Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:307

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-04-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
17/06043
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:829
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over aanvaring op Vinkeveense plassen als gevolg waarvan twee van de vier opvarenden van een sloep om het leven zijn gekomen. De verdachte is met een forse overschrijding van de maximumsnelheid met zijn onverlichte speedboot in aanvaring gekomen met een sloep, terwijl hij onder invloed van alcohol was. Middelen namens verdachte over onder meer dood door schuld, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid (art. 307 Sr). De AG adviseert de namens de verdachte en de benadeelde partijen voorgestelde middelen van cassatie te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0588
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/06043

Zitting: 2 april 2019

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 11 december 2017 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van het hem onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en wegens 1. subsidiair “aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, meermalen gepleegd”, 2. subsidiair “het aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig onbruikbaar wordt gemaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat” en 3. “als schipper de op hem rustende verplichting tot hulpverlening van artikel 785 van het Wetboek van Koophandel opzettelijk niet nakomen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het voeren van schepen voor zover daartoe een vaarbewijs is vereist voor de duur van vijf jaar. Verder heeft het hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen goederen en vorderingen van acht benadeelde partijen en acht schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan de verdachte, één en ander zoals nader in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en
    mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft mr. R. Korver, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend houdende vijf middelen van cassatie, te weten vier middelen namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en één middel namens de benadeelde partij [benadeelde 4] . De raadslieden van de verdachte hebben een verweerschrift ingediend.1

4. Namens de benadeelde partij [benadeelde 5] heeft mr. E. Huls, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. De raadslieden van de verdachte hebben een verweerschrift ingediend.

De middelen van de verdachte

5. Het eerste middel klaagt dat de afwijzing door het hof van het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is.

6. De tijdig ingediende appelschriftuur houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De verdediging wenst als getuigen te horen:

a) [betrokkene 1] ;

De verdediging wenst [betrokkene 1] te bevragen over de door hem gehouden duikacties, de locaties daarvan, de aangetroffen goederen en de registraties van die duikacties.”

7. Op de regiezitting van 14 april 2017 heeft de raadsman het verzoek nader toegelicht. Het proces-verbaal van die zitting houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:

(…) Anders dan de advocaat-generaal vind ik het van belang dat niet alleen [betrokkene 1] wordt gehoord, maar ook de overige getuigen. Ik heb dat nogmaals toegelicht in mijn brief van 10 april jl. Uit een aantal video’s op YouTube blijkt dat er een duik heeft plaatsgevonden op 26 september 2014 waarbij de lamp zou zijn gevonden. Uit een andere video blijkt echter dat de lamp al eerder was gevonden. Het is onduidelijk waarom het zo werd gebracht en waarom [betrokkene 1] er zo op gebrand is dat de boot goed was verlicht. Er moet duidelijkheid komen over wanneer en waar de lamp is gevonden en in welke toestand. Dit is ook van belang voor de eventueel door het hof te benoemen deskundige. Op het moment dat de lamp werd gevonden lag deze al nagenoeg twee maanden in het water. Ik handhaaf dus mijn verzoek om alle duikers te horen. Ik wil graag horen wie van de heren de lamp heeft gevonden, op welke dag en tijdens welke duik. Het Algemeen Dagblad zei voor de camera triomfantelijk: we hebben de lamp gevonden. Dit is vervolgens niet op de video getoond en dat is vreemd. (…)

(…) De lamp die gevonden is, is nagenoeg intact behalve een knik. (…) Technisch gezien wijst het erop dat de lamp er mogelijk niet in heeft gezeten. De vraag is dus of de lamp er wel of niet in heeft gezeten en of cliënt de sloep wel of niet heeft kunnen zien. De verdediging probeert erachter te komen van wie de sloep is. We hebben sterk het gevoel dat de boot van [betrokkene 1] zelf is en dat de boot is mee verhuurd met het lampje en gebruikt werd door de gasten. [betrokkene 1] heeft er dan direct belang bij om te verklaren dat de boot een lamp had die functioneerde. We weten inmiddels dat de boot in Friesland is gemaakt en verhuurd is geweest en dat deze is verkocht. We hebben stickerafdrukken gevonden. We hebben de werf gevonden maar nog niet benaderd. [betrokkene 1] kan er wellicht antwoord op geven. Je kunt niet in een boot varen zonder te weten van wie die is. Als we weten wie de eigenaar is kan die misschien iets zinnigs zeggen over het al dan niet aanwezig zijn van de lamp. [betrokkene 1] zegt dat de lamp goed functioneerde en dat het een standaardlamp was. Uit de verklaring van de medeopvarenden kunnen we concluderen dat de lamp die aan boord aanwezig was, naar alle waarschijnlijkheid een zelfgemaakte lamp was. [betrokkene 1] kan op al die vragen antwoord geven.”

8. In zijn tussenarrest van 26 april 2017 heeft het hof het verzoek afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“Bij appelschriftuur van 25 april 2016 heeft mr. B. Th. Nooitgedagt verzocht om de volgende getuigen te horen:

1. [betrokkene 1]

(…).

De huidige raadsman van verdachte, mr. W.H. Boomstra, heeft bij brief van 25 augustus 2016 het verzoek om bovengenoemde getuigen te horen gehandhaafd en nader toegelicht. Daarnaast heeft de raadsman bij brief van 10 april 2017 verzocht om onderzoek te doen naar breukwijze van de mast.

(…)

Oordeel hof

1. Onderzoek mastvoet

Het hof begrijpt dat het verzoek is gedaan in verband met het kunnen beantwoorden van de op zich relevante vraag of de sloep op het moment van of vlak voor het ongeval verlicht was. Het hof ziet echter niet dat het gevraagde onderzoek een bijdrage kan leveren aan het beantwoorden van die vraag. Indien namelijk uit de onderzoeksresultaten volgt dat de lamp die bij de zoekactie is aangetroffen, de lamp is van de sloep, zal daarmee nog niet bekend zijn - gelet op het voorwerp en de aard van het onderzoek - of de lamp ten tijde van het ongeval wel of niet brandde. Ook indien uit de onderzoeksresultaten zou blijken dat de lamp niet van de sloep afkomstig is, zijn die onderzoeksresultaten niet van belang. Uit het feit dat de gevonden lamp niet van de sloep afkomstig is, kan namelijk niet worden afgeleid dat op de sloep geen lamp aanwezig was. Het zou immers kunnen dat er wel een lamp op de sloep was, maar deze niet is gevonden. Naar het oordeel van het hof is de noodzaak van nader onderzoek niet gebleken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

2. Verzoek horen getuigen.

Om diezelfde redenen wijst het hof het verzoek om getuigen te horen af. De getuigen kunnen volgens de motivering van de verzoeken verklaren of er een lamp is gevonden, en zo ja waar en wanneer, maar niet (direct of indirect) over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was. De punten waarover de getuigen kunnen verklaren, zijn dus niet van belang voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Naar het oordeel van het hof wordt verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.”

9. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover hiervan belang, het volgende in:

“Mocht uw hof tot een bewezenverklaring komen dat doet de verdediging het voorwaardelijk verzoek om de getuigen te horen, als verzocht, te weten [betrokkene 1] , de duikers en de [beroep getuige] , allen vermeld bij appélschriftuur.”

10. Het hof heeft in het bestreden arrest het verzoek afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“Door de verdediging is verzocht om, indien het hof niet tot vrijspraak komt, alsnog de verzoeken toe te wijzen gedaan bij appelschriftuur, namelijk horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ,

Het hof overweegt ten aanzien van het verzoek als volgt. Bij tussenarrest van 26 april 2017 heeft het hof de verzoeken van de verdediging afgewezen en overwogen:

‘De getuigen kunnen volgens de motivering van de verzoeken verklaren of er een lamp is gevonden, en zo ja waar en wanneer, maar niet (direct of indirect) over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was. De punten waarover de getuigen kunnen verklaren, zijn dus niet van belang voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Naar het oordeel van het hof wordt verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.’

De verzoeken zijn thans herhaald. Nu de verdediging niets nieuws naar voren heeft gebracht wat tot een ander oordeel zou moeten leiden, wijst het hof de verzoeken af op dezelfde gronden als genoemd in het tussenarrest van 26 april 2017.”

11. Aan het middel, dat zich blijkens de toelichting richt tegen de beslissing van het hof van 26 april 2017, is ten grondslag gelegd dat de beslissing van het hof onbegrijpelijk is, omdat het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] niet kan verklaren over de vraag of de sloep wel of niet verlicht was onjuist en onbegrijpelijk is. Volgens de stellers van het middel heeft de verdediging uitdrukkelijk aangegeven dat [betrokkene 1] ook ondervraagd zou worden naar de vraag wie de eigenaar is van de sloep en (ik citeer de toelichting op het middel) “derhalve naar de vraag of deze een lamp heeft gemonteerd en zo ja: wat voor soort lamp“.

12. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441) volgt dat de maatstaf van het verdedigingsbelang de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van ieder van de opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.2 Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.3

13. In de onderhavige zaak heeft de verdediging ter onderbouwing van het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen aangevoerd dat hem vragen zouden moeten worden gesteld over de door hem gehouden duikacties alsmede dat hem zou moeten worden gevraagd wie de eigenaar was van de sloep. Dat de verdediging zou hebben aangegeven dat [betrokkene 1] ook zou moeten worden gevraagd of de eigenaar van de sloep een lamp heeft gemonteerd en, zo ja, wat voor soort lamp blijkt niet uit de appelschriftuur noch uit de toelichting van het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2017.

14. Het hof heeft aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat [betrokkene 1] direct noch indirect kan verklaren over de vraag of de sloep ten tijde van het ongeval verlicht was en dat de punten waarover hij kan verklaren niet van belang zijn voor enige door het hof in deze strafzaak te nemen beslissing. Dat oordeel acht ik, mede in aanmerking genomen hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel richt zich tegen de afwijzing door het hof van het verzoek om
[betrokkene 6] als getuige te horen.

17. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman het woord voert overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en als bijlage VI aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling op zijn pleitnota voert de raadsman aan, zakelijk weergegeven:

(…) [betrokkene 6] stelt dat het om kwart voor 11 ’s avonds nog heel druk was op het water. Om kwart voor 11 ’s avonds zijn de Vinkeveense Plassen echter nagenoeg leeg. De eilanden zijn vol, maar de plas is nagenoeg leeg. (…) In aanvulling op mijn pleitnota verzoek ik om [betrokkene 6] te horen.”

18. De aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt met betrekking tot dit verzoek het volgende in:

“De raadsman heeft ter terechtzitting van 27 november 2017 in aanvulling op zijn pleitnota verzocht om [betrokkene 6] als getuige te horen. In het arrest d.d. 11 december 2017 is abusievelijk verzuimd om op te nemen de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek van de raadsman. Het hof wijst het verzoek af nu hiervan niet de noodzaak is gebleken.”

19. Het middel valt uiteen in drie klachten. Allereerst klaagt het dat in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 noch in het bestreden arrest een beslissing is gegeven op het verzoek van de raadsman om [betrokkene 6] als getuige te horen, zodat het onderzoek in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig zijn. Daaraan doet volgens de stellers van het middel niet af dat het hof de afwijzende beslissing als een nadere overweging heeft opgenomen in de aanvulling bewijsmiddelen.

20. In dat kader moet worden voorop gesteld dat in het verkorte arrest de beslissingen moeten zijn opgenomen ten aanzien van op de terechtzitting door of namens de verdachte gedane verzoeken waarop de rechter op straffe van nietigheid gehouden is bepaaldelijk een beslissing te geven, voor zover daarop niet reeds ter terechtzitting is beslist.4 De voorgeschreven nietigheid is door de Hoge Raad echter in zoverre gerelativeerd dat de enkele omstandigheid dat de beslissing ten onrechte niet in het verkorte arrest maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond, niet tot vernietiging van het bestreden arrest noopt. Bij vernietiging op deze enkele grond heeft de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang. Hij kan immers de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing in volle omvang aan de Hoge Raad voorleggen. Laat hij na inhoudelijke klachten te formuleren tegen deze beslissing, dan zal in voorkomende gevallen de klacht met art. 81, eerste lid, RO of art. 80a RO worden afgedaan, aldus de Hoge Raad.5

21. Het middel klaagt aldus op zich terecht dat het hof zijn beslissing op het verzoek om de getuige [betrokkene 6] te horen ten onrechte niet heeft opgenomen in het bestreden arrest. Nu het hof zijn beslissing echter heeft opgenomen in de aanvulling en de verdachte de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing in volle omvang aan de Hoge Raad kan voorleggen, van welke gelegenheid blijkens de tweede en de derde klacht ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt, heeft de verdachte onvoldoende in rechte te respecteren belang bij vernietiging van het bestreden arrest op deze enkele grond. De eerste klacht is tevergeefs voorgesteld.

22. Verder klaagt het middel dat het hof bij de beoordeling van het verzoek ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het noodzakelijkheidscriterium, aangezien gelet op het zeer late stadium waarin de brief van [betrokkene 6] , die dateert van 15 november 2017, aan het dossier is toegevoegd aanleiding bestond om in plaats van het noodzakelijkheidcriterium het criterium van het verdedigingsbelang toe te passen, althans heeft het hof ten onrechte niet doen blijken deze omstandigheid bij de beoordeling te hebben betrokken.

23. Het bij pleidooi gedane verzoek om [betrokkene 6] als getuige te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van een in art. 315 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is het noodzakelijkheidscriterium.

24. Onder omstandigheden kan de eis van een eerlijke procesvoering echter meebrengen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het verdedigingsbelang zou worden bereikt. Het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014 inzake het oproepen en horen van getuigen houdt daarover het volgende in:

“2.59. Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gedaan. In HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 is geoordeeld dat naar de bewoordingen van de wettelijke maatstaven en volgens de invulling die daaraan in de jurisprudentie is gegeven, het noodzakelijkheidscriterium de rechter, in ieder geval in abstracto, een ruimere marge biedt om een verzoek niet te honoreren dan het criterium van het verdedigingsbelang. In dat arrest is dit onderscheid echter gerelativeerd in die zin dat ingeval de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijke verdediging is vereist – meebrengt dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium. Dat kan betekenen dat de concrete toepassing van het noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt.

2.60.

