde) rechtbank na het einde van de termijn plaatsvond.

9. Bij de beoordeling van de primaire klacht moet worden vooropgesteld dat ingevolge art. 449, eerste lid, Sv hoger beroep wordt ingesteld “door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven”. Dat was in het onderhavige geval de rechtbank Midden-Nederland. De wettekst laat er geen twijfel over bestaan dat de verklaring van de verdachte niet kon worden afgelegd ter griffie in Maastricht.

10. Met de constatering dat niet op de door de wet voorgeschreven wijze hoger beroep is ingesteld, kan echter niet worden volstaan. Bij het aanwenden van een rechtsmiddel kunnen verschillende fouten worden gemaakt, waarvan het begaan niet altijd fatale gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid in het aangewende rechtsmiddel. Vooral waar een gebrek in het instellen van een rechtsmiddel niet de tijdigheid daarvan betreft, maar ziet op de keuze van het rechtsmiddel of de wijze waarop het rechtsmiddel is aangewend,2 heeft de Hoge Raad de afgelopen decennia zich in toenemende mate plooibaar opgesteld, een houding die hij, aldus Van Dorst, ook van de appelrechter verlangt.3 Deze souplesse heeft onder meer ertoe geleid dat het instellen van het verkeerde rechtsmiddel in beginsel wordt verstaan als het aanwenden van het juiste, openstaande rechtsmiddel4 en dat de gelegenheid dient te worden geboden een gebrek in de volmacht te corrigeren.5

11. In dit verband meer in het bijzonder van belang is de rechtspraak van de Hoge Raad over de verkeerde adressering van brieven van de verdachte, die uiting geven aan diens wens een rechtsmiddel in te stellen. Vóór de inwerkingtreding van de Wet stroomlijnen hoger beroep6 had zich jurisprudentie uitgekristalliseerd, waarin een binnen de beroepstermijn door een andere justitiële instantie dan de bevoegde griffie ontvangen brief van de verdachte moest worden aangemerkt als een tijdige schriftelijke volmacht aan de bevoegde griffie.7 Dat deze ‘doorzendplicht’ ook gold ná invoering van de Wet stroomlijnen hoger beroep was niet vanzelfsprekend, nu enige passages uit de wetsgeschiedenis van die wet de indruk gaven dat de wetgever met de coulance van deze rechtspraak wilde breken.8 Nadien besliste de Hoge Raad in het door de steller van het middel aangehaalde arrest van 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856, NJ 2014/231 dat zo een doorzendplicht in elk geval niet bestaat voor een onjuist geadresseerde volmacht aan de griffier, die van de hand van een advocaat komt. Was het schrijven van de verdachte zelf afkomstig, dan wilde de Hoge Raad kennelijk een slag om de arm houden:

“Ingevolge art. 449, eerste lid, Sv wordt hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring, af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker. Die volmacht moet dan wel zijn verleend aan een medewerker van de griffie van het gerecht door hetwelk de beslissing waarvan beroep is gegeven. Het gaat hier, in ieder geval wat betreft een advocaat, niet om een onredelijke eis.”9

12. De steller van het middel meent dat van de rechtsgeleerd raadsman mag worden verwacht dat rechtsmiddelen bij de juiste griffie worden aangewend, maar dat uit de laatste zin van de (hierboven geciteerde) rechtsoverweging van de Hoge Raad “a contrario [lijkt] te kunnen worden afgeleid dat dit voor de verdachte weleens anders zou kunnen zijn”. Uit twee uitspraken van de Hoge Raad van 22 september 2015 leid ik af dat deze redenering in zoverre juist is, dat ook na invoering van de “Wet stroomlijnen hoger beroep” een schrijven van de verdachte dat kennelijk was bestemd voor de justitiële instantie waarbij rechtsmiddelen moeten worden aangewend en dat bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uiting van de wens van de verdachte om hoger beroep in te stellen, dient te worden doorgezonden aan de bevoegde instantie.10 Heeft dat schrijven de niet-bevoegde justitiële instantie tijdig bereikt, dan wordt het hoger beroep geacht tijdig te zijn.11 Zou de verdachte in de onderhavige zaak zich tijdig schriftelijk tot de rechtbank Maastricht hebben gewend, dan zou deze misslag zich derhalve voor ambtelijk herstel hebben geleend en had de verdachte – uiteindelijk – in zijn hoger beroep kunnen worden ontvangen. Niet gezegd is echter dat deze rechtspraak, die dus uitsluitend ziet op de onjuiste adressering van een bijzondere schriftelijke volmacht aan de griffier op de voet van art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv, zich overeenkomstig laat toepassen op het afleggen van een (beweerde) mondelinge verklaring als bedoeld in art. 449, eerste lid, Sv op de griffie van de verkeerde rechtbank.12 Uit de hiervoor aangehaalde overweging van de Hoge Raad is dat in elk geval niet a contrario af te leiden; de slotzin daarvan heeft immers enkel betrekking op de verlening van een volmacht aan een griffiemedewerker.

