Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:294

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17/04745
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:783
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Concl. plv. AG. Bewezenverklaard is poging tot zware mishandeling. Middelen over 1. verwerping beroep op noodweer(exces), 2. bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel, 3. verwerping getuigenverzoek en 4. het opnemen van (nadere) gronden voor de verwerping van het getuigenverzoek in de aanvulling op het verkorte arrest. Concl. strekt tot verwerping. Voorgesteld wordt afdoening met art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04745

Zitting: 26 maart 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 13 september 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “poging tot zware mishandeling”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals bepaald in het bestreden arrest.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op 27 mei 2015 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] meermaals met een steen tegen het (achter-)hoofd heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de aanvulling op het verkorte arrest.

6 Het eerste middel

7. Het middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer(-exces) ten onrechte, althans op onjuiste en/of ontoereikende dan wel onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.

8. Het hof heeft het door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gedane beroep op noodweer en noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweerexces. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [benadeelde] . Voor zover de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is deze overschrijding het onmiddellijk gevolg geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Aangever heeft verklaard dat hij en verdachte, na een lange autorit vanuit Parijs, in [plaats] op een parkeerplaats bij de woning van verdachte ruzie kregen. Aangever stapte uit de auto en heeft de spullen van verdachte uit de auto gepakt en op de grond gezet. Verdachte heeft daarop schoenen van aangever van de achterbank van de auto gepakt en weggegooid. Eén schoen belandde in een achtertuin. Aangever is toen naar verdachte toegelopen. Op dat moment pakte verdachte de bijbel van aangevers zoon van de achterbank. Aangever dacht dat verdachte de bijbel ook wilde weggooien of door midden wilde scheuren en aangever heeft geprobeerd de bijbel af te pakken van verdachte. Op een gegeven moment hadden aangever en verdachte beiden de bijbel beet. Aangever heeft een draaibeweging gemaakt waardoor de bijbel uit hun beider handen loskwam en op de grond viel. Aangever is toen gebukt om de bijbel te pakken. Op dat moment heeft verdachte hem tweemaal met een steen op zijn achterhoofd geslagen.

Verdachte heeft erkend dat zij aangever tweemaal met een steen op zijn achterhoofd heeft geslagen. Ter zitting van het hof heeft zij verklaard dat zij handelde ter zelfverdediging. Aangever heeft haar meerdere malen geslagen en geduwd waardoor zij op de grond viel. Ze kwam naast een steen terecht. Voor ze het wist had ze die steen gepakt en aangever daarmee tegen zijn achterhoofd geslagen. Aangever stond op dat moment gebukt. Volgens verdachte omdat hij de steen in haar handen zag en wegdook uit angst.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat op het moment dat verdachte aangever met een steen sloeg, sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Immers, zowel uit de verklaring van aangever als van verdachte blijkt dat aangever gebukt stond op het moment dat verdachte hem met een steen sloeg. Volgens de verklaring van aangever stond hij op het moment dat verdachte hem met een steen sloeg geknield teneinde de op de grond terechtgekomen bijbel veilig te stellen. Deze geknielde houding vindt ook bevestiging in de verklaring van een getuige en verklaart ook de verwonding aan de achterzijde van het hoofd van aangever. De verklaring van verdachte dat aangever een gebogen houding had aangenomen om zich tegen haar te verweren, duidt er naar het oordeel van [het, DP] hof ook op dat er sprake was van een door verdachte aangevangen aanval. Uit een filmpje dat is gemaakt door een getuige blijkt dat verdachte ten tijde van het incident onder meer heeft geroepen “Ik kan ook slaan”. Het hof is van oordeel dat hieruit veeleer blijkt van een door verdachte bewust verrichte gedraging die is ingegeven door gevoelens van wraak of vergelding en niet voortkwam uit een noodzaak om zichzelf te verdedigen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Bij gemis aan een vastgestelde ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding direct voorafgaand aan of ten tijde van het tot tweemaal toe slaan met een afgebroken stuk van een betonband (met een gewicht van 1673 gram en een omvang van 12 bij 12,5 bij 9 cm) strandt ook het beroep op noodweerexces.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”

9. Het middel klaagt blijkens de toelichting allereerst dat het oordeel van het hof dat van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, (inclusief een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding) kort voor of tijdens de bewezenverklaarde handelingen geen sprake is geweest, onbegrijpelijk is, dan wel dat de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is omkleed.

