Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:33

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
17/01998
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:253
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie PG. Drie middelen. 1. Slagende klacht over overschrijding inzendtermijn in cassatie. 2. Falende klacht dat het hof de vordering BP ten onrechte grotendeels heeft toegewezen en dat het hof die beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. 3. Falende klacht dat de verwerping door het hof van het draagkrachtverweer onbegrijpelijk is en ontoereikend gemotiveerd. De PG adviseert de HR het tweede en het derde middel af te doen op de voet van art. 81 RO. De conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in de mate die de HR goeddunkt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01998

Zitting: 15 januari 2019

Mr. J. Silvis

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 april 2017 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “medeplegen van verkrachting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslissingen genomen over in beslag genomen goederen en eveneens over de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M. Timmerman-Wezepoel, advocaat te Nootdorp, heeft 3 middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

  4. Blijkens de akte rechtsmiddel is op 19 april 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 21 december 2017 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, derhalve 8 maanden en 2 dagen na het instellen van het cassatieberoep. Nu verdachte ten tijde van het instellen van cassatie gedetineerd zat moet worden uitgegaan van een inzendtermijn van zes maanden. De inzendtermijn is derhalve met ruim twee maanden overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afhandeling in cassatie. De Hoge Raad zal overigens ook niet binnen de uitspraaktermijn van 16 maanden uitspraak kunnen doen. De Hoge Raad kan de straf verminderen in de mate die hem goeddunkt.

  5. Het middel is terecht voorgesteld.

  6. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij grotendeels heeft toegewezen en dat het hof zijn beslissing op dit punt, gelet op hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd, onvoldoende heeft gemotiveerd.

7. Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:

‘Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich ter zake van het tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.120 en bestaat uit de volgende schadeposten:

a) jeans, shirt, onderbroek € 50

b) reiskosten € 30

c) telefoonkosten € 40

d) immateriële schade € 15.000

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.120, waarvan € 120 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 8.000 ter compensatie van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, die de advocaat van de benadeelde partij, mr. W. van Egmond, heeft toegelicht.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering voor het gehele bedrag toegewezen wordt, dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd en de wettelijke rente wordt toegekend. De advocaat-generaal heeft ook gevorderd dat de betalingsverplichting hoofdelijk zal worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting (de hoogte van) de opgevoerde schadeposten, kortgezegd, als volgt betwist:

- a) ter zake van de gevorderde schade voor de kleding geldt dat de benadeelde partij haar onderbroek zelf verder kapot heeft gemaakt en de schade aan het T-shirt is niet aangetoond;

- b en c) de opgevoerde reis- en telefoonkosten zijn geen kosten die in rechtstreeks verband staan met het delict en komen op basis van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek niet voor vergoeding in aanmerking;

- c) en met betrekking tot de opgevoerde telefoonkosten blijkt niet dat de benadeelde partij die schade rechtstreeks heeft geleden, omdat een specificatie ontbreekt;

- d) de immateriële schade is onvoldoende onderbouwd met medische bewijsstukken en dient afgewezen te worden, of te worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 1.500.

Oordeel van het hof

a) Ten aanzien van de opgevoerde kosten voor kleding geldt dat de schade rechtstreeks uit het bewezenverklaarde voortvloeit en onvoldoende is betwist. De verdachte heeft de onderbroek van de benadeelde partij tijdens het bewezenverklaarde handelen stukgemaakt. De gevraagde vergoeding van € 50 voor drie kledingstukken komt het hof zeker niet bovenmatig voor.

b en c) Met betrekking tot de gevorderde reiskosten en telefoonkosten geldt het volgende.

Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 51a, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken. De door de benadeelde partij gemaakte reiskosten naar de advocaat en de telefoonkosten voor het bellen van de advocaat hangen daarmee zodanig samen, dat deze kosten eveneens niet als rechtstreekse schade zijn aan te merken. Daarom is de benadeelde partij in zoverre ook niet-ontvankelijk in de vordering (vgl. Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1426).

