Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:293

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17/03975
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:784
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Art. 312 Sr. Medeplegen van diefstal met geweldpleging? Strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de inzendtermijn en verwerping van het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03975

Zitting: 26 maart 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 11 augustus 2017 de verdachte veroordeeld ter zake van ‘diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals in het arrest vermeld.

  2. Namens de verdachte hebben mr. P. van Dongen en mr. R.J. Baumgardt, advocaten te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen, meer in het bijzonder over het oordeel dat sprake is geweest van een “nauwe en bewuste samenwerking” tussen de verdachte en de medeverdachten van de overval.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 31 oktober 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (ten bedrage van ongeveer 38.000 euro), toebehorende aan de Plusmarkt (filiaal [a-straat 1] ) welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] (hoofdcaissière van voornoemde Plusmarkt) en werkzaam bij voornoemde Plusmarkt, en medewerkers werkzaam bij voornoemde Plusmarkt en klanten van voornoemde Plusmarkt, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld bestond uit het

- betreden van voornoemde Plusmarkt met een bivakmuts op het gezicht en

- tonen en voorhouden aan voornoemde medewerkers en klanten van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en/of een kapmes,

- onder bedreiging van voornoemd (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en kapmes voornoemde medewerkers en klanten dwingen naar de kantine van voornoemde Plusmarkt te gaan en daar plaats te nemen en de handen in de lucht te doen en

- onder bedreiging van voornoemd (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) tegen voornoemde medewerkers en klanten roepen en/of zeggen: “waar is de kluis” en “wie heeft de sleutel”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- onder bedreiging van voornoemd (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) die [slachtoffer 1] dwingen (mee) te rennen naar het kaskantoor en de deur van het kaskantoor te openen.”

5. De bewezenverklaring steunt op de (26) bewijsmiddelen zoals in de bijlage op het arrest van het hof opgenomen.

6. ’s Hofs nadere bewijsoverweging luidt als volgt (onderstreept in het origineel):

“Op woensdag 31 oktober 2012 zijn omstreeks 21.00 uur drie onbekend gebleven personen met gezichtsbedekkende kleding de Plusmarkt, gevestigd aan de [a-straat 1] te Rotterdam, binnengetreden. Deze drie personen hebben de in de winkel aanwezige medewerkers en klanten onder bedreiging van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en een kapmes gedwongen om naar de kantine te gaan, daar plaats te nemen en hun handen in de lucht te steken. Hoofdcaissière [slachtoffer 1] is vervolgens onder bedreiging van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) gedwongen mee te rennen naar het kaskantoor en de deur van het kaskantoor te openen. De deur van de kluis in het kaskantoor stond open en de daders hebben een geldbedrag van ongeveer € 38.000,- weggenomen. Vervolgens hebben zij de Plusmarkt via de zijdeur in het magazijn verlaten.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de verdachte als medepleger van dan wel als medeplichtige aan deze overval kan worden aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

De verdachte heeft een paar weken voorafgaand aan de ten laste gelegde overval geprobeerd om verschillende jongens over te halen om een overval te plegen op de Plusmarkt gevestigd aan [a straat] te Rotterdam. De verdachte gaf hierbij gedetailleerde informatie over de kluis – onder andere over een tijdslot op de kluis – en de hoeveelheid geld die hierin aanwezig zou zijn. Daarbij heeft de verdachte verteld op welke dag de overval moest plaatsvinden, te weten woensdagavond, en wat de jongens zelf dienden te regelen voor de overval. De verdachte had voorts verteld dat hij de beveiligingscamera's uit zou zetten, de zijdeur zou openlaten en zelf zou meespelen. De verdachte zei dat hij een aandeel in de opbrengst van deze overval wilde ontvangen.

Het voorgaande leidt het hof af uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] en de broers [getuigen] .

Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] , de bedrijfsleider van de Plusmarkt, die heeft verklaard dat een jongen hem één à twee weken voor de gepleegde overval had verteld dat de verdachte hem en zijn vrienden had gevraagd om een overval te plegen op de supermarkt. [slachtoffer 2] had de gegevens van deze jongen genoteerd: [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ). Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat in het kantoor – dat alleen toegankelijk is voor personeel en beveiliging van de winkel - een lijst met de weekopbrengst hing. Dit waren bedragen tussen de € 80.000,- en € 100.000,-. De bedragen op de lijst betroffen de weekopbrengst inclusief de pintransacties. Deze bedragen komen overeen met de bedragen die [getuige 1] en [getuige 4] hebben genoemd. Voorts blijkt dat er een tijdslot op de kluis zat en dat de opbrengst iedere week op donderdagochtend werd opgehaald door Brinks. De getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat de verdachte ervan op de hoogte was dat Brinks de opbrengst op donderdag ophaalde.

Verder staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte drie personen met gezichtsbedekkende kleding de winkel heeft binnengelaten. Hiertoe overweegt het hof het volgende.

Op de bewakingsbeelden van de Plusmarkt is te zien dat de verdachte omstreeks 20:55:50 uur (het hof begrijpt dat dit omstreeks 20:57:46 uur zou moeten zijn) vermoedelijk een telefoongesprek voerde aangezien hij zijn rechterhand circa 20 seconden tegen zijn oor hield. Omstreeks 20:56:15 uur (het hof begrijpt dat dit omstreeks 20:58:11 uur zou moeten zijn) bewoog de gesloten schuifdeur licht, waarna de verdachte voor deze schuifdeur ging staan en naar buiten keek. Nadat de verdachte naar buiten keek, opende hij. handmatig de schuifdeur van de winkel. Direct na het opengaan van de schuifdeuren rende een persoon met een bivakmuts op zijn hoofd naar binnen (verdachte 1). Direct achter verdachte 1 rende een tweede persoon (verdachte 2) de winkel in die zijn gelaat nader bedekte door iets over zijn kin omhoog te trekken. Direct achter verdachte 2 rende een derde persoon de winkel in (verdachte 3) . Verdachte 3 droeg een zwartkleurige bivakmuts en trok zwartkleurige handschoenen aan.

Uit de beelden van cameratoezicht – die de schuifdeur van de Plusmarkt vanuit de buitenzijde in beeld brengen – blijkt dat er omstreeks 20:57:38 uur drie personen links in beeld verschenen die korte tijd voor de Plusmarkt wachtten. Vervolgens ging één van de drie personen voor de schuifdeuren van de Plusmarkt staan en op de beelden is te zien dat hij omstreeks 20:58:11 uur trachtte de schuifdeuren te openen. Op dat moment voegden de andere twee personen zich bij hem. Vervolgens verscheen er omstreeks 20:58:15 uur aan de andere zijde van de schuifdeur een persoon in beeld. Op de beelden is vervolgens te zien dat de persoon die aan de binnenzijde van de schuifdeur stond even naar links liep (het hof begrijpt: bezien van buitenaf). Omstreeks 20:58:19 uur gingen 3 personen de Plusmarkt binnen. Gelet op de beelden van cameratoezicht in combinatie met de bewakingsbeelden van de Plusmarkt kan worden vastgesteld dat de persoon die omstreeks 20:58:15 uur in beeld verscheen de verdachte betreft.

Getuige [getuige 6] , die zijn boodschappen aan het afrekenen was bij de kassa, heeft verklaard dat hij een lang persoon met een bivakmuts op aan de buitenzijde van de Plusmarkt zag staan. Enkele ogenblikken later zag hij dat drie mannen met bivakmutsen op binnenkwamen en dat de toegangsdeur open was.

Getuige [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij keihard gebonk op de deur hoorde, dat zij zag dat de deur gesloten was en dat zij vingers/handen tussen de schuifdeur zag die probeerden de deur open te krijgen. Zij kon het gedeelte van zijn borst zien. Hij droeg donkere kleding. Zij zag dat de verdachte voor de deur stond en een stap naar voren deed en zijn handen langs zijn hoofd deed om beter te kijken. Zij zag dat de verdachte keek, een stap naar achteren deed en de deur opendeed door op het knopje te drukken. Voorts heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij, als zij rond sluitingstijd bij de toegangsdeur van de Plus supermarkt staat, altijd goed kan zien of er nog klanten kwamen en hoe zij eruit zagen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij op 31 oktober 2012 geen zicht had over de hele straat, maar dat hij wel personen voor de deur van de winkel kon zien. Voorts heeft hij verklaard dat je buiten kunt zien als je dichterbij staat.

