Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:34

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
18/02336
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:256
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie PG. Zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende en het wegvoeren en begraven van het lijk. Drie middelen. 1. Falende klacht over afwijzing door het hof van verzoeken tot het doen van nader onderzoek en/of (nader) horen van getuigen. 2. Falende klacht over het, met miskenning van art. 6 EVRM, voor het bewijs gebruiken van een getuigenverklaring. 3. Slagende klacht over overschrijding inzendtermijn in cassatie. De PG adviseert de HR de eerste twee middelen af te doen op de voet van art. 81 RO en aan de overschrijding van de redelijke termijn het gevolg te verbinden dat de HR goeddunkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/02336

Zitting: 15 januari 2019

Mr. J. Silvis

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 27 oktober 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 subsidiair “Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” en 2 “De voortgezette handeling van een lijk wegvoeren en begraven met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar met aftrek van voorarrest. Het hof heeft voorts de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen zoals in het arrest bepaald.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Verdachte is veroordeeld wegens zware mishandeling van zijn ex-vrouw in zijn woning, waar zij op dat moment op hun twee dochtertjes van 4 jaar paste. Zijn ex-vrouw is door de mishandeling komen te overlijden. Verdachte heeft haar stoffelijk overschot vervolgens begraven op zo’n 200 meter van zijn woning, aldus het oordeel van het hof.

  4. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van verschillende verzoeken tot het doen van nader onderzoek en/of het (nader) horen van getuigen.
    Het tweede middel klaagt over het tot het bewijs gebruiken van de verklaring van dochtertje [betrokkene 1] door het hof. Dit levert volgens de steller van het middel schending op van art. 6 EVRM.
    Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.

  5. Alvorens de middelen te bespreken volgen hieronder eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof.

Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen hof

6. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“Feit 1 subsidiair
hij op of omstreeks 31 juli 2015 te Utrecht aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een dubbelzijdige klaplong en meerdere ribfracturen en perforatie van de borstvliezen en perforatie van de rechterleverkwab heeft toegebracht, door opzettelijk met kracht tegen de romp van die [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Feit 2
hij op of omstreeks 31 juli 2015 te Utrecht, het lijk van [slachtoffer] heeft begraven en weggevoerd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen,
immers heeft hij, verdachte,
- het lijk van die [slachtoffer] vervoerd en
- het lijk van die [slachtoffer] begraven in een grafkuil”

7. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

Waar in de bewijsmiddelen sprake is van “ [slachtoffer] ” of [slachtoffer] ” wordt telkens kennelijk bedoeld [slachtoffer] .

Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0900-2015236420-4, gedateerd 5 augustus 2015, dossierpagina 589-594, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 3 augustus 2015 werden collega [verbalisant 2] en ik naar [a-straat 1] gestuurd waar een melder zou staan van een vermissing. De vermiste persoon zou de volgende persoon moeten zijn: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970.
Wij spraken met [getuige 1] . [getuige 1] vertelde dat zij de oudste dochter is van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) nog twee dochters. Dit zijn de halfzusjes van [getuige 1] .
Op vrijdag 31 juli 2015 had [getuige 1] voor het laatst contact met haar moeder [slachtoffer] . [slachtoffer] was op dat moment bij haar ex-man, genaamd [verdachte] , woonachtig op [a-straat 1] te [plaats] . Zij zou hier op haar kinderen passen. Na vrijdagavond had [getuige 1] niets meer van [slachtoffer] vernomen, terwijl zij normaal dagelijks met elkaar Whats Appen of bellen.
Ik heb in het systeem een telefoonnummer van [verdachte] gevonden. Ik heb dit nummer gebeld en kreeg iemand te spreken die zichzelf [verdachte] noemde. Ik hoorde hem het volgende vertellen:
‘Ik ben de ex-vriend van [slachtoffer] . Met [slachtoffer] heb ik twee kinderen, een tweeling. [slachtoffer] woont in Spanje. Vrijdag 31 juli 2015 zou [slachtoffer] met het vliegtuig naar Nederland komen.’

2. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] , senior tactische opsporing, opgemaakt proces-verbaal, gedateerd 5 augustus 2015, dossierpagina 585-588, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 5 augustus 2015 verscheen voor mij de dochter van de vermiste [slachtoffer] , genaamd [getuige 1] . Ik had haar uitgenodigd om te komen praten over de vermissing van haar moeder.
Op mijn verzoek had [getuige 1] persoonlijke eigendommen meegenomen van haar moeder. Deze spullen had haar moeder achtergelaten op haar logeeradres bij ene [getuige 2] die woonachtig is op de [b-straat] te [plaats] .
Op mijn vraag hoe laat zij haar moeder voor het laatst had gezien op vrijdag 31 juli verklaarde [getuige 1] dat dat om ongeveer 18.40 uur geweest moet zijn. Zij hadden toen net vanaf [getuige 2] lijn 3 naar het Centraal Station Utrecht genomen en [slachtoffer] had lijn 34 gepakt naar halte [c-straat 1] om naar de woning van [verdachte] te gaan.

Op 31 juli 2015 om 19.24 uur had [getuige 1] telefonisch contact met [slachtoffer] . Zij hoorde haar tweelingzusjes op de achtergrond. [getuige 1] zou nog eens bellen als zij in Antwerpen aan zou komen. Dat was om 21.55 uur. Zij kreeg toen de voicemail van het toestel van haar moeder. Ook was dat het geval om 23.59 uur. Ook bleek dat het geval op zaterdag en zondag.
Op zondag kreeg zij een berichtje van [getuige 2] . De strekking van dat berichtje was dat [getuige 2] niks meer van [slachtoffer] had gehoord of gezien en dat al haar spullen nog bij haar in de woning lagen.
[getuige 1] had vanochtend voor het laatst met [betrokkene 2] gesproken. In Spanje had men nog niks vernomen van [slachtoffer] .

3. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] , inspecteur van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0900-2015238713-38, gedateerd 20 augustus 2015, dossierpagina 623, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op zondag 16 augustus 2015 is gevonden in de grond begraven aan de 2e Polderweg te Utrecht het lijk van [slachtoffer] .

4. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 5] , inspecteur van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0900-2015238713-23, gedateerd 21 september 2015, dossierpagina 89-93, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 16 augustus 2015 werd door mij een onderzoek naar sporen verricht.
Overledene: [slachtoffer] .
Op 16 augustus 2015 kreeg ik het verzoek te gaan naar de 2e Polderweg te Utrecht. Het onderzoek is verricht aan de 2e Polderweg te Utrecht. De plaats delict is gesitueerd in de bosschages.

5. Het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van het Nederlands Forensisch Instituut, genummerd 2015.08.10.114, gedateerd 29 december 2015, opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog, dossierpagina 222-234, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970, is het navolgende gebleken.

Bij voorlopige en definitieve beoordeling door de radioloog werden ribfracturen rechts (6e t/m 9e rib) waargenomen. Er was beiderzijds sprake van een klaplong. In relatie met de gebroken 9e rib rechts was er perforatie van de borstvliezen. Er was circa 150 ml vrij bloed in de buikholte.

Bij sectie werden de radiologisch waargenomen ribfracturen en de dubbelzijdige klaplong bevestigd. Er was veel begeleidende bloeduitstorting rechts aan de romp en aan de rug rechts.
Door het geweld op de romp had de gebroken 9e rib de rechterleverkwab geperforeerd en was er vrij bloed in de buik. De letsels zijn het gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend geweld op de romp. Het overlijden kan door het oplopen van de letsels goed worden verklaard door functieverlies van de longen en door belemmering van de circulatie.

Conclusie
[slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend en/of comprimerend geweld op de romp.

Bijlage 1 Uit- en inwendige schouwing
Rechts zijwaarts was het middenrif bloederig en ter hoogte van de gebroken 9e rib ingescheurd.

6. De brief van 18 april 2016 van D. Botter, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De perforatie van de lever en het bloedverlies in de buikholte.
De lever is een zeer rijk doorbloed orgaan, waarbij de weefselstructuur slechts beperkt in staat is om een eventuele bloeding te beperken. Het letsel in de lever was bij leven ontstaan. De geringe hoeveelheid bloed in de buikholte zal derhalve in korte tijd verloren zijn uit het leverletsel (en mogelijk deels postmortaal), hetgeen impliceert dat de overlevingsduur na optreden van de leverperforatie kort zal zijn geweest (naar schatting een beperkt aantal minuten).

7. De brief ‘Beantwoording nadere vragen’ van 9 juni 2016 van D. Botter, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gezien de leeftijd van het slachtoffer, de omvang van de onderhuidse bloeduitstorting, het aantal ribbreuken en de omvang van de inwendige schade, zal een krachtige geweldsinwerking hebben plaatsgevonden tegen de rechterzijde van de borstkas ter hoogte van de 6e tot en met de 9e rib.
De perforaties van borstholte, middenrif en lever zijn veroorzaakt door binnenwaartse verplaatsing van de scherpe breukranden van de gebroken rib(ben).
De bevindingen (in casu de letsels) zijn zeer veel waarschijnlijker onder de hypothese dat stevig stomp botsend mechanisch geweld tegen de rechterzijde van de borstkas heeft plaatsgevonden dan onder de hypothese dat voor achterwaartse samendrukking van de borstkas heeft plaatsgevonden. Dit impliceert dat slaan, stompen, schoppen, vallen of (zich) stoten als causaal mechanisme veel waarschijnlijker is dan samendrukken van de borstkas door met gewicht op het slachtoffer te zitten.
Schoppen kan in vergelijking met slaan veel ernstiger letsels opleveren vanwege de grotere energieoverdracht.
De ribbreuken bevinden zich op dezelfde plaats in vier naast elkaar gelegen ribben. Deze bevinding is veel waarschijnlijker onder de hypothese dat één krachtige geweldsinwerking heeft plaatsgevonden tegen de borstkas ter plaatse, dan onder de hypothese dat meerdere geweldsinwerkingen hebben plaatsgevonden tegen de borstkas ter plaatse.

8. De brief ‘Beantwoording aanvullende vragen NFI 2015.08.10.114’ van 9 juni 206 van A. Maes, arts en patholoog, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

De bevindingen zijn veel waarschijnlijker onder hypothese I (de letsels (aan ribben, long(en), middenrif en lever) zijn ontstaan door 1 geweldsinwerking) dan onder hypothese II (de letsels aan ribben, long(en), middenrif en lever) zijn ontstaan door meer dan één geweldsinwerking).
In de vrije buikholte was relatief weinig bloed aanwezig bij sectie. Daaruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer] kort na het oplopen van de leverperforatie is overleden.
De sectiebevindingen zijn veel waarschijnlijker onder hypothese III ( [slachtoffer] is een beperkt aantal minuten na het optreden van de leverperforatie overleden) dan onder hypothese IV ( [slachtoffer] is een uur (of meer) na het optreden van de leverperforatie overleden).

9. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 6] , inspecteur van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 43, gedateerd 8 augustus 2015, dossierpagina 627, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970, heb ik onderzoek gedaan naar opgenomen camerabeelden met betrekking tot de aankomst van de vermiste op de luchthaven Schiphol op 31 juli 2015.
Er is onderzoek ingesteld naar opgenomen camerabeelden. Daarbij zijn beelden van de vermiste aangetroffen. Er zijn een viertal prints gemaakt. Op de prints is te zien dat de vermiste op 31 juli 2015, te 10.56 uur, de aankomsthal van de luchthaven Schiphol betreedt.

10. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 7] , hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 277, gedateerd 6 oktober 2015, dossierpagina 792-796, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 18 augustus 2015 worden de camerabeelden van Schiphol van 31 juli 2015 opgehaald en bekeken. Hierop is [slachtoffer] duidelijk te zien. [slachtoffer] heeft op deze beelden sleehakschoenen aan met zwarte bandjes. Ze heeft een donkere strakke broek aan met daarop een turquoise blauw topje en daar overheen een spijkerjasje.
Op 16 augustus 2015 werd het lichaam van [slachtoffer] gevonden in Utrecht.
droeg in het graf sleehakken met zwarte bandjes, donkere strakke broek, een turquoise blauw shirtje, precies dezelfde kleur als op de foto’s van Schiphol. Daar overheen heeft ze een spijkerjasje aan.
De kleding in het graf betreft dezelfde kleding welke [slachtoffer] op vrijdag 31 juli 215 gedragen heeft.

11. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 2015236420.318, gedateerd 4 november 2015, dossierpagina 1419-1423, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Mijn moeder (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) zorgde goed voor zichzelf. Ze maakte zich druk om haar uiterlijk. Elke dag trok ze schone kleren aan.

12. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 10] , respectievelijk inspecteur en hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 40, gedateerd 8 augustus 2015, dossierpagina 638-639, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970, hebben wij onderzoek gedaan naar opgenomen camerabeelden op Centraal Station Utrecht op 31 juli 2015. Wij hebben beelden uitgekeken. Op deze beelden is waar te nemen dat de vermiste op genoemde datum om 17.20 uur, in beeld verschijnt. Zij loopt vanuit de centrale hal van het station naar het Servicepoint NS. De vermiste en een andere vrouw gaan gezamenlijk het Servicepoint NS binnen. Op genoemde datum te 17.23 uur is te zien dat de vermiste en de andere vrouw het Servicepoint weer uitkomen. Zij lopen in de richting van de bussen stadsvervoer aan het Stationsplein te Utrecht.

13. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , hoofdagenten van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 79, gedateerd 10 augustus 2015, dossierpagina 632-633, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970, hebben wij onderzoek gedaan naar een mogelijke reisbeweging van [slachtoffer] op vrijdag 31 juli 2015.
Op 7 augustus 2015 is als getuige gehoord [getuige 2] . [getuige 2] verklaarde dat ze samen met [slachtoffer] pp 31 juli 2015 omstreeks 17.15 uur een anonieme OV- chipkaart voor [slachtoffer] heeft gekocht in het Servicepoint op het Centraal Station te Utrecht. Op 8 augustus 2015 heb ik contact opgenomen met [betrokkene 3] , contactpersoon van Qbuzz. [betrokkene 3] vertelde mij dat op 31 juli 2015 tussen 17.00 en 17.30 uur maar één nieuwe anonieme OV-chipkaart is verkocht in het Servicepoint op het Centraal Station te Utrecht. Het tijdstip van de gekochte kaart is 17.23 uur.
Hierop heeft [betrokkene 3] voor mij de reisgegevens van dit OV-chipkaartnummer gegeven. In de reishistorie is te zien dat de kaart op 31 juli 2015 om 17.23 uur is aangeschaft en alleen in de avond tussen 17.26 uur tot 18.57 uur in gebruik is geweest.
Tevens is te zien dat er met de kaart is ingecheckt in de bus Centraal Station, centrumzijde, te Utrecht naar de [d-straat] te Utrecht en daar is uitgecheckt. Vervolgens is er ingecheckt in de bus van de [d-straat] te Utrecht naar het Centraal Station te Utrecht en daar is niet uitgecheckt. Dat er van het Centraal station te Utrecht is ingecheckt naar [c-straat] en daar is uitgecheckt om 18.57 uur.

14. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 26, gedateerd 6 augustus 2015, dossierpagina 580-581, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] vroeg of ik een logeerplaats wist aangezien ze naar Nederland zou komen. Ik heb tegen haar gezegd dat ze bij mij kon blijven logeren voor een week of een aantal dagen. Ze zou vrijdag 31 juli 2015 komen. Ik heb vrijdag 31 juli 2015 met haar contact gehad. Ik heb haar vrijdagavond 31 juli 2015 ontvangen op Utrecht Centraal Station. Ze is meegegaan naar mijn woning. Hier heeft ze haar koffer achtergelaten. Ik hoorde van haar dat ze naar [verdachte] wilde. [slachtoffer] zou die avond bij mij blijven slapen, maar om 23.00 uur was ze er nog niet. Ik heb haar om 23.21 uur een berichtje gestuurd. Om 00.31 uur heb ik haar een berichtje gestuurd. Ik heb daarna geen contact meer met haar gehad.

15. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11] , hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 302, gedateerd 19 oktober 2015, dossierpagina 791, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

In de plastic tas van [slachtoffer] , die door het slachtoffer is achtergelaten bij getuige [getuige 2] en aan de politie is verstrekt door getuige [getuige 1] is het volgende aangetroffen:
- strip anticonceptie middel: Microgynon, aangetroffen in een toilettasje. Alle pillenvakjes zijn leeg behalve één pillenvakje met erbij het opschrift: Vr (vrijdag).

16. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 14] , hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 290, gedateerd 8 oktober 2015, dossierpagina 783-784, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 7 oktober 2015 heb ik een onderzoek ingesteld naar wat [verdachte] gekocht heeft bij de pizzeria Domino’s gelegen aan de Marnixlaan te Utrecht. Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] op vrijdag 31 juli 2015 omstreeks 17.36 uur, in deze pizzeria een bedrag van 15,95 euro heeft gepind.

In het systeem van Domino’s was te achterhalen dat er op de bovengenoemde datum en tijdstip twee grote pizza’s zijn betaald, namelijk een pizza Hawaii en een pizza BBQ mixed grill. Ingrediënten van de pizza’s:
Pizza Hawaii:
- Tomatensaus;
- Mozzarella;
- Ham;
- Ananas;
- Extra kaas.
Pizza BBQ mixed grill:
- BBQ saus;
- Mozzarella;
- Rode ui;
- Paprika;
- Gehakt;
- Bacon;
- Ham;
- Gegrilde kip.

17. Het rapport ‘Onderzoek aan maaginhoud van [slachtoffer] , aangetroffen op 16 augustus 2015 in een bosperceel te Utrecht’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 26 november 2015, opgemaakt door dr. ir. A.F.W.M. Wolterink, genummerd 2015.08.10.114, dossierpagina 493-498, zakelijk weergegeven:

Onderzoek
Te onderzoeken materiaal: AAIF4158NL: maag van slachtoffer [slachtoffer] .
Uit gepubliceerde studies blijkt dat onder normale omstandigheden 90% van het ingenomen vaste voedsel binnen 4 uur de maag doorloopt. De maag/darmwerking stopt wanneer een persoon overleden is.