Daarnaast heeft de benadeelde partij reiskosten heeft gemaakt voor bezoeken aan het politiebureau voor verhoor en het doen van aangifte, welke kosten op € 20 euro zijn geschat, wat niet onredelijk voorkomt. Het hof acht eveneens voor toewijzing vatbaar de gevorderde telefoonkosten voor het bellen naar de politie, door het hof naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid geschat op € 20. Deze schade staat in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte.

Resumerend is aldus vast komen te staan dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 90,00 heeft geleden.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter. Het hof zal de omvang van de tot op 30 maart 2017 geleden immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 10.000, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheden dat de benadeelde partij:

- ernstige psychische schade heeft opgelopen;

- zich ernstig aangetast voelt in haar lichamelijke integriteit en haar geloofwaardigheid sterk in twijfel is getrokken;

- last heeft van herbelevingen en

- haar vertrouwen in de medemens ernstig is geschaad.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze worden opgelegd.

Het hof ziet in de onderlinge verhoudingen en de rol van de verdachten, geen aanleiding om van het wettelijk uitgangspunt van hoofdelijkheid af te wijken, nu daarin immers voor het slachtoffer een mogelijkheid van gemakkelijke inning en een waarborg voor betaling is gelegen.

De onder b) en c) gevraagde kosten, voor zover deze zien op kosten voor het reizen naar en telefoneren met de advocaat worden in aanmerking genomen bij de beslissing van het hof over de verwijzing van de kosten als bedoeld in artikel 361, lid 6, van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat om een vergoeding van € 10 aan reiskosten naar de advocaat en het hof schat de telefoonkosten voor het bellen naar de advocaat naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in op € 20.

BESLISSING

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.090 (tienduizend negentig euro) bestaande uit € 90 (negentig euro) materiële schade en € 10.000 (tienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 30 (dertig euro).

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.090 (tienduizend negentig euro) bestaande uit € 90 (negentig euro) materiële schade en € 10.000 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.’

8. Het middel heeft het oog op het volgende gedeelte uit de pleitnota van de raadsvrouw, voor zover van belang:

‘Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft het volgende te gelden.

De vordering leent zich primair niet voor behandeling in het strafproces, temeer daar de verdediging deze civiele schadevordering in hoger beroep alsnog gemotiveerd betwist, hetgeen op zichzelf dikwijls al reden is voor (gedeeltelijke) niet-ontvankelijk verklaring van de (geschatte) vordering. (voetnoot 1: HR 17 november 1998, NJ 1999/151; ECLI:NL:HR:2006AV2654, r.o.3.3.2.)

Daarnaast levert de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op, nu deze vordering niet onmiddellijk met (voldoende) bewijsmiddelen is onderbouwd/gestaafd, een deel geen rechtstreekse schade betreft (shirt, reiskosten (advocaat), telefoonkosten), terwijl het gevorderde bedrag aan immateriële schade ook aanzienlijk hoger is dan gemiddeld. In dergelijke gevallen is van belang, dat de benadeelde partij op het voegingsformulier voldoende informatie geeft om een behoorlijke begroting van de schade mogelijk te maken en/of zelf ter terechtzitting komt om desgevraagd de vordering nader toe te lichten.

Het summiere voegingsformulier behelst echter onvoldoende specifieke informatie ten opzichte van de geschatte materiële en bovenmatige immateriële schade, terwijl de benadeelde partij evenmin ter terechtzitting is verschenen om relevante informatie voor de beslissing van uw Hof op de civiele vordering te verkrijgen.

Voor zover uw Hof evenwel aan inhoudelijke beoordeling van de vordering zou toekomen, dient de bovenmatige vordering geheel dan wel gedeeltelijk te worden afgewezen, daar niet alle schade bewezen kan worden geacht c.q. aannemelijk is en/of niet alle schade redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend dan wel tot een (aanzienlijk) lagere schatting van de omvang van de schade dient te worden gekomen.

