Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:302

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-02-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
18/02175
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:432
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal met geweld van geld en sieraden (art. 312 Sr) en medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr) door 88-jarige man in zijn woning meermalen met de vuist met kracht in het gezicht te slaan en hem door een vuurwapen in zijn rug te duwen te dwingen de trap op te lopen en hem in zijn slaapkamer op bed te zetten, een deken over zijn hoofd te leggen en zijn polsen en benen vast te binden. Klacht dat Hof in strijd met art. 341.3 Sv verklaring van medeverdachte voor het bewijs heeft gebezigd. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/02175

Zitting: 5 februari 2019

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 7 mei 2018 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 30 februari 2017 bevestigd, met terzijdestelling van de bewijsoverweging op pagina 11 van het vonnis en met aanvulling van de bewijsoverwegingen. De rechtbank heeft de verdachte wegens 1 “diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 2 “medeplegen van: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Tevens heeft de rechtbank de verbeurdverklaring van een in beslag genomen voorwerp uitgesproken en de teruggave van in beslag genomen voorwerpen gelast aan de rechthebbende, een en ander zoals in het – door het hof in het bestreden arrest in zoverre bevestigde – vonnis nader omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt dat het hof, in strijd met het bepaalde in art. 341, derde lid, Sv, de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] voor het bewijs heeft gebezigd.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“ten aanzien van feit 1:
op 11 mei 2016 te Oss tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (tot een totaalbedrag van euro 1300,- of daaromtrent) en sieraden, te weten een of meer gouden kettinkjes, toebehorende aan [slachtoffer] (leeftijd 88 jaar),

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen genoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer] meermalen met de vuist met kracht in diens gezicht heeft geslagen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in diens rug heeft geduwd en geduwd gehouden en een deken over diens hoofd heeft gelegd en de polsen en benen van die [slachtoffer] heeft vastgebonden;
ten aanzien van feit 2:

op 11 mei 2016 te Oss tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] (leeftijd 88 jaar) in diens woning [a-straat 1] aldaar) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk en wederrechtelijk te dwingen de trap op te lopen en een slaapkamer in te duwen en op een bed te zetten en een deken over het hoofd van die [slachtoffer] te leggen en die [slachtoffer] (vervolgens) met zijn polsen en benen vast te binden.”

5. Het hof heeft de bewijsconstructie van de rechtbank overgenomen met een aanvulling en een vervanging. De toelichting op het middel spitst zich toe op het gebruik van de verklaring van [betrokkene 1] in de vervangende bewijsoverweging:

“Bewijsoverweging ter vervanging van de alinea op pg. 11.
In de woning waar de verdachte verbleef en is aangehouden, is een Samsung tablet aangetroffen waarop is gezocht naar het adres waar de overval is gepleegd. Door de medeverdachte [betrokkene 1] is, ter gelegenheid van zijn verhoor door de raadsheer-commissaris als getuige in de strafzaak tegen de verdachte, verklaard dat hij deze zoekopdracht heeft verricht op de tablet van verdachte. De door de medeverdachte [betrokkene 1] - die ter terechtzitting in hoger beroep de overval heeft bekend - afgelegde verklaring houdt in dat deze zoekopdracht op 29 april 2016 op de tablet in de woning van de verdachte past in de voorbereiding van de beide verdachten van de overval die later op 11 mei zou plaatsvinden.”

6. Artikel 341 Sv luidt als volgt:

“1. Onder verklaring van den verdachte wordt verstaan zijne bij het onderzoek op de terechtzitting gedane opgave van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend.

2. Zoodanige opgave, elders dan ter terechtzitting gedaan, kan tot het bewijs, dat de verdachte het telastegelegde feit begaan heeft, medewerken, indien daarvan uit eenig wettig bewijsmiddel blijkt.

3. Zijne opgaven kunnen alleen te zijnen aanzien gelden.

4. Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de opgaven van den verdachte.”

7. Volgens art. 341, derde lid, Sv kunnen de opgaven van de verdachte “alleen te zijnen aanzien gelden”. Dit voorschrift dat wil voorkomen dat verklaringen van medeverdachten tegen elkaar kunnen worden gebruikt, is door de rechtspraak uitgekleed, althans sterk geformaliseerd.1 Van een medeverdachte is namelijk alleen bij gevoegde behandeling van de zaken tegen twee verdachten en niet bij gelijktijdige behandeling sprake. 2 Van voeging van de behandeling van de zaak van de verdachte en de zaak van de medeverdachte is geen sprake.3 Uit de processen-verbaal van de zittingen van het hof van 23 april 2018, 20 maart 2018, 28 december 2017, 3 oktober 2017, 18 juli 2017, 2 mei 2017 en 11 april 2017 blijkt telkens dat “de strafzaak tegen de verdachte gelijktijdig, doch niet gevoegd zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaak (…) tegen [betrokkene 1] .”

8. Het middel dat in de kern slechts klaagt over schending van art. 341, derde lid, Sv, treft geen doel.

9. Ten overvloede wijs ik er nog op dat er geen gebruik is gemaakt van een verklaring van [betrokkene 1] afgelegd tijdens diens terechtzitting die gelijktijdig plaatsvond met de terechtzitting van de verdachte. De (inhoudelijke) verklaring van deze ‘medeverdachte’ [betrokkene 1] is immers in de gewraakte bewijsoverweging van het hof slechts gebruikt voor zover hij in de hoedanigheid van getuige in de strafzaak van de verdachte tegenover de raadsheer-commissaris een verklaring heeft afgelegd.4

10. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 1] door de raadsheer-commissaris d.d. 20 oktober 2017 houdt voor zover van belang in:

“Op de vraag van de raadsman heb ik zojuist verklaard dat ik bij [verdachte] regelmatig aan huis kwam in de periode voorafgaand aan 11 mei 2016 en dat het best kan zijn dat ik ook op 29 april 2016 daar ben geweest. Ik maakte daarbij wel gebruik van zijn tablet. Ik heb inderdaad op dat tablet het adres [a-straat 1] te Oss opgezocht.”

