Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:28

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
18/04741
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:395, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Voorwaardelijke machtiging. Vermelding in behandelingsplan welk psychiatrisch ziekenhuis bereid is de betrokkene op te nemen indien dit noodzakelijk blijkt; art. 14a lid 5 Wet Bopz. Had rechtbank de behandeling van de zaak moeten aanhouden in afwachting van de uitslag van de second opinion?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 18/04741 mr. F.F. Langemeijer

Zitting: 4 januari 2019 Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van justitie Oost-Nederland

In deze Bopz-zaak is een voorwaardelijke machtiging verleend. In cassatie wordt geklaagd over de verwachting van de rechtbank dat de te stellen voorwaarden zullen worden nageleefd, over de aanwijzing van het psychiatrisch ziekenhuis en over het niet afwachten van de uitslag van een second opinion.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Op 2 augustus 2018 heeft de officier van justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland bij de rechtbank Gelderland een verzoek ingediend tot het verlenen van een nieuwe voorwaardelijke machtiging ten aanzien van verzoekster tot cassatie (geb. 1966, hierna: betrokkene)1. Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, die op 26 juli 2018 was afgegeven door een niet bij de behandeling betrokken psychiater die betrokkene kort tevoren heeft onderzocht. In rubriek 3.b van deze geneeskundige verklaring is als diagnose vermeld: “Schizofrenie, paranoïde type, zonder ziektebesef en -inzicht”. Ook een behandelingsplan d.d. 20 juli 2018 is aan de rechtbank overgelegd.

1.2

Blijkens een overzicht dat als bijlage bij het inleidend verzoekschrift was gevoegd, is betrokkene in het tijdvak 2013 - 2015 op basis van aansluitende rechterlijke machtigingen in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen geweest. Vanaf begin 2016 zijn voorwaardelijke machtigingen verleend ten aanzien van betrokkene. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was betrokkene onder ambulante behandeling van Pro Persona op basis van een voorwaardelijke machtiging waarvan de geldigheidsduur verstreek op 10 augustus 2018.

1.3

Op 15 augustus 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene en haar advocaat en van de behandelend psychiater.

1.4

De rechtbank heeft diezelfde dag mondeling uitspraak gedaan en de verzochte nieuwe machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 9 augustus 2019. De rechtbank heeft hierin als voorwaarde opgenomen dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het (aangehechte) behandelingsplan. Deze beslissing is schriftelijk vastgelegd in een beschikking waarin de rechtbank, voor zover hier van belang, overwoog:

“De rechtbank stelt vast dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven. Volgens de behandelaar komt betrokkene de voorwaarden wel na, al dan niet onder protest. Verder geeft zij aan dat betrokkene zonder de rechterlijke machtiging direct zal stoppen met het nemen van (depot)medicatie, zij een terugval zal krijgen in haar psychose en de conflicten weer zullen toenemen.

Betrokkene stelt dat zij depressief wordt van de medicatie. Vanwege de vele bijwerkingen wil ze daarom geen medicatie meer nemen en kan ze ook niet achter de rechterlijke machtiging staan.

De advocaat van betrokkene stelt dat er niet meer gesproken kan worden over een overeenstemming tussen de behandelaar en de betrokkene en dat het hem te ver gaat om aan te nemen dat betrokkene zich aan de voorwaarden zal houden. Hij pleit gezien het voorgaande primair om afwijzing van het onderhavige verzoek en subsidiair om de behandeling aan te houden totdat de uitslag binnen is van de second opinion, zodat daarop een eventuele behandeling kan worden afgesteld. (…) Verder merkt hij op dat er in het behandelplan bij een eventuele opname geen plaatsnaam staat vermeld, wat wel door de wet wordt voorgeschreven.

