Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:291

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17/04657
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:908
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Art. 6 EVRM. Aangeefster is inmiddels overleden en is niet gehoord door de verdediging. Schending ondervragingsrecht? Kan verklaring worden gebezigd tot het bewijs? Erfgenamen recht op vergoeding van immateriële schade? Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2019/110 met annotatie van Oort, C. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04657

Zitting: 26 maart 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 7 september 2017 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 04-850147-12 wegens het subsidiair bewezen verklaarde opleverende “poging tot zware mishandeling” en in de zaak met parketnummer 03-700010-14 wegens 1 subsidiair “mishandeling”, 2 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en 4 “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van € 1.256,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, in combinatie met de maatregel op de voet van artikel 36f Sr, te vervangen door 22 dagen hechtenis.

  2. De verdachte heeft het cassatieberoep laten instellen. Namens de verdachte heeft mr. M.J.M. Houben, advocaat te Thorn, een schriftuur met twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat (i) het niet kunnen horen van aangeefster niet resulteert in een schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder d, EVRM en dat (ii) bovendien voldoende compensatie zou zijn geweest voor het nadeel dat de verdachte ondervindt voor het niet kunnen (doen) horen van aangeefster en dat daarom haar verklaring wordt gebezigd tot het bewijs.

  4. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 04-850147-12 subsidiair bewezen verklaard dat:

“hij op 27 oktober 2011 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met zijn knieën bovenop genoemde [slachtoffer] is gaan zitten terwijl genoemde [slachtoffer] op een bed lag en met kracht een sjaal rondom de nek van genoemde [slachtoffer] heeft aangedraaid waardoor voornoemde [slachtoffer] moeilijk adem kon halen en de afvoer van het bloed uit het hoofd werd afgesloten en een hand op de mond en neus van genoemde [slachtoffer] heeft gedrukt waardoor voornoemde [slachtoffer] geen lucht meer kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

5. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ten aanzien van de zaak met parketnummer 04-850147-12 vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde bepleit. Hetgeen daarvoor is aangevoerd, is – voor zover hier van belang - door het hof in zijn arrest aldus samengevat:

“De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte vrij zal spreken van het in de zaak met parketnummer 04-850147-12 subsidiair ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het recht van de verdediging om getuigen à charge te (doen) ondervragen als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder d EVRM is geschonden, nu aangeefster [slachtoffer] door haar overlijden niet meer als getuige kan worden gehoord. Nu de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest aangeefster [slachtoffer] te ondervragen dient de in de aangifte door haar afgelegde verklaring te worden uitgesloten van het bewijs, waardoor niet langer is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum. De verklaring van [slachtoffer] is bovendien aan te merken als onbetrouwbaar, aldus de verdediging.”

6. Het hof heeft het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van aangeefster wegens schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder d EVRM dan wel wegens de onbetrouwbaarheid van deze verklaring, als volgt verworpen (zonder weergave van voetnoten):

“Aangeefster [slachtoffer] heeft op 29 oktober 2011 aangifte tegen verdachte gedaan en heeft in dat kader tegenover de politie een voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Op 15 maart 2012 heeft [slachtoffer] geprobeerd haar aangifte in te trekken, waarbij zij heeft opgemerkt dat hetgeen zij in haar aangifte heeft verklaard wel degelijk is gebeurd. Op 3 april 2012 heeft [slachtoffer] wederom te kennen gegeven dat zij haar aangifte wilde intrekken. Hierbij is zij niet inhoudelijk teruggekomen op haar eerder afgelegde belastende verklaring. Blijkens een emailbericht heeft de poortraadsheer van dit hof op 12 februari 2016 aan de verdediging laten weten dat het verzoek om (onder andere) [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris als getuige te laten horen was toegewezen. Echter, voordat dit getuigenverhoor heeft plaatsgevonden is [slachtoffer] - blijkens een akte van overlijden - op 12 oktober 2016 overleden.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdediging haar ondervragingsrecht door het overlijden van [slachtoffer] niet heeft kunnen uitoefenen. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat dit niet resulteert in een schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder d EVRM. Zo is de verklaring van aangeefster [slachtoffer] niet het enige of beslissende bewijs in de onderhavige zaak. De verklaring van [slachtoffer] vindt immers steun in de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder in de constatering van het letsel door een huisarts en twee verbalisanten, in de getuigenverklaring van [getuige 1] en in de verklaring van verdachte, voor zover die inhoudt dat hij en [slachtoffer] op 27 oktober 2011 een heftige ruzie hebben gehad in zijn woning aan de [a straat] in Roermond. Bovendien is het nadeel dat de verdachte ondervindt van het niet als getuige kunnen (doen) horen van [slachtoffer] naar het oordeel van het hof voldoende gecompenseerd. Deze compensatie heeft in de eerste plaats plaatsgevonden door [getuige 2] — op verzoek van de verdediging — als getuige te horen bij de raadsheer-commissaris. In de tweede plaats is de belastende verklaring van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig voorgehouden en heeft de verdediging de gelegenheid gekregen (de betrouwbaarheid van) deze verklaring ter discussie te stellen. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de verklaring van aangeefster [slachtoffer] om die reden van het bewijs uit te sluiten.