In lijn met de relativering van dit onderscheid moet worden aangenomen dat onder omstandigheden van de verdachte ook niet kan worden gevergd dat hij voorafgaand aan de eerste terechtzitting in hoger beroep op de voet van art. 263-264 Sv getuigen aan de advocaat-generaal opgeeft, bijvoorbeeld indien in eerste aanleg een verkort vonnis is gewezen en de aanvulling daarop niet tijdig voor de verdachte beschikbaar is.”6

25. Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, is het niet zo dat de eis van een eerlijke procesvoering met zich kan brengen dat de rechter het criterium van het verdedigingsbelang moet hanteren in plaats van het in de wet voorgeschreven noodzakelijkheidscriterium: het noodzakelijkheidscriterium blijft de door de rechter te hanteren maatstaf, maar daaraan dient een toepassing te worden gegeven die niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang.7 Het hof heeft aldus bij de afwijzing van het verzoek terecht het noodzakelijkheidscriterium gehanteerd.

26. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat het hof aan het noodzakelijkheidscriterium ten onrechte niet een toepassing heeft gegeven die niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang, stel ik voorop dat het afhangt van de omstandigheden van het geval of een dergelijke invulling van het noodzakelijkheidscriterium aangewezen is. Daarbij is onder meer van belang of de verdediging het hof heeft gewezen op dergelijke omstandigheden.8

27. In de onderhavige zaak heeft de verdediging niet alleen niet gewezen op dergelijke omstandigheden, maar ontbreekt elke motivering van het verzoek om [betrokkene 6] als getuige te horen. In dat licht bezien meen ik dat het kennelijke oordeel van het hof dat geen sprake was van omstandigheden die noopten tot een toepassing van het noodzakelijkheidscriterium die niet wezenlijk verschilt van de toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel mij evenmin onbegrijpelijk voorkomt. De tweede klacht faalt.

28. Ten slotte klaagt het middel dat het hof aan de afwijzing van het verzoek enkel ten grondslag heeft gelegd dat de noodzaak niet is gebleken zonder de feitelijke gronden waarop de afwijzing berust in de beslissing op te nemen, zodat het onderzoek in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig zijn.

29. In zijn overzichtsarrest met betrekking tot de motivering van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen van 4 juli 20179 heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“3.6. Tegen deze achtergrond heeft naar het oordeel van de Hoge Raad voor het Nederlandse strafproces te gelden dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Deze motiveringsplicht draagt voorts eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de hiervoor bedoelde zin kan betrekken bij de beoordeling van het verzoek. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. (…)

(…)

3.7.2.

Voor de eisen die worden gesteld aan een verzoek tot het horen van een getuige, maakt het in beginsel geen verschil of zo een verzoek een getuige 'à charge' dan wel 'à décharge' betreft. Wel zal in de regel gelden dat een in het vooronderzoek afgelegde verklaring van een getuige door de officier van justitie reeds bij de processtukken zal zijn gevoegd, zodat daaruit in het licht van art. 149a, tweede lid, Sv kan worden afgeleid dat, naar het oordeel van de officier van justitie, de inhoud van die door de getuige afgelegde verklaring redelijkerwijs van belang kan zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Dat betekent echter niet zonder meer dat ook het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Derhalve kan voor de onderbouwing van het verzoek tot het horen van een getuige niet worden volstaan met de enkele stelling dat bij de processtukken een verklaring van die getuige is gevoegd en — met het oog op de procedure in hoger beroep — evenmin met de enkele stelling dat die verklaring door de rechter in eerste aanleg voor het bewijs is gebezigd, maar dient te worden gemotiveerd waarin, gegeven de voeging van de reeds afgelegde verklaring bij de processtukken, de relevantie van het horen van de getuige is gelegen.

3.7.3.

Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering van het verzoek betrekking te hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing, en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.

3.8.1.

Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval — en met inachtneming van het toepasselijke criterium — moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.”

30. Omtrent deze motiveringsverplichting zijn volgens de Hoge Raad geen algemene regels te geven. De mate waarin een afwijzing van een verzoek tot horen van getuigen dient te worden gemotiveerd, wordt mede bepaald door de aard van het onderwerpen waarover de getuige zou kunnen verklaren alsmede de aard en de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen, terwijl tevens betekenis toekomt aan het procesverloop, waaronder ook het stadium waarin het verzoek is gedaan. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.10

31. In de onderhavige zaak ontbeert het eerst bij pleidooi gedane verzoek, zoals hiervoor reeds opgemerkt, elke motivering. De enkele opmerking dat, in tegenstelling tot hetgeen [betrokkene 6] stelt, de Vinkeveense plassen om kwart voor elf ’s avonds nagenoeg leeg zouden zijn, kan in het licht van de eisen die in het overzichtsarrest aan de motivering van een getuigenverzoek worden gesteld immers niet voor een motivering van het verzoek doorgaan. Gelet hierop komt het oordeel van het hof dat de noodzaak van het horen van [betrokkene 6] als getuige niet is gebleken mij niet onbegrijpelijk voor en meen ik dat de afwijzing van het verzoek ook toereikend is gemotiveerd. De derde klacht is tevergeefs voorgesteld.

32. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

33. Het derde, vierde en vijfde middel komen op tegen de bewezenverklaring, de bewijsvoering en de verwerping van door de verdediging gevoerde (bewijs)verweren. Ik geef daarom hierna eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.

34. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1 subsidiair:

hij op 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente [gemeente] , door roekeloos als bestuurder van een motorboot,

na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en

terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en

terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde

met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,

waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep,

waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1]

en [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden;

2 subsidiair:

hij op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente [gemeente] ,

als bestuurder van een motorboot, daarmede hoogst, onachtzaam en/of (hoogst) onoplettend heeft gevaren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige sloep met daarop vier personen onbruikbaar werd, immers, voer hij, verdachte,

na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en

terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker, was en

terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde

met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen, in ieder geval met een snelheid hoger dan de toegestane 6 km/uur,

waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezig verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [benadeelde 6] en [benadeelde 4] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en waarbij er levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] is ontstaan;

3 primair:

hij op 2 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente [gemeente] , als schipper van een motorboot opzettelijk, de op hem rustende verplichtingen krachtens artikel 785 Wetboek van Koophandel niet is nagekomen, immers is hij, verdachte, nadat hij in aan-/overvaring met de sloep met vier opvarenden was gekomen, met die motorboot doorgevaren en heeft hij niet zo spoedig mogelijk naar de plek van de aan-/overvaring teruggevaren teneinde de hulp te verlenen aan de die sloep en de personen aan boord van die sloep, waartoe hij bij machte was”.

35. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Het verkorte arrest bevat daarnaast – voor zover voor de bespreking van de middelen van belang – de volgende overweging met betrekking tot het bewijs:

“Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 augustus 2014 is om 22.43 uur een melding binnengekomen bij de politie van een aanvaring tussen twee boten op de Vinkeveense Plassen. Ter plaatse werd een beschadigde sloep aangetroffen met daarin twee overleden personen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Door de twee andere opvarenden van de sloep, [benadeelde 6] en [benadeelde 4] , is aangifte gedaan van poging tot doodslag. De speedboot die bij de aanvaring betrokken is geweest werd de volgende dag aangetroffen, aangemeerd bij een woonark aan de [a-straat] te Vinkeveen. De boot had verse schade aan de voorzijde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2014 bestuurder is geweest van de speedboot. Hij heeft hiermee over de Vinkeveense Plassen gevaren. Op een gegeven moment hoorde hij een klap. Hij heeft het gas even teruggenomen, de boot heeft even stil gelegen en vervolgens zijn ze doorgevaren. Hij heeft een klap gevoeld onder zijn boot.

(…)

Ten aanzien van feit 1 en 2 subsidiair

Niet alleen bij de vraag of sprake is van ‘schuld’ aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, lid 2, Wegenverkeerswet 1994, maar ook bij de vraag of sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 307 Wetboek van Strafrecht, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, komt het volgens de rechtspraak van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en van de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Het hof is van oordeel dat op grond van de volgende factoren het handelen van verdachte en het hem te maken verwijt als roekeloos moeten worden aangemerkt.

Snelheid speedboot

Verdachte heeft verklaard dat hij harder heeft gevaren dan de toegestane maximumsnelheid van 6 km/u en dat hij ook tussen de eilanden harder heeft gevaren dan is toegestaan. Door verbalisant [verbalisant] is een onderzoek ingesteld naar onder meer de vaarsnelheid van de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring. Om de snelheid vast te kunnen stellen zijn vaarproeven uitgevoerd. De sloep van de slachtoffers was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Met een vervangende boot zijn 6 vaarproeven gehouden. Met de speedboot van verdachte zijn 25 vaarproeven gehouden. Uit het onderzoek komt naar voren dat er een verband is tussen de snelheid van beide vaartuigen, aangezien op het moment van eerste aanraking beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar waren. Als niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring, kan de snelheid van de speedboot gelegen hebben tussen de 39 en 68 km/h (tabel p. 1439 dossier). Aangezien niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring gaat het hof ervan uit dat verdachte minimaal 39 km/h moet hebben gevaren op het moment van de aanvaring. Aangezien een snelle motorboot, ongeacht grootte of gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 km/h (p. 1141 dossier) heeft verdachte dus in plané gevaren op het moment van aanvaring. Dat verdachte zeer hard en in plané heeft gevaren wordt bevestigd door verschillende getuigen, onder wie getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Dat er ook anderen zijn die over de stand van de boot anders hebben verklaard, doet daaraan niet af.

De raadsman heeft aangevoerd dat het onderzoek van [verbalisant] niet voor het bewijs kan worden gebruikt aangezien bij de vaststelling van de snelheid niet is uitgegaan van de snelheid van de sloep. Volgens de raadsman komt uit het dossier naar voren dat de sloep een aanzienlijke snelheid heeft gehad, namelijk 15 km/u.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat uit het onderzoek van [verbalisant] volgt dat de exacte snelheid van de speedboot niet kan worden vastgesteld aangezien de snelheid van de sloep niet bekend is, maar dat in elk geval kan worden vastgesteld dat de snelheid van de speedboot tussen de 39 km/u en de 68 km/u heeft gelegen waarbij in het voordeel van verdachte wordt uitgegaan van de hoogste snelheid van de sloep (16 km/u), hetgeen neerkomt op een minimale snelheid van de speedboot van 39 km/u, ruim zes keer de maximum toegestane snelheid ter plaatse.

Verlichting speedboot en sloep

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een sloep welke verlichting voerde op het water zag varen en dat er een boot zonder verlichting met enorme snelheid aan kwam varen. Hij hoorde een klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. De persoon die getroffen werd had wel verlichting aan, een wit rond achterlicht. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een speedboot aan zag komen varen en dat hij nog zei: ‘wat vaart hij hard en geen verlichting’. Hij zag dat de sloep een lampje had. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij een zwart varend vaartuig over het water heen zag schieten. Rechts zag hij ook een bootje varen. De zwarte schim over het water voerde geen verlichting. De andere boot had verlichting. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag hij dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer en dat dit sloepje licht voerde. Toen de speedboot aan kwam met hoge snelheid zeiden ze volgens de getuige: ‘wat onverantwoord zo hard zonder verlichting’.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring geen verlichting voerde en dat de sloep van de slachtoffers wel verlichting voerde. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte de verlichting als een ‘standaardhandeling’ tevoren zou hebben aangezet noch acht het hof aannemelijk dat de groene en blauwe navigatieverlichting waarover door sommige personen is gesproken betekent dat zijn boot wel verlichting voerde.

Alcoholgebruik

Verdachte heeft verklaard dat hij ’s middags twee glazen champagne heeft gedronken en ’s avonds bij restaurant [A] nog twee biertjes. Na de aanvaring heeft hij geen alcohol meer gedronken, aldus verdachte. Het hof overweegt dat het exacte alcoholgehalte bij verdachte ten tijde van de aanvaring niet meer kan worden vastgesteld. Met de rechtbank gaat het hof er echter vanuit dat verdachte veel meer heeft gedronken dan de hoeveelheid die hij zelf stelt te hebben gedronken, op grond van het volgende. Op 3 augustus 2014 om 08.54 uur is bij verdachte een ademanalyse afgenomen. Het resultaat hiervan bedroeg 60 mg/l. Het NFI heeft een herberekening gedaan van het ademalcoholgehalte. (…)

Het NFI berekent het bloedalcoholgehalte, uitgaande van een ademalcoholgehalte van 60 mg/l, op 0,14 mg/ml bloed. Rekening houdend met vertraagde afbraak in lage concentraties wordt de afname van het bloedalcoholgehalte in de tijd tussen de aanvaring en de ademanalyse (10,3 uur) geschat op ongeveer 1,3 tot 2,5 milligram per milliliter. Hieruit volgt volgens het NFI dat het bloedalcoholgehalte op het tijdstip van de aanvaring ongeveer zal hebben gelegen tussen de 1,4 en 2,6 mg/ml.

Het hof gaat op grond van het bovenstaande, in het voordeel van verdachte, uit van een bloedalcoholgehalte van 1,4 mg/ml ten tijde van de aanvaring. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte na de aanvaring geen alcohol meer heeft gedronken, zoals hij zelf heeft verklaard.11

De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de uitslag van het bloedonderzoek onbesproken heeft gelaten, terwijl daaruit naar voren is gekomen dat er geen alcohol is aangetroffen in het bloed van verdachte. Het hof overweegt hierover dat de ademanalyse, waaruit een resultaat van 60 mg/1 naar voren is gekomen, heeft plaatsgevonden om 08.54 uur en dat het bloedonderzoek pas is uitgevoerd om 12.37 uur, derhalve ruim 3,5 uur na de ademanalyse, toen de restalcohol uit het bloed van verdachte was verdwenen. Dat verdachte wel had gedronken wordt onder meer bevestigd door de verklaring van [betrokkene 7] , een van de opvarenden van de speedboot, die verklaarde dat ze allemaal dronken, dan wel aangeschoten waren, dat ze op Dance Valley veel hadden gedronken en dat verdachte niet had mogen varen.