Indien de machtiging, niet wordt verleend moet worden gevreesd dat betrokkene zich aan de behandeling zal onttrekken. In dat geval is het risico dat het hiervoor omschreven gevaar zich daadwerkelijk zal voordoen. Betrokkene was er een aantal jaren geleden zeer slecht aan toe en is toen in deze toestand maatschappelijk teloor gegaan. Voorkomen moet worden dat betrokkene weer in een zelfde situatie terechtkomt als destijds. Medicatie zorgt er voor dat betrokkene niet zieker wordt dan de ziekte (stoornis) toestaat. De rechtbank is, in tegenstelling [tot] de advocaat van betrokkene, van mening dat een rechterlijke machtiging noodzakelijk is om het eerder genoemde gevaar zoveel mogelijk te beperken.

De rechtbank gaat ook niet in op het aanhoudingsverzoek van de advocaat. Zij is van mening dat, indien er uit de second opinion een andere uitslag komt dan de huidige diagnose die gesteld is, aan de officier van justitie een nieuw verzoek gedaan kan worden.

(…)

De rechtbank is van oordeel dat in het behandelplan voldoende duidelijk is aangegeven dat de psychiatrische instelling waar de behandelaar toe behoort in voorkomend geval garant staat voor de opname van betrokkene en haar de noodzakelijke zorg en behandeling zal verlenen.”

1.5

Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Onderdeel I van het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan het vereiste dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden van de te verlenen machtiging zal naleven. De klacht houdt in dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen betrokkene en haar advocaat tijdens de zitting hebben verklaard; ook in de processtukken is voor dat oordeel geen steun te vinden. In de tweede plaats klaagt het middelonderdeel over onbegrijpelijkheid van het (impliciete) oordeel dat aan de vereisten van artikel 14a lid 5 Wet Bopz is voldaan: in het behandelingsplan is geen passage opgenomen waaruit blijkt op welke grond de behandelaar tot het oordeel komt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarde zal naleven dat zij zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het behandelingsplan (artikel 14a lid 6 Wet Bopz).

2.2

Een voorwaardelijke machtiging dient als alternatief voor een (onvoorwaardelijke) machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis. Een voorwaardelijke machtiging is geen geschikt alternatief indien de betrokken patiënt niet bereid is de te stellen voorwaarde(n) na te leven. Aan een voorwaardelijke machtiging wordt ten minste de voorwaarde verbonden dat de betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het behandelingsplan (artikel 14a lid 6 Wet Bopz). Op grond van artikel 14a lid 8 Wet Bopz verleent de rechter een voorwaardelijke machtiging slechts indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot het naleven van de voorwaarden, dan wel indien redelijkerwijs is aan te nemen dat de betrokkene de voorwaarden zal naleven. Niet iedere patiënt is bereid en in staat zich hierover uit te spreken. Indien geen sprake is van een uitdrukkelijke bereidverklaring, is het aan de rechter om te beoordelen of redelijkerwijs te verwachten is dat de betrokkene zich zal laten behandelen overeenkomstig het behandelingsplan. Met het oog daarop bepaalt het vijfde lid van artikel 14a dat in het behandelingsplan wordt vermeld of de betrokken patiënt en de behandelaar overeenstemming hebben bereikt over het behandelingsplan. Bij ontbreken van zulke overeenstemming vermeldt het behandelingsplan op welke grond de behandelaar verwacht dat redelijkerwijs is aan te nemen dat de betrokkene de in artikel 14a lid 6 bedoelde voorwaarde zal naleven. Het bepaalde in artikel 14a is overeenkomstig van toepassing op het verzoek om een nieuwe voorwaardelijke machtiging (artikel 14c lid 7 Wet Bopz).

2.3

Uit de parlementaire behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel blijkt dat de wetgever bij de redelijke verwachting van naleving van het behandelingsplan het oog had op “situaties waarin betrokkene uitdrukkelijk aangeeft niet in te stemmen met het behandelplan, maar niettemin − gelet op de in het dossier voorhanden informatie en inlichtingen van bijvoorbeeld de behandelaar, andere deskundigen en familieleden − redelijkerwijs aangenomen kan worden dat betrokkene de voorwaarden wel zal naleven”2. Hierbij kunnen ervaringen uit het verleden en ook het ziektebeeld een rol spelen3. Met de formulering in het vijfde lid van artikel 14a, dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven, heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat deze verwachting in zekere mate objectiveerbaar moet zijn. Deze formulering is ook een verwijzing naar de eisen die aan de motivering hiervan mogen worden gesteld4.

