Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:301

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
18/02311
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:674
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG in een Antilliaanse uitleveringszaak. Verzoek van de VS om uitlevering t.b.v. strafvervolging gericht aan Curaçao. Verdenking van betrokkenheid van drugssmokkel door de Cifuentes-organisatie vanuit Mexico via de VS naar Canada.

Middelen over de genoegzaamheid van de stukken en het belang van de verzoekende staat. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/02311 UA

Zitting: 26 maart 2019 (bij vervroeging)

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

  1. Bij advies van 22 mei 2018 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof) de bij “Affidavit in support of request for extradition” van 22 januari 2018 (verder: de Affidavit) verzochte uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika ten behoeve van strafvervolging toelaatbaar verklaard.

  2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen het verweer van de verdediging inhoudend dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken onvoldoende zijn om de aanhouding en dagvaarding van de opgeëiste persoon te rechtvaardigen, nu meer in het bijzonder uit de stukken niet het vermoeden kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan “conspiring to import drugs into the United States”, maar enkel de verdenking dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van cocaïne in c.q. de uitvoer van cocaïne uit de Verenigde Staten.

  4. In het advies van het Hof is de Affidavit als volgt samengevat:

Redelijk vermoeden van schuld

6.8 Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de overgelegde stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor enige strafrechtelijk relevante rol van de opgeëiste persoon.

6.9 Het Hof overweegt als volgt. Blijkens de Affidavit zou de opgeëiste persoon samen met een zekere [betrokkene 1] , een lid van de zogeheten Cifuentes -organisatie, verantwoordelijk voor de verkoop van drugs van deze organisatie in Canada, de levering van drugs hebben geregeld vanuit Mexico naar Canada, - het Hof begrijpt - via de Verenigde Staten. De opgeëiste persoon zou door [betrokkene 1] eind 2012, begin 2013 naar Mexico zijn gestuurd voor een bespreking met een zekere [betrokkene 2] . Laatstgenoemden zouden tijdens deze bespreking hebben afgesproken dat de opgeëiste persoon bij de levering van drie ladingen cocaïne zou helpen van de Verenigde Staten naar Canada. Verder zou op of omstreeks 22 februari 2013 zijn waargenomen dat [betrokkene 1] en twee samenzweerders de opgeëiste persoon ongeveer 30 minuten hebben ontmoet. Tevens zou de opgeëiste persoon met [betrokkene 1] hebben gesproken over de beloning die hij zou ontvangen voor het drugstransport.”

5. De Affidavit houdt onder meer het volgende in:

“AFFIDAVIT IN SUPPORT OF REQUEST FOR EXTRADITION

[…]

6. In the course of the investigation into [betrokkene 2] and the Cifuentes DTO , law enforcement authorities identified [betrokkene 1] as a member of the DTO based in Canada. According to a cooperating witness (“CW-1”), who has proven credible to law enforcement, and has provided information corroborated by other evidence, [betrokkene 1] was responsible for the Cifuentes DTO ’s drug sales in Canada, and worked with [de opgeëiste persoon] to arrange the transfer of narcotics from Mexico to Canada, through the United States.

7. According to another cooperating witness (“CW-2”), who has also proven credible and has supplied evidence to law enforcement that has been corroborated by others, [betrokkene 1] sent [de opgeëiste persoon] to meet with [betrokkene 2] in Mexico in late 2012, or early 2013. At the meeting, [de opgeëiste persoon] and [betrokkene 2] agreed that [de opgeëiste persoon] would assist with the transfer of three loads of cocaine from the United States to Canada. Corporate records confirm that [de opgeëiste persoon] established a trucking company, [A] Ltd., in or about 2010, which was likely designed to facilitate drug trafficking and was used to transfer cocaine across the United States/Canada border.

8. […]

9. On or about May 29, 2013, CW-1 met with [de opgeëiste persoon] and [betrokkene 1] under instructions from [betrokkene 2] and CW-2. […]. During the May 29 meeting, which was lawfully recorded, [de opgeëiste persoon] informed CW-1 that he had met with [betrokkene 2] and CW-2 in Mazatlán, Mexico, approximately two months earlier; travel records confirm that [de opgeëiste persoon] traveled to Canada from Mazatlán, Mexico on March 12, 2013. [de opgeëiste persoon] asked [betrokkene 1] how much [betrokkene 1] was going to pay him ( [de opgeëiste persoon] ), and [betrokkene 1] responded, “Fifty-seven. ...” [betrokkene 1] later advised [de opgeëiste persoon] that the DTO was waiting for another load of narcotics, and also confirmed that he owed [de opgeëiste persoon] an additional $20,000; [de opgeëiste persoon] noted that he charged $155,000 for two loads of drugs. […]. [de opgeëiste persoon] and [betrokkene 1] further discussed the shipment of narcotics from the United States to Canada. [de opgeëiste persoon] mentioned a “truck to Buffalo,” which appears to be a reference to trucks [de opgeëiste persoon] would send from Los Angeles to Canada, via cities near the border, including Buffalo, New York. The two also discussed transfer of drugs elsewhere in the United States. U.S. law enforcement authorities believe that [betrokkene 1] and [de opgeëiste persoon] had a pre-existing drug trafficking relationship, and that the proposed shipment they were discussing during this conversation represented a continuation of their cooperative efforts in moving drugs tough the United States. CW-1 and CW-2 both confirmed to law enforcement authorities that [de opgeëiste persoon] had been involved in transporting prior shipments of cocaine across the United States/Canada border.

10. At the end of this meeting, [betrokkene 1] retrieved a black bag from his vehicle and handed the bag to [de opgeëiste persoon] , which law enforcement authorities believe contained the $57,000 payment, as suggested by their conversation. According to CW-1, [de opgeëiste persoon] had been responsible for shipping narcotics from Los Angeles to Canada on behalf of [betrokkene 2] and CW-2 for several months by the time of this meeting. [de opgeëiste persoon] was also responsible for transporting narcotics within Canada during this time period.”

6. Gelet op het vorenstaande is de uitleg die de steller van het middel aan de Affidavit geeft, te weten dat daaruit volstrekt niet blijkt dat [betrokkene 1] de levering van cocaïne vanuit Mexico naar Canada heeft geregeld en dat uit de Affidavit niet blijkt dat de opgeëiste persoon heeft deelgenomen aan (een organisatie die zich bezighield met) de invoer van cocaïne in de Verenigde Staten (maar alleen met de uitvoer van cocaïne uit de Verenigde Staten) te eng en derhalve onjuist.

7. Het Hof heeft terecht overwogen dat blijkens de Affidavit de opgeëiste persoon samen met [betrokkene 1] de levering van drugs vanuit Mexico naar Canada via de Verenigde Staten heeft geregeld, dat de opgeëiste persoon in Mexico is geweest om een en ander te bespreken en dat de opgeëiste persoon zou helpen om de cocaïne op het laatste gedeelte van het transport over de grens tussen Amerika en Canada te krijgen. Het (kennelijke) oordeel van het Hof dat uit het in de Affidavit (ik begrijp: met in begrip van de bijlagen daarbij, AG) opgenomen bewijsmateriaal in voldoende mate het vermoeden naar voren komt dat de opgeëiste persoon zich heeft schuldig gemaakt aan “conspiracy to import cocaine into the United States” en genoegzaam blijkt dat aan de bedoelde verdragseis is voldaan, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het Hof met dat oordeel het andersluidende verweer van de verdediging op deugdelijke gronden verworpen.

8. Het eerste middel faalt.

9. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof “heeft verzuimd een (onderbouwd) oordeel te geven over de, door de verdediging aan de orde gestelde, maar ook overigens om beantwoording roepende en derhalve ambtshalve te beantwoorden, vraag of de verzoekende staat bij de verzochte uitlevering enig redelijk belang heeft”.

10. Ook na meerdere lezingen van de processen-verbaal van de terechtzittingen op 24 en 26 april 2018 en de op de zitting van 24 april 2018 aan het Hof overgelegde pleitnota ontwaar ik daarin niet een passage waaruit blijkt dat de verdediging dat punt aan de orde heeft gesteld. In zoverre faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.

11. Voor zover het middel tevens wil betogen dat de uitleveringsrechter alvorens de uitlevering toelaatbaar te verklaren is gehouden tot ambtshalve beoordeling van de vraag of de verzoekende staat daarbij enig redelijk belang heeft, vindt deze stelling geen steun in het recht. Geheel terzijde merk ik op dat het belang mij in de onderhavige zaak evident lijkt en dat daaraan niet afdoet hetgeen in de toelichting op het middel naar voren wordt gebracht, te weten dat de Canadese autoriteiten niet zijn overgegaan tot vervolging wegens (voorbereiding van) de import in Canada.

12. Het middel faalt.

13. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG