Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:369

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-04-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
17/03807
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:893
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van poging tot verkrachting. Bewezenverklaring van het medeplegen toereikend gemotiveerd? De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03807

Zitting: 16 april 2019

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 17 juli 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het haar onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde en wegens 1 en 3. telkens “medeplegen van poging tot verkrachting” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Verder heeft het hof beslissingen genomen over in beslag genomen voorwerpen en vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan de verdachte, één en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van poging tot verkrachting.

  4. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezen verklaard dat:

“zij op 19 september 2014 te Malden, in elk geval in de gemeente Heumen, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, door geweld of andere feitelijkheden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , met dat opzet met haar mededader naar Malden is gegaan en zich met een auto heeft opgesteld langs een weg waarbij haar mededader

- naar de langs fietsende [slachtoffer] toe is gerend en op het fietspad is gaan staan en daarmee de weg heeft geblokkeerd voor [slachtoffer] ; en

- [slachtoffer] tegen haar nek heeft geduwd, haar van haar fiets heeft geduwd en haar heeft vastgepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

5. Deze bewezenverklaring steunt op vijftien bewijsmiddelen.

6. Het bestreden arrest bevat daarnaast de volgende, voor de beoordeling van het middel relevante, bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs1:

“De raadsman heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3. primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet aanwezig was op 19 september 2014 te Malden en dat dat wordt ondersteund door de verklaring van aangeefster dat zij slechts één dader heeft gezien en de afwezigheid van aangetroffen DNA-sporen van verdachte. Verdachte heeft weliswaar enige voorbereidingen getroffen, zoals het klaarleggen van een verrekijker, maar in de visie van de verdediging kan daarmee medeplegen niet bewezen worden. Volgens de raadsman is voor het bewijs van medeplegen méér vereist, nu de feitelijke uitvoering in de kern niet gezamenlijk is geweest.

Het hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 19 september 2014 deed de toen 17-jarige [slachtoffer] aangifte bij de politie. Zij verklaarde – kort gezegd – dat zij die dag omstreeks 03.00 uur van Nijmegen naar Malden fietste. Onderweg ter hoogte van de rotonde Droogsestraat/Rijksweg/Heiweg zag zij een man met een soort bivakmuts uit een matgrijze auto stappen. De man kwam op haar afrennen, duwde tegen haar nek, waarna zij met haar fiets viel, en hij raakte haar arm aan. [slachtoffer] gilde tijdens het voorval heel hard. De man rende naar de auto, stapte weer in en reed daarmee weg.

[slachtoffer] heeft niet gezien aan welke kant van de auto de dader is ingestapt, hetgeen de mogelijkheid open laat dat er een tweede dader was.

Op de onder verdachte bij haar aanhouding in beslag genomen telefoon zijn geluidsopnamen aangetroffen. Het hof bezigt de inhoud van deze op 3, 6 en 19 september 2014 opgenomen gesprekken, tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , tot het bewijs. Op 19 september 2014 in de middag voerden [medeverdachte] en verdachte een gesprek, waarin onder meer is gezegd:

(sprachmemo 014.m4a, 13.59.57 uur)

P (de stem van medeverdachte [medeverdachte] , hof): "Ja, vannacht wilden wij terugrijden. [Toen] had je helemaal geen zin meer om naar huis" (p. 5723)

N (de stem van verdachte: hof): "Ja, had ik ook niet, op dat moment [had ik] geen zin

P: "Het wordt morgen (het hof begrijpt: ochtend), dan wil jij naar huis, oké, rijden wij naar huis (...)

N: "Hadje maar gewacht totdat ik wakker werd. (...) Dan hadden we toch een paar uur uitgespaard."

P: "Gisteravond mislukt omdat we naar huis zijn gereden en vanmorgen mislukt omdat wij weer zijn teruggereden, toen heb jij gezegd, dat jij geen zin meer hebt, naar huis, dat we rondrijden." (p. 5723)

N: "En wat hebben wij nu aan dat rondrijden gehad? Als ik toch weer in slaap val?”

P: "Omdat jij altijd in slaap valt, [verdachte] , kan ik ze uiteindelijk ook alleen pakken. Wat is het probleem daarbij?”

N: "Omdat ik dan helemaal niets mee krijg, ik zou niet mee kunnen krijgen of jij....eh”. (...) Mijn enige zorg zou heel eerlijk zijn dat jij het dan zou doen en ik helemaal niets meekrijg en dat die dan alweer gaat en ik helemaal niets meekrijg dat jij ook maar iets hebt gedaan.”

P: " [verdachte] , als ik eentje [opmerking vertaalster: in het Duit staat "eine ”, dus vrouwelijk!: het hof begrijpt: een vrouw] zou pakken, dan pak ik die in de kofferbak en rijd dan eerst even weg. Ja. (...) Wij rijden weg.”, (p. 5724)

Door de politie is onderzoek gedaan naar telefoniegegevens.

Het (Duitse) telefoonnummer [telefoonnummer 1] – gekoppeld aan de telefoon die is aangetroffen bij verdachte bij haar aanhouding op 1 december 2014 (Samsung GT-i9195) en waarvan vast staat dat zij daarmee op 19 september 2014 in de middag voornoemde geluidsopnames heeft gemaakt – heeft op 19 september 2014 om 03.08.37 een zendmast in Mook aangestraald, in welk gebied de Rijksweg Nijmegen-Venlo is gelegen.

Het (Nederlandse) telefoonnummer [telefoonnummer 2] – volgens verdachte ook haar telefoonnummer – is op 19 september 2014 te 03.07.36 uur eveneens aangestraald door een mast in Mook.

Beide zendmasten, aangestraald door telefoonnummers van verdachte, bevinden zich dicht in de buurt van de plaats delict.

Bij de aanhouding van verdachte is haar auto, een grijze Renault Scenic, voorzien van kenteken [kenteken] , in beslag genomen. Deze grijze Renault Scenic, met Duits kenteken [kenteken] , is door het verkeersregistratiesysteem ARS in de nacht van 19 september 2014 drie maal gesignaleerd op de N844 te Malden tussen de Lierseweg en de Bovendorpseweg, in zuidelijke richting, te weten om 01.07 uur, om 02.40 uur en om 03.04 uur. De locatie van de ARS-signalering ligt ongeveer 2 kilometer van de plaats delict. Het tijdstip 03.04 uur was kort na het door [slachtoffer] aangegeven moment van lastigvallen. De grijze Renault Megane Scenic van verdachte past in het signalement van de auto, zoals dat door aangeefster is gegeven (matgrijze auto, hoger dan een Opel Astra).

Verdachte heeft in eerste aanleg verklaard:

“Wij zijn begonnen in september 2014 met rondrijden op zoek naar meisjes. Ik wist dat zijn (het hof begrijpt: [medeverdachte] ’s) doel was om meisjes te verkrachten. Er zat altijd een verrekijker in de tas die ik klaarlegde. Dat wilde [medeverdachte] . Hij wilde daarmee naar potentiële meisjes kijken, daarom moest de verrekijker mee in de tas.”

Verdachte heeft ontkend dat zij in de ten laste gelegde zin betrokken was bij het feit in Malden. Het hof stelt deze verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde. Anders dan de verdediging heeft bepleit, stelt het hof op grond van volgende bewijsmiddelen vast dat verdachte tezamen met medeverdachte [medeverdachte] aanwezig was ten tijde van het plegen van het feit.

Volgens het hof blijkt uit de inhoud van de genoemde geluidsopnamen opgenomen in de middag van 19 september 2014 dat verdachte en [medeverdachte] in de avond/nacht en ochtend daaraan voorafgaand hebben rondgereden. Dit vindt bevestiging in de genoemde telefoniegegevens en de verkeersgegevens, waaruit blijkt dat zowel de beide telefoons die aan verdachte kunnen worden toegeschreven, als de auto welke op naam van verdachte staat, zich bevonden in de nabijheid van het plaats delict. Daarbij komt het signalement van de auto zoals ten tijde van het delict gebruikt overeen met dat van de auto van verdachte.

Dit alles bezien in samenhang met de verklaring van verdachte dat zij en [medeverdachte] in september 2014 begonnen zijn met rondrijden op zoek naar meisjes waarvan zij wist dat het doel van de medeverdachte [medeverdachte] was om deze te verkrachten en de verklaring van [medeverdachte] dat hij uitsluitend gebruik maakte van verdachtes telefoon wanneer zij bij hem was, acht het hof voldoende redengevend wettig en overtuigend bewijs dat verdachte tezamen met medeverdachte [medeverdachte] aanwezig was ten tijde van het plegen van het feit. Dat geen DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen, maakt dit niet anders.

Samengevat stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte is vanaf september 2014 samen met medeverdachte [medeverdachte] diverse keren met een auto uit rijden gegaan op zoek naar meisjes met als doel hen door [medeverdachte] te laten verkrachten. Verdachte wist blijkens de geluidsopnamen ook wat [medeverdachte] van plan was. Verdachte had bij die zoektochten blijkens de eerdere geluidsopnamen van begin september een actieve en instigerende rol; verdachte zette een tas klaar met daarin onder andere een verrekijker om potentiële slachtoffers te zoeken en op de ten laste gelegde datum 19 september 2014 was verdachte op het moment van het plegen van het feit aanwezig op de plaats delict.

Het hof oordeelt dat onder die omstandigheden sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte ten aanzien van het delict, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen van een poging tot verkrachting van [slachtoffer] bewezen.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.”

7. De steller van het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat sprake is geweest van medeplegen. Daartoe stelt hij in de eerste plaats dat geen sprake was van een gezamenlijke uitvoering van de poging tot verkrachting. Uit de bewijsmiddelen kan volgens de steller van het middel niet worden afgeleid dat de verdachte samen met haar medeverdachte aanwezig was op de plaats van het delict op het moment van het plegen van het feit.

8. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte op 19 september 2014 tezamen met de medeverdachte [medeverdachte] aanwezig was ten tijde van het plegen van het feit uitgebreid gemotiveerd. Daarbij heeft het hof erop gewezen dat uit de inhoud van de geluidsopnamen opgenomen in de middag van 19 september 2014 blijkt dat de verdachte en [medeverdachte] in de avond/nacht en ochtend daaraan voorafgaand hebben rondgereden, dat zulks bevestiging vindt in de omstandigheid dat de twee telefoons die kunnen worden gekoppeld aan de verdachte en de auto op naam van de verdachte zich bevonden in de nabijheid van de plaats van het delict, dat het signalement van de ten tijde van het delict gebruikte auto overeenkomt met dat van de auto van de verdachte, dat de verdachte heeft verklaard dat zij en [medeverdachte] in september 2014 begonnen zijn met rondrijden op zoek naar meisjes waarvan zij wist dat het doel van de medeverdachte [medeverdachte] was om deze te verkrachten en dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij uitsluitend gebruik maakte van de telefoon van de verdachte wanneer zij bij hem was.

9. In het licht van deze uit de gebezigde bewijsmiddelen volgende vaststellingen van het hof, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit tezamen met medeverdachte [medeverdachte] aanwezig was niet onbegrijpelijk, terwijl het voorts toereikend is gemotiveerd.

10. Daarmee is nog niet gezegd dat ook het oordeel van het hof dat sprake is geweest van medeplegen voldoende met redenen is omkleed. In dat kader stel ik voorop dat voor het bewijs van medeplegen een bewuste en nauwe samenwerking is vereist. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. De gezamenlijke uitvoering veronderstelt als zodanig reeds een voldoende gewichtige intellectuele en/of materiële bijdrage aan het feit.2 De enkele aanwezigheid ten tijde van het begaan van het feit is daartoe onvoldoende.3 In het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, is de typering door het hof van de handelwijze als een gezamenlijke uitvoering niet vanzelfsprekend. Ten aanzien van de handelwijze van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit heeft het hof immers in de kern niet meer vastgesteld dan dat zij aanwezig was op de plaats van het feit. Ik meen dat voor de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet blindgestaard moet worden op de door het hof gebezigde term ‘gezamenlijke uitvoering’.4 Centraal staat de vraag of het hof uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachte, die was gericht op het feit.

11. Het hof heeft bij zijn oordeelsvorming acht geslagen op de modus operandi die volgt uit opgenomen gesprekken tussen de verdachte en haar medeverdachte (bewijsmiddelen 7 en 8) en waarin wordt gesproken over het rondrijden op zoek naar meisjes die in aanmerking zouden komen om door de medeverdachte verkracht te worden. Ook van de dag van het ten laste gelegde feit zijn opnamen tussen de verdachte en haar medeverdachte beschikbaar (bewijsmiddel 19), waaruit het hof in zijn bewijsoverweging citeert. Het hof heeft ook de gesprekken van vóór 19 september 2014 redengevend kunnen achten voor de bewezenverklaring, omdat het daaruit heeft kunnen afleiden dat de sprake was van een werkwijze die op essentiële punten overeenkomt en waarbij de verdachte een actieve en instigerende rol heeft gehad.5

12. Het hof heeft aldus bij zijn oordeel dat sprake is van medeplegen van de poging tot verkrachting de volgende, uit de bewijsmiddelen volgende omstandigheden in aanmerking genomen:

- de verdachte is vanaf september 2014 samen met de medeverdachte [medeverdachte] diverse keren met een auto uit rijden gegaan op zoek naar meisjes met als doel hen door [medeverdachte] te laten verkrachten;

- de verdachte wist van het doel om meisjes te verkrachten;

- de verdachte heeft bij die zoektochten op 3 en 6 september 2014 een actieve en instigerende rol gehad (vgl. bewijsmiddel 7);

- de verdachte heeft een bijdrage geleverd aan de voorbereiding van het feit door een tas klaar te zetten met daarin onder andere een verrekijker om potentiële slachtoffers te zoeken;

- de verdachte was aanwezig op de plaats van het delict op het moment dat de medeverdachte [medeverdachte] op aangeefster [slachtoffer] is afgerend en haar van haar fiets heeft geduwd.

Verder heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de verdachte na de poging tot verkrachting samen met de medeverdachte in haar auto is weggereden.

13. In het licht van de hiervoor genoemde vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich op 19 september 2014 tezamen naar de plaats delict hebben begeven op zoek naar een meisje dat door medeverdachte [medeverdachte] zou worden verkracht. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan de poging tot verkrachting heeft geleverd en aldus zodanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte [medeverdachte] dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde, acht ik niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is in zoverre naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed. Daaraan kan niet afdoen dat het de medeverdachte is geweest die op aangeefster [slachtoffer] is afgerend en haar van haar fiets heeft geduwd.

14. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging worden afgedaan.

15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van voetnoten.

2 Zie in dit verband de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond, onder 4.2.

3 Vgl. bijvoorbeeld HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:382.

4 Zie ook de noot van Mevis onder HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:883, NJ 2015/396.

5 Vgl. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118.