Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:316

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-04-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
18/03585
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:831
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Overval op bank en drogisterij. Diverse bewijsklachten, onder meer over het gebruik van schakelbewijs. De AG adviseert het beroep in cassatie te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/03585

Zitting: 2 april 2019

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 maart 2018 door het hof Amsterdam wegens (zaak A) 1 primair. “afpersing”, (zaak A) 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, (zaak B) 1. “diefstal, voorafgegaan van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden” en (zaak B) 2. “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest verwoord.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. A. Kilinç, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het gaat hier in de kern om twee overvallen in Amsterdam. Zaak A betreft een overval op een ING filiaal op 13 oktober 2016. In die zaak is de overval (feit A onder 1 primair) na politie-interventie beëindigd, heeft verdachte in de kern bekend (bewijsmiddel 9 van de aanvulling op het arrest van het hof ) en een gebruikt vuurwapen (feit A onder 3) is ter plaatse aangetroffen (bewijsmiddelen 7 en 8 van de aanvulling op het arrest). Zaak B betreft een daaraan enkele maanden voorafgaande overval op 20 juni 2016 op [A] (feit B onder 1 primair) en een daarmee nauw samenhangende wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit B2). Het bewijs van betrokkenheid van verdachte bestaat uit een aangetroffen DNA-spoor aangevuld met schakelbewijs (overeenkomsten met zaak A) (met name bewijsmiddelen 12, 14, 16 t/m 19 in de aanvulling op het arrest). In de zaak is verdachte vrijgesproken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit B onder 3).

  4. De middelen keren zich alle drie tegen de motivering van de bewezenverklaring van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

  5. Alvorens ik de middelen bespreek, geef ik hier eerst de bewezenverklaring, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

  6. Ten laste van de verdachte is in zaak B bewezenverklaard dat:

“1:

hij op 20 juni 2016 in de gemeente Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 9.875 euro, toebehorende aan [A], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte:

- voorzien van donkere kleding en een opengeklapte paraplu en met een capuchon over zijn hoofd en met een sjaaltje voor zijn gezicht en een zwarte bril en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, het pand van [A] heeft betreden, en

- het op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] heeft getoond en op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft gericht, en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd/geschreeuwd dat zij naar achteren moest lopen en 'slowly, slowly', tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft gezegd/geschreeuwd 'geld, geld, geld en tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gezegd/geschreeuwd dat zij op de grond moesten gaan zitten, en

- die [slachtoffer 2] aan de arm heeft vastgepakt, en

- het op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft doorgeladen, en

- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gezegd dat ze met het gezicht naar de muur moesten gaan zitten met de handen op de rug, en

- de handen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met ductape heeft vastgebonden, en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen, en

- de handen van die [slachtoffer 2] met ductape heeft vastgebonden, en

- die [slachtoffer 2] hard in de rug heeft getrapt.

2:

hij op 20 juni 2016 in de gemeente Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door

- die [slachtoffer 2] aan de arm vast te pakken, en

- tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] te zeggen dat ze met het gezicht naar de muur moesten gaan zitten met de handen op de rug, en

- de handen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met ductape vast te binden, en

- tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij op de grond moest gaan liggen, en

- de handen van die [slachtoffer 2] met ductape vast te binden, en

- die [slachtoffer 2] hard in de rug te trappen.”

7. Het hof heeft in een aanvulling op het arrest – voor zover voor de bespreking van de middelen relevant – de volgende bewijsmiddelen opgenomen, waarbij het hof heeft overwogen dat de bewijsmiddelen die ook relevant zijn voor hetgeen overigens is bewezen verklaard tevens redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten:

“(…)

12. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2016133247-6 van 20 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , p. 43-48 van het doorgenummerde dossier. Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van [slachtoffer 2] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

(…).