2.4

In dit geval vermeldt het behandelingsplan van 20 juli 2018 op blz. 4 dat betrokkene niet akkoord gaat met het behandelaanbod en met name niet met het medicatiebeleid5. In het overgelegde behandelingsplan ontbreekt de vermelding als bedoeld in artikel 14a lid 5 Wet Bopz. Een dergelijke vermelding in het behandelingsplan dient ter ondersteuning van de rechter bij het maken van zijn taxatie of de betrokkene de te stellen voorwaarden zal naleven. De vermelding in het behandelingsplan heeft geen zelfstandige betekenis. Ook andere informatie uit het dossier en inlichtingen die tijdens de mondelinge behandeling zijn verstrekt kunnen van belang zijn voor de vaststelling door de rechter of redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarde(n) zal naleven6. De rechtbank behoefde niet vast te stellen dat het behandelingsplan op dit punt voldoet aan artikel 14a lid 5 Wet Bopz; uit de bestreden beschikking blijkt ook niet dat de rechtbank dat heeft gedaan. De tweede klacht van dit middelonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.

2.5

De rechtbank heeft haar verwachting dat betrokkene de voorwaarden zal naleven gebaseerd op de mededeling van de behandelaar ter zitting7 dat betrokkene de voorwaarden met betrekking tot de medicatie in feite wel nakomt, al dan niet na protest. Deze mededeling krijgt meer reliëf, wanneer zij wordt bezien in samenhang met de brief van de behandelaars aan het bureau geneesheren-directeur van Pro Persona van 20 juli 2018, die bij het inleidend verzoekschrift was gevoegd. In die brief hebben de behandelaars vermeld:

“Cliënte zal haar medicamenteuze behandeling slechts accepteren onder dwang. (…)

Afgelopen jaar heeft ze zich 2 maal niet gehouden aan de afspraken op de depot poli. Bij herhaaldelijk contact zoeken en thuis opzoeken vanuit team 3 heeft ze beide keren uiteindelijk (…) haar depot alsnog onder protest geaccepteerd.

Het contact met het Fact team is wisselend geweest in het afgelopen jaar. Zij liet vrijwel ieder gesprek weten het niet eens te zijn met onze behandeling. Wel is zij vrijwel altijd in staat het contact weer op een vriendelijke manier op te pakken en/of af te sluiten. De 2 periodes waarin zij haar depot weigerde, was zij vijandig naar ons en één keer hebben we op het punt gestaan de voorwaardelijke machtiging te converteren om alsnog de medicamenteuze behandeling te kunnen voortzetten. (…)”

Kennelijk heeft betrokkene tijdens de looptijd van de vorige voorwaardelijke machtiging bijna ieder keer geprotesteerd tegen de depotmedicatie, maar heeft zij zich deze telkens toch laten toedienen na uitleg of aandringen van de behandelaars. Haar gedragingen weken dus af van haar uitlatingen. Hoewel in de zo-even aangehaalde brief het woord “dwang” wordt gebruikt, is in dit geding niet gesteld, noch gebleken, dat aan betrokkene (depot)medicatie is toegediend onder dwang. Bij het uiteindelijk accepteren van de medicatie kan een rol hebben gespeeld dat betrokkene dit verkoos boven het alternatief dat zou worden overgegaan tot het aanvragen van een onvoorwaardelijke machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis, respectievelijk tot het omzetten van de destijds verleende voorwaardelijke machtiging in een (onvoorwaardelijke) voorlopige machtiging8. Door aan te sluiten bij de ervaringen die de behandelaars met betrokkene hebben gehad, heeft de rechtbank voldoende begrijpelijk gemotiveerd waarop haar verwachting berustte dat betrokkene de in deze beschikking te stellen voorwaarde zal naleven, ook ten aanzien van de toediening medicatie. Dat betrokkene tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat zij het niet eens is met het verzoek om een nieuwe machtiging en ‘het niet langer pikt’, past in het gedragspatroon dat betrokkene eerder had laten zien. Voor zover betrokkene bij die uitlatingen ter zitting voor ogen heeft gehad dat iedere machtiging (zowel een voorwaardelijke als een onvoorwaardelijke machtiging) achterwege kan blijven omdat medicatie in haar geval niet nodig is of op vrijwillige basis kan plaatsvinden, is de bestreden beslissing evenmin onbegrijpelijk: in de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, is uitdrukkelijk opgenomen (i) dat sprake is van ontbrekend ziektebesef en –inzicht (rubriek 3.c); (ii) dat betrokkene aangeeft zonder voorwaardelijke machtiging te zullen stoppen met de antipsychotische medicatie en geen contact meer te willen onderhouden met Pro Persona; dat bij eerdere pogingen om de medicatie te staken, laatstelijk in 2014, sprake was van een terugval in psychose met toename van conflicten, verminderd cognitief functioneren en toegenomen zorgbehoefte (rubriek 4.a); (iii) dat een voorwaardelijke machtiging nodig is omdat betrokkene zonder deze de medicatie zal staken en hulpverlening zal afwijzen (rubriek 6.a). Waarom de rechtbank deze bevindingen van de onderzoekende psychiater zwaarder heeft laten wegen dan het standpunt van betrokkene ter zitting behoefde geen verder gaande motivering om voor de lezer begrijpelijk te zijn9. Hetzelfde geldt voor het feit dat betrokkene om een second opinion had verzocht10. Ook de eerste klacht van onderdeel I treft geen doel.

2.6

Onderdeel II klaagt over onjuiste toepassing van het voorschrift in artikel 14a lid 5 Wet Bopz dat het behandelingsplan het psychiatrisch ziekenhuis vermeldt dat bereid is betrokkene, zo nodig, op te nemen11. Subsidiair klaagt het middelonderdeel over onbegrijpelijkheid van het (in alinea 1.4 hiervoor geciteerde) oordeel dat aan dit voorschrift is voldaan: de rechtbank heeft de mogelijkheid opengelaten dat opname plaatsvindt in een ander psychiatrisch ziekenhuis. Volgens het middelonderdeel is dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.7

Op grond van artikel 14a lid 5 Wet Bopz wordt in het behandelingsplan mededeling gedaan van het psychiatrisch ziekenhuis dat bereid is betrokkene op te nemen als deze de voorwaarden niet naleeft of als het gevaar niet langer kan worden afgewend door naleving van de voorwaarden. In het oorspronkelijk wetsvoorstel was bepaald dat “zo mogelijk” mededeling hiervan wordt gedaan12. Volgens dit voorstel was de behandelaar zelf bevoegd om bij niet-naleving van de voorwaarden of bij toegenomen gevaar te beslissen over gedwongen opneming. Deze bevoegdheid is later toegekend aan de geneesheer-directeur. Ook zijn in het voorgestelde vijfde lid van artikel 14a de woorden “zo mogelijk” geschrapt13. De reden daarvoor was blijkbaar − een toelichting ontbreekt in de parlementaire geschiedenis − dat aan de hand van het behandelingsplan steeds kan worden bepaald welke geneesheer-directeur bevoegd is om tijdens de looptijd van de voorwaardelijke machtiging over een gedwongen opname te beslissen; artikel 14d lid 1 Wet Bopz bepaalt immers dat daartoe bevoegd is “de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis bedoeld in artikel 14a, vijfde lid”. De wettekst voorziet niet in de mogelijkheid dat in een behandelingsplan meer dan één geneesheer-directeur wordt aangewezen14. Dat was ook niet nodig: indien er aanleiding is om alsnog (de geneesheer-directeur van) een ander psychiatrisch ziekenhuis aan te wijzen, is de regeling van artikel 14b Wet Bopz voor wijziging van het behandelingsplan van toepassing. Met instemming van de betrokkene kan de wijziging ‘onderhands’ worden doorgevoerd; anders kan een beslissing van de rechtbank worden verzocht15. Na de gedwongen opneming op de voet van art. 14d Wet Bopz kan zo nodig worden overgegaan tot overplaatsing naar een ander psychiatrisch ziekenhuis op de voet van artikel 55 Wet Bopz.

