Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:318

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-02-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
17/01243
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:473
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorbereiding van afpersing, art. 317 jo. 46 Sr. 1. Ongeoorloofde beperking cassatieberoep. 2. Begrip “afpersing” a.b.i. art. 317.1 Sr. Ad 1. Blijkens de daarvan opgemaakte akte partiële intrekking cassatie is het beroep, v.zv. het betrekking heeft op het onder 4 tlgd, niet gericht tegen de vrijspraak van de voorbereiding van "diefstal met geweldpleging (in vereniging)" en "opzettelijke vrijheidsberoving (in vereniging)". HR aanvaardt deze beperking niet nu de onderdelen van het onder 4 tlgd. die in de akte worden uitgesloten van het beroep in cassatie niet onderdelen van een samengestelde tll. betreffen waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven a.b.i. ECLI:NL:HR:2013:CA1610. Ad 2. Buiten het zich hier niet voordoende geval van art. 317.2 Sr is voor afpersing vereist dat de dwang wordt uitgeoefend "door geweld of bedreiging met geweld". Nu uit de bewijsvoering niet z.m. kan worden afgeleid dat het opzet van verdachte was gericht op het voorbereiden van het "door geweld of bedreiging met geweld" iemand dwingen tot de in art. 317.1 Sr bedoelde prestaties, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt partiële vernietiging (voor het gehele feit 4) en terugwijzing. Samenhang tussen 17/01243 en 17/01065.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01243

Zitting: 12 februari 2019

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 22 februari 2017 door het gerechtshof 's‑Hertogenbosch wegens 1. “belaging”, 2. subsidiair “bedreiging met zware mishandeling” en “medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd”, 3. “verduistering”, 4. “medeplegen van voorbereidingshandelingen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld”, 5. “medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” en 6 “medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr en met algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen, nog niet teruggeven voorwerpen en over de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/01065. Ook in deze zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel keert zich tegen de afwijzing door het hof van een gedaan aanhoudingsverzoek.

4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 februari 2017 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De verdachte (..) is niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Roosendaal, die verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.

(…)

Op een vraag van de voorzitter antwoordt de raadsman:

Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting van vandaag. Ik verzoek het hof de zaak aan te houden, omdat mijn cliënt vandaag bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wil zijn, maar is verhinderd omdat hij vanwege een gerechtelijke procedure in verband met de erkenning van zijn zoon en waarbij hij in persoon aanwezig moet zijn, in België is.

De voorzitter deelt mede dat het hof op 7 februari 2017 een e-mailbericht van de raadsman heeft ontvangen, waarbij onder meer een e-mailbericht d.d. 1 februari jl van L. Zlateva, advocaat te België, is gevoegd. Uit de e-mail van advocaat L. Zlateva blijkt dat de zitting bij de rechtbank in Antwerpen, waarbij verdachte aanwezig zou moeten zijn, naar verwachting deze maand zal plaatsvinden, maar dat de advocaat nog in afwachting is van een datum en een uitnodiging van de rechtbank.

De raadsman reageert als volgt:

Ik heb dat bericht van de advocaat in België gekregen. Er was eerst sprake van een zitting op 12 januari 2017, maar die is uiteindelijk niet doorgegaan. In België is het zo dat je dan bijvoorbeeld pas op 9 januari 2017 een oproep voor die zitting van enkele dagen later ontvangt. Vanwege die korte termijn en omdat dit dé kans is voor mijn cliënt dat zijn zoon zijn achternaam krijgt, heeft cliënt ervoor gekozen om nu in België af te wachten wanneer er een nieuwe zitting bij de rechtbank in Antwerpen zal plaatsvinden.

De voorzitter deelt aan de raadsman mede dat uit het e-mail bericht blijkt dat men nog in afwachting is van een datum waarop de procedure in België zal gaan plaatsvinden en dat de raadsman kennelijk geen verzoek tot aanhouding doet omdat verdachte vandaag bij een zitting in Antwerpen aanwezig zou moeten zijn.

De voorzitter vraagt de raadsman of hij dan kan aangeven waarom verdachte dan vandaag niet ter terechtzitting van het hof is verschenen.

De raadsman deelt mede:

Ik heb geen nadere informatie waarom mijn cliënt vandaag niet ter terechtzitting is verschenen. Mogelijk heeft dat te maken met de genoemde procedure in België, maar ik heb mijn cliënt voor de zitting niet meer gesproken.

De advocaat-generaal deelt als zijn standpunt ter zake van het door de raadsman gedane aanhoudingsverzoek het volgende mede:

Verdachte had er vanmorgen voor kunnen kiezen om vandaag aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak. Kennelijk heeft hij daar niet voor gekozen. Ik heb van de raadsman ook niet gehoord dat verdachte persoonlijke zaken aan het hof wil voorleggen. Gelet hierop en nu de raadsman is gemachtigd om namens verdachte de verdediging te voeren, dient het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak mijns inziens te worden afgewezen.

De raadsman deelt mede dat hij persisteert bij zijn gedane verzoek.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.

Nadat het onderzoek is hervat, deelt de voorzitter als beslissing van het hof op het verzoek van de raadsman mede dat uit de onderbouwing van het verzoek door de raadsman niet blijkt dat verdachte vanwege een gerechtelijke procedure in België is verhinderd om vandaag ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Het hof ziet gelet hierop dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden en wijst het verzoek af.

Het hof betrekt daarbij dat de verdachte zijn raadsman heeft gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. De voorzitter deelt voorts mede dat de oproeping van de verdachte rechtsgeldig is uitgereikt.”

4.2. Op 16 oktober 20181 – na indiening van de schriftuur – heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen over de wijze waarop aanhoudingsverzoeken dienen te worden onderbouwd en door de rechter dient te worden beoordeeld. In dit arrest is onder meer het volgende overwogen:

“2.4. In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Indien de rechter de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.

Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte - of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd - ware het juist - in de hierna, onder 2.5 weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.

Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds - dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna, onder 2.5 weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan - afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. (Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:251, NJ 2018/119.)”