Hij had zwarte schoenen met een rood embleem op de zijkant en een dunne witte zool. Tussen de schoen en de zool zat een dun soort foam-randje. Het waren veterschoenen. Ik weet het zo goed omdat ik op de grond heb gelegen en toen alleen zijn schoenen zag. Zijn wapen was zilverkleurig en vrijwel even groot als zijn hand, het wapen stak wel ietsje uit.

(…)

14. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016 133 247, van 2 februari 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , p. 9-19 van het doorgenummerde dossier. Dit proces-verbaal houdt in als mededeling van de verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op maandag 20 juni 2016 heeft omstreeks 12:42 uur bij [A] op het [adres] te Amsterdam een gewapende overval plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze overval zijn op last van de Officier van Justitie diverse camerabeelden gevorderd van winkels in de directe omgeving van de plaats delict. Ook is gebruik gemaakt van de aanwezige camera’s (CCTR) die zich ten behoeve van de openbare orde op het [adres] bevinden.

Algemene beschrijving camerabeelden

De verdachte komt op 20 juni 2016 om 12:28:16 uur voor de eerste maal in beeld. De verdachte komt aangelopen vanuit de richting van het Tussenmeer en loopt richting de fontein op het [adres]. Hij loopt langs de fontein en naar de ingang van [A]. Op de beelden is duidelijk te zien hoe de verdachte een zwarte paraplu boven zijn hoofd houdt. De verdachte staat vervolgens stil voor [A] (12:29:18 uur) en loopt hierop weg in de richting van de passage / onderdoorgang bij de Mc Donalds (12:30:36 uur). Hij slaat hier vervolgens linksaf en loopt langs het parkeerterrein en Used Products, waarop hij opnieuw in beeld komt bij één van de camera’s van de Hema (12:33:25 uur) (het hof begrijpt: de aan het [adres] te Amsterdam gelegen vestiging van de Hema). Hierna loopt hij opnieuw over het [adres] in de richting van [A]. Hierna loopt hij [A] binnen (12:35:50 uur) en loopt direct op medewerkster [slachtoffer 1] af. Hierna is te zien hoe de verdachte en medewerkster [slachtoffer 1] naar het magazijn lopen en uiteindelijk de kluisruimte/kantoor binnen gaan. Onder bedreiging van een zilverkleurige handvuurwapen nemen de medewerkers ( [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] ) plaats op de grond van de kluisruimte/kantoor. Hierna werden de handen van de medewerkers samengebonden met tape/ducttape en moesten zij met hun gezicht naar de muur gaan zitten. De verdachte pakte hierop uit de geopende kluis sealbacks. Direct hierop verlaat de verdachte zonder zijn paraplu de kluisruimte en loopt hij via de laad- en losingang de achterzijde van [A] het beeld uit.

Signalement verdachte

- donkere zwarte jas, met capuchon op zijn hoofd

- shawl voor zijn neus en mond

- donkere joggingbroek

- zwarte sportschoenen

- atletisch gebouwd / afgetraind

- ongeveer 1.85 meter lang

Overige informatie

- zwarte paraplu

- klein zilverachtig handvuurwapen

15. Een proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer PL1300-2016133247-3 van 22 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p. 20-22 van het doorgenummerde dossier. Dit proces-verbaal houdt in als mededeling van de verbalisanten, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 20 juni 2016 is forensisch onderzoek verricht naar sporen in een bedrijfspand van winkelketen [A], gevestigd [adres 1] te Amsterdam. In het kantoor lag de paraplu die door de dader was gebruikt. De steel van de paraplu is met twee wattenstaafjes bemonsterd op lichaamseigen stoffen (DNA). Deze bemonsteringen zijn veiliggesteld, bij elkaar verpakt en voorzien van SIN- AAJW2298NL.

16. Een verslag van een deskundige, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, betreffende aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Amsterdam op 20 juni 2016, van ing. M.J.W. Pouwels van 5 januari 2017 (p. 62-65 van het doorgenummerde dossier). Dit deskundigenverslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen en conclusies van de deskundige:

DNA-onderzoek

Op grond van het eerste resultaat van het standaard DNA-onderzoek is de bemonstering AAJW2298NL#01 (vanaf steel paraplu dader) onderworpen aan een zogenoemde LCN DNA-analyse.