2.8

In het behandelingsplan van 20 juli 2018 is op blz. 3 vermeld:

“Bij niet houden aan voorwaarden of als haar psychiatrisch toestandsbeeld tot gevaar leidt, zal cliënte binnen Pro Persona worden opgenomen. Mocht er bij noodzaak tot opname geen opnameplek binnen Pro Persona beschikbaar zijn, dan wordt gezocht naar een tijdelijke opnameplek bij een andere GGZ Instelling.”

Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de advocaat van betrokkene verzocht in de beschikking als plaats van opname ‘Nijmegen’ te vermelden 16. De behandelend psychiater heeft ter zitting gereageerd als volgt:

“Het wordt voor ons lastig om in de voorwaarden de plaatsnaam Nijmegen te zetten als opnameplaats. Het kan namelijk voorkomen dat er in Tiel bij Pro Persona wel plek is en in Nijmegen niet. Wij streven er wel naar om bij Pro Persona de opname te laten plaatsvinden.”

2.9

De Wet Bopz dateert nog uit de tijd van vóór de concernvorming in de gezondheidszorg. De zorgaanbieder Pro Persona exploiteert verscheidene psychiatrische ziekenhuizen in de zin van artikel 1, lid 1 onder h, Wet Bopz17. De rechtbank heeft overwogen dat “in het behandelplan voldoende duidelijk is aangegeven dat de psychiatrische instelling waar de behandelaar toe behoort in voorkomend geval garant staat voor de opname van betrokkene en haar de noodzakelijk zorg en behandeling zal verlenen”. Ik geef toe dat een koppeling (niet aan het ziekenhuis, maar) aan de instelling die een of meer ziekenhuizen exploiteert, handig is voor de praktijk: het aantal ‘bedden’ in psychiatrische ziekenhuizen is nu eenmaal beperkt. Een koppeling aan de instelling is evenwel niet in overeenstemming met het bepaalde in art. 14a lid 5 Wet Bopz. Onduidelijk blijft immers welke geneesheer-directeur binnen de Pro Persona-organisatie bevoegd is om de beslissing als bedoeld in art. 14d Wet Bopz te nemen. Het komt mij voor, dat de rechtbank had moeten doen wat in het behandelingsplan is nagelaten, namelijk één geneesheer-directeur aanwijzen: dit kan mijns inziens primair de geneesheer-directeur zijn van het psychiatrisch ziekenhuis van Pro Persona waaraan de behandelaar is verbonden (in dit geval: het psychiatrisch ziekenhuis in Nijmegen) en subsidiair de geneesheer-directeur van enig ander ziekenhuis van Pro Persona waarin betrokkene kan worden opgenomen. Slechts in zoverre acht ik de klacht gegrond. Indien verwijzing plaatsvindt, kan de rechter na verwijzing dit verzuim herstellen. Indien uitsluitend onderdeel II slaagt, zou de Hoge Raad dit geschilpunt zelf kunnen afhandelen door te doen wat de rechtbank had behoren te doen.

2.10

Ter zijde merk ik op dat de Wet verplichte ggz, die naar verwachting op 1 januari 2020 in werking zal treden, de functie van geneesheer-directeur kent. Deze functie is in artikel 1:1 van die wet omschreven als: “arts als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, aangewezen door en in dienst van de zorgaanbieder en verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken op het terrein van zorg en de verlening van verplichte zorg”. Bij de voorbereiding van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging wijst de officier van justitie een geneesheer-directeur aan (zie art. 5:4 Wet verplichte ggz). In de Wet verplichte ggz keert de voorwaardelijke machtiging zoals thans geregeld in art. 14a Wet Bopz, niet terug18.

