Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:372

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-02-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
19/00279
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:573, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 19/00279 mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 22 februari 2019 Conclusie (art. 80a RO) inzake:

[de vader]

tegen

1. [de moeder]

2. [de dochter]

1. In dit geding strijden de ouders van een verstandelijk beperkte dochter over de vraag wie tot bewindvoerder respectievelijk tot mentor van de dochter moet worden benoemd.1 Verzoeker tot cassatie is de vader. Verweersters in cassatie zijn de moeder en de dochter.

2. Bij beschikking van 2 oktober 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:8824) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de in hoger beroep bestreden beschikking van de rechtbank Overijssel van 30 oktober 2017 bekrachtigd, voor zover daarbij ten behoeve van de dochter een mentorschap is ingesteld en de moeder is benoemd tot mentor. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd, voor zover daarbij de verzoeken van moeder en dochter om een bevriende relatie te benoemen tot tweede mentor en tot tweede bewindvoerder zijn afgewezen. Opnieuw rechtdoende heeft het hof die verzoeken toegewezen.

3. Bij verzoekschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 2 januari 2019, heeft de vader te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen de beschikking van het hof.

4. Bij brief van 7 januari 2019 heeft de griffie van de Hoge Raad de vader erop gewezen dat het verzoekschrift niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals art. 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorschrijft. Aan de vader is medegedeeld dat hij dit verzuim binnen twee weken na binnenkomst van het verzoekschrift ter griffie (uiterlijk op 16 januari 2019) kan herstellen.

5. Bij brief van 16 januari 2019 heeft de vader aan de griffie bericht dat hij (vóór indiening van het verzoekschrift) cassatieadviezen heeft ingewonnen bij twee verschillende cassatieadvocaten. Beiden waren niet bereid om cassatieberoep in te stellen. Volgens de vader hebben de cassatieadvocaten de bestreden beschikking ten onrechte niet getoetst aan het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.2 De vader betoogt dat zijn recht op toegang tot de rechter wordt belemmerd door de cassatieadvocaten, en door de Deken van de Orde van Advocaten, die bij brief van 15 januari 2019 heeft geweigerd om (nogmaals) een andere cassatieadvocaat toe te wijzen. De vader verzoekt de Hoge Raad om het cassatieverzoek ontvankelijk te verklaren.3

6. Het verzoekschrift tot cassatie voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, nu het niet is getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. De vader heeft geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om dit verzuim binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat hij in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7. Het betoog van de vader dat hem door dit vormvoorschrift de toegang tot de cassatierechter wordt ontnomen, leidt niet tot een ander oordeel.4 Hetzelfde geldt voor zijn beroep op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VPH). Dit verdrag heeft tot doel de bevordering, bescherming en waarborging van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid, alsmede de bevordering van de eerbiediging van hun inherente waardigheid (art. 1 VPH). Het verdrag verplicht de verdragsluitende staten onder meer om personen met een handicap “op voet van gelijkheid met anderen de toegang tot een rechterlijke instantie” te garanderen (art. 13 VPH). Medio 2018 is gerapporteerd hoe Nederland uitvoering geeft aan die verplichting.5 Het EHRM verwijst in zijn rechtspraak met enige regelmaat naar het VPH.6 In 2010 heeft het EHRM, mede in het licht van het VPH, geoordeeld dat het vormvoorschrift dat gehandicapten over een procesvolmacht (“leave”) dienen te beschikken, geen schending van het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter oplevert.7 Hoe dan ook staat in deze zaak niet het recht op toegang tot de rechter van de dochter centraal, maar dat van de vader. Daarop heeft het VPH geen betrekking.

8. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Zie art. 1:431 e.v. en 1:450 e.v. BW.

2 VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Convention on the Rights of Persons with Disabilities), Trb. 2007/169 (zie voor de inwerkingtreding op 14 juli 2016 Trb. 2016/105 en voor correcties van de vertaling Trb. 2014/113).

3 Zie in gelijke zin: blz. 1 en blz. 12 (onder A) van het verzoekschrift van 2 januari 2019.

4 Zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1786, rov. 3, en de daaraan voorafgaande conclusie onder 2.2 e.v.; HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1462.

5 Initiële rapportage over de implementatie door Nederland van het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap d.d. 12 juli 2018, bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 33 990, nr. 65 (zie blz. 36 – 38 over toegang tot de rechter).

6 Dit gebeurde voor het eerst in EHRM 20 mei 2010, 38832/06, EHRC 2010/83 m.nt. A.S.H. Timmer (Kiss/Hongarije), par. 14 en 44. Zie ook de bijbehorende EHRC-annotatie, onder 3.

7 EHRM 7 december 2010, 50330/07 (Seal/United Kingdom), par. 41 - 43 en 76 - 83.