Resultaten, interpretatie en conclusie

Van het (cel)materiaal in de bemonstering referentiemonster AAJW2298NL#01 is een onvolledig DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man.

DNA-databank

Uit dit DNA-mengprofiel is een combinatie van DNA-kenmerken afgeleid. Deze combinatie van afgeleide DNA-kenmerken is op 4 januari 2017 vergeleken met de in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken aanwezige DNA-profielen van personen. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van onderstaande persoon:

Achternaam : [verdachte]

Voornaam : [...]

Geboortedatum : [geboortedatum] 1983

SIN/Identiteitszegel : RABO0443NL

Dit betekent dat deze persoon een van de donoren kan zijn van het celmateriaal in de bemonstering AAJW2298NL#01. Ten behoeve van het berekenen van de ordegrootte van de bewijskracht van de match tussen het DNA-profiel van [verdachte] RABO0443NL en het DNA- mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAJW2298NU01 zijn de volgende aannames gedaan:

1. de bemonstering AAJW2298NL#01 bevat celmateriaal van twee personen;

2. de personen in deze bemonstering zijn onderling niet aan elkaar verwant.

Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

hypothese I

De bemonstering bevat celmateriaal van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon.

hypothese II

De bemonstering bevat celmateriaal van twee willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste één miljard keer waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is.

17. Een verslag van een deskundige, te weten een aanvullend rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, over het DNA-onderzoek van ing. M.J.W. Pouwels van 12 februari 2018 (los opgenomen in hofdossier). Dit deskundigenverslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Vraagstelling

Advocaat-Generaal mr. J.B. Develing heeft op 7 februari 2018 verzocht om een aanvullend rapport over de berekende bewijskracht van de gevonden overeenkomsten en de wijze van interpretatie hiervan.

Beantwoording

Op grond van de gevonden match wordt geconcludeerd dat [verdachte] donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in de bemonstering AAJW2298NL#01. De bewijskracht van de gevonden match is berekend met de ‘likelihood ratio methode’. Deze methode berekent de kans op het waarnemen van het verkregen DNA-mengprofiel (alle waargenomen DNA-kenmerken) onder twee verschillende hypothesen. Hierbij is gebruik gemaakt van een rekenprogramma dat rekening houdt met het aantal donoren dat heeft bijgedragen aan een mengsel van DNA en de kansen op het optreden van complicerende neveneffecten. De gerapporteerde ordegrootte ‘ten minste één miljard keer waarschijnlijker’ geeft aan dat het ten minste één miljard keer waarschijnlijker is het DNA-mengprofiel te verkrijgen als de bemonstering DNA van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon bevat dan als de bemonstering geen DNA van [verdachte] bevat, maar DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen. De ordegrootte ‘ten minste één miljard keer waarschijnlijker’ is de sterkste bewijskracht die door het NFI wordt gerapporteerd bij het gebruik van de ‘likelihood ratio berekening’ en komt overeen met een uitspraak in verbale termen van ‘extreem veel waarschijnlijker’.

18. Een proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer 2016 133 247 van 3 maart 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , p. 66-67 van het doorgenummerde dossier. Dit proces-verbaal houdt in als mededeling van de verbalisant, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op maandag 20 juni 2016 omstreeks 12:42 uur heeft een gewapende overval plaatsgevonden bij [A], gelegen op het [adres] te Amsterdam. In het onderzoek zijn op last van de Officier van Justitie camerabeelden gevorderd.

De verdachte komt [A] binnen lopen met een zwarte paraplu die hij na de overval heeft achtergelaten. Dit is duidelijk te zien op de camerabeelden en is afzonderlijk beschreven in het proces-verbaal van bevindingen - camerabeelden. Deze paraplu is ingenomen en onderzocht op DNA. Hieruit kwam een DNA-match met:

Naam : [verdachte]

Voornamen : [...]