Immateriële schade

Door benadeelde wordt, overigens zonder nadere motivering op het voegingsformulier, het aanzienlijke bedrag van €15.000,00 aan immateriële schade gevorderd. In het schadeopgaveformulier wordt slechts aangesloten bij een ander geval dat ook bang was voor besmetting met SOA of HIV, waar “slechts” €6.807,- is toegekend. Anders dan in de onderhavige zaak, was in die zaak sprake van gesteld (en gebleken) opgelopen lichamelijk en geestelijk letsel.

De aangehaalde uitspraak in de toelichting op de vordering door Van Driem Advocaten, waarin €10.000,- is toegewezen op een vordering van €20.000, (ECLI:NL:GHAMS:2015:5011), betreft evenmin een vergelijkbaar geval.

In die zaak ging het om extra vernederendere setting, waarbij een benadeelde is vastgebonden, haar mond met tape is afgeplakt, haar kleding kapot is geknipt en zij vervolgens anaal is gepenetreerd (hetgeen doorgaans als strafverhogend en extra vernederend wordt uitgelegd). De benadeelde in die zaak is bovendien drie dagen verstoken gebleven van eten en drinken (de verdachte ging in de tussentijd zijn krantenwijk lopen), en is meermalen met vastgebonden handen en voeten van en naar het toilet gedragen als zij moest plassen (waarbij zij zelfs door verdachte werd afgeveegd).

Er was sprake van een (anale) verkrachting én een wederrechtelijke vrijheidsberoving met letsel (kneuzingen) tot gevolg, twee strafbare feiten gedurende langere duur: te weten 3 dagen, anders dan de onderhavige zaak, waar sprake was van zeer korte duur.

Tegen deze achtergrond is voor cliënt niet geheel duidelijk, waar het forse bedrag van € 15.000,00 op is gebaseerd. In zoverre heeft de rechtbank op goede gronden de gevorderde immateriële schade ambtshalve gematigd naar € 8000,-. Echter is een dergelijk bedrag, in het licht van het voorgaande voor een verkrachting van korte duur, zonder geweld of wapen, waar benadeelde volgens haar politieverklaring geen pijn heeft geleden (p. 0009), nog steeds bovenmatig.

Het moge weliswaar duidelijk en invoelbaar zijn, dat het tenlastegelegde voor benadeelde een bijzonder vervelende en ingrijpende gebeurtenis is geweest, doch dient een dergelijk gevorderd bedrag van forse omvang, zuiver juridisch bezien, desalniettemin deugdelijk te worden onderbouwd (civiele schadevordering). Medische bewijsstukken alsmede een (officiële) diagnose ontbreken echter, terwijl het causaal verband ter zake een deel van de opgevoede schade eveneens ontbreekt.

Zo is de vordering ter terechtzitting in eerste aanleg summier toegelicht, onder meer met de onderbouwing dat benadeelde die bewuste dag al op haar zwakst was en geen inkomen had. Aan cliënt en diens medeverdachte kan deze gesteldheid van benadeelde echter niet in redelijkheid worden toegerekend. Uit het dossier volgt genoegzaam dat benadeelde een turbulent verleden heeft, dakloos was en een zwervend bestaan leed, geen baan/inkomen had en schulden heeft. Het is echter niet redelijk om met een dergelijke hoge vordering al hetgeen destijds niet geheel vlekkeloos verloopt/is verlopen in het leven van benadeelde, zonder dat dit gestaafd is, op het bordje van mijn jeugdige cliënt en diens medeverdachte te leggen.

Ter onderbouwing wordt door benadeelde hoofdzakelijk gesteld, dat sprake is van gevoelens van angst en onvrede (over het verloop van het strafproces, tot aan de aanhouding van verdachten, het opnieuw gehoord moeten worden door de RC, aangetast vertrouwen in de maatschappij, angst voor vermeende wraakzuchtigheid van verdachten, angst voor besmetting (terwijl ze nimmer voorbehoedsmiddelen gebruikte) etc.). Geestelijk letsel, in de zin van aantasting in de persoon dan wel een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is onvoldoende gesteld of gebleken noch deugdelijk onderbouwd, zodat de gevorderde immateriële schade niet, althans niet geheel, toewijsbaar is.