Interpretatie van resultaten
De maaginhoud bestaat uit een grote hoeveelheid bruine vloeibare massa. De grootste fractie van de in de maaginhoud aangetroffen macroresten bestaat uit fragmenten van rode en gele paprika/Spaanse peper, ui en varkensvlees.

Conclusie
Met onderzoek aan een representatieve afsplitsing van de maaginhoud [AAIF4158NL] is vastgesteld dat de laatste maaltijd van het slachtoffer bestaat uit rode en gele paprika/Spaanse peper, ui en varkensvlees.

18. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , brigadiers van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 71, gedateerd 10 augustus 2015, dossierpagina 135-155, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Verbalisant: Wanneer zie je haar (het hof begrijpt: [slachtoffer] )?
Verdachte: Om en nabij zeven uur, bij mij thuis. [a-straat 1] .
Verbalisant: En dan praten we over vrijdag 31 juli 2015?
Verdachte: Ja
Verdachte: Ik had nog pizza voor haar gehaald.
Verbalisant: Vrijdag komt ze binnen, pizza gehaald.
Verdachte: Ja. De kinderen hadden de pizza op. Ik heb gezegd tegen [slachtoffer] : nou zus en zo eh, de pizza voor jou staat op het gasfornuis in de doos.
Verdachte: Ik ben vrijdag weggegaan. Ik denk dat ik om een uur of kwart over zeven zo’n beetje uit het huis was.
Verdachte: Ik ben het huis ingelopen.
Verbalisant: Hoe laat was dat?
Verdachte: Zes, zeven, acht over negen dat soort tijden. [slachtoffer] was ook aanwezig. Ik loop naar de slaapkamer van de kinderen toe. Mijn kinderen lagen nog wakker. [slachtoffer] lag bij [getuige 1] in bed. Ik ben naar de huiskamer gelopen.

19. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , brigadiers van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 74, gedateerd 10 augustus 2015, dossierpagina 156-201, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Verbalisant: Even terug naar die vrijdagavond (het hof begrijpt: 31 juli 2015). Dan ga je naar binnen. Dan ligt ze (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) in de kamer bij je kinderen he?
Verdachte: Ja. Ik ga de slaapkamer uit en laat moeder alleen met de kinderen.
Verbalisant: Hoelang duurt'het voordat jullie weer contact met elkaar hebben?
Verdachte: Een minuut of twee, drie, vier. We hebben een kortstondige discussie gehad.
Verbalisant: Hoelang heeft dat geduurd?
Verdachte: Dat zal een minuut of tien geweest zijn. Dat is met stem verheffen.

20. Het in wettelijke door verbalisant [verbalisant 7] , hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 216, gedateerd 11 september 2015, dossierpagina 1583-1596, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Verbalisant: Wanneer heb je mama voor het laatst gezien?
[betrokkene 1] : Toen mama bij papa de huis was. En toen ging papa werken. Toen ging mama ons naar bed brengen. En toen ging papa met mama ruzie maken. Toen horen we geen geluid meer toen deed papa toen horen we mama gillen. En toen ging papa nog een keer met mama ruzie maken.
Verbalisant: Wie was er toen bij jullie thuis? Toen mama jullie naar bed ging brengen?
: Papa. Papa ging de werkbroek aandoen. En die ging de werkschoenen ook nog aan doen. En toen kwam mama heel snel thuis met het vliegtuig. En toen had papa een roos gekocht. En toen kwam mama niet. En toen ging papa weer de rozen in de auto neerleggen. En toen gingen we weer naar huis rijden. Toen gingen we nog televisie kijken en toen gingen we naar bed.
Verbalisant: Dan komt mama die gaat jullie naar bed brengen he? Hoe gaat dat dan? Dus mama die komt binnen en dan?
: Toen ging papa snel hem aankleden. En toen ging papa de werkshirt aan doen en zijn werkschoenen. Toen kwam mama en toen was papa nog thuis. En toen ging papa weer naar zijn werk. En mama ging goed op ons passen. Toen ging mama ons naar bed brengen En toen kwam papa weer thuis. Toen ging papa ruzie maken met mama. En eh, toen ging mama weer, toen was er geen herrie meer. En toen was er herrie weer.
Verbalisant: Oké, want wat hoorde jij dan? Dat het ruzie was?
: Omdat mama ging gillen.
Verbalisant: Omdat mama ging gillen. Wat hoorde je dan gillen?
: Eh, ahhhh.
Verbalisant: Oké, en papa zei toen iets? Toen mama aan het gillen was?
: Eh, nee. Alleen mama. Alles ging papa aan mama toen mama aan het gillen was toen zegt papa, zei mama alles over papa dat papa toen eh, toen mama aan het gillen was.
Verbalisant: Waar gilde mama?
: Binnen. En toen voor de tweede keer.
Verbalisant: Wie hoorde jij gillen?
: Mama. En papa ging stampen met de schoenen.
Verbalisant: En hoe weet jij dat papa ging stampen met zijn schoenen?
: Omdat lawaai van mama ging gillen en toen ging papa stampen. Toen ging papa achter mama aan. En eh, toen ging mama hoesten. En verder niks meer.
Verbalisant: En je zegt papa ging achter mama aan en waar ging mama dan naar toe?
: Toen ging ze een rondje lopen over de tafel. Ik heb het gehoord.
Verbalisant: En toen papa terug kwam, en toen papa ruzie ging maken met mama. En toen is er herrie. Herrie he en toen was er even niks.
: Stil.
Verbalisant: En toen was er weer herrie hé? Hoe gaat dat dan. Wat hoorde je dan in deze herrie. Wat hoorde je daar?
: Ahhhh.
Verbalisant: Verder nog iets?
: Niks.
Verbalisant: Nee, oké. En dan zeg je van papa ging stampen en achter mama aan en om de tafel heen. Wat gebeurde er daarna? Wat was er toen?
: Eerst ging, eerst ging hier, eerst ging mama heel erg lang gillen. Toen was het weer stil. Toen hoorde ik de eh, de kraan.
Verbalisant: Toen hoorde je de kraan.
: En toen was er weer een gegil.
Verbalisant: Je hoorde ook nog hoesten zei je. Wat hoorde je dan precies?
: Spugen gewoon. Met spugen gaat mama hoesten.
Verbalisant: Hoe vaak hoorde je hoesten?
: Eén keer maar.

21. Het in de wettelijke vorm door verbalisant en. [verbalisant 17] en [verbalisant 18] , respectievelijk brigadier en buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0900-2015238713-11, gedateerd 19 augustus 2015, dossierpagina 51-56, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 10 augustus 2015 werd door ons een onderzoek in een woning ingesteld naar de eventuele aanwezigheid van (latente) bloedsporen. De betreffende woning was gelegen aan het [a-straat 1] te [plaats] .

Onderzoek woonkamer
Tijdens het chemisch onderzoek werden op de onderstaande locaties luminescentie waargenomen. De bemonsteringen van deze locaties gaven een positieve reactie op de bloed indicatieve Tetrabase test:
- op de laminaatvloer onder het kleed van de woonkamer (spoor nummer 1);
- op de laminaatvloer onder het kleed van de woonkamer (spoor nummer 2);
- op de laminaatvloer onder het kleed van de woonkamer (spoor nummer 3).
Op het kleed stond een salontafel.

De volgende sporen werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
SIN: AACQ2256NL
Spooromschrijving: bloed
Plaats veiligstellen: onder kleed bij salontafel (nr. 1)
Bijzonderheden: vanaf laminaatvloer

22. Het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een vermissing in Maarssen op 5 augustus 2015’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 18 augustus 2015, opgemaakt door dr. B. Kokshoom, genummerd 2015.08.10.114, dossierpagina310-311, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bemonstering AACQ2256NL#01 is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen in de bemonstering.

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
AACQ2256NL#01 een bemonstering (onder kleed bij salontafel vanaf laminaatvloer)

Van het DNA in de bemonstering is een DNA-profiel verkregen van een vrouw.

23. Het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Utrecht op 16 augustus 2015’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 9 november 2015, opgemaakt door dr. B. Kokshoom, gedateerd 2015.08.10.114, dossierpagina 336-338, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Aanvraag
AAIF4169NL een referentiemonster botweefsel van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1970) afkomstig van stoffelijk overschot AAFW6638NL

Resultaten, interpretatie en conclusie
Het DNA-profiel van het bloed in de bemonstering AACQ2256NL#01 is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
Van het referentiemonster botweefsel AAIF4169NL van [slachtoffer] is een DNA- profiel verkregen. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het bloed in bemonstering AACQ2256NL#01. Dit betekent dat het bloed in deze bemonstering afkomstig kan zijn van [slachtoffer] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

24. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , brigadiers van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 300, gedateerd 15 oktober 2015, dossierpagina 261-290, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Verbalisant: Welk toestel gebruik jij?
Verdachte: Een oude Nokia voor de Lewara (het hof.begrijpt: Lebara)
Verdachte: Vrijdag ben ik pizza wezen kopen.
Verbalisant: Vrijdag 31 juli 2015. Waar heb je die besteld?
Verdachte: Die heb ik gehaald bij Domino’s op de Marnixlaan. Volgens mij heb ik die gepind. Rekeningnummer is [0001] .
Verdachte: Mijn kinderen hadden vrijdagavond toen ik wegging de pizza al op. En die van [slachtoffer] stond op het gasfornuis.
Verbalisant: We hebben het over je auto gehad. Suzuki Wagon. Hoe vaak wordt die auto door andere mensen gebruikt?
Verdachte: Ik ben in principe de vaste rijder van die auto.
Verbalisant: In die auto is een telefoon aangetroffen een Nokia type Lumia. Van wie is die?
Verdachte: Die heb ik gekocht.
Verbalisant: Door wie wordt die telefoon gebruikt?
Verdachte: In eerste instantie door mij.
Verbalisant: Wie heeft dat ding nog meer gebruikt met uitzondering van jou?
Verdachte: Misschien de kinderen of weet ik veel wat om iets uit te leggen, maar in de zin van gebruiken, nee.
Verbalisant: Die Nokia Lumia die in de auto lag.
Verdachte: Ik ben de gebruiker van die telefoon. Dat klopt.

25. De Telecomanalyse: tijdlijn telecom in de nacht van 4-5 augustus 2015, opgemaakt door [betrokkene 4] , informatieanalist, dossierpagina 851-853, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Van het slachtoffer [slachtoffer] is een laatste teken van leven geregistreerd op vrijdag 31 juli 2015. te 19.23 uur. Zij had op dat moment telefonisch contact met haar dochter [getuige 1] . Dit blijkt uit de verklaring van de dochter van het slachtoffer en uit de historische telecomgegevens van het slachtoffer. Na de vermissing van het slachtoffer blijkt uit de historische telecomgegevens van verdachte [verdachte] en het slachtoffer [slachtoffer] dat in de nacht van 4 op 5 augustus 2015 een simkaart eerst wordt gebruikt in het toestel van de verdachte en later in het toestel van het slachtoffer.

Onderzoeksgegevens:
Toestel A: Nokia Lumia (gebruiker [verdachte] )
Nokia Lumia (IMEI-nummer [0002] ).
Uit de verklaring van verdachte [verdachte] is gebleken dat hij de gebruiker is van de Nokia Lumia, voorzien van IMEI-nummer [0002] . Dit toestel is na zijn aanhouding aangetroffen in de Suzuki Wagon van de verdachte [verdachte] .

Toestel B: Samsung Galaxy Trend (gebruiker [slachtoffer] )
Samsung Galaxy Trend (IMEI-nummer [0003] )
Uit de historische telecomgegevens van het slachtoffer en overige personen is gebleken dat het slachtoffer ( [slachtoffer] ) de gebruiker was van de Samsung Galaxy Trend, voorzien van IMEI-nummer [0003] .

Simkaart X: telefoonnummer [0004]
Simkaart Y: telefoonnummer [0005]

Tijdlijn telecom nacht 4 op 5 augustus 2015

4 augustus 20.29-20.38 uur (toestel A met simkaart X)
Op 4 augustus wordt tussen 20.29 en 20.38 uur toestel A gebruikt in combinatie met simkaart X. Er wordt gebeld met het opwaardeernummer van Lebara en er worden service sms-berichten ontvangen. Tot voor dit moment was simkaart X niet eerder in gebruik.

4 augustus 22.46 uur (toestel A met simkaart Y)
Ruim twee uur later, op 4 augustus om 22.46 uur, heeft er een wisseling van simkaart plaatsgevonden in toestel A en wordt toestel A gebruikt in combinatie met simkaart Y. Er wordt gebeld met het opwaardeemummer van Lebara en er worden service sms-berichten ontvangen. Tot voor dit moment werd simkaart Y niet eerder gebruikt.

4 augustus 23.38-23.46 uur (toestel A met simkaart Y)
Bijna een uur later, op 4 augustus om 23.38 uur, wordt toestel A nog steeds gebruikt in combinatie met simkaart Y, waarbij er wordt gebeld met het opwaardeernummer van Lebara.

5 augustus 0.23-0.32 uur (toestel B met simkaart X)
Op 5 augustus om 0.23 uur, is er geen telecomverkeer meer te zien met toestel A. Wat wel is te zien is dat simkaart X, die eerder deze avond tussen 20.29 en 20.38 uur gebruikt is in toestel A, wordt gebruikt in toestel B. Toestel B werd tot voor dit moment voor het laatst gebruikt door het slachtoffer op 31 juli 2015. Om 0.32 uur die nacht wordt er met toestel B in combinatie met simkaart X gebeld naar het opwaardeernummer van Lebara.

5 augustus 3.42-6.46 uur (toestel A met simkaart Y)
Op 5 augustus tussen 3.42 en 6.46 uur komt toestel A weer in beeld. Er is te zien dat er met toestel A in combinatie met simkaart Y meerdere Spaanse telefoonnummers worden gebeld. Hieronder bevindt zich een oproep naar een contact van het slachtoffer, genaamd [getuige 3] .

26. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11] , hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 362, gedateerd 26 januari 2016, dossierpagina 926-928, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

De simkaart met telefoonnummer [0005] is aangetroffen in de Nokia Lumia. Verdachte verklaart dat hij de gebruiker is van deze Nokia Lumia. Over de simkaart die in de Nokia Lumia zit verklaart verdachte dat hij ook hier de gebruiker van is.

Uit de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [0005] blijkt geen gebruik tot het moment dat verdachte is aangehouden, behalve op 4 en 5 augustus 2015.

Uit historische verkeersgegevens van [0005] vanaf 1 juli 2015 tot 6 augustus 2015 is onder andere gebleken dat er op:
- 4 augustus 2015 om 22.46 uur is gebeld naar 1244 (tegoedcentrale Lebara);
- 4 augustus 2015 om 23.38 uur is gebeld naar 1244 (tegoedcentrale Lebara);
- 5 augustus 2015 vanaf 3.42 tot en met 19.16 uur negentien keer is gebeld naar diverse Spaanse nummers;
- 5 augustus 2015 om 19.29 uur is gebeld naar 1244 (tegoedcentrale Lebara).

Omdat uit bovenstaande resultaten blijkt dat er met telefoonnummer [0005] diverse keren naar het tegoedcentrale van Lebara is gebeld op 4 en 5 augustus 2015 is er nader onderzoek gedaan naar eventuele opwaardeergegevens. Hieruit is gebleken dat de simkaart met telefoonnummer [0005] :
- op 4 augustus 2015 om 22.47 uur door middel van een eerste telefonische oproep naar 1244 is geactiveerd;
- op 4 augustus 2015 om 23.38 uur beltegoed is opgewaardeerd. Dit betrof een opwaardering van Lebara € 10,- met uniek serienummer [0006] .

Uit de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [0004] blijkt geen gebruik tot het moment dat verdachte is aangehouden, behalve op 4 en 5 augustus 2015. Uit de historische verkeersgegevens van [0004] vanaf 1 juli 2015 tot 6 augustus 2015 is onder andere gebleken dat er op:
- 4 augustus 2015 om 20.29 uur is gebeld naar 1244 (tegoedcentrale Lebara);
- 4 augustus 2015 om 20.38 uur is gebeld naar 1244 (tegoedcentrale Lebara);
- 5 augustus 2015 om 0.32 uur is gebeld naar 1244 (tegoedcentrale Lebara).

Omdat uit bovenstaande resultaten blijkt dat er met telefoonnummer [0004] diverse keren naar de tegoedcentrale van Lebara is gebeld op 4 en 5 augustus 2015 is er nader onderzoek gedaan naar eventuele opwaardeergegevens. Hieruit is gebleken dat de simkaart met telefoonnummer [0004] :
- op 4 augustus 2015 om 20.29 uur door middel van een eerste telefonische oproep naar 1244 is geactiveerd;
- op 4 augustus 2015 om 20.39 uur beltegoed is opgewaardeerd. Dit betrof een opwaardering met uniek serienummer [0007] .

Uit onderzoek bij Albert Heijn is gebleken dat de beltegoeden met unieke serienummers [0007] en [0006] beide zijn aangekocht om 12.02.18 uur op 31 juli 2015 bij Albert Heijn, Doomburglaan 2 te Utrecht. De prijs van beide beltegoeden betrof tien euro, dus samen twintig euro. Uit de mutaties van de bankrekening van verdachte met nummer [0001] is gebleken dat er op 31 juli 2015 om 12.00.23 uur een afschrijving van 20 euro bij een geldautomaat op de Doomburglaan 2 te Utrecht heeft plaatsgevonden.

27. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 19] , brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0900-201523 6420-16, gedateerd 10 augustus 2015, dossierpagina 597-598, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 7 augustus 2015 werd door mij een forensisch onderzoek naar sporen verricht. Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen:
De in de GSM-telefoon aanwezige SIM-kaart werd onderzocht. Het bij de SIM-kaart behorende telefoonnummer is: [0005] .

De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

SIN: AAHV8223NL
Spooromschrijving: digitaal bestand
Plaats veiligstellen: afkomstig uit Nokia Lumia 630 met SIN AAHV8222NL

SIN: AAHV8222NL
Object: telefoon
Merk/type: Nokia Lumia.