4.3. De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting een aanhoudingsverzoek gedaan. Volgens de raadsman is de verdachte op de hoogte van de zitting, maar is hij verhinderd omdat hij vanwege een gerechtelijke procedure die verband houdt met de erkenning van zijn zoon, in België is. Bij deze zitting zou hij in persoon aanwezig moeten zijn. Het hof heeft het verzoek afgewezen. Niet zou blijken dat de verdachte vanwege een gerechtelijke procedure in België is verhinderd om op de zitting van het hof te verschijnen. Ook wijst het hof erop dat de raadsman is gemachtigd om namens de verdachte de verdediging te voeren en dat de oproeping rechtsgeldig is uitgereikt. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof verzuimd heeft de voorgeschreven afweging van belangen toe te passen. Deze belangenafweging ziet op het belang van de verdachte om zijn in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht uit te oefenen en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting.2 Daarnaast zou het oordeel van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechtsgeldige uitreiking en de omstandigheid dat er een gemachtigd raadsman op de zitting aanwezig is geen compensatie kunnen bieden van de schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

4.4. Naar aanleiding van het op de terechtzitting gedane aanhoudingsverzoek en hetgeen daaraan door de raadsman ten grondslag is gelegd, heeft de voorzitter gewezen op een op 1 februari 2017 gedateerd e-mailbericht van een Belgische advocate over de zitting in België waarbij de verdachte aanwezig zou moeten zijn. Hierin staat vermeld dat de zitting in deze maand (februari 2007) zal plaatsvinden, maar dat de advocaat nog in afwachting is van een datum en uitnodiging van de rechtbank. In reactie hierop heeft de raadsman aangegeven dat er in België een korte termijn zit tussen de oproeping en de daadwerkelijke zitting. Vanwege die korte termijn en de kans voor verdachte om diens zoon zijn achternaam te geven, heeft hij ervoor gekozen in België af te wachten wanneer er een nieuwe zitting zal plaatsvinden in Antwerpen. De voorzitter constateert op basis hiervan dat de raadsman geen aanhoudingsverzoek doet op de grond dat de verdachte afwezig is vanwege een zitting op diezelfde dag in België. De raadsman heeft vervolgens geen nadere informatie verstrekt over de reden van afwezigheid van zijn cliënt. Mogelijk zou dit te maken hebben met de procedure in België, maar zijn cliënt heeft hij hierover niet meer gesproken.

4.5. Gelet op hetgeen door de raadsman ten grondslag is gelegd aan het aanhoudingsverzoek, acht ik het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is dat de verdachte vanwege een Belgische procedure afwezig is, niet onbegrijpelijk. De raadsman heeft er immers op gewezen dat de verdachte zelf ervoor gekozen heeft in België het proces af te wachten en dat hij nog in afwachting is van een oproeping voor de zaak. Aan het aanhoudingsverzoek ligt niet ten grondslag dat de verdachte op de dag van de terechtzitting in België bij het gerecht moest verschijnen. Nu het hof hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt niet aannemelijk heeft geacht, volgt uit het hiervoor onder nummer 4.2 genoemde overzichtsarrest dat het dit verzoek reeds hierom kon afwijzen. Bij die stand van zaken is het hof, anders dan in het middel wordt betoogd, niet tot een nadere belangenafweging gehouden. Dat het ontbreken van een belangenafweging zou zijn ‘goedgemaakt’ doordat er een gevolmachtigd raadsman is en de oproeping rechtsgeldig is betekend, berust dan ook op een verkeerde lezing van het arrest. Het oordeel van het hof dat het de aangevoerde grond voor het aanhoudingsverzoek niet aannemelijk heeft geacht, draagt de verwerping van het verzoek immers zelfstandig. Bovendien omvat het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht mede het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen, zodat het hof het ook vrijstond om dit aspect bij zijn oordeel te betrekken. De aard van de aangevoerde reden noopte het hof bovendien niet tot het bieden van gelegenheid voor de raadsman om het verzoek nader te onderbouwen.

4.6. Het middel faalt.

5. Het tweede middel klaagt ten aanzien van de onder 2. subsidiair bewezen verklaarde bedreiging dat het oordeel van het hof dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan deze echt zwaar zou worden mishandeld, onvoldoende met redenen is omkleed.

5.1. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder 2. subsidiair bewezen verklaard dat:

“hij op 17 mei 2012 te [woonplaats] [slachtoffer 1] (telefonisch) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte een sms-bericht gestuurd en opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "laatste waarschuwing kijk nog 1 keer naar je vingers je hebt ze hard nodig. We houden in de gaten" (…)”

5.2. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op het volgende bewijsmiddel:

“4.

Het proces-verbaal aangifte (met bijlagen) d.d. 20 mei 2012, dossierpagina’s 312 tot en met 320, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1] , wonende aan de [a-straat 1] , [postcode] te [woonplaats] , zakelijk weergegeven:

(pag. 312-314)

Ik doe aangifte van bedreiging.

Op 17 mei 2012 om 09.21 uur werd ik gebeld op mijn telefoon met nummer [telefoonnummer 1] door het nummer [telefoonnummer 2] . Dit is een mij onbekend nummer. Ik hoorde een mannenstem. Ik hoorde dat de stem zei: “[slachtoffer 1] , ik ben niet zo blij met jou!” Ik vroeg aan hem wie hij was. Ik hoorde dat de stem antwoordde: “Dat doet er niet toe ”. Ik hoorde dat de man zei: “Je moet het contact met [slachtoffer 2] verbreken ” en “Ik weet dat je contact hebt. Daar moet jij mee stoppen, want anders kon dat wel eens vervelende gevolgen hebben. Ik weet dat je gisteren om 22.45 uur thuis was en dat er om 0.00 uur nog een vriend bij je weg is gegaan. We houden je in de gaten! ”. Ik weet niet meer met welke woorden het gezegd is, maar wat hier nog op volgde hield in dat hij nog iets met haar had af te handelen. Het eerste wat in mij op kwam was dat deze man mogelijk dacht dat ik een relatie met haar onderhield. Daarom had ik gezegd dat ik alleen sms en facebook contact had met haar, om duidelijk te maken dat van een relatie geen sprake was. Het gesprek is beëindigd. Ik was redelijk geschrokken. Ik kan u zeggen dat ik wel even stond te shaken (..).

Op het moment dat dit gesprek begon was ik reeds op mijn werk aanwezig bij [B] te [woonplaats] .

Sms van nummer [telefoonnummer 2] om 17.10 uur op 17 mei (hof: 2012):

Laatste waarschuwing kijk nog 1x naar je vingers je hebt ze hard nodig we houden in de gaten ”.

Hof:

Een uitdraai van een screenshot van de telefoon van [slachtoffer 1] waarop dit sms- bericht is te zien is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd op dossierpagina 316.

Sms van nummer [telefoonnummer 2] om 20.53 uur op 17 mei (hof: 2012):

Geen reactie heb je het begrepen

Hof:

Een uitdraai van een screenshot van de telefoon van [slachtoffer 1] waarop dit sms- bericht is te zien is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd op dossierpagina 316.

Hierop heb ik naar het nummer [telefoonnummer 2] via sms geantwoord met de tekst:

Kerel, ik heb vandaag vanaf het moment dat je belde gewerkt tot net. Ik weet niet wat je probleem is (...) ”.

Hof:

Een uitdraai van een screenshot van de telefoon van [slachtoffer 1] waarop dit sms- bericht is te zien is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd op dossierpagina 317.

Sms van nummer [telefoonnummer 3] op 18 mei 2012 om 14.52 uur:

“ [slachtoffer 1] ik heb zo mijn problemen. De vraag is wil jij een groot probleem! Wil jij bevestigen dat je geen contact meer zult hebben met [slachtoffer 2] op geen enkele wijze.

Hof:

Een uitdraai van een screenshot van de telefoon van [slachtoffer 1] waarop dit sms- bericht is te zien is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd op dossierpagina 318.

Sms van nummer [telefoonnummer 3] op 18 mei 2012 om 14.52 uur:

[slachtoffer 1] je kent ons niet verbreek het contact met [slachtoffer 2] we weten hoe hardje je vingers nodig [a-straat 1] weten waar je werkt je bent gewaarschuwd. Komen wij bij je langs op de koffie bij [B] of bij je thuis (...)

Hof:

Een uitdraai van een screenshot van de telefoon van [slachtoffer 1] waarop dit sms- bericht is te zien is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd op dossierpagina 319.

Ik heb [slachtoffer 2] dus niet gesproken. Ik ben bang dat ik haar en/of mijzelf daarmee in gevaar breng. Ik vind de hele situatie beangstigend en voel me geïntimideerd en bedreigd.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.”

5.3.

Het bestreden arrest houdt daarnaast, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Ten aanzien van de feiten 1,2, 5 en 6

Het hof zal hierna de onder 1, 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten gezamenlijk bespreken, omdat die feiten naar het oordeel van het hof met elkaar samenhangen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Aangeefster [slachtoffer 2] huurde sinds 1 februari 2012 een appartement van verdachte in [woonplaats] in hetzelfde complex waar verdachte ook woonachtig was. Begin april 2012 heeft zij aan verdachte te kennen gegeven dat zij geen liefdesrelatie met verdachte wilde doch alleen een vriendschappelijke relatie. Hierna begon verdachte controlerend gedrag te vertonen jegens [slachtoffer 2] : zij mocht een vriend niet meer in haar appartement laten en mocht niet meer met hem praten, verdachte wilde weten waar zij was, met wie zij was, met wie zij had gepraat en waarom en verdachte werd boos als hij vond dat zij te laat thuis kwam. Ze heeft verklaard dat verdachte regelmatig midden in de nacht woedend naar haar appartement kwam en dan naast haar bed stond en wilde weten waar ze was geweest en waarom zij bij thuiskomst niet bij hem was geweest. Hoewel zij hem dan meermalen vroeg om weg te gaan, gaf verdachte daar geen gehoor aan Hierop heeft [slachtoffer 2] (dit speelde begin mei 2012) besloten om de deur van haar appartement zowel bij aanwezigheid als afwezigheid op slot te doen. Verdachte echter vond dat hij recht had op een sleutel van het appartement. [slachtoffer 2] heeft meer afstand van verdachte genomen en aan hem te kennen gegeven dat zij haar eigen leven heeft. Verdachte heeft tegen haar gezegd dat zij geen vrienden en/of kennissen meer op bezoek mocht krijgen (dossierpagina’s 154-156).

Op 24 mei 2012 is [slachtoffer 2] verhuisd naar de woning van haar moeder op het adres [c-straat 1] te [woonplaats] (dossierpagina 160).

Verdachte heeft verklaard dat hij toen hij [slachtoffer 2] leerde kennen, haar een fantastische meid vond en erg leuk en dat hij graag verder met haar wilde en een relatie met haar wilde (dossierpagina 98).

(…)

Gsm-contacten van een anoniem persoon met [slachtoffer 1] en [betrokkene 1]

[slachtoffer 2] heeft van haar ex-vriend [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) en van [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ), in wie zij een mogelijke toekomstige partner zag, gehoord dat zij telefonisch werden lastiggevallen door een onbekende die veel persoonlijke informatie over haar en haar gedrag wist te geven (dossierpagina’s 156 en 177).

Op 17 mei 2012 om 09.21 uur werd [slachtoffer 1] door een persoon, gebruikmakend van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] gebeld met de mededeling dat hij het contact met [slachtoffer 2] moest verbreken, omdat dat vervelende gevolgen kon hebben. De persoon deelde verder nog mee dat hij iets met [slachtoffer 2] had af te handelen. Voorts zei de persoon dat hij ervan op de hoogte was waar [slachtoffer 1] woont en dat [slachtoffer 1] in de gaten wordt gehouden. [slachtoffer 1] heeft aan de betreffende persoon duidelijk gemaakt dat van een relatie met [slachtoffer 2] geen sprake was.

Op 17 mei 2012 om 17.10 uur ontving [slachtoffer 1] een sms-bericht van voornoemd nummer met de tekst: “Laatste waarschuwing kijk nog lx naar je vingers je hebt ze hard nodig we houden in de gaten” en om 20.53 uur het bericht: ''heb je het begrepen”. [slachtoffer 1] heeft toen naar het nummer [telefoonnummer 2]onder andere ge-smst: “Kerel, ik heb vandaag vanaf het moment dat je belde gewerkt tot net. Ik weet niet wat je probleem is. (...) ” (dossierpagina’s 312 en 313).

Op 18 mei 2012 ontving [slachtoffer 1] om 14.52 uur een sms-bericht, maar nu van het telefoonnummer [telefoonnummer 3]met onder meer de tekst: "[slachtoffer 1] , ik heb zo mijn problemen. De vraag is wil jij een groot probleem! Wil jij bevestigen dat je geen contact meer zult hebben met [slachtoffer 2] op geen enkele wijze (...)”. Vervolgens ontving hij nog een sms, verstuurd met het nummer [telefoonnummer 3] met onder meer de inhoud: "[slachtoffer 1] je kent ons niet verbreek het contact met [slachtoffer 2] we weten hoe hard je je vingers nodig [a-straat 1] weten waar je werkt je bent gewaarschuwd (...) komen wij bij je langs op de koffie bij [B] of bij je thuis (...)" . (dossierpagina 314). [slachtoffer 1] woonde op het adres [a-straat 1] te [woonplaats] en werkte in [B] (dossierpagina 312 en 313).