Geboren op : [geboortedatum] 1983

Geboren te : Tsjechoslowakije

Onderzoek politiesystemen - overval ING - 2016 222 649

[verdachte] is op donderdag 13 oktober 2016 op heterdaad aangehouden na een gewapende overval op de ING bank gelegen aan Plein 40-45 te Amsterdam. Bij zijn aanhouding bleek verdachte [verdachte] in het bezit van een klein zilverkleurig vuurwapen.

Overeenkomsten overvallen

Er zijn overeenkomsten met betrekking tot beide overvallen:

1. Het postuur van de verdachte komt bij beide overvallen overeen;

2. Bij beide overvallen is gebruik gemaakt van een klein zilverkleurig vuurwapen;

3. Bij beide overvallen sprak de verdachte Engels.

19. De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting van 21 februari 2018, inhoudende:

Op de foto’s (p. 178 dossier ING-zaak) van het vuurwapen dat de verdachte heeft gebruikt bij de overval op de ING Bank is te zien dat het gedeelte van dat wapen dat zichtbaar is wanneer het in de hand wordt gehouden zilverkleurig is, terwijl op dat zichtbare gedeelte duidelijk is vermeld “ZASTAVA CAL. 6.35”, alsmede dat daarop een figuur zichtbaar is waarvan niet uitgesloten is dat iemand daarin een “M” ziet.

Op de foto (p. 20 dossier ING-zaak) van de schoenen die de verdachte droeg bij zijn aanhouding na de overval op de ING Bank is te zien dat dit zwarte veterschoenen zijn met een rood biesje en een dun soort witte foam-rand tussen de schoen en de zool.

Bij het betreden door de verdachte van de zittingszaal en op de camerabeelden en stills van de overval op de ING Bank is te zien dat de verdachte enigszins wijdbeens loopt en staat, waarbij de bovenbenen niet bij elkaar komen en waarbij de voorkant van zijn voeten naar buiten is gericht, terwijl het hof dezelfde kenmerken waarneemt bij de dader op de camerabeelden en stills van de overval op [A] (stills van de camerabeelden in de ING-zaak en [A]-zaak waarop de stand van de benen en de voeten van de verdachte tijdens het lopen en stilstaan zichtbaar is, zijn door het hof aan het dossier toegevoegd).

Op de camerabeelden van de overval op [A] is te zien dat de dader zwarte handschoenen draagt met daarop op de rechterhandschoen ter hoogte / in het verlengde van de ringvinger een lichtkleurige streep, mogelijk een rits of een merkteken, en, op de camerabeelden van de overval op de ING Bank, dat de verdachte bij die overval zwarte handschoenen heeft gedragen met daarop op de rechterhandschoen ter hoogte / in het verlengde van de ringvinger een lichtkleurige streep, mogelijk een rits of een merkteken (stills van deze camerabeelden zijn door het hof aan het dossier toegevoegd).

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Als gevolg van een misslag is in het verkort arrest als geboortedatum van de verdachte vermeld [...] 1983. Dit moet zijn: [geboortedatum] 1983.”

8. Voorts heeft het hof nog de volgende bewijsoverwegingen opgenomen in het bestreden arrest:

“Op 20 juni 2016 is het filiaal van [A] gelegen aan het [adres 1] te Amsterdam overvallen. De dader heeft daarbij een geldbedrag van € 9.875 weggenomen. Op 13 oktober 2016 heeft de verdachte het filiaal van de ING-bank gelegen aan Plein ’40-’45 9B te Amsterdam overvallen. Kort na deze overval is de verdachte op heterdaad aangehouden. Hij heeft bekend deze laatste overval te hebben gepleegd.