28. De Telecomanalyse: tijdlijn telecom 31 juli - 5 augustus 2015, opgemaakt door [betrokkene 4] , informatieanalist, dossierpagina 929-942, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Uit onderzoek naar de historische telecomgegevens van slachtoffer [slachtoffer] blijkt dat zij vanaf haar binnenkomst in Nederland gebruik heeft gemaakt van:
Toestel 1: Samsung Galaxy Trend IMEI-nummer [0003] Dit toestel is door het slachtoffer gebruikt op 31 juli 2015.

Toestel 3: Alcatel OT-802
Dit toestel is door het slachtoffer gebruikt op 31 juli 2015.

Uit onderzoek naar de historische telecomgegevens van verdachte [verdachte] blijkt dat hij gebruik maakte van:
Toestel 3: Nokia Lumia IMEI-nummer [0008]
Dit toestel wordt na 31 juli 2015 gebruikt in combinatie met drie verschillende simkaarten: [0005] & [0004] & [0009] .

Tijdlijn 31 juli 2015
19.15-21.00 uur verdachte verlaat zijn woning en slachtoffer is bij haar kinderen.
Uit de verklaring van dochter [getuige 1] blijkt dat nadat verdachte zijn woning heeft verlaten het slachtoffer heeft gebeld met haar dochter Dit gesprek komt overeen met de historische telecomgegevens van het slachtoffer. Hierin is te zien dat om 19.22 en 19.23 met het toestel 3 van het slachtoffer een poging wordt gedaan om contact te leggen met het toestel van haar dochter [getuige 1] . Om 19.24 uur wordt er door dochter [getuige 1] teruggebeld naar het slachtoffer en heeft een gesprek plaatsgevonden van bijna twee minuten. Dit is het laatste verifieerbare moment waarop er iemand anders dan verdachte contact heeft gehad met het slachtoffer.

Tijdlijn telecom nacht 4 op 5 augustus 2015
Na het telefoongesprek op 31 juli 2015 om 19.47 uur maken de toestellen van het slachtoffer geen verbinding meer met het Nederlandse mobiel netwerk.
De Samsung Galaxy Trend van het slachtoffer maakt tussen 0.23 en 0.56 uur nog een laatste verbinding met het Nederlandse mobiel netwerk, waarna het voorgoed verdwijnt uit het Nederland mobiele netwerk.

Gebruik telecom & WhatsApp-account van slachtoffer in de nacht van 4 op 5 augustus 2015
Uit tactisch onderzoek en onderzoek naar de historische telecomgegevens van het slachtoffer blijkt dat het slachtoffer beschikte over twee smartphones met een WhatsApp- account. Beide WhatsApp-accounts zijn gekoppeld aan een Spaans telefoonnummer: + [0010] .
Het WhatsApp-account van het slachtoffer, gekoppeld aan telefoonnummer + [0010] , is vier dagen na de verdwijning van het slachtoffer nog actief geweest, waarbij er in de nacht van 4 op 5 augustus 2015 tussen 0.41 en 0.43 uur met dit WhatsApp-account berichten zijn verstuurd naar een mannelijk contact van het slachtoffer: [getuige 3] . Later die nacht en de volgende dag wordt er met het toestel van de verdachte uitgebeld naar meerdere mannelijke contacten van het slachtoffer in Spanje, waaronder het contact [getuige 3] .

29. De schermafdruk van een WhatsApp-gesprek van 5 augustus 2015, van het WhatsApp-account van [slachtoffer] , dossierpagina 924, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer]
05/08/2015

0.41

Bien
0.42 Y tu cabron
0.43 Coma mierda maldito idiota

30. De Nederlandse vertaling van het onder 29 genoemde WhatsApp-gesprek, dossierpagina 1823, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer]
5 augustus 2015

Goed
En jij klootzak
Eet shit vervloekte idioot

31. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 20] , hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 50, gedateerd 8 augustus 2015, dossierpagina 636-637, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 8 augustus 2015 heb ik onderzoek gedaan naar de Nokia Lumia die aangetroffen is in het inbeslaggenomen voertuig, de Suzuki Wagon, [AA-00-AA] . De telefoon is aangetroffen in het middenconsole van het voertuig.
De telefoon is handmatig door mij uitgekeken.
Belgeschiedenis
[getuige 3] uitgaand wo 17:41
uitgaand wo 6.48
uitgaand wo 3.46.
Met wo wordt bedoeld woensdag 5 augustus 2015.

32. De getuigenverklaring van [getuige 3], gedateerd 11 januari 2016, dossierpagina 1670-1675, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gevraagd hoe vaak hij contact heeft gehad met [verdachte] , antwoordt hij geen enkel tot de dag waarop hij de gesprekken had. Dat de WhatsApp die hij ontving via de mobiel van [slachtoffer] gingen en de zinnen waren niet goed opgebouwd. Het was grammaticaal foute taal. Hij begreep dat het niet [slachtoffer] was die via WhatsApp praatte bij het zien van die gegevens en de inhoud van de gesprekken, want hij zei dat [slachtoffer] weer bij hem ging wonen, dat zij tot overeenstemming waren gekomen. De persoon die belde stelde zich voor als de vader van de dochters die [slachtoffer] in Nederland had. Dit telefoongesprek vond plaats op 5 augustus 2015 om 17.41 uur.
Dat [slachtoffer] op 31 juli naar Nederland vloog. Dat hij vanaf de 31e tot de ontvangst van de WhatsApps geen contact met [slachtoffer] had gehad. Dat hij die week al op maandag WhatsApps aan [slachtoffer] had gestuurd en hij verbaasd was dat zij geen antwoord gaf. En dit tot woensdag totdat hij die slecht opgestelde WhatsApps ontving en door de telefoontjes die hij kreeg van [verdachte] . Dat was van 4 op 5 augustus.
Dat hij op 1 augustus haar een WhatsApp had gestuurd. Dat hij op 2 augustus met een andere mobiele telefoon ook aan [slachtoffer] via WhatsApp vroeg hoe het met haar ging. Dat hij op beide WhatsApps geen antwoord kreeg. Tot op de 5e toen hij de berichten kreeg.

33. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 29] , buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, opgemaakt proces-verbaal, nummer 296, gedateerd 4 december 2015, dossierpagina 920-923, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik ontving de volgende onderzoeksvraag:
Is een WhatsApp-account blijvend gekoppeld aan één telefoonnummer of kan er ook gewisseld worden van simkaart?

WhatsApp kan gebruikt worden om berichten te versturen zodra er een dataverbinding aanwezig is op het telefoontoestel. Deze dataverbinding kan via het mobiele telefoonnetwerk lopen maar ook via bijvoorbeeld een draadloos netwerk. Het telefoonnummer wordt tijdens de installatiefase geverifieerd op het toestel, maar later niet meer. Het is dan ook mogelijk om een telefoon met een geactiveerd WhatsApp-account te voorzien van een andere simkaart met een ander telefoonnummer. Het WhatsApp-account, dat gekoppeld is aan het ‘oude’ nummer, zal gewoon actief blijven en gebruikt kunnen worden.

34. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 21] , inspecteur van politie, opgemaakt proces-verbaal Forensische Opsporing, genummerd 2015238713, gedateerd 24 februari 2016, dossierpagina 1-21, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 16 augustus 2015 werd het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen. Zij lag begraven in een bosperceel. Deze locatie is gelegen op tweehonderd meter afstand van de woning van verdachte [verdachte] aan [de a-straat] .


Op 25 augustus 2015 werd tijdens een doorzoeking een onderzoek ingesteld in de berging van perceel [a-straat 2] te [plaats] . Deze berging behoort bij de woning van de ouders van de verdachte [verdachte] .

35. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten. [verbalisant 22] en [verbalisant 17] , respectievelijk buitengewoon opsporingsambtenaar en brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0900-2015238713-9, gedateerd 10 augustus 2015, dossierpagina 28-31, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 7 augustus 2015 werd door ons een onderzoek verricht aan een inbeslaggenomen voertuig. Het voertuig betrof een Suzuki Wagon, voorzien van kenteken [AA-00-AA] .
Tijdens dit onderzoek werd in het middenconsole een zwart gekleurde Nokia telefoon aangetroffen.
Besloten werd een chemisch bloeddetectieonderzoek in het voertuig te verrichten naar de eventuele aanwezigheid van (latente) bloedsporen. Tijdens het chemisch onderzoek werden op de onderstaande locaties luminescentie waargenomen. De bemonsteringen van deze locaties gaven een positieve reactie op de bloed indicatieve Tetrabase-test:
- op de vergrendeling van het rechterdeel van de rugleuning van de achterbank (SIN AAIT8308NL);
- op de linker bovenzijde (raamzijde) van de hoedenplank (SIN AAIT8306NL);
- aan de rechterzijde van de vloer van de bagageruimte (SIN AAIT8305NL);
- onder de hoedenplank twee strepen in het midden en op de rechterhelft (SIN AAIT8304NL en SIN AAIT 8307NL);
- op het aluminiumfolie ter bescherming van bevriezing van de voorruit, aangetroffen in de bagageruimte (SIN AAIT8303NL).
De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

SIN:

AAIT8306NL

Spooromschrijving:

bloed

Plaats veiligstellen:

bovenop hoedenplank auto links (ruitzijde)

SIN:

AAIT8307NL

Spooromschrijving:

bloed

Plaats veiligstellen:

onder hoedenplank rechts

SIN:

AAIT8304NL

Spooromschrijving:

bloed

Plaats veiligstellen:

onder hoedenplank auto (midden)

SIN:

AAIT8303NL

Spooromschrijving:

bloed

Plaats veiligstellen:

aluminiumfolie

SIN:

AAIT8305NL

Spooromschrijving:

bloed

Plaats veiligstellen:

vloer bagageruimte rechts

SIN:

AAIT8308NL .

Spooromschrijving:

bloed

Plaats veiligstellen:

rechter greep rugleuning achterbank

36. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 22] en [verbalisant 17] , respectievelijk buitengewoon opsporingsambtenaar en brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0900-2015238713-19, gedateerd 14 augustus 2015, dossierpagina 87-88, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Het onderzoek werd verricht in/aan het voertuig Suzuki Wagon, kenteken [AA-00-AA] .
De onderplaat van de bagageruimte werd uit het voertuig gehaald, afzonderlijk verpakt en voorzien van SIN-nummer.
De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
SIN: AAIE1813NL
Bijzonderheden: onderplaat bagageruimte Suzuki 25NPRL.

37. Het rapport ‘Onderzoek naar biologische sporen en (aanvullend) DNA- onderzoek naar aanleiding van een vermissing in Maarssen op 5 augustus 2015’, genummerd 2015.08.10.114, gedateerd 10 september 2015, opgemaakt door dr. B. Kokshoorn, dossierpagina 325-329, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vloermat AAIE1813NL
De vloermat is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is één bloedspoor aangetroffen. Een deel van dit bloedspoor is veiliggesteld als AAIE1813NL#01.

DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een (aanvullend) DNA-onderzoek: AAI05306NL#01 een bemonstering van vlek (AAIT8305NL) uit Suzuki
AAIE1813NL#01 bemonstering van een bloedspoor op de vloermat

Van het referentiemonster RABI7369NL van [verdachte] is een DNA-profiel verkregen. De DNA-profielen van het bloed in bemonstering AACQ2256NL#01 (middels DNA- verwantschapsonderzoek gekoppeld aan [slachtoffer] ) en van de betrokkene [getuige 1] RABG7884NL en van de verdachte [verdachte] RABI7369NL zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek:

SIN

Beschrijving DNA-profiel/

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

AAIE1813NL#01

DNA-mengprofiel van twee personen

DNA-hoofdprofiel [slachtoffer]

DNA-nevenprofiel onbekende man B

Kleiner dan één op één miljard

Kleiner dan één op één miljard

AAIO5306NL#01

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen

[slachtoffer] , [verdachte] en minimaal één andere persoon

Zie ‘Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
Hypothese I: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] , [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon.
Hypothese II: De bemonstering bevat DNA van [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen.
De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn 10.000 tot 1.000.000 keer waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is.

38. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 23] , hoofdagent van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL000-2015238713-42, gedateerd 1 september 2015, dossierpagina 261-263, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 25 augustus 2015 werd door mij een forensisch onderzoek naar sporen verricht. Het onderzoek is verricht in een kelderbox bij [betrokkene 5] te [a-straat 2] te [plaats] (hof: de woning van de ouders van verdachte).


Mij werd verzocht naar de berging te komen in verband met het aantreffen van tuingereedschap, waaronder een spade en een bats. Deze lagen in de berging. Ik zag dat zowel aan de voorzijde als achterzijde van de schep en de bats aarde zat. De bats en spade werden door mij ten behoeve van nader onderzoek separaat in papieren zakken veiliggesteld.
De spade was circa 15 centimeter breed en circa 27 centimeter lang. De bats was circa 23 centimeter breed en circa 27 centimeter lang.
De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

SIN: AAIE2979NL
Object: tuingereedschap
Merk/type: spade
Bijzonderheden: betreft spade uit berging

SIN: AAIE2978L
Object: tuingereedschap
Merk/type: bats
Bijzonderheden: betreft bats uit berging

39. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 24] en [verbalisant 25] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0900t20 15238713-24, gedateerd 10 september 2015, dossierpagina 95-101, voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 16 augustus 2015 kwam een melding binnen dat er in de bosschages aan de 2e Polderweg te Utrecht een begraven menselijk stoffelijk overschot was aangetroffen. Wij gingen ter plaatse. Het onderzoek is verricht in de bosschages gelegen aan de 2e Polderweg te Utrecht. Het onderzoek aan het graf werd verricht door de forensisch archeologen van het NFI. De archeologen hebben de contouren van de grafkuil vastgesteld door de bovenste laag, losse grond weg te halen. Vervolgens zijn er grondmonsters genomen, welke zijn veiliggesteld, verpakt en gewaarmerkt:
- zijkant van grafkuil nabij kleine boom (SIN AAIL1186NL);
- midden op grafkuil (SIN AAIL1185NL);

- buiten de grafkuil (SIN AAIL1187NL).

40. Het rapport ‘Forensische opgraving van een stoffelijk overschot in een bosperceel nabij de Oeverland route te Utrecht, op 16 augustus 2015’ van het Nederlands Forensisch Instituut van drs. W.J. Groen, genummerd 2015.08.10.114, .gedateerd 17 september 2015, dossierpagina 135-155, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op de wanden en bodem van de grafkuil werden op meerdere locaties gereedschapsafdrukken aangetroffen. Al deze afdrukken waren aan de onderzijde afgerond en circa 15 cm breed en werden door ondergetekende geclassificeerd als zijnde veroorzaakt door graafgereedschapstype B.
Op de onderzoekslocatie werden afdrukken van twee verschillende typen graafgereedschap aangetroffen, namelijk:

- op de wanden en bodem van de grafkuil - in het voor de aanvang van de forensische opgraving onverstoorde deel van de grafkuil - werden op meerdere locaties afdrukken van graafgereedschapstype B aangetroffen, het betrof hier afdrukken die veroorzaakt werden door graafgereedschap met een afgeronde, circa 15 centimeter brede voorrand.

Uit vergelijking tussen de beschrijvingen en de foto’s van de voorranden van de spade [AAIE2979NL] en de bats [AAIE2978NL] met de vorm en afmeting van de in de grafkuil aangetroffen gereedschapsafdrukken, werd opgemaakt dat de voorrand van de spade [AAIE2979NL] overeenkomt met het graafgereedschapstype B. Het tijdens het uitgraven van de grafkuil gebruikte schopblad had namelijk een afgeronde, circa 15 centimeter brede voorrand.

41. Het rapport ‘Grondvergelijkend onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van [slachtoffer] op 16 augustus 2015 in een bosperceel te Utrecht’ van het Nederlands Forensisch Instituut van A. Dragutinovic, genummerd 2015.08.10.114, gedateerd 10 februari 2016, dossierpagina 397-408, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:


Vanaf de bats [AAIE2978NL] zijn grondsporen veiliggesteld. Vanaf de spade [AAIE2979NL] zijn grondsporen veiliggesteld. De grondsporen zijn vervolgens op basis van de onderzochte parameters met de referentiemonsters vergeleken.


De volgende hypothesen zijn voor de bats [AAIE2978NL] en de spade [AAIE2979NL] geformuleerd:
Hypothese 1 : Het grondspoor is afkomstig van het graf.
Hypothese 2: Het grondspoor is afkomstig van een willekeurige andere locatie, niet zijnde het graf.


De resultaten van de vergelijking tussen de zandige humeuze grondsporen van de bats en de spade met de referentiemonsters van het graf zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 2 waar is.

De bewijsmiddelen 1 tot en met 3, 9 tot en met 16, 18 tot en met 20 en 24 tot en met 33 zijn als bijlage gevoegd bij het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 26] en [verbalisant 11] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, opgemaakt hoofdproces-verbaal ‘09KOMPAS’, genummerd2015236420-E en gesloten op 24 maart 2016.


De bewijsmiddelen 4, 5, 17, 21 tot en met 23, en 35 tot en met 41 zijn als bijlage gevoegd bij het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 21] , inspecteur van politie, opgemaaktproces-verbaal Forensische Opsporing, genummerd 2015238713 en gesloten op 24 februari 2016.

8. Het hof heeft verder de volgende overwegingen met betrekking tot het bewijs in het arrest opgenomen:

“Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard onschuldig te zijn. Op vragen naar feiten heeft hij niet willen antwoorden.

