Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:373

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-02-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
19/00153
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:574, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 407 lid 3 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Cassatieverzoek niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 19/00153 mr. W.L. Valk

Zitting: 22 februari 2019 Conclusie inzake:

(art. 80a Wet RO)

[verzoeker]

tegen

[verweerder]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verzoeker] respectievelijk [verweerder] .

  1. Op vordering van [verzoeker] heeft de rechtbank Rotterdam bij verstekvonnis van 9 maart 2016 onder meer voor recht verklaard dat [verweerder] onrechtmatig jegens [verzoeker] heeft gehandeld door aan hem geen vergoeding voor melkquotum te betalen. Bij dat vonnis is [verweerder] bovendien veroordeeld tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 152.487,90, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

  2. Bij vonnis in verzet van 24 augustus 2016 heeft de rechtbank Rotterdam op vordering van [verweerder] het verstekvonnis van 9 maart 2016 vernietigd. Bij dit vonnis zijn de vorderingen van [verzoeker] alsnog afgewezen en is [verzoeker] veroordeeld in de kosten.

  3. [verzoeker] heeft bij brief van 14 september 2018 (ter griffie van de Hoge Raad ontvangen op 21 september 2018) zich tot de Hoge Raad gewend. Die brief is door de griffie opgevat als een beroepschrift in cassatie. Mede gelet op de inhoud van de correspondentie die daarna is gevolgd, kan er inderdaad geen twijfel over bestaan dat [verzoeker] heeft bedoeld beroep in cassatie in te stellen tegen het vonnis in verzet van 24 augustus 2016. Zie in het bijzonder de brief van [verzoeker] van 14 januari 2019.

  4. [verzoeker] moet om meer dan één reden in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard. Ik noem er drie.

  5. In de eerste plaats is het verzoek tot cassatie niet ingediend en ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen, maar dit herstel heeft niet plaatsgevonden.

  6. In de tweede plaats was het rechtsmiddel dat [verzoeker] tegen het vonnis in verzet van 24 augustus 2016 diende in te stellen, hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag. Beroep in cassatie tegen genoemd vonnis zou wel open hebben gestaan indien [verzoeker] en [verweerder] zouden zijn overeengekomen het hoger beroep over te slaan (zie artikel 398 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), maar van zo’n overeenkomst is niet gebleken.

  7. In de derde plaats was op 14 september 2018 de termijn voor zowel hoger beroep als beroep in cassatie (beide drie maanden te rekenen vanaf 24 augustus 2016) reeds zeer ruim verlopen.

  8. Ten overvloede nog het volgende. Het is aan te nemen dat [verzoeker] zich van zijn beroep in cassatie meer heeft voorgesteld dan zijn niet-ontvankelijkverklaring. Daarom heb ik mij de vraag gesteld of vanuit de organisatie van de Hoge Raad voldoende is gedaan om te bevorderen dat de verwachtingen van deze rechtzoekende in overeenstemming zouden zijn met de realiteit. Ik constateer op basis van de stukken in het griffiedossier dat [verzoeker] door het griffiepersoneel is verwezen naar een advocaat en naar het Juridisch Loket. Ook is hij erop gewezen dat aan het instellen van beroep in cassatie kosten zijn verbonden en dat zonder vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad zijn niet-ontvankelijkverklaring zou kunnen volgen. Daarbij is aangegeven dat indien hij geen advocaat bij de Hoge Raad bereid zou vinden om zijn belangen te behartigen, hij zich tot de Orde van Advocaten diende te wenden.

  9. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G