Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:275

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17/04494
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:763
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Art. 248b Sr. Verdachte heeft seksuele handelingen verricht met iemand die de leeftijd van 18 jaar nog (net) niet had bereikt. In advertenties op website gaf slachtoffer aan negentien en drieëntwintig jaar oud te zijn. Afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de leeftijd? Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04494

Zitting: 26 maart 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 10 augustus 2017 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2016 bevestigd, waarbij de verdachte wegens “ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een geldboete van duizend euro, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt over ‘s hofs verwerping van het beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de leeftijd van het slachtoffer.

  4. Ten laste van de verdachte heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis bewezen verklaard dat:

“hij in de periode 1 december 2014 tot en met 12 maart 2015, te Utrecht, meermalen,

telkens ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] 1997), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, welke ontucht telkens bestond uit het:

- (tong)zoenen van die [slachtoffer] en

- brengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en

- zich door die [slachtoffer] laten pijpen, althans het door die [slachtoffer] in de mond nemen van de penis van verdachte en

- beffen door verdachte, althans het likken van de vagina van die [slachtoffer] .”

5. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het slachtoffer twee maal bij hem thuis is geweest, dat hij niet om haar legitimatiebewijs heeft gevraagd, maar dat hij is afgegaan op de leeftijd die het slachtoffer volgens de website zou hebben, te weten 19 of 20 jaar oud, mede omdat op de website ook stond vermeld dat alle meisjes op die website staat 18 jaar of ouder zijn. Ook in eerste aanleg had de verdachte een dergelijk verweer gevoerd, dat door de rechtbank is opgevat als een beroep op afwezigheid van alle schuld.

6. Ten aanzien van dit verweer heeft de rechtbank in het door het door het hof bevestigde vonnis het volgende overwogen:

“Voorop wordt gesteld dat de strekking van artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht ziet op het tegengaan van jeugdprostitutie, waarbij de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel vormt. Dit bestanddeel is bewezen als objectief komt vast te staan dat de minderjarige tussen de 16 en 18 jaar oud was. De leeftijd is als geobjectiveerd bestanddeel in dit wetsartikel (en in andere wetsartikelen betreffende de zeden) opgenomen ter bescherming van minderjarigen. De wetgever heeft hiermee benadrukt dat hij hecht aan het grote belang van bescherming van minderjarigen in zedenzaken. De wetenschap bij de verdachte van de leeftijd van het meisje is voor een bewezenverklaring niet van belang. Dat laat onverlet dat de verdachte een verweer kan voeren ten aanzien van zijn strafbaarheid. Een beroep op afwezigheid van alle schuld, dat wil zeggen op het ontbreken van alle strafrechtelijke relevante verwijtbaarheid, zal, naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen. Op grond daarvan had de verdachte de verplichting om zeer gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd van de prostituee. Dat de verdachte heeft gereageerd op een advertentie op een legale website maakt niet dat de verdachte zomaar van de juistheid van de informatie op die website mocht uitgaan, ook niet nu het meisje er naar zijn mening als meerderjarige uitzag. Dat de verdachte ervan uitging dat de beheerder van de website de leeftijd van de adverterende prostituees zou controleren, maakt dit niet anders. Nu niet is gebleken dat de verdachte zich op enigerlei wijze heeft ingespannen om zekerheid te krijgen over de precieze leeftijd van de minderjarige en uitsluitend genoegen nam met de in de advertentie vermelde leeftijd van 19 jaar, is er reeds daarom geen sprake van afwezigheid van alle schuld en wordt het verweer verworpen.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.”

7. Blijkens de toelichting daarop klaagt het middel dat de verdachte van mening is dat hij heeft voldaan aan de verplichting om zeer gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd van het slachtoffer. De verdachte heeft zich immers gewend tot een website die strikte normen zou hanteren voor onder meer de leeftijd van de adverteerder, omdat “om op deze website te mogen adverteren, [men dient] te verklaren minimaal achttien jaren oud te zijn en de algemene voorwaarden te hebben gelezen en te accepteren”. Op de website zou het slachtoffer op eigen initiatief hebben geadverteerd met advertenties en hebben aangegeven negentien en drieëntwintig jaar oud te zijn, terwijl zij achteraf gezien destijds slechts zeventieneneenhalf jaar oud was. Aan haar uiterlijk zou dit “absoluut niet duidelijk” zijn geweest en de verdachte had geen recht om haar naar haar legitimatiebewijs te vragen. Ook zou het slachtoffer niet de plicht hebben gehad om haar legitimatiebewijs aan de verdachte te tonen. Daarmee heeft de verdachte al het mogelijke gedaan om te voorkomen dat hij met iemand seksuele handelingen zou verrichten die jonger was dan achttien jaren en zou hem een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomen.