2.11

Onderdeel III bevat enkele samenhangende klachten. Kort samengevat:

( a) De rechtbank heeft ten onrechte geen beslissing gegeven op het verzoek van betrokkene om aanhouding van de zaak in afwachting van het resultaat van de (door betrokkene reeds aangevraagde) second opinion. Volgens het middelonderdeel is dit oordeel in strijd met artikel 23 Rv. Indien de rechtbank van oordeel was dat artikel 23 Rv niet geldt in een Bopz-procedure, had de rechtbank dit in de motivering tot uitdrukking moeten brengen.

( b) Het oordeel van de rechtbank dat zij niet behoefde in te gaan op het aanhoudingsverzoek geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

( c) Indien de rechtbank de uitslag van de aangevraagde second opinion niet van belang heeft geacht voor haar beslissing, is dat oordeel onbegrijpelijk en een miskenning van haar motiveringsplicht.

( d) Dat volgens de rechtbank een nieuw verzoek kan worden gedaan indien uit de second opinion een andere uitslag dan de huidige diagnose komt, is rechtens onjuist omdat de wet niet in deze mogelijkheid voorziet; in ieder geval is onduidelijk welke wettelijke grondslag de rechtbank hierbij voor ogen heeft gestaan.

2.12

De klachten onder (a) en (b) falen naar mijn mening, omdat zij berusten op de veronderstelling dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het verzoek om aanhouding. De rechtbank heeft met haar overweging dat zij ‘niet ingaat’ op het aanhoudingsverzoek onmiskenbaar tot uitdrukking gebracht dat dit verzoek werd afgewezen.

2.13

Wat betreft de motiveringsklachten onder (c) en (d): indien aan de Bopz-rechter wordt verzocht een nader deskundigenonderzoek te bevelen bij wege van contra-expertise of second opinion, is de rechter niet verplicht dit verzoek toe te wijzen. Niettemin geldt de regel dat, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen en tot vrijheidsbeneming leidende beslissing, een dergelijk verzoek slechts gemotiveerd kan worden afgewezen19. In dit geval is geen verzoek om een nader deskundigenonderzoek tot de rechtbank gericht: de behandelaar had al ingestemd met het verzoek van betrokkene om een second opinion20. De gevraagde second opinion had kennelijk (mede) betrekking op de juistheid van de gestelde diagnose21.

2.14

Vooropgesteld: de behandelend arts had weinig ruimte om medewerking aan een door de patiënt gewenste second opinion te weigeren. De omstandigheid dat de behandelaar jegens de patiënt had ingestemd met het inwinnen van een second opinion is niet bindend voor de rechter. Evenmin levert deze enkele omstandigheid een aanwijzing op dat de behandelend arts zelf twijfelde aan de juistheid van zijn of haar diagnose22. Betrokkene heeft – zoals gezegd − niet aan de rechtbank verzocht een nader deskundigenonderzoek te gelasten, ook niet subsidiair.