Voorts overweegt het hof dat [slachtoffer] — hoewel zij heeft geprobeerd haar aangifte in te trekken - niet inhoudelijk is teruggekomen op haar de verdachte belastende, bij de politie afgelegde verklaring. Nu de verklaring van [slachtoffer] bovendien in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, heeft het hof geen reden om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen. Het hof zal haar verklaring dan ook bezigen tot het bewijs.”

7. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 04-850147-12 subsidiair bewezen verklaarde heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebruikt (vet en cursief als in origineel):

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 oktober 2011 (proces-verbaalnummer PL2323 2011103992-1), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :

Op 27 oktober 2011 werd ik door [verdachte] meegesleurd naar zijn woning die gelegen is aan de [a-straat 1] te Roermond. Hij heeft me de woning ingetrokken. Vervolgens werd ik door [verdachte] aan mijn paars/rode sjaal vastgepakt en werd ik door [verdachte] hardhandig meegetrokken naar de bovenverdieping. Toen we boven waren, heeft hij me naar zijn slaapkamer getrokken en mij over het bed heen gesleept. Ik kwam op mijn rug op het bed te liggen. [verdachte] is vervolgens bovenop mij komen zitten met beide knieën op mijn blaas. [verdachte] had op dat moment nog steeds mijn sjaal vast, waardoor ik weinig lucht kreeg. Ik voelde dat [verdachte] bewust de sjaal met zijn rechterhand aandraaide in mijn nek, waardoor ik weinig lucht kreeg. [verdachte] zag dat ik weinig lucht kreeg en ging vervolgens toch door met de sjaal rondom mijn hals aan te draaien.

Ik voelde en zag dat [verdachte] de sjaal losliet en vervolgens zijn rechter vlakke hand over mijn mond en neus legde, waardoor ik helemaal geen lucht meer kreeg. Ik schreeuwde tegen [verdachte] dat ik geen lucht meer kreeg. Doordat ik schreeuwde, drukte [verdachte] zijn vlakke hand nog harder over mijn mond en neus. Ik zag en voelde dat [verdachte] mijn sjaal weer vastpakte en ik hoorde dat [verdachte] zei “je was van mij en je blijft van mij”. Vervolgens ging mijn telefoon en werd de telefoon door [verdachte] afgepakt. Vervolgens ging ook mijn andere telefoon af. [verdachte] heeft deze telefoon ook afgepakt. [verdachte] heeft me op dat moment losgelaten.

Ik vertelde tegen [verdachte] dat ik mij bij [A] moest melden. [verdachte] heeft mij met de fiets terug naar [A] gebracht. Ik ben naar binnen gerend en heb de deur van [A] achter mij dichtgetrokken en ik heb geroepen dat niemand de deur mocht openen. Ik was omstreeks 15.45 uur binnen. Ik heb omstreeks 22.30 uur mijn moeder gebeld. Mijn moeder is direct naar [A] gekomen en heeft mij vervolgens meegenomen naar de HAP te Roermond. Door de arts werd geconstateerd dat er daadwerkelijk sprake was van een beginnende verstikking. Volgens de arts waren er rondom de ogen zogenaamde puntbloedingen te zien. Dit is een beginnend kenmerk van een verstikking. Door de arts werden striemen in de hals geconstateerd die eveneens op een verwurging duiden.