Uit de stills van de camerabeelden in het dossier en de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat de verdachte dicht bij de schuifdeuren stond toen hij omstreeks 20:58:15 uur naar buiten keek.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte mannen met gezichtsbedekkende kleding die dichtbij elkaar stonden voor de deur heeft gezien, voordat hij de schuifdeur van de winkel opende.

De raadsman heeft overeenkomstig zijn ter terechtzitting van 28 juli 2017 overgelegde pleitnota verzocht om – indien het hof aanneemt dat de verdachte de mannen met gezichtsbedekkende kleding wel moet hebben gezien – een schouw onder dezelfde omstandigheden te laten plaatsvinden of een deskundige van het NFI te benoemen die meer kan zeggen over reflecties en zicht ten opzichte van glazen oppervlakten.

Het hof wijst dit verzoek af, nu de noodzaak daartoe, gelet op de motivering die de raadsman aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, niet is gebleken. Het hof acht zich voldoende voorgelicht door hetgeen zich reeds in het dossier bevindt, waaronder de voormelde verklaringen van de verdachte en de getuige [slachtoffer 1] .

Voorts overweegt het hof dat uit de telefoongegevens van de verdachte in combinatie met de verklaring van [getuige 5] kan worden afgeleid dat de verdachte kort voorafgaand aan de overval telefonisch contact heeft gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer] .

Tussen 20:18:37 uur en 21:09:33 uur werden door dit nummer masten aangestraald in de omgeving van de plaats delict. [getuige 5] heeft verklaard dat hij rond de overval is gebeld door een jongen met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Deze jongen zei tegen [getuige 5] : "Het is klaar".

Uit de historische verkeersgegevens van verschillende mobiele telefoonnummers blijkt dat op 31 oktober 2012 om 21:03:54 uur met dat telefoonnummer werd gebeld naar het telefoonnummer dat werd gebruikt door [getuige 5] . [getuige 5] heeft verklaard dat hij die middag ook contact had gehad met dat nummer. De jongen die [getuige 5] belde had zijn nummer van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) gekregen en de jongen vertelde [getuige 5] dat hij de overval ging plegen op de Plus. [getuige 5] heeft voorts verklaard dat [verdachte] hem een week na de overval heeft gezegd dat dit een van de jongens was die de overval hadden gepleegd.

Het hof is van oordeel dat uit de voormelde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte voorafgaand aan de ten laste gelegde overval personen heeft benaderd om een overval op de Plusmarkt te plegen, dat hij hiertoe gedetailleerde informatie aan deze personen heeft verschaft, dat hij zou meespelen en dat hij heeft aangegeven dat hij een aandeel in de opbrengst wilde, dat de verdachte op 31 oktober 2012 kort voorafgaand aan de overval telefonisch contact heeft gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer] (dat naar het hof uit het voorgaande afleidt het telefoonnummer was van de vermoedelijke overvallers) en dat de verdachte op 31 oktober 2012 bewust de toegangsdeur heeft geopend voor de drie overvallers.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de, voor medeplegen vereiste, voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde [is] naar het oordeel van hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.”

7. In de kern klaagt het middel dat uit de door het hof vastgestelde handelingen/gedragingen van de verdachte niet, althans onvoldoende, kan worden afgeleid dat die het karakter droegen van een met de medeverdachten gezamenlijk ondernomen feit en daarmee van een gezamenlijke uitvoering. Die handelingen/ gedragingen plegen veelal “met medeplichtigheid in verband te worden gebracht”, aldus het middel. Dat geldt te meer nu ’s hofs vaststellingen niets inhouden over de verwikkelingen ná de overval en omdat de rechtbank op grond van dezelfde feiten en gedragingen van de verdachte heeft geoordeeld dat géén sprake is van medeplegen, maar van medeplichtigheid, aldus het middel.

8. Bij de beoordeling van het middel stel ik volgende voorop. In zijn overzichtsarresten inzake de deelnemingsvormen medeplegen en medeplichtigheid van 5 juli 2016, waaronder ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 m.nt. N. Rozemond, overweegt de Hoge Raad, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende. Allereerst herhaalt het de in zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P. Mevis, gegeven algemene overwegingen over het medeplegen. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij kwam in die arresten aan bod de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid, meer in het bijzonder met het oog op de gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Daaromtrent heeft de Hoge Raad overwogen dat een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken. De rechter dient in een dergelijk geval te beoordelen of de door verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. In zijn arrest uit 2016 oordeelde de Hoge Raad dat de vraag of aan deze eis is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt. Hieromtrent zijn geen algemene regels te geven, maar is slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid te verschaffen door het formuleren van aandachtspunten zoals hiervoor genoemd en door het beslissen in concrete gevallen. In die concrete gevallen kan een en ander leiden tot een moeilijke afweging bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen. Daaraan valt niet te ontkomen, omdat er altijd zogenoemde grensgevallen zullen zijn. De toetsing in cassatie wordt overigens sterk gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.1

9. Blijkens de bewijsvoering heeft het hof in de onderhavige geval het volgende vastgesteld. Op 31 oktober 2012 zijn drie onbekend gebleven personen met gezichtsbedekende kleding de Plusmarkt te Rotterdam binnengetreden en hebben daar de aanwezigen onder bedreiging van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) gedwongen naar de kantine te gaan, waarna de caissière, eveneens onder bedreiging van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), is gedwongen de kluis te openen en voornoemde personen een geldbedrag van ongeveer € 38.000,- hebben weggenomen. Het hof ziet zich daarop voor de vraag gesteld of de verdachte als medepleger, dan wel als medeplichtige aan deze overval kan worden aangemerkt. Het hof vangt aan met een bespreking van het relevante juridische kader dat, hoewel daarover ook niet wordt geklaagd, gezien hetgeen ik onder randnummer 8 heb vooropgesteld niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarop vastgesteld dat uit de verklaringen van de getuigen volgt dat de verdachte heeft geprobeerd verschillende jongens over te halen om een overval te plegen op de Plusmarkt te Rotterdam. De verdachte heeft gezien die getuigenverklaringen gedetailleerde informatie gegeven over (het slot van) de kluis, de hoeveelheid geld die hierin aanwezig zou zijn, op welke dag de overval plaats zou moeten gaan vinden en wat deze jongens zelf zouden moeten regelen voor die overval. Daarbij heeft hij volgens het hof aangegeven dat hij de beveiligingscamera’s uit zou zetten, de zijdeur zou openlaten en zelf zou meespelen. Hiervoor wilde de verdachte een deel van de opbrengst van deze overval ontvangen, aldus het hof. Deze verklaringen worden ondersteund door die van de getuige [slachtoffer 2] , de bedrijfsleider van de Plusmarkt te Rotterdam. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij personen voor de winkel zag staan en dat je naar buiten kunt kijken als je dicht bij die deur staat. Uit de camerabeelden en de verklaring van de caissière [slachtoffer 1] blijkt volgens het hof dat de verdachte dicht bij de deur stond én naar buiten keek. Volgens het hof staat, mede gezien de bewakingsbeelden van de Plusmarkt te Rotterdam en de beelden van cameratoezicht – die de schuifdeur van de Plusmarkt te Rotterdam vanuit de buitenzijde in beeld brengen – dan ook vast dat de verdachte bij de schuifdeur in de winkel stond en die heeft opengedaan voor de drie personen die buiten stonden, waarna die personen via die schuifdeur naar binnen zijn gekomen. Dat volgt volgens het hof ook uit de verklaringen van getuige [getuige 6] , die zijn boodschappen stond af te rekenen, en die van de caissière, [slachtoffer 1] . Ook neemt het hof in aanmerking de in het dossier aanwezige telefoongegevens van de verdachte in combinatie met de verklaring van de getuige [getuige 5] . De verdachte heeft kort voor de overval (telefonisch) contact gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer] . De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij rond de tijd van de overval door dit nummer is gebeld en dat hem door de beller is gezegd “het is klaar”. Ook uit de telefoongegevens blijkt dat rond die tijd met voornoemd telefoonnummer is gebeld naar het telefoonnummer van [getuige 5] . [getuige 5] verklaart voorts dat hij de middag vóór de overval ook door dit nummer is gebeld en dat de beller hem heeft gezegd dat hij [getuige 5s] nummer van de verdachte had gekregen en dat hij die avond een overval op de Plusmarkt te Rotterdam zou gaan plegen. Tot slot heeft [getuige 5] verklaard dat de verdachte hem een week ná de overval heeft gezegd dat de zojuist genoemde beller één van de jongens was die de overval op de Plusmarkt te Rotterdam had gepleegd. Het hof leidt uit het voorgaande af dat:

- de verdachte voorafgaand aan de overval personen heeft benaderd om de overval op de Plusmarkt te plegen;

- de verdachte hiertoe gedetailleerde informatie aan deze personen heeft verschaft;

- de verdachte zou meespelen tijdens de overval;

- de verdachte hiervoor een aandeel in de opbrengst van de overval wilde hebben;

- de verdachte kort voorafgaand aan de overval telefonisch contact heeft gehad met een van de vermoedelijke overvallers, en

- de verdachte bewust de toegangsdeur heeft geopend voor de drie overvallers.

Op grond van de genoemde vaststellingen is het hof van oordeel dat “de, voor medeplegen vereiste, voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan”. Het overweegt dat de bijdrage van de verdachte van zodanig gewicht is dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

10. De steller van het middel klaagt dat voornoemd oordeel niet voldoende met redenen is omkleed, aangezien de door het hof vastgestelde handelingen in verband plegen te worden gebracht met medeplichtigheid en niet met medeplegen. Ik deel dit standpunt niet. Hoewel de verdachte een geringe rol in de uitvoering van de overval heeft gehad, heeft het hof op grond van zijn vaststellingen geoordeeld dat verdachtes handelingen van zodanig gewicht zijn dat desalniettemin sprake is van medeplegen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen de (grote) rol en intellectuele bijdrage van de verdachte in de voorbereiding van de overval, de wijze waarop hij die overval heeft geregisseerd, het contact dat hij voor en tijdens de overval met de plegers daarvan heeft gehad en het aandeel dat hij zou krijgen van de geldelijke buit van die overval. De hieromtrent aan te leggen toets in cassatie wordt gezien hetgeen ik onder randnummer 8 heb vooropgesteld gekleurd door de precieze bewijsvoering van het hof. In het onderhavige geval heeft het hof niet onbegrijpelijk en zeer uitgebreid gemotiveerd geoordeeld dat de verdachte als mededader kan worden aangemerkt aangezien uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de daders van de overval. Dat oordeel is, gezien hetgeen al het voorgaande, voldoende met redenen omkleed. Daaraan doet niet af dat de rechtbank tot een ander oordeel is gekomen, noch dat het hof niets zou hebben vastgesteld inzake de ontwikkelingen ná de overval. Indien het medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, moet, om tot het oordeel te komen dat daarvan desondanks sprake is, uit het oordeel van het hof blijken dat de rol van de verdachte van voldoende gewicht is. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van ’s hofs motivering hieromtrent. Daarbij kúnnen de ontwikkelingen ná het plegen van een strafbaar feit een rol spelen, maar vereist is dat niet. Het middel faalt.

11. Het eerste middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de redelijke (inzend)termijn.

13. Namens de verdachte is op 11 augustus 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 30 april 2018 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De termijn voor het inzenden van de stukken (van de niet preventief gehechte verdachte) naar de Hoge Raad bedraagt acht maanden. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met afgerond drie weken is overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Het middel is daarmee terecht voorgesteld.

14. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt en dient tot strafvermindering te leiden.

15. Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie: HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 (overzichtsarrest), NJ 2016/413 m.nt. N. Rozemond. Zie ook HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716.