Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:31

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
17/02910
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:211
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02910

Zitting: 15 januari 2019 (bij vervroeging)

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 7 juni 2017 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch1 wegens 1. “medeplegen van moord” en 2. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot twintig jaren gevangenisstraf met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag en ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen, een en ander als nader in het arrest omschreven.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/02953. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G.G.J.A. Knoops en mr. E. Vogelvang, beiden advocaat te Amsterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 25 september 2013 is [betrokkene 1] van het leven beroofd. [betrokkene 1] had bij leven een geheime relatie met [betrokkene 2] , de dochter van de verdachte. [betrokkene 2] weigerde om te trouwen met haar neef, [betrokkene 3] , aan wie zij was uitgehuwelijkt. De conclusie van het hof is dat de verdachte samen met [betrokkene 4] , een andere neef van [betrokkene 2] , heeft beoogd de familie-eer te herstellen door voornoemde [betrokkene 1] te liquideren.

5. De verdachte heeft een verklaring afgelegd. Hij heeft de politie gebeld met de mededeling dat hij iemand heeft neergeschoten. De politie trof hem ter plaatse aan met een vuurwapen, naast het lijk van [betrokkene 1] . Tegelijkertijd zijn er volgens het hof evenwel ook aanwijzingen dat [betrokkene 4] degene is geweest die [betrokkene 1] van het leven heeft beroofd en dat de verdachte dus de schuld op zich heeft genomen om zijn neef te beschermen. Zo is op de patroonhouder – een locatie die met het laden van het wapen in verband kan worden gebracht - van het vuurwapen DNA materiaal van [betrokkene 4] aangetroffen, is [betrokkene 4] onmiddellijk na het gebeuren via Duitsland naar Turkije vertrokken, hetgeen kan worden geduid als een vlucht, is de auto waarmee hij die dag heeft gereden in Duitsland schoongemaakt, kennelijk om sporen te wissen, en is er een getuige die heeft verklaard dat [betrokkene 4] hem heeft verteld dat niet de verdachte, maar hijzelf [betrokkene 1] heeft doodgeschoten. Het hof heeft daarom in het midden gelaten wie er heeft geschoten, maar de verdachten ten volle verantwoordelijk gehouden middels het medeplegen en beiden veroordeeld tot twintig jaren gevangenisstraf. Uit de sectie op het lichaam is naar voren gekomen dat het eerste schot is afgevuurd toen [betrokkene 1] in een verticale positie was, en de twee andere schoten toen hij deels op zijn linkerzijde lag. Alle schoten waren door het hoofd en het eerste van dichtbij.

6. Het eerste middel richt zich tegen ‘s hofs oordeel dat er bij de verdachte sprake zou zijn geweest van voorbedachte rade.

7. Ten aanzien van de voorbedachte rade heeft het hof het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat een plan is gemaakt om [betrokkene 1] van het leven te beroven en dat in ieder geval [verdachte] en [betrokkene 4] intensief hebben samengewerkt om dit plan uit te voeren. Uit het motief, het (vrijwel) gelijktijdig op de locatie zijn waar [betrokkene 1] van het leven wordt beroofd, de onderlinge telefonische contacten, het door [verdachte] zich presenteren als de schutter waardoor [betrokkene 4] buiten beeld van de opsporingsinstantie kan blijven, blijkt van een gezamenlijk, vooropgezet plan en een intensieve samenwerking om dit plan uit te voeren. Ook [betrokkene 5] was bij het plan betrokken. Er is geregeld dat [betrokkene 1] door [betrokkene 4] naar de werklocatie werd gebracht om hem daar met een pistool om het leven te brengen. De verwondingen van [betrokkene 1] - vanaf een korte afstand zijn drie schoten gelost door het hoofd, waarbij twee doorschoten vanaf de rechterzijde van het hoofd zijn toegebracht en [betrokkene 1] tijdens deze doorschoten waarschijnlijk al (deels) op zijn linkerzijde lag - wijzen op een afrekening.

[verdachte] en [betrokkene 4] hebben bij de uitvoering van hun plan dusdanig nauw en bewust met elkaar samengewerkt dat gesproken kan worden van medeplegen. De achtergrond waartegen het feit is gepleegd is het herstel van de geschonden eer van de familie.