10. Het hof heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat op het moment dat de verdachte aangever met een steen sloeg, sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daartoe heeft het hof - kort gezegd - overwogen dat de aangever was geknield op het moment waarop de verdachte hem tweemaal met een steen op zijn achterhoofd sloeg, dat deze gebogen houding er ook op duidt dat er sprake was van een door de verdachte aangevangen aanval, dat uit het roepen van de verdachte “Ik kan ook slaan” veeleer blijkt van een door de verdachte bewust verrichte gedraging die is ingegeven door gevoelens van wraak of vergelding en dat deze gedraging niet voortkwam uit een noodzaak om zichzelf te verdedigen. Dat oordeel, waarin het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat het handelen van de verdachte - naar de kern bezien – niet als verdedigend maar als aanvallend moet worden gezien,1 is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

11. Anders dan de steller van het middel meent, kan aan het voorgaande niet afdoen dat door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard dat de aangever haar voordat zij de bewezenverklaarde gedragingen pleegde al had geslagen, nu het hof die verklaring kennelijk niet geloofwaardig heeft geacht, maar ervan is uitgegaan dat direct voorafgaand aan of ten tijde van het tot tweemaal toe slaan met een afgebroken stuk van een betonband door de verdachte geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De steller van het middel meent voorts dat uit de als bewijsmiddel 2 gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende “Toen duwde [benadeelde] [de aangever, DP] mij van zich af en toen viel ik neer. Ik viel naast een steen en ik pakte die steen in mijn hand en sloeg hem met die steen op zijn hoofd.”, blijkt dat de verdachte de aangever heeft geslagen nadat zij zelf al was geslagen. Het kennelijke oordeel van het hof dat “wegduwen” iets anders is dan “slaan” acht ik niet onbegrijpelijk. De steller van het middel voert ten slotte aan dat “wegens de aard van de interactie tussen de verdachte en de aangever niet zonder meer valt aan te nemen dat er geen onmiddellijk dreigend gevaar meer heerste voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat in dat verband ook kan worden gewezen op de verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep dat zij zich “in het nauw gedrukt voelde”. Dat het hof die enkele omstandigheid kennelijk onvoldoende (geloofwaardig) heeft geacht voor het aannemen van een “onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding” acht ik in het geheel niet onbegrijpelijk. Het middel faalt in zoverre.

12. Het hof heeft het beroep op noodweerexces verworpen door te overwegen “dat bij gemis aan een vastgestelde ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding direct voorafgaand aan of ten tijde van het tot tweemaal toe slaan met een afgebroken stuk van een betonband, ook het beroep op noodweerexces strandt”. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, meen ik dat het hof met dit oordeel niet tot uitdrukking heeft gebracht dat er weliswaar een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is geweest, maar dat deze reeds geëindigd was op het moment dat de verdachte met de steen sloeg. Reeds daarom kan het middel niet slagen voor zover daarin wordt gesteld dat en waarom het hof in het kader van de beoordeling van het beroep op noodweerexces nog had moeten ingaan op de uit de verklaringen van de verdachte blijkende hevige gemoedsbeweging. Het middel faalt ook in zoverre.

13. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

14 Het tweede middel

15. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu daaruit niet kan volgen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

16. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.2

17. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt, voor zover van belang, het volgende. De verdachte heeft verklaard dat zij een steen in haar hand heeft gepakt en daarmee de aangever op zijn achterhoofd heeft geslagen en dat zij denkt dat zij hem twee keer heeft geslagen, dat zij naar hem schreeuwde en ook schreeuwde dat zij hem “ook kon slaan”. De aangever heeft verklaard dat hij, toen hij gebukt stond om de bijbel en een schoen op te pakken, “een harde klap” op zijn achterhoofd voelde, dat hij vervolgens een “hevige stekende pijn” voelde. Hij zakte door de klap door zijn benen, waardoor hij op zijn knieën viel. Hij voelde vervolgens nog een harde klap op zijn achterhoofd en voelde weer een hevige stekende pijn. Een verbalisant heeft op een door een getuige ter plaatse opgenomen filmopname gehoord dat de verdachte riep: “Zo ga je niet met vrouwen om” en “ik kan ook slaan” en gezien dat de verdachte enkele slaande bewegingen in de richting van de aangever maakte, dat zij hem een aantal malen raakte op zijn rug en een keer op zijn achterhoofd en dat de man nadien een donkere vlek had op zijn achterhoofd. Blijkens de bevindingen van een andere verbalisant woog de steen 1673 gram, was de steen 12 bij 12,5 bij 9 centimeter en leek de steen op een afgebroken stuk van een betonrand.

18. Het uitoefenen van uitwendig geweld op het (achter)hoofd kan ernstige gevolgen hebben3, zoals een hersentrauma en/of een schedelbreuk. Niet van iedere klap tegen het hoofd kan echter worden gezegd dat sprake is van een gedraging die naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat de rechter – bij het ontbreken van contra-indicaties – kan aannemen dat het niet anders kan zijn dan dat de dader de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Het uitdelen van een kopstoot is niet zonder meer voldoende om poging tot zware mishandeling aan te nemen.4 Het (krachtig) slaan met een hard voorwerp - zoals een massief houten, 1125 gram wegende blokschaaf5 of een houten stok6 - op het hoofd, of het kapot slaan van een fles tegen het achterhoofd7 daarentegen in de regel wel.8 Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de wijze waarop het geweld is aangewend, kan het uitoefenen van geweld op het hoofd zelfs een poging tot doodslag opleveren.9

19. De uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen, te weten dat de verdachte, terwijl de aangever gebukt stond, een zware steen heeft gepakt en de aangever daarmee tweemaal hard op zijn achterhoofd heeft geslagen, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het hof – bij het ontbreken van contra-indicaties – heeft kunnen aannemen dat het niet anders kan zijn dan dat er een aanmerkelijke kans was op het intreden van zwaar lichamelijk letsel en dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.

20. Het middel faalt derhalve.

21 Het derde middel

22. Het middel klaagt dat het hof de afwijzing van het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.

23. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mede:

Er is op 25 augustus 2017 een faxbericht bij het hof binnengekomen van de raadsvrouw waarin zij verzoekt om de getuigen [benadeelde] en [getuige 1] te horen. Het hof zal de zaak vandaag inhoudelijk behandelen. [benadeelde] is vandaag aanwezig en aan hem is door de griffier telefonisch medegedeeld dat hij vandaag als getuige zal worden gehoord. De raadsvrouw is hiervan ook per e-mail door de griffier op de hoogte gebracht. Op het verzoek om getuige [getuige 1] te horen, zal het hof nog een beslissing nemen.

(…)

De raadsvrouw deelt desgevraagd mede:

Het verzoek tot het horen van de tweede getuige wordt gehandhaafd. Deze getuige is erg belangrijk voor cliënt. Haar contact met de getuige [getuige 1] is toevallig ontstaan. Wat die vrouw heeft aangegeven is dat ze gezien heeft dat er wel degelijk geweldshandelingen zijn verricht door [benadeelde] . Gelet op het beroep op noodweerexces is deze getuige van belang.

Het verzoek voldoet mijn inziens aan het noodzaakcriterium. Als de verdediging eerder had geweten dat deze getuige dit heeft gezien, dan had ik het verzoek eerder aan het hof voorgelegd.

Ik ben ermee akkoord dat het hof bij arrest of tussenarrest op dit verzoek beslist.”

24. Het hiervoor in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep bedoelde faxbericht van 25 augustus 2017 bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Het bericht houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“De reden dat verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis d.d. 14 oktober 2015 van de Rechtbank Midden-Nederland is omdat zij het niet eens is met de bewezenverklaring en/of uitkomst van de strafzaak. Verdachte stelt zich op het standpunt (kort gezegd) dat er sprake is geweest van de verdediging van haar eigen lijf en/of dat het gedrag en het handelen van [benadeelde] op 27 mei 2015 een bepaalde gemoedsbeweging bij haar veroorzaakte en dat de aan verdachte verweten gedraging vanuit en/of vanwege die gemoedsbeweging heeft plaats gevonden.

In verband met dit standpunt wordt verzocht een getuige te horen. Het betreft een persoon die nog niet eerder in deze zaak is gehoord. Verdachte geeft aan deze getuige (een vrouw) een aantal maanden geleden per toeval te zijn tegengekomen bij de kinderboerderij gelegen in de wijk [A] te [plaats]. Deze vrouw was op dat moment aan het werk bij de kinderboerderij. De vrouw zou verdachte hebben aangesproken en naar later uit het gesprek bleek zou zij getuige zijn geweest van de ruzie tussen verdachte en [benadeelde] (d.d. 27 mei 2015). De vrouw zou hebben gezien dat [benadeelde] eerst de vrouw aanraakte/duwde.

Verdachte heeft de vrouw gevraagd of zij bereid is een getuigenverklaring af te leggen. De vrouw zou hebben aangegeven dit niet te willen. Verdachte heeft lang getwijfeld wat te doen met deze informatie en het feit dat de vrouw heeft aangegeven geen getuigenverklaring te willen afleggen. Uiteindelijk heeft verdachte besloten dat zij wil dat deze vrouw wél gehoord gaat worden.

Het is voor verdachte van groot belang dat uw Hof alle feiten en omstandigheden van de situatie kent om - gelet op het standpunt van verdachte en ook verwijzend naar de inhoud van het Pro Justitia rapport d.d. 29 juli 2015 (waarin o.a. is te lezen dat er bij verdachte o.a. sprake is van PTSS) - een juiste beslissing te kunnen nemen.

Het is verdachte (onlangs) gelukt om de naam van de getuige te achterhalen. De naam van de getuige zou zijn: [getuige 1] (uit [plaats]). Verdachte geeft aan dat de vrouw blond haar heeft, een bril draagt, een beetje gezet postuur heeft en zij schat dat de vrouw tussen de 30-35 jaar oud is.”

25. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Verzoek horen getuige

De raadsvrouw heeft bij faxbericht van 25 augustus 2017 een verzoek tot het horen van getuige mevrouw [getuige 1] (uit [plaats]) gedaan. Deze getuige is nog niet gehoord door de politie. Verdachte stelt bij toeval met [getuige 1] in contact te zijn gekomen en dat [getuige 1] haar heeft verteld dat zij getuige is geweest van de ruzie tussen verdachte en aangever. Deze getuige zou hebben gezien dat aangever eerst verdachte heeft aangeraakt/geduwd. Verdachte zegt dat de getuige niet bereid is om vrijwillig een getuigenverklaring af te leggen. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof het verzoek tot het horen van deze getuige gehandhaafd.

Het hof heeft reeds hiervoor overwogen dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever op het moment dat verdachte aangever met de steen sloeg, welk oordeel mede is gebaseerd op de verklaring van een onafhankelijke getuige en beelden van een filmpje dat met een mobiele telefoon is gemaakt. Het hof acht tegen deze achtergrond dat van de noodzaak tot het horen van genoemde [getuige 1] niet is gebleken, ook niet door hetgeen door de verdediging daaromtrent naar voren is gebracht. Het verzoek wordt afgewezen.”

26. Met zijn oordeel dat en waarom er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever op het moment dat de verdachte de aangever met de steen sloeg en dat er daarom geen noodzaak is tot het horen van de getuige [getuige 1] , heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en het hof de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor van [getuige 1] niet is gebleken. Anders dan de steller van het middel meent, kan van deze gemotiveerde afwijzing niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuige zou kunnen verklaren.10 Mede gelet op hetgeen aan het verzoek tot het horen van [getuige 1] ten grondslag is gelegd, hetgeen niet veel meer inhoudt dan dat [getuige 1] “zou hebben gezien dat de aangever eerst de verdachte aanraakte dan wel duwde”, acht ik het oordeel van het hof dat en waarom van de noodzaak tot het horen van [getuige 1] niet is gebleken, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

27. Het middel faalt.

28 Het vierde middel

29. Het middel klaagt dat het hof de art. 138b, 365a en 415 Sv heeft geschonden doordat het hof de (gronden voor de) afwijzende beslissing van het verzoek tot het oproepen van de getuige [getuige 1] in de aanvulling van het verkort arrest heeft opgenomen.

30. De aanvulling op het verkorte arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Nader betreffende getuige [getuige 1]

In het arrest op pagina 4 wijst het hof op grond van het noodzaakcriterium het alsnog horen van getuige [getuige 1] af. In de motivering wordt verwezen naar een onafhankelijke getuige die met zijn mobiele telefoon een filmpje van het incident heeft opgenomen en ter beschikking heeft gesteld van de politie. Het hof heeft hierbij het oog gehad op getuige [getuige 2] . Zie in dit verband pv PL0900-2015161603-6.

Door brigadier [verbalisant] is dit filmpje bekeken en beschreven in een proces-verbaal van bevindingen. Zie in dit verband pv PL0900-2015161603-10. Met name uit de inhoud van bewijsmiddel 5, heeft het hof afgeleid dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever op het moment dat verdachte aangever met de steen op het hoofd sloeg. Bezien in dat licht is er geen noodzaak, mede gelet op de summiere onderbouwing van het verzoek, om de verzochte getuige alsnog te horen.”

31. Ik stel het volgende voorop. Ingevolge art. 138b Sv wordt onder een verkort arrest verstaan een vonnis waarin noch de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid 1 Sv, noch de redengevende feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in art. 359 lid 3 Sv zijn opgenomen. Uit de ontstaansgeschiedenis van art. 138b en 365a Sv volgt dat de wetgever er de voorkeur aan heeft gegeven dat ten tijde van de uitspraak een volledig uitgewerkt vonnis of arrest voorhanden is, maar dat de rechter niettemin bevoegd is voorshands te volstaan met een verkort vonnis of arrest. In het verkorte vonnis of arrest moeten onder meer de beslissingen zijn opgenomen ten aanzien van op de terechtzitting door of namens de verdachte gedane verzoeken waarop de rechter op straffe van nietigheid gehouden is bepaaldelijk een beslissing te geven, voor zover daarop niet reeds ter terechtzitting is beslist.11 Kennelijke misslagen of omissies hieromtrent kunnen niet in de aanvulling op het verkorte arrest worden verbeterd.12 Indien tegen een verkort arrest een gewoon rechtsmiddel is aangewend, wordt het arrest op grond van art. 365a Sv aangevuld met de bewijsmiddelen bedoeld in art. 359 lid 3 Sv. Met de term ‘aanvullen’ heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat de verkorte uitspraak op alle overige punten aan de wettelijke eisen moet voldoen en niet op andere onderdelen dan de bewijsmiddelen en de redengevende omstandigheden kan worden aangevuld of gewijzigd.13 Een beslissing op een getuigenverzoek hoort dan ook thuis in het verkorte arrest zelf, en niet (ook) in de aanvulling op het verkorte arrest. De Hoge Raad oordeelde echter in 201214 dat de verdachte bij vernietiging op de enkele grond dat de beslissing op een getuigenverzoek ten onrechte niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond, niet tot vernietiging van het bestreden arrest noopt, nu de verdachte daarbij onvoldoende in rechte te respecteren belang heeft. De verdachte kan immers de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing op het voorwaardelijk getuigenverzoek in volle omvang aan de Hoge Raad voorleggen. Laat hij na inhoudelijke klachten te formuleren tegen deze beslissing, dan zal in voorkomende gevallen de klacht met art. 81 lid 1 RO kunnen worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO.

32. Anders dan het geval was in het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 6 november 2012, heeft het hof in de onderhavige zaak zijn beslissing op het getuigenverzoek in het verkorte arrest zelf opgenomen, en heeft het zijn beslissing dat en waarom het verzoek tot het horen van [getuige 1] moet worden afgewezen – zoals naar aanleiding van het derde middel is besproken: begrijpelijk en voldoende gemotiveerd – verworpen. In de aanvulling op het arrest heeft het hof daar nog een nadere overweging aan gewijd. Nu, gelet op het arrest van de Hoge Raad uit 2012, de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het bestreden arrest op de enkele grond dat het hof zijn verwerping van het getuigenverzoek in de aanvulling op het verkorte arrest heeft aangevuld, faalt het middel in zoverre.

33. De steller van het middel klaagt voorts dat het hof in de nadere overweging aan de afwijzing van het verzoek een grond heeft toegevoegd, te weten de summiere onderbouwing van het verzoek tot oproeping van de getuige. “Dit oordeel – dat kennelijk de uitkomst van de beraadslaging beter weer geeft – is daarmee anders dan het oordeel dat in het verkort arrest is terecht gekomen”, aldus de toelichting op het middel. Dit zou nietigheid van het arrest tot gevolg hebben.

34. Ik begrijp de door het hof in zijn aanvulling op het verkorte arrest opgenomen overweging onder het kopje “nader betreffende getuige [getuige 1] ” aldus, dat het hof daarin zijn reeds in het verkorte arrest gegeven oordeel dat en waarom het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1] moet worden afgewezen (zie hiervoor onder 25), nader uitlegt. Het hof geeft daarin immers – kort gezegd - aan in welk specifiek bewijsmiddel het in het verkorte arrest bedoelde “filmpje” is opgenomen en dat het hof met name uit de inhoud van dit filmpje heeft afgeleid dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de aangever, en voorts dat de noodzaak tot het horen van [getuige 1] niet bestaat, gelet op de summiere onderbouwing van het getuigenverzoek. Dat het hof zijn verwerping van het noodweerverweer mede had gegrond op dit filmpje blijkt overigens al uit het verkorte arrest zelf. Ook blijkt daar al uit dat het hof bij zijn beoordeling hetgeen door de verdediging omtrent het verzoek naar voren is gebracht, heeft betrokken. Het hof geeft met andere woorden in zijn aanvulling op het verkorte arrest geen ander oordeel over het getuigenverzoek, maar verduidelijkt de gronden die reeds in het verkorte arrest aan de verwerping van dit verzoek ten grondslag zijn gelegd. Nu ik meen dat de afwijzing van het verzoek om [getuige 1] te horen zoals weergegeven in het verkorte arrest begrijpelijk en toereikend gemotiveerd is, kan deze – weliswaar op zich niet toelaatbare – nadere overweging inzake de beslissing met betrekking tot een getuigenverzoek buiten beschouwing worden gelaten15 en meen ik dat het opnemen van deze nadere overweging in de aanvulling op het verkorte arrest niet tot cassatie behoeft te leiden.

35. Het middel faalt.

36 Het vijfde middel

37. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

38. Namens de verdachte is op 19 september 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 augustus 2018 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim drie maanden is overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Het middel is daarmee terecht voorgesteld. Gelet echter op de aard en de hoogte van de opgelegde straf16 zal de Hoge Raad deze niet hoeven te verminderen, maar kunnen volstaan met de constatering van de overschrijding.

39. Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt maar hoeft niet tot cassatie te leiden.

40. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

41. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Plv. AG

1 Vgl. onder meer het overzichtsarrest over noodweer(-exces) HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.3.

2 Vgl. onder meer HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Buruma, rov. 3.6.

3 Vgl. HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2145, NJ 2005/61, m.nt. Y. Buruma, r.o. 3.3.

4 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2715.

5 In HR 12 mei 1964, ECLI:NL:HR:1964:AB4549, NJ 1965/26 oordeelde de Hoge Raad dat, indien iemand met behulp van een massief houten, 1125 gram wegende, zogenaamde blokschaaf een ander met kracht en geweld verscheidene slagen en klappen op en tegen het hoofd en den schedel geeft, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de dader heeft beseft, dat zwaar lichamelijk letsel aan het hoofd en den schedel van het slachtoffer het daarvan te verwachten gevolg zou zijn”.

6 HR 23 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:311 (art. 81.1 RO).

7 HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2187, NJ 2016/436 en HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:2115 (art. 81.1 RO).

8 Vgl. ook mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie van 3 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:279, nr. 5.7. Vlg. ook HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9288 (art. 81.1 RO).

9 Vgl. onder meer HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3638.

10 Vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. Kooijmans onder 3.4 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 onder 2.8.

11 Vgl. HR 23 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3254 en HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075, NJ 2013/143, m.nt. J.M. Reijntjes.

12 Vgl. o.m. HR 28 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1584, NJ 2003/168 (herstel misslag in kwalificatie en aan te halen wetsbepaling).

13 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1994-1995, 23 989, nr. 3, pp. 7, 13.

14 HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8075, NJ 2013/143, m.nt. J.M. Reijntjes.

15 Vlg. onder meer HR 13 juni 2000, ECLI:NL:HR:ZD1904, NJ 2000/523. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verwerping op het ne-bis-in-idem verweer in het verkorte arrest in plaats van in de aanvulling daarop had moeten opnemen, maar dat dit niet tot cassatie leidt nu het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen.

16 Er is immers een taakstraf van minder dan honderd uren opgelegd. Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 rov. 3.6.2 onder C.