2 Een geschrift inhoudende medische informatie met betrekking tot [slachtoffer] d.d. 5 februari 2013, opgesteld door [betrokkene 1] , huisarts te Venlo, en ondertekend door R.H. Garming, forensisch geneeskundige, voor zover inhoudende:

1. Welk letsel heeft u waargenomen bij bovengenoemd persoon?

Rechts en links in de nek 2 millimeter brede en circa 10 centimeter lange rode strepen. Rond de ogen beiderzijds tientallen 1 millimeter grote bloeduitstortinkjes (petechiën). Ook vergelijkbare bloeduitstortinkjes op beide oogleden en aan de binnenzijde van de onderste oogleden links en rechts een tweetal rode vaatjes/ strepen.

5. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht:

27-10-2011

6. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel e.d.)

Petechiën ontstaan niet spontaan maar in het algemeen door drukverhoging in de vaten (van het hoofd in dit geval), bijvoorbeeld doordat bij verwurging wel de afvoer van bloed maar niet de toevoer van bloed wordt afgesloten. Hierdoor ontstaat drukverhoging met genoemde puntbloedingen/petechiën.

3 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2012 (proces-verbaalnummer PL233C 2011103992-22), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Tussen 27 oktober 2011 om 22.00 uur en 28 oktober 2011 om 7.00 uur kregen wij het verzoek ons te begeven naar de huisartsenpost te Roermond.

Wij hoorden dat de dienstdoende arts een patiënt in behandeling had die symptomen vertoonde van verstikking. Wij hoorden dat de arts ons mededeelde dat het om [slachtoffer] ging. Zij was ons beiden ambtshalve bekend. De arts wees ons op zogenaamde puntbloedingen in de ogen van [slachtoffer] en de striemen in haar nek. Volgens de arts zouden de puntbloedingen in de ogen van [slachtoffer] duiden op verstikkingsverschijnselen. De striemen in haar nek zouden duiden op verwurging.

Het letsel van [slachtoffer] , te weten de puntbloedingen in de ogen en de striemen in de nek, werden door ons beiden op aanwijzingen van de arts waargenomen.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 december 2012 (proces- verbaalnummer PL233C 2011103992-26), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] , zakelijk weergegeven:

Ik ben via [B] werkzaam als begeleider bij [A] .

Over het incident d.d. 27-10-2011 kan ik het navolgende verklaren. [slachtoffer] kwam overstuur bij [A] aan. Mijn dienst begint pas om 15.45 uur en het was nadat ik op dienst was gekomen. Ik zag rode striemen in haar hals. Ik zag aan beide zijden van haar hals rode striemen. Het was eigenlijk een dikke rode streep die van links naar rechts over haar hals liep. De gemoedstoestand van [slachtoffer] was hysterisch. Het heeft veel tijd gekost om haar te kalmeren. Diezelfde avond is [verdachte] bij ons geweest. We hebben met hem gesproken.

5 Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 april 2012 (proces-verbaalnummer PL233R 2011103992-8), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Op 27 oktober 2011 hebben wij (het hof begrijpt: verdachte en [slachtoffer] ) een heftige ruzie gehad in mijn woning aan de [a straat] te Roermond. [slachtoffer] had een sjaal om toen ze binnenkwam.”

8. Voor de beoordeling van het middel moet gelet op de overzichtsarresten van de Hoge Raad van 4 juli 2017 het volgende worden vooropgesteld.1 Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als bedoeld in artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM. Op grond van deze verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Indien voor de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft bestaan om een getuige te (doen) ondervragen, kan het gebruik van een door die getuige afgelegde verklaring in strijd komen met art. 6 EVRM. De uitspraak van het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, NJ 2017/294 m.nt. B.E.P. Myjer) houdt daaromtrent onder meer het volgende in:

“101.

The Court's primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (see, inter alia, Taxquet v. Belgium [GC], no. 926/05, § 84, ECHR 2010, with further references). In making this assessment the Court will look at the proceedings as a whole, including the way in which the evidence was obtained, having regard to the rights of the defence but also to the interest of the public and the victims in seeing crime properly prosecuted (see Gäfgen v. Germany [GC], no. 22978/05, §§ 163 and 175, ECHR 2010) and, where necessary, to the rights of witnesses (see Al-Khawaja and Tahery, cited above, § 118, with further references, and Hümmer, cited above, § 37).

[...]

105.

[...] the use as evidence of statements obtained at the stage of a police inquiry and judicial investigation is not in itself inconsistent with Article 6 §§ 1 and 3 (d), provided that the rights of the defence have been respected. As a rule, these rights require that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him — either when that witness is making his statements or at a later stage of the proceedings (see Al-Khawaja and Tahery, cited above, § 118, with further references; (...)).