Uit het voorgaande valt voorts af te leiden dat is gehandeld met voorbedachte raad. Bevestiging daarvan kan ook nog worden gevonden in het telefoongesprek (pg. 1105) dat [betrokkene 2] met haar moeder, [betrokkene 6] , op 5 januari 2014 voerde over het doden van [betrokkene 1] . [betrokkene 6] zegt in dat gesprek: “Je weet dat je vader het je had gezworen ”, waarop [betrokkene 2] zegt: “Ik weet dat hij het had gezworen (...).

Het hof merkt in dit verband tot slot nog op dat zowel [verdachte] als [betrokkene 4] geen inzicht hebben willen geven in de feitelijke gang van zaken rond de dood van [betrokkene 1] . [verdachte] heeft hierover leugenachtige verklaringen afgelegd. [betrokkene 4] heeft in het geheel geen verklaring afgelegd. Het hof is bij de beoordeling van de zaak dan ook uitgegaan van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen waaruit het hof de weergegeven gang van zaken heeft afgeleid.

Resumerend is het hof dan ook - anders dan de raadsman - van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van moord bewezen kan worden verklaard.” 2

8. Het middel klaagt meer in het bijzonder dat (i) het hof in zijn overwegingen omtrent het bewijs van voorbedachte rade waarde heeft gehecht aan het “geen inzicht willen geven in de feitelijke gang van zaken” en dat sprake zou zijn van een leugenachtige verklaring van de verdachte, almede dat (ii) het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat er onvoldoende bewijs is voor voorbedachte rade.

9. De eerste deelklacht berust op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Deze klacht faalt, omdat anders dan de toelichting op het middel suggereert, het hof het bewijs voor voorbedachte rade niet heeft aangenomen op grond van het gestelde “geen inzicht willen geven in de feitelijke gang van zaken” alsmede een gestelde “leugenachtige verklaring”. Het hof heeft in het midden gelaten wie van de twee nu feitelijk heeft geschoten, maar heeft vastgesteld cq. Gereconstrueerd dat de verdachte en [betrokkene 4] uitvoering gaven aan het voorgenomen plan om [betrokkene 1] te liquideren. De voorbedachte rade blijkt volgens het hof uit het motief voor het doden van [betrokkene 1] (eergerelateerd geweld) , het (vrijwel) gelijktijdig aanwezig zijn van [betrokkene 4] met [betrokkene 1] en de verdachte op de plaats delict, de onderlinge telefonische contacten en uit de verwondingen die naar het oordeel van het hof wijzen op een afrekening. De voorbedachte rade vindt volgens het hof voorts bevestiging in een telefoongesprek tusssen [betrokkene 2] en haar moeder op 5 januari 2014.

10. De tweede deelklacht richt zich op de motivering van ‘s hofs oordeel dat sprake is van voorbedachte raad, omdat het hof ongemotiveerd dan wel onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan acht door de verdediging aangevoerde contra-indicaties. Het hof had een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval moeten maken, waarbij het hof het gewicht had moeten bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte rade pleiten. Het hof heeft echter de door de verdediging aangevoerde contra-indicaties onvoldoende opgenomen in het arrest, waardoor het voor de verdachte onvoldoende inzichtelijk is waarom het hof voorbedachte rade bewezen heeft geacht.

11. Uit het arrest blijkt dat het hof wel degelijk is nagegaan of er aanwijzingen zijn die tegen het bewezen verklaren van voorbedachte rade kunnen pleiten. Het hof heeft daarbij echter geconstateerd dat zowel de verdachte als [betrokkene 4] geen inzicht hebben willen geven in de feitelijke gang van zaken rond de dood van [betrokkene 1] . De verdachte heeft hierover naar het oordeel van het hof leugenachtige verklaringen afgelegd en [betrokkene 4] heeft hierover in het geheel niet verklaard. Het hof heeft bij de beoordeling van de zaak daarom kunnen uitgaan van andere bewijsmiddelen en heeft daaruit de voorbedachte rade afgeleid.