Ik verwijs hiervoor ter adstructie naar de ‘Aanbevelingen civiele vordering en schadevergoedingsmaatregel’, bestemd voor de strafsectoren van de rechtbanken en gerechtshoven, waarin wordt onderschreven dat:

“[...] een enkel gevoel van onvrede of onbehagen of spanning niet genoeg is om aanspraak te geven op vergoeding van ideële schade. Er moet minstens sprake zijn van een zekere ernst van het geestelijk letsel (p. 25) ”.

Aan dit vereiste wordt niet althans onvoldoende voldaan, om aanspraak te kunnen maken op recht op vergoeding van immateriële schade ex. art. 6:106 BW. De gestelde herbelevingen, suïcidale gedachten en zelf gediagnosticeerde PTSS, aan de hand van een lijstje met algemene kenmerken c.q. sterk overeenkomende klachten, zijn bij gebreke van behandeling niet objectief vastgesteld noch erkend.

De rechtbank heeft aldus niet in redelijkheid zonder meer €8000,- kunnen toewijzen,

zodat ten hoogste bij eventuele toewijzing - gelet op de betwisting in hoger beroep -

schattenderwijs met een aanzienlijk geringer bedrag dient te worden volstaan (max.

€1500,-), met niet-ontvankelijk verklaring van het overige gevorderde. (voetnoot 2: In een andere zaak, waarbij sprake was van verkrachting van patiënten in een behandelsetting in de eigen woning van verdachte, werd volstaan met toewijzing van €1000,- immateriële schade.)

Materiële schade

Wellicht ten overvloede wordt ter zake de gevorderde, en door de rechtbank geheel

toegewezen, materiële schade ten bedrage van €120,- het volgende opgemerkt.

Benadeelde geeft in haar aangifte aan dat ze geen telefoon heeft (p. 0018), echter worden er wel telefoonkosten gevorderd. Niet aangetoond is dat benadeelde deze opgevoerde daadwerkelijk zelf en rechtstreeks heeft geleden, dan wel dat zij op kosten van bijvoorbeeld een derde diverse telefoongesprekken heeft mogen voeren.

Bovendien vormen de gestelde telefoonkosten, waarvan een factuur of specificatie ontbreekt, geen rechtstreekse schade en is het geschatte bedrag van 40 euro (voor een telefoontje naar de politie, slachtofferhulp en/of de advocaat) overigens ook aan de hoge kant.

Daar komt nog bij dat de Aanbeveling voorschrijft, dat kosten die voortvloeien uit het doen van aangifte en het zorgen voor de bereddering na een misdrijf, zoals tijdsbesteding, gederfde inkomsten en reiskosten, slechts binnen redelijke grenzen in aanmerking komen voor vergoeding als door het delict veroorzaakte vermogensschade (p. 24).

De opgevoerde geschatte reiskosten naar de advocaat (€10,-) en politiebezoeken voor verhoor vallen hier niet onder, evenals de gestelde telefoonkosten (€40,- voor zover Slachtofferhulp als een advocaat). Deze posten betreffen immers geen schade die in een zodanig verband staat met het gepleegde delict, dat zij aan verdachte, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van het delict kunnen worden toegerekend (ex. art. 6:98 BW). De kosten zijn niet in redelijkheid gemaakt, terwijl de omvang ook niet zonder meer redelijk voorkomt.

Benadeelde heeft immers voor haar aangifte geen reis- of telefoonkosten hoeven te maken, omdat zij al voor een vernieling vast zat en gehoord is over de onderhavige zaak (p. 0010). De politie heeft haar echter nadien meerdere malen moeten verhoren, omdat ze niet meteen aangaf dat het om twee verdachten zou gaan en in dronken toestand verkeerde. Bij die stand van zaken staan de gevorderde kosten in een te ver verwijderd verband dan wel zijn nodeloos c.q. deels verwijtbaar gemaakt, zodat de vordering op dit punt geheel althans gedeeltelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel (deels) te worden afgewezen.