(…)

Het hof gaat ervan uit dat de berichten aan [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] , afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3], afkomstig zijn van één en dezelfde persoon. Immers: de met deze nummers in een kort tijdsbestek (tussen 17 en 19 mei 2012) verzonden berichten aan [betrokkene 1] en [slachtoffer 1] hebben betrekking op het privéleven, met name de relaties van [slachtoffer 2] . Bovendien sluit de inhoud van het sms-verkeer naar en van [slachtoffer 1] met het nummer [telefoonnummer 2] , naadloos aan op de sms-inhoud met het nummer [telefoonnummer 3] . De berichten hebben de strekking haar in een kwaad daglicht te plaatsen dan wel een mogelijk toekomstige relatie te dwarsbomen. [slachtoffer 1] wordt zelfs bedreigd als hij het contact met [slachtoffer 2] niet verbreekt.

Vernielingen bij [slachtoffer 1]

Op 3, 8 en 14 juni 2012 werd telkens bij [slachtoffer 1] een steen door een ruit van zijn woning gegooid (dossierpagina’s 321). Uit onderzoek is gebleken dat [betrokkene 2] hier tweemaal bij betrokken is geweest. [betrokkene 2] heeft hierover bij de politie verklaard dat hij dit samen met [betrokkene 3] (hof: [betrokkene 3] ) heeft gedaan in opdracht van verdachte. Verdachte zou namelijk ruzie hebben met [slachtoffer 2] . Verdachte had het adres aan hen doorgegeven.

In de auto die bij verdachte in gebruik was is in een mapje met pasjes ten name van verdachte een briefje aangetroffen met de tekst: ‘ [a-straat 1] , [postcode] [woonplaats] ’ (dossierpagina’s 78 en 80). Dit is het woonadres van [slachtoffer 1] .

De relatie tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is ook onderwerp van gesprek geweest tussen verdachte en [slachtoffer 2] . Enkele weken eerder heeft verdachte namelijk aan haar gevraagd of zij [slachtoffer 1] kent, waarvan zij hem kent, hoe lang zij elkaar kennen en wat voor band zij hebben. In gesprekken tussen verdachte en [slachtoffer 2] werd vaker over [slachtoffer 1] gesproken (dossierpagina’s 157 en 158).

(…)

Conclusie

Uit al het voorgaande en wat overigens uit de bewijsmiddelen blijkt, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof het volgende af.

Verdachte wilde een relatie met [slachtoffer 2] , maar zij wilde dat niet. Zij zag een mogelijke partner in [slachtoffer 1] . Verdachte reageerde daar boos op en is vanaf dat moment [slachtoffer 2] gaan controleren. Hij heeft haar bevraagd over haar relatie met [slachtoffer 1] . Nadat [slachtoffer 2] was verhuisd is verdachte nagegaan waar zij verbleef en heeft opdracht gegeven om vernielingen aan te richten bij de woning van [slachtoffer 1] en aan de auto van [slachtoffer 2] en brand te stichten bij de woning waar [slachtoffer 2] op dat moment verbleef en daarna ook brand te stichten bij de woning van de vader van [slachtoffer 2] .

De bedreigingen die via de gsm-nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] aan [slachtoffer 1] zijn gericht passen in dit beeld. Aan [slachtoffer 1] is immers opgedragen om zijn contacten met [slachtoffer 2] te verbreken omdat dat vervelende gevolgen kon hebben. Het hof gaat er dan ook van uit dat het verdachte is geweest die middels de genoemde gsm-nummers [slachtoffer 1] heeft bedreigd.

Dit brengt mee dat verdachte ook degene is geweest die de berichten over het privéleven van [slachtoffer 2] via de gsm-nummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3]naar [betrokkene 1] heeft verstuurd. Dit vindt nog steun in het navolgende.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op 19 mei 2012 sms-berichten kreeg over een seksuele relatie tussen [slachtoffer 2] en [betrokkene 4] waarin het gsm-nummer van die [betrokkene 4] werd vermeld. [betrokkene 1] heeft geantwoord dat het nummer niet klopte, waarna hij vervolgens het correcte gsm-nummer ontving (dossierpagina’s 215-216). Bij de doorzoeking van de auto van verdachte is een briefje aangetroffen met de naam en het gsm-nummer van [betrokkene 4] (dossierpagina’s 78 en 83).

Voorgaande sterkt het hof in de overtuiging dat verdachte de gebruiker is geweest van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] en met deze nummers de sms-berichten heeft gestuurd aan [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] .

Het hof acht ook bewezen dat verdachte de gebruiker was van de gsm-nummers [telefoonnummer 4]., [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 6] via welke nummers berichten zijn verstuurd naar [slachtoffer 2] . Uit een aantal van die berichten blijkt dat zij in de gaten werd gehouden. Ook dit past in het hiervoor geschetste beeld. Verdachte controleerde en intimideerde haar. De inhoud van een aantal berichten past ook in de opstelling van verdachte jegens haar. Via het nummer [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 4] kreeg zij het bericht dat zij eerlijk moest zijn. Dit komt overeen met een bericht dat zij via het gsm-nummer [telefoonnummer 3] van verdachte heeft ontvangen dat zij niet eerlijk zou zijn geweest en dat verdachte kosten heeft gemaakt in de veronderstelling dat er geen andere jongen in het spel zou zijn, terwijl verdachte daar meermalen naar heeft gevraagd (dossierpagina’s 160 en 172). Verdachte heeft over dit bericht bij de politie verklaard: “Als ze eerlijk zijn en vertellen dat ze een andere jongen hebben en we gaan uit eten, dan betalen we ieder de helft" (dossierpagina 102).

Het hof merkt verder nog op dat niet alleen uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat verdachte wist waar [slachtoffer 2] woonde, maar dat dit ook blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 2] dat verdachte op 30 mei 2012 in de buurt was van de woning waar zij verbleef. Bovendien was er vanaf die locatie zicht op haar slaapkamer (dossierpagina’s 178 en 182). Op 02 juni 2012 ontving [slachtoffer 2] een sms-bericht van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] waaruit blijkt dat de persoon die het bericht heeft verstuurd wist hoe laat zij een aantal dagen eerder naar bed is gegaan (dossierpagina’s 160 en 173). Tot slot verwijst het hof naar het sms-bericht van 9 juni 2012 om 05.00 uur van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] met de tekst ‘Fijne verjaardag’. Kort daarvoor, omstreeks 04.50 uur, werden de spiegels van de auto van [slachtoffer 2] vernield; de auto stond bij de woning in [woonplaats] waar zij verbleef (dossierpagina’s 173, 250 en 254). Verdachte was de opdrachtgever van vernieling van de spiegels van de auto van [slachtoffer 2] .”

