Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:265

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
20-03-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
19/00908
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1280, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Procesrecht. Voorwaardelijke machtiging. Enkelvoudig horen en meervoudig beslissen. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0130
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 19/00908 mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 20 maart 2019 Conclusie inzake:

[betrokkene]

(hierna: betrokkene),

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning

tegen

Officier van Justitie Amsterdam,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze Bopz-zaak is een voorwaardelijke machtiging verleend. Bij de mondelinge behandeling van de zaak (het horen van betrokkene) heeft de (enkelvoudig) behandelend rechter aangegeven de zaak met twee ambtgenoten te bespreken, waarna de beschikking meervoudig is gewezen. Betrokkene komt op tegen het feit dat hij op deze wijze niet door alle beslissende rechters is gehoord.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift van 19 oktober 2018, op dezelfde datum ter griffie ingekomen, heeft de officier van justitie de rechtbank Amsterdam verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen met betrekking tot betrokkene. Betrokkene verbleef toen in de ambulante behandellocatie Arkin in Amsterdam .

1.2

Bij eerdere beschikking van 24 mei 2018 van de rechtbank Den Haag was een voorlopige machtiging verleend tot het doen opnemen en doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis van betrokkene tot en met 24 november 2018. Per 7 juni 2018 is betrokkene uit het desbetreffende psychiatrische ziekenhuis voorwaardelijk ontslag verleend, met als voorwaarden (i) dat hij zijn medicijndepot accepteert, (ii) dat hij de afspraken met zijn ambulant behandelteam nakomt, (iii) dat hij indien nodig meewerkt aan laboratoriumonderzoek, en (iv) dat hij indien nodig huisbezoeken accepteert. Het overleg met betrokkene over deze voorwaarden heeft destijds tot overeenstemming geleid.

1.3

Bij het onder 1.1 bedoelde verzoekschrift is, behalve een behandelingsplan en de melding voorwaardelijk ontslag, een geneeskundige verklaring van 18 oktober 2018 gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater, waarin als belangrijkste diagnose is aangekruist ‘stemmingsstoornissen, manische of gemengde episode met psychotische kenmerken’.

1.4

Op 22 november 2018 heeft de rechtbank Amsterdam het verzoek mondeling behandeld ten overstaan van een enkelvoudig behandelend rechter (aangeduid als: de behandelend rechter). Daarbij zijn blijkens het proces-verbaal op die datum betrokkene en zijn advocaat, en de behandelend psychiater (aangeduid als: de behandelaar) gehoord. Betrokkene heeft zich daarbij verzet tegen verlening van de rechterlijke machtiging met dwangmedicatie.

1.5

In het proces-verbaal (en ook in de daarop volgende beschikking) is voorts het volgende opgenomen:

“Gezien de complexiteit van de zaak heeft de behandelend rechter ter zitting medegedeeld de zaak te zullen bespreken met twee ambtgenoten. Hij zal trachten de rechter die de machtiging in maart van dit jaar afwees in deze beraadslaging te betrekken. De beschikking is [zal, AG] vervolgens meervoudig worden gewezen.”

1.6

Vervolgens heeft de rechtbank de voorwaardelijke machtiging met betrekking tot betrokkene bij beschikking van 22 november 2018 verleend voor de duur van zes maanden (tot 23 mei 2019), en bepaald dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan, waarvan een kopie aan de beschikking is gehecht. Deze beschikking is gegeven door drie rechters, onder wie de behandelend rechter.

1.7

Namens betrokkene is op 19 februari 2019 – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen de gang van zaken tijdens deze procedure, waarin de rechtbank meervoudig heeft beschikt zonder betrokkene meervoudig te horen, en de daaruit voortvloeiende beslissing. Het omvat drie onderdelen. Het eerste onderdeel bevat rechtsklachten over deze gang van zaken, het tweede onderdeel (hoofdzakelijk) motiveringsklachten en het derde onderdeel bevat de uit dit alles te trekken conclusie in het kader van artikel 5 van het EVRM.