13. Naar mijn inzicht bestaan bovendien zwaarwegende redenen om over een op de verkeerde griffie afgelegde verklaring van de verdachte niet gelijkluidend te oordelen als over een aan de verkeerde griffie gericht schrijven van de verdachte.13 Aflegging van de verklaring ten overstaan van de bevoegde griffie stelt de daartoe bevoegde autoriteit in de gelegenheid onder meer de identiteit van de verschenen persoon vast te stellen en ingevolge art. 408a Sv aan hem direct een oproeping te betekenen. Beide mogelijkheden ontbreken wanneer de verklaring bij een andere griffie wordt afgelegd. Bovendien is de inhoud van deze verklaring niet zomaar een formaliteit; uitleg ervan is essentieel om te bepalen tegen welke uitspraak wordt opgekomen en of de omvang van het beroep al dan niet wordt beperkt. De tot interpretatie van de verklaring bevoegde autoriteit is de griffie van het gerecht waar de bestreden beslissing is genomen. Anders dan bij het doorsturen van een volmacht, bestaat niet de optie om de mondelinge verklaring ‘door te zenden’ aan de bevoegde griffie die deze verklaring dan vervolgens behandelt als ware zij op de eigen griffie afgelegd. Bijgevolg zal de interpretatie van de mondelinge verklaring in zo een geval niet, althans hooguit de auditu, kunnen geschieden door de daartoe bevoegde autoriteit. Voorts levert de door de steller van het middel gehuldigde rechtsopvatting potentiële bewijsproblemen op. Verklaart de verdachte zich schriftelijk tot de verkeerde instantie te hebben gewend dan zal dat veelal nog kunnen worden achterhaald en geverifieerd, waarbij ook nog op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld op welke dag en tijd dat schrijven door de ten onrechte geadresseerde instantie is ontvangen. Voor een op de verkeerde griffie afgelegde verklaring geldt dit niet. Hier komt bij dat een belangrijke reden om in de rechtspraak voor de volmacht een doorzendplicht te aanvaarden, erin gelegen zal zijn geweest dat ingeval de verdachte via een schriftelijke volmacht hoger beroep instelt niet de mogelijkheid bestaat hem over een door hem verzuimde vorm direct en zonder nadere vertraging te informeren. Verschijnt de verdachte echter persoonlijk bij de verkeerde instantie, dan kan hij van zijn vergissing wél onverwijld in kennis worden gesteld. De griffie van een ander dan het bevoegde gerecht kan in zo een geval ertoe zijn gehouden de verdachte die verschijnt en te kennen geeft een rechtsmiddel te willen instellen juist en volledig te informeren over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij hoger beroep kan instellen, of hem in elk geval door te verwijzen naar de bevoegde griffie.14 Schiet deze informatievoorziening tekort, dan kan dat er onder omstandigheden toe leiden dat een termijnoverschrijding die daarvan het gevolg is, moet worden geacht verontschuldigbaar te zijn geweest.15

14. Ik meen dan ook dat een valide grond ontbreekt om het afleggen van de verklaring als bedoeld in art. 449, eerste lid, Sv op een andere plaats dan op de juiste griffie te doen aanmerken als het rechtsgeldig aanwenden van een rechtsmiddel.16 De opvatting waarop de primaire klacht van het middel berust, vindt geen steun in het recht en verdient mijns inziens geen navolging.