Roekeloosheid

Dat verdachte ter plekke minimaal 39 kilometer per uur heeft gevaren levert - zowel in aard, ernst als de overige omstandigheden - in verband met de grootte van de daardoor veroorzaakte gevaren een bijzonder ernstige gedraging op. Het gaat daarbij immers om ruim zes keer de maximum snelheid van 6 kilometer per uur. Die maximumsnelheid ter plekke - zowel overdag als bij nacht - was er natuurlijk niet voor niets. De hoogte van de maximumsnelheid - zo begrijpt het hof - houdt verband met de gevaren van zowel het varen bij nacht als van de relatieve engte van de doorgangen tussen de eilanden met hun begroeiing en bebouwing. De door verdachte gevaren bijzonder hoge snelheid maakt het zeer veel moeilijker voor verdachte als bestuurder om andere vaartuigen in de nabijheid tijdig te zien en zo nodig uit te wijken en voor bestuurders van andere vaartuigen om tijdig en adequaat te reageren, in het bijzonder als het donker is, zoals het op het tijdstip van de aanvaring was. Die hoge snelheid is niet - voor zover dat al mogelijk is - gecompenseerd door een bijzondere hoge mate van oplettendheid. Integendeel. Verdachte heeft immers de sloep niet gezien, zoals hij heeft verklaard. Dat heeft er echter niet aan gelegen dat de sloep niet verlicht was, want dat was de sloep wel. Het hof leidt daaruit af dat verdachte in hoge mate onoplettend, althans in hoge mate onachtzaam is geweest, terwijl zijn gezichtsveld aanzienlijk groter was dan wanneer hij op het punt stond in plané te gaan varen. Omgekeerd beroofde de grote snelheid van de speedboot de opvarenden van de sloep van elke mogelijkheid, om tijdig te reageren, uit te wijken of zo nodig voorrang te verlenen. Dit effect werd nog versterkt doordat de speedboot geen verlichting voerde. Het was de combinatie van de hoge snelheid van de door verdachte bestuurde speedboot en de onoplettendheid, althans onachtzaamheid van verdachte die ertoe heeft geleid dat de speedboot in de juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang tussen de eilanden over de sloep heen is gevaren.

Het bijzonder ernstige verwijt dat verdachte op grond van het voorgaande reeds wordt gemaakt wordt nog vergroot door de omstandigheid dat verdachte onder invloed van een hoeveelheid alcohol verkeerde die ongeveer drie maal de maximaal toegestane hoeveelheid oplevert. Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de beschrijving van [betrokkene 7] dat ook verdachte aangeschoten dan wel dronken was.

Daar komt verder nog bij dat verdachte op die avond ermee rekening had behoren te houden:

- dat het op het water drukker zou zijn dan op andere momenten als gevolg van een aantal evenementen, de zomervakantie en het mooie weer,

- dat zijn speedboot verhoudingsgewijs groot en zwaar is en een groot vermogen heeft terwijl er aanzienlijk lichtere en minder snelle vaartuigen op het water of mensen in het water konden zijn,

- dat er verkeer van de kant kon komen waar de sloep vandaan kwam en – bij afwezigheid van een verplichting daartoe – zonder dat dit stuurboord zou houden,

- dat hij niet meer dan weinig ervaring had met het varen in het donker.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust had moeten zijn.

Op grond van al het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het aan zijn schuld te wijten is dat een vaartuig onbruikbaar wordt gemaakt, terwijl daardoor levensgevaar voor [benadeelde 6] en [benadeelde 4] ontstaat. Het hof merkt hierbij op dat in de tenlastelegging van feit 2 kennelijk niet wordt gerept van ‘roekeloosheid’ omdat in de delictsomschrijving van artikel 169 Wetboek van Strafrecht waarop de tenlastelegging van feit 2 is gebaseerd geen strafverzwaringsgrond van die strekking is geformuleerd.

Feit 3 primair

Door [verbalisant] is onderzoek gedaan naar de wijze waarop de afwikkeling van het ongeval heeft plaatsgevonden. Hieruit komt naar voren dat de voorsteven van de speedboot in aanraking is gekomen met de scheepshuid ter hoogte van de stuurboord voorzijde van de sloep. De doorlopende beschadiging in de zitbank van de sloep is kennelijk veroorzaakt door de stuurboord heckdrive van de speedboot. De voorsteven van de speedboot is bij de botsing kennelijk de romp van de sloep binnengetreden ter hoogte van de stuurboord voorzijde. De voorsteven is vervolgens in contact geweest met de binnenkuip van de sloep en heeft vervolgens de binnenkuip verlaten. De sloep is dermate beschadigd dat deze niet meer bruikbaar is.

Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij omstreeks 22.45 uur een enorme klap hoorde en een paar seconden later ‘help’ geluiden. Hij hoorde zowel mannen- als vrouwenstemmen ‘help’ roepen. [getuige 6] is met zijn zoon in hun boot gestapt en richting de plek gevaren waar het hulpgeroep vandaan kwam. Tussen eiland 7 en 8 zag hij een boot liggen die geen verlichting voerde. Er stonden drie personen op de boot, één persoon (een man) bij het stuur en twee personen achterin. De mensen op de boot hebben niks gezegd, ze keken wat in de rondte en het leek volgens de getuige alsof ze verdwaasd of verdoofd waren. De getuige is doorgevaren richting het geschreeuw. Het geschreeuw was zowel vanaf de plek van het eiland waar de getuige zich bevond, maar ook vanaf de plek waar hij de boot passeerde, goed hoorbaar.

Het hof gaat ervan uit dat de boot die de getuige zag liggen, gezien de plek van de aanvaring en de beschrijving van de personen in de boot, de boot is van verdachte. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat ze even stil hebben gelegen voordat ze zijn doorgevaren.

Uit de door ooggetuigen beschreven manier waarop de speedboot van verdachte over de sloep is heengevaren, de verklaringen van de getuigen over de harde klap en vervolgens het gegil en geschreeuw, het onderzoek naar de afwikkeling van het ongeval en de ontstane schade aan de sloep leidt het hof af dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat hij geen boei of beschoeiing, zoals hij heeft verklaard, maar een vaartuig met opvarenden had geraakt. Uit de verklaring van onder meer getuige [getuige 6] leidt het hof af dat er veel gegil en geschreeuw was op het moment dat de boot van verdachte even stil lag/stationair draaide en dat dit kennelijk duidelijk te horen was vanaf de plek waar de boot van verdachte stil lag. Dat veel getuigen vanaf de eilanden het gegil en geschreeuw hebben gehoord maar verdachte niet, acht het hof dan ook niet aannemelijk. [betrokkene 7] heeft verklaard dat verdachte zei dat hij allemaal boten naar elkaar toe zag varen en dat hij meermalen achterom heeft gekeken. Dat verdachte niet heeft gemerkt dat hij een aanvaring heeft veroorzaakt waarbij gevaar voor de opvarenden is veroorzaakt, acht het hof op grond van het voorgaande niet aannemelijk. Door vervolgens door te varen is verdachte naar het oordeel van het hof opzettelijk zijn hulpverleningsverplichting niet nagekomen.”

36. Het derde middel valt uiteen in drie klachten.

37. De eerste klacht houdt in dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte niet in plané heeft gevaren en dus maximaal ongeveer 17 km/u heeft gevaren, aangezien het hof niet heeft gerespondeerd op de door de raadsman van de verdachte gemaakte berekening van de snelheid aan de hand van de afstand tussen het restaurant en de plaats van het ongeval en de tijd die is verstreken tussen het verlaten van het restaurant door de verdachte en het ongeval.

38. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Daarbij heeft de raadsman onder de punten 68 tot en met 93 een uitgebreide beschouwing gewijd aan de snelheid van de door verdachte bestuurde boot en het al dan niet planeren, met als conclusie dat verdachte wel iets te hard kan hebben gevaren, maar niet zodanig hard dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van roekeloosheid, deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Onderdeel van de beschouwing is onder meer het volgende:

“92. Voorts nog een feitelijk gegeven. Vaststaat dat [verdachte] restaurant [A] heeft verlaten om 22.30 uur. De afstand van [A] naar de plaats van het ongeval bedraagt 1800 meter. [verdachte] is rechtstreeks gevaren, en heeft geen omweg genomen. Dit blijkens de opvarenden van de boot van [verdachte] . Volgens de getuigen heeft het ongeval om 22.45 uur plaatsgevonden. Bij een snelheid van 9 km/u zou [verdachte] over de afstand 10 minuten hebben gedaan. Als [verdachte] er 15 minuten over zou hebben gedaan zou de snelheid 7,2 km/u zijn geweest. Dit feitelijk gegeven laat zich niet rijmen met de stelling dat [verdachte] hard heeft gevaren, of zoals de Rechtbank Midden-Nederland vermoed, heel veel harder dan 20 km/u.”

39. Het hof heeft in zijn hiervoor onder 35 weergegeven overweging met betrekking tot het bewijs uitgebreid uiteengezet waarom het, in afwijking van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, van oordeel is dat de verdachte heeft gevaren met een minimale snelheid van 39 km/u. Daarmee heeft het hof voldaan aan de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Hieraan doet niet af dat het hof niet afzonderlijk is ingegaan op de door de raadsman berekende snelheid. Deze motiveringsplicht gaat immers niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.12 De eerste klacht faalt.

40. De tweede klacht houdt in dat de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat de boot van de verdachte verlichting voerde onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk acht dat de groene en blauwe navigatieverlichting13 waarover door sommige personen is gesproken betekent dat de boot van de verdachte wel verlichting voerde onbegrijpelijk is, aangezien de verdediging heeft gewezen op meerdere verklaringen van getuigen die rode en/of groene verlichting hebben waargenomen, terwijl de sloep enkel verlicht kon worden door een wit insteeklicht en de boot van de verdachte was voorzien van rode en groene navigatieverlichting.

41. In dat kader stel ik vast dat het hof verklaringen van verschillende getuigen tot het bewijs heeft gebezigd die er op neerkomen dat de door verdachte bestuurde speedboot geen verlichting voerde. Dat zijn de verklaringen van de in de overweging met betrekking tot het bewijs genoemde getuigen [getuige 3] (bewijsmiddelen 28 en 29), [getuige 1] (bewijsmiddelen 30 en 31), [getuige 5] (bewijsmiddel 33) en [getuige 4] (bewijsmiddel 34).14 Gelet daarop komt het oordeel van het hof dat het niet aannemelijk acht dat de groene en blauwe navigatieverlichting waarover door sommige personen is gesproken betekent dat de boot van de verdachte wel verlichting voerde mij niet onbegrijpelijk voor. Het oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. De verwerping van het verweer dat de boot van de verdachte verlichting voerde is daarmee niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De tweede klacht faalt.

42. De derde klacht houdt in dat het hof de verklaring van getuige [getuige 4] heeft gedenatureerd.

43. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015 houdt als verklaring van [getuige 4] , voor zover hier van belang, het volgende in:

“U vraagt mij wat ik van de sloep heb gezien. Ik heb toen niet gezien hoeveel mensen erop zaten, later wist ik dat wel. Ik zag wel dat hij een lampje had, een groen lampje als ik het mij goed herinner.”

44. De hiervoor reeds weergegeven overweging van het hof met betrekking tot het bewijs houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een speedboot aan zag komen varen en dat hij nog zei: ‘wat vaart hij hard en geen verlichting’. Hij zag dat de sloep een lampje had.”

45. De aanvulling op het verkorte arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“34. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 4] :

(…) U vraagt mij wat ik van de sloep heb gezien. Ik zag wel dat hij een lampje had.”

46. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof door de verklaring van de getuige [getuige 4] aldus weer te geven in de overweging met betrekking tot het bewijs en de aanvulling het hof aan deze verklaring een wezenlijk andere betekenis heeft gegeven dan de getuige daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven.

47. Vooropgesteld moet worden dat het aan de feitenrechter is voorbehouden om van een bepaalde verklaring die onderdelen te selecteren en eventueel samen te vatten die hem betrouwbaar en nuttig voorkomen om daarop zijn oordeel te baseren en andere delen van de verklaring terzijde te laten.15 Wat in de uitspraak wordt weergegeven, mag niet in strijd zijn met de bewoordingen van de originele verklaring.16 De vrijheid van de feitenrechter vindt haar grens daar waar een verklaring, door de wijze waarop zij is weergegeven en/of door de selectie van onderdelen ervan, een betekenis zou krijgen die degene die haar heeft afgelegd daaraan niet heeft willen toekennen.17 De rechter mag aan het gebruikte onderdeel van een verklaring dus niet een andere betekenis geven dan de betekenis die dat onderdeel in het verband van de gehele verklaring had. Dat zou neerkomen op een ontoelaatbare denaturering van de verklaring.18

48. Het hof heeft door het weglaten van de zinsnede " een groen lampje als ik het mij goed herinner" geen wezenlijk andere betekenis gegeven aan de tot het bewijs gebezigde onderdeel van de verklaring van [getuige 4] dat hij zag dat de sloep een lampje had. Van denaturering is daarmee geen sprake. De derde klacht faalt.

49. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

50. Het vierde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het door de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het door verbalisant [verbalisant] uitgevoerde onderzoek naar de snelheid van de door verdachte bestuurde boot onvolledig is geweest nu deze in zijn berekeningen ten onrechte niet het verschil in gewicht van de boten en de materiaalsterktes niet heeft meegenomen en evenmin rekening heeft gehouden met de snelheid van de sloep.

51. Blijkens de toelichting op het middel wordt daarbij gedoeld op de volgende passages uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte schriftelijke laatste woord van de verdachte:

"Ook onderzoeker [verbalisant] laat een hoop steken vallen in het onderzoek. Hij mag, zoals de slager die zijn eigen vlees keurt, zelf zijn vragen bepalen over wat hij wil onderzoeken. Hij vergeet daarbij helemaal de sloep ook in zijn onderzoek mee te nemen en heeft alleen vragen over hoe snel mijn boot heeft gevaren en hoe de afwikkeling van de schade heeft plaats kunnen vinden. Hij laat in een aantal schetsen zien hoe hij denkt dat mijn boot de sloep heeft geraakt maar vergeet daarbij dat mijn boot, die ruim 3000 Kg. weegt niet 1 meter horizontaal boven het water kan zweven. Hij vergeet het verschil in de gewicht van beide boten in zijn onderzoek mee te nemen en ook de materiaal sterktes van beide vaartuigen laat hij buiten beschouwing. (De sloep weegt slechts 1.000 Kg terwijl mijn boot ruim 3.000 Kg weegt en de sloep is gemaakt van maar 14 mm. dik polyester terwijl mijn boot gemaakt is van ruim 40 mm. mahoniehout met aan de binnenzijde nog eens een polyester laag van 20 mm.) Dat de boot dus bijna geen schade heeft en de sloep veel is door deze verschillen niet verwonderlijk.