2.2

Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank door (direct) na de zitting en verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer (inhoudelijk) te oordelen en beslissen op de wijze zoals zij heeft gedaan, heeft miskend dat de meervoudige kamer waarnaar werd verwezen, betrokkene (en zijn advocaat) op de voet van art. 8 Wet Bopz opnieuw had moeten horen nu het hier gaat om verwijzing van de zaak met het “doel aldus in een zwaardere bezetting een nader en diepgaand onderzoek mogelijk te maken1. Daardoor heeft de rechtbank art. 8 lid 1 Wet Bopz geschonden. Indien de rechtbank van oordeel is geweest dat bij verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer een tweede verhoor van betrokkene (en zijn advocaat) ten overstaan van de voltallige kamer onder de gegeven omstandigheden in zijn algemeenheid niet meer hoeft plaats te vinden, getuigt dat oordeel dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. Ook in gevallen als het onderhavige brengt immers het recht te worden gehoord ten overstaan van de rechter die de zaak beschikt (als bedoeld in art. 8 Wet Bopz) met zich dat een beschikking alleen dan mag worden gegeven als de mondelinge behandeling van de zaak ten overstaan van alle rechters heeft plaatsgevonden, om te waarborgen dat het verhandelde ter zitting daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van hun beslissing.2 Dat is niet anders ingeval de verwijzende rechter betrokkene al heeft gehoord. Indien de rechtbank van oordeel is geweest dat in gevallen als het onderhavige steeds en zonder meer van een tweede verhoor van betrokkene kan (en mag) worden afgezien als daarvoor volgens de rechtbank gronden bestaan, getuigt dit oordeel eveneens van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het immers in deze gevallen in het algemeen de voorkeur dat bij verwijzing naar een meervoudige kamer het (tweede) verhoor van betrokkene plaatsvindt ten overstaan van de voltallige kamer, en dat daarvan uitsluitend kan worden afgeweken als (voldoende) aannemelijk is dat het tweede verhoor door de voltallige kamer door de betrokkene als bedreigend zal (kunnen) worden ervaren.3

Onderdeel 2 klaagt dat als de rechtbank van oordeel was dat van een dergelijk tweede verhoor kon worden afgezien omdat aannemelijk was dat zo’n verhoor door betrokkene als bedreigend zou worden ervaren, zij haar beschikking ontoereikend heeft gemotiveerd, nu dat niet uit de in de beschikking en het proces-verbaal gegeven motivering kenbaar volgt, of daaruit kan worden afgeleid. Een dergelijk oordeel is onbegrijpelijk, ook nu uit de stukken niet volgt dat tijdens de hoorzitting van 22 november 2018 is gebleken dan wel anderszins aannemelijk is (geworden) dat een tweede verhoor ten overstaan van de voltallige kamer door betrokkene als bedreigend zou worden ervaren. Ook voor zover de rechtbank van oordeel is geweest dat betrokkene (of zijn advocaat) afstand had gedaan van het hem onder art. 8 lid 1 Wet Bopz toekomende recht op een tweede verhoor, omdat ter zitting van 22 november 2018 zijdens betrokkene geen bezwaar is gemaakt en niet om een tweede verhoor ten overstaan van de voltallige kamer is verzocht, zijn de hier bestreden oordelen (en handelingen) van de rechtbank onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd. Alsdan heeft de rechtbank miskend dat voor het doen van afstand van het fundamentele recht van betrokkene op rechterlijk gehoor vereist was dat zijnerzijds uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ter zitting moet zijn kenbaar gemaakt dat hij dit prijsgaf. Als de rechtbank dit niet heeft miskend, is haar beschikking ontoereikend gemotiveerd nu uit de stukken en de motivering niet volgt of, dat en op welke wijze betrokkene volgens de rechtbank afstand heeft gedaan van het (recht op) een tweede verhoor.

Onderdeel 3 betoogt dat uit de onderdelen 1 en 2 volgt dat in de bestreden beschikking (dan ook) niet is geoordeeld en beslist “in accordance with a procedure prescribed by law” tot de verlening van een voorwaardelijke machtiging ten behoeve van (mogelijke) “lawful detention of persons of unsound mind” in de zin van art. 5 lid 1 sub e en lid 4 EVRM.

2.3

De onderdelen van het middel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Alvorens daartoe over te gaan, wordt het volgende vooropgesteld.

