Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:306

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-02-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
17/01867
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:430
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling door n.a.v. verkeersruzie ander met kracht tegen hoofd en lichaam te slaan ten gevolge waarvan die ander o.m. gebitsschade heeft opgelopen, art. 302.1 Sr. Gebroken en scheve voortanden aan te merken als “zwaar lichamelijk letsel”? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01867

Zitting: 5 februari 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 maart 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens ‘zware mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Het hof heeft daarbij de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als in het arrest omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat het bewezen verklaarde letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt niet begrijpelijk is, althans dat het bewijs voor zwaar lichamelijk letsel ontoereikend is.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

‘hij op 16 november 2015 te Utrecht, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (waaronder een of meer gebroken en/of scheve voortanden), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] telkens opzettelijk (met kracht) tegen/op het hoofd en het lichaam te slaan en/of te stompen.’

5. De bewezenverklaring berust onder meer op de volgende in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen:

‘1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, op 16 november 2015 gesloten en ondertekend door [verbalisant 1] , BOA domein generieke opsporing van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van [slachtoffer] :

(…) Ik doe aangifte van (zware) mishandeling, gepleegd op 16 november 2015 te 13:59 uur. Op 16 november 2015, omstreeks 13:50 uur, reed ik in mijn witte Mercedes bestelbus op het Westplein te Utrecht in de richting van de Croeselaan. Naast mij zat collega [betrokkene 2] . Ik reed ter hoogte van een oversteekplaats voor voetgangers. Ik zag dat het stoplicht voor automobilisten op groen stond. Ineens zag ik twee mannen toch oversteken. Ik moest remmen en uitwijken om de mannen niet te raken. Ik ben gestopt en deed het portier open en vroeg: ”Wat is er aan de hand?” Ik zag dat zij naar mij toekwamen. Ik stond op dat moment half op de treeplank en mijn gordel zat nog vast. Ik zag dat één van de mannen het portier beetpakte en dit open hield. Ik zag en voelde dat de andere man meteen begon te schoppen en te slaan. Ik voelde dat ik in mijn gezicht werd geslagen. Ik zag dat ik werd geslagen met gebalde vuisten. Ik voelde direct veel pijn in mijn gezicht. Ik voelde ook pijn aan mijn rechterschouder. Ik voelde met mijn tong dat er stukken tand ontbraken. Ik proefde bloed in mijn mond. (…)

2. Een schriftelijk bescheid, zijnde een geneeskundige verklaring van de arts M. Koopman van 16 november 2015, inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1965: (…)

Uitwendig waargenomen letsel: zie bijgevoegd verslag van de huisartsenpost.

Er is sprake van uitwendig bloedverlies. De geschatte duur van de genezing is 2 tot 4 weken.

(…) Waarnemend arts Koopman rapporteert over patiënt [slachtoffer] , die op 16 november 2015 bij de huisartsenpost is geweest in verband met problemen ten gevolge van geweld. Bij een verkeersconflict werd patiënt geslagen. De arts relateert: neus: drukgevoelig, Maxillaris rechts gezwollen en druk pijnlijk, tanden: linker voortand stuk afgebroken, rechter voortand staat scheef, tand ernaast half afgebroken. Bovenlip rechts schaafwond van 8 mm. Rechter schouder/bovenarm: zwelling aan de voorzijde schouderkapsel, abductie zeer pijnlijk en linker bovenbeen laterale zijde een schaafwond van 5 cm, zwelling lokaal.

3. Een schriftelijk bescheid, zijnde een geneeskundige verklaring van tandarts H. Englisch van 1 december 2015, inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1965: (…)

Uitwendig waargenomen letsel:

Van de middelste voortanden in de bovenkaak is de linker gebroken zonder dat de tandzenuw bloot lag, deze stond wel licht los. Van de kleine snijtand rechts in de bovenkaak is ook een groot stuk afgebroken, wederom zonder dat de zenuw bloot lag.

Overige van belang zijnde informatie:

Bovengenoemde voortanden dienen nog voorzien te worden van kronen. De lange termijn prognose is onzeker, aanvullende wortelkanaalbehandelingen kunnen nodig zijn. Daarnaast kunnen de tanden jaren later alsnog verloren gaan op grond van het trauma, dan kunnen bijvoorbeeld implantaten nodig zijn.

4. Een schriftelijk bescheid, zijnde een schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1965, gedateerd en ondertekend op 18 januari 2016 te Utrecht, onder meer, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Ik heb veel pijn gehad. Ik had een opgezwollen gezicht en een blauw oog. Doordat mijn kaak was gekneusd en mijn tanden afgebroken en gevoelig waren, kon ik de eerste vijf weken alleen maar vloeibaar voedsel eten. Mijn rechterschouder is gekneusd en ik kan hem niet gebruiken. Doordat ik de arm niet kan gebruiken kan ik niet werken en ben ik zeer beperkt in mijn dagelijkse werkzaamheden.