5.4.

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling. Deze bedreiging bestond uit een sms-bericht met als inhoud: “laatste waarschuwing kijk nog 1 keer naar je vingers je hebt ze hard nodig. We houden je in de gaten.” In het middel wordt aangevoerd dat de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed. Zo zou het hof geen nadere vaststellingen hebben gedaan ten aanzien van de omstandigheden waaronder het sms-bericht is gestuurd, terwijl de bewoordingen in het bericht ook niet van dien aard zijn dat de zware mishandeling hieruit rechtstreeks volgt.

5.5.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling, is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.3 Voor een veroordeling is niet vereist dat komt vast te staan dat bij de bedreigde daadwerkelijk de vrees voor aantasting van de persoonlijke vrijheid is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat zij in het algemeen geschikt is de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen.4 Bovendien dienen volgens Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink de omstandigheden waaronder de bedreiging is geuit te worden beschouwd als een aanvulling op de door de verdachte geuite woorden, die de woorden verder versterken, en niet als factoren die aan de als zodanig bedreigende bewoordingen het bedreigende karakter kunnen ontnemen.5 Met die laatste toevoeging bedoelt de auteur als ik het goed zie dat de gestelde (enkele) onmogelijkheid voor de verdachte om de bedreiging al dan niet onmiddellijk ten uitvoer te brengen aan de bedreiging niet afdoet.6

5.6.

Het hof heeft de inhoud van het aan de aangever toegezonden sms-bericht in samenhang bezien met hetgeen zich voor het overige heeft afgespeeld. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat aangever [slachtoffer 1] een mogelijke toekomstige partner was van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] woonde in een appartementencomplex waar ook de verdachte een woning had. In april 2012 heeft [slachtoffer 2] aan de verdachte te kennen gegeven dat zij geen liefdesrelatie met hem wilde. Deze afwijzing leidde tot vergaand controlerend gedrag door de verdachte. Zo mocht zij haar vriend niet meer in haar appartement laten en met hem praten, zij moest aan verdachte laten weten waar zij was, met wie zij was en met wie zij had gepraat en waarom. Als ze laat thuis kwam, werd de verdachte boos. Ook heeft zij verklaard dat de verdachte regelmatig midden in de nacht woedend naar haar appartement kwam en dan naast haar bed stond en wilde weten waar ze was geweest en waarom zij bij thuiskomst niet bij hem was geweest. Een en ander leidde uiteindelijk tot een reeks aan feiten, waarvoor de verdachte in deze zaak veroordeeld is. Zo is de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van brandstichting bij de woning van de moeder én bij de woning van de vader van [slachtoffer 2] , het medeplegen van vernielen van ruiten bij de woning van [slachtoffer 1] en voor de hier centraal staande bedreiging van [slachtoffer 1] .

5.7.

Ook de tot het bewijs gebezigde aangifte van [slachtoffer 1] werpt licht op de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte. Hierin staat vermeld dat [slachtoffer 1] op de ochtend van 17 mei 2012 een telefoontje ontving waarin door een mannenstem onder meer het volgende werd gezegd: “ [slachtoffer 1] , ik ben niet zo blij met jou! (…) Je moet het contact met [slachtoffer 2] verbreken (…) Ik weet dat je contact hebt. Daar moet jij mee stoppen, want anders kon dat wel eens vervelende gevolgen hebben. Ik weet dat je gisteren om 22.45 uur thuis was en dat er om 0.00 uur nog een vriend bij je weg is gegaan. We houden je in de gaten!” Rond de klok van 5 uur ontving de aangever vanaf hetzelfde telefoonnummer het in de bewezenverklaring genoemde sms-bericht. Een dag later, op 18 mei, kreeg de aangever vanaf een ander nummer een bericht met als inhoud: “ [slachtoffer 1] je kent ons niet verbreek het contact met [slachtoffer 2] we weten hoe hard je je vingers nodig [a-straat 1] weten waar je werkt je bent gewaarschuwd. Komen wij bij je langs op de koffie bij [B] of bij je thuis (...)”. Uit de aangifte blijkt dat [a-straat 1] het adres is waar de aangever woont en dat [B] het café is waar de aangever werkt.

5.8.

Aan [slachtoffer 1] is een bericht gestuurd waarin hem wordt aangespoord om nog één keer naar zijn vingers te kijken en dat dit een laatste waarschuwing betreft. Het hof heeft hieruit kunnen afleiden dat bij de aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zou worden mishandeld en daarbij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Anders dan in het middel wordt betoogd, is het bericht van zodanige aard dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan. De bewoordingen, die die er onder meer uit bestaan dat het een laatste waarschuwing betreft en dat hij “nog 1 keer” naar zijn vingers moet kijken die hij “hard nodig heeft”, bieden voldoende aanknopingspunten voor de vrees voor zware mishandeling. Dat de verdachte niet expliciet kenbaar heeft gemaakt wat er met de vingers gaat gebeuren, staat aan de bewezenverklaring niet in de weg. Uit deze bewoordingen blijkt voldoende dat gedreigd wordt met een gewelddadige handeling, die zware mishandeling tot het gevolg kan hebben.7 Bovendien kunnen de omstandigheden waaronder de woorden zijn geuit, de uitlating de strekking geven dat deze op zware mishandeling gericht is.8 Gelet op de hiervoor onder nummer 5.6 en 5.7 genoemde omstandigheden, zijn de uitlatingen gedaan onder zodanige omstandigheden dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Aan de aangever is te kennen gegeven dat hij weet waar hij werkt, wat voor soort werkzaamheden hij verricht, hoe laat hij de avond ervoor thuis kwam, wie er bij hem aanwezig was en dat de aangever contact heeft met [slachtoffer 2] . Daarbij kan niet onvermeld blijven dat op latere momenten ruiten zijn ingegooid bij de aangever.

5.9.

Het middel faalt dan ook.

6. Het derde middel klaagt ten aanzien van feit 4 dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering geen voorbereiding van de bewezen verklaarde afpersing als bedoeld in art. 317 Sr kan blijken.

6.1.

Voor een goed begrip geef ik eerst de tenlastelegging van dit feit 4 weer:

“hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 juli 2012 tot en met 16 juli 2012 te Breda, in elk geval in Nederland, ter voorbereiding van het met anderen of een ander, althans alleen, te plegen misdrijf/misdrijven, te weten:

- diefstal met geweldpleging (in vereniging) en/of

- afpersing (in vereniging) en/of

- opzettelijke vrijheidsberoving (in vereniging),

opzettelijk een of meer voorwerp(en) en/of informatiedrager(s) te weten:

- drie, althans een (aantal), (peil)baken(s), althans plaatsbepalingsapparatuur, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of voorhanden gehad, welk(e) voorwerp(en) en/of informatiedragers), (al dan niet in combinatie met elkaar), bestemd waren tot het in vereniging, althans alleen begaan van dat/die misdrijf/misdrijven,

gelet op: de contacten middels mobiele telefoon en/of sms en/of de applicatie whatsapp tussen verdachte en/of een persoon die zich [betrokkene 5] / [betrokkene 5] noemde en kennelijk als prostituée werkt(e) en/of een of meer medeverdachte(n), tijdens welke contacten werd gesproken over het laten volgen van een of meerdere (te overvallen en/of af te persen en/of opzettelijk van zijn/hun vrijheid te beroven) subject(en), zijnde klanten van voomoemde [betrokkene 5] / [betrokkene 5] en/of haar collega('s);”

6.2.

Hiervan is ten laste van de verdachtebewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 9 juli 2012 tot en met 16 juli 2012 te Breda, ter voorbereiding van met een ander te plegen misdrijven, te weten:

- afpersing

opzettelijk plaatsbepalingsapparatuur heeft verworven en voorhanden gehad, welk voorwerp bestemd was tot het in vereniging begaan van die misdrijven,

gelet op: de contacten middels mobiele telefoon tussen verdachte en een persoon die zich [betrokkene 5] / [betrokkene 5] noemde en kennelijk als prostituee werkte, tijdens welke contacten werd gesproken over het laten volgen van (af te persen) subjecten, zijnde klanten van voornoemde [betrokkene 5] / [betrokkene 5] of haar collega;”

6.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een uitdraai van een tapgesprek, dossierpagina 437-438, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Tijdstip : 09-07-12

Met nummer : [telefoonnummer 7]

Tenaamstelling : [betrokkene 5]

Beller : [verdachte] (hof: verdachte [verdachte] )

Gebelde : NNvrouw (hof: [betrokkene 5] )

H: hoeveel geld mot ie meenemen voor...hoe heet dat meisje ook alweer?

N: [betrokkene 6] ?

H: Ja.

(...)

N: Maar ik denk wel dat ie wat centen meeneemt om stoer te doen.

H: ja. Want hij had altijd veel geld op zak?

N:ja.

H: als ie bij jou was?

N: jawel

(...)

H: Ik ga overleggen met mijn jongens.

N: Ja.

H: dan neem ik een leningsovereenkomst mee.

N: Ja.

H: En als ie geen geld bij heeft dan kan ie dat tekenen.

N: Oke, is goed.

H: we ontfutselen hem alles wat waarde heeft.

(...)

N: Ja

Is goed [verdachte] .

2.

Een uitdraai van een tapgesprek, dossierpagina 460, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Tijdstip : 14-07-12

Met nummer : [telefoonnummer 7] (hof: [betrokkene 5] )

[verdachte] belt uit naar [ [betrokkene 5] ]

[verdachte] vraagt [ [betrokkene 5] [ of ze alleen is. Ze zegt dat ze alleen is. [verdachte] vertelt dat hij een car-tracer heeft gekocht. [verdachte] wil met [ [betrokkene 5] ] afspraken maken mocht ze wat tegenkomen. [verdachte] zegt dat ze die ene gewoon kunnen volgen totdat hij thuis uitstapt. [ [betrokkene 5] ] hoopt dat die ene kan waar ze het over heeft. Hij had veel flappen bij.

3.

Een uitdraai van een tapgesprek, dossierpagina 463, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gespreksgegevens : TAP02

Tijdstip : 16-07-12

Met nummer : [telefoonnummer 8]

Beller : [verdachte]

Gebelde : [medeverdachte]

Diskgegevens : 1100

[verdachte] belt uit naar [medeverdachte]

H: Ik heb dat ding gehaald. Ik ga nu even naar [betrokkene 5] toe. Dan geef ik haar die telefoon.

A: Dat is goed.

H: Kan ze mij sms-en met die telefoon.

H: Laten we dat ding maar gelijk gaan gebruiken.

A: Dat is goed, komt helemaal goed.

H: En dan maken we even plan de campagne van hoe of wat en dan kijken we even waar hij allemaal geweest is.

A: Dat is goed.

4.

Een afzonderlijk in het dossier gevoegd proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 26 oktober 2012, proces-verbaalnummer PL202M 2012109798-102, blad 1 tot en met 8, (opgenomen bij het aanvullend proces-verbaal nr 2012109798) opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (beiden hoofdagent), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] , zakelijk weergegeven:

(blad 2)

V: Wat voor werk doe je?

A: Ik werk in de escort.

(blad 3)

[verdachte] is mijn oude werkgever bij [A] .

(blad 5)

V: Je bent aangehouden voor voorbereidingshandelingen. Wat wil je daarover vertellen?

A: Ik kende een man genaamd [betrokkene 7] . Ik wilde een huisje van hem huren. Ik heb hem 1000 euro contant betaald en hij zou mij de huissleutel geven. Vervolgens kon ik hem niet meer bereiken. Ik heb dit verhaal verteld tegen [verdachte] en hij zei tegen mij dat hij het geld ging terug halen. [verdachte] vertelde mij dat hij met de jongens deze [betrokkene 7] ging opwachten, zodat [betrokkene 7] dan 1000 euro terug zou betalen.

V: Hoe is dat dan gegaan?

A: Mijn vriendin [betrokkene 6] had met [betrokkene 7] afgesproken om naar een vakantiehuisje te gaan. [verdachte] had dat vakantiehuisje geregeld. Als [betrokkene 6] met [betrokkene 7] het huisje binnen zou gaan, zou [verdachte] met de jongens het huisje binnen stormen. Alle spullen zouden dan van [betrokkene 7] afgepakt worden en hij zou dan een telefoontje mogen plegen om 1000 euro te regelen.

V: Wat heb jij gedaan?

A: Ik heb telefonisch contact gehad met [betrokkene 6] en dit dan weer doorgegeven aan [verdachte] . Ik was de tussenpersoon tussen [betrokkene 6] en [verdachte] . Ik wilde een groep Whatsapp maken zodat [verdachte] , [betrokkene 6] en ik contact met elkaar hadden, maar dat wilde [verdachte] niet, omdat hij bang was dat hij werd afgeluisterd.