15. Ik heb mij in dit verband nog wel afgevraagd of het middel – dat in algemene zin klaagt over de ontvankelijkheidsbeslissing van het hof – tot cassatie moet leiden vanwege een motiveringsgebrek in die beslissing. Wordt duidelijk en gemotiveerd het verweer gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, dan is de rechter verplicht bij verwerping van dat verweer die beslissing uitdrukkelijk en met redenen omkleed te nemen.17 De ter terechtzitting in hoger beroep zonder raadsman verschenen verdachte heeft aldaar verklaard dat hij bij de rechtbank Limburg in Maastricht geprobeerd heeft zijn hoger beroep in te dienen, dat dit niet is gelukt, dat hij toen een telefoonnummer van “iemand” heeft gekregen en dat hij, toen hij dat nummer had gebeld, een mailadres had gekregen. In zoverre is de verdachte door iemand op het juiste spoor gebracht. Daarbij komt dat de verdachte niet heeft aangevoerd dat de informatie die hij bij de (griffie van) de rechtbank in Maastricht ontving onjuist of onvolledig was en dat de termijnoverschrijding aan die onjuistheid of onvolledigheid is toe te rekenen. De enkele opmerking van de verdachte dat hij “wist dat het op die dag kon, maar niet dat het maar tot die tijd kon”, heeft het hof kennelijk niet opgevat als een duidelijk en gemotiveerd beroep op verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding. Dat impliciete oordeel lijkt mij gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk. De impliciete oordelen van het hof dat omtrent de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding geen responsieplichtig verweer is gevoerd en dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar was, worden in de toelichting op het cassatiemiddel ook niet afzonderlijk aan de orde gesteld, zodat er geen reden is daarop nader in te gaan.

16. De primaire klacht van het middel faalt.

16. De subsidiaire en de meer subsidiaire klachten keren zich tegen het oordeel van het hof dat het hoger beroep op de laatste dag van de beroepstermijn na sluitingstijd van de griffie is ingesteld en derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn.

16. Lange tijd was de heersende opvatting dat een rechtsmiddel op de laatste dag van de beroepstermijn tot middernacht ten overstaan van de griffier kon worden aangewend, zelfs nog buiten kantoortijden bij de griffier thuis.18 In 1963 bracht de Hoge Raad daarin verandering; “griffier” is niet te vereenzelvigen met “griffie”. Sindsdien is het vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het einde van de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel is gebonden aan de uren waarop de griffie is geopend, althans geopend behoort te zijn.19 Betrekkelijk kort geleden heeft de Hoge Raad dit nog eens bevestigd in het arrest van 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, NJ 2014/108. In de aan die uitspraak ten grondslag liggende zaak had het hof het op de laatste dag van de appeltermijn om 17:06 uur binnengekomen faxbericht aangemerkt als een verklaring dat de verdachte de raadsman had gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep en dat de griffiemedewerker werd gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep. Niettemin werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat het hof er ambtshalve mee bekend was dat de griffie van de rechtbank Haarlem om 17:00 uur sloot. De Hoge Raad overwoog daarover, voor zover hier van belang:

“2.3. Volgens art. 449 in verbinding met art. 450 Sv wordt, voor zover hier van belang, hoger beroep ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt of een door hem daartoe gevolmachtigde, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven, van welke verklaring ingevolge art. 451 Sv door de griffier een akte wordt opgemaakt. Mede gelet daarop heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat de mogelijkheid om door het afleggen van zo een verklaring een rechtsmiddel aan te wenden is gebonden aan de uren waarop de griffie van het gerecht ingevolge het daarop betrekking hebbende reglement geopend is of geopend behoort te zijn. Dit brengt mee dat een per fax verzonden schriftelijke volmacht als bedoeld in art. 450 Sv aan een griffiemedewerker tot het voor de verdachte aanwenden van een rechtsmiddel slechts dan kan worden aangemerkt als binnen de beroepstermijn ingediend, indien deze volmacht ter griffie is begonnen binnen te komen vóór sluiting van de griffie op de laatste dag van deze termijn.
De Hoge Raad merkt op dat de noodzaak tot het trekken van zo een scherpe en vaste grens voortvloeit uit de met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de aanwending van een rechtsmiddel vereiste rechtszekerheid, ook indien in een uitzonderlijk geval als het onderhavige de - op het eerste gezicht wellicht onbillijke - consequentie daarvan is dat een uiterst minieme overschrijding van die grens tot gevolg heeft dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het beroep. Ook in zo een geval geldt derhalve dat dit gevolg daaraan uitsluitend niet kan worden verbonden indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
[…]
2.4. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de griffie van de Rechtbank om 17.00 uur sloot, kan de klacht dat het Hof niet 17.06 uur maar 17.00 uur als tijdstip van ontvangst van de volmacht had moeten aanmerken, niet tot cassatie leiden.”