5. Een schriftelijk bescheid, zijnde een schadeonderbouwingsformulier van Slachtofferhulp Nederland, van 26 december 2015 (versie 21 augustus 2015), onder meer, zakelijk weergegeven, inhoudende:

De gekneusde kaak was heel pijnlijk. De eerste vijf weken kon benadeelde alleen maar vloeibaar voedsel eten. Sinds één week lukt het om voorzichtig weer vast voedsel te eten. Hij kan echter nog nergens iets van afhappen, dit komt door de afgebroken tanden. De tanden zitten tot op heden nog los en zijn erg gevoelig. De tandarts verwacht dat er inwendig letsel is aan de wortels. Ook heeft benadeelde veel last van zijn bijholte aan de rechterkant van zijn gezicht. Ook snuiten en gapen waren zeer pijnlijk. Hij heeft tot op heden last van constante pijn en pijnscheuten aan zijn gezicht. Benadeelde heeft twee weken een zwelling gehad aan de voorzijde van zijn rechterschouder. De eerste week kon hij zijn arm niet bewegen. Benadeelde is sinds 8 december 2015 begonnen met fysiotherapie. Hij heeft tot op heden 11 behandelingen gehad. Hij heeft nog steeds een zeurende pijn in zijn arm. Hiervoor slikt hij dagelijks Ibuprofen. Hij heeft nog geen kracht in zijn arm.

6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, op 20 november 2015, gesloten en ondertekend door [verbalisant 3] , aspirant van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 1] :

(…) Ik zag dat de bestuurder een dik, opgezwollen, rood gezicht had, aan zijn mond zat bloed en hij miste enkele tanden. (…)

7. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, op 23 november 2015 gesloten en ondertekend door [verbalisant 4] , BOA domein generieke opsporing van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 2] :

(…) Ik zag dat [slachtoffer] een kapotte bovenlip had en een paar kapotte tanden.

(…)

10. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, op 16 november 2015 gesloten en ondertekend door [verbalisant 5] , agent, en [verbalisant 6] , hoofdagent, beiden van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

(…) De chauffeur stapte uit de bus bij de oversteekplaats. Ik sloeg hem in zijn gezicht.

11. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 18 mei 2016, van de raadsheer-commissaris in dit hof, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige [getuige 1] :

(…) Die man stopte vlak voor mij en voordat ik het wist stond hij half in zijn bus. Ik hoorde achteraf van Karim dat hij die man een tand uit zijn mond had geslagen.’

6. Het hof heeft in het verkort arrest voorts het volgende overwogen met betrekking tot het bewijs:

‘Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte met grote kracht met zijn gebalde vuisten tegen het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor een of meer tanden zijn afgebroken en/of scheef zijn gaan staan.

In de geneeskundige verklaring welke op 1 december 2015 is opgesteld door tandarts English en het met schriftelijke stukken onderbouwde schadeonderbouwingsformulier van 26 december 2015 staat onder meer dat de gekneusde kaak pijnlijk was en dat [slachtoffer] de eerste vijf weken alleen maar vloeibaar voedsel kon eten. Daarna kon hij weliswaar wel weer vast voedsel eten, maar kon hij nog nergens iets van afhappen, vanwege de afgebroken tanden. De tanden zitten nog los en zijn gevoelig. De tandarts verwacht dat er inwendig letsel zit aan de wortels. De tanden zullen nog moeten worden voorzien van kronen. De prognose voor de lange termijn is nog onzeker. Wellicht zal er een wortelkanaalbehandeling nodig zijn, maar het is ook mogelijk dat er in de toekomst implantaten geplaatst moeten worden. [slachtoffer] heeft verder veel last van de bijholte aan de rechterkant van zijn gezicht. Snuiten en gapen waren zeer pijnlijk. [slachtoffer] heeft nog last van constante pijn en pijnscheuten aan zijn gezicht.

[slachtoffer] heeft een zwelling gehad aan zijn rechterschouder. De eerste week kon hij zijn arm niet bewegen. [slachtoffer] is begonnen met fysiotherapie en heeft 11 behandelingen gehad. Hij heeft nog steeds last van een zeurende pijn. Hij slikt dagelijks ibuprofen. Hij heeft nog geen kracht in zijn arm.

Alles bij elkaar geteld kan het hiervoor omschreven letsel, gelet op de aard ervan en de omvang van het medisch ingrijpen, naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.’