12. Dat het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat geen sprake is van voorbedachte rade als ervan uit moet worden gegaan dat niet de verdachte, maar [betrokkene 4] de schutter is geweest (het tweede scenario), faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, gelet op de overwegingen van het hof zoals hiervoor weergegeven. Daaruit volgt immers dat het plan om [betrokkene 1] te liquideren van tevoren samen is bedacht, ook wat betreft wat te doen na afloop van het doden. Dit plan is vervolgens (koelbloedig) uitgevoerd. Hetgeen door de verdediging te berde is gebracht wat betreft het tweede scenario en de voorbedachte rade, zoals weergegeven in de schriftuur, noopte het hof niet tot een nadere motivering.

13. Het eerste middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt dat het hof ervan is uitgegaan dat in casu sprake is van eerwraak, hetgeen van belang is voor de opgelegde straf.

15. Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het van oordeel is dat in de onderhavige zaak eerwraak het motief vormde voor de liquidatie. Ik citeer uit het arrest:

Motief voor het doden van [betrokkene 1] : eergerelateerd geweld

Uit het onderzoek is gebleken dat het motief voor het doden van [betrokkene 1] moet worden gezocht in het door de familie van [betrokkene 2] gearrangeerde huwelijk tussen haar en haar neef en de afgekeurde relatie van [betrokkene 2] met [betrokkene 1] . Dit blijkt (onder meer) uit het navolgende.

Door [betrokkene 3] is verklaard dat volgens hun religie hun eer gered moest worden (pg. 515). [betrokkene 7] heeft verklaard dat [verdachte] de relatie tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] een probleem vond, dat hij “het niet (vond) kunnen en daarom (...) [betrokkene 1] (is) neergeschoten ”(pg. 498). Ook heeft hij op de vraag van de politie of de familie-eer was hersteld nu iemand uit de familie [betrokkene 1] heeft neergeschoten, verklaard dat dit volgens zijn vader wel het geval is (pg. 499).

Door [betrokkene 8] is verklaard dat de familie van [betrokkene 2] een volksstam is en dat dit betekent dat personen die niet tot die volksstam behoren niet mogen trouwen met leden van de volksstam. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wisten dit allebei (pg. 392). [betrokkene 1] had tegen [betrokkene 8] gezegd dat het mogelijk was dat hij deze relatie met zijn dood moest bekopen. Hij zei dat men hem ofwel toestemming zou geven om deze relatie voort te zetten of hem zou afmaken (pg. 395).

Ook volgens [betrokkene 9] ging [betrokkene 1] ervan uit dat hij vanwege zijn relatie met [betrokkene 2] mogelijk gedood zou worden (pg. 353).

Het voorgaande vindt bovendien bevestiging in een afgeluisterd telefoongesprek tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 10] op 5 november 2013. In dat gesprek zegt [betrokkene 10] : “Hij heeft van iemand gehouden en is omwille daarvan heen gegaan. ”(pg. 1021). [betrokkene 5] zegt kort daarna tegen [betrokkene 10] : “Nu zeg ik niet dat [betrokkene 1] schuldig is of die eerloze hoer niet schuldig is. Zij is nog duizend keer meer schuldig dan [betrokkene 1] . ” [betrokkene 10] zegt dat hij hem (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) heel vaak heeft gewaarschuwd (pg. 1021). Het gesprek gaat verder waarna [betrokkene 5] op enig moment zegt: "'Die hoer is twee dagen eerder meegenomen door de politie. Als dat niet was gebeurd dan had ik haar thuis in stukken gehakt dus. Het maakt niet uit of ik dan levenslang in de gevangenis was beland. (...) Allah is groot, ik kom haar ooit tegen ”(pg. 1022). Daarnaast volgt uit een afgeluisterd gesprek tussen [betrokkene 11] van 29 januari 2014, zijnde een broer van [verdachte] en [betrokkene 5] , en [betrokkene 12] dat [betrokkene 11] bij [verdachte] op bezoek is geweest en dat [verdachte] had gezegd: “Maakje geen zorgen om mij, het is niet erg, als ik...als wij dit niet hadden gedaan, dan zou men zeggen dat de familie van [betrokkene 5] ( [A] ) eerloos is. Het moest ” (pg. 1113).

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de eer van de familie was geschonden door de weigering van [betrokkene 2] om te trouwen met de voor haar uitgezóchte huwelijkskandidaat, haar neef [betrokkene 3] , en door haar - geheime - relatie met [betrokkene 1] en dat die familie-eer moest worden hersteld, hetgeen gebeurde door het doden van [betrokkene 1] .