V: Waarom dacht [verdachte] dat hij werd afgeluisterd?

A: Hij had een volgsysteem. Hij heeft een keer aan mij voorgesteld om klanten van mij te laten volgen en dan deze klanten af te persen.

V: Hoe heeft dat gesprek plaatsgevonden?

A: [verdachte] stelde aan mij voor om mijn klanten af te gaan persen. Hij wilde dan dat de klant naar mij kwam en ik moest dan doorgeven welke auto deze klant had. [verdachte] zou dan dat volgsysteem onder de auto van de klant plakken. [verdachte] zou dan de klant volgen om te kijken in wat voor huis hij woonde, een eigen zaak, vrouw en kinderen. Hij wilde dan deze klant confronteren dat hij bij mij was geweest en als het stil moest blijven, dan moest de klant betalen.

(blad 6)

Enkele passages uit een tapgesprek van 13 juli 2012 tussen [verdachte] en jou.

H: ik heb iets gekocht.

Wat we de vorige keer met jou besproken hebben. Als je wel eens iemand tegen komt met een beetje geld...

S: O, [verdachte] , geloof me maat, echt ik heb er maandag een paar staan.

H: echt?

S: Ja, ik heb... maandag heb ik twee dates. En die mannen, echt die man komt echt iedere week.

H: Ja.

S: En die spreekt dan af voor 350 plus hij komt dan gelijk voor de seks enne hij heeft zijn eigen bedrijf. Daar moeten we het nog maar over hebben een keertje.

H: Ja, en ook vrouw en kinderen dat jij weet?

S: ja de ene wel de ander niet. De ander heeft net een nieuwe relatie dus dan moeten we effe kijken.

H: ik heb nou een systeem dat klikje hup zo onder iemands auto en dan ken je hem overal volgen waar ie naartoe gaat. Dus dan hoefje hem ook niet laat maar zeggen bij jou hoeft niks met jou te associëren zeg maar.

V: wat kun je hierover vertellen?

A: het ene verhaal gaat over het afpersen van klanten.

(blad 7)

Op 15 juli 2012 vraagt [verdachte] aan jou ofjij maandag 16 juli 2012 in Gilze Rijen zit. Jij zegt dan datje er morgenavond bent en dat er al sowieso één klant met knaken vast staat. [verdachte] vraagt of dat die met een gezin is, maar jij geeft aan dat jij denkt dat het de vrijgezel is.

V: Wat kun jij hierover vertellen?

A: Dit was een man. Hij zou voor 300 euro langskomen. Hij is langs geweest en ik had 700 euro extra gekregen. Ik heb dit tegen [verdachte] verteld. Ik zou dan met [verdachte] nog bespreken wanneer die man weer zou komen. [verdachte] wilde deze man gaan volgen en kijken waar zijn zaak is. Hij wilde dan geld hebben door hem af te persen.

Op 16 juli 2012 geeft een andere persoon aan [verdachte] aan dat hij (waarschijnlijk de zender) het doet waarop [verdachte] tegen hem zegt dat hij precies kan zien waar die persoon op dat moment rijdt. [verdachte] zegt dat hij nu naar jou gaat om een telefoon af te geven waarmee jij naar [verdachte] kan sms-en (bron TAP02, gesprek nr. 1100).

Wat kan jij hierover vertellen?

A: Dat klopt. [verdachte] heeft mij toen een mobiele telefoon gegeven, een Samsung. Hij kon mij dan altijd bereiken. Als ik dan klanten had met geld dan kom ik hem bellen.

V: Wat moet jij dan naar [verdachte] sms-en?

A: Ik moest dan doorgeven wat voor auto, kenteken en hoe deze man eruit zag.

V: Wat is je telefoonnummer?

A: [telefoonnummer 7] .

5.

Het proces-verbaal verhoor getuige van de rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 8 februari 2013, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 5] , zakelijk weergegeven:

Bij de politie heb ik naar waarheid verklaard.

6.

Een Kennisgeving van inbeslagneming met registratiedatum 1 augustus 2012, dossierpagina’s 576 tot en met 581, in samenhang met het gegevensblad verdachte [verdachte] op dossierpagina 33, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(pag. 576)

Inbeslagneming

Datum : 1 augustus 2012

Omstandigheden : aangetroffen tijdens doorzoeking [b-straat 1] [woonplaats] .

Beslagene

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979.

(pag. 578)

Goednummer : 795529

Inhoud : GPS-tracker met toebehoren

(pag. 33)

Persoonsgegevens verdachte:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979, verblijfadres [b-straat 1] te [woonplaats] .”

6.4.

In zijn arrest heeft het hof daarnaast nog het volgende overwogen:

Ten aanzien van feit 4

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen dient te worden vrijgesproken. Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 5] van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat zij onbetrouwbaar is. Immers, [betrokkene 5] had redenen om voor verdachte belastend te verklaren, namelijk vanwege rancune, macht, geld en drugs.

Voorts is niet vast te stellen dat verdachte de door hem gekochte GPS-tracker heeft aangeschaft voor het voorbereiden van strafbare feiten. Verdachte heeft deze gekocht voor legitieme doeleinden.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt:

- dat verdachte telefonisch contact heeft gehad met [betrokkene 5] over een klant van een andere prostituee die ze geld afhandig wilden maken (dossierpagina 437);

- dat op 14 juli 2012 een gesprek plaatsvond, waarbij verdachte zegt dat hij een car- tracer heeft gekocht, dat ze die ene gewoon kunnen volgen (dossierpagina 460);

- dat verdachte op 16 juli 2012 tegen [medeverdachte] heeft gezegd dat hij naar [betrokkene 5] (hof: [betrokkene 5] ) gaat om een telefoon af te geven, waarmee zij naar hem, verdachte, kan sms’en en voorts dat verdachte tegen [medeverdachte] zei: “laten we dat ding maar gelijk gaan gebruiken” (dossierpagina 463).

[betrokkene 5] heeft bij de politie verklaard dat zij als prostituee werkt, dat zij van verdachte een telefoon heeft gekregen op 16 juli 2012 zodat zij contact kon houden met verdachte. Verdachte zou een volgsysteem onder de auto van een klant plakken en zou de klant confronteren met het bezoek aan een prostituee teneinde geld af te persen (aanvullend proces-verbaal in het dossier).

In de woning van verdachte is plaatsbepalingsapparatuur (een GPS-tracker) aangetroffen (dossierpagina 578).