2.15

Toch ben ik van mening dat de klachten onder (c) en (d) slagen. Zoals de rechtbank vaststelt, zou het aangevraagde second opinion-onderzoek plaatsvinden in Utrecht op 28 augustus 2018, dus twee weken later23. Betrokkene verzocht om aanhouding van de behandeling totdat het resultaat van dat onderzoek bekend was. De rechtbank heeft het verzoek om aanhouding afgewezen op grond van alleen de overweging dat “indien er uit de second opinion een andere uitslag komt dan de huidige diagnose die gesteld is, aan de officier van justitie een nieuw verzoek gedaan kan worden”. Die motivering kan de gevolgtrekking (de weigering van het aanhoudingsverzoek) niet dragen. Onduidelijk is wat de rechtbank bedoelt met ‘een nieuw verzoek’. Wellicht heeft de rechtbank gedacht aan artikel 14g Wet Bopz. Op grond van die wettelijke bepaling kan de behandelaar een verklaring verstrekken die inhoudt dat de betrokkene niet langer in zijn geestesvermogens gestoord is en/of niet langer gevaarlijk is. Indien de behandelaar het verzoek om zo’n verklaring te verstrekken afwijst, kan de betrokkene aan de officier van justitie vragen daarover de beslissing van de rechter te verzoeken (artikel 14g lid 4). Nadat de bedoelde verklaring is verschaft kan geen dwangopneming meer plaatsvinden; de voorwaardelijke machtiging blijft in stand (artikel 14f Wet Bopz). Het bestaan van deze wettelijke mogelijkheid verklaart echter niet waarom betrokkene er geen belang bij zou hebben dat het resultaat van de aangevraagde second opinion wordt afgewacht vóórdat de rechtbank een beslissing neemt op het verzoek om een voorwaardelijke machtiging. Zoals gezegd had het verzoek (mede) betrekking op de diagnose. In een dergelijke situatie geldt naar mijn mening evenzeer een verzwaarde motiveringsplicht indien de rechter het verzoek verwerpt om het resultaat van de verzochte second opinion af te wachten.

2.16

Indien de klachten onder (c) en (d) slagen, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv.

1 Zie art. 14c lid 2 Wet Bopz.

2 MvT, Kamerstukken II, 2005-2006, 30 492, nr. 3, blz. 14. Zie voor een overzicht van de parlementaire geschiedenis op dit punt de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (alinea’s 2.3 t/m 2.12) vóór HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5048, NJ 2009/437 m.nt. J. Legemaate en de conclusie (alinea’s 2.6 - 2.9) vóór HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2526; W. Dijkers, SDU-Commentaar Bopz, art. 14a Wet Bopz, aant. C.7.4.

3 Zie MvT, Kamerstukken II, 2005/06, 30 492, nr. 3, blz. 6. Zie ook W. Dijkers, SDU-Commentaar Bopz, art. 14a Wet Bopz, aant. C.10.3.

4 Zie MvT, Kamerstukken II, 2005/06, 30 492, nr. 3, blz. 14; Handelingen II, 2006/07, 36, blz. 2304.

5 Het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie bevat, mogelijk bij vergissing, de vermelding “dat betrokkene ermee heeft ingestemd zich onder behandeling te stellen van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan”.

6 Zie HR 16 januari 2009, hiervoor reeds aangehaald, rov. 3.3.

7 Blijkens het proces-verbaal, blz. 1, heeft de behandelend psychiater gezegd: “om zichzelf buiten de instelling te kunnen handhaven hebben wij een rechterlijke machtiging nodig, omdat de betrokkene anders de medicatie niet meer inneemt. Zij leeft wel de voorwaarden, soms onder protest, na.”

8 Zie art. 14d lid 1 Wet Bopz. Het protest van betrokkene is ook te kennen uit de geneeskundige verklaring, rubriek 3 (onder 3a1), rubriek 4 (onder 4a1) en rubriek 6 (onder a).

9 Zie ter vergelijking: HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2526, rov. 3.3.3 (motivering onvoldoende); HR 16 januari 2009, reeds aangehaald, rov. 3.3 (motivering voldoende); alinea’s 2.7 t/m 2.12 van de conclusie vóór HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2163 (artikel 81 lid 1 RO; motivering voldoende).

10 Vgl. R.B.M. Keurentjes, Tekst & Toelichting Wet Bopz (2012), aant. 105 (slotalinea): “De wel gehoorde visie dat de instemming van betrokkene ook zou zien op andere onderdelen van het behandelingsplan, zoals de diagnose, is niet terecht.”