Tegenover de politie heeft verdachte aanvankelijk wel verklaringen afgelegd. Vanaf 17 augustus 2015 heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

De verklaringen die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd, zijn niet over de hele linie consistent. Verdachte heeft onder meer verklaard dat [slachtoffer] na de ruzie of discussie met stemverheffing in verband met haar in Antwerpen wonende dochter op de avond van 31 juli 2015 vertrokken zou zijn en daarbij had gezegd dat ze achter haar dochter aan zou gaan naar Antwerpen en daar de boel op stelten zou zetten (p. 145, 190, 196). Ook zou ze hebben gezegd dat ze naar een kamer zou gaan die ze gehuurd had (p. 146). Verdachte neemt aan dat ze lijn 34 of 16 heeft genomen om naar het centrum naar de kamer terug te gaan (p. 200). Verdachte staat niet bij dat ze de kinderen nog gedag heeft gezegd (p. 217). Volgens verdachte was ook een afspraak gemaakt om elkaar de volgende ochtend te ontmoeten bij de kinderboerderij (p. 145, 198). Maar [slachtoffer] is toen niet gekomen.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van ook het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bij de beoordeling van het bewijs heeft het hof onder ogen gezien dat verdachte ter terechtzitting van het hof van 13 oktober 2017 meermalen en uitdrukkelijk heeft aangegeven ervan overtuigd te zijn dat sprake is van een complot tegen hem, dat bepaalde zaken niet goed zijn onderzocht dan wel opzettelijk buiten het onderzoek zijn gehouden en dat verbalisanten hun ambtseed of ambtsbelofte hebben geschonden. Het hof gaat hier niet in mee. Deze beweringen van verdachte zijn op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

In het licht van het gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde overweegt het hof - grotendeels overeenkomstig de rechtbank - in het bijzonder het volgende.

De vermissing en het aantreffen van [slachtoffer]

Op 3 augustus 2015 is melding gemaakt van de vermissing van [slachtoffer] door haar dochter, [getuige 1] . [slachtoffer] is op 31 juli 2015 vanuit Spanje naar Nederland gekomen. Op het moment van het laatste contact tussen [slachtoffer] en [getuige 1] was [slachtoffer] bij haar ex-echtgenoot, verdachte.

Op 5 augustus 2015 had men noch in Nederland noch ook in Spanje iets van [slachtoffer] vernomen.

Op 16 augustus 2015 is het begraven lichaam van [slachtoffer] gevonden in de bosschages aan de 2e Polderweg in Utrecht.

De doodsoorzaak en het moment van overlijden

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn vier ribfracturen (6e tot en met 9e rib) en een dubbelzijdige klaplong vastgesteld. De gebroken 9e rib heeft de rechterleverkwab geperforeerd. In de vrije buikholte was - naar het hof begrijpt - relatief weinig bloed aanwezig bij sectie. In relatie met de gebroken 9e rib was er perforatie van de borstvliezen. Het middenrif was ter hoogte van de 9e rib ingescheurd. Er was veel begeleidende bloeduitstorting rechts aan de romp en aan de rug rechts.

De letsels zijn volgens patholoog Maes van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) het gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend geweld op de romp.

Maes heeft voorts geconcludeerd dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend en/of comprimerend geweld op de romp.

Het overlijden door het oplopen van de letsels kan goed worden verklaard door functieverlies van de longen en door belemmering van de circulatie.

Forensisch arts Botter heeft aangegeven dat gezien de leeftijd van [slachtoffer] , de omvang van de onderhuidse bloeduitstorting, het aantal ribbreuken en de omvang van de inwendige schade een krachtige geweldsinwerking zal hebben plaatsgevonden tegen de rechterzijde van de borstkas ter hoogte van de 6e tot en met de 9e rib.

De perforaties van borstholte, middenrif en lever zijn veroorzaakt door binnenwaartse verplaatsing van de scherpe breukranden van de gebroken rib(ben). Slaan, stompen, schoppen, vallen of (zich) stoten worden als causaal mechanisme voor de letsels als veel waarschijnlijker genoemd dan het samendrukken van de borstkas door met gewicht op [slachtoffer] te gaan zitten. Daarbij heeft Botter aangegeven dat schoppen in vergelijking met slaan veel ernstiger letsels kan opleveren vanwege de grotere energieoverdracht.

Volgens Maes zijn de sectiebevindingen veel waarschijnlijker onder de hypothese dat de letsels aan de ribben, long(en) en lever zijn ontstaan door één geweldsinwerking dan onder de hypothese dat de letsels aan de ribben, long(en) en lever zijn ontstaan door meer dan één geweldsinwerking. Botter acht in dit verband van betekenis dat de ribbreuken zich op dezelfde plaats in vier naast elkaar gelegen ribben bevinden.

De sectiebevindingen zijn volgens Maes voorts waarschijnlijker onder de hypothese dat [slachtoffer] een beperkt aantal minuten na het optreden van de leverperforatie is overleden dan onder de hypothese dat [slachtoffer] na een uur (of meer) na het optreden van de leverperforatie is overleden. Uit het weinige bloed in de vrije buikholte kan worden afgeleid dat [slachtoffer] kort na het oplopen van de leverperforatie is overleden. De geringe hoeveelheid bloed in de buikholte impliceert volgens Botter dat de overlevingsduur na optreden van de leverperforatie kort is geweest, naar schatting een beperkt aantal minuten.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend en/of comprimerend geweld op de romp ten gevolge waarvan onder meer een leverperforatie is ontstaan en dat het moment van overlijden ligt kort na deze leverperforatie.

Verzoek horen deskundigen Botter en Maes

De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 verzocht de deskundigen Maes en Botter te horen omtrent de doodsoorzaak en het moment van overlijden van [slachtoffer] . Nadat ter terechtzitting van het hof is gebleken dat deskundige Maes onlangs is overleden, heeft de raadsman verzocht om naast deskundige Botter een deskundige met een zelfde achtergrond als Maes te horen.

Het hof wijst dit verzoek af. Zowel patholoog Maes als forensisch arts Botter hebben een rapport opgesteld en hebben aanvullende vragen beantwoord omtrent de doodsoorzaak en het moment van overlijden van [slachtoffer] . Er is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Het hof acht het horen van deskundige Botter en een deskundige met een zelfde achtergrond als patholoog Maes derhalve niet noodzakelijk.

Verzoek horen deskundige omtrent aangetroffen GHB

De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 voorts verzocht deskundige dr. M.J. Vincenten van Maanen van het Nederlands Forensisch Instituut als deskundige te horen omtrent de aangetroffen hoeveelheid GHB in het bloed van [slachtoffer] .

Het hof heeft ter terechtzitting van 3 februari 2017 het verzoek van de (toenmalige) raadsman van verdachte met betrekking tot het horen van de deskundige van het NFI over het hoge GHB-gehalte in het lichaam van het slachtoffer gemotiveerd afgewezen.

De (huidige) raadsman heeft het verzoek tot het horen van NFI-deskundige dr. M.J. Vincenten van Maanen omtrent het aangetroffen GHB in het bloed van het slachtoffer bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 herhaald zonder dat ter ondersteuning van het standpunt van de raadsman een beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden. Het hof heeft ter terechtzitting van 3 februari 2017 het verzoek afgewezen en overwogen:

Uit het rapport van het NFI (p. 242 van het dossier) blijkt onder meer het volgende:

“In het bloed uit de buikholte en het leverweefsel van vermoedelijk [slachtoffer] is GHB gemeten in concentraties van respectievelijk 108 mg/l en 93 mg/kg. De gemeten concentraties kunnen passen bij inname en/of toediening van GHB. Echter, aangezien GHB postmortaal gevormd kan worden en er hier sprake is van gevorderde postmortale veranderingen kan de aangetoonde GHB ook geheel postmortaal gevormd zijn. Hierdoor kan geen uitspraak worden gedaan over mogelijke beïnvloeding van het bewustzijn/gedrag door GHB ten tijde van het overlijden. ”

Nu niet is aangeven wat er verder onderzocht zou moeten worden, acht het hof het horen van een deskundige niet noodzakelijk, noch is de verdachte redelijkerwijs in de verdediging geschaad door het achterwege blijven daarvan.

Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot het horen van de NFI-deskundige omtrent de aangetroffen hoeveelheid GHB (daarom) af op dezelfde gronden als genoemd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 februari 2017.

Verzoek foto ’s van de lijkschouwing

De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van 13 oktober 2017 verzocht de beschikking te krijgen over de foto’s van de lijkschouwing zoals omschreven op pagina 228 van het forensisch dossier, om te kunnen toetsen of de foto’s aanknopingspunten bieden voor de suggestie dat een zware trap met de voet door verdachte mogelijk de oorzaak is geweest van het overlijden van [slachtoffer] .

Het hof wijst dit verzoek af nu gelet op de gedetailleerde beschrijving van de lijkschouwing in het dossier de noodzaak van het verzochte niet is gebleken.

Tijdstip van de geweldsinwerking/het overlijden

Nu vastgesteld is dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend en/of comprimerend geweld op haar romp en het tijdstip van het overlijden kort na de leverperforatie ligt, dient het hof vervolgens de vraag te beantwoorden wanneer die heftige geweldsinwerking en het overlijden hebben plaatsgevonden. Daarbij heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen:

Kleding [slachtoffer]

is op 31 juli 2015 vanuit Spanje naar Nederland gekomen. Zij heeft om 10.56 uur de aankomsthal van Schiphol betreden. Op camerabeelden van Schiphol is te zien dat [slachtoffer] die dag een donkere strakke broek, spijkerjasje, turquoise topje en schoenen met zwarte bandjes en sleehak droeg.

Op 16 augustus 2015 is het begraven lichaam van [slachtoffer] gevonden in de bosschages aan de 2e Polderweg in Utrecht. [slachtoffer] droeg in het graf sleehakken met zwarte bandjes, een donkere broek, een turquoise shirt en spijkerjasje. Dit is dezelfde kleding als die [slachtoffer] droeg op 31 juli 2015.

[getuige 1] heeft verklaard dat haar moeder elke dag schone kleren aantrok.

Gebruik OV-chipkaart

[slachtoffer] is op 31 juli 2015 om 17.20 uur op het Centraal Station van Utrecht aangekomen, waar zij in gezelschap van de getuige [getuige 2] (nader: [getuige 2] ) om 17.23 uur een anonieme OV-chipkaart heeft gekocht. Deze anonieme OV-chipkaart is alleen op 31 juli 2015 tussen 17.26 uur en 18.57 uur in gebruik geweest, en wel in Utrecht. Er is voor het laatst met deze OV-chipkaart uitgecheckt op 31 juli 2015 om

18.57

uur op [c-straat] . [slachtoffer] heeft de bus naar halte [c-straat 1] genomen om naar de woning van verdachte te gaan.

Achtergelaten bagage met anticonceptiepil

[slachtoffer] heeft op 31 juli 2015 voordat zij naar de woning van verdachte is gegaan haar koffer achtergelaten in de woning van [getuige 2] , bij wie zij zou logeren tijdens haar verblijf in Nederland.

Op vrijdagavond 31 juli 2015 was [slachtoffer] om 23.00 uur nog niet in de woning van [getuige 2] . [getuige 2] heeft [slachtoffer] toen twee berichtjes gestuurd, maar heeft geen contact meer met haar gehad. De bagage van [slachtoffer] is achtergebleven in de woning van [getuige 2] . In deze achtergelaten bagage bevond zich een strip met anticonceptiepillen. Alle vakjes waren leeg, met uitzondering van het vakje met de pil van ‘Vr’ (het hof begrijpt: vrijdag).

Pizza/maaginhoud

Op 31 juli 2015 heeft verdachte om 17.36 uur een bedrag gepind bij pizzeria Domino’s te Utrecht. Bij Domino’s zijn op die datum en op dat tijdstip twee pizza’s besteld en betaald: een pizza Hawaii en een pizza Mixed Grill. Eén van deze pizza’s was volgens verdachte voor zijn dochters, de andere pizza was voor [slachtoffer] . Deze pizza’s bevatten de ingrediënten tomatensaus, mozzarella, ham, ananas en extra kaas (‘pizza Hawaii’) en BBQ saus, mozzarella, rode ui, paprika, gehakt, bacon, ham en gegrilde kip ‘(pizza BBQ mixed grill’).

De maaginhoud van [slachtoffer] is onderzocht. Daarbij is door het NFI aangegeven dat onder normale omstandigheden 90% van het vaste voedsel de maag in vier uur doorloopt. In de maaginhoud van [slachtoffer] werden fragmenten rode en gele paprika of Spaanse peper, ui en varkensvlees aangetroffen. Het NFI heeft op grond hiervan geconcludeerd dat de laatste maaltijd van [slachtoffer] heeft bestaan uit rode en gele paprika of Spaanse peper, ui en varkensvlees.

Contact met [getuige 1]

heeft voor het laatst contact gehad met haar moeder, die op dat moment in de woning van verdachte was, op 31 juli 2015 om 19.24 uur. [getuige 1] hoorde haar tweeling halfzusjes op de achtergrond. Na die vrijdag heeft [getuige 1] niets meer van haar vernomen, terwijl zij anders dagelijks contact hadden via de telefoon of via WhatsApp.

Toen [getuige 1] op 31 juli 2015 om 21.55 uur en om 23.59 uur volgens afspraak belde naar [slachtoffer] om te zeggen dat zij in Antwerpen was aangekomen, kreeg [getuige 1] telkens de voicemail.

Verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij zijn woning heeft verlaten nadat [slachtoffer] daar op Vrijdag 31 juli 2015 was gearriveerd. Even na 21.00 uur is verdachte teruggekeerd naar zijn woning waar [slachtoffer] op dat moment was met hun kinderen. Volgens verdachte hebben hij en [slachtoffer] in de woning een discussie gehad die ongeveer tien minuten heeft geduurd waarbij met stemverheffing is gesproken.

Verklaring [betrokkene 1]

, dochter van [slachtoffer] en verdachte, heeft haar moeder voor het laatst gezien toen [slachtoffer] bij verdachte in huis was. [betrokkene 1] heeft verklaard dat papa zijn werkbroek en werkschoenen aandeed. Mama kwam thuis met het vliegtuig en papa had twee rozen gekocht. Mama kwam niet. Zij gingen toen weer met de auto rijden en papa heeft de rozen weer in de auto neergelegd. Daarna zijn zij naar huis gereden en hebben zij nog televisie gekeken. Toen zijn zij naar bed gegaan. Mama is thuisgekomen en papa ging naar zijn werk. Mama ging goed op hen passen. Papa kwam weer thuis:

‘ [betrokkene 1] : (...) toen ging papa ruzie maken met mama. En eh, toen ging mama weer, toen was er geen herrie meer. En toen was er herrie weer.

(...)

Verbalisant: Oké, want wat hoorde jij dan? Dat het ruzie was?

: Omdat mama ging gillen.

Verbalisant: Omdat mama ging gillen. Wat hoorde jij dan gillen?

: Eh, ahhhh.

Verbalisant: Oké, en zei papa toen iets? Toen mama aan het gillen was?

: Eh, nee (...) Alleen mama. Alles ging papa aan mama toen mama aan het gillen was toen zegt papa, zei mama alles over papa dat papa toen eh, mama aan het gillen was. (...)

Verbalisant: (...) Waar gilde mama?

: Binnen (...) En toen weer de tweede keer.

Verbalisant: Wie hoorde jij gillen?

: Mama (...) En toen ging papa stampen met de schoenen.

Verbalisant: En hoe weet jij dat papa ging stampen met zijn schoenen?

: Omdat lawaai van mama ging gillen en toen ging papa stampen (...) Toen ging papa achter mama aan. En eh, eh toen ging mama hoesten (...) En verder niks meer

(...)

Verbalisant: (...) En je zegt papa ging achter mama aan en waar ging mama dan naar toe?
[betrokkene 1] : (...) Toen gingen ze een rondje lopen over de tafel (...), ik heb het (...) gehoord.

Verbalisant: (...) En toen papa terugkwam, en toen papa ruzie ging maken met mama (...) En toen is er herrie. Herrie en toen was er even niks.

: Stil.

Verbalisant: En toen was er weer herrie. Hoe gaat dat dan (...) Wat hoor je dan in deze herrie. Wat hoor je daar?

: Ahhhh.

Verbalisant: Verder nog iets?

: Niks.

Verbalisant: Nee, oké. En dan zeg je van papa ging stampen en achter mama aan en om de tafel heen. Wat gebeurde er daarna. Wat was er toen?

(...)

: Eerst ging, eerst ging hier, eerst ging mama heel erg lang gillen. Toen was het weer stil. Toen hoorde ik de eh, de kraan.

Verbalisant: Toen hoorde je de kraan.

: En toen was er weer een gegil.

(...)

Verbalisant: (...) Je hoorde ook nog hoesten zei je (...) Wat hoorde je dan precies?

: Spugen gewoon (...) Met hoesten gaat mama spugen.

(...)

Verbalisant: (-...) Hoe vaak hoorde je hoesten?

: Eén keer maar.

Betrouwbaarheid verklaring [betrokkene 1] en verzoek benoeming deskundige

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 1] geen betrouwbaar bewijsmiddel is en heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van 13 oktober 2017 verzocht dr. Otgaar, dan wel een ander te bepalen deskundige, te benoemen als getuige-deskundige om hem een rapport op te doen maken omtrent de totstandkoming van de verklaring van [betrokkene 1] en hem daarover ter zitting te horen.

Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel zich verzet tegen het horen van minderjarigen, ook niet als het gaat om zeer jonge kinderen zoals kleuters. Het is aan het hof om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van (de verklaring van) [betrokkene 1] te toetsen. In dat verband merkt het hof op dat van het verhoor van [betrokkene 1] - naast een woordelijk uitgewerkt proces-verbaal van verhoor - een audiovisuele opname is gemaakt. Het hof heeft van die opname kennis genomen. De gang van zaken tijdens dat verhoor - vragen, antwoorden, reacties - is naar het oordeel van het hof goed te volgen. De verhorende verbalisant heeft open vragen gesteld. [betrokkene 1] heeft tijdens het verhoor ook spontaan verteld over hetgeen er is voorgevallen. [betrokkene 1] heeft tijdens het verhoor geluiden nagebootst die zij heeft gehoord (het gillen door haar moeder) en gebaren gemaakt (het stampen met de schoenen, het lopen van een rondje om de tafel) om haar verhaal te verduidelijken.

Op grond van het verloop van het verhoor, de inhoud van de verklaring en de manier waarop [betrokkene 1] heeft verklaard, acht het hof - op de punten waar het de verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs wordt gebezigd - [betrokkene 1] geloofwaardig en haar verklaring betrouwbaar. Gelet hierop is de noodzaak van het benoemen van een deskundige en het horen van deze deskundige ter zitting niet gebleken, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

Bloedsporen woonkamer

In de woonkamer van de woning van verdachte zijn drie bloedsporen aangetroffen op de laminaatvloer onder het kleed in de woonkamer. Op het kleed stond een salontafel.

Eén van deze bloedsporen is veiliggesteld onder SIN AACQ2256NL. Van het bloed in de bemonstering SIN AACQ2256NL is een DNA-profiel (#01) verkregen. Het DNA-profiel in de bemonstering AACQ2256NL#01 van het spoor met SIN AACQ2256NL komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.

Het hof acht niet aannemelijk dat de bloedvlekken bij een andere gelegenheid zijn veroorzaakt.

Onderzoek aan telefoons en simkaarten

[slachtoffer] had ten tijde van het inreizen in Nederland op 31 juli 2015 een Samsung Galaxy Trend met IMEI-nummer [0011] bij zich.

Verdachte was de enige gebruiker van een Nokia Lumia 630 met IMEI [0002] . Verdachte was voorts de gebruiker van de simkaart met telefoonnummer [0005] . Deze simkaart is gevonden in de Nokia Lumia 630 van verdachte. In de Nokia Lumia 630 is ook een simkaart met telefoonnummer [0004] gebruikt.

Voor de telefoonnummers [0005] en [0004] zijn op 31 juli 205 om 12.00 uur beltegoeden van elk € 10,- gekocht bij Albert Heijn aan de Doornburglaan in Utrecht. Van de bankrekening van verdachte is op 31 juli 2015 om 12.00 uur een bedrag van € 20,- afgeschreven op de Doornburglaan in Utrecht. De aangekochte beltegoeden hebben unieke serienummers: [0006] en [0007] .

De simkaart met telefoonnummer [0004] is op 4 augustus 2015 om 20.29 uur voor het eerst in gebruik genomen door opwaardering van het beltegoed met nummer [0007] . De simkaart wordt op dat moment gebruikt in de Nokia Lumia van verdachte.

De simkaart me telefoonnummer [0005] is op 4 augustus 2015 om 22.47 uur voor het eerst in gebruik genomen door opwaardering van het beltegoed met nummer [0006] . De simkaart wordt op dat moment gebruikt in de Nokia Lumia van verdachte. Het gebruik van deze simkaart in de Nokia Lumia van verdachte duurt tot 23.46 uur op 4 augustus 2015.

Op 5 augustus is simkaart [0004] na 00.23 uur gebruikt in de Samsung Galaxy Trend #1560 van [slachtoffer] . De Samsung Galaxy Trend #1560 is daarvoor, op 31 juli 2015, om 19.47 uur voor het laatst gebruikt. Op 5 augustus 2015 om 00.56 uur heeft de Samsung Galaxy Trend #1560 voor het laatst verbinding met een Nederlands mobiel netwerk gemaakt.

Op 5 augustus 2015 is simkaart [0005] tussen 03.42 en 06.46 uur gebruikt in de Nokia Lumia van verdachte. Met de Nokia Lumia is op 5 augustus 2015 drie keer gebeld naar ‘ [getuige 3] ’ om 03.46 uur, om 06.48 uur en om 17.41 uur.

Op de Samsung Galaxy Trend #1560 stond het WhatsApp-account van [slachtoffer] dat hoorde bij haar telefoonnummer [0010] . Met dit WhatsApp-account zijn op 5 augustus 2015 tussen 00.41 en 00.43 uur berichten verstuurd naar [getuige 3] . De inhoud van deze berichten is: ‘Bien’, ‘Y tu cabron’en ‘Coma mierda maldito idiota’. De Nederlands vertaling van deze berichten luidt: ‘Goed’, ‘En jij klootzak’ en ‘Eet shit vervloekte idioot’.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij WhatsApp-berichten ontving van de account van [slachtoffer] die grammaticaal onjuist waren. Hij begreep dat het niet [slachtoffer] was die met hem communiceerde. Ruiz Madrigal heeft in een telefoongesprek op 5 augustus 2015 om 17.41 uur gesproken met een man die zich voorstelde als de vader van de Nederlandse dochters van [slachtoffer] . Een man zei dat [slachtoffer] weer bij hem ging wonen en dat zij tot overeenstemming waren gekomen. Volgens Ruiz Madrigal is [slachtoffer] op 31 juli 2015 naar Nederland gevlogen. Hij kreeg geen reactie op berichtjes die hij haar via WhatsApp had gestuurd tot de WhatsApp-berichten die hij op 5 augustus 2015 heeft ontvangen.

Het is mogelijk om een telefoon met een geactiveerd WhatsApp-account te voorzien van een andere simkaart met een ander telefoonnummer. Het WhatsApp-account dat is gekoppeld aan het oude nummer blijft actief en kan gebruikt worden.

Wegvoeren/begraven van het lijk

Het hof acht, zoals hieronder nader wordt uitgelegd, voorts bewezen dat verdachte [slachtoffer] na haar overlijden heeft weggevoerd en vervolgens heeft begraven.

Conclusie

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leidt het hof het volgende af:

- [slachtoffer] is op 31 juli 2015 naar de woning van verdachte gegaan; Verdachte en [slachtoffer] hebben in de avond van 31 juli 2015 een discussie/ruzie gehad in de woning van verdachte, waarbij [slachtoffer] heeft gegild en gehoest/gespuugd;

- In de woonkamer van verdachte is een bloedspoor van [slachtoffer] gevonden;

- De voedselresten uit de maaginhoud van [slachtoffer] passen bij een laatste maaltijd die heeft bestaan uit één van de pizza’s die verdachte op 31 juli 2015 heeft gekocht;

- De OV-chipkaart die [slachtoffer] op 31 juli 2015 heeft gekocht is na 31 juli 2015 niet meer gebruikt;

- [slachtoffer] is op 31 juli 2015 nadat zij eerder haar bagage had afgegeven niet teruggekeerd naar haar logeeradres;

- [getuige 1] heeft na 31 juli 2015 geen contact meer gehad met haar moeder, terwijl zij normaal gesproken dagelijks contact hadden;

- Verdachte had de beschikking over de mobiele telefoon van [slachtoffer] op een moment (5 augustus 2015) dat haar familie en vrienden al enkele dagen niets meer van haar hadden gehoord;

- Toen [slachtoffer] op 16 augustus 2015 werd gevonden, droeg zij de kleren die zij op 31 juli 2015 droeg;

- Verdachte heeft het lijk weggevoerd.

Uit deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat [slachtoffer] op 31 juli 2015 of kort nadien is overleden. Dat overlijden is het gevolg van op haar in de woning van verdachte uitgeoefend geweld.

Nu niet is gesteld of gebleken dat naast verdachte en [slachtoffer] (en hun minderjarige dochters) (een) andere perso(o)n(en) in de woning aanwezig is/zijn geweest, stelt het hof bovendien vast dat verdachte degene moet zijn geweest die dit geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend.

Andere mogelijke scenario ’s

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof - anders dan verdachte, zoals eerder weergegeven, tegenover de politie heeft verklaard - niet aannemelijk acht dat [slachtoffer] op 31 juli 2015 de woning van verdachte heeft verlaten om vervolgens naar Antwerpen en/of naar een gehuurde kamer te gaan.

De verdediging heeft aangevoerd dat het lijk van [slachtoffer] pas op de plaats waar het is aangetroffen moet zijn begraven na het zoeken door de politiehonden, op een tijdstip waarop verdachte al was aangehouden, zodat dit en het veroorzaken van de dood van [slachtoffer] door iemand anders moeten zijn gedaan.

Dat de speurhonden van de politie op 11 augustus 2015 op de betreffende locatie niet zijn aangeslagen, terwijl de speurhonden van vrijwilligers van Signi op 16 augustus 2015 wel zijn aangeslagen, waarna het lichaam van [slachtoffer] is gevonden, doet daaraan niet af. Het hof is anders dan de verdediging van oordeel dat dit niet betekent dat [slachtoffer] onmogelijk voor 5 augustus 2015, de dag waarop verdachte is aangehouden begraven kan zijn. Zoals de Signi-hondenbegeleider [betrokkene 6] , en politiehondengeleider [verbalisant 28] bij de rechter-commissaris hebben toegelicht, kunnen er, ook als het stoffelijk overschot zich daar reeds bevond, verschillende plausibele redenen zijn waarom de speurhonden op 11 augustus niet en op 16 augustus wel zijn aangeslagen.

Verzoek horen politiehondengeleiders en de hondengeleiders van Signi

De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 verzocht zowel de politiehondengeleiders als de hondengeleiders van Signi als getuigen te horen.

Het hof heeft ter terechtzitting van 3 februari 2017 het verzoek van de (toenmalige) raadsman van verdachte met betrekking tot het horen van de politiehondengeleiders en de hondengeleiders van Signi gemotiveerd afgewezen.

De (huidige) raadsman heeft het verzoek tot het horen van de politiehondengeleiders en de hondengeleiders van Signi bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 herhaald zonder dat ter ondersteuning van het standpunt van de raadsman een beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden. Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot het horen van de politiehondengeleiders en de hondengeleiders van Signi (daarom) af op dezelfde gronden als genoemd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 februari 2017.

Kleding [slachtoffer]

Door de verdediging is ook nog aangevoerd dat in het onderzoek ten onrechte geen aandacht is besteed aan de omstandigheid dat in een kast in de woning van verdachte zich veel kleding van [slachtoffer] zou hebben bevonden.

Wat daarvan zij, naar het oordeel van het hof doet dit niet af aan de eerdere vaststellingen.

Zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend

Het geweld dat op de romp van [slachtoffer] is uitgeoefend, heeft niet alleen geleid tot gebroken ribben, maar ook tot perforatie van de borstvliezen, het middenrif en de lever. Uit de aard en de ernst van dit letsel leidt het hof af dat het uitgeoefende geweld op de romp van [slachtoffer] met een grote kracht gepaard moet zijn gegaan. Gelet op de hierboven aangehaalde bevindingen van patholoog Maes en forensisch arts Botter, is het hof van oordeel dat verdachte met kracht tegen de romp van [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt.

Deze schop/trap heeft de dood van [slachtoffer] tot gevolg gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat in de romp verschillende kwetsbare en vitale organen zijn gelegen. De kans dat [slachtoffer] als gevolg van de heftige geweldsinwerking zwaar lichamelijk letsel zou oplopen is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Verdachte moet dit hebben beseft. Zoals hierboven overwogen, kan echter op grond van de voorhanden bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat verdachtes opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op de dood van het slachtoffer.

Voor zover de verklaringen van verdachte daarmee in strijd zijn, hecht het hof geen geloof aan die verklaringen.

Gelet op het voorgaande acht het hof het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Wegvoeren/begraven van het lijk

Het hof acht voorts bewezen dat verdachte [slachtoffer] na haar overlijden heeft weggevoerd en vervolgens heeft begraven. Daarbij heeft het hof acht geslagen op het volgende.

Aantreffen lijk

Het begraven lichaam van [slachtoffer] is op 16 augustus 2015 gevonden in de bosschages aan de 2e Polderweg in Utrecht. Deze locatie bevindt zich op een afstand van 200 meter van de woning van verdachte.

Bloedsporen Suzuki Wagon

Verdachte is de gebruiker van een Suzuki Wagon met kenteken' [AA-00-AA] . Op verschillende plaatsen in de bagageruimte van deze auto zijn bloedsporen aangetroffen: op de vergrendeling van het rechterdeel van de rugleuning van de achterbank, op de linker bovenzijde van de hoedenplank, aan de rechterzijde van de vloer van de bagageruimte, in het midden en op de rechterhelft onder de hoedenplank en op het aluminiumfolie dat dient ter voorkoming van bevriezing van de voorruit dat in de bagageruimte van de Suzuki Wagon lag. Deze bloedsporen zijn veiliggesteld.

Eén van de bloedsporen op de vloer (bodemplaat) van de Suzuki Wagon is veiliggesteld onder SIN AAIO5306NL. De bemonstering van AAI05306NU01 van het bloedspoor aan de rechterzijde van de vloer van de bagageruimte bevat een DNA-mengprofiel van drie personen. [slachtoffer] , verdachte en een onbekende persoon kunnen donor zijn van dit mengprofiel. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn 10.000 tot een miljoen keer waarschijnlijker als de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] , verdachte en een willekeurige onbekende persoon dan wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte en twee willekeurige personen.

Eén van de bloedsporen op de onderplaat van de bagageruimte van de Suzuki Wagon is veiliggesteld onder SIN AAIE1813NL. De bemonstering AAIE1813NL#01 van dit bloedspoor heeft een DNA-mengprofiel van twee personen opgeleverd. Het DNA- hoofdprofiel dat hieruit kon worden afgeleid komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer] met een matchkans kleiner dan één op één miljard.

Het hof acht niet aannemelijk dat de bloedvlekken bij een andere gelegenheid zijn veroorzaakt.

Verzoek horen deskundige dr. B. Kokshoorn

De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 verzocht dr. B. Kokshoorn als deskundige te horen omtrent zijn bevindingen en onderzoeksresultaten met betrekking tot de aangetroffen bloedsporen van [slachtoffer] in de Suzuki Wagon van verdachte.

Het hof wijst dit verzoek af, nu gelet op de onderbouwing van het verzoek en de omstandigheid dat de bevindingen van deze deskundige niet door de verdediging zijn betwist, de noodzaak van het horen van deskundige Kokshoorn niet is gebleken.

Bats en spade

Uit de berging bij de woning van de ouders van verdachte zijn een bats (AAIE2978NL) en een spade (AAIE2979NL) in beslag genomen.

In en rondom de grafkuil waarin [slachtoffer] is gevonden, zijn grondmonsters (SIN AAIL1186NL, SIN AAIL1185NL en SIN AAIL1187NL) genomen. In de grafkuil zijn afdrukken of indrukken aangetroffen die qua vorm en afmeting passen bij graafgereedschap met een afgerond voorblad van ongeveer 15 centimeter breed. De inbeslaggenomen spade komt qua afmeting en voorrand hiermee overeen.

De grondmonsters die in en rondom de grafkuil zijn veiliggesteld, zijn vergeleken met de sporen die op de inbeslaggenomen bats (AAIE2978NL) en spade (AAIE2979NL) zijn aangetroffen. De resultaten van de vergelijking tussen de zandige humeuze grondsporen van de bats en de spade met de grondmonsters van het graf zijn veel waarschijnlijker wanneer deze grondsporen afkomstig zijn van het graf dan wanneer deze grondsporen afkomstig zijn van een willekeurige andere locatie, niet zijnde het graf.

Verzoek onderzoek aan inbeslaggenomen spade en spade en horen deskundige Dragutinovic

De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 verzocht de inbeslaggenomen spade en bats op individueel niveau te vergelijken met de nog beschikbare (foto’s van) in- en afdrukken in het graf. Voorts heeft de raadsman verzocht tot het horen van NFI-deskundige Dragutinovic omtrent diens bevindingen van de uitgevoerde grondvergelijkingen.

Het hof wijst deze verzoeken af. Daarbij wordt overwogen dat uit het rapport van het NFI van 17 september 2015, pagina 153 van het forensisch dossier, blijkt dat reeds sprake is geweest van een vergelijkingsonderzoek op individueel niveau. Voor wat betreft het horen van deskundige Dragutinovic is het hof van oordeel dat de noodzaak daarvan niet gebleken.

Verzoek onderzoek aan haren

De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van 13 oktober 2017 verzocht onderzoek te doen naar de op/in het graf aangetroffen lange donkerkleurige haren.

Het hof acht het verrichten van dergelijk onderzoek niet noodzakelijk, zodat dit Verzoek wordt afgewezen.

Conclusie

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leidt het hof het volgende af:

- verdachte heeft op 31 juli 2015 geweld uitgeoefend op de romp van [slachtoffer] als gevolg waarvan zij is overleden;

- het begraven lichaam van [slachtoffer] is ruim twee weken later aangetroffen op een afstand van 200 meter van de woning van verdachte;

- in en bij de bagageruimte van de auto van verdachte zijn bloedsporen met het DNA-profiel van [slachtoffer] aangetroffen;

- de afmeting en voorrand van de bij de ouders van verdachte inbeslaggenomen spade komen overeen met de af-/indrukken in de grafkuil;

- de grondmonsters van in en rondom de grafkuil komen overeen met de sporen op de bij de ouders van verdachte inbeslaggenomen bats en spade.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het verdachte is geweest die het lichaam van [slachtoffer] na haar overlijden heeft weggevoerd en begraven. Het hof houdt het er voor dat verdachte dit heeft gedaan met het oogmerk om haar overlijden en de oorzaak daarvan te verhelen.

Gelet op het vorenstaande acht het hof het onder 2 tenlastegelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen.”

Bespreking van de middelen

9. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte verzoeken tot het doen van nader onderzoek heeft afgewezen, althans dat het hof deze afwijzingen ontoereikend heeft gemotiveerd, dan wel dat deze afwijzingen onbegrijpelijk zijn.

10. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in het licht van de stellige ontkenning van verdachte, de tijdige en herhaalde opgave van de verzoeken alsmede de onderbouwing ervan, de categorale afwijzing van de verzoeken – afzonderlijk en in samenhang bezien – en het (vervolgens) tot het bewijs bezigen van de verklaring van getuige [betrokkene 1] een schending van het in art. 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces oplevert.

11. Vervolgens gaat de steller van het middel in op de afwijzing van de afzonderlijke verzoeken en de bezwaren die hij tegen de respectievelijke afwijzingen heeft.

12. De eerste deelklacht ziet op het verzoek tot het horen van de deskundigen Botter en Maes.

13. Dat verzoek is voor het eerst gedaan in de brief van 25 juli 2017 van de raadsman mr. Sytema aan de voorzitter mr. H. Abbink houdende het verzoek om via een voorzittersbeslissing te bepalen dat de in de brief verzochte onderzoekhandelingen zullen worden verricht. Het verzoek is bij voorzittersbeslissing afgewezen. Ter zitting van 13 oktober 2017 heeft de raadsman het verzoek gehandhaafd. De voorzitter deelt daarop mee dat het hof eerst het verhaal van verdachte wil horen, waarna bezien zal worden wanneer de raadsman zijn verzoeken kan toelichten en wanneer daarop beslist zal worden. Nadat verdachte zijn verklaring heeft afgelegd deelt de voorzitter mee dat de raadsman bij pleidooi zijn onderzoekswensen kan toelichten. Het hof zal hierop na de inhoudelijke behandeling van de zaak bij (tussen)arrest beslissen.

14. Het hof heeft in de hierboven weergegeven overweging met betrekking tot het bewijs onder het kopje “Verzoek horen deskundigen Botter en Maes” het verzoek tot het horen van deze deskundigen omtrent de doodsoorzaak en het moment van overlijden afgewezen. Het hof heeft daarbij de juiste maatstaf, het noodzakelijkheidscriterium, gehanteerd.

15. Voorafgaand aan deze afwijzing van het verzoek heeft het hof onder het kopje “De doodsoorzaak en het moment van overlijden” op basis van de bevindingen van patholoog Maes en forensisch arts Botter vastgesteld dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend en/of comprimerend geweld op de romp ten gevolge waarvan onder meer een leverperforatie is ontstaan en dat het moment van overlijden kort na deze leverperforatie ligt. Ik acht dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken hetgeen de deskundigen hebben vastgesteld omtrent doodsoorzaak en tijdstip van overlijden en dus ook de voorbehouden die de deskundigen in hun rapporten hebben gemaakt. In dat licht en daarbij gelet op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, acht ik het oordeel van het hof dat het niet noodzakelijk is om de deskundigen te horen toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Ten aanzien van de opmerking van het hof over “niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden”, merk ik op dat de deskundigen binnen hun respectieve deskundigheidsgebied antwoorden hebben gegeven op vragen over de resultaten van hun onderzoek waarover de raadsman hen nu weer wilde bevragen. Gelet daarop acht ik daarom ook de overweging van het hof dat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden niet onbegrijpelijk.

16. Daar komt bij dat het hof het tijdstip van de geweldsinwerking en van het overlijden niet enkel heeft afgeleid uit de bevindingen van de deskundigen Maes en Botter. Het hof heeft daar ook andere feiten en omstandigheden bij in aanmerking genomen, zoals de kleding die het slachtoffer droeg op 31 juli 2015, het gebruik van haar OV-chipkaart, de achtergelaten bagage met anticonceptiepil, de maaginhoud van het slachtoffer en de pizza die verdachte voor het slachtoffer had klaargezet, het contact met de oudste dochter van het slachtoffer, de verklaring van verdachte, en de verklaring van [betrokkene 1] .

17. De tweede deelklacht ziet op het verzoek tot het horen van deskundige Vincenten van Maanen over de aangetroffen hoeveelheid GHB in het bloed van het slachtoffer.

18. Ter zitting van het hof van 3 februari 2017 heeft het hof het verzoek van de (toenmalige) raadsman van verdachte om de deskundige van het NFI te horen over het hoge GHB-gehalte in het lichaam van het slachtoffer als volgt afgewezen:

“Uit het rapport van het NFI (p. 242 van het dossier) blijkt onder meer het volgende:

“In het bloed uit de buikholte en het leverweefsel van vermoedelijk [slachtoffer] is GHB gemeten in concentraties van respectievelijk 108 mg/l en 93 mg/kg. De gemeten concentraties kunnen passen bij inname en/of toediening van GHB. Echter, aangezien GHB postmortaal gevormd kan worden en er hier sprake is van gevorderde postmortale veranderingen kan de aangetoonde GHB ook geheel postmortaal gevormd zijn. Hierdoor kan geen uitspraak worden gedaan over mogelijke beïnvloeding van het bewustzijn/gedrag door GHB ten tijde van het overlijden. ”

Nu niet is aangeven wat er verder onderzocht zou moeten worden, acht het hof het horen van een deskundige niet noodzakelijk, noch is de verdachte redelijkerwijs in de verdediging geschaad door het achterwege blijven daarvan.”

19. In zijn pleitnota heeft de raadsman dit verzoek herhaald:

“De aangetroffen hoeveelheid GHB in het bloed van het slachtoffer.

22. Voorts is de rechtbank voorbijgegaan aan de aangetroffen hoeveelheid GHB (evenals alcohol) in het bloed van het slachtoffer. De verdediging is op de hoogte van het feit dat GHB postmortaal gevormd kan worden. De verdediging is echter van mening dat deze aangetroffen hoeveelheid (108 milligram per liter c.q. 93 milligram per kilo) niet postmortaal kan zijn gevormd. En zodoende dus vrijwillig door het slachtoffer moet zijn ingenomen dan wel onder dwang moet zijn toegediend. Daarnaast is de aangetroffen combinatie van alcohol en GHB dodelijk.

23. De verdediging vindt het op zijn zachts gezegd frappant te noemen dat hier verder geen onderzoek naar is verricht. De conclusie van de voornoemde rapportage liegt er niet om. De verdediging citeert:

"De gemeten concentraties kunnen passen bij inname en/of toediening van GHB. Echter, aangezien GHB postmortaal gevormd kan worden en er hier sprake is van postmortale veranderingen kan de aangetoonde GHB ook geheel postmortaal gevormd zijn. Hierdoor kan geen uitspraak worden gedaan over mogelijke beïnvloeding van het bewustzijn / gedrag door GHB ten tijde van het overlijden. "

24. Deze redenatie is er een van grote stappen snel thuis. Er is immers nooit onderzocht op welke andere manier (dan de postmortale vorming) de GHB aan het slachtoffer kan zijn toegediend, laat staan dat het slachtoffer de GHB vrijwillig heeft ingenomen. Aangezien dit nooit onderzocht is, kan

nimmer de conclusie worden getrokken "dat het dan maar postmortaal moet zijn gevormd."

25. Voorts is het tot op heden ook onduidelijk of het GHB-gehalte stijgt

naarmate iemand langer dood is. Al met al is er wederom sprake van een "los" eind in deze zaak.

26. De verdediging zal in het hiernavolgende duiden waarom de deskundige dr. M.J. Vincenten van Maanen dient te worden gehoord. Het moge duidelijk zijn dat cliënt in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad indien de deskundige niet gehoord kan worden omtrent de aangetroffen hoeveelheid GHB in het lichaam van het slachtoffer, al dan niet in combinatie met alcohol. Ook is het onduidelijk of overige factoren (zoals leeftijd, gewicht, het aantal dagen dat iemand dood is etc.) van invloed zijn geweest op deze vorming van GHB in het lichaam van het slachtoffer. Tot slot kan tot op heden eveneens niet worden uitgesloten dat het slachtoffer al dan niet vrijwillig de GHB tot zich genomen heeft.

27. Ik neem hierbij in aanmerking dat de tabellen die bij pleidooi in eerste aanleg zijn overgelegd de conclusie van de deskundige weerspreken en dus

aanleiding geven voor twijfel daarover en dus voor het nader bevragen van de deskundige.”

20. In zijn arrest heeft het hof het verzoek om dr. Vincenten van Maanen te horen afgewezen, overwegende zoals weergegeven in de bewijsoverwegingen onder het kopje “Verzoek horen deskundige omtrent aangetroffen GHB”.

20. Het hof wijst het verzoek om de deskundige te horen af “nu niet is aangegeven wat er verder onderzocht zou moeten worden”. In de toelichting op het middel merkt de steller van het middel in de eerste plaats op dat er niet is verzocht om nader onderzoek, maar om het nader bevragen van de deskundige. In de pleitnota wordt echter aangevoerd dat het op zijn zachtst gezegd frappant is te noemen dat er geen verder onderzoek is gedaan naar verschillende daar genoemde aspecten. In dat licht is het niet vreemd dat het hof het heeft over “wat onderzocht zou moeten worden”. Daarnaast wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat toch onmiskenbaar door de verdediging is aangegeven waarop de deskundige bevraagd zou moeten worden. Voor zover daartoe in de pleitnota is aangevoerd dat er nooit is onderzocht op welke andere manier de GHB aan het slachtoffer kan zijn toegediend merk ik op dat dit een vraag is die buiten het deskundigheidsgebied van dr. Vincenten van Maanen valt, nu dat niet valt vast te stellen via een onderzoek naar het GHB-gehalte in het lichaam. Hetzelfde geldt voor vragen met betrekking tot het al dan niet vrijwillig tot zich nemen van de GHB door het slachtoffer. Ten aanzien van de vragen omtrent de aangetroffen hoeveelheid GHB in het lichaam van het slachtoffer, al dan niet bezien in combinatie met de vastgestelde hoeveelheid ethanol in het bloed, heeft de deskundige al geconcludeerd dat, nu de gemeten concentraties kunnen passen bij inname en/of toediening van GHB, maar ook geheel postmortaal kunnen zijn gevormd, geen uitspraak kan worden gedaan over mogelijke beïnvloeding van het bewustzijn/gedrag door GHB ten tijde van het overlijden.

20. Ten overvloede wijs ik nog op conclusie 3 van het rapport1, welke als volgt luidt: “Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologische onderzoek kan een bijdrage van ethanol (alcohol), drugs, geneesmiddelen en/of bestrijdingsmiddelen aan het overlijden van vermoedelijk [slachtoffer] niet worden geconcludeerd en het overlijden niet worden verklaard”.

23. Gelet hierop heeft het hof de afwijzing van het verzoek om deskundige dr. Vincenten van Maanen te horen toereikend gemotiveerd, en de afwijzing is ook niet onbegrijpelijk.

23. De derde deelklacht ziet op het verzoek om de foto’s zoals beschreven op p. 228 van het forensisch dossier teneinde de daarin geformuleerde bevindingen te toetsen.

23. In de brief van 25 juli 2017 heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

“Tot slot wenst de verdediging de beschikking te krijgen over de foto’s van de lijkschouwing zoals omschreven op p. 228 van het forensisch dossier. Nu de suggestie in het vonnis is dat een zware trap met de voet door cliënt mogelijk de oorzaak is geweest, wenst cliënt te kunnen toetsen of de foto’s daar een aanknopingspunt voor bieden of juist niet.”

26. Ter zitting van 13 oktober 2017 heeft de raadsman in aanvulling op zijn pleitnota nog het volgende aangevoerd:

“De verdediging verzoekt ook uitdrukkelijk om de foto’s van de lijkschouwing zoals omschreven op p. 228 van het forensisch dossier.”

27. In zijn arrest heeft het hof het verzoek afgewezen onder het kopje “Verzoek foto’s van de lijkschouwing.

27. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen 5, 6, 7 en 8 in samenhang met hetgeen het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft overwogen onder het kopje “De doodsoorzaak en het moment van overlijden” acht ik het oordeel van het hof dat, gelet op de gedetailleerde beschrijving van de lijkschouwing in het dossier, de noodzaak om de foto’s aan de verdediging te doen toekomen niet gebleken is, toereikend gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk.

27. De vierde deelklacht ziet op de afwijzing van het verzoek om deskundige Otgaar te horen t.a.v. de verklaring van [betrokkene 1] en het gebruik daarvan tot het bewijs.

27. Voor de volledigheid zal ik hieronder ook de aanloop tot dit verzoek weergeven.

27. In de appelschriftuur heeft de toenmalige advocaat van verdachte verzocht om de verbalisanten die [betrokkene 1] hebben gehoord te horen. Daarbij zou ook gevraagd moeten worden in hoeverre zij hierin werden begeleid door een psycholoog, en indien dit het geval was, wil de verdediging ook die psycholoog horen. Dit verzoek zag met name op de vraag of de verbalisanten [betrokkene 1] geleid hebben naar de datum van 31 juli 2015, zonder te vragen of zij misschien andere data bedoelde in haar verklaring.

27. Ter zitting van het hof van 3 februari 2018 heeft de raadsman naast de verzoeken gedaan bij appelschriftuur verzocht om de beide dochtertjes, [betrokkene 1] en [getuige 1] , te horen als getuigen.

27. Het hof heeft ter zitting van 3 februari 2018 ten aanzien van het verzoek om de verbalisanten te horen en – indien daarvan sprake was – de psycholoog bij dit verhoor, het volgende overwogen en beslist:

t.a.v. het verzoek tot het horen van de verbalisanten die het verhoor van [betrokkene 1] hebben gedaan en — indien daarvan sprake was - de psycholoog bij dit verhoor:

Van het verhoor van [betrokkene 1] is - naast een woordelijk uitgewerkt proces-verbaal van verhoor - een audiovisuele opname gemaakt. Het hof heeft daarvan kennis genomen. De gang van zaken tijdens dat verhoor - vragen, antwoorden, reacties - is naar het oordeel van het hof goed te volgen.

Tijdens het verhoor was er geen sprake van een expliciete datumvermelding.

Nu er geen psycholoog bij het verhoor was betrokken, ziet het hof geen grond voor het horen van een psycholoog. De verdachte is redelijkerwijs ook niet in de verdediging geschaad door het achterwege blijven daarvan.”

34. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] als getuigen houdt het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2018 het volgende in:

“De raadsman brengt vervolgens naar voren - zakelijk weergegeven -:

De verzoeken gedaan bij appelschriftuur worden gehandhaafd.

Daarnaast verzoeken wij om de beide dochters van mijn cliënt, [betrokkene 1] en [getuige 1] , als getuigen te horen. Zij zijn gehoord buiten mijn aanwezigheid.

Ook hun oma mocht er niet bij zijn. Het verhoor van [betrokkene 1] en [getuige 1] was uitsluitend gericht op het verkrijgen van bewijs ten laste van mijn cliënt. Er is om die reden ook niet doorgevraagd of hun moeder naar Spanje was teruggekeerd. Ik moet kunnen controleren wat zij kunnen verklaren.

Er bestaan verschillen tussen de verklaringen van [betrokkene 1] en [getuige 1] .

[betrokkene 1] verklaart over dingen die zij heeft gehoord, maar ook over zaken die zij niet gezien kan hebben. [getuige 1] verklaart enkel dat zij haar ouders zachtjes heeft horen praten.

De rechtbank heeft de verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs gebruikt.

Volgens Taru Spronken brengt rechtersfatsoen echter met zich dat op een verklaring van een verschoningsgerechtigde geen acht moet worden geslagen. Daarvan is hier sprake: [betrokkene 1] was destijds vier jaar oud en zij heeft een verklaring afgelegd, gericht tegen haar vader.

Volgens het openbaar ministerie heeft het verhoor uitsluitend plaatsgevonden om duidelijk te krijgen waar de moeder van [betrokkene 1] en [getuige 1] was, maar dat bestrijd ik ten zeerste. In beide verhoren vind je nergens de vraag terug of zij weten waar hun moeder is. In mijn pleidooi kom ik er nog op terug, maar het horen van [getuige 1] heeft plaatsgevonden op een wijze die alle perken te buiten gaat. Ze blijven haar maar vragen naar wat zij heeft gezien en gehoord.

(…)

De raadsman deelt daarop mede – zakelijk weergegeven-:

De verzoeken gedaan bij appelschriftuur worden gehandhaafd en uitgebreid met het horen van de dochters van mijn cliënt, [betrokkene 1] en [getuige 1] .

Aanvankelijk had ik bij brief van 19 januari 2017 alleen om het horen van [betrokkene 1] gevraagd, maar de verklaringen van de meisjes verschillen van elkaar. Nu de verklaring van [betrokkene 1] als bewijsmiddel is gebruikt, heeft de verdediging belang bij horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] . Ik begrijp niet waarom het openbaar ministerie stelt dat je het die kinderen niet kunt aandoen ze opnieuw te laten horen.

(…)

Voorts deelt de advocaat-generaal mede - zakelijk weergegeven -:

Bij brief van 25 januari 2017 heb ik uiteengezet waarom ik heb afgezien van het verzoek van de raadsman om [betrokkene 1] als getuige ter terechtzitting op te roepen. Het welzijn van [betrokkene 1] wordt ernstig geschaad indien zij als getuige wordt gehoord. Er bestaat een groot verschil tussen het horen in een studio en het horen van een nog zeer jong kind in een setting zoals vandaag en de manier waarop de zitting tot nu toe is verlopen. Het belang van de minderjarige dient te prevaleren boven het recht van verdachte om een getuige te (doen) ondervragen.

De voorzitter vraagt de advocaat-generaal of het openbaar ministerie over een

onderbouwing beschikt van de stelling dat het welzijn van [betrokkene 1] ernstig wordt geschaad indien zij als getuige wordt gehoord en of het bezwaar ook geldt voor een studioverhoor.

De advocaat-generaal reageert daarop als volgt - zakelijk weergegeven -:

Neen, ik heb dit in zijn algemeenheid gebaseerd op de zeer geringe leeftijd van het meisje. Met name de setting van een zitting is voor een zesjarig kind in zijn algemeenheid te belastend. Als het niet anders kan, dan moet zij worden gehoord in een verhoorstudio. Gelet op de gang van zaken op zitting in eerste aanleg heb ik er wel moeite mee wanneer het meisje rechtstreeks wordt geconfronteerd met de raadsman van verdachte.

(…)

De advocaat-generaal voert het woord - zakelijk weergegeven -:

Ik verzet mij tegen toewijzing van het verzoek om [getuige 1] te horen. De verklaring van [getuige 1] heeft de rechtbank niet voor het bewijs gebezigd.

Bovendien weet zij zich niet veel te herinneren.

Indien het hof meent dat [betrokkene 1] moet worden gehoord, dan is een verhoorstudio daarvoor de enige juiste setting.

(…)

De raadsman vervolgt zijn reactie op het standpunt van de advocaat-generaal - zakelijk weergegeven -:

[betrokkene 1] is een ‘decisive’ getuige. [getuige 1] verklaart tegenstrijdig aan wat [betrokkene 1] zegt en daarom wil de verdediging beide meisjes horen. Het is nogal hypocriet van het openbaar ministerie om te zeggen dat het horen van [betrokkene 1] schadelijk is. Daar heeft niemand ooit aan gedacht. Het openbaar ministerie kan zich mijns inziens alleen maar verenigen met het verzoek.

Mijn cliënt meent dat hij zonder het horen van zijn dochters geen eerlijk proces krijgt.

(…)

De oudste raadsheer merkt op dat de beide meisjes zijn gehoord toen zij nog niet wisten wat er met hun moeder was gebeurd, maar wel dat hun vader niet meer thuis was. De oudste raadsheer neemt aan dat zij er inmiddels van op de hoogte zijn dat hun moeder is overleden en dat hun vader verdacht wordt.

De raadsman deelt daarop mede - zakelijk weergegeven -:

De verhoren waren enkel gericht op het geweld dat zou hebben plaatsgevonden. Het lijkt me niet aan de orde dat dat een rol kan spelen. Het gaat om de waarheidsvinding.

Desgevraagd deelt de raadsman mede - zakelijk weergegeven -:

Of het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] beperkt is tot het horen ter terechtzitting wil ik graag even bespreken met mijn cliënt. Ik verzoek het hof daarom om een korte onderbreking van de behandeling.

De advocaat-generaal persisteert bij haar standpunt om indien het hof [betrokkene 1] als getuige wenst te horen, dit niet ter terechtzitting te doen maar in een speciale verhoorstudio. Zij verzet zich tegen het horen van [getuige 1] .

Na een korte onderbreking wordt het onderzoek ter terechtzitting hervat.

De raadsman deelt desgevraagd mede - zakelijk weergegeven -:

Mijn cliënt blijft erbij dat [betrokkene 1] en [getuige 1] ter terechtzitting door deze zittingscombinatie moeten worden gehoord, desnoods met gesloten deuren.

De kinderen zijn niet bang voor mijn cliënt. Hij heeft onvoldoende

vertrouwen in de politie. Mijn aanwezigheid in de regiekamer tijdens een studioverhoor acht ik niet zinvol, aangezien ik niet kan inbreken in het verhoor.

(…)

Na gehouden beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof op de verzoeken van de verdediging mede:

(…)

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede op het verzoek tot horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] als getuigen:

Gelet op de gang van zaken ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gaat het hof ervan uit dat horen ter terechtzitting van de meisjes schadelijk is, ongeacht de vraag of dit met óf zonder publiek gebeurt. Het hof stemt er wel mee in dat de meisjes in een studio verhoord worden. Gelet op het standpunt van verdediging verneemt het hof graag of de verdediging hier alsnog mee akkoord gaat of niet, en wel heden.

Het onderzoek ter terechtzitting wordt op verzoek van de verdediging onderbroken teneinde de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid te stellen overleg te voeren over het al dan niet instemmen met het horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] in een daartoe bestemde studio.

Nadat het onderzoek ter terechtzitting is hervat, deelt de raadsman mede - zakelijk weergegeven -:

Mijn cliënt meent dat hij onmogelijk een eerlijk proces kan krijgen als niet wordt onderzocht of het slachtoffer voor of na de datum van zijn aanhouding (5 augustus 2015) is overleden. Hij wenst af te zien van het horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] bij een verhoorsituatie anders dan ter terechtzitting.”

35. In zijn brief van 25 juli 2017 heeft de raadsman verzocht om een deskundige te benoemen teneinde te rapporteren omtrent het verhoor van [betrokkene 1] . In zijn pleitnota heeft de raadsman dat verzoek herhaald:

“3. De verdediging wenst dat een deskundige wordt benoemd teneinde te rapporteren omtrent het verhoor van [betrokkene 1] . De verdediging wijst uw Hof er op dat deze verklaring is afgelegd toen dochter [betrokkene 1] nog geen 5 jaar oud was. De verdediging is van mening dat het horen van een bijna 5-jarig kind met de grootste omzichtigheid moet worden omgeven, nu kinderen van deze leeftijd snel beïnvloedbaar zijn en een andere perceptie van de wereld hebben. Jonge kinderen hebben immers een grenzeloze fantasie, waardoor zij feit en fictie moeilijk uit elkaar kunnen houden. Ook het besef van tijd(sverloop) is niet hetzelfde als dat van volwassenen. Ik acht dat een feit van algemene bekendheid.

4. Zoals in het eerdere verzoek nader uitgewerkt is, zijn in het verhoor van [betrokkene 1] zelf al de nodige elementen te ontdekken die vragen oproepen over de bruikbaarheid als bewijsmiddel. Zo zijn daar het herhaald doorvragen en het inbrengen van beladen termen door de verhoorder. Daarnaast wijst de verdediging nog op het gegeven dat [betrokkene 1] , blijkbaar meer dan kinderen van die leeftijd al gewoon zijn, een rijke fantasie heeft, zo laat de opmerking van haar juf bij haar rapport zien (zie bijlage).

5. De verdediging verzoekt uw Hof dan ook om dr. Otgaar, dan wel een andere ander te bepalen deskundige, te benoemen als getuige-deskundige om hem een rapport op te laten maken omtrent de totstandkoming van de verklaring van [betrokkene 1] en hem daarover ter zitting te horen, een en ander in het licht van de beperkingen die er in het algemeen aan het verhoor van een vierjarige kleven en in het bijzonder van [betrokkene 1] zelf alsmede die eerdere genoemde gang van zaken die mogelijk wijst op (al dan niet bewuste) beïnvloeding.

6. Het moge duidelijk zijn dat cliënt in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad indien dit onderzoek niet wordt toegestaan. Op basis van deze verklaring van dochter [betrokkene 1] is cliënt namelijk goeddeels veroordeeld. De punten waarover de deskundige kan rapporteren/verklaren, zijn cruciaal voor de te nemen beslissingen in deze strafzaak. Zo dient er onder andere onderzocht te worden of de wijze van bevragen van invloed is geweest op het verhoor van [betrokkene 1] , en of haar leeftijd en belevingswereld van invloed zijn geweest op haar verklaring, al dan niet in combinatie met elkaar.

7. Voorts is het noodzakelijk om te laten onderzoeken hoe bepaalde verhoortechnieken in verhouding staan tot de zeer jonge leeftijd van een kind, en of dit van invloed kan zijn op de antwoorden die in een dergelijk verhoor gegeven worden. Daarnaast is het van belang om laten onderzoeken of de wijze van bevragen van invloed is geweest op de afgelegde getuigenis van dochter [betrokkene 1] .

8. Er is dus sprake van een "los" eind, te weten dat het tot op heden onduidelijk is of dochter [betrokkene 1] waarheidsgetrouw verklaard heeft en of hier overige factoren (zoals leeftijd en belevingswereld, door blijven vragen, besef van tijd) van invloed zijn geweest op de antwoorden die [betrokkene 1] in het desbetreffende verhoor gegeven heeft. Met andere woorden, het blijft de vraag of de verklaring van [betrokkene 1] een betrouwbaar bewijsmiddel oplevert. Cliënt betwist dat ten stelligste.”

36. Het hof heeft in zijn arrest ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 1] en het verzoek tot benoeming van een deskundige het volgende overwogen en beslist:

Betrouwbaarheid verklaring [betrokkene 1] en verzoek benoeming deskundige

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 1] geen betrouwbaar bewijsmiddel is en heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van 13 oktober 2017 verzocht dr. Otgaar, dan wel een ander te bepalen deskundige, te benoemen als getuige-deskundige om hem een rapport op te doen maken omtrent de totstandkoming van de verklaring van [betrokkene 1] en hem daarover ter zitting te horen.

Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel zich verzet tegen het horen van minderjarigen, ook niet als het gaat om zeer jonge kinderen zoals kleuters. Het is aan het hof om de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van (de verklaring van) [betrokkene 1] te toetsen. In dat verband merkt het hof op dat van het verhoor van [betrokkene 1] - naast een woordelijk uitgewerkt proces-verbaal van verhoor - een audiovisuele opname is gemaakt. Het hof heeft van die opname kennis genomen. De gang van zaken tijdens dat verhoor - vragen, antwoorden, reacties - is naar het oordeel van het hof goed te volgen. De verhorende verbalisant heeft open vragen gesteld. [betrokkene 1] heeft tijdens het verhoor ook spontaan verteld over hetgeen er is voorgevallen. [betrokkene 1] heeft tijdens het verhoor geluiden nagebootst die zij heeft gehoord (het gillen door haar moeder) en gebaren gemaakt (het stampen met de schoenen, het lopen van een rondje om de tafel) om haar verhaal te verduidelijken.

Op grond van het verloop van het verhoor, de inhoud van de verklaring en de manier waarop [betrokkene 1] heeft verklaard, acht het hof - op de punten waar het de verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs wordt gebezigd - [betrokkene 1] geloofwaardig en haar verklaring betrouwbaar. Gelet hierop is de noodzaak van het benoemen van een deskundige en het horen van deze deskundige ter zitting niet gebleken, zodat dit verzoek wordt afgewezen.”

37. Naar mijn mening is het hof voldoende gemotiveerd ingegaan op de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring van [betrokkene 1] . Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. De steller van het middel voert aan dat het hof gebruik maakt van een cirkelredenering door onder meer op basis van de inhoud van de verklaring deze verklaring betrouwbaar te achten, terwijl de betrouwbaarheid van de inhoud nu net ter discussie staat. Het is echter juist de samenhang tussen de wijze waarop het verhoor is verlopen, de manier waarop [betrokkene 1] heeft verklaard, en de inhoud van haar verklaring, die maakt dat het hof [betrokkene 1] geloofwaardig en haar verklaring betrouwbaar acht. In dat licht is van een cirkelredenering geen sprake.

37. Anders dan de steller van het middel meent was het hof ook niet gehouden om uitdrukkelijk in te gaan op de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van ieder onderdeel van de verklaring van [betrokkene 1] dat het hof niet voor het bewijs heeft gebezigd, zoals de opmerking van [betrokkene 1] dat mama in de trein ging. Het hof heeft voor het bewijs enkel delen van de verklaring van [betrokkene 1] voor het bewijs gebezigd, waarin [betrokkene 1] vertelt over wat zij zelf heeft waargenomen. Ik merk daarbij op dat dit niet alleen geldt als een getuige iets zelf heeft gezien, maar ook als deze iets zelf heeft gehoord.

37. Gelet op de beperking die het hof heeft gehanteerd ten aanzien van delen van de verklaring van [betrokkene 1] die het voor het gebruik heeft gebezigd, en de eerdere afwijzing door de verdediging van de door het hof geboden compensatie om [betrokkene 1] in de studio te horen, acht ik ’s hofs motivering van de afwijzing van het verzoek een psycholoog te benoemen niet onbegrijpelijk.2

40. In de toelichting wordt voorts aangevoerd dat aan de afwijzing van het verzoek nog een gebrek kleeft. Uit de motivering door het hof blijkt dat het op enig moment kennis heeft genomen van de audiovisuele weergave van het verhoor van [betrokkene 1] . Dit is niet op de openbare terechtzitting geweest in aanwezigheid van OM en verdediging. De steller van het middel meent dat, hoewel de eigen waarneming van het hof niet als bewijsmiddel is gebruikt, maar wordt aangehaald ter afwijzing van een verzoek en ter verwerping van een verweer omtrent de betrouwbaarheid van een tot het bewijs gebezigde verklaring, daarvoor dezelfde beperkingen dienen te gelden zoals die bepaald zijn in art. 340 Sv. De steller meent dan ook dat het hof door eerst bij arrest uiting te geven van de waardering en interpretatie van de videobeelden, deze niet aan de afwijzing van het verzoek en de verwerping van het verweer ten grondslag had mogen leggen.

40. Zie echter hierboven onder 33 de afwijzing door het hof ter zitting van 3 februari 2018 van het verzoek tot het horen van de verbalisanten en een psycholoog. Het hof verwijst daar uitdrukkelijk naar de audiovisuele opname die van het verhoor van [betrokkene 1] is gemaakt en overweegt dat het daarvan kennis heeft genomen. En dat de gang van zaken tijdens dat verhoor – vragen, antwoorden, reacties – naar het oordeel van het hof goed te volgen is. Aldus kan niet gezegd worden dat het hof eerst bij arrest uiting heeft gegeven van de waardering en interpretatie van de videobeelden.

40. De vijfde deelklacht ziet op het verzoek tot het horen van de politiehondengeleiders en de hondengeleiders van Signi.

40. Dit verzoek is voor het eerst gedaan ter zitting van het hof van 3 februari 2017. Het proces-verbaal van deze zitting houdt met betrekking tot dit verzoek en de beslissing van het hof het volgende in:

“De raadsman deelt daarop mede - zakelijk weergegeven -:

De rechtbank heeft ten onrechte mijn verzoeken afgewezen met betrekking tot de politiehondengeleiders en de hondengeleiders van Signi, nu dit niet noodzakelijk zou zijn. En dat bij een strafbedreiging als in deze zaak aan de orde is! Hoe kan het dat de honden op 11 augustus niets roken en op 16 augustus wel, dat is volstrekt onmogelijk. De verdediging wil ook een deskundige horen, die uitsluitsel kan geven over wat een lijkhond wel en niet kan. Van Koppen wist desgevraagd geen naam van een dergelijke deskundige te noemen, maar er zijn vast deskundigen op dit gebied te vinden. Ik verwijs ook naar de appelschriftuur. Het horen van deze getuigen en deskundige is volstrekt noodzakelijk voor het voeren van een behoorlijke verdediging.

(…)

De advocaat-generaal citeert uit haar e-mailbericht van 2 november 2016:

In eerste aanleg is één politiehondengeleider (getuige [verbalisant 28] ) en één hondengeleider van Signi (getuige [betrokkene 6] ) door de rechtercommissaris gehoord. Voor zover het verzoek zich uitstrekt tot het horen van deze getuigen dient dit te worden afgewezen, nu deze getuigen al in het bijzijn van de verdediging zijn gehoord. Voor zover het verzoek zich uitstrekt tot de niet gehoorde hondengeleiders, één van de politie en één van Signi, meen ik dat onvoldoende is onderbouwd waarom deze hondengeleiders alsnog moeten worden gehoord. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

(…)

De raadsman vervolgt zijn reactie op het standpunt van de advocaat-generaal - zakelijk weergegeven -:

(…)

Met betrekking tot het verzoek over de hondengeleiders merk ik op dat [...]3 ‘decisive’ is op dat vlak. Op de dag van het politieonderzoek bedroeg de temperatuur 25 graden Celsius en was er sprake van een noordwesten wind, schuin over dat stuk grond. Die omstandigheden waren derhalve veel idealer dan bij de tweede zoektocht door Signi. De honden van Signi reageerden echter beter onder slechtere omstandigheden.

(…)

Na gehouden beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof op de verzoeken van de verdediging mede:

t.a.v. het verzoek tot het horen van de politiehondengeleiders en de hondengeleiders van Signi:

Tegenover de politie zijn door medewerkers van Signi verklaringen afgelegd over het zoeken op 15 augustus 2015 (verklaringen van [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 6] , [betrokkene 10] en [betrokkene 11] , zie p. 1148 e.v. van het dossier). In eerste aanleg is door de rechter-commissaris gehoord [betrokkene 6] , hondenbegeleider bij Signi, die een uitvoerige verklaring heeft afgelegd. Door politieambtenaren is een proces-verbaal opgemaakt van de zoekactie op 11 augustus 2015. Bij de rechter-commissaris is gehoord [verbalisant 28] , hondengeleider bij de politie. Alle verklaringen bevatten mogelijke antwoorden op de vraag hoe het mogelijk is dat op 11 augustus 2015 de honden van de politie geen geur roken en de honden van Signi op 16 augustus 2015 wel. Nu het verzoek niet verder is onderbouwd dan dat de verklaring die getuige [verbalisant 28] daarvoor heeft gegeven volstrekt onvoldoende is en het niet mogelijk is, is het hof van oordeel dat door het achterwege blijven van het horen van de genoemde personen de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Voor zover het gaat om [verbalisant 28] en [betrokkene 6] zijn er bovendien geen nieuwe feiten of omstandigheden gebleken die een nieuw verhoor noodzakelijk maken.”

44. Het verzoek is vervolgens herhaald in de brief van 25 juli 2017 en ter zitting van 13 oktober 2017:

“39. Tot slot is het van groot belang dat zowel de politiehondengeleiders als de hondengeleiders van Signi worden gehoord. Op 11 en 12 augustus 2015 waren verbalisanten [verbalisant 27] en [verbalisant 28] op zoek naar het lichaam van voornoemd slachtoffer in de Vecht te Utrecht, in de ruime omgeving van de J.M. De Muinck Keizer brug. De honden vertoonden nergens een reactie die erop kon wijzen dat er zich een lichaam in het water bevond, zo tekenen de verbalisanten in hun proces-verbaal van bevindingen (d.d. 3 december 2015 pag. 1004) op.

40. Vervolgens hebben de dienstdoende verbalisanten ook een verkenning uitgevoerd in de bosje van voornoemde brug. Zij hebben vervolgens het beboste gedeelte eveneens laten afzoeken door de honden, echter wel op een "vlotte manier". Deze onderzoeken leverden evenwel niets op.

41. De verbalisanten stellen dat zij hierbij niet naar begraven lichamen hebben gezocht, omdat zij hierbij gebruikmaken van een andere onderzoeksmethode (waarbij de hond heel gedetailleerd de grond af moet zoeken en verbalisanten maken dan tevens gebruik van een prikstok). Echter op 16 augustus 2015 (4 dagen later) is wel het lichaam aangetroffen van het slachtoffer in precies dezelfde omgeving waar eerder de voornoemde verbalisanten onderzoek aan het verrichten waren naar de aanwezigheid van een lichaam. De belangrijke vraag luidt nu: hoe kan het dat de verbalisanten eerder geen stoffelijk overschot hebben aangetroffen (met nota bene getrainde politiehonden) en dat de hondengeleiders van Signi later wel het stoffelijk overschot van het slachtoffer hebben kunnen aantreffen? Waarbij zij aangetekend dat ook daarbij geen prikstok aan te pas kwam nu reeds op 40 meter een geurspoor werd opgepikt. In nota bene slechtere weersomstandigheden!