Overeenkomsten tussen beide overvallen

Tussen de overval op het filiaal van [A] en die op het filiaal van de ING-bank bestaat een aantal overeenkomsten. In beide gevallen gaat het om een op klaarlichte dag gepleegde, gewapende overval door een in het Engels communicerende man, in goeddeels zwarte/donkere kleding, waaronder een zwarte jas met capuchon en zwarte veterschoenen met rode en witte elementen en foam tussen de schoen en de zool. De dader hield het door hem gebruikte wapen in zijn rechterhand vast, droeg een grote bril en observeerde, voor de ingang, het te overvallen object enige tijd, voordat hij overging tot het plegen van de overval. Ten aanzien van de overval op het filiaal van de ING-bank heeft de verdachte verklaard dat hij zich ervan wilde verzekeren dat zich zo weinig mogelijk mensen binnen bevonden.

Daarnaast wijst het hof op de volgende specifieke overeenkomsten:

(i) De verdachte heeft bij de overval op het filiaal van de ING-bank een klein formaat pistool gebruikt, waarvan het gedeelte dat zichtbaar is wanneer het in de hand wordt gehouden, zilverkleurig is, terwijl op dat zichtbare gedeelte duidelijk is vermeld “ZASTAVA CAL. 6.35” en daarop een figuur zichtbaar is waarvan niet uitgesloten is dat iemand daarin een “M” ziet. De dader van de overval op het filiaal van [A] heeft gebruik gemaakt van een klein formaat pistool, waarvan het gedeelte dat zichtbaar is wanneer het in de hand wordt gehouden, zilverkleurig is, terwijl een van de slachtoffers van deze overval heeft verklaard dat zij dacht dat er een “M” en een “6” op stonden;

(ii) De dader van de overval op het filiaal van [A], wiens postuur overeenkomt met dat van de verdachte, loopt en staat enigszins wijdbeens en met de voorkant van zijn voeten naar buiten gedraaid, net als de verdachte, zo heeft het hof waargenomen bij vergelijking van de camerabeelden van beide overvallen;

(iii) De dader van de overval op het filiaal van [A] draagt, net als de verdachte bij de overval op het filiaal van de ING-bank, zo heeft het hof waargenomen op de camerabeelden van beide overvallen, zwarte handschoenen met daarop op de rechterhandschoen ter hoogte, en in het verlengde, van de ringvinger een lichtkleurige streep, mogelijk een rits of een merkteken.

DNA-onderzoek

Op de paraplu die is achtergelaten door de dader van de overval op het filiaal van [A] is biologisch materiaal aangetroffen. Daarover heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in het rapport van januari 2017, gelezen in samenhang met het aanvullend rapport van 12 februari 2018, onder meer gerapporteerd dat de bemonstering AAJW2298NL#01 vanaf de steel van genoemde paraplu is onderworpen aan een Low Copy Number (LCN) DNA-analyse. Daarbij is een mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar waren van minimaal twee personen. De reproduceerbare DNA- kenmerken in het DNA-mengprofiel waren afkomstig van minimaal één man van wie celmateriaal in de bemonstering aanwezig was. Deze combinatie van reproduceerbare DNA-kenmerken is vergeleken met de in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken aanwezige DNA-profielen van personen. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1983). Er is sprake van een match indien alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van een persoon voorkomen in een DNA-(meng)profiel. Volgens de bevindingen van het NFI is de juistheid van de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon ten minste één miljard keer waarschijnlijker dan de juistheid van de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van twee willekeurige onbekende personen. De ordegrootte ‘ten minste één miljard keer waarschijnlijker’ is de sterkste bewijskracht die door het NFI wordt gerapporteerd bij het gebruik van een zogeheten ‘likelihood ratio berekening’ en komt taalkundig overeen met ‘extreem veel waarschijnlijker’.