(…)

Ook is er in zijn onderzoek geheel geen rekening gehouden met het feit dat mijn boot onder een bepaalde hoek de sloep heeft moeten raken om tot het actuele impactpunt te kunnen komen. Dit punt van impact zit namelijk iets boven de waterlijn aan de onderkant van mijn boeg. Dit punt kan alleen daar ontstaan zijn als de punt van mijn boot, de boeg, omhoog stond. De slachtoffers getuigen zelf ook dat ze de punt van de boot op zich af zagen komen. Ook een aantal getuigen geeft aan dat de boeg van de boot omhoog stond. Dit kan alleen worden veroorzaakt als mijn boot NIET in plane was en dus een snelheid had die onder de 20 km/u lag. (…)

(…)

[verbalisant] heeft met de afwikkeling van de schade ook totaal geen rekening gehouden met het feit dat ook de sloep een snelheid had. Volgens de overlevenden voeren ze met de sloep een snelheid van 15 km/u Deze snelheid dient te worden opgeteld bij mijn snelheid. Samen vormen deze opgetelde snelheden de impactsnelheid. Als [verbalisant] daarmee geen rekening heeft gehouden kan hij onmogelijk beweren dat de snelheid die tot deze afwikkeling van de schade komt uitsluitend kan komen door mijn snelheid en deze daarom hoger zou liggen dan 20 km per uur. Dat hij de testgegevens van de runs tijdens de reconstructie tot 20 k/mu uit het onderzoek weglaat is het achterhouden van bewijs.

Zoals ik tijdens de verhoren heb aangegeven stonden de gashandles van mijn boot op 45 graden. Dit staat gelijk aan een testrun tijdens de reconstructie met een snelheid van 17-18 km/u. Hierbij is de boot dus weer niet in plane zoals zoveel getuigen en ook de opvarenden van de sloep en ikzelf zeggen. Alleen omdat [verbalisant] op persoonlijke titel zonder nader onderzoek meent dat een dusdanige schade bij deze snelheid van de boot niet zou kunnen ontstaan laat hij deze runs buiten beschouwing in het onderzoek. Had hij wel de snelheden van beide voertuigen bij elkaar opgeteld dan had hij waarschijnlijk tot de conclusie gekomen dat een dergelijke schade wel had kunnen ontstaan. Het niet opnemen van de snelheden van beide vaartuigen maakt zijn conclusie onvolledig."

52. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, wil een standpunt de verplichting tot beantwoording scheppen, dit duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren moet worden gebracht.19 Of hetgeen ter terechtzitting over die verklaring is aangevoerd moet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is een interpretatievraag die aan het hof is voorbehouden. In dit verband kan in cassatie de uitleg door het hof van hetgeen ter terechtzitting ter verdediging is aangevoerd slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.20

53. Hetgeen in de cassatieschriftuur is aangeduid als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv heeft het hof kennelijk niet als zodanig opgevat. Dat oordeel geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte zijn opmerkingen met betrekking tot het onderzoek door verbalisant [verbalisant] niet van een ondubbelzinnige conclusie heeft voorzien. Ik sluit bovendien niet uit dat de omstandigheid dat sprake is van een betoog van verdachte zelf (als laatste woord) terwijl hij werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman voor het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk bij het al dan niet aanmerken als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet volledig zonder betekenis is geweest.

54. Het middel faalt.

55. Het vijfde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat uit hetgeen het hof heeft overwogen niet (zonder meer) kan volgen dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest, althans had moeten zijn.

56. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende vooropgesteld worden.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor de schuldvorm "roekeloosheid" dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat daarvan sprake is, waarbij het aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan.
Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.21

57. In de onderhavige zaak heeft het hof, zoals hiervoor weergegeven, zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid uitgebreid gemotiveerd. Daaruit blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in het donker met zijn onverlichte, grote en zware speedboot heeft gevaren met een snelheid van minimaal 39 km/u, zijnde ruim zes keer de ter plaatse geldende maximumsnelheid – welke maximumsnelheid verband hield met de gevaren van het varen bij nacht en de relatieve engte van de doorgangen tussen de eilanden – en daarbij in de doorgang tussen de eilanden over de verlichte sloep is gevaren, zulks terwijl de verdachte – die weinig ervaring had met varen in het donker – verkeerde onder invloed van ongeveer drie maal de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol.22 Daarbij had de verdachte er rekening mee te houden dat het die avond drukker zou zijn op het water dan anders, dat er ook aanzienlijk lichtere en langzamere vaartuigen op het water of mensen in het water konden zijn en dat er verkeer kon komen van de kant waar de sloep vandaan kwam.

58. In de toelichting op het middel wordt een vergelijking gemaakt met het wegverkeer en gesteld dat in deze zaak geen sprake was van een kat- en muisspel met een ander vaartuig. Het oordeel van het hof dat sprake was van roekeloosheid getuigt “dan ook” van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de toelichting op het middel. In dat kader merk ik op dat de gevallen waarin de Hoge Raad het oordeel dat sprake was van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 in stand liet, zijn te karakteriseren als een kat- en muisspel, een snelheidswedstrijd, een wedstrijdachtige achtervolging, zeer gevaarlijk rijgedrag tijdens het vluchten voor de politie respectievelijk een verkeersruzie.23 Van een dergelijke situatie is in de onderhavige zaak geen sprake, maar als in deze zaak daadwerkelijk een vergelijking wordt gemaakt met het wegverkeer, dan hebben we het hier over het in het donker met een onverlichte auto rijden met een snelheid van ten minste 180 km/u in een 30-kilometerzone. De vraag kan worden gesteld of daarmee in de context van het wegverkeer niet al sprake zou zijn van een gedraging waarmee men zich welbewust buiten de orde van het normale verkeer plaatst ten koste van extreme risico’s voor andere verkeersdeelnemers.24

59. Wat daar ook van zij, meen ik dat gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel van het hof dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich daarvan bewust had moeten zijn, en zich in deze zaak aldus een uitzonderlijke geval voordoet waarin sprake is van roekeloosheid, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel acht ik evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

60. Bij het voorgaande neem ik mede in aanmerking dat ten aanzien van art. 307 Sr de omstandigheid dat de verdachte onder invloed van alcohol verkeerde en de omstandigheid dat de verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden niet zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leiden. Van een ‘dubbeltelling’ van bepaalde gedragingen kan daarmee, anders dan ten aanzien van art. 6 WVW 1994 in verbinding met art. 175 WVW, geen sprake zijn.

61. Het middel faalt.

De middelen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en
[benadeelde 3]

62. De vier middelen richten zich tegen de beslissingen van het hof op de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de post gederfd levensonderhoud.

63. Blijkens de zich bij de stukken van het geding bevindende vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] omvatten deze vorderingen onder meer de post gederfd levensonderhoud, te weten respectievelijk € 137.008,06, € 32.826,56 en € 23.430,16. De rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen op dit punt integraal toegewezen.

64. In hoger beroep heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. Namens de benadeelde partijen heeft mr. Korver de vorderingen nader schriftelijk toegelicht, waarbij hij heeft verzocht de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van het gederfd levensonderhoud in stand te laten.25 De schriftelijke conclusie van de raadsman van de verdachte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De vordering van [benadeelde 1] (de echtgenote van slachtoffer [slachtoffer 2] )

30. Wat betreft het door [benadeelde 1] gevorderde levensonderhoud (ad 2: € 137.008,06) heeft de Rechtbank naar haar eerdere overwegingen ten aanzien van [slachtoffer 1] verwezen en de vordering toegewezen. Ook cliënt verwijst hier naar wat hij op dit punt reeds stelde ten aanzien van de vordering tot gederfd levensonderhoud van [slachtoffer 1] en het feit dat met dit deel van de vordering het strafproces in onwenselijke mate wordt belast (zie punt 24 van deze conclusie). De vordering van [benadeelde 1] is nog omvangrijker (alleen het verslag van [B] beslaat - inclusief bijna dertig bijlagen - al honderden pagina’s), uiterst complex en bovendien multi-interpretabel. Het vraagt om de nodige expertise om deze vordering tot in detail te toetsen en daarvoor is in onderhavig proces geen plaats. De vordering kan ook niet worden toegewezen zonder deze punctuele toets – op die manier is niet uitgesloten dat de verdachte, in dit geval cliënt, onevenredig wordt belast en [benadeelde 1] bovenmatig wordt bevoordeeld. Indien Uw Hof concrete complexiteiten en vragen aangedragen wenst te zien teneinde [benadeelde 1] in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te kunnen verklaren dan wel dit deel van de vordering af te wijzen, behoudt cliënt zich het recht voor dat alsnog te doen.

(…)

De vordering van [benadeelde 3] (de zoon van slachtoffer [slachtoffer 2] )

(…)

37. (…) Ten aanzien van het materiële deel zijnde gederfd levensonderhoud meent cliënt dat dit onterecht is toegewezen. Cliënt meent dat met dit deel van de vordering vanwege zijn complexe aard het strafproces onevenredig wordt belast. Indien Uw Hof concrete complexiteiten en vragen aangedragen wenst te zien teneinde [benadeelde 3] in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk te kunnen verklaren dan wel dit deel van de vordering af te wijzen, behoudt cliënt zich het recht voor dat alsnog te doen.

De vordering van [benadeelde 2] (de dochter van slachtoffer [slachtoffer 2] )

(…)

40. (…) Ten aanzien van het materiële deel zijnde gederfd levensonderhoud meent cliënt dat dit onterecht is toegewezen. Cliënt meent dat met dit deel van de vordering vanwege zijn complexe aard het strafproces onevenredig wordt belast. Indien Uw Hof concrete complexiteiten en vragen aangedragen wenst te zien teneinde [benadeelde 2] in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te kunnen verklaren dan wel dit deel van de vordering af te wijzen, behoudt cliënt zich het recht voor dat alsnog te doen.”

65. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de advocaat van de benadeelde partijen het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij. Deze pleitaantekeningen, houden voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

“Gederfd levensonderhoud

Minderjarigen [benadeelde 3] en [benadeelde 2] en [benadeelde 1]

23. Cliënten hebben een uitgebreide onderbouwing gegeven van kosten voor gederfd levensonderhoud. Zij hebben daartoe een gespecialiseerd bureau ingeschakeld (rekenkundigbureau [C] , en niet [B] zoals de verdediging stelt). Die onderbouwing is uitgebreid, doch dat is volgens cliënten juist geen reden om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

24. Er is een deugdelijke uitleg gegeven waarom is gekomen tot het bedrag dat is gevorderd. Reeds bij de Rechtbank is aan de verdediging gelegenheid gegeven om op voorhand vragen te stellen over eventuele onduidelijkheden. Die vragen zijn niet gesteld en de vordering is niet betwist.

25. Nu voert de verdediging plotseling aan dat die vordering uiterst complex zou zijn en bovendien multi-interpretabel. Cliënten betwisten dit en de verdediging maakt dit bovendien ook niet concreet.

26. Daarnaast stelt de verdediging dat er vele vragen zouden zijn over die vorderingen en dat beantwoording daarvan specifieke kennis vraagt. Juist die specifieke kennis is ingeschakeld door het rekenkundig bureau en juist aan die specialisten hadden vragen, ook door de verdediging, kunnen worden gesteld. Bovendien zijn stukken in geding gebracht die relevant zijn voor de beoordeling van het gederfd levensonderhoud.

27. De verdediging is al geruime tijd bekend met deze stukken doch heeft nagelaten een andere rapportage in geding te brengen. Ook wordt niet concreet gesteld welke zaken vragen oproepen en welke punten worden betwist. Cliënten menen dat er dan ook geen sprake is van een concrete betwisting en stellen dat dit verweer verworpen dient te worden.

28. Het aanbod van de verdediging om, voor zover uw Hof dat zou wensen, nog concrete complexiteiten en vragen aan te dragen, dient volgens cliënten te worden afgewezen. Dit zou dan ter zitting voor eerst in hoger beroep worden aangedragen. Dit terwijl bij de Rechtbank de deskundige op zitting aanwezig is geweest om vragen te beantwoorden en juist in hoger beroep een schriftelijke ronde is gehouden teneinde aan partijen gelegenheid te bieden om concrete, gemotiveerde, verweren aan te voeren.

29. Cliënten stellen dat, nu de verdediging van die gelegenheid in de schriftelijke toelichting geen gebruik heeft gemaakt, het in strijd met de beginselen van een goede procesorde is, indien thans alsnog ter zitting dergelijke punten kunnen worden aangedragen. Immers, op voorhand hadden nog vragen aan de deskundige kunnen worden gesteld en beantwoord. Cliënten stellen dan ook dat de vordering onvoldoende gemotiveerd is betwist.

30. Voorts stellen cliënten dat de vordering voor gederfd levensonderhoud voldoende duidelijk is en deugdelijk onderbouwd is en zij verzoeken uw Hof eerbiedig die gevorderde schade toe te wijzen.”

66. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

“165. Wat betreft de vordering benadeelde partij wordt verwezen naar

hetgeen door de verdediging in haar conclusie van 16 november 2017 is gesteld.

166. In het bijzonder ten aanzien van de vorderingen die zien op gederfd levensonderhoud of inkomstenderving, is het civiele recht duidelijk – wie moet stellen, moet bewijzen (artikel 149 Rv) en de 'eigen schuld' kan pas worden vastgesteld na een grondig onderzoek (artikel 6:101 BW). Dit valt simpelweg buiten het bestek van deze strafzaak. Ook Uw Hof kan niet het risico lopen dat er voor een onterecht hoog bedrag schade wordt toegewezen en het enkele feit dat er schade in het strafproces kan worden gevorderd, wil niet zeggen dat deze schade hoe dan ook moet worden toegewezen.”

67. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

“Het hof maakt eerst enkele opmerkingen over een aantal schadeposten waarvan vergoeding door diverse benadeelde partijen wordt gevorderd, over ‘eigen schuld’, over wettelijke rente, over proceskosten en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarna zullen de vorderingen per benadeelde partij worden besproken.

(…)

Derving levensonderhoud

De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en de dochter van slachtoffer [slachtoffer 1] hebben vergoeding gevorderd van gederfd levensonderhoud zoals bedoeld in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank heeft de vorderingen op dit punt toegewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman van verdachte heeft de vordering op dit punt betwist, omdat dit deel van de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist. Het vraagt om de nodige expertise om deze vordering tot in detail te toetsen en daarvoor is in het onderhavig proces geen plaats.

Mede in het licht van deze betwisting door de verdediging constateert het hof enerzijds, dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld, terwijl daarover in de rechtspraktijk normaliter hetzij onderling overeenstemming pleegt te worden bereikt door de partijen hetzij door de rechter vaststellingen worden gedaan na een gedegen partijdebat. Hetzelfde geldt voor de keuze van de geraadpleegde rekenkundige. Ondanks de schriftelijke ronde die met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is gehouden, acht het hof met betrekking tot deze omvangrijke schadeposten in dit geval niet verzekerd dat de verdachte enkel daardoor in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren. In zoverre zou. het hof dan ook verplicht zijn, gelet op het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM, de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AV2654).

Anderzijds is wat het hof betreft op zichzelf voldoende aannemelijk dat bij de desbetreffende benadeelde partijen in ieder geval in enige mate sprake is van gederfd levensonderhoud.