Bopz-jurisprudentie

2.4

Tot de voorschriften van zowel de oude Krankzinnigenwet als de huidige Wet Bopz (art. 8, hier in verbinding met art. 14a lid 4 Wet Bopz)4 behoort dat de betrokkene door de rechter steeds wordt gehoord alvorens een beslissing wordt genomen5 (behoudens uitzonderingen zoals de vaststelling van het ontbreken van zijn bereidheid daartoe of de onmogelijkheid daartoe, waarvoor in dit geval geen enkele aanwijzing bestaat). Het horen is immers, naast zijn processuele functie, ook een essentiële waarborg tegen onnodige toepassing van (ingrijpende, veelal vrijheidsbenemende) Bopz-maatregelen, in zaken waarin over het algemeen sprake zal zijn van een betrokkene die in een fragiele positie is komen te verkeren en veelal minder goed in staat is om zijn belangen te behartigen en zijn bezwaren tegen de maatregel te uiten.6 Uit de jurisprudentie volgt ook dat met verwijzing naar de meervoudige kamer - met als doel in een zwaardere bezetting een nader en diepgaand onderzoek te doen 7 – niet verenigbaar is dat de meervoudige kamer beslist zonder de betrokkene opnieuw te horen.8 Dit opnieuw horen kan onder omstandigheden echter plaatsvinden door een door de meervoudige kamer uit hun midden aangewezen rechter-commissaris (vgl. art. 15 lid 4 Rv.). Dit kan ook de rechter zijn die eerder naar de meervoudige kamer had verwezen, en daar vervolgens ook zelf deel van uitmaakt. Ofschoon het in het algemeen de voorkeur verdient dat bij verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer het (tweede) verhoor van de betrokkene plaatsvindt ten overstaan van de voltallige kamer, kan er grond zijn om hiervan af te wijken, met name indien aannemelijk is dat een verhoor door de voltallige kamer door de betrokkene als bedreigend zal worden ervaren.9

Algemene procesrechtelijke jurisprudentie

2.5

In recentere jurisprudentie werd een nieuwe algemene procesrechtelijke lijn voor civiele zaken uitgezet die ook voor deze Bopz-zaken relevant is.

2.6

In HR 31 oktober 2014 ([…]/Staat), ECLI:NL:HR:2014:3076 is – in een zaak met een in de loop van de behandeling van de zaak gedefungeerde rechter – onder meer geoordeeld dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, behoudens bijzondere omstandigheden, behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegenomen bij de totstandkoming van die beslissing (hierna aangeduid als: de regel van het arrest van 2014, of: de hoofdregel). Daarbij is erop gewezen dat deze regel in de afgelopen decennia aan betekenis heeft gewonnen door het toegenomen gewicht van de mondelinge behandeling, en dat mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en niet altijd volledig in een proces-verbaal kan worden weergegeven, nog daargelaten dat het opmaken van een proces-verbaal niet in alle gevallen wettelijk is voorgeschreven. Aan het belang dat de op een mondelinge behandeling volgende uitspraak wordt gewezen door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, zal echter niet onder alle omstandigheden kunnen worden tegemoet gekomen, bijvoorbeeld in geval van defungeren, overlijden of langdurig ziek worden. Het voorgaande brengt mee dat indien tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, partijen, alsmede – in verzoekschriftprocedures – belanghebbenden, daarover voorafgaand aan die uitspraak worden ingelicht, onder opgave van reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen en belanghebbenden zal in dat geval een nadere mondelinge behandeling mogen verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen. Dit verzoek mag in geen geval worden afgewezen indien niet een proces-verbaal van de eerdere mondelinge behandeling is opgemaakt en uiterlijk tegelijk met de hiervoor bedoelde mededeling aan partijen en belanghebbenden ter beschikking is gesteld. Anders is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen, wordt meegewogen bij de totstandkoming van de uitspraak. Is van die mondelinge behandeling wel (tijdig) een proces-verbaal opgemaakt en aan partijen en belanghebbenden ter beschikking gesteld, dan kan de rechter het verzoek afwijzen in het belang van een voortvarende procesvoering. Hij dient in dat geval in de – alsdan zonder nadere mondelinge behandeling volgende – uitspraak te motiveren waarom dit belang in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om zijn standpunt te mogen uiteenzetten ten overstaan van de rechters die over de zaak zullen oordelen.10

2.7

De in dit arrest gegeven regels worden verder uitgewerkt en verduidelijkt in HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662. Voor toepassing van die regels bestaat geen grond in een geval waarin sprake is van een rechterswisseling na een op een eerdere mondelinge behandeling gevolgde uitspraak, en aan de verdere beoordeling van het geschil een tweede mondeling behandeling voorafgaat. Het arrest van 2014 ziet op de situatie dat de uitspraak die volgt op een mondelinge behandeling een beslissing inhoudt over de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen. De verplichting van het gerecht om na een mondelinge behandeling aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling vervalt na de eerste uitspraak (elke uitspraak) die op de mondelinge behandeling volgt. Partijen kunnen daarna zelf een afweging maken of in geval van een rechterswisseling een nadere mondelinge behandeling gewenst is en in bevestigend geval naar een eventuele rechterswisseling informeren. Na een uitspraak is het dus aan partijen om in dit verband initiatieven te ontplooien. De voorwaarden die in de nadere regels van het arrest van 2014 zijn gesteld aan de afwijzing van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling kunnen daarbij evenwel tot de einduitspraak een rol blijven spelen, al neemt het gewicht van het uitgangspunt van de regel van het arrest van 2014 af naarmate in tussenuitspraken verdergaand is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling ter sprake zijn gekomen, en weegt ook het belang van een voortvarende procesvoering mee.11

2.8

Indien een zaak meervoudig wordt beslist, brengt de strekking van de regel van het arrest van 2014 volgens HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264 en ECLI:NL:HR:2017:3259 mee dat een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters of raadsheren die de beslissing zullen nemen. Van dit doel is in het algemeen sprake bij een mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten. Indien in een meervoudig te beslissen zaak wordt bepaald dat een dergelijke mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, zal uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling (schriftelijk of elektronisch) aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris en dient aan partijen gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Voor het doen van dit verzoek kan een termijn worden gesteld, en dit verzoek zal, gelet op de hoofdregel in beginsel moeten worden ingewilligd. Het verzoek kan derhalve alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.

Indien verwijzing van een zaak van de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer plaatsvindt na een mondelinge behandeling waarin partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun stellingen toe te lichten en die voorafgaat aan de eerstvolgende uitspraak, dient van de verwijzing mededeling aan partijen te worden gedaan. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Voor het doen van dit verzoek kan een termijn worden gesteld. Voor afwijzing van dit verzoek gelden – kort gezegd – de nadere regels uit het arrest van 2014: dat mag alleen indien een proces-verbaal van de eerdere mondelinge behandeling is opgemaakt en uiterlijk tegelijk met de hiervoor bedoelde mededeling aan partijen en belanghebbenden ter beschikking is gesteld, en in het belang van een voortvarende procesvoering, over welk laatste aspect in de – alsdan zonder nadere mondelinge behandeling volgende – uitspraak een motivering moet worden opgenomen.

Meer algemeen geldt dat van een mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten en die plaatsvindt in een meervoudig te beslissen zaak ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris, een proces-verbaal dient te worden opgemaakt, dat voorafgaand aan de uitspraak aan partijen dient te worden gezonden en ter beschikking gesteld van de meervoudige kamer. Anders is onvoldoende gewaarborgd dat hetgeen ter zitting is voorgevallen bij de totstandkoming van de uitspraak door de meervoudige kamer wordt meegewogen.12

2.9

In HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 en HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971 volgen nog enkele uitwerkingen en preciseringen13. Het gaat daarbij om twee uitspraken waarbij een zaak (in hoger beroep) door de meervoudige kamer is beslist, maar waarin daarvoor een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Blijkens het dictum van het voorafgaande tussenarrest waarin de comparitie werd gelast, zou deze plaatsvinden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. De Hoge Raad oordeelt in deze zaken dat, nu de door het hof gelaste comparitie mede is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, van de regel dat deze comparitie in beginsel had dienen plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zouden nemen, kon worden afgeweken door tijdig voor de comparitie (schriftelijk of elektronisch) aan partijen mee te delen dat – nu was bepaald dat de comparitie zou worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris – partijen gelegenheid hadden om te verzoeken dat de comparitie zou worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zou nemen (met verwijzing naar de uitspraken van 2017). De Hoge Raad constateert dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat bedoelde mededeling in de aan hem voorliggende zaken niet aan partijen is gedaan, nu het tussenarrest in kwestie en het proces-verbaal van de comparitie hierover niets vermelden, en de betreffende eindarresten derhalve dienen te worden vernietigd.

Hij merkt nog wel op dat gerechten ook bij procesreglement kunnen regelen dat partijen kunnen verzoeken dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen; met een dergelijke regeling wordt voldoende gelegenheid gegeven voor het doen van dat verzoek.

Ten slotte merkt de Hoge Raad in het eerste van de in deze alinea genoemde arresten nog op dat aan het vorenstaande niet afdoet dat partijen in een dagvaardingszaak, ook na een comparitie als de onderhavige, op de voet van art. 134 Rv. alsnog om pleidooi ten overstaan van de meervoudige kamer kunnen verzoeken. Uit het enkele feit dat een partij daar niet om verzoekt, kan niet worden afgeleid dat zij na de comparitie alsnog afstand heeft gedaan van het haar toekomende recht om bij de comparitie haar stellingen toe te lichten ten overstaan van de raadsheren die de beslissing zouden nemen.14

2.10

Wat in deze reeks van uitspraken (onder meer) opvalt, is dat (i) de uitspraken van 2014 en 2016 (nog) spreken van de inlichting van partijen of de (schriftelijke of elektronische) mededeling aan partijen van de rechterswisseling (onder opgave van reden(en) van vervanging en beoogde uitspraakdatum) of van de mondelinge behandeling ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris in een meervoudig te beslissen zaak, waarna partijen (en belanghebbenden) een nadere mondelinge behandeling mogen verzoeken of zij daartoe de gelegenheid hebben; (ii) de uitspraken van 2017 spreken van eenzelfde mededeling aan partijen van de mondelinge behandeling ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris of van de verwijzing, waarna aan partijen evenwel de gelegenheid dient te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling (of een nieuwe mondelinge behandeling) zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen, terwijl (iii) de uitspraken van 2018 er (nog explicieter) melding van maken dat bij afwijking van de hoofdregel (schriftelijk of elektronisch) aan partijen (ook) moet worden meegedeeld dàt partijen gelegenheid hebben om te verzoeken dat de comparitie zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen.

Een nuanceverschil wellicht, maar mijns inziens moet daaruit de conclusie worden getrokken dat alleen de mededeling van (bijvoorbeeld) een verwijzing niet voldoende is, maar dat óók (althans ten minste in het procesreglement) moet worden medegedeeld dat partijen dientengevolge kunnen verzoeken om een (nieuwe) mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Dit lijkt des te meer het geval te zijn, omdat de Hoge Raad in een van de uitspraken van 2018 (de eerstgenoemde) is afgeweken van de conclusie van A-G De Bock. Zij merkte op dat in de uitspraken van 2017 aan partijen niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling was meegedeeld dat de mondelinge behandeling zou plaatsvinden ten overstaan van een raadsheer-commissaris (en partijen daarmee evenmin hadden ingestemd), maar dat dit in de zaak waarover zij concludeert anders ligt. In die zaak was niet alleen in een voorafgaand tussenarrest vermeld dat de comparitie zal dienen plaats te vinden ten overstaan van een met name genoemde en daartoe benoemde raadsheer-commissaris, maar was dat ook uit een aan de comparitie voorafgaande oproepingsbrief op te maken, zodat bekend was dat deze mondelinge behandeling enkelvoudig zou geschieden. Zij achtte het niet noodzakelijk dat daarin ook de mogelijkheid zou worden geboden om te verzoeken dat de comparitie zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen, mede in het licht dat partijen – anders dan in de zaken uit 2017 – na de comparitie alsnog om pleidooi ten overstaan van de meervoudige kamer hadden kunnen verzoeken, maar dat niet is gebeurd. Zoals reeds vermeld is de Hoge Raad haar in die opvatting niet gevolgd, en oordeelde hij dat ook de (onbenutte) mogelijkheid van een verzoek om pleidooi daaraan niet afdoet.

Toepassing

2.11

Gelet op het voorgaande kan in de nu voorliggende zaak worden geconcludeerd dat de procedurele gang van zaken niet in overeenstemming is met zowel de (al wat oudere) Bopz-jurisprudentie als met de recentere algemene procesrechtelijke lijn van de Hoge Raad, en zeker niet als deze in onderlinge samenhang worden beschouwd.

2.12

Wat betreft de Bopz-jurisprudentie kan worden opgemerkt dat hieruit volgt dat na verwijzing naar een meervoudige kamer de betrokkene in het kader van een nader en diepgaand onderzoek in een zwaardere bezetting opnieuw dient te worden gehoord. Dat is hier niet gebeurd, nu het horen in het onderhavige geval alleen heeft plaatsgevonden in het kader van de enkelvoudige behandeling, tijdens welke behandeling is geconcludeerd dat verwijzing gezien de complexiteit van de zaak op zijn plaats was.

Uitgangspunt (en voorkeur) is bovendien dat het opnieuw horen na verwijzing door de voltallige kamer gebeurt, maar er kan grond zijn om hiervan af te wijken en dan kan het verhoor plaatsvinden door een door de meervoudige kamer uit hun midden aangewezen rechter-commissaris (onder wie de rechter die eerder de verwijzing heeft gedaan). De grond die daarbij met name wordt genoemd is de situatie waarin aannemelijk is dat een verhoor door de voltallige kamer door de betrokkene als bedreigend zal worden ervaren. Dat leek dan ook aan de orde te zijn in de zaak waarover de betreffende uitspraak15 gaat: nadat in eerste instantie enkelvoudig was gehoord, waarna naar een meervoudige kamer was verwezen, heeft hier (inderdaad) opnieuw een (poging tot) verhoor door de meervoudige kamer plaatsgevonden, waarbij betrokkene zelf echter niet aanwezig was (wel zijn raadsvrouw), omdat hij volgens de ook aanwezige arts zo prikkelbaar was dat zich ieder moment een escalatie kon voordoen. Daarop heeft de meervoudige kamer besloten verzoeker te doen horen door een daartoe aangewezen rechter-commissaris uit haar midden (de verwijzend rechter). Het lijkt hier dan ook te gaan om uitzonderingen voor situaties waarin er een zekere noodzaak bestaat om niet meervoudig te horen, een noodzaak die dit meervoudig horen onmogelijk of onwenselijk maakt. Van een dergelijke situatie blijkt in het nu voorliggende geval echter niets. Betrokkene (met zijn raadsvrouw) was blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de daarop volgende beschikking vóór verwijzing reeds op succes- en zinvolle wijze door de enkelvoudig behandelend rechter gehoord. Van een reden om niet meervoudig te horen blijkt ook niets uit proces-verbaal of beschikking, zodat in cassatie van het ontbreken daarvan moet worden uitgegaan.

Van de in bedoelde uitspraak aanwezige situatie verschilt de onderhavige situatie derhalve dusdanig, dat mijns inziens niet kan worden geconcludeerd dat hier het (vóór verwijzing reeds) door de enkelvoudig behandelend rechter gehouden verhoor van de betrokkene zou kunnen volstaan.

2.13

A-G Asser heeft in zijn conclusie vóór HR 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0575, NJ 1992/445 (onder 2.7-2.11) nog geopperd om het enkelvoudige horen van betrokkene vóór verwijzing naar een meervoudige kamer gelijk te stellen met het door de rechtbank aan een rechter-commissaris opgedragen verhoor (dat op zichzelf dus niet is uitgesloten). Dat zou volgens hem een praktische oplossing kunnen betekenen waardoor de rechtbank ontslagen wordt van de verplichting om binnen mogelijk betrekkelijk korte tijd de betrokkene (voor hem dan: nog eens) te horen, wat mogelijk een herhaling van zetten zou opleveren. De rechtbank (met daarin de eerder enkelvoudig optredend rechter) kan dan profiteren van de indrukken die deze rechter van het door hem gehouden verhoor heeft gehouden. Asser meent echter zelf dat er teveel argumenten tegen deze oplossing pleiten. De Hoge Raad heeft vervolgens, zoals hierboven al duidelijk werd, naar aanleiding van de behandeling van die zaak ook niet gekozen voor deze opvatting.

Ook in het licht van het hieronder toe te passen algemeen procesrechtelijke kader ten slotte – waarin voor beide gevallen een (iets) afwijkende set van nadere regels geldt – meen ik dat een dergelijke opvatting niet (meer) kan worden volgehouden. In dat kader valt overigens op dat voor de afwijzing van een verzoek om een meervoudige mondelinge behandeling na een door de meervoudige kamer aan een rechter-commissaris opgedragen mondelinge behandeling zelfs nog strengere eisen lijken te gelden dan voor de afwijzing van een dergelijk verzoek na een verwijzing (dat kan in het eerste geval immers alleen op in de uitspraak te vermelden zwaarwegende gronden). Dat lijkt verklaarbaar uit het feit dat bij het door de meervoudige kamer aan een rechter-commissaris opgedragen mondelinge behandeling op dat moment nog géén mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, en dit derhalve nog gemakkelijker en zonder veel tijdsverlies alsnog ten overstaan van de voltallige kamer kan plaatsvinden. Bij een verwijzing zal daarvoor echter steeds een tweede mondelinge behandeling moet plaatsvinden. Het belang van een voortvarende procesvoering kan dan eerder leiden tot afwijzing van het verzoek. In dat licht lijkt een opvatting als destijds door Asser werd geopperd, als praktische oplossing dus ook nog weinig zoden aan de dijk te zetten.

2.14

In het kader van de algemene procesrechtelijke jurisprudentie in civiele zaken kan het volgende worden opgemerkt. Ook hier is het uitgangspunt (de hoofdregel) een meervoudige mondelinge behandeling van een zaak die meervoudig wordt beslist, althans voor zover het betreft een mondelinge behandeling die mede tot doel heeft of is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten. Van dit doel is in het algemeen sprake bij een mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten. Voor afwijking gelden specifieke nadere regels en voorschriften. In het geval van een verwijzing door een enkelvoudige rechter naar een meervoudige kamer geldt dat van die verwijzing (schriftelijk of elektronisch) mededeling moet worden gedaan aan partijen en belanghebbenden en aan elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen en belanghebbenden (als gezegd mijns inziens dus expliciet) gelegenheid moet worden gegeven om te verzoeken dat een mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen (althans voor zover het betreft de op de mondelinge behandeling en verwijzing eerstvolgende uitspraak). Afwijzing van een dergelijk verzoek is alleen mogelijk indien een proces-verbaal is opgemaakt dat tegelijk met deze mededeling aan partijen ter beschikking is gesteld, en in het belang van een voortvarende procesvoering. Die afwijzing moet gemotiveerd in de uitspraak worden opgenomen.

2.15

In deze zaak is meervoudig beslist, terwijl het daaraan voorafgaande verhoor van betrokkene enkelvoudig heeft plaatsgevonden. Het horen van betrokkene had tot doel en is ook benut om betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn standpunt toe te lichten (overigens is ook sprake van de enige en direct in aansluiting op het verzoek van de OvJ volgende mondelinge behandeling van de zaak). Ten slotte gaat het hier om de op deze mondelinge behandeling en verwijzing direct volgende beschikking.

2.16

Aan de hoofdregel van de meervoudige mondelinge behandeling, maar ook aan de nadere regels voor afwijzing is niet voldaan.

Er is weliswaar in het proces-verbaal en de beschikking opgenomen dat mededeling is gedaan van het feit dat de beschikking (na een beraadslaging met twee ambtsgenoten en het daarin trachten te betrekken van de rechter die een machtiging eerder had afgewezen) “meervoudig [zal] worden gewezen”, maar niet van de gelegenheid (mogelijkheid) die de bij de mondelinge behandeling verschenen betrokkene heeft om te verzoeken dat alsnog een mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Ook blijkt niet van instemming van betrokkene met slechts een enkelvoudig verhoor. Nu de beschikking in kwestie en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling hierover niets vermelden, moet er in cassatie van worden uitgegaan dat laatstbedoelde mededeling in de voorliggende zaak niet is gedaan. Voor de behandeling van Bopz zaken bestaat voorts geen specifiek procesreglement waarin is geregeld dat partijen kunnen verzoeken dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen.

De mededeling die wel gedaan is (zoals opgenomen in het proces-verbaal en ook in de beschikking), is weliswaar strikt genomen voorafgaand aan de beschikking – tijdens de mondelinge behandeling – gedaan, maar wel op dezelfde dag als die waarop deze beschikking ook is gedaan. De mededeling is – om die reden – dus hoogstwaarschijnlijk in ieder geval niet voorafgaand aan de uitspraak schriftelijk of elektronisch gedaan, maar slechts mondeling. Zij biedt daarmee al met al slechts weinig ruimte om gebruik te maken van de gelegenheid om te verzoeken om een mondelinge behandeling ten overstaan van de voltallige meervoudige kamer die de beslissing zal nemen, zeker nu dat in dit geval – bij het ontbreken van het wijzen op die mogelijkheid door de rechter – geheel op eigen initiatief moest gebeuren. Overigens verdient hierbij nog opmerking dat de officier van justitie (zoals gebruikelijk) niet op de mondelinge behandeling aanwezig was.

Er is weliswaar een proces-verbaal van de mondelinge behandeling opgemaakt, maar dit zal hoogstwaarschijnlijk niet voorafgaand aan de beschikking zijn gebeurd, en dus ook niet tegelijk met de gedane mededeling aan partijen zijn gezonden en ter beschikking gesteld van de meervoudige kamer.

De beschikking bevat ten slotte ook geen motivering waarom het belang van een voortvarende procesvoering in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van betrokkene om zijn standpunt te mogen uiteenzetten ten overstaan van de rechters die over de zaak zullen oordelen.

2.17

Men kan zich bij dit alles nog afvragen of deze algemene procesrechtelijke jurisprudentie in civiele zaken wel steeds onverkort van toepassing zou moeten zijn in Bopz-zaken, of dat de bijzondere aard van deze zaken nog enige afwijking van de daaruit volgende regels kunnen rechtvaardigen.

2.18

Het eerste wat daarbij echter mijns inziens moet worden bedacht is dat in deze zaken – vanwege het ingrijpende karakter ervan en de bijzondere, veelal fragiele positie van de betrokkene – nog meer gewicht dan in andere zaken toekomt aan een behoorlijke mondelinge behandeling als (processuele) waarborg, en in dit geval: aan het behoorlijk horen van de betrokkene. De emoties van de betrokkene en de indruk die de betrokkene in werkelijkheid maakt – die niet heel goed, althans volledig, in een proces-verbaal zijn te vangen – spelen hierbij een belangrijke rol. Niet voor niets is in dit soort zaken een behoorlijke oproeping van de betrokkene niet voldoende, maar dient de rechter in deze gevallen, behoudens specifieke uitzonderingen, de betrokkene ook steeds daadwerkelijk te horen. De rechter heeft in deze zaken dan ook een veel actievere rol met betrekking tot (onder meer) de mondelinge behandeling. Dat is ook het geval bij de in art. 8 lid 1 Wet Bopz genoemde uitzondering op het horen van de betrokkene: vereist is niet slechts dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen, maar dat de rechter (zelf) vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Op hem rust daarbij een zekere onderzoeksplicht.16 Als een verwijzing naar een meervoudige kamer plaatsvindt – die in het algemeen tot doel heeft in een zwaardere bezetting een nader en diepgaand onderzoek mogelijk te maken, in casu “gezien de complexiteit van de zaak” – geldt dit alles evenzeer voor de voltallige meervoudige kamer, óók als reeds een enkelvoudig verhoor heeft plaatsgevonden. Er lijkt in dat licht niet veel reden om de algemene procesrechtelijke regels voor de meervoudige mondelinge behandeling – die tot doel hebben te waarborgen dat het op de mondelinge behandeling verhandelde, dat van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter, daadwerkelijk wordt meegenomen bij de totstandkoming van die beslissing – hier minder streng toe te passen.

Daarbij kan ook nog worden aangetekend dat in deze zaken sprake is van rechtspraak in één feitelijke instantie, zonder hoger beroep, met enkel nog de mogelijkheid van cassatie. Ook in dat kader ligt niet erg voor de hand om de algemene procesrechtelijke regels voor de meervoudige mondelinge behandeling in meervoudig te beslissen zaken te versoepelen.

2.19

Een andere bijzonderheid van de Bopz-zaken echter, de spoedeisendheid die hierbij in het algemeen is geboden, kan evenwel in een andere richting wijzen. Dat is een belang dat ook in de algemene procesrechtelijke jurisprudentie door de Hoge Raad met zoveel woorden wordt genoemd, en een reden kan zijn voor afwijking van de hoofdregel van een meervoudige mondelinge behandeling in meervoudig te beslissen zaken: het belang van een voortvarende procesvoering. Vergelijk hier ook art. 22 lid 1 Rv.:

“De rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen.”

In Bopz-zaken wordt in het algemeen direct aan het einde van de mondelinge behandeling uitspraak gedaan. Daar bestaat doