Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:284

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17/04368
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:721
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Slagende bewijsklacht dat de verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard ex art. 9.2 WVW 1994; falende klacht over het gebruik UJD als bewijsmiddel. 2. Nietigheid inleidende dagvaarding. 3. Afwijzing verzoek opmaken reclasseringsrapport. Ad 1. Bewijsconstructie onvoldoende ondanks verklaring van de verdachte dat hij “procedures hierover (ongeldigverklaring) allemaal had gewonnen” en onherroepelijke veroordeling wegens overtreding art. 9.2 WVW 1994. Uittreksel Justitiële Documentatie is schriftelijk bescheid ex art. artikel 344.1.3 Sv. Ad 2. Het adres behoefde niet te worden aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. Ad 3. Verzoek aangemerkt als verzoek tot het laten verrichten van deskundigenonderzoek dat het hof heeft getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium. Conclusie plv AG: vernietiging v.w.b. de straf en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NbSr 2019/183
Jwr 2019/48
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04368

Zitting: 26 maart 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 28 augustus 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

  2. Mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, heeft namens de verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend.

  4. De raadsman heeft namens de verdachte ter terechtzitting van het hof van 14 augustus 2017 onder meer het volgende preliminaire verweer gevoerd:

“De politierechter heeft ten onrechte de betekening van de inleidende dagvaarding geldig verklaard. Uit het dossier blijkt niet dat getracht is de inleidende dagvaarding te betekenen op het adres [a-straat 1] te Enschede. De inleidende dagvaarding dient derhalve nietig te worden verklaard.”

5. Het hof heeft naar aanleiding van dit verweer in zijn arrest het volgende overwogen:

“Volgens de ‘Informatiestaat SKDB-persoon’ van 20 september 2016 was met ingang van 21 december 2015 geen BRP-adres van verdachte in Nederland bekend. Verdachte heeft een adres opgegeven bij gelegenheid van zijn verhoor in onderhavige strafzaak, te weten [b-straat 1] te Gronau, Duitsland. Voorts vermeldt een RDW print van politie nog een ander adres van verdachte in Nederland, te weten: [a-straat 1] te Enschede. Nu verdachte op het moment van dagvaarden niet als ingezetene was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend was, is de uitreiking geschied aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zou dienen. (Een afschrift van) de gerechtelijke brief is vervolgens verzonden naar beide bovengenoemde adressen. De betekening van de dagvaarding van de verdachte om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen heeft derhalve plaatsgevonden overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 588 en 588a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.”

6. In cassatie wordt aangevoerd dat het hof het adres [a-straat 1] te Enschede, ten onrechte niet heeft aangemerkt als een uit de stukken van het geding blijkend adres is dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfadres kan gelden. In dat geval had de dagvaarding aan dat adres betekend moeten worden zoals dat is voorgeschreven in artikel 588, eerste lid, onder a sub 2° Sv, terwijl nu ermee is volstaan een afschrift van de dagvaarding te zenden aan dat adres zoals dat is voorgeschreven in artikel 588a, eerste lid, onder a, Sv.

7. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte niet is ingeschreven in de basisadministratie personen en bij gelegenheid van zijn verhoor in onderhavige strafzaak een adres in Duitsland heeft opgegeven. Voorts heeft het hof vastgesteld dat een RDW-print van de politie nog een ander adres van verdachte in Nederland vermeldt, te weten: [a-straat 1] Enschede. Uit de stukken van het geding blijkt dat het hierbij gaat om het laatste adres van de verdachte dat op 7 juni 2016 bij de RDW bekend was. Nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg niet blijkt dat namens de verdachte is aangevoerd dat het adres [a-straat 1] te Enschede moet worden aangemerkt als het woon- of verblijfadres van de verdachte, de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep geen antwoord kon geven op de vraag waar de verdachte feitelijk woont, terwijl de Informatiestaat SKDB van 20 september 2016 erop wijst dat het betreffende adres in Enschede een historisch BRP-adres van de verdachte betreft, heeft het hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat dit adres niet een uit de stukken van het geding blijkend adres betrof dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte kon gelden.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring en het gebruik daarbij door het hof van het Uittreksel Justitiële Documentatie als bewijsmiddel.

10. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat

“hij op 7 juni 2016 te Enschede terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten Categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Broekheurering, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd”.

11. Allereerst wordt aangevoerd dat het Uittreksel Justitiële Documentatie slechts dient ter bepaling van de sanctie, en niet kan gelden als bewijsmiddel in de zin van een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 339, lid 1, sub 5° Sv. Deze klacht stuit af op artikel 344, lid 1, sub 3° Sv, waarin is bepaald dat onder schriftelijke bescheiden mede worden verstaan “geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst”. Een Uittreksel Justitiële Documentatie heeft dus zelfstandige bewijskracht.1 Daarmee faalt de eerste klacht.

12. Voorts wordt geklaagd dat uit de onherroepelijke veroordeling van de verdachte, zoals die blijkt uit de het Uittreksel Justitiële Documentatie, niet kan worden geconcludeerd “dat verdachte op het moment van de hier verweten gedraging redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard”, ook niet in combinatie met de verklaring van de verdachte over “ongeldigverklaring” die hij ten overstaan van de politie heeft afgelegd. Daardoor zou de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.

13. Met betrekking tot het bewijs heeft het hof het volgende overwogen:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Hij heeft hiertoe - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uit de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte op 7 juni 2016 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Ook anderszins ontbreekt het aan bewijs.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 16 juli 2017 verdachte op 12 februari 2016 is veroordeeld door de politierechter voor onder meer overtreding van artikel 9, twee[de] lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Dit vonnis is op 27 februari 2016 onherroepelijk geworden. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat verdachte op het moment van de hier verweten gedraging, dus op 7 juni 2016, redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof vindt hiervoor steun in de verklaring door verdachte bij de politie afgelegde verklaring waarin hij spreekt over “ongeldig verklaring”. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”

14. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte door verbalisant [verbalisant] op 7 juni 2016 op een openbare weg in Enschede rijdend in een Ford Focus is gezien en dat na onderzoek bleek dat een op naam van de verdachte gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard. De verdachte heeft tegenover de verbalisant verklaard dat hij in de auto van een ander reed en dat hij procedures hierover (ongeldigverklaring) allemaal had gewonnen. Verder blijkt dat het CBR op 11 juni 2010 de verdachte een onderzoek heeft opgelegd, waarop de verdachte niet of niet op tijd is verschenen, waarna het CBR op 6 december 2010 een “Besluit tot ongeldigverklaring rijbewijs” heeft genomen, waardoor het rijbewijs van de verdachte ongeldig is vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit. Tot slot blijkt uit voor het bewijs gebruikte uittreksel justitiële documentatie van 16 juli 2017 dat de verdachte op 12 februari 2016 is veroordeeld tot 40 uur werkstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis, wegens overtreding van artikel 9 lid 2 WVW 1994 en dat dit vonnis op 27 februari 2016 onherroepelijk is geworden.

15. Voor zover het middel een bewijsklacht inhoudt, slaagt het. Uit de bewijsconstructie van het hof kan immers niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. In het bijzonder kan dit niet worden afgeleid uit zijn verklaring dat hij alle procedures over ongeldigverklaring heeft gewonnen of uit de omstandigheid dat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding van artikel 9 lid 2 WVW 1994. Evenmin kan dit blijken uit de enkele omstandigheid dat door het CBR een besluit tot ongeldigverklaring is genomen, terwijl niet blijkt dat de verdachte daarvan op de hoogte is of moet zijn geraakt.2

16. Het middel slaagt.

17. Hoewel ik op basis van de bespreking van het tweede middel tot de conclusie zal komen dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, bespreek ik het derde middel toch met het oog op de verdere afdoening van de zaak.

18. Het derde middel klaagt dat “het hof het verzoek om de zitting aan te houden voor het opmaken van een reclasseringsrapport, ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.”

19. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman een “voorwaardelijk aanhoudingsverzoek” gedaan om de reclassering een rapport te laten uitbrengen waarin wordt ingegaan op de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de status van de tenuitvoerlegging van de straffen en maatregelen uit de zaak met parketnummer 08/952707-14 waarvan de inhoud aanstonds duidelijk zal worden.