Op grond van het bovenstaande zal het hof met gebruikmaking van de hem toekomende schattingsbevoegdheid uit art. 6:97 van het Burgerlijk Wetboek per benadeelde partij vaststellen voor welk bedrag deze in elk geval schade heeft geleden wegens gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen in de desbetreffende vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

(…)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 45.499,52 ter zake van materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de opbouw van voornoemd bedrag overweegt het hof het volgende.

Materiële schade

(…)

Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij in het geding is gebracht. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van haar overleden echtgenoot [slachtoffer 2] en de benadeelde partij, de verhouding daartussen en de leeftijd van beiden ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 30.000,- aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

(…)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.000,- ter zake van materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de opbouw van voornoemd bedrag overweegt het hof het volgende.

Materiële schade

Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij [benadeelde 1] in het geding is gebracht en waaruit de schade van de benadeelde partij is afgeleid. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van zijn overleden vader [slachtoffer 2] en zijn moeder [benadeelde 1] , de verhouding daartussen en de leeftijd van de benadeelde partij en zijn ouders ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 10.000,- aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

(…)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.000,- ter zake van materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de opbouw van voornoemd bedrag overweegt het hof het volgende.

Materiële schade

Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de berekening van deze schade die door de benadeelde partij [benadeelde 1] in het geding is gebracht en waaruit de schade van de benadeelde partij is afgeleid. Onder meer gelet op de inkomens uit arbeid van zijn overleden vader [slachtoffer 2] en zijn moeder [benadeelde 1] , de verhouding daartussen en de leeftijd van de benadeelde partij en zijn ouders ten tijde van het bewezenverklaarde, acht het hof het, schattenderwijs, aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval voor een bedrag van € 10.000,- aan schade wegens gederfd levensonderhoud lijdt. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

68. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partijen gedeeltelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen wat betreft de post gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen hun vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het hof daarbij ten onrechte heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007/484.

69. Dat arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Het Wetboek van Strafvordering geeft aan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit en, indien deze is overleden, de in art. 51a lid 2 Sv. genoemde personen ter zake van de daar genoemde schade als gevolg van het strafbare feit, het recht om zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces, teneinde de verdachte te doen veroordelen tot vergoeding van deze schade.

De wet heeft deze procedure tussen de benadeelde partij en de verdachte geregeld als een eenvoudige procedure, die in het kader van het strafproces plaatsvindt en waarin ingevolge art. 334 Sv. slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve bepalen dat zij in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361 lid 3 Sv.).

(…)

Het is juist dat de aldus voorziene procedure aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen biedt als een gewone civielrechtelijke procedure. Hierin wordt echter in afdoende mate voorzien door art. 361 lid 3 Sv., welke bepaling in het licht van art. 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voorzover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.”

70. Ten tijde van het wijzen van dit arrest luidde art. 361, derde lid, Sv als volgt:

“Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat zij in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”

71. Sinds 1 januari 2011 luidt art. 361, derde lid, Sv echter als volgt:

“Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”

72. Deze wijziging van art. 361, derde lid, Sv komt voort uit een tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces aangenomen amendement. Het amendement bevat de volgende toelichting:

“Dit amendement beoogt te bewerkstelligen dat de strafrechter zoveel als mogelijk – en vaker dan nu het geval is – inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist. Het enkele feit dat een vordering wordt betwist, niet onmiddellijk met voldoende bewijsmiddelen wordt onderbouwd of dat er bijvoorbeeld een enkele getuige of deskundige moet worden gehoord of het gevorderde bedrag hoger is dan gemiddeld, mag geen reden (meer) zijn de vordering om die reden niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe wordt voorgesteld het criterium «eenvoudig van aard» te vervangen door het strengere criterium «onevenredige belasting». Dat de omvang van de schade – ook immateriële – wellicht vaker dan nu het geval is zal worden bepaald door schatting, acht de indiener geen groot bezwaar. De voordelen voor het slachtoffer zijn immers groot. Het voorgestelde criterium is ontleend aan het onderzoeksproject Strafvordering 2001.”26

73. Het eerste interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001 houdt in dat kader het volgende in:

“Voor wat betreft de ondergeschiktheid is in art. 361 lid 3 Sv als criterium opgenomen dat alleen vorderingen van eenvoudige aard in het strafgeding kunnen worden afgedaan (het zogenaamde ‘clear case-criterium’). In de praktijk leidt dit er toe dat reeds bij geringe (civielrechtelijke) complicaties of dubia de vordering naar de burgerlijke rechter wordt verwezen. Gelet op de doelstellingen van het strafgeding - waarvan schadeherstel een integraal bestanddeel vormt - is deze praktijk disfunctioneel en maatschappelijk niet optimaal verantwoord. De standaardcomplicaties die inherent zijn aan de afwikkeling van veel voorkomende criminaliteit behoren immers hanteerbaar te zijn in een strafrechtelijk systeem dat de pretentie wil waarmaken dat schadeherstel een van haar doelstellingen is. Het is daarom aan te bevelen dat binnen het bestaande criterium van art. 361 lid 3 Sv in de toekomst minder snel gebruik wordt gemaakt van de rechterlijke bevoegdheid om de vordering naar de burgerlijke kamer te verwijzen. Zou deze aanbeveling onvoldoende effect sorteren, dan kan het na verloop van tijd noodzakelijk blijken om andere oplossingen te onderzoeken. Enerzijds kan daarbij worden gedacht aan het formuleren van een scherper criterium bij het beoordelen van de toelaatbaarheid van een vordering tot schadevergoeding in het publiekrechtelijke verband van het strafgeding. Denkbaar is bijvoorbeeld een maatstaf die inhoudt dat vorderingen uitsluitend dan kunnen worden geëcarteerd wanneer de beoordeling daarvan 'een onevenredig zware belasting voor het strafgeding vormt'. Teneinde overmatig gebruik van deze ontsnappingsclausule te ontmoedigen zou daaraan een strafprocesrechtelijke voorziening kunnen worden toegevoegd, die voorschrijft dat te ingewikkelde vorderingen tot schadevergoeding moeten worden aangehouden tot een nadere strafzitting. Op dit moment bestaat evenwel onvoldoende duidelijkheid over deze materie om nu al een definitief voorstel tot wetswijziging te formuleren.”27

74. Het middel berust op de opvatting dat het hof niet kon en mocht verwijzen naar het genoemde arrest van 15 september 2006, aangezien die uitspraak is gebaseerd op een rechtsregel die inmiddels is komen te vervallen. Daarmee stelt het middel de vraag aan de orde of de wijziging van het criterium van art. 361, derde lid, Sv tot gevolg heeft dat het arrest van 15 september 2006 thans zonder betekenis is.

75. In dat kader stel ik vast dat de tekst van art. 361, derde lid, Sv niet dwingt tot het oordeel dat het arrest van de civiele kamer als gevolg van de wetswijziging geen betekenis meer heeft. Deze bepaling biedt de strafrechter immers ook thans nog ruimte om te bepalen dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

76. De strekking van de wetswijziging, dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist en minder snel gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de vordering naar de burgerlijke rechter te verwijzen, rechtvaardigt mijns inziens evenmin de conclusie dat het arrest niet langer betekenis zou hebben. Het enkele feit dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering van de benadeelde partij beslist, staat immers geenszins in de weg aan een verplichting voor de strafrechter om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering respectievelijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.

77. Verder is ook in de literatuur het standpunt ingenomen dat het arrest, hoewel gewezen onder het eenvoud-criterium, eveneens van betekenis is voor het huidige criterium.28

78. Gelet op het voorgaande meen ik dat de wijziging van art. 361, derde lid, Sv niet betekent dat het hof niet meer kon verwijzen naar het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 15 september 2006. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting vindt aldus geen steun in het recht.

79. Het middel faalt.

80. Het tweede middel klaagt dat het hof de schatting van de door de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geleden schade wegens gederfd levensonderhoud onvoldoende heeft gemotiveerd. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt hoe de door het hof geschatte bedragen tot stand zijn gekomen. Het hof had moeten motiveren hoe het precies tot deze schatting is gekomen, aldus de steller van het middel.

81. Vooropgesteld moet worden dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij op grond van art. 361, vierde lid, Sv met redenen omkleed dient te zijn. Daarbij merk ik op dat de aard van de in art. 6:97 BW aan de rechter gegeven bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten indien zij niet nauwkeurig kan worden vastgesteld met zich brengt dat de motivering van de omvang van het geschatte bedrag niet aan hoge eisen behoeft te voldoen.29 Wel geldt voor een dergelijke schatting het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken.30

82. Het hof heeft overwogen dat het bij de schatting van de door benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade wegens gederfd levensonderhoud op € 30.000,- heeft gelet op onder meer de inkomens uit arbeid van haar overleden echtgenoot [slachtoffer 2] en de benadeelde partij, de verhouding daartussen en de leeftijd van beiden ten tijde van het bewezenverklaarde. Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 2] heeft het hof overwogen dat het bij de schatting van de schade wegens gederfd levensonderhoud op € 10.000 heeft gelet op onder meer de inkomens uit arbeid van hun overleden vader [slachtoffer 2] en hun moeder [benadeelde 1] , de verhouding daartussen en de leeftijd van de benadeelde partijen en hun ouders ten tijde van het bewezenverklaarde.

83. Hiermee heeft het hof naar mijn mening voldoende inzicht gegeven in de aan de schatting van de schade wegens gederfd levensonderhoud ten grondslag liggende gedachtegang. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het hof de vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud voor het overige niet heeft afgewezen, maar de benadeelde partijen niet-ontvankelijk heeft verklaard in dat gedeelte van hun vorderingen. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen daarom in zoverre bij de burgerlijke rechter aanhangig maken. De beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen zijn voldoende met redenen omkleed.

84. Het middel faalt.

85. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages alsmede de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld en dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, onbegrijpelijk is althans ontoereikend is gemotiveerd.
Het vierde middel klaagt dat het hof zich bij zijn oordeel dat de uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages alsmede de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld ten onrechte niet lijdelijk heeft opgesteld en buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

86. Aan het derde middel is allereerst ten grondslag gelegd dat het oordeel van het hof wat betreft de vaststelling van de uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages en de keuze van de deskundige onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd, aangezien de verdediging ruimschoots de tijd heeft gehad om daar verweer op te voeren of daar anderszins naar te handelen, maar dat niet heeft gedaan. Daarnaast miskent het hof met zijn oordeel dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren volgens de steller van het middel dat de verdediging voldoende ruimte en gelegenheid heeft gehad om de vragen die er zouden zijn en waarvan de beantwoording volgens de verdediging specifieke kennis vergt voort te leggen aan een specialist, de verdediging in eerste aanleg geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de vragen voor te leggen aan de ter terechtzitting aanwezige deskundige en de verdediging niet heeft geconcretiseerd welke vragen de vorderingen oproepen alsmede welke punten worden betwist, waardoor geen sprake is van een (voldoende) concrete betwisting.
Aan het vierde middel is ten grondslag gelegd dat het hof heeft gehandeld in strijd met de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling en meer in het bijzonder art. 24 Rv, aangezien door de verdediging niet het verweer is gevoerd dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld of dat de geraadpleegde deskundige niet de juiste deskundige zou zijn.

87. Vooropgesteld moet worden gesteld dat ten aanzien van de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken van toepassing zijn.31 Tot deze regels behoren onder meer art. 24 Rv, dat inhoudt dat de rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd.

88. Er kunnen zich echter situaties voordoen waar een verdachte zich niet ten volle kan verweren tegen de vordering van de benadeelde partij. Onverkorte toepassing van de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling, waaronder art. 24 Rv, kan er dan toe leiden dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM in het gedrang komt.32 Daarom verplicht art. 361, derde lid, Sv de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.33 Het gaat hier in de woorden van Vellinga om “een ambtshalve verantwoordelijkheid van de strafrechter voor een geding dat (ook) voor wat betreft de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij moet voldoen aan de eis van een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM”.34 Waar de behandeling van de vordering van de benadeelde partij in strijd komt met het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM moeten de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling derhalve wijken.35

89. Het oordeel van het hof dat de uitgangspunten voor de berekeningen van de schade in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages en de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld alsmede dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in hoger beroep in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, moet mijns inziens worden bezien in het licht van de hiervoor genoemde ambtshalve verantwoordelijkheid van de strafrechter. Aan dit oordeel verbindt het hof vervolgens immers de consequentie dat het gelet op art. 6, eerste lid, EVRM verplicht zou zijn de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Aldus beschouwd heeft het hof niet gehandeld in strijd met de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling, waaronder art. 24 Rv, aangezien deze in dit geval moeten wijken voor het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM.

90. Voor het overige kan het oordeel van het hof dat de uitgangspunten voor de berekeningen van de schade in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages en de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld en dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in hoger beroep in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Gelet op de inhoud van de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , hetgeen namens de benadeelde partijen ter onderbouwing van die vorderingen naar voren is gebracht en hetgeen namens de verdachte tegen die vorderingen ten verweer is aangevoerd, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het is voorts toereikend gemotiveerd.

91. Het derde en het vierde middel falen.

Het middel van de benadeelde partij [benadeelde 4]

92. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat [benadeelde 4] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering wegens verlies van verdienvermogen omdat de behandeling van dit deel van zijn vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

93. Blijkens de zich bij de stukken van het geding bevindende vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] omvat deze vordering onder meer gederfde winst, te weten een bedrag van € 24.058,00 aan gederfde winst over het derde en vierde kwartaal in 2014 en een bedrag van € 32.183,00 aan gederfde winst over het jaar 2015. De rechtbank heeft de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Wat betreft de gederfde winst stelt de rechtbank aan de hand van de onderbouwing vast dat reeds vanaf 2011 een dalende lijn in de omzet is te zien. Voorts is ook al in het eerste kwartaal van 2014, derhalve vóórdat de aanvaring plaatsvond, sprake van een substantiële omzetdaling. De documenten ter onderbouwing van de omzetdaling zijn voorts niet duidelijk te verenigen met de daarachter gevoegde jaarstukken, waarbij een veel omvangrijkere omzet is verantwoord. Aan de hand van de voorhanden zijnde onderbouwing en de toelichting ter zitting is al met al niet vast te stellen of en in hoeverre omzet- en winstderving in directe relatie staan tot het bewezenverklaarde. Het gedeelte van de vordering dat ziet op gederfde winst wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.”