Redengevendheid en stelling verdachte

Voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof redengevend voor het bewijs van het in zaak B tenlastegelegde. Het hof heeft daarbij betrokken dat de verdachte voor het aangetroffen en aan hem toe te schrijven biologisch materiaal, geen aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De verdachte heeft, kort samengevat, gesteld dat hij op 13 oktober 2016 pas ongeveer twee weken in Nederland was, dat hij niet eerder in Nederland is geweest en dat bij het DNA-onderzoek een fout moet zijn gemaakt.

Het hof beschouwt deze stelling niet als een aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring. Immers, voor de verdachte stonden diverse mogelijkheden open zijn stelling, zo deze op waarheid zou berusten, van een begin van aannemelijkheid te voorzien. Daarbij kan gedacht worden - en dit is de verdachte ook voorgehouden - aan het overleggen van verklaringen van de persoon of personen bij wie de verdachte in de periode van juni tot en met eind september 2016 in het buitenland zegt te hebben verbleven, nog daargelaten de mogelijkheid opgave te doen van hun namen en adressen. Ook kan worden gedacht aan het aanreiken van bankgegevens of mogelijk telefoongegevens. De verdachte heeft echter aan geen van deze mogelijkheden zijn verblijf buiten Nederland op 20 juni 2016 aan te tonen, medewerking willen verlenen, terwijl het openbaar ministerie zich wel, zij het tevergeefs, inspanningen heeft getroost om door middel van de door de verdachte opgegeven personalia gegevens over verdachtes verblijf in het buitenland te verkrijgen.

Het hof verbindt aan het bovenstaande de conclusie dat de verdachte één van de donoren van het op de paraplu aangetroffen materiaal is geweest en hij op 20 juni 2016 in Nederland was.

Slotsom

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de verdachte degene is geweest die (ook) de overval (op 20 juni 2016) op het filiaal van [A] heeft gepleegd. Hieruit volgt dat het hof, anders dan de raadsman heeft aangevoerd, van oordeel is dat aan de rapporten van het NFI betekenis toekomt voor het bewijs. Voor de stelling van de raadsman dat sprake kan zijn van secundaire of tertiaire overdracht van celmateriaal van de verdachte, ontbreekt elk aanknopingspunt. Aan de omstandigheid dat de paraplu een verplaatsbaar object is, zodat deze ook door een ander dan de verdachte naar het filiaal van [A] kan zijn meegenomen, kan geen betekenis worden toegekend. De opgeworpen suggestie moet immers in het licht van de stelling van de verdachte dat hij vóór september 2016 nooit in Nederland is geweest, als een louter theoretische mogelijkheid worden beschouwd, die zich niet heeft verwezenlijkt. Ook verwerpt het hof de stellingen van de raadsman dat het signalement van de dader van de overval op het filiaal van [A] niet past bij de verdachte en dat de overige, kenmerken zoals de kleur van het vuurwapen en de taal die de dader sprak, niet als steunbewijs kunnen dienen.”

9. Het eerste middel klaagt dat het hof de bewezenverklaringen zoals hierboven onder punt 6 opgenomen onjuist, althans onbegrijpelijk, althans ontoereikend heeft gemotiveerd.

10. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid, nu het hof enerzijds de overeenkomst tussen de bij de overval gebruikte wapens in zaak A en zaak B als schakelbewijs tot het bewijs in zaak B heeft gebezigd, terwijl het hof anderzijds oordeelt dat niet kan worden bewezen dat het wapen dat in zaak A is gebruikt, ook in zaak B is gebruikt, aldus de steller van het middel.

11. Ik meen dat er van een innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake is. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof heeft vastgesteld dat het wapen dat in zaak A is gebruikt, hetzelfde wapen is als dat in zaak B is gebruikt, gaat het uit van een verkeerde lezing van het arrest. Immers, uit het arrest kan slechts worden afgeleid dat het hof heeft vastgesteld dat in de zaken A en B gebruik is gemaakt van eenzelfde soort wapen, en niet dat dit hetzelfde (een identiek) wapen betreft.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd gebruik heeft gemaakt van bewijsmiddelen uit zaak A voor de bewezenverklaring van zaak B.