Conclusies LEC EGG niet als bewijs gebruikt

Door het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) is een rapport “Analyse (mogelijk) eer gerelateerd geweld” opgemaakt van de gebeurtenissen die zijn voorafgegaan aan de dood van [betrokkene 1] op 25 september 2013.

Dit rapport bestaat uit drie delen.

Deel I: Beschrijving van voorvallen aan de hand van geobjectiveerde waarnemingen en feitelijkheden, redenen van wetenschap, Deel II: (culturele) toelichting op de voorliggende casus en Deel III: Culturele toelichting en advisering op onderhavige casus.

Bij de totstandkoming van Deel I werd gebruik gemaakt van aangeleverde informatie vanuit het strafrechtelijk onderzoek en van informatie die was verkregen door een gesprek dat medewerkers van het LEC EGG op 1 oktober 2013 hebben gevoerd met [betrokkene 2] , de dochter van [verdachte] .

Door de verdediging is aan de hand van het door de verdediging ingebracht rapport van Novalitica “Analyse inzake Teuven” van R.J.H.M. Eimers d.d. 2 juli 2014, betwist dat de conclusies die in het LEC EGG rapport (het hof: Deel II en Deel III) worden getrokken voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

In dit verband overweegt het hof dat slechts van de inhoud van het LEC EGG rapport gebruik wordt gemaakt voor zover het de tijdlijn van de gebeurtenissen betreft (Deel I). Daarnaast zal gebruik gemaakt worden van de in het proces-verbaal d.d. 18 november 2014 woordelijk uitgewerkte weergave van het gesprek dat met [betrokkene 2] is gevoerd op 1 oktober 2013. De conclusies en de onderbouwing daarvan die in het rapport worden getrokken over het motief dat ten grondslag ligt aan de tenlastegelegde feiten (eerwraak) blijven bij de bewijsvoering buiten beschouwing.”

16. Het middel klaagt meer in het bijzonder dat het hof als bewijsmiddel heeft gebezigd de verklaring van [betrokkene 2] , afgelegd bij het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG). Dit gesprek is in de bewijsvoering opgenomen als bewijsmiddel 12. Het middel klaagt dat [betrokkene 2] nadien, en onder ede, anders heeft verklaard. Niet wordt aangevoerd dat ter terechtzitting in hoger beroep een verweer is gevoerd, waarop het hof had dienen te reageren, terwijl het dat niet heeft gedaan. Zo ingestoken, stuit het middel af op de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter.

17. Ik merk daarnaast op dat het hof niet enkel en alleen op de verklaring van [betrokkene 2] heeft aangenomen dat sprake moet zijn geweest van eerwraak, maar dat aan het aannemen van eerwraak ook de verklaringen van [betrokkene 3] (bm 13), [betrokkene 7] (bm 16), [betrokkene 8] (bm 21), [betrokkene 9] (bm 13) en afgeluisterde telefoongesprekken tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 10] (bm 23) en tussen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] (bm 25) ten grondslag zijn gelegd.

18. Voor zover wordt geklaagd dat als het motief ontbreekt of onjuist is, ook het aannemen van de voorbedachte rade op losse schroeven staat, faalt het middel dus ook.

19. Het tweede middel faalt in beide onderdelen.

20 Het derde middelklaagt over het bewezenverklaarde medeplegen (van moord).

21. Het hof heeft, zoals uiteengezet bij het eerste middel, aangenomen dat sprake is van een van tevoren bedacht plan om [betrokkene 1] van het leven te beroven. Bij de vaststellingen in de aanloop naar het doden en uit de vaststellingen, zoals deze naar voren komen uit bijvoorbeeld de afgetapte telefoongesprekken, werken verdachten zo nauw en bewust samen dat het in beide geschetste scenario’s niet uitmaakt wie uiteindelijk te trekker van het vuurwapen heeft overgehaald. Hun rol was als het ware inwisselbaar. Voor zover wordt geklaagd dat in het scenario waarin niet de verdachte heeft geschoten maar [betrokkene 4] de handelingen van de verdachte eerder medeplichtigheid zouden opleveren omdat hij in dat scenario niet het wapen heeft gehanteerd, kan het medeplegen anders dan de steller wil, uit de bewijsmiddelen worden afgeleid omdat daaruit naar voren komt dat over de gang van zaken naar de liquidatie toe alsmede over de gang van zaken erna dat aan een gezamenlijk plan uitvoering wordt gegeven. De uitvoering bestaat niet alleen uit het overhalen van de trekker.