19. Wat betreft de subsidiaire klacht wijst de steller van het middel erop dat het hof in de onderhavige zaak geen vaststellingen heeft gedaan omtrent de sluitingstijden van de griffie.20 Dat mag zo zijn, maar dit doet hier aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af, gelet op art. 2 van het in de Staatscourant (2013, nr. 2348) gepubliceerde Bestuursreglement van de rechtbank Midden-Nederland:

“Artikel 2. Openingstijden griffies
De griffies van het gerecht zijn geopend van maandag tot en met vrijdag van 8.30 uur tot 17.00 uur.”

Bovendien staan op de openbaar toegankelijke website www.rechtspraak.nl dezelfde openingstijden van deze rechtbank vermeld.21 Naar ik meen is de sluitingstijd van de griffie van de rechtbank Midden-Nederland dan ook een feit van algemene bekendheid.22 De Hoge Raad wordt geacht daarmee bekend te zijn en kan de door het hof vastgestelde feiten aanvullen met de voormelde sluitingstijd van de rechtbank Midden-Nederland.23

20. In aanmerking genomen dat (i) de verdachte in het, zich onder de gedingstukken bevindend, e-mailbericht van 2 december 2016 om 19:46 uur aan de griffie van de rechtbank Midden-Nederland te kennen heeft gegeven in hoger beroep te gaan en (ii) hij blijkens het hiervoor onder randnummer 5 weergegeven proces-verbaal ten overstaan van het hof heeft bevestigd dit e-mailbericht op dat tijdstip aan het hof te hebben verzonden, is het oordeel van het hof dat de verdachte na sluitingstijd van de griffie op de laatste dag van de beroepstermijn in hoger beroep is gekomen, zonder meer begrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

20. De subsidiaire klacht faalt.

20. Als gezegd wordt meer subsidiair aangedrongen op heroverweging door de Hoge Raad voor zover het gaat om de sluitingstijd van de griffie op de laatste dag van de beroepstermijn als scheidslijn tussen tijdig en niet-tijdig instellen van een rechtsmiddel. Dat – zoals de Hoge Raad heeft overwogen – de noodzaak tot het trekken van een scherpe en vaste grens voortvloeit uit de met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de aanwending van een rechtsmiddel vereiste rechtszekerheid, wordt terecht niet betwist. De steller van het middel meent echter dat deze grens niet bij 17:00 uur maar bij 24:00 uur zou moeten worden getrokken.

20. Het in de toelichting op het middel aangevoerde argument dat de huidige rechtspraak van de Hoge Raad als unduly formalistic in de zin van de EHRM-rechtspraak over art. 6 EVRM moet worden beschouwd, is echter verstoken van een (deugdelijke) onderbouwing en onderschrijf ik overigens niet. Niet-ontvankelijkverklaring bij overschrijding van de in art. 408, eerste lid, Sv voorziene termijn – een termijn van orde dus – kan niet (bovenmatig) formalistisch worden genoemd louter doordat het eindtijdstip een aantal uren wordt verschoven.