42. Het meest logische antwoord hierop is dat op 11 augustus 2015 het slachtoffer daar in de omgeving nog helemaal niet begraven lag. Het moge duidelijk zijn dat indien het slachtoffer daar op 11 augustus 2015 nog niet begraven lag, cliënt onschuldig is. Dienaangaande is het logischerwijs noodzakelijk dat de verdediging de desbetreffende politiehondengeleiders (te weten [verbalisant 27] en [verbalisant 28] ) hieromtrent wil horen.

43. Hieromtrent moeten zij bevraagd kunnen worden, daar er met de grootst mogelijke zekerheid moet kunnen worden gezegd dat het lichaam van het slachtoffer er toen al begraven lag. Anders is het lichaam later dan de 11de augustus 2015 aldaar begraven, hetgeen cliënt vrijpleit.

44. Het moge duidelijk zijn dat cliënt in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad indien de voornoemde verbalisanten (verbalisant [verbalisant 28] is al bij de R-C gehoord, d.d. 28 juli 2016) niet (opnieuw) gehoord kunnen worden omtrent de gang van zaken op die bewuste 11 en 12 augustus 2015.”

45. Het hof heeft in zijn arrest het verzoek afgewezen overwegende zoals hierboven onder het kopje “Verzoek horen politiehondengeleiders en de hondengeleiders van Signi” weergegeven.

45. Het eerste verzoek tot het horen van de politie- en Signi-hondengeleiders is door het hof afgewezen op de grond dat alle verklaringen van de diverse hondengeleiders mogelijke antwoorden bevatten op de vraag hoe het mogelijk is dat op 11 augustus 2015 de honden van de politie geen geur roken en de honden van Signi op 16 augustus 2015 wel. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat nu het verzoek niet verder is onderbouwd dan dat de verklaring die getuige [verbalisant 28] daarvoor heeft gegeven volstrekt onvoldoende is en het niet mogelijk is, de verdachte door het achterwege blijven van de genoemde personen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad.

45. Het hof heeft zijn oordeel, mede gelet op de formulering van het verzoek, toereikend gemotiveerd en ik acht de motivering niet onbegrijpelijk.

45. Ten aanzien van het herhaalde verzoek tot het horen van de hondengeleiders heeft het hof overwogen dat het verzoek is herhaald zonder dat ter ondersteuning van het standpunt van de raadsman een beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden. Ik acht deze overweging van het hof, gelet op de hierboven weergegeven verzoeken, niet onbegrijpelijk. In dat licht acht ik ook de afwijzing van het verzoek door het hof op dezelfde gronden als genoemd in het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2017 toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

45. De zesde deelklacht ziet op het verzoek tot het horen van de deskundige dr. B. Kokshoorn omtrent zijn bevindingen en onderzoeksresultaten met betrekking tot de aangetroffen bloedsporen van het slachtoffer in de Suzuki Wagon van verdachte.

45. Dit verzoek luidde zowel in de brief van 25 juli 2017 als in de pleitnota als volgt:

“28. Client is de gebruiker van de Suzuki Wagon waarin een bloedspoor op de bodemplaat is gevonden. Dit bloedspoor bevat een DNA-mengprofiel van minimaal 3 personen, waaronder het slachtoffer. Daarnaast is er een bloedspoor op de onderplaat van de bagageruimte van de Suzuki gevonden. Dit bloedspoor heeft een DNA-mengprofiel van twee personen opgeleverd, waaronder dat van het slachtoffer.

29. Allereerst merkt de verdediging op dat het slachtoffer vaker in de voornoemde auto van cliënt gereden heeft dan wel bijrijder is geweest. Dat er DNA van het slachtoffer in de voornoemde auto is aangetroffen, is dus op voorhand niet opmerkelijk te noemen.

30. Voorts wil de verdediging u er op wijzen dat de aangetroffen DNA-sporen op zeer uiteenlopende wijzen in de auto terecht kan zijn gekomen, behalve dan via bestuurder of als bijrijder van de auto. De kans is dus zeer reëel dat er via contaminatie DNA van het slachtoffer in de auto van cliënt terecht is gekomen.

31. Het is echter onduidelijk wanneer dit DNA op deze desbetreffende plekken in de auto terecht is gekomen en hoe dit in de auto terecht kan zijn gekomen. Daarbij dient ook de omstandigheid betrokken te worden dat het maar beperkte hoeveelheden bloed zijn die aangetroffen zijn, waardoor de vraag gerechtvaardigd is in hoeverre de afwezigheid van (veel) meer sporen zich verhoudt tot de suggestie dat het bloed een gewelddadige oorsprong heeft. Ook de afwezigheid van vezelsporen van kleding van [slachtoffer] dient hierin betrokken te worden. Ook het feit dat de sporen niet gedateerd zijn dient in de vragen aan de deskundige aan de orde te komen.

32. De verdediging is dan ook de mening toegedaan dat hieromtrent de deskundige die dit onderzoek heeft uitgevoerd, te weten dr. B. Kokshoorn, omtrent zijn bevindingen en onderzoeksresultaten gehoord dient te worden. Deskundige Kokshoorn is tot op heden niet gehoord als getuige in onderhavige strafzaak. Zijn bevindingen zijn evenwel gebruikt bij de bewijsconstructie van de rechtbank.”

51. Het hof heeft het verzoek afgewezen zoals hierboven onder het kopje “Verzoek horen deskundige dr. B. Kokshoorn” weergegeven.

51. Ik acht het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De door de verdediging genoemde vragen over wanneer en hoe de bloedsporen in de auto terecht zijn gekomen, en in hoeverre de afwezigheid van (veel) meer sporen zich verhoudt tot de suggestie dat het bloed een gewelddadige oorsprong heeft, zijn geen vragen die vallen binnen het deskundigheidsgebied van dr. Kokshoorn. In dat licht is het oordeel van het hof dat mede gelet op de onderbouwing van het verzoek de noodzaak tot het horen van de deskundige Kokshoorn niet gebleken is geenszins onbegrijpelijk.

51. De zevende deelklacht ziet op de verzoeken gedaan met betrekking tot de bats en spade en het horen van de deskundige Dragutinovic.

51. De pleitnota houdt ten aanzien van deze verzoeken het volgende in:

“33. De rechtbank is van mening dat het aangetroffen graafgereedschap bij de ouders van cliënt qua vorm en afmeting overeenkomt met de af- en indrukken die bij de graafkuil zijn gevonden. Het betref graafgereedschap van ongeveer 15 centimeter breed. De in beslag genomen spade komt qua afmeting en voorrand hiermee overeen, aldus de rechtbank in haar vonnis op pagina 12.

34. Naar mening van de verdediging geeft de term "passen" geen 100% uitsluitsel over of het ook daadwerkelijk deze graafgereedschappen betreft. Er moet zodoende met 100% zekerheid gezegd kunnen worden dat het deze

graafgereedschappen betreft. 99% is in deze niet voldoende, al was het maar omdat de meeste scheppen en batsen dezelfde afmetingen hebben. Alleen als de schep en bats van clients vader zonder meer als uniek te bestempelen zijn, kan uit het "passen" enige conclusie getrokken worden.

35. De verdediging wenst daarom ook dat de inbeslaggenomen spade en bats op individueel niveau worden vergeleken met de nog beschikbare (foto's van) in- en afdrukken in het graf. Het moet er immers voor gehouden worden dat unieke kenmerken van de bats en spade, zoals bijvoorbeeld beschadigingen of deuken, ook in de in- of afdrukken sporen zullen achter laten. Cliënt is stellig van mening dat zulk een onderzoek zal laten zien dat de inbeslaggenomen bats en spade niet overeen zullen komen met die welke gebruikt moeten zijn bij het graf.

Voorts is de rechtbank in haar vonnis van oordeel dat de grondmonsters die rondom de grafkuil zijn veiliggesteld, veel waarschijnlijker overeenkomen met de sporen die op de graaf gereedschappen zijn aangetroffen dan dat de sporen afkomstig zijn van een andere willekeurige locatie. Er is wederom sprake van aannames en suggesties. Andermaal kan er niet met 100% zekerheid worden gezegd dat het ook daadwerkelijk deze grondmonsters betreffen. Toch is de rapportage voor het bewijs gebruikt. De verdediging wenst daarom NFI-deskundige Dragutinovic te horen.

36. De vragen aan Dragutinovic richten zich onder meer op de waarschijnlijkheidsconclusies in het licht van het gegeven dat er spinrag op de bats en spade aangetroffen is, hetgeen duidt op enige tijd niet gebruikt zijn. Tevens dient gevraagd te worden wat concreet de invloed is op de bewijswaarde van overeenkomst als geen onderzoek is gedaan naar de batsen en spades gebruikt bij het opgraven van het stoffelijk overschot door Signi en evenmin naar de samenstelling van de grond waar de vader van cliënt de bats en spade pleegt te gebruiken, al dan niet in de omgeving van de woning van cliënts vader. Met andere woorden: in de hypothese II is uitgegaan van "een willekeurige andere locatie". Juist nu het graf in de nabijheid van de woning van cliënts ouders is aangetroffen, had natuurlijk die omgeving ook in de hypothese betrokken moeten worden, zoals ook Dragutinovic in zijn slot stelt.

37. Ook dienen de verschillen in versheid van de "opgraafsporen" en de sporen op de bats en spade nader te worden besproken. De deskundige stapt erg makkelijk over de verschillen in bacteriesamenstelling heen, maar laat na aan te geven hoe sterk deze verschillen zijn en tot welke conclusies deze verschillen zouden kunnen leiden.

38. Op basis van deze bevindingen van deskundige Dragutinovic is cliënt deels veroordeeld. De punten waarover deskundige Dragutinovic kan verklaren, zijn dus van belang voor de te nemen beslissingen in deze strafzaak. Tevens is deskundige Dragutinovic niet eerder als getuige gehoord.”

55. Het hof heeft deze verzoeken afgewezen zoals hierboven onder het kopje “Verzoek onderzoek aan inbeslaggenomen spade (bedoeld zal zijn “bats”, JS) en spade en horen deskundige Dragutinovic” weergegeven.

55. Ten aanzien van ’s hofs overweging dat een onderzoek op individueel niveau reeds is gebeurd, merk ik op dat het hof hier kennelijk bedoelt dat de inbeslaggenomen spade is vergeleken met de indrukken die het bij het graf gebruikte gereedschap heeft achtergelaten. Deze waarneming op individueel niveau, nl. op het niveau van de specifieke spade, refereert echter, zoals (eveneens) op p. 153 van het forensisch dossier staat vermeld, aan een schopbladtype (classificatie) en niet aan een individueel schopblad (individualisatie). In dat licht kan niet gezegd worden dat het hof met zijn overweging dat de inbeslaggenomen spade “qua afmeting en voorrand” overeen komt met de in de grafkuil aangetroffen afdrukken of indrukken die qua vorm en afmeting passen bij graafgereedschap met een afgerond voorblad van ongeveer 15 centimeter breed, is uitgegaan van een onjuiste lezing van het rapport.

55. De opmerking dat er spinrag is aangetroffen, maar dat dit een element is dat niet in de bevindingen van de deskundige aan de orde komt, gaat eraan voorbij dat de spinrag vermeld wordt in de tabel op p. 392 van het Forensisch dossier met de aantekening dat aan de spinrag geen onderzoek kon worden verricht.

55. Ten aanzien van de in de toelichting op deze deelklacht genoemde vraag naar de invloed van het ontbreken van onderzoek naar grondsamenstelling op de bij de opgraving gebruikte gereedschappen en onderzoek naar de grondsamenstelling van de omgeving waar de inbeslaggenomen bats en spade door de vader van verdachte doorgaans plegen te worden gebruikt, merk ik op dat de deskundige daar naar het mij voorkomt niet veel zinnigs over kan verklaren nu dit niet onder zijn onderzoeksopdracht viel.

55. Het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het horen van deskundige Draugutinovic niet is gebleken acht ik, in dat licht, toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

55. De achtste deelklacht ziet op het verzoek om de op/in het graf aangetroffen lange donkerkleurige haren zoals beschreven op p. 97 van het forensisch dossier en te zien op de foto’s op p. 123 van het dossier nader te onderzoeken.

55. De raadsman heeft zowel in zijn brief van 25 juli 2017 als in zijn pleitnota het volgende aangevoerd ten aanzien van dit verzoek:

“45. Tot op heden is geen onderzoek gedaan naar de op/in het graf aangetroffen lange donkerkleurige haren zoals deze getoond/beschreven worden op p. 21 van de fotomap (p. 123) en p. 97. Hoewel deze aangetroffen zijn en mogelijk een daderspoor betreffen - en dus ontlastend kunnen werken voor cliënt had dit sowieso gemoeten. Helaas is dit nog niet gebeurd, reden waarom het alsnog wordt verzocht. Daarbij is enerzijds de stellige ontkenning van enige betrokkenheid van cliënt van belang, anderzijds wijst de verdediging nog op de vondst van een paar schoenen (maat 43, niet de maat van cliënt!) in de nabijheid van het graf. De mogelijkheid van een andere dader dan cliënt is daarmee een zeer reële, waarmee het belang van het onderzoek en dus de noodzaak gegeven is.”

62. Het hof heeft dit verzoek afgewezen met de overweging dat het hof het verrichten van dergelijk onderzoek niet noodzakelijk acht.

62. In aanmerking genomen dat de raadsman het verzoek slechts heeft onderbouwd met de opmerking “Hoewel deze aangetroffen zijn en mogelijk een daderspoor betreffen – en dus ontlastend kunnen werken voor cliënt had dit (een onderzoek, JS) sowieso gemoeten”, meen ik dat het hof kon volstaan met de overweging dat het hof het verrichten van dergelijk onderzoek niet noodzakelijk achtte. Tot een nadere motivering was het hof, gelet op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, niet gehouden. Dat er een paar schoenen maat 43, kennelijk niet de maat van verdachte, in de nabijheid van het graf zijn gevonden, doet hier niet aan af.

62. Geen van de deelklachten slaagt.

62. Ik ben voorts van oordeel dat de afwijzing van de verzoeken – afzonderlijk en in samenhang gezien – en het tot het bewijs bezigen van de verklaring van getuige [betrokkene 1] , ook wanneer beschouwd in het licht van de ontkenning van verdachte en de tijdige en herhaalde opgave van de verzoeken en de onderbouwing daarvan, geen schending oplevert van het in art. 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces. De “overall fairness of the trial”, die mede dient te worden beoordeeld op basis van het voorbereidende onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, is door de afwijzing van de verzoeken door het hof niet in het geding.

62. Het middel faalt derhalve.

62. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk, met miskenning van het bepaalde in art. 6 EVRM de verklaring van getuige [betrokkene 1] voor het bewijs heeft gebezigd.

62. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] houdt het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2017 in hetgeen hierboven onder nr. 31 is weergegeven.

62. De meisjes zijn met toestemming van de verdachte door de politie op 9 augustus 2015 in een studio gehoord. Verdachte heeft die toestemming voor het verhoor gegeven na raadpleging van zijn raadsvrouw (pagina 647 en 648). Het verhoor van [betrokkene 1] vond plaats voordat het stoffelijk overschot van het slachtoffer was gevonden en derhalve voordat duidelijk was dat het slachtoffer was komen te overlijden. Bij de rechtbank heeft de verdachte verklaard spijt te hebben toestemming te hebben gegeven voor het verhoor van zijn minderjarige dochters.

62. Het hof heeft ter zitting van 3 februari 2017 als beslissing op het verzoek tot het opnieuw horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] geoordeeld dat het hof ervan uit gaat dat het horen van de meisjes ter terechtzitting schadelijk is, ongeacht de vraag of dit met of zonder publiek gebeurt. Hiermee heeft het hof het verzoek tot het horen van de twee meisjes afgewezen. Het hof heeft tegelijk een compensatie geboden: het stemt er wel mee in dat de meisjes opnieuw in een studio verhoord worden. De raadsman laat na overleg met verdachte weten dat verdachte wenst af te zien van het horen van [betrokkene 1] en [getuige 1] bij een verhoorsituatie anders dan ter terechtzitting.

62. Anders dan waar in de toelichting op het middel van wordt uitgegaan is derhalve aan verdachte een compenserende mogelijkheid geboden voor het niet horen van de meisjes ter terechtzitting. Verdachte heeft ervan afgezien die compensatie te aanvaarden.

62. Verder merk ik op dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] niet gezien kan worden als een “decisive basis” voor de veroordeling van verdachte. Verdachte heeft zelf verklaard over een ruzie tussen hem en het slachtoffer, en dat het slachtoffer door geweld om het leven is gekomen volgt in ieder geval uit de bewijsmiddelen 5, 6, 7 en 8, houdende het rapport van deskundige Maes, arts en patholoog, de brief van deskundige Botter, forensisch arts, en de beantwoording van nadere/aanvullende vragen door beide deskundigen.

62. In aanmerking genomen dat het hier geen doorslaggevende (“decisive”) verklaring betreft, het hof een compensatie verhoor heeft geboden, er een audiovisuele opname van het verhoor beschikbaar was, en het hof zich bij het bezigen van de verklaring van [betrokkene 1] beperkt heeft tot die delen van de verklaring waarin [betrokkene 1] verklaart over hetgeen zij zelf heeft waargenomen, ben ik van oordeel dat er geen sprake is van schending van art. 6 EVRM.

62. Het middel faalt derhalve.

62. Het derde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie overschreden is.

62. Blijkens de akte cassatie is op 2 november 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 23 mei 2018 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De inzendtermijn van 6 maanden is met drie weken overschreden. Het komt mij voor dat de Hoge Raad deze overschrijding niet door een voortvarende behandeling van de zaak kan compenseren. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan aan de overschrijding een passend gevolg verbinden.

62. De eerste twee middelen kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81 RO. Middel drie slaagt.

62. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

62. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad aan de overschrijding van de redelijke termijn het gevolg zal verbinden dat hem goeddunkt en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Forensisch dossier p. 243.

2 Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt T. Kooijmans.

3 Geen van de hondengeleiders, van de politie noch van Signi, heet “ [...] ”. Ik vermoed dat dit een kennelijke verschrijving is en dat “ [verbalisant 28] ” bedoeld is, of eventueel “ [verbalisant 27] ”, de andere politiehondengeleider.