20. De ter terechtzitting overgelegde pleitnota houdt het volgende in:

“Strafmaatverweer

Indien uw hof niet tot vrijspraak komt, dan verzoekt de verdediging uw hof om cliënt te veroordelen tot een werkstraf, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Cliënt is enige tijd voorlopig gehecht geweest voor de zaak met pn. 08/952707-14. De Rechtbank Overijssel oordeelde in haar vonnis van 13 september 2016 (ECLI:NL:RBOVE:2016:3429):

‘Dit alles overziend meent de rechtbank dat verdachte de kans moet krijgen te bewijzen dat hij de positieve ontwikkeling die in gang is gezet kan voortzetten. De rechtbank zal daarom de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet langer laten duren dan verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.’

De rechtbank oordeelde dat hernieuwde vrijheidsbeneming (éen vrijheidsstraf langer dan de voorlopige hechtenis), gelet op het advies van de reclassering d.d. 12 mei 2016 en gezien de positieve ontwikkelingen van cliënt niet wenselijk was. Het advies van de reclassering is voorafgaand aan de zitting aan uw gerechtshof overgelegd, met het verzoek om het advies bij de processtukken te voegen. Cliënt heeft zich sindsdien niet opnieuw schuldig gemaakt een vermogensdelicten. Voor zover de verdediging bekend beschikt cliënt nog altijd over een woning en inkomsten uit werk. De destijds door de werkgever opgestelde verklaring wordt hierbij aan de pleitnota gehecht. Voor zover de verdediging bekend heeft cliënt daarnaast een goede verstandhouding met de reclassering, in verband met het verrichten van de in voornoemde zaak opgelegde werkstraf. Voorkomen moet worden dat cliënt door een nieuwe gevangenisstraf zijn dienstverband kwijtraakt en de positieve ontwikkelingen worden doorkruist of zelfs teniet worden gedaan. Cliënt kan dan ook de betalingsregeling met het CJIB voor het voldoen van de schadevergoedingsmaatregelen uit voornoemde zaak niet langer voldoen, met het risico op tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. De brief van het CJIB van 30 januari 2017 waarin het treffen van deze betalingsregeling wordt bevestigd, wordt hierbij aan de pleitnota gehecht.

Voorwaardelijk aanhoudingsverzoek

Indien uw hof desondanks denkt tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te komen, dan verzoekt de verdediging om de zaak aan te houden.

De verdediging heeft reeds in de appelschriftuur d.d. 23 november 2016 verzocht om de medewerking van de reclassering in te roepen om een voorlichtingsrapportage over cliënt op te maken. Normaliter wordt door de advocaat-generaal gevolg gegeven aan een dergelijk verzoek. Sowieso wordt de advocaat-generaal normaal gesproken in een vroeg stadium verzocht om een standpunt in te nemen ten aanzien van de ingediende appelschriftuur, waarna de voorzitter een voorzittersbeslissing neemt. Dit heeft in casu niet plaatsgevonden. De voorzitter heeft pas op 31 juli 2017 laten weten dat het verzoek op onderhavige zitting zal worden besproken.

De verdediging persisteert in haar verzoek en acht het noodzakelijk dat 'de reclassering een rapport uitbrengt, waarin wordt ingegaan op de huidige persoonlijke omstandigheden van cliënt en de status van de tenuitvoerlegging van de straffen én maatregelen uit de zaak met parketnummer 08/952707-14.”

21. Voorafgaand aan de terechtzitting had de raadsman in de appelschriftuur verzocht om de medewerking van de reclassering in te roepen om een voorlichtingsrapport over de persoon van de verdachte te laten maken. Ter ondersteuning hiervan werd het volgende aangevoerd:

“Tot slot kan appellant zich niet verenigen met de opgelegde straf. Appellant is door de rechtbank Overijssel in het vonnis van 13 september 2016 met parketnummer 08/952707-14 onder meer veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur en een schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 101.914,29. Appellant is aangevangen met het verrichten van die werkstraf en is met het CJIB in onderhandeling over het treffen van een betalingsregeling voor het betalen van de schadevergoedingsmaatregel. Bij gevangenisstraf kan appellant de werkstraf niet langer verrichten. Daarnaast verliest appellant bij gevangenisstraf zijn inkomen, waardoor hij de betalingsregeling met het CJIB niet kan nakomen. Het CJIB zal dan de hechtenis van de schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer leggen. Oplegging van gevangenisstraf zal de tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 september 2016 doorkruisen. Oplegging van gevangenisstraf is dan ook niet opportuun. De politierechter heeft hierin ten onrechte geen aanleiding gezien om af te zien van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op het voorgaande verzoekt appellant in ieder geval om de medewerking van de reclassering in te roepen om een voorlichtingsrapportage over zijn persoon op te laten maken. De reclassering wordt daarbij verzocht om advies uit te brengen over de afdoeningsmodaliteit.”

22. Het hof heeft met betrekking tot het verzoek het volgende overwogen:

“Voor zover het hof bij een bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde feit verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, persisteert de raadsman bij zijn verzoek gedaan bij appelschriftuur. De raadsman heeft bij appelschriftuur verzocht om een voorlichtingsrapport door de reclassering op te laten maken, waarbij de reclassering wordt verzocht om een advies uit te brengen over de afdoeningsmodaliteit.

Het hof acht zich voldoende voorgelicht omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof acht het verzoek ontoereikend en onvoldoende gemotiveerd en wijst het verzoek van de raadsman af. Het hof acht de noodzaak hiertoe niet aanwezig.”

23. Het hof heeft het verzoek om een voorlichtingsrapportage te laten opmaken kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een verzoek tot het laten verrichten van deskundigenonderzoek – en niet als een verzoek tot het ter terechtzitting van het hof oproepen van een deskundige – en dit verzoek beoordeeld aan de hand van de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd.3

24. Aan het verzoek zijn overwegend de gevolgen ten grondslag gelegd die het opleggen van een gevangenisstraf voor de verdachte zouden hebben. In het bijzonder is daarbij gewezen op het verlies van zijn baan en daarmee zijn inkomen waardoor de verdachte niet meer in staat zou zijn om de voorlopige betalingsregeling na te komen die hij met het CJIB in verband met de schadevergoedingsmaatregel heeft getroffen. Ook is erop gewezen dat de verdachte door een eventuele gevangenisstraf zijn werkstraf niet zou kunnen uitvoeren die hem – net als de schadevergoedingsmaatregel – was opgelegd bij vonnis van 13 september 2016.

25. Het oordeel van het hof, dat het laten verrichten van deskundigenonderzoek, bestaande uit het opmaken van een reclasseringsrapport, niet noodzakelijk is, acht ik niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen eraan ten grondslag is gelegd in combinatie met het volgende. Aan de pleitnota zijn afschriften van twee documenten gehecht, te weten een verklaring van de werkgever van de verdachte en een brief van het CJIB inzake een voorlopige betalingsregeling. De werkgeversverklaring houdt in dat de verdachte zijn werkzaamheden niet kan blijven voortzetten indien hij tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld. De brief van het CJIB houdt een voorlopige betalingsregeling in die bestaat uit een aanbetaling van € 5.000 gevolgd door twaalf maandelijkse termijnen van € 250. Verder heeft de raadsman in de pleitnota informatie verschaft over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts een reclasseringsadvies d.d. 12 mei 2016 en een afloopbericht toezicht d.d. 4 oktober 2016.

26. Met al deze informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de voorlopige betalingsregeling, de werkgeversverklaring en de ten uitvoer te leggen taakstraf, acht ik het oordeel van het hof dat het laten verrichten van deskundigenonderzoek bestaande uit het opmaken van een reclasseringsrapport, niet noodzakelijk is omdat het zich voldoende voorgelicht acht omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte, niet onbegrijpelijk.4

27. Het middel faalt.

28. Het eerste en derde middel falen. Het tweede middel slaagt.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Vgl. o.a. de conclusie van mijn ambtgenoten Aben ECLI:NL:PHR:2010:BK5616 sub 6.2 en Vegter ECLI:NL:PHR:2014:1145 sub 11, alsmede HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7957, NJ 2006/511 r.o. 3.8 m.b.t. “de strafkaart van betrokkene”, in het Caribische deel van Nederland de evenknie van het Uittreksel Justitiële Documentatie.

2 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse vóór HR 13 november 2018 (art. 81 RO), ECLI:NL:PHR:2018:1285.

3 HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2856, NJ 2015/323 m.nt. M.J. Borgers r.o. 2.3 en HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302 r.o. 3.3.

4 Vgl. HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302 r.o. 3.3 laatste volzin: “In aanmerking genomen voorts dat in de motivering van de afwijzingen besloten ligt dat het Hof zich voldoende ingelicht achtte, is zijn beslissing ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.”