11. De getuige verklaart hier dus op 29 april 2016 een zoekopdracht te hebben gegeven voor een adres van een woning waar op 11 mei 2016 een overval is gepleegd. Die verklaring herhaalt het hof in de bewijsoverweging met de daaraan toegevoegde feitelijke constatering dat de zoekopdracht past bij de overval omdat het om dezelfde woning gaat. Zowel de herhaalde verklaring als de feitelijke toevoeging zijn niet onjuist, ontoereikend of onbegrijpelijk.

12. Door de gelijktijdige berechting van de zaak tegen [betrokkene 1] was het hof er bekend mee dat [betrokkene 1] tijdens de terechtzitting een bekennende verklaring heeft afgelegd. Niet de inhoud van die verklaring, maar uitsluitend de omstandigheid dat [betrokkene 1] ter terechtzitting (alsnog) heeft bekend, heeft het hof in de zaak van de verdachte vervolgens nog in zijn overwegingen betrokken. Nu de verdachte en zijn raadsman tijdens die gelijktijdige behandeling aanwezig waren, waren zij evenals het hof van de omstandigheid op de hoogte dat [betrokkene 1] heeft bekend.

13. Zo bezien heeft het hof dus geen gebruik gemaakt van de inhoud van een verklaring van [betrokkene 1] , maar slechts van de omstandigheid dat hij heeft bekend. Het hof was daarmee ambtshalve bekend en voor de verdachte en zijn raadsman was het gelet op hun aanwezigheid op de zitting geen verrassing. Het zou anders kunnen liggen als van de inhoud van de ter terechtzitting van het hof door [betrokkene 1] afgelegde bekennende verklaring gebruik zou zijn gemaakt. Immers dan zou het proces-verbaal van de zitting van [betrokkene 1] voor zover het de te gebruiken verklaring betreft moeten zijn toegevoegd aan de stukken van het geding in de zaak van de verdachte.5

14. Ik wijs er tenslotte en nog steeds ten overvloede op dat de verwijzing naar de bekentenis van de medeverdachte is opgenomen in een bewijsoverweging ter toelichting van de door het hof bevestigde (Promis-)bewijsconstructie van de rechtbank. In de bewijsoverweging is de verwijzing naar de bekentenis niet meer dan een tussenopmerking die voor die bewijsoverweging niet dragend is.6 In zoverre ontbreekt ook enig belang bij cassatie.

15. In de toelichting op het middel wordt op dezelfde gronden de aanvullende bewijsoverweging bekritiseerd:

“De medeverdachte [betrokkene 1] - die ter terechtzitting in hoger beroep de overval op 11 mei 2016 heeft bekend - bevond zich vlak na de overval in gezelschap van een donker getinte persoon die op camerabeelden is vastgelegd. Van deze camerabeelden wordt door de verbalisanten gerelateerd dat deze persoon erg veel gelijkenis vertoont met de verdachte. Ook wordt door verbalisant [verbalisant] opgemerkt dat de verdachte een vergelijkbaar loopje heeft zoals de persoon die op de camerabeelden te zien is. Ook overigens voldoet de verdachte aan het signalement dat door het slachtoffer en door andere personen die de beide personen kort na de overval hebben gezien, wordt gegeven.”

16. Voor de klacht over deze aanvullende bewijsoverweging geldt hetzelfde als voor de klacht over de vervangende bewijsoverweging. Art. 341, derde lid, Sv is hier niet van toepassing. De klacht faalt dus. En ten overvloede geldt dat er in cassatie van kan worden uitgegaan dat de observaties en bevindingen van de verbalisanten deel uitmaken van de aan de verdachte voorgehouden stukken uit het dossier, althans enige klacht daarover heb ik in cassatie niet aangetroffen. De tussenopmerking over de bekentenis van [betrokkene 1] in hoger beroep is niet dragend voor het bewijs van het daderschap van de verdachte en belang bij cassatie ontbreekt daarom op die grond.

17. Het middel faalt.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De steller van het middel wijst op HR 27 mei 1929, ECLI:NL:HR:1929:206, NJ 1929, p. 1329. Zie voorts Corstens, Borgers, Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, negende druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 808-809.

2 HR 23 december 1929, ECLI:NL:HR:1929:318, NJ 1930, p. 229 en HR 29 oktober 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB6373, NJ 1975/108.

3 Vgl. HR 26 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0161, NJ 1988/1022, HR 26 april 1988, ECLI:NL:PHR:1988:AD0293, NJ 1989/141 m.nt. Th.W. van Veen en HR 6 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0641, NJ 2010/218.

4 Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige (medeverdachte) zich voor zover het zijn rol betrof beroepen op zijn verschoningsrecht als getuige.

5 Zelfs het ontbreken van het proces-verbaal van de zitting van de medeverdachte houdende diens voor het bewijs gebruikte verklaring in de zaak van verdachte is niet altijd fataal. Zie HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5571.

6 Zie de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Bleichrodt (senior) voor HR 13 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5473, onder 4.11.1 e.v. Het ging daar om een inhoudelijke verklaring van de medeverdachte die volgens de waarnemend AG overbodig voor de bewijsconstructie kon worden geacht.