22. Het derde middel faalt eveneens.

23. Het vierde middel klaagt over de verwerping van de verweren inhoudende dat sprake is van psychische overmacht en noodweerexces.

24. Dat sprake zou zijn van een situatie waarin de verdachte een beroep kan doen op noodweerexces en/of psychische overmacht heeft de verdediging bij scenario 1 gesteld. In dat scenario heeft de verdachte het wapen gehanteerd en [betrokkene 1] doodgeschoten, omdat [betrokkene 1] hem bedreigde c.q. dreigend overkwam en heeft hij een paar keer in de lucht geschoten alvorens gericht te schieten.

25. Om een beroep te kunnen doen op noodweer(exces) c.q. psychische overmacht zal een dergelijke situatie aannemelijk (gemaakt) moeten worden. Dat de verdachte op de plaats delict is bedreigd en dat hij zich slechts heeft verdedigd, heeft het hof als niet geloofwaardig terzijde geschoven. Het hof heeft aangenomen dat [betrokkene 1] naar de plaats is gelokt teneinde hem te liquideren. Voor de aannemelijkheid dat de verdachte daar is bedreigd, of dat de verdachte is aangevallen, vond het hof geen aanknopingspunten. Neem daarbij dat er wel een motief is om [betrokkene 1] te doden én de bevindingen van het NFI over hoe [betrokkene 1] is neergeschoten, dan wijst niets op een eventuele verdediging, laat staan dat het hof bij deze stand van zaken zou moeten oordelen of die verdediging dan aan de eisen voldoet om te kunnen worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

26. Dat bij het hof ook een beroep is gedaan op psychische overmacht, lees ik niet terug in de pleitnota of het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 10 mei 2017. Sterker nog, in punt 69 van de pleitnota die op 10 mei 2017 is overgelegd aan het hof wordt door de verdediging het volgende opgemerkt:

“In eerste aanleg is door de verdediging in dit verband een beroep gedaan op psychische overmacht. Gelet op de nieuwe ontwikkelingen in de rechtspraak en de aanvullende verklaring van cliënt voor uw hof wordt daar niet langer een beroep op gedaan.”

Daarmee mist dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag, omdat een beroep op psychische overmacht niet is gedaan bij de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.

27. Het vierde middel faalt in alle onderdelen.

28 Het vijfde middel klaagt over de redelijke termijn in cassatie.

29. Dit middel is op zich terecht voorgesteld, nu tussen het instellen van het cassatieberoep op 9 juni 2017 en de binnenkomst van het dossier ter griffie van de Hoge Raad op 30 mei 2018 meer dan zes maanden zijn verstreken. Een voortvarende behandeling om de inzendtermijn te compenseren, te weten als de Hoge Raad binnen 14 maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen, behoort niet meer tot de mogelijkheden.

30. Ambtshalve merk ik op dat ook de termijn waarin Uw Raad in geval van een gedetineerde uitspraak zou moeten doen, te weten binnen zestien maanden na het instellen van het beroep, reeds is verstreken. Een en ander zou in beginsel moeten leiden tot matiging van de opgelegde gevangenisstraf met de gebruikelijke maatstaf.

31. Uit mijn beoordeling van de voorgaande middelen volgt echter dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Met dat oordeel wordt in feite gezegd dat de middelen geen behandeling van de zaak rechtvaardigen. De in de middelen 1 tot en met 4 voorgestelde klachten staan, anders gezegd, niet in de weg aan toepassing van artikel 80a RO. Gelet hierop heeft de verdachte bij het vijfde middel onvoldoende belang.3

32. Deze conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv AG

1 Zie voor het arrest (zonder aanvulling bewijsmiddelen): ECLI:NL:GHSHE:2017:2538.

2 Zie het arrest van het hof van 7 juni 2017, p. 17 en 18.

3 HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:625, NJ 2016/250, HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. F.W. Bleichrodt r.o. 2.2.4; HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen r.o. 2.4.2.