8. In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de minderjarigheid in art. 248b Sr een geobjectiveerd bestanddeel vormt en dat voor een veroordeling ter zake van het in dit artikel omschreven misdrijf niet is vereist dat komt vast te staan dat het opzet van de verdachte zich mede heeft uitgestrekt tot de in die delictsomschrijving genoemde leeftijd van het slachtoffer.1 Het middel richt zich niet tegen de bewezenverklaring. Wel wordt geklaagd over de verwerping van het beroep op afwezigheid van alle schuld.

9. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In de twee zogenaamde ‘Leeftijdarresten’2 heeft de Hoge Raad – alweer ruim 60 jaar geleden – bepaald dat aan de verdachte die aanvoert in dwaling te hebben verkeerd ten aanzien van de leeftijd van het slachtoffer vermeld in art. 245 en 247 Sr, een beroep op afwezigheid van alle schuld met betrekking tot die dwaling niet kan worden ontzegd, maar dat bij de beoordeling daarvan wel moet worden gekeken naar de aard en de strekking van de strafbepaling, waarvan overtreding aan de verdachte verweten wordt. In het kader van artikel 245 en 247 Sr heeft de Hoge Raad overwogen dat deze bepalingen de strekking hebben jeugdige personen te beschermen tegen verleiding, die mede van hen zelf kan uitgaan. Gelet op de bescherming die deze bepalingen beogen te bieden, zou het doel van deze strafbepalingen worden gemist indien voor het honoreren van een beroep op afwezigheid van alle schuld al voldoende zou zijn dat de jeugdigen een ouder voorkomen hebben en dat zij, gevraagd naar de leeftijd, een hogere opgeven dan de werkelijke. Aangenomen moet worden dat hetzelfde geldt ten aanzien van het later ingevoerde artikel 248b Sr. De eisen zijn daarmee streng, hetgeen tot gevolg heeft dat geslaagde verweren waarin een beroep is gedaan op afwezigheid van alle schuld in leeftijd-zaken een zeldzaamheid zijn.3

10. Het hof heeft met de rechtbank geoordeeld dat het verweer van de verdachte de hoge drempel voor een geslaagd beroep op afwezigheid van alle schuld niet haalt, “nu niet is gebleken dat de verdachte zich op enigerlei wijze heeft ingespannen om zekerheid te krijgen over de precieze leeftijd van de minderjarige en uitsluitend genoegen nam met de in de advertentie vermelde leeftijd van 19 jaar”. Het hof was kennelijk van oordeel dat voor de verdachte wel degelijk mogelijkheden openstonden om de leeftijd van het slachtoffer te verifiëren. Dat oordeel is mede gelet op hetgeen onder randnummer 9 is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk, vooral nu, anders dan in de toelichting op het middel is betoogd, er voor de verdachte niets aan in de weg stond om het slachtoffer om een legitimatiebewijs te vragen, danwel om bijvoorbeeld bij de beheerder van de website navraag te doen of deze de leeftijd van het slachtoffer aan de hand van een legitimatiebewijs had gecontroleerd. Het verweer is voorts voldoende gemotiveerd verworpen, nu de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis heeft overwogen dat de omstandigheid dat de verdachte heeft gereageerd op een advertentie op een legale website niet maakt dat de verdachte zomaar van de juistheid van de informatie op die website mocht uitgaan, ook niet nu het meisje er naar zijn mening als meerderjarige uitzag, en dat de omstandigheid dat de verdachte ervan uitging dat de beheerder van de website de leeftijd van de adverterende prostituees zou controleren, dit niet anders maakt.

11. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.

12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Vgl. HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1030, NJ 1998/782 m.nt. A.C. ’t Hart.

2 Zie HR 20 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:135, NJ 1959, 102 m.nt. Pompe (Leeftijd in art. 247 Sr) en ECLI:NL:HR:1959:BH0983, NJ 1959/103 (Leeftijd in art. 247 Sr II).

3 Vgl. K. Lindenberg en A.A. van Dijk, Herziening van de zedendelicten. Een analyse van Titel XIV, Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht met het oog op samenhang, complexiteit en normstelling, WODC 2015, p. 114.