94. In hoger beroep heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. Namens de benadeelde partij heeft mr. Korver de vordering nader schriftelijk toegelicht.36 De schriftelijke conclusie van de raadsman van de verdachte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“ [benadeelde 4] is door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover deze ziet op gederfde winst over de jaren 2014 en 2015 (ad 3:
€ 56.241,-). Cliënt sluit voor dat deel aan bij het oordeel van de Rechtbank en verwijst daarvoor naar haar overweging. Kort gezegd ontkent cliënt dat de winstderving het gevolg is van hetgeen hem tenlastegelegd is, en dit causaal verband is ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. (…) Overigens, als zelfs een dergelijk uitgebreide berekening het vereiste inzicht niet geeft, en alsnog tegenstrijdigheden bestaan met andere bescheiden, dan kan het niet anders dan dat het nog uitgebreider onderzoek en nadere expertise vereist om daadwerkelijk de oorsprong van de gederfde winst vast te stellen. Daartoe leent het strafproces zich niet en de verdere behandeling van dit deel van de door [benadeelde 4] ingediende vordering zou dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Derhalve dient het oordeel van de Rechtbank op dit punt gehandhaafd te worden. ”

95. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 blijkt dat de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 4] het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“Gederfde inkomsten/gederfde winst

[benadeelde 4] , [benadeelde 6]

13. Volgens de verdediging is deze kostenpost bij beide cliënten niet afdoende onderbouwd. Cliënten betwisten dat uitdrukkelijk. Ten onrechte stelt de verdediging dat het causaal verband tussen de gederfde winst bij de onderneming van [benadeelde 4] en het feit onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

14. [benadeelde 4] had dit reeds uitvoerig bij de Rechtbank aangevoerd doch heeft één en ander nog nader in de schriftelijke toelichting onderbouwd. Cliënt meent dat nadere expertise, gezien hetgeen hij reeds heeft aangeleverd in combinatie met de toelichting, niet nodig is. Hij verwijst, ter voorkoming van herhaling, naar die passages. Door de verdediging is dit inhoudelijk niet betwist, zodat cliënt uw Hof eerbiedig verzoekt de gevorderde schadepost vanwege gederfde winst toe te wijzen.”

96. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“165. Wat betreft de vordering benadeelde partij wordt verwezen naar hetgeen door de verdediging in haar conclusie van 16 november 2017 is gesteld.

166. In het bijzonder ten aanzien van de vorderingen die zien op gederfd levensonderhoud of inkomstenderving, is het civiele recht duidelijk - wie moet stellen, moet bewijzen (artikel 149 Rv) en de ‘eigen schuld’ kan pas worden vastgesteld na grondig onderzoek (artikel 6:101 BW). Dit valt simpelweg buiten het bestek van deze strafzaak. Ook uw Hof kan niet het risico lopen dat er voor een onterecht hoog bedrag aan schade wordt toegewezen en het enkele feit dat er schade in het strafproces kan worden gevorderd, wil niet zeggen dat deze schade dan ook moet worden toegewezen.

167. Wat betreft de inkomensderving wordt eveneens geconcludeerd tot niet- ontvankelijkheid. Het civiele recht is daar duidelijk in: artikel 149 Rv: wie stelt moet bewijzen en artikel 6:101 BW ‘eigen schuld’ brengen mee dat er een grondig onderzoek dient plaats te hebben naar de inkomenspositie van voor het ongeval en wat in aanmerking zou komen voor vergoeding. Dat valt buiten het bestek van deze strafzaak omdat die vordering te complex is. De verdediging heeft op een aantal punten al de complexiteit in concreto aangetoond en maakt -indien nodig- van de gelegenheid gebruik om daar nog nader op in te gaan.”

97. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] , voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Met betrekking tot de vordering wegens verlies van verdienvermogen (opgevoerd als de gederfde winst over 2014 en 2015) is het hof - gelet op de voldoende gemotiveerde betwisting door de verdediging - van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”

98. Aan het middel is allereerst ten grondslag gelegd dat de vordering weliswaar inhoudelijk is betwist door de verdediging, maar door de benadeelde partij gemotiveerd is aangevoerd dat de gederfde winst een gevolg is van het tenlastegelegde en verweer is gevoerd tegen hetgeen door de verdediging is aangevoerd. Verder had het hof de schade zoveel als mogelijk moeten begroten of schatten en de vordering in ieder geval deels moeten toewijzen. Door dat na te laten maar ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] wel gebruik te maken van de mogelijkheid om de schade op grond van art. 6:97 BW te schatten is bovendien sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Ten slotte is aangevoerd dat het hof heeft gehandeld in strijd met richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ37, doordat het oordeel van het hof secundair victimiserend is. Onderdeel van de op de overheid rustende plicht om secundaire victimisatie te voorkomen is, aldus de steller van het middel, dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk op de vordering beslist dan wel motiveert waarom een vordering wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ten aanzien van de post verlies van verdienvermogen heeft het hof dat niet gedaan.

99. Op grond van het bepaalde in art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

100. Door te oordelen dat de benadeelde partij [benadeelde 4] ten aanzien van de post verlies van verdienvermogen niet in zijn vordering kan worden ontvangen omdat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.38

101. Gelet op hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering wat betreft het verlies aan verdienvermogen naar voren is gebracht en hetgeen de verdediging ter betwisting van dat gedeelte van de vordering naar voren heeft gebracht, is het oordeel van het hof dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

102. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat het hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex art. 6:97 BW om de schade te schatten. Aan de begroting van de omvang van de schade gaat immers de vraag vooraf of causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade: er is slechts een verplichting tot vergoeding van schade als de schade het gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte.39 De verdediging heeft in deze zaak niet de omvang van de gederfde winst betwist, maar het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de gederfde winst. In dat licht bezien komt het mij niet onbegrijpelijk voor dat het hof de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post verlies van verdienvermogen integraal niet-ontvankelijk heeft verklaard en de schade niet heeft geschat.

103. Verder levert het enkele feit dat het hof ten aanzien van andere benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] wel gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de schade te schatten, geen schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod op willekeur op. Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ging het namelijk niet alleen om een andere vorm van schade, namelijk schade wegens gederfd levensonderhoud, maar volgt uit de hiervoor onder 67 weergegeven overwegingen van het hof tevens dat niet het causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en die schade ter discussie stond maar juist de omvang van de schade.

104. Ten slotte stel ik vast dat het middel wat betreft het beroep op richtlijn 2012/29/EU berust op de stelling dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de vordering ten aanzien van het verlies van verdienvermogen niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het hof heeft in het bestreden arrest echter overwogen dat de behandeling van dit deel van de vordering gelet op de voldoende gemotiveerde betwisting door de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De stelling dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de vordering op dit punt niet-ontvankelijk wordt verklaard, berust daarmee op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het middel faalt in zoverre reeds daarom.

105. Het middel faalt.

De middelen van de benadeelde partij [benadeelde 5]

106. De vier middelen richten zich tegen de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij. Het bestreden arrest houdt dienaangaande, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

“Het hof maakt eerst enkele opmerkingen over een aantal schadeposten waarvan vergoeding door diverse benadeelde partijen wordt gevorderd, over ‘eigen schuld’, over wettelijke rente, over proceskosten en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarna zullen de vorderingen per benadeelde partij worden besproken.

(…)

Derving levensonderhoud

De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en de dochter van slachtoffer [slachtoffer 1] hebben vergoeding gevorderd van gederfd levensonderhoud zoals bedoeld in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank heeft de vorderingen op dit punt toegewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman van verdachte heeft de vordering op dit punt betwist, omdat dit deel van de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist. Het vraagt om de nodige expertise om deze vordering tot in detail te toetsen en daarvoor is in het onderhavig proces geen plaats.

Mede in het licht van deze betwisting door de verdediging constateert het hof enerzijds, dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld, terwijl daarover in de rechtspraktijk normaliter hetzij onderling overeenstemming pleegt te worden bereikt door de partijen hetzij door de rechter vaststellingen worden gedaan na een gedegen partijdebat. Hetzelfde geldt voor de keuze van de geraadpleegde rekenkundige. Ondanks de schriftelijke ronde die met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen is gehouden, acht het hof met betrekking tot deze omvangrijke schadeposten in dit geval niet verzekerd dat de verdachte enkel daardoor in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren. In zoverre zou. het hof dan ook verplicht zijn, gelet op het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM, de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AV2654).

Anderzijds is wat het hof betreft op zichzelf voldoende aannemelijk dat bij de desbetreffende benadeelde partijen in ieder geval in enige mate sprake is van gederfd levensonderhoud.

Op grond van het bovenstaande zal het hof met gebruikmaking van de hem toekomende schattingsbevoegdheid uit art. 6:97 van het Burgerlijk Wetboek pér benadeelde partij vaststellen voor welk bedrag deze in elk geval schade heeft geleden wegens gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen in de desbetreffende vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

(…)

Proceskosten

In de voegingsprocedures waarin verdachte als de overwegend in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij.

Een uitzondering zal worden gemaakt voor de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het opstellen van de deskundigenberichten met betrekking tot gederfd levensonderhoud (gevorderd door [benadeelde 1] en de dochter van [slachtoffer 1] ). Het hof merkt deze kosten, anders dan de rechtbank, niet aan als schade bestaande uit buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 tweede lid aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek), maar als proceskosten zoals bedoeld in art. 241 van Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zij zijn immers gemaakt ter instructie van de (voegings-)zaak. Deze proceskosten zijn naar het oordeel van het hof in dit geding grotendeels nodeloos (want op basis van eenzijdige uitgangspunten en binnen het bestek van een beperkte schadevergoedingsprocedure) gemaakt en blijven daarom binnen het kader van de onderhavige procedure grotendeels voor eigen rekening.

(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] (dochter van slachtoffer [slachtoffer 1] )

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 100.127,64. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 53.720,73 en daarnaast zijn de proceskosten toegewezen. Voor het overige is de vordering afgewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep haar vordering bijgesteld, in die zin dat de post ‘erfbelasting’ à € 3.265,-wordt ingetrokken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 20.908,20 ter zake van materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de opbouw van voornoemd bedrag overweegt het hof het volgende.

Materiële schade

(…)

Zoals hiervoor, onder het algemene kopje ‘gederfd levensonderhoud’ is overwogen, gaat het hof er wel vanuit dat er in dit opzicht enige schade zoals genoemd in art. 6:108 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is geleden. Dit oordeel is gebaseerd op de bijlagen die zijn gevoegd bij de berekening van deze schade die door de benadeelde partij in het geding is gebracht. Daaruit blijkt dat haar overleden vader [slachtoffer 1] voorafgaand en ten tijde van het tenlastegelegde per maand € 450,- aan kinderalimentatie voor haar betaalde. Het hof acht het voldoende aannemelijk, gelet op hetgeen de wet daarover bepaalt, dat de overledene met betalingen in dezelfde orde van grootte aan zijn (in die periode: studerende) dochter zou zijn doorgegaan tot (in elk geval) haar 21e levensjaar. Daarnaast ontvangt de benadeelde partij € 45,- per maand zakgeld. Dit vervalt vanaf 1 september 2014 volgens het rapport van bureau [C] . Op grond hiervan acht het hof voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij een bedrag van € 16.245 (€ 45 + 36 x € 450,-) aan schade wegens gederfd levensonderhoud heeft geleden. Voor het overige is, zoals eerder al is overwogen, het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan zij deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadepost die is opgevoerd als ‘kosten van lijkbezorging’ ad € 19.399,79 is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat één maal griffiekosten, de nota van Monuta en de kosten van het grafmonument kunnen worden gekwalificeerd als kosten voor lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. In totaal kan dus € 4.391,- worden toegewezen. Voor het overige betreffen de opgevoerde kostenposten naar het oordeel van het hof kosten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene en komen zij derhalve niet op grond van art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Het meer gevorderde zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van de schadepost ‘aanvullende kosten’ geldt naar het oordeel van het hof hetzelfde: het zijn kosten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene of daaraan gerelateerde kosten en voor toewijzing ervan bestaat geen grondslag in de wet. Ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

(…)

Overige proceskosten

Ten aanzien van de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de berekening door bureau [C] van het gederfde levensonderhoud verwijst het hof naar het hetgeen daarover hiervoor in algemene zin is overwogen. Aangezien het hof voor haar schatting van de schade wegens gederfd levensonderhoud in beperkte mate gebruik heeft gemaakt van het desbetreffende rapport, acht het hof een proceskostenvergoeding van € 500,- (deskundigenkosten) redelijk. Het ter zake van dit rapport door de benadeelde partij (als schade) meer gevorderde zal worden afgewezen.

(…)

BESLISSING

Het hof:

(…)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 20.908,20 (twintigduizend negenhonderdacht euro en twintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 42.369,71 (tweeënveertigduizend driehonderdnegenenzestig euro en eenenzeventig cent) bestaande uit € 24.869,71 (vierentwintigduizend achthonderdnegenenzestig euro en eenenzeventig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 500,00 (vijfhonderd euro).”

107. Het eerste middel komt met twee klachten op tegen de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij wat betreft de post gederfd levensonderhoud.

108. Blijkens de zich bij de stukken van het geding bevindende vordering van de benadeelde partij omvat deze vordering onder meer de post gederfd levensonderhoud ten bedrage van € 49.329,73. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij op dit punt integraal toegewezen.

109. In hoger beroep heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. Namens de benadeelde partij heeft mr. Huls de vordering nader schriftelijk toegelicht, waarbij zij heeft verzocht de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het gederfd levensonderhoud in stand te laten.40 De schriftelijke conclusie van de raadsman van de verdachte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De Rechtbank heeft voorts bepaald dat de aanspraak op gederfd levensonderhoud (ad 1: €49.329,73) voor vergoeding in aanmerking dient te komen conform onder meer artikel 6:108 BW. Cliënt meent echter dat de behandeling van deze ingediende vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit geldt des te meer nu dit deel van de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist. De vordering is onderbouwd met een berekening waarbij standaardbedragen van het NIBUD zijn betrokken, maar dat kan enkel een indicatie geven van de te verwachten kosten.