7. Uw Raad heeft vorig jaar een overzichtsarrest inzake zwaar lichamelijk letsel gewezen (HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051). Daarin overweegt Uw Raad onder meer:

‘2.4. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. (Vgl. onder meer HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510.) De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit (vgl. HR 15 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5618).

De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen hetgeen algemene ervaringsregels omtrent die gezichtspunten leren.

(…)

2.6. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Ten aanzien van gebitsschade, zoals afgebroken tanden, verdient opmerking dat, nu gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, in beginsel nadere specifieke vaststellingen met betrekking tot in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk zijn. Overigens kan, in relatie tot de hier genoemde alsook andersoortige vormen van letsel, relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen.

2.7. Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie "zwaar lichamelijk letsel"; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:89).

In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.

2.8. De beantwoording van de vraag of letsel als "zwaar lichamelijk letsel" moet worden aangemerkt, is buiten de hiervoor onder 2.2 aangeduide gevallen in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Indien echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.’

8. De bewezenverklaring houdt, voor zover hier van belang, in dat de verdachte ‘zwaar lichamelijk letsel (waaronder een of meer gebroken en/of scheve voortanden)’ heeft toegebracht. Het hof heeft de tenlastelegging kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat het daarin bedoelde zwaar lichamelijk letsel onder meer heeft bestaan uit – en dus niet beperkt was tot – het met zoveel woorden in de tenlastelegging omschreven tandletsel. In cassatie wordt niet geklaagd over die uitleg van de tenlastelegging. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging heeft het hof vastgesteld dat het bewezenverklaarde zwaar lichamelijk letsel in het bijzonder heeft bestaan uit – kort gezegd – letsel aan de tanden en letsel aan de rechterschouder.

9. Uit de tot het bewijs gebezigde geneeskundige verklaring van arts Koopman blijkt dat van de linker voortand een stuk is afgebroken, dat de rechter voortand scheef staat en dat de tand ernaast half afgebroken is. De geneeskundige verklaring van tandarts Englisch houdt in dat van de middelste voortanden in de bovenkaak de linker gebroken is zonder dat de tandzenuw bloot lag, ‘deze stond wel licht los. Van de kleine snijtand rechts in de bovenkaak is ook een groot stuk afgebroken, wederom zonder dat de zenuw bloot lag’. Uw Raad geeft in de aangehaalde overwegingen aan dat ‘gebitsschade niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel’. Daarom zijn ‘in beginsel nadere specifieke vaststellingen met betrekking tot in het bijzonder de noodzaak en de aard van het medische (tandheelkundige) ingrijpen, noodzakelijk’. Tandarts Englisch heeft aanvullend verklaard dat de genoemde voortanden nog dienen te worden voorzien van kronen. Dat lijkt mij een vorm van medisch ingrijpen die het letsel aan de tanden in beginsel niet tot zwaar lichamelijk letsel maakt. Afgebroken tanden zullen in de regel worden voorzien van kronen, en uitgangspunt is dat gebitsschade zoals afgebroken tanden niet zonder meer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.1

10. Daar blijft het evenwel niet bij. Tandarts Englisch heeft ook verklaard dat de langetermijnprognose onzeker is; ‘aanvullende wortelkanaalbehandelingen kunnen nodig zijn. Daarnaast kunnen de tanden jaren later alsnog verloren gaan op grond van het trauma, dan kunnen bijvoorbeeld implantaten nodig zijn’. En het tot het bewijs gebezigde schadeonderbouwingsformulier van 26 december 2015 vermeldt dat de tandarts verwacht dat er inwendig letsel is aan de wortels. Het hof refereert in de geciteerde bewijsoverweging aan deze passages uit beide bewijsmiddelen. Deze passages kunnen in verband worden gebracht met de aangehaalde overweging van Uw Raad, inhoudend dat van zwaar lichamelijk letsel ook sprake kan zijn indien het letsel gepaard gaat ‘met een langere periode van (…) onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel’.

11. Het hof refereert voorts aan het schadeonderbouwingsformulier voor zover daarin is vermeld dat de gekneusde kaak heel pijnlijk was en dat de benadeelde de eerste vijf weken alleen maar vloeibaar voedsel kon eten.2 Pas daarna lukte het de benadeelde weer om voorzichtig vast voedsel te eten maar kon de benadeelde nog nergens iets van afhappen. En het hof wijst ook op andere lichamelijke klachten die uit het schadeonderbouwingsformulier naar voren komen. De benadeelde heeft, zo stelt het hof op die basis vast, ‘veel last van de bijholte aan de rechterkant van zijn gezicht. Snuiten en gapen waren zeer pijnlijk. [slachtoffer] heeft nog last van constante pijn en pijnscheuten aan zijn gezicht. [slachtoffer] heeft een zwelling gehad aan zijn rechterschouder. De eerste week kon hij zijn arm niet bewegen. [slachtoffer] is begonnen met fysiotherapie en heeft 11 behandelingen gehad. Hij heeft nog steeds last van een zeurende pijn. Hij slikt dagelijks ibuprofen. Hij heeft nog geen kracht in zijn arm. Alles bij elkaar geteld kan het hiervoor omschreven letsel, gelet op de aard ervan en de omvang van het medisch ingrijpen, naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.’ Wat de aard van het letsel betreft valt het grote aantal lichamelijke gevolgen van de mishandeling op. Wat de omvang van het medisch ingrijpen betreft, springen de elf behandelingen door een fysiotherapeut in het oog. Deze kunnen naar het mij voorkomt, in de woorden van Uw Raad, worden aangemerkt als ‘een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen’ (zie rov. 2.6, hierboven geciteerd).

12. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] van 18 januari 2016 blijkt voorts dat hij negen weken na de mishandeling (en een dag voor de berechting door de politierechter) zijn arm nog niet kon gebruiken, daardoor niet kon werken en zeer beperkt was in zijn dagelijkse werkzaamheden (bewijsmiddel 4).3 Daarmee geven de bewijsmiddelen niet alleen inzicht in de noodzaak en aard van medisch ingrijpen maar ook in de duur van de herstelperiode;4 deze is na negen weken nog niet afgerond.5 Uit het voorgaande – in het bijzonder de vaststelling van het hof dat [slachtoffer] de eerste vijf weken slechts vloeibaar voedsel kon eten en (in ieder geval) na negen weken nog niet kon werken en nog zeer beperkt was in zijn dagelijkse werkzaamheden – volgt bovendien dat tijdens de herstelperiode sprake was van aanzienlijke fysieke beperkingen.6

13. Een optelsom van verschillende lichamelijke gevolgen van een mishandeling kan tot het oordeel leiden dat toegebracht letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Dat volgt ook uit de overwegingen die Uw Raad heeft geformuleerd. Daaruit volgt dat het oordeel dat van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kan worden gebaseerd op een combinatie van de genoemde gezichtspunten (de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel). Daarbij geldt bovendien dat de beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, buiten een aantal door uw Raad aangeduide gevallen, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Dat oordeel kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst.

14. Al met al meen ik dat de vaststelling van zwaar lichamelijk letsel op basis van de optelsom die het hof in deze strafzaak heeft gemaakt niet onbegrijpelijk is. De bewezenverklaring van ‘zwaar lichamelijk letsel (waaronder een of meer gebroken en/of scheve voortanden)’ kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

15. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie in dit verband ook HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2893, NJ 2001/620 waaruit kan worden afgeleid dat een afgebroken voortand waarop een kroon moet worden bevestigd in combinatie met een gebroken neus op zichzelf onvoldoende is voor de kwalificatie zwaar lichamelijk letsel.

2 Het hof noemt daarbij ook de verklaring van tandarts Englisch , maar die verklaart niets over een gekneusde kaak en het alleen maar eten van vloeibaar voedsel.

3 De geschatte duur van de genezing die uit de verklaring van de arts Koopman van 16 november 2015 (opgemaakt op de dag van de bewezenverklaarde mishandeling; bewijsmiddel 2) naar voren komt, is derhalve niet uitgekomen.

4 Daarin verschilt deze zaak van de zaken die leidden tot het overzichtsarrest HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, het hiervoor ook genoemde HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2893, NJ 2001/620 en de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep en in de cassatieschriftuur genoemde (ongepubliceerde) arresten HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8655 en HR 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI1587.

5 De berechting in eerste aanleg was op 19 januari 2016. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat voorafgaand aan de berechting in hoger beroep, meer dan een jaar later, aanvullende informatie over het verloop van het herstel en eventuele nadere medische ingrepen is ingewonnen. Terzijde merk ik op dat de aangever wel ter terechtzitting in hoger beroep van 14 maart 2017 in zijn hoedanigheid van benadeelde partij onder meer heeft verklaard: ‘Ik heb een maand lang mijn rechterarm niet kunnen bewegen. Ik heb 6 maanden lang voor 50% in de Ziektewet gelopen. Ik ben nu nog steeds niet helemaal in orde. Ik heb nog last van mijn arm en een doof gevoel in mijn kaak.’

6 Vgl. de hiervoor geciteerde rov. 2.7 van het overzichtsarrest. Zie voorts HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0252 waarin Uw Raad mede betekenis toekende aan de omstandigheid dat het slachtoffer door het letsel drie en een halve maand niet zijn normale bezigheden kon verrichten.