14. In de toelichting op het middel meen ik verschillende deelklachten te ontwaren. De eerste deelklacht luidt dat de door het hof vastgestelde overeenkomsten niet voldoende onderscheidend zijn, zodat niet aan het vereiste dat aan schakelbewijs wordt gesteld is voldaan.

15. Hoewel het hof niet nadrukkelijk in het arrest heeft opgenomen dat het gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs uit zaak A voor de bewezenverklaring van zaak B, meen ik, met de steller van het middel, dat dit kennelijk wel het geval is, nu het hof bewijsmiddelen die ten grondslag zijn gelegd aan de bewezenverklaring van zaak A en de eigen waarneming die het heeft gedaan met betrekking tot processtukken uit zaak A, ook redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring van zaak B.

16. Van schakelbewijs is sprake wanneer de rechter het bewijs van het ten laste gelegde feit mede aanneemt op grond van een ander, soortgelijk feit dat de verdachte heeft gepleegd, waarbij de redengevendheid van dat bewijs als centrale maatstaf wordt aangemerkt.1 In ECLI:NL:HR:2017:3118 heeft de Hoge Raad met betrekking tot schakelbewijs onder meer het volgende overwogen:

“2.4.

Met de door het Hof gebezigde term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de — uit één of meer bewijsmiddelen blijkende — omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.”

17. Daarbij merk ik op dat ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de ten laste gelegde feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, kan meewegen bij de vraag of op essentiële punten belangrijke overeenkomsten bestaan.2

18. Uit de toelichting komt naar voren dat de steller van het middel meent dat de – in zijn woorden – algemene overeenkomsten die door het hof zijn vastgesteld en de overeenkomst genoemd onder (ii) ‘an sich’ niet voldoende onderscheidend zijn, hetgeen meebrengt dat niet is voldaan aan het vereiste dat aan het gebruik van schakelbewijs wordt gesteld. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat aan het schakelbewijsvereiste ‘op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen’ wel is voldaan. Voor zover de klacht inhoudt dat het hof per overeenkomst had moeten vaststellen dat de wijze waarop de feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt, vindt die opvatting geen steun in het recht. Het hof heeft mede aan de hand van camerabeelden en een foto verschillende overeenkomsten tussen zaak A en zaak B vastgesteld, welke zijn opgenomen in een nadere bewijsoverweging. Die overeenkomsten hebben niet alleen betrekking op de wijze waarop de feiten zijn begaan, maar ook op de omstandigheden waaronder die feiten hebben plaatsgevonden, het uiterlijk van de verdachte, bepaalde kledingstukken die op het moment van het begaan van de feiten werden gedragen en het wapen dat daarbij werd gebruikt. Het hof heeft overwogen dat de gang van zaken in zaak A en zaak B – kennelijk de overeenkomsten in onderlinge samenhang bezien – op zodanig essentiële punten overeenkomt, dat het voor de bewezenverklaring van zaak B gebruik kon maken van schakelbewijs uit zaak A. Dat oordeel is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.

19. De tweede deelklacht houdt in dat het hof met betrekking tot de schoenen en handschoenen, die door de dader van de overval in zaak A en zaak B zijn gedragen, door middel van zijn eigen waarneming vaststellingen heeft gedaan die niet kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen.

20. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van het hof is verweven met waarderingen van feitelijke aard en daarom in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.