De geschatte kosten voor een bezoek aan de advocaat vallen overigens onder rechtsbijstand, en betreffen derhalve geen rechtstreekse schade, zodat benadeelde in zoverre eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard (p. 33 Aanbeveling).

Ter zake de gevorderde schade voor de kleding heeft nog te gelden, dat benadeelde naar eigen zeggen haar onderbroek (verder) kapot heeft gemaakt.

Voor zover benadeelde ook vergoeding voor een t-shirt verzoekt, is de schade hiervan niet aangetoond. Benadeelde heeft bij de politie slechts aangegeven dat haar onderbroek en broek kapot zouden zijn gemaakt/gegaan als gevolg van het delict (p. 0009, 0029). Verdachten zijn niet aan haar schoenen of bovenkleding gekomen (p. 0022). Benadeelde weet bij haar politieverhoren overigens ook niet te vermelden welke bovenkleding ze aan had, zodat de verzochte vergoeding op dit punt bevreemdt. De ene keer heeft ze het over een t-shirt met korte mouwen, de andere keer over vermoedelijk een shirt met lange mouwen (p. 0008) of een colbert, zodat deze kostenpost onduidelijk is en betreft de bovenkleding gematigd dient te worden.’

Beoordeling van het tweede middel

9. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 361 lid 4 Sv dient de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen omkleed te zijn. De wet bepaalt niet dat dit op straffe van nietigheid is. Ten aanzien van de motivering van de beslissing op een vordering van de benadeelde partij is art. 359 lid 2, tweede volzin Sv niet van toepassing.1 Bij een schatting van schade is wel van belang dat daarvoor het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging geldt dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken.2 Anders dan het middel evenwel stelt, bestaat er voor het hof naast de hiervoor genoemde algemene motiveringseisen niet een bijzondere verplichting te motiveren waarom het tot toewijzing van een groter bedrag komt dan de rechtbank.

10. Materieel wordt eerst geklaagd over het toegewezen bedrag betreffende schade aan de onderbroek van het slachtoffer.

10. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door benadeelde gelden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.3

12. Het hof heeft overwogen dat de verdachte de onderbroek van het slachtoffer tijdens het bewezenverklaarde handelen heeft stukgemaakt. Dit is niet onbegrijpelijk nu onder de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is opgenomen als verklaring van verdachte dat hij de onderbroek van het slachtoffer heeft losgemaakt alvorens zij gedwongen geslachtsgemeenschap met hem en de medeverdachte heeft ondergaan en als verklaring van het slachtoffer dat zij haar witte slip heeft weggegooid nu die kapot was. Gelet hierop en gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, te weten dat het slachtoffer naar eigen zeggen haar onderbroek (verder) kapot heeft gemaakt, getuigt het oordeel van het hof dat de schade rechtstreeks uit het bewezenverklaarde voortvloeit en onvoldoende is betwist, niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het niet onbegrijpelijk is en voldoende gemotiveerd.

12. Bij de beoordeling van de beslissing van het hof over de schade aan het t-shirt van het slachtoffer komt het niet alleen aan op de gedraging die in de bewezenverklaring als zodanig is verwoord maar ook op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen die de schade hebben veroorzaakt.4 Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte en medeverdachte het slachtoffer hebben opgetild; haar halverwege de straat hebben neergelegd, haar vervolgens hebben opgepakt en naar de bosjes zijn gelopen. Volgens verklaring van het slachtoffer is zij de straat over gesleurd en van het bankje naar de bosjes meegetrokken waarbij verdachte haar handen vasthield. Terwijl haar handen werden vastgehouden lag zij op de grond waarna zij door beide mannen is verkracht. Gelet hierop en gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, te weten dat de schade aan het t-shirt niet is aangetoond, getuigt het oordeel van het hof dat de schade rechtstreeks uit het bewezenverklaarde voortvloeit en onvoldoende is betwist, niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het niet onbegrijpelijk is en voldoende gemotiveerd.

14. Ook de klacht over het oordeel van het hof dat de kosten voor het reizen naar en het bellen met de politie in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit en voor toewijzing vatbaar zijn, faalt. Voor zover gewezen wordt op de Aanbevelingen civiele vordering en schadevergoedingsmaatregel m.b.t. de Wet Terwee en de Wet ter versterking van de positie van het slachtoffer van oktober 2011, inhoudende onder meer dat kosten die voortvloeien uit het doen van aangifte in redelijkheid moeten zijn gemaakt en de omvang ervan redelijk moet zijn, geldt dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat dit zo is gelet op zijn vaststellingen hieromtrent niet onbegrijpelijk is. Hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd noopte het hof niet tot een nadere motivering.

14. Verder klaagt het middel over de toewijzing van het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij.

14. Anders dan in het middel tot uitgangspunt wordt genomen, is de rechter bij zijn beslissing inzake de begroting van de immateriële schade niet gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijslastverdeling.5

17. Op grond van art. 6:106 lid 1 sub b BW kan onder omstandigheden een immateriële schadevergoeding worden toegekend indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Deze schadevergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid, zodat rekening gehouden kan worden met de omstandigheden van het geval. Indien de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast, geldt als uitgangspunt voor de toewijsbaarheid van de betreffende vordering dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen.6 Hiervan is niet reeds sprake bij een meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.7 Het geestelijk letsel wordt beoordeeld aan de hand van objectieve criteria. De benadeelde zal “voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld”.8 Een uitzondering op de voornoemde hoofdregel is mogelijk indien sprake is van een bijzondere ernst van de normschending en de (voldoende ernstige) gevolgen daarvan voor het slachtoffer.9 Ook zonder de vaststelling dat er psychische schade is kan dan vergoeding van immateriële schade aan de orde zijn.10

18. Het (kennelijke) oordeel van het hof dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen op andere wijze in haar persoon is aangetast als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW en dat haar op grond hiervan een immateriële schadevergoeding toekomt die dient te worden beoordeeld aan de hand van de billijkheidsmaatstaf, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

18. De bijzondere ernst van de normschending en de (voldoende) ernstige gevolgen daarvan voor het slachtoffer, zoals die door het hof zijn vastgesteld, maken dat vergoeding van immateriële schade aan de orde kan zijn. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de omstandigheden van de benadeelde met het oog op de omvang van de vergoeding. Deze omstandigheden zijn volgens het hof dat de benadeelde partij ernstige psychische schade heeft opgelopen; zich ernstig aangetast voelt in haar lichamelijke integriteit en haar geloofwaardigheid sterk in twijfel is getrokken; last heeft van herbelevingen en haar vertrouwen in de medemens is geschaad, waarbij het hof kennelijk heeft gelet op de toelichting op de vordering en de aanvullende schriftelijke verklaring van de benadeelde partij voor het hof. In dit verband merk ik op dat voor zover het middel stelt dat medische bewijsstukken dan wel een officiële diagnose hadden moeten worden overgelegd dit geen steun vindt in het recht.11 Ook bezien in het licht van wat de verdediging overigens heeft aangevoerd heeft het hof de omvang van de immateriële schade voldoende gemotiveerd.

20. Dat de behandeling van de vordering volgens het hof voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betreft volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het oordeel van het hof op dit punt komt mij niet onbegrijpelijk voor.

20. Het oordeel van het hof over de vordering van de benadeelde partij getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

20. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

20. Het derde middel klaagt dat de verwerping door het hof van het draagkrachtverweer onbegrijpelijk is en ontoereikend gemotiveerd.