Een korte blik op de vordering van [benadeelde 5] is voldoende om vast te kunnen stellen dat de berekeningen en onderbouwingen vol tegenstrijdigheden en onduidelijkheden staan. Waar eerst wordt gerekend met kosten voor een universitaire opleiding, blijkt [benadeelde 5] later een hbo-opleiding te hebben gekozen (vergelijk Productie 1, bijlage 3.1 van de aanvankelijke vordering met Productie 2). Bovendien wordt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat slachtoffer [slachtoffer 1] zich had voorgenomen de studiekosten voor [benadeelde 5] met [benadeelde 5] te delen. Dat wordt enkel gesteld. Daarmee is dat niet uitgesloten, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat dat ook daadwerkelijk zijn voornemen was en dat hij daartoe voldoende draagkrachtig was. Bovendien wordt in Productie 1, bijlage 6.2 genoemd dat er een verrekening heeft plaatsgehad vanwege verzekeringsuitkeringen. Deze uitkeringen komen echter nergens in de onderbouwing van [benadeelde 5] terug, terwijl deze van cruciaal belang zijn voor de uiteindelijke vaststelling van de door haar geleden schade althans haar vergoedingsaanspraak. De berekening van gederfd levensonderhoud dient op zeer zorgvuldige wijze te worden vastgesteld en is geen kwestie van ‘nattevingerwerk’. De nauwkeurige vaststelling daarvan voert voor dit strafproces te ver. Cliënt verzoekt Uw Hof daarom dit deel van de vordering van [benadeelde 5] af te wijzen dan wel haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren.

25. Mocht Uw Hof van oordeel zijn dat [benadeelde 5] ten minste aanspraak kan maken op gedeeltelijke toewijzing, verzoekt cliënt de toewijzing te beperken tot de maandelijkse kinderalimentatie ad € 450,- waarvan het aannemelijk is dat slachtoffer [slachtoffer 1] deze tot het 21e levensjaar van [benadeelde 5] (ofwel tot 22 november 2016) aan haar zou voldoen.”

110. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de advocaat van de benadeelde partij het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota vordering [benadeelde 5] . Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

“3. Namens cliënte is een grondige onderbouwing gegeven van kosten voor gederfd levensonderhoud. Een gespecialiseerd bureau is ingeschakeld (rekenkundigbureau [C] ) dat een zeer gerenommeerde naam heeft en een enorme staat van dienst. Nu cliënte kinderalimentatie ontving van haar vader, is die onderbouwing - vergeleken bij andere overlijdensschadezaken - qua omvang beperkt gebleven. Immers, met het gegeven van kinderalimentatie valt een relatief eenvoudige berekening te maken.

4. Het rapport vormt dan een deugdelijke uitleg van het bedrag dat is gevorderd. Tijdens de procedure in eerste aanleg is het rapport ruimschoots voor de zitting aan de verdediging verstrekt. Ter zitting is de rekenkundige zelfs aanwezig geweest. Desalniettemin wenste de verdediging nimmer gebruik te maken van de geboden mogelijkheid om (kritische) vragen te stellen aan de deskundige. Pas bij pleidooi werden enkele niet nader gespecificeerde vragen gesteld, maar de vordering werd daarmee niet, althans onvoldoende, betwist. Sindsdien en sinds de pro forma zitting bij uw Hof heeft de verdediging nooit contact opgenomen om de vragen die leven ten aanzien van de berekening te stellen. Ook is een second opinion, of enige andere vorm van tegenbewijs, uitgebleven.

5. Nu voert de verdediging plotseling aan dat 'de vordering in het bijzonder allerlei vragen oproept en de beantwoording daarvan specifieke kennis vereist.' De vragen worden vervolgens niet gespecificeerd en ook wordt niet duidelijk gemaakt welke kennis dan is vereist en waarom niet gebruik is gemaakt van de gelegenheid om die vragen dan aan de deskundige te stellen.

6. Vervolgens wordt de vordering betwist op grond van het feit dat het NIBUD is gebruikt als bron om de berekening uit te voeren. Volgens de verdediging kan dit 'enkel een indicatie geven van de te verwachten kosten'. Dat klopt, dat is namelijk meestal zo in overlijdensschadezaken. Immers, als iemand is overleden dan kan niet meer exact worden vastgesteld hoe het leven eruit had gezien als hij nog had geleefd. De situatie wordt zo goed als mogelijk nagebootst door rekenkundigen. Om eindeloze procedures en onderhandelingen te voorkomen, wordt in het civiele recht dan ook zoveel mogelijk aangesloten bij gestandaardiseerde rekenmethoden, omdat anders nooit schade kan worden vastgesteld. Het feit dat de verdediging onbekend is met het gegeven dat bij dit soort schades aan wordt gesloten bij de NIBUD norm, zegt meer iets over de verdediging dan over de kwaliteit van het rapport.

7. De verdediging schrijft vervolgens dat 'een korte blik' voldoende is om vast te stellen dat het rapport bestaat uit veel tegenstrijdigheden en onduidelijkheden. Daartoe voert de verdediging iets aan over de studie van cliënte. Als bijlagen bij deze pleitaantekeningen worden de bewijzen van de HBO en universitaire opleiding van cliënte overgelegd.

8. Voorts wordt gesteld dat cliënte de bewijslast draagt van de stelling dat haar vader had bijgedragen in de studiekosten en over voldoende draagkracht beschikte. Volgens de verdediging is dat onvoldoende aannemelijk gemaakt door cliënte. De verdediging gaat daarbij volledig aan het feit voorbij dat de vader van cliënte al jaren aan zijn ouderlijke zorgverplichting voldoet door kinderalimentatie te betalen en daarnaast zelfs nog zakgeld. Waarom hij “plotseling" daarmee zou ophouden, wordt door de verdediging niet gemotiveerd. Indien een dergelijk verweer wordt gevoerd, is het aan de verdediging om die feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen teneinde het verweer te kunnen honoreren. Verzocht wordt dit als onvoldoende onderbouwd terzijde te schuiven.

9. Overigens is de stelling an sich civielrechtelijk onjuist. Het causale verband staat in deze zaak vast. Dit houdt in dat in beginsel de aansprakelijkheid voor alle veroorzaakte schade is gegeven. Zie ook HR 18 maart 2005, NJ 2006, 606, m.nt. JBMV (Baby Kelly): als eenmaal is vastgesteld dat er sprake is van csqn-verband tussen het gepleegde en de schade dan kan de aangesproken partij aansprakelijkheid niet afweren door te poneren dat de schade bij een verondersteld ander verloop der gebeurtenissen (vader wil niet bijdragen in de studiekosten) ook zou zijn geleden.

10. Tot slot heeft de verdediging nog aangevoerd dat sprake is geweest van verzekeringsuitkeringen. Echter, die verzekeringsuitkeringen zijn niet relevant in het kader van de berekening van gederfd levensonderhoud. Immers, verzekeringsuitkeringen dienen niet als vervanging van gederfd levensonderhoud. Waarom niet? Omdat bij een overlijden verder in de toekomst cliënte meer vermogen had geërfd dan thans het geval is. (…)

11. Voor het overige heeft de verdediging geen nadere vragen of stellingen geponeerd. Indien dit ter zitting in hoger beroep nog wordt gedaan, is dit voor het eerst, terwijl juist door de schriftelijke ronde de gelegenheid is geboden aan partijen om concreet verweren aan te voeren.

12. Cliënte stelt dat, nu de verdediging van die gelegenheid in de schriftelijke toelichting geen gebruik heeft gemaakt, het in strijd met de beginselen van een goede procesorde is, indien thans alsnog ter zitting dergelijke punten kunnen worden aangedragen. Immers, op voorhand hadden nog vragen aan de deskundige kunnen worden gesteld en beantwoord. Cliënte stelt dan ook dat de vordering onvoldoende gemotiveerd is betwist.

13. De vordering voor gederfd levensonderhoud is voldoende duidelijk en deugdelijk onderbouwd is en cliënte verzoekt uw Hof eerbiedig die gevorderde schade toe te wijzen.”

111. Op de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

“165. Wat betreft de vordering benadeelde partij wordt verwezen naar

hetgeen door de verdediging in haar conclusie van 16 november 2017 is gesteld.

166. In het bijzonder ten aanzien van de vorderingen die zien op gederfd levensonderhoud of inkomstenderving, is het civiele recht duidelijk – wie moet stellen, moet bewijzen (artikel 149 Rv) en de 'eigen schuld' kan pas worden vastgesteld na een grondig onderzoek (artikel 6:101 BW). Dit valt simpelweg buiten het bestek van deze strafzaak. Ook Uw Hof kan niet het risico lopen dat er voor een onterecht hoog bedrag schade wordt toegewezen en het enkele feit dat er schade in het strafproces kan worden gevorderd, wil niet zeggen dat deze schade hoe dan ook moet worden toegewezen.”

112. Vervolgens heeft het hof beslist op de vordering als hiervoor weergegeven.

113. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat bij gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij sprake zou zijn van een schending van art. 6 EVRM wegens het ontbreken van een gedegen partijdebat, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de steller van het middel heeft de wetgever bij de invoering van de vordering van de benadeelde partij bewust geaccepteerd dat het partijdebat niet gelijkwaardig zal zijn aan het partijdebat dat in een civiele procedure plaatsvindt, zodat het hof eisen aan de procedure stelt die de wetgever niet heeft willen stellen.

114. In dat kader stel ik voorop dat de in het Wetboek van Strafvordering voorziene procedure met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij aan de benadeelde partij en de verdachte inderdaad niet dezelfde processuele waarborgen biedt als een gewone civielrechtelijke procedure. Daarin wordt echter in afdoende mate voorzien door art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.41
Het gaat hier in de woorden van Vellinga om “een ambtshalve verantwoordelijkheid van de strafrechter voor een geding dat (ook) voor wat betreft de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij moet voldoen aan de eis van een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM”.42

115. Het oordeel van het hof dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in hoger beroep in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, moet mijns inziens worden bezien in het licht van deze ambtshalve verantwoordelijkheid van de strafrechter. Aan dit oordeel verbindt het hof vervolgens immers de consequentie dat het gelet op art. 6, eerste lid, EVRM verplicht zou zijn de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Aldus beschouwd geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

116. Voor het overige kan het oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Gelet op de inhoud van de ingediende vordering van de benadeelde partij, hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing van die vordering naar voren is gebracht en hetgeen namens de verdachte tegen die vordering ten verweer is aangevoerd, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het is voorts toereikend gemotiveerd.

117. De eerste klacht is tevergeefs voorgesteld.

118. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat dat de schade wegens gederfd levensonderhoud na het 21e levensjaar van de benadeelde partij onvoldoende aannemelijk is, onjuist en is en onvoldoende is gemotiveerd.

119. In dat kader stel ik vast dat het hof heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de overledene in ieder geval tot het 21e levensjaar van de benadeelde partij met de betaling van € 450 per maand aan kinderalimentatie zou zijn doorgegaan alsmede dat de benadeelde partij een bedrag van € 45 aan zakgeld zou hebben ontvangen. Aldus acht het hof voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij een bedrag van € 16.245 aan schade wegens gederfd levensonderhoud heeft geleden. Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof heeft aldus geenszins een oordeel gegeven over de aannemelijkheid van de gevorderde schade wegens gederfd levensonderhoud na het 21e levensjaar van de benadeelde partij. De tweede klacht berust daarmee op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en ontbeert daarmee feitelijke grondslag.

120. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

121. Het tweede middel klaagt, zo begrijp ik uit de toelichting, dat het hof de door de benadeelde partij gemaakte kosten ten onrechte heeft begroot op € 500, aangezien de door de benadeelde partij ten behoeve van de berekening van het gederfde levensonderhoud door bureau [C] gemaakte kosten ad € 686,25 redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn en het hof deze kosten daarom integraal had moeten toewijzen.

122. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

(i) art. 361 Sv:

"(...)

2. De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:

(…)

b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.

(…)

4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van artikel 333 zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.

(...)

6. Voorts bevat het vonnis de beslissing van de rechtbank over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partij, (...) gemaakt."

(ii) art. 592a Sv:

"Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, (...) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken."

(iii) art. 6:96 BW:

"1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.

2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:

a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;

b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;

c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

3. Lid 2 onder b en c is niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.

(...)"

(iv) art. 237 Rv:

"1. De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.

(...)

3. Het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld.

4. De na de uitspraak ontstane kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.

(...)"

(v) art. 238 Rv:

"1. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder de kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld, opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld, ook opnemen een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten van de wederpartij.

2. Procedeert de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt onder die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist."

(vi) art. 239 Rv:

"In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kunnen van de kosten van de wederpartij slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht."

(vii) art. 241 Rv:

"Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing.

(...)"

123. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid op de voet van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW als vermogensschade in aanmerking komen voor vergoeding door de aansprakelijke partij, behoudens voor zover de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.43 Wanneer wordt geprocedeerd en de vergoeding van de kosten geacht wordt besloten te liggen in de proceskostenveroordeling op grond van de art. 237 tot en met 240 Rv, dan zijn deze kosten gelet op art. 6:96, derde lid, BW en art. 241 Rv namelijk niet langer op de voet van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW aan te merken als vermogensschade. De kosten verschieten in dat geval zogezegd van kleur.44 Tot de kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, behoren onder meer de kosten van deskundigenberichten.45

124. Het hof heeft de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het opstellen van de berekening van het gederfd levensonderhoud in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk niet aangemerkt als buitengerechtelijke kosten in de zin van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW maar als proceskosten als bedoeld in art. 241 Rv. Dat brengt met zich dat de kosten van het deskundigenrapport geen vermogensschade zijn en dus evenmin rechtstreekse schade zijn die is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, maar zijn te rekenen tot de proceskosten waarover de rechter op de voet van art. 592a Sv een beslissing dient te geven.46 Dat heeft het hof ook gedaan.

125. De kosten als bedoeld in art. 592a Sv worden op dezelfde wijze begroot als in civiele procedures.47 In dat kader is van belang dat, waar de vergoeding van de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid op de voet van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW ertoe strekt dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd48, art. 237 tot en met 240 Rv derogeren aan het uitgangspunt dat de benadeelde recht heeft op vergoeding van zijn gehele schade.49 Daarbij kan de rechter op grond van art. 237 Rv nodeloos gemaakte proceskosten voor rekening van de partij laten die deze kosten heeft gemaakt.

126. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het hof de kosten integraal had moeten toewijzen reeds omdat het redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van art. 6:96, tweede lid, onder b, BW betreffen, vindt het gelet op het voorgaande geen steun in het recht.

127. Verder merk ik op dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag van de kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft. Ook daarop stuit het middel af.50

128. Het middel faalt.

129. Het derde middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de legeskosten en de notariskosten over het jaar 2014 geen kosten van lijkbezorging zijn blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Het vierde middel klaagt dat het hof bij de beslissing omtrent de notariskosten niet is ingegaan op het meer subsidiair en meest subsidiair gevorderde, zodat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd.

Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

130. In hoger beroep heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden. De conclusie van mr. Huls, advocaat van de benadeelde partij, houdt met betrekking tot de gevorderde kosten van lijkbezorging het volgende in (met weglating van voetnoten):

“De rechtbank heeft een bedrag toegewezen van € 4.391,--, te weten griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument. De overige kosten kunnen volgens de rechtbank niet onder de noemer “lijkbezorging” worden gekwalificeerd en het restant wordt dan ook afgewezen.