21. Als bewijsmiddel 19 heeft het hof de eigen waarneming opgenomen betreffende onder meer een foto op pagina 20 van het dossier van zaak A, waarop de schoenen die de verdachte bij zijn aanhouding droeg, staan afgebeeld. Het hof heeft vastgesteld dat op die foto te zien is dat de verdachte ‘zwarte veterschoenen met een rood biesje en een dun soort witte foam-rand tussen de schoen en de zool’ droeg. Tevens heeft het hof als bewijsmiddel 12 de verklaring van een getuige opgenomen, waarin naar voren komt dat die getuige heeft gezien dat de dader van de overval in zaak B zwarte veterschoenen met een rood embleem op de zijkant en een dunne witte zool aan had. De verschillen tussen de verklaring van de getuige en de eigen waarneming van het hof met betrekking tot de schoenen zijn verwaarloosbaar klein en doen niet af aan de vaststelling van het hof die het in zijn nadere bewijsoverweging heeft opgenomen, namelijk dat de dader van de overval in beide zaken ‘zwarte veterschoenen met rode en witte elementen en foam tussen de schoen en de zool’ droeg. Datzelfde geldt voor de handschoenen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat op de beelden van beide overvallen te zien is dat de dader ‘zwarte handenschoenen met daarop op de rechterhandschoen ter hoogte, en in het verlengde, van de ringvinger een lichtkleurige streep, mogelijk een rits of een merkteken’ droeg. Dat sprake zou zijn van verschillen – die minimaal te noemen zijn – tussen de plaats van de streep en de kleur en de vorm daarvan, maakt dat niet anders. Daarbij neem ik nog in aanmerking dat het hof zijn eigen waarneming met betrekking tot zowel de handschoenen als de schoenen op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2018 heeft meegedeeld en dat daartegen niet wezenlijk verweer is gevoerd. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

22. Het tweede middel faalt in alle onderdelen.

23. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd voor de bewezenverklaring gebruik heeft gemaakt van een DNA-onderzoek van het NFI.

24. In de toelichting op het middel wordt allereerst geklaagd dat uit het verslag van de deskundige van het NFI van 5 januari 2017 en het aanvullende verslag van 12 februari 2018 niet blijkt dat het uit het onvolledige DNA-mengprofiel afgeleide profiel al dan niet een hoofdprofiel is en dat deze rapporten geen inzicht verschaffen in de vraag hoe sterk de overige DNA-kenmerken in het aangetroffen spoor zijn, terwijl dat van essentieel belang is bij de waardering van het aangetroffen spoor en de bewijskracht die aan het DNA-mengspoor kan worden toegeschreven. Voorts wordt geklaagd dat indien verdachte daadwerkelijk de donor van het aangetroffen spoor is, daarmee nog niet is bewezen dat hij de dader van de overval is.

25. Bij de beoordeling van het middel geldt als uitgangspunt dat de feitenrechter de selectie en waardering van het bewijsmateriaal toekomt. Het hof heeft blijkens zijn nadere bewijsoverwegingen bewijswaarde toegekend aan een DNA-rapport, waaruit volgt dat de juistheid van de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van verdachte en één willekeurige onbekende persoon ten minste één miljard keer waarschijnlijker is dan de juistheid van de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van twee willekeurige onbekende personen. Blijkens een aanvullend rapport van het NFI – dat overigens in eerste aanleg nog niet beschikbaar was (thans bewijsmiddel 17, zoals hierboven ook geciteerd) – komt dat taalkundig overeen met ‘extreem veel waarschijnlijker’. Mede gelet op deze rapporten is het hof tot het oordeel gekomen dat de verdachte kan worden aangemerkt als degene die ook de overval in zaak B heeft gepleegd. Daarbij heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat er diverse overeenkomsten bestaan tussen de overval in zaak A en de overval in zaak B en dat de verdachte voor het aangetroffen en aan hem toe te schrijven biologisch materiaal, geen aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Het oordeel van het hof is – in het licht van voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

26. Voorts is niet onbegrijpelijk dat het hof het DNA heeft aangemerkt als daderprofiel, nu het is aangetroffen op een paraplu op de plaats delict van zaak B en onder meer uit de beelden blijkt dat de dader van de overval een paraplu bij zich droeg.

27. Ook het derde middel faalt in alle onderdelen.

28. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 B. de Wilde, Schakelconstructies in bewijsmotiveringen, DD 2009/42.

2 HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, NJ 2007/345 (rov. 6.3.2).