[...]

107.

According to the principles developed in the Al-Khawaja and Tahery judgment, it is necessary to examine in three steps the compatibility with Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention of proceedings in which statements made by a witness who had not been present and questioned at the trial were used as evidence (ibid., § 152). The Court must examine

(i)

whether there was a good reason for the non-attendance of the witness and, consequently, for the admission of the absent witness's untested statements as evidence (ibid., §§ 119-25);

(ii)

whether the evidence of the absent witness was the sole or decisive basis for the defendant's conviction (ibid., §§ 119 and 126-47); and

(iii)
whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to compensate for the handicaps caused to the defence as a result of the admission of the untested evidence and to ensure that the trial, judged as a whole, was fair (ibid., § 147).

[...]

110.

The Court considers that the application of the principles developed in Al-Khawaja and Tahery in its subsequent case-law discloses a need to clarify the relationship between the above-mentioned three steps of the Al-Khawaja test when it comes to the examination of the compliance with the Convention of a trial in which untested incriminating witness evidence was admitted.

[...]

113.

The Court notes that in a number of cases following the delivery of the Al-Khawaja judgment it took an overall approach to the examination of the fairness of the trial, having regard to all three steps of the Al-Khawaja test (...). However, in other cases, the lack of a good reason for a prosecution witness's absence alone was considered sufficient to find a breach of Article 6 §§ 1 and 3 (d) (...). In yet other cases a differentiated approach was taken: the lack of good reason for a prosecution witness's absence was considered conclusive of the unfairness of the trial unless the witness testimony was manifestly irrelevant for the outcome of the case (...). The Grand Chamber, in the light of the foregoing (see paragraphs 111-112), considers that the absence of good reason for the non-attendance of a witness cannot of itself be conclusive of the unfairness of a trial. This being said, the lack of a good reason for a prosecution witness's absence is a very important factor to be weighed in the balance when assessing the overall fairness of a trial, and one which may tip the balance in favour of finding a breach of Article 6 §§ 1 and 3 (d).

[...]

117.

The Court observes that in Al-Khawaja and Tahery, the requirement that there be a good reason for the non-attendance of the witness (first step), and for the consequent admission of the evidence of the absent witness, was considered as a preliminary question which had to be examined before any consideration was given as to whether that evidence was sole or decisive (second step; ibid., § 120). ‘Preliminary’, in that context, may be understood in a temporal sense: the trial court must first decide whether there is good reason for the absence of the witness and whether, as a consequence, the evidence of the absent witness may be admitted. Only once that witness evidence is admitted can the trial court assess, at the close of the trial and having regard to all the evidence adduced, the significance of the evidence of the absent witness and, in particular, whether the evidence of the absent witness is the sole or decisive basis for convicting the defendant. It will then depend on the weight of the evidence given by the absent witness how much weight the counterbalancing factors (third step) will have to carry in order to ensure the overall fairness of the trial.”

9. Verder heeft de Grote Kamer van het EHRM ook aangegeven wat als een gegronde reden kan worden aangemerkt voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid, waarbij als voorbeeld wordt genoemd dat de getuige is overleden.2

10. In de onderhavige zaak is een ten overstaan van de politie afgelegde belastende verklaring van de aangeefster door het hof voor het bewijs gebruikt, terwijl de verdediging in geen enkel stadium van de procedure aangeefster als getuige heeft kunnen horen. Het verzoek van de verdediging tot het horen van aangeefster als getuige was wel toegewezen, maar alvorens dit verhoor door de raadsheer-commissaris vervolgens kon plaatsvinden, is aangeefster overleden. Daarmee heeft de verdediging geen adequate ondervragingsmogelijkheid gehad. Daarvoor bestond evenwel een goede reden nu immers de getuige inmiddels was overleden.