Gelet op het voorgaande en wat overigens uit de bewijsmiddelen blijkt, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte plaatsbepalingsapparatuur heeft verworven en voorhanden heeft gehad, bestemd tot het met een ander plegen van afpersing.

In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen van [betrokkene 5] . Het hof merkt in dit verband op dat [betrokkene 5] bij haar verhoor door de raadsheer-commissaris is gebleven bij de inhoud van de door haar bij de politie afgelegde verklaring.

Het hof verwerpt het verweer.”

6.5.

De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen van afpersing. Deze voorbereidingshandelingen bestonden, zo volgt uit de bewijsvoering, uit het aanschaffen en voorhanden hebben van volgapparatuur. De verdachte had het plan opgevat om tezamen met de als prostituee werkzame medeverdachte [betrokkene 5] personen ‘af te persen’. Aan [betrokkene 5] was door de verdachte een telefoon ter beschikking gesteld, waarmee hij geïnformeerd kon worden over de klanten die [betrokkene 5] ontving. De verdachte zou vervolgens het volgsysteem plaatsen op de auto van de klant, waarna die persoon met het prostitueebezoek zou worden geconfronteerd. Indien de klant aan de verdachte zou betalen, zou het prostitueebezoek worden stilgehouden.

6.6.

Voorbereiding van misdrijven is in art. 46 Sr strafbaar gesteld voor feiten waarop naar de wettelijke omschrijving acht jaar of meer gevangenisstraf is gesteld. In deze zaak is bewezen verklaard dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft medegepleegd voor “afpersing”. In de context van de tenlastelegging, kan dit begrip bezwaarlijk anders worden opgevat dan als afpersing, zoals strafbaar gesteld in art. 317 Sr. Vereist is immers dat in de tenlastelegging van voorbereiding voldoende duidelijk blijkt op welk misdrijf de voorbereidingshandelingen zijn gericht en uit de tenlastelegging (en de kwalificatie) bovendien blijkt dat het gaat om een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Daartoe kan met het overnemen van een (korte) kwalificatie van dat misdrijf in de tenlastelegging worden volstaan.9 In de onderhavige tenlastelegging is dit ook zo gedaan: er is daarbij de keuze gelaten aan de rechter om een of meer van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven, waarop steeds acht jaar of meer egvangenisstraf is egsteld, als object van de voorbereiding bewezen te achten.

6.7.

Voor bewezenverklaring van een strafbare voorbereiding geldt vervolgens dat uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat de bewezen verklaarde gedragingen van de verdachte strekten ter voorbereiding van dat misdrijf en dat zijn opzet op het begaan daarvan was gericht.10 In de toelichting op het middel wordt terecht opgemerkt dat voor afpersing in de zin van art. 317 Sr de eis wordt gesteld dat sprake is van geweld of bedreiging met geweld om de in de wettekst genoemde prestaties, zoals de afgifte van enig goed te verrichten. Het juridische en het ‘gewone’ taalgebruik van het woord afpersing lopen op dit punt echter uiteen, aangezien in de volksmond ook zonder het geweldselement gesproken zal worden over afpersing. In zo’n geval is juridisch gezien geen sprake van afpersing, maar wellicht wel van het misdrijf art. 318 Sr, waarin ‘afdreiging’ strafbaar is gesteld en het geweldselement geen bestanddeel vormt. Strafbare voorbereiding van dit delict is echter niet aan de orde, omdat de maximale gevangenisstraf voor dit feit niet 8 jaar of meer bedraagt.

6.8.

Wellicht heeft het hof zich laten leiden door het ruimere begrip ‘afpersing’, zoals dat in de als bewijsmiddel opgenomen verklaringen lijkt te zijn gebezigd. De bewijsvoering van het hof houdt echter over een koppeling tussen de voorbereidingshandelingen en de (dreiging met) geweld als bedoeld in art. 317 Sr niets in. De bewezenverklaring is dan ook onvoldoende met redenen omkleed.

6.9.

Wat betreft de wijze van afdoening van de zaak, gelet op het slagen van de bewijsklacht, merk ik het volgende op. Anders dan de steller van het middel voor ogen staat, meen ik niet dat de Hoge Raad, ten principale rechtdoende, de verdachte voor feit 4 dient vrij te spreken. Onder omstandigheden kan de Hoge Raad zelfstandig vrijspreken, indien na verwijzing geen andere uitspraak dan integrale vrijspraak zal kunnen volgen.11 Ook kan – doelmatigheidshalve - vrijspraak volgen indien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast door de vrijspraak van een bepaald feit.12 Beide situaties doen zich hier niet voor. Een algehele vrijspraak voor dit feit ligt in cassatie niet in de rede. Wel is sprake is van een motiveringsgebrek. In cassatie kan niet worden onderzocht of en in hoeverre de verdachte voor de voorbereidingshandelingen, al dan niet na een wijziging tenlastelegging, kan worden veroordeeld. Daarnaast kan niet gezegd worden dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet wordt aangetast door de vrijspraak van een bepaald feit. Nu het hof bij de strafmotivering de strafbare voorbereidingshandelingen uitdrukkelijk in aanmerking heeft genomen, meen ik dat terugwijzing de aangewezen route is.

6.10.

Het middel slaagt.

7. Het vierde middel, dat klaagt over de schending van de inzendtermijn, behoeft geen bespreking nu het tijdsverloop immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld.13

8. De eerste twee middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het derde middel slaagt en het vierde middel behoeft geen bespreking.

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zoverre en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:HR:2018:1957.

2 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1957, rov. 2.4.2.

3 Zie bijv. HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1679, NJ 2018/454.

4 HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309, rov. 3.4.2.

5 Vgl. A.J. Machielse in Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), aant. 4 bij art. 285 Sr (bijgewerkt tot en met 1 oktober 2012).

6 Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, NJ 2018/118.

7 Zie ook A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 4 bij art. 285 Sr: “Wanneer gedreigd wordt met een gewelddadige handeling van dien aard dat bij de bedreigde de redelijke vrees kan ontstaan dat hij bij eventuele uitvoering het leven zal verliezen, valt de bedreiging onder dit artikel, ook al heeft de dader niet als zijn voornemen het veroorzaken van de dood bepaaldelijk te kennen gegeven.”

8 Vgl. bijv. HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1802 (“ik onthoud je gezicht en als je in burger loopt dan pak ik je”) en HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3608 (“jou pak ik nog”).

9 Vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200.

10 Vgl. HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233, NJ 2014/338 m.nt. Rozemond.

11 Zie bijv. HR 25 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0869, NJ 1998/273.

12 Zie bijv. HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191.

13 Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.5.3.