Cliënte kan zich niet vinden in die motivering en meent dat de overige resterende posten wél als kosten van lijkbezorging kunnen worden gekwalificeerd. Wat houden die resterende posten in?

- Legeskosten gemeente Zaltbommel ad € 12,00

- Legeskosten gemeente Leusden ad € 12,50

- Nota notaris [...] ivm afwikkelingskosten over 2014 ad € 4.671,21

- (…)

- Notaris [...] kosten 2015 tot 1/11/2015 incl. BTW ad € 3.297.08

- Idem restant 2015 en 2016 tot algehele afwikkeling begroot op ad € 3.751,-- (…).

(…) Resteert een bedrag van € 16.102,71. Cliënte verzoekt dit bedrag alsnog toe te wijzen.

Cliënte was op het moment dat haar vader plotseling overleed 15 jaar oud. Zoals uit haar spreekrecht in eerste aanleg blijkt, wist zij niet wat er allemaal op haar afkwam. Zij had als erfgenaam in die tijd deskundige bijstand nodig om het overlijden van haar vader te kunnen afwikkelen. Dit betreft niet slechts het verzorgen van de begrafenis en het regelen van een grafmonument. De Iegeskosten zijn kosten voor registratie van het overlijden van de vader van cliënte alsmede het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap. De notaris heeft vervolgens werkzaamheden moeten verrichten om de nalatenschap af te kunnen wikkelen. Met name de hoge kosten die hiermee gepaard gingen, moesten op een of andere wijze met de erfenis worden verrekend, zo ook de kosten voor de begrafenis en het grafmonument. Die kosten komen wel degelijk voor toewijzing in aanmerking zoals blijkt uit de jurisprudentie.

Subsidiair wordt verzocht naast de griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument, óók de legeskosten en de rekening van de notaris over 2014, te weten € 4.671,21, toe te wijzen. Derhalve een totaalbedrag van € 9,086.71.

Mocht uw Gerechtshof oordelen dat de notariskosten geen kosten van de lijkbezorging betreffen dan wordt meer subsidiair aangevoerd dat de notaris, als deskundige, een belangrijke rol heeft gespeeld hij de vaststelling van de schade nu hij tijdens de afwikkeling van de nalatenschap telkens op te betalen vorderingen stuitte en deze vorderingen voldeed vanuit de erfenis. Cliënte kon zelf redelijkerwijs niet voor die afwikkeling van de nalatenschap zorgdragen. Dit maakt dat op grond van artikel 6:96, tweede lid, de nota’s van de notaris voor toewijzing vatbaar zijn als zijnde proceskosten. Verzocht wordt dan ook om de kosten van de notaris, gelijkluidend de kosten voor rekenkundige [C] , als buitengerechtelijke incassokosten te beschouwen. Oftewel toewijzing van een bedrag van € 4.415,50 aan kosten lijkbezorging en een bedrag van € 11.719,29 aan buitengerechtelijke incassokosten. te weten notariskosten.

Meest subsidiair wordt verzocht naast de griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument, ook de legeskosten en een bedrag van € 230,-- aan notariskosten toe te wijzen in het kader van kosten lijkbezorging, nu voornoemd bedrag gemiddeld aan een beneficiaire aanvaarding wordt besteed en in de jurisprudentie dergelijke bedragen worden toegewezen. Derhalve een totaalbedrag van € 4.645.50.”

131. Art. 6:108, tweede lid, BW bepaalt dat indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt de aansprakelijke verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

132. De wet omschrijft niet wat onder de kosten van lijkbezorging moet worden begrepen. Wel blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever met het begrip “kosten van lijkbezorging” aansluiting heeft willen zoeken bij de Wet op de lijkbezorging. Waar aanvankelijk namelijk het woord “begrafeniskosten” werd gebezigd, werd dit later vervangen door “kosten van lijkbezorging” in verband met de terminologie van de Wet op de lijkbezorging.51

133. Onder verwijzing naar onder meer de Wet op de lijkbezorging, omschrijft Van Eijk het begrip “lijkbezorging” in de zin van art. 6:108, tweede lid, BW als een verzamelterm voor alle handelingen met betrekking tot het geven van een eindbestemming aan de overledene. Daartoe behoren zowel de handelingen die zijn gericht op het tenietgaan van het stoffelijk overschot als de handelingen met betrekking tot de spirituele eindbestemming van de overledene, aldus Van Eijk.52

134. Bezien tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof dat de legeskosten, die zijn gemaakt in verband met de registratie van het overlijden en het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap, en de notariskosten, die zijn gemaakt in verband met het afwikkelen van de nalatenschap, geen kosten van lijkbezorging zijn in de zin van art. 6:108, tweede lid, BW geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

135. Het derde middel faalt.

136. Het vierde middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof heeft nagelaten te motiveren waarom de notariskosten niet als proceskosten kunnen worden toegewezen.

137. Het middel ziet er in zoverre aan voorbij dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing omtrent het bedrag van de kosten noch tot de vaststelling van wat tot die kosten moet worden gerekend. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft. Daarop stuit de eerste deelklacht af.53

138. De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de notariskosten niet op grond van art. 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking komen onbegrijpelijk is gemotiveerd, aangezien het hof niet heeft gerespondeerd op de ter onderbouwing van het meest subsidiaire verzoek genoemde jurisprudentie.

139. In dat kader stel ik voorop dat art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet van toepassing is ten aanzien van de motivering van de beslissing op een vordering van de benadeelde partij.54 Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op hetgeen in de conclusie van de advocaat van de benadeelde partij naar voren is gebracht, stelt het middel aldus een eis die het recht niet kent.

140. Wel dient de beslissing op de vordering van de benadeelde partij op grond van art. 361, vierde lid, Sv met redenen omkleed te zijn. In dat kader stel ik vast dat het hof heeft overwogen dat de griffiekosten, de nota van Monuta en de kosten van het grafmonument kunnen worden gekwalificeerd als kosten van lijkbezorging als bedoeld in at. 6:108, tweede lid, BW en dat de overige kostenposten kosten ter afwikkeling van de nalatenschap zijn en niet op grond van art. 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking komen. Aldus heeft het hof zijn beslissing ten aanzien van de notariskosten voldoende met redenen omkleed.

141. Het vierde middel faalt in al zijn onderdelen.

Proceskosten

142. De namens de verdachte ingediende verweerschriften houden in dat de verdachte, gelet op de omstandigheid dat de benadeelde partijen in hun cassatieberoep niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, althans dat het cassatieberoep moet worden afgewezen, verzoekt de benadeelde partijen te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten conform het liquidatietarief.55

143. In een cassatieprocedure als de onderhavige is echter niet voorzien in een veroordeling van de benadeelde partij in de kosten die de verdachte in die aanleg heeft gemaakt.56 Art. 592a Sv biedt daarvoor immers geen grondslag, aangezien de Hoge Raad geen beslissing neemt als in art. 333 of 335 Sv genoemd.

Slotsom

144. De middelen van de verdachte falen. Het eerste tot en met het vierde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

145. De middelen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] falen en kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

146. Het middel van de benadeelde partij [benadeelde 4] faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

147. De middelen van de benadeelde partij [benadeelde 5] falen. Het eerste, tweede en vierde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.

148. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

149. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het verweerschrift hebben de raadslieden van de verdachte het standpunt ingenomen dat uit de door mr. Korver ingediende cassatieschriftuur niet kan worden opgemaakt dat mr. Korver door de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] bepaaldelijk was gevolmachtigd tot het indienen van de cassatieschriftuur. Mr. Korver is bij brief van 5 maart 2019 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Bij brief d.d. 8 maart 2019 heeft mr. Korver verklaard door zijn cliënten bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van de op 11 januari 2019 bij de Hoge Raad ingediende schriftuur namens de benadeelde partijen [benadeelde 4] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , zodat het verzuim tijdig is hersteld.

2 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers, rov. 2.5-2.6.

3 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans, rov. 3.7.3.

4 Vgl. HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3254, rov. 3.3.

5 HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075, NJ 2013/143, m.nt. Reijntjes.

6 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. Borgers.

7 Vgl. C.P.J. Scheele, Handboek Strafzaken, 26.6.3.4 (online, bijgewerkt tot 1 maart 2018).

8 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse (ECLI:NL:PHR:2017:1364, onder 3.2) voor HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3188 (81 RO).

9 HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans.

10 HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2246, rov. 2.3.2.

11 Opmerking AG: In de aanvulling bewijsmiddelen overweegt het hof dat deze zin moet worden gelezen als: “Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte na de aanvaring geen alcohol meer heeft gedronken, zoals hij deels zelf heeft verklaard en het hof deels afleidt uit de verklaring van verdachte over hetgeen hij heeft gedaan na het afmeren van zijn boot bij zijn woonark.”

12 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.4.

13 De stellers van het middel menen dat het hier groene en rode navigatieverlichting bedoeld zal zijn.

14 Overigens wijs ik er op dat ook de getuige [getuige 6] (bewijsmiddel 26) spreekt van een boot die geen verlichting voerde. De verklaring van deze getuige heb ik hier zekerheidshalve niet vermeld, aangezien hij de boot pas na de aanvaring zag.

15 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219, m.nt. Schalken, rov. 3.8, HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5, en HR 23 oktober 1990, NJ 1991/328, rov. 5.3.

16 Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7487, rov. 5.5.

17 Vgl. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7592, rov. 3.5.

18 Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377, rov. 3.3, HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9172, rov. 4.2, HR 4 januari 2000, NJ 2000/225, rov. 3.5, HR 8 oktober 1991, NJ 1992/155, rov. 6.1, en G.J.M. Corstens/M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 806-807.

19 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.7.1. Zie ook G.J.M. Corstens/M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 899-900.

20 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 194-196.

21 Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414, NJ 2017/426, m.nt. N. Rozemond, rov. 3.3, HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2482, NJ 2015/404, m.nt. Keijzer, rov. 2.5, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3057, NJ 2015/15, m.nt. Keijzer, rov. 3.3, en HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25, m.nt. Keijzer, rov. 4.3-4.5.

22 Daarmee staat in deze zaak, anders dan in HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384, het (vaar)gedrag van de verdachte centraal en niet zozeer de keuze van de verdachte om zich onder invloed van alcohol in het verkeer te begeven.

23 Respectievelijk HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959, NJ 2014/27, m.nt. Keijzer, HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1554, NJ 2014/30, m.nt. Keijzer, HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3620, HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656, en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414, NJ 2017/426, m.nt. N. Rozemond.

24 Vgl. de noot van Rozemond (onder 2) onder HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470, NJ 2014/220. Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 277-279.

25 Zie p. 2 van de schriftelijke conclusie van mr. Korver.

26 Kamerstukken II 2007/08, 30 143, nr. 16.

27 A.L.J. van Strien, ‘De positie van slachtoffers in het strafproces’, in: M.S. Groenhuijsen & G. Knigge (red.), Het onderzoek ter zitting. Eerste interrimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 269-270.

28 Vgl. J.C.A.M. Claassens, ‘Het wetsvoorstel 30 143: versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces’, VR 2008, p. 213, J.C.A.M. Claassens, ‘Het slachtoffer in het strafproces’, Strafblad 2012, p. 247, W.H. Vellinga, Ambtshalve onderzoeken en beslissen in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 4.5, en de noot van Keulen (onder 6) onder HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520.

29 HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9717, NJ 2006/378, m.nt. Van Mendel, rov. 4.8.

30 HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4362, NJ 2003/171, m.n.t. Scheltema, rov. 7.3, en HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7215, NJ 2007/407.

31 HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755, rov. 2.3. Zie ook J. Candido, ‘Civiel bewijsrecht toepasselijk op vordering benadeelde partij?’, NJB 2012, afl. 14, p. 938-940.

32 Vgl. de conclusie van P-G Silvis, ECLI:NL:PHR:2018:600, onder 8. Zie ook J. Candido, ‘Civiel bewijsrecht toepasselijk op vordering benadeelde partij?’, NJB 2012, afl. 14, p. 940, en E.C.M. Wolfert, ‘De civiele vordering in de strafrechtelijke procedure, in: F.E.J. Beekhoven van den Boezem, G. Bergervoet & F. Verstijlen (red.), Groninger zekerheid (Reehuis-bundel), Deventer: Kluwer 2014, p. 507-510.

33 HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007/484, rov. 3.3.2.

34 W.H. Vellinga, Ambtshalve onderzoeken en beslissen in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 4.5.

35 Vgl. J. Candido (red.), Slachtoffer en de Rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, Den Haag: LOVS 2017, p. 94.

36 Zie p. 6-8 van de schriftelijke conclusie van mr. Korver.

37 PbEU 2012, L 315. Zie verder over de Richtlijn slachtofferzorg B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 240 e.v.

38 HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, rov. 4.3.

39 Vgl. C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 45, en J. Candido (red.), Slachtoffer en de Rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, Den Haag: LOVS 2017, p. 123.

40 Zie p. 1 van de schriftelijke conclusie van mr. Huls.

41 HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007/484.

42 W.H. Vellinga, Ambtshalve onderzoeken en beslissen in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 4.5.

43 HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84, m.nt. Lindenbergh, rov. 3.4.1.

44 Vgl. A.S. Rueb e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 295, de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:289, onder 3.4) voor HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, NJ 2014/406, m.nt. Lindenbergh, en de noot van Brunner onder HR 3 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5568, NJ 1988/275.

45 A.S. Rueb e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 295.

46 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653, NJ 2017/366, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4.2-3.4.4, en HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801.

47 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653, NJ 2017/366, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4.5, en HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1819, NJ 2002/123, m.nt. Cleiren.

48 HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84, m.nt. Lindenbergh, rov. 3.4.1.

49 A.C. van Schaick, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht. 2. Eerste aanleg, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 210-211.

50 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:663, NJ 2015/365, m.nt. Reijntjes, rov. 3.3, en HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571, rov. 3.3-3.4.

51 C.J. van Zeben & J.W. du Pon (red.), Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 395 en 399.

52 B. van Eijk, 'Vergoeding van de kosten van lijkbezorging', TVP 2001, afl. 4, p.102-104.

53 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:663, NJ 2015/365, m.nt. Reijntjes, rov. 3.3, en HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571, rov. 3.3-3.4.

54 HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762.

55 Enige aanwijzing hoe de proceskosten berekend zouden moeten worden, zoals het toepasselijke liquidatietarief, bevatten de verweerschriften niet.

56 Vgl. HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2140, NJ 2001/394.