11. Daarmee is nog niet gezegd dat het gebruik van de verklaring van aangeefster als bewijs strijd oplevert met artikel 6, derde lid onder d, EVRM. Van een dergelijke strijd is pas sprake indien de betreffende verklaring kan worden aangemerkt als het enige of beslissende (“sole or decisive”) bewijs, terwijl aan de verdediging onvoldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid om de getuige te horen, waaronder het bestaan van voldoende sterke procedurele waarborgen die een eerlijke en adequate beoordeling van de betrouwbaarheid van dat bewijs mogelijk maken en waardoor wordt zekergesteld dat de berechting, bezien in zijn geheel, eerlijk was in de zin van artikel 6 EVRM.3

12. Het hof heeft in onderhavig geval niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verklaring van de aangeefster niet het enige en beslissende bewijs is, maar steun vindt in overige (sterke) bewijsmiddelen, in het bijzonder in de constatering van het letsel door een huisarts en twee verbalisanten, in de getuigenverklaring van [getuige 1] en in de verklaring van verdachte, voor zover die inhoudt dat hij en aangeefster op 27 oktober 2011 een heftige ruzie hebben gehad in zijn woning. Reeds daarom is in dit geval geen sprake van een schending van het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6, derde lid onder d, EVRM en kan het middel niet slagen. In zoverre heeft het hof slechts ten overvloede en evenmin onbegrijpelijk overwogen dat het niet als getuige kunnen (doen) horen van de aangeefster naar het oordeel van het hof voldoende is gecompenseerd door het op verzoek van de verdediging horen van de getuige [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris, het uitvoerig voorhouden van de verklaring van aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep en de aan de verdediging geboden gelegenheid om de betrouwbaarheid van deze verklaring ter discussie te stellen.4 Wat betreft de beoordeling van die betrouwbaarheid van het hof heeft het hof voorts nog overwogen dat de aangeefster – hoewel zij heeft geprobeerd haar aangifte in te trekken – niet inhoudelijk is teruggekomen op haar de verdachte belastende, bij de politie afgelegde verklaring en dat haar verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Gelet op het voorgaande heeft het hof niet onterecht en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verklaring van de aangeefster mag worden gebezigd tot het bewijs.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij. In het middel zijn drie deelklachten te onderscheiden. De eerste houdt in dat de vordering ten onrechte is toegewezen omdat de vordering was gebaseerd op het primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag) terwijl de verdachte daarvan is vrijgesproken terwijl het “een aanzienlijk verschil [maakt] of er sprake is van immateriële schade veroorzaakt door een poging doodslag dan door een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel”. De tweede deelklacht houdt in dat de door het hof toegewezen vordering ten onrechte immateriële schade omvat omdat de benadeelde partij inmiddels is overleden en erfgenamen “in beginsel geen recht hebben op vergoeding van immateriële schade voor – kort gezegd – het verdriet van anderen, behalve misschien in het geval de aansprakelijke persoon het oogmerk had om deze immateriële schade toe te brengen.” Ten derde zou de verdachte ten onrechte de schadevergoeding moeten betalen aan de benadeelde partij terwijl dat “aan de erfgename(n) van [slachtoffer] ” moet zijn.

15. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot het bedrag van € 1.256,00 bestaande uit € 6 materiële schade en € 1.250 immateriële schade, en de verdachte veroordeeld “om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.”

16. De benadeelde partij [slachtoffer] is op 12 oktober 2016 overleden.5

17. Het “Schade-onderbouwingsformulier” houdt het volgende in:

“Korte situatieschets:
Feit 1:

Verdachte heeft benadeelde mishandeld waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Verdachte heeft geprobeerd benadeelde van het leven te beroven door o.a. met kracht een sjaal rondom haar hals te trekken. Daarnaast heeft verdachte met kracht zijn hand over de neus en mond van benadeelde gelegd waardoor zij geen lucht meer kreeg. Benadeelde had tijdens het misdrijf een relatie met de verdachte.

[…]

Immateriële schade

Fysiek letsel

Feit 1

Ten gevolge van het met kracht aantrekken van een sjaal om haar nek en hals en het met de handen dichthouden van de mond en neus zijn er verschijnselen van verstikking ontstaan op de oogbol en rondom de ogen van benadeelde. Dit was in de vorm van rode stippen ten gevolge van bloeduitstortingen.
De verschijnselen van verstikking waren het gevolg van een hevige ademnood tijdens de mishandeling en verstoring van de bloedtoevoer naar haar hoofd.
in de hals waren rode striemen ten gevolge van het krachtig aandraaien van de sjaal.
Zeker twee weken heeft zij last en pijn gehad aan keel en neus. De striemen in de hals zijn enkele weken zichtbaar geweest. Heel even heeft zij het bewustzijn verloren.

Verdachte heeft, terwijl benadeelde lag, op haar buik/blaas gezeten. Dit heeft erin geresulteerd dat zij twee à drie weken luiers heeft moeten dragen, omdat zij de urine nagenoeg niet kon ophouden.