20. In de toelichting op het middel wordt voorts gesteld dat een uitleg van art. 408, eerste lid, Sv waarin de termijn op de laatste dag van de beroepstermijn eindigt om 24:00 uur beter dan de huidige uitleg aansluit bij zowel art. 136, eerste lid, Sv – dat een dag als een periode van 24 uren definieert (behoudens voor de toepassing van de Algemene Termijnenwet) – , als bij het dagelijks spraakgebruik. Daarbij wordt stelling genomen tegen twee argumenten die in het verleden naar voren zijn gebracht ten faveure van de huidige rechtspraaklijn. Allereerst wordt door de steller van het middel aangenomen dat het bij de Hoge Raad ambtshalve bekend is dat in de huidige rechtspraktijk gevolmachtigde griffiemedewerkers niet steeds op dezelfde dag een akte van het aanwenden van een rechtsmiddel opmaken, “maar dikwijls pas daags daarna”. Met deze veronderstelling wordt opgekomen tegen een argument dat in de, hiervoor onder randnummer 18 aangehaalde, rechtsoverwegingen van de Hoge Raad kan worden gelezen om – in afwijking van bijvoorbeeld het eindtijdstip van de termijn voor het indienen van verzoekschriften en schrifturen (24:00 uur) – ten aanzien van het aanwenden van rechtsmiddelen de sluitingstijd van de griffie beslissend te achten. Dit argument houdt in dat de griffier na het afleggen van een verklaring als bedoeld in art. 449, eerste lid, Sv de gelegenheid moet hebben nog diezelfde dag ‘een akte instellen rechtsmiddel’ op te maken. Voorts wijst de steller van het middel op de conclusie (onderdeel 4.6) van de toenmalige A-G Van Dorst vóór HR 15 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0688, NJ 1997/475, waarin deze het standpunt innam dat de mogelijkheid om na sluiting van de griffie nog rechtsmiddelen per faxbericht aan te kunnen wenden, zou leiden tot bevoordeling van de verdachte die kan beschikken over een faxapparaat boven degene die daarover niet kan beschikken. Ten aanzien van dit argument wordt door de steller van het middel gewezen op de regeling van cassatieschrifturen en ingebracht dat in dat kader thans niet meer zoals voorheen de sluitingstijd van de griffie (de centrale balie) van de Hoge Raad om 16:30 uur als eindtijdstip geldt,24 maar dat ook nog een daarna per fax ingezonden schriftuur die op de laatst mogelijke dag voor 24:00 uur is begonnen binnen te komen, geacht wordt tijdig te zijn ingediend.25

25. In zijn betoog kan ik de steller van het middel tot op zekere hoogte wel volgen. Het vooruitzicht van achterstelling van de verdachte zonder faxapparaat heeft als argument belangrijk aan kracht ingeboet doordat de mogelijkheid is aanvaard om door middel van een bijlage bij een e-mail26 (of een andere elektronische voorziening)27 een volmacht aan de griffiemedewerker te verlenen. Ik acht het tegen die achtergrond geen onoverkomelijk bezwaar dat op de dag van ontvangst van de volmacht geen akte meer kan worden opgemaakt indien deze ontvangst na sluitingstijd van de griffie plaatsvindt. In de praktijk doen zich ook nu al gevallen voor waarin vaststaat dat de akte niet op tijd kan worden opgemaakt, maar waarin het beroep desondanks wordt geacht tijdig te zijn ingesteld.28 Het komt mij bovendien voor dat zich de afgelopen decennia maatschappelijke en technologische ontwikkelingen hebben voorgedaan als gevolg waarvan voor burgers minder vanzelf spreekt dat de overheidsinstantie tot welke zij zich – steeds vaker langs elektronische weg – richten uitsluitend binnen reguliere kantoortijden bereikbaar is.29 Ook in de rechtspraak wint het elektronisch verrichten van rechtshandelingen aan terrein.30 Daardoor zal bijvoorbeeld voor de verdachte aan wie ter terechtzitting de in art. 364, eerste lid, Sv bedoelde mededeling wordt gedaan dat hij binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak een rechtsmiddel kan aanwenden mogelijk niet evident zijn dat zulks op de veertiende dag vóór sluitingstijd van de griffie moet zijn geschied.31 Ook voor de verdachte in de onderhavige zaak is volgens zijn eigen verklaring niet duidelijk geweest dat hij tardief appelleerde door pas om 19:46 uur een e-mail naar de griffie van de rechtbank te sturen. Ik sluit dan ook niet uit dat als gevolg van die maatschappelijke en technologische ontwikkelingen op enig moment in de nabije toekomst aanleiding wordt gevonden om het einde van de beroepstermijn te verplaatsen naar (grof gezegd) 23:59 uur. Het “concept voorstel van wet tot vaststelling van Boek 5 inhoudende bepalingen over rechtsmiddelen in verband met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering (Vaststellingswet Boek 5 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Rechtsmiddelen))” anticipeert daarop reeds in art. 5.2.1.2, vijfde lid (onder b) door de manieren waarop een rechtsmiddel kan worden ingesteld (verder) te moderniseren: wanneer sprake is van een schriftelijk bericht dat wordt overgedragen met behulp van de elektronische voorziening, geldt als de dag van de instelling van het rechtsmiddel de dag waarop het bericht in de voorziening is vastgelegd.32 Blijkens de memorie van toelichting op het concept (p. 68) is dan bij het instellen van een rechtsmiddel via de elektronische voorziening (of per post) het niet van belang of de griffie open is op het moment dat het bericht binnenkomt, omdat immers niet meer de fictie wordt gehanteerd dat het de griffiemedewerker is die het rechtsmiddel “als gemachtigde” instelt; dat betekent dat berichten “die op de laatste dag van een lopende termijn vóór 24.00 uur zijn ontvangen”, als binnen de termijn ingediend gelden.