20. Het middel ziet op de volgende passage in de pleitnota van de raadsvrouw:

‘Tot slot wellicht ten overvloede verzocht, van uw (discretionaire) mogelijkheid om de wettelijke schadevergoedingsverplichting te matigen gebruik te maken (ex. Art. 6:109 BW), voor zover uw Hof toch aan toekenning van de gevorderde 15.000 euro, of een soortgelijk aanzienlijk bedrag, zou toekomen. Gelet op de geringe verdiencapaciteit, de schulden van mijn jeugdige schoolgaande cliënt die al geruime tijd (zonder bron van inkomsten) vast zit, zou toekenning van de volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen (in de toekomst) leiden. Naar verwachting zal het CJIB eerst alle schade op cliënt verhalen gelet op zijn naderende einddatum en hoofdelijke aansprakelijkheid, terwijl het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft en een eventueel betalingsvoorstel van cliënt niet snel als reëel aanbod zal beschouwen, ten opzichte van het bedrag en de betalingstermijn. Gelet op de geringe draagkracht van cliënt en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, alsmede nu nagenoeg vaststaat dat oplegging van de maatregel in de toekomst zal leiden tot tenuitvoerleggen van de vervangende hechtenis, dient de schadevergoedingsmaatregel niet te worden opgelegd dan wel de betalingsverplichting te worden gematigd.’

Beoordeling van het derde middel

25. Ingevolge het tweede lid van art. 36f Sr kan de rechter de maatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De draagkracht van de verdachte speelt bij de bepaling van de hoogte van het bedrag geen rol. In geval van oplegging van de maatregel bepaalt de rechter de vervangende hechtenis (art. 36f, achtste lid, Sr). Niettemin kan het gebrek aan draagkracht onder omstandigheden voor de rechter reden zijn ervan af te zien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.12 Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan sprake zijn. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis. De rechter behoeft daarom slechts dan in het bijzonder de redenen op te geven waarom van een daaromtrent ingenomen standpunt wordt afgeweken indien dat standpunt voldoende onderbouwd dat uitzonderlijk karakter van het geval duidelijk maakt.13

26. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het door en namens de verdachte aangevoerde niet leidt tot de conclusie dat de verdachte in een zodanig uitzonderlijke situatie verkeert wat betreft zijn draagkracht dat moet worden afgezien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

26. Ten slotte stelt het middel dat het arrest van het hof op dit punt innerlijk tegenstrijdig is met het in de zaak van de medeverdachte gewezen herstelarrest. Hiertoe geldt dat het hof bij het nemen van zijn beslissing niet gebonden is aan hetgeen in de zaak tegen de medeverdachte is beslist, terwijl voor een toetsing van het arrest van het hof aan een in de zaak van de medeverdachte nadien gewezen herstelarrest in cassatie geen plaats is.

26. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

Ten slotte

29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van die gevangenisstraf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762.

2 HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR: 2002:AE4362, NJ 2003, 171 m.nt. M. Scheltema, rov. 7.3.

3 O.m. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959.

4 Zie o.m. de conclusie ECLI:NL:PHR:2016:626 die leidde tot HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522.

5 Zie o.m. C.J.M. Klaassen, 01-06-2017, Schadevergoeding algemeen 2 (Mon. BW nr. B35) 2017/2.3.3. en HR 17 november 2000, NJ 2001, 215, m.nt. A.R. Bloembergen.

6 HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519.

7 Zie HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608, NJ 1997/366 m.nt. Brunner.

8 HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606.

9 Vgl. HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519, JA 2012, 147, m. nt. S.D. Lindenbergh en HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, NJ 2005, 391 m.nt. J.B.M. Vranken.

10 ECLI:NL:HR:2004:AO7721, NJ 2005, 391, m. nt. J.B.M. Vranken.

11 De omstandigheid dat de vergoeding voor immateriële schade door de rechter naar billijkheid wordt vastgesteld, impliceert dat voor de eiser slechts beperkte eisen gelden wat betreft de onderbouwing van de hoogte van deze vordering (zie HR 27 november 2009, NJ 2009, 598). Zoals in de conclusie voor voormeld arrest wordt opgemerkt, neemt dit niet weg dat een benadeelde er verstandig aan doet zoveel mogelijk feiten en omstandigheden te stellen waaruit de rechter zich een beeld kan vormen omtrent de omvang van het immateriële nadeel.

12 Vgl. HR 19 juni 2006, ECLI:NL:HR:2007:AZ8788, NJ 2007, 35.

13 Vgl. HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1812, NJ 2009, 293. Zie ook HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3694.