11 Artikel 1 Wet Bopz onderscheidt de begrippen ‘psychiatrisch ziekenhuis’ en ‘instelling’. Het begrip ‘psychiatrisch ziekenhuis’ is in art. 1 lid 1 Wet Bopz omschreven als: een door Onze Minister als psychiatrisch ziekenhuis, verpleeginrichting dan wel zwakzinnigeninrichting aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan, gericht op behandeling, verpleging en verblijf van personen die gestoord zijn in hun geestvermogens en mede geschikt voor de desbetreffende categorie van met toepassing van hoofdstuk VI, par. 1, of hoofdstuk VIII opgenomen personen’.

12 Dit is in de MvT, Kamerstukken II, 1999-2000, 27 289, nr. 3, blz. 10-11 toegelicht als volgt: “Als het enigszins kan wordt in het behandelingsplan al aangegeven welk psychiatrisch ziekenhuis bereid is om betrokkene op te nemen indien zulks nodig mocht zijn. De hiervoor geschetste ontwikkeling van het werken vanuit een regionale GGZ-organisatie zal als voordeel hebben dat het in die gevallen mogelijk zal zijn om in het behandelingsplan al de instelling op te nemen.”

13 Zie het nader gewijzigd amendement van het Lid Van der Hoek c.s., Kamerstukken II, 2001-2002, 27 289, nr. 30. Zie daarover ook R.B.M. Keurentjes, Tekst & Toelichting Wet Bopz (2012), aant. 119.

14 Zie W. Dijkers, SDU-Commentaar, art. 14a Wet Bopz, aant. C.7.7.

15 Zie W. Dijkers, SDU-Commentaar, art. 14a Wet Bopz, aant. C.7.7 en art. 14b Wet Bopz, aant. C.2 (onder ‘Wijziging psychiatrisch ziekenhuis’). Vgl. R.B.M. Keurentjes, Tekst & Toelichting Wet Bopz (2012), aant. 111. Ook art. 14b is van overeenkomstige toepassing op een nieuw verzoek om een voorwaardelijke machtiging, zie art. 14c lid 7 Wet Bopz.

16 Proces-verbaal, blz. 2. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit verweer als volgt samengevat: “Verder merkt hij [lees: de advocaat] op dat er in het behandelplan bij een eventuele opname geen plaatsnaam staat vermeld, wat wel door de wet wordt voorgeschreven”.

17 Zie de op rijksoverheid.nl gepubliceerde lijst van instellingen met een Bopz-aanmerking per 10 oktober 2018 (bijlagen 1, 2 en 3 bij de Regeling aanmerking psychiatrisch ziekenhuis).

18 Volledigheidshalve: de rechter kan wel voorwaarden stellen in het kader van de beslissing op een verzoek tot beëindiging van verplichte zorg: zie art. 8:18 lid 8 en art. 8:20 Wet verplichte ggz.

19 Vaste rechtspraak sinds HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, BJ 2006/14 m.nt. W.J.A.M. Dijkers, NJ 2007/153 m.n.t J. Legemaate, rov. 3.3.1. Zie daarover ook de conclusie (alinea’s 2.4 en 2.5) in de zaak 18/04083.

20 In het overgelegde decursus-verslag valt te lezen dat het verzoek om een second opinion op 8 maart 2018 is gehonoreerd.

21 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de behandelend psychiater opgemerkt: “De second opinion is op eigen verzoek van de betrokkene gedaan. Wij hebben geen twijfel dat er dezelfde diagnose uitkomt dan gesteld is.” De hiervoor aangehaalde brief van de behandelaren van 20 juli 2018 vermeldt: “Momenteel wacht cliënte op een oproep voor een second opinion. Zij wil onze behandelindicatie toetsen bij een onafhankelijke partij.”

22 De KNMG-richtlijn gedragsregels voor artsen (2013, versie 3.1) bepaalt onder II.19: “De arts honoreert het verzoek om een verwijzing ten behoeve van een tweede mening (second opinion), tenzij hij zwaarwegende argumenten daartegen heeft, die gemotiveerd kenbaar worden gemaakt.”

23 Zie de bestreden beschikking op blz. 1 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, blz. 2.