Ook zijn er plukken haar weggeschoren waardoor er kale plekken op haar hoofd zichtbaar waren.

Benadeelde is naar de huisartsenpost gegaan voor behandeling van het letsel

[…]

Psychische schade:

Feit 1

De mishandeling heeft een behoorlijke impact gehad op benadeelde waarbij vooral de angst haar danig parten speelt. Op het moment van de mishandeling was zij angstig en bang dat ze werd vermoord.
Aanvankelijk had zij veel last van angstaanvallen. Deze aanvallen kwamen spontaan tijdens de dag en zij raakte daardoor vaak in paniek. Zij was dan bang dat haar iets zou overkomen en dat ze werd aangevallen. De angstaanvallen deden zich vooral voor als zij alleen was.
Benadeelde durfde niet van huis. Enerzijds vanwege de angstaanvallen anderzijds vanwege het feit dat de verdachte haar plukken hoofdhaar had afgeschoren hetgeen niet om aan te zien was.
Zij heeft drie weken niet kunnen werken en in die periode heel slecht geslapen. Zij had daarbij veel last van nachtmerries en last van herbeleving.

Ook schaamde zij zich voor vrienden en kennissen om haar verwondingen, maar vooral om het ontbreken van gedeelten haar.

Omdat zij plukken haar miste, droeg zij enkele weken een pet op haar hoofd. In de spiegel kijken durfde zij niet omdat ze dan werd geconfronteerd met haar kaalheid.
Benadeelde voelt zich vernederd en in haar eer als vrouw zijnde aangetast.
Voor het verwerken van de geestelijke gevolgen van o.a. deze mishandeling is zij een half jaar opgenomen geweest in het Regionaal Centrum van de GGZ en heeft daar hulp gehad van een Psychiater [….].
De angst voor de verdachte is er nog steeds. Ook heeft zij nog steeds psychische hulp van een psycholoog.”

18. Uit het “Schade-onderbouwingsformulier” blijkt dat de vordering van de benadeelde partij niet was gebaseerd op het primair ten laste gelegde feit. De eerste deelklacht mist daarmee feitelijke grondslag.

19. Nu het slachtoffer anders dan ten gevolge van het strafbare feit is overleden terwijl de zaak al in hoger beroep aanhangig was, stuit de tweede deelklacht af op HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105.6 De derde deelklacht stuit af op hetzelfde arrest.7

20. Het middel faalt in alle onderdelen.

21. De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

22. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T. Kooijmans en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441 m.nt. T. Kooijmans.

2 Zie EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland, nr. 9154/10, NJ 2017/294 m.nt. B.E.P. Myjer, par. 119. Zie ook de zaak Al-Khawaja tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 december 2011, nr. 26766/05, NJ 2012/283 m.nt. T.M. Schalken en A.E. Alkema.

3 Vgl. Al-Khawaja tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 december 2011, nr. 26766/05, NJ 2012/283 m.nt. T.M. Schalken en A.E. Alkema.

4 In het geval dat de door de verdediging bestreden getuigenverklaring niet het enige (“sole and decisive”) bewijsmiddel vormt, hoeft het hof in beginsel niet te toetsen of aan de verdediging voldoende compenserende maatregelen zijn geboden. Zie bijvoorbeeld HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4480, NJ 2013/193, r.o. 3.5 en EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland, nr. 9154/10, NJ 2017/294 m.nt. B.E.P. Myjer, par. 117.

5 Arrest p. 11 onder C.

6 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259 m.nt. C.P.M. Cleiren, r.o. 2.6 “Anders dan het middel betoogt, staat de omstandigheid dat een benadeelde partij ten tijde van de op diens vordering te nemen beslissing is overleden aan toewijzing van de vordering niet in de weg, ook niet indien zij strekt tot vergoeding van immateriële schade.”

7 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9105, NJ 2011/259 m.nt. C.P.M. Cleiren, r.o. 2.7 “Het middel stelt voorts de vraag aan de orde of de omstandigheid dat het slachtoffer vóór de door het Hof te geven einduitspraak was komen te overlijden in de weg stond aan oplegging van de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr ‘ten behoeve van het slachtoffer.’ (…) Aantekening verdient dat de rechter in een zodanig geval niet met zoveel woorden behoeft te bepalen dat de maatregel ten behoeve van de erfgenamen van het slachtoffer wordt opgelegd. Met oplegging “ten behoeve van het slachtoffer” kan worden volstaan.”