26. Wat betekent het voorgaande nu voor de door de steller van het middel verzochte heroverweging van de sluitingstijd van de griffie op de laatste dag van de beroepstermijn als scheidslijn tussen tijdige en niet-tijdige aanwending van een rechtsmiddel? Gelet op het vereiste van rechtszekerheid ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de instelling van een rechtsmiddel en de daarmee samenhangende noodzaak om niet alleen een scherpe, maar ook een vaste grens aan de beroepstermijn te stellen, meen ik dat niet lichtvaardig tot wijziging van deze grens moet worden besloten.33 De argumenten om de sluitingstijd van de griffie beslissend te achten, hebben weliswaar door de genoemde ontwikkelingen aan overtuigingskracht verloren, maar dat neemt mijns inziens niet weg dat de noodzaak (nog) niet bestaat om de koers op dit punt (nu al) te wijzigen. De huidige jurisprudentielijn is mede vanwege haar als zodanig te koesteren bestendigheid nog voldoende voorzienbaar en stemt nog altijd overeen met de terminologie van het huidige Wetboek van Strafvordering. En wellicht in het huidige tijdgewricht (inmiddels) wat minder vanzelfsprekend dan voorheen, mede gezien de informatie die internet en websites bieden kan en mag van de justitiabele ook nu nog worden verwacht dat hij ermee rekening houdt dat een beperking van de beroepsmogelijkheden is gelegen in de openingstijden van de griffie van het desbetreffende gerecht. In zekere zin zelfs meer dan voorheen zijn die openingstijden voor hem of haar via het internet tamelijk eenvoudig te raadplegen.

27. De meer subsidiaire klacht mist eveneens doel.

27. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 184-185.

2 Vgl. in deze zin ook H.K. Elzinga & J. de Hullu, ‘Artt. 449-552 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering, art. 349 Sv, aant. 3.

3 Van Dorst, a.w., p. 196.

4 Zie o.a.: HR 1 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB6892, NJ 1977/364; HR 22 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0131, NJ 1989/88; HR 5 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1301, NJ 1999/228.

5 Zie bijv. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5562, NJ 2009/321 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2496, NJ 2010/461.

6 Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470.

7 Het meest uitgesproken op dit punt is HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3629. Vgl. tevens HR 11 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC1794, NJ 1983/433 en HR 20 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1259, NJ 1999/50.

8 Vgl. daarover de conclusie van mijn ambtgenoot A-G Knigge vóór HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5263.

9 Zie tevens HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3471, NJ 2015/17.

10 HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2750.

11 HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2753.

12 Zie voor een geval waarin de raadsman bij de verkeerde griffie verschijnt: HR 30 januari 1996, ECLI:NLHR:1996:AD2479, NJ 1996/477, m.nt. Schalken.

13 Vgl. de conclusie van de toenmalige A-G Van Dorst vóór HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2479, NJ 1996/477.

14 Vgl. bijv. HR 20 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1259, NJ 1999/50.

15 In dit opzicht is een geval als het onderhavige enigszins vergelijkbaar met de situatie dat de verdachte aan de zittingsrechter te kennen geeft tegen diens uitspraak te willen opkomen; zie HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694, NJ 2010/585, m.nt. Buruma.

16 Vgl. ook H.K. Elzinga, In beroep (diss. Tilburg), Arnhem: Gouda Quint 1998, p. 53.

17 Zie bijv. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2681, NJ 2011/546.

18 Zie daarover Elzinga, a.w., p. 41.

19 HR 15 januari 1963, ECLI:NL:HR:1963:182, NJ 1963/229, m.nt. Van Berckel. Zie nadien onder meer HR 12 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC2348, NJ 1985/474, HR 15 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0688, NJ 1997/475 en HR 26 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7231, NJ 2000/676.

20 Vgl. HR 15 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0688, NJ 1997/475, waarin het oordeel van het hof dat de griffie van de rechtbank Maastricht om 16:00 uur sloot onbegrijpelijk was, nu de relevante reglementen geen bepaling over de openingstijden van de griffie inhielden.

21 En zo ook in mei 2017. Zie www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Midden-Nederland.

22 Van algemene bekendheid zijn de gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen; zie o.a. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116, m.nt. Mevis en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6555, NJ 2011/378.

23 Zie Van Dorst, a.w., p. 242. Voor feiten van algemene bekendheid geldt niet de regel dat de scherpe scheiding tussen feitenrechtspraak en cassatierechtspraak meebrengt dat de Hoge Raad geen nieuwe feiten meer kan bijbrengen, aldus Van Dorst, a.w., p. 237.

24 HR 10 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC16644, NJ 1982/86, m.nt. Van Veen.

25 Art. 4.3.3.6 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden 2017, Stcrt. 2017, nr. 5928. Ingevolge dezelfde bepaling geldt ook een in het webportaal geplaatste schriftuur als tijdig ingediend indien deze op de laatst mogelijke dag van de voor indiening in de wet bepaalde termijn, maar voor 24:00 uur, het webportaal heeft bereikt.

26 HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654, NJ 2017/119, m.nt. Keulen.

27 Bij Wet van 17 februari 2016, Stb. 2016, 90 (digitale processtukken Strafvordering) is in art. 450 Sv een nieuw vierde lid gevoegd dat de mogelijkheid opent om via een bij amvb aangewezen elektronische voorziening de in art. 450, eerste lid, Sv bedoelde volmacht te verlenen.

28 Te denken valt bijv. aan een tijdig door de griffie ontvangen volmacht waaraan een gebrek kleeft dat zich na afloop van de termijn nog leent voor reparatie en aan een door de verkeerde instantie tijdig ontvangen wilsverklaring tot het aanwenden van een rechtsmiddel, welke wordt doorgezonden naar de juiste griffie alwaar deze buiten de beroepstermijn wordt ontvangen. Vgl. in algemene zin Elzinga, a.w., p. 46-47, die constateerde dat de betekenis van het opmaken van een akte respectievelijk van de naleving van de daaraan verbonden vormvereisten sterk werd gerelativeerd.

29 De door de A-G Jacobs in zijn conclusie vóór HR 15 januari 1963, ECLI:NL:HR:1963:182, NJ 1963/229, m.nt. Van Berckel gevolgde redenering die tot de conclusie leidde dat de sluitingstijd van de griffie beslissend diende te zijn, berustte nog op het uitgangspunt dat rechtsmiddelen door fysieke verschijning werden ingesteld: “Geen niet-jurist zou anno 1962 op de gedachte zijn gekomen dat het hoofd van een overheidsdienst, welke op een voor een ieder kenbare plaats en op voor een ieder kenbare uren voor het publiek fungeert, buiten die plaats, met name ten woonhuize van dat hoofd van dienst, en buiten die vastgestelde diensturen, om tien uur des avonds, voor een ambtelijke verrichting zou kunnen en mogen worden lastig gevallen. Wie, aan zijn avondmaal gezeten, tot de schokkende ontdekking komt, dat de dag van heden de laatste vervaldag is voor de betaling van zijn aanslag in de inkomstenbelasting, zal niet op de gedachte komen om zich in de loop van de avond naar de woning van de ontvanger der directe belastingen te begeven om aldaar nog tijdig aan zijn fiscale verplichtingen te voldoen.”

30 Zo maakte de Hoge Raad op 26 september 2018 met betrekking tot strafzaken in een persbericht bekend in dagvaardings- en ontnemingszaken waarin cassatieberoep op of na 17 december 2018 is ingesteld de mogelijkheid te openen digitaal te procederen (met uitzondering van Caribische zaken).

31 Tevens is mij ambtshalve bekend dat de bijsluiter bij een dagvaarding (en oproeping) om voor de Nederlandse strafrechter te verschijnen niet, althans niet steeds, vermeldt dat op de laatste dag van de appeltermijn vóór de sluitingstijd van de griffie beroep moet zijn ingesteld.

32 Bij deze voorziening moet niet worden gedacht aan e-mail, maar aan een portaalachtige setting. De justitiabele zelf zou eventueel nog per post een rechtsmiddel kunnen aanwenden, de advocaat echter niet; deze zou (evenals het OM) alleen nog gebruik (moeten) kunnen maken van de elektronische voorziening (zie de memorie van toelichting op het concept, p. 14).

33 Zie ook mijn conclusie vóór HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654, NJ 2017/119 en de noot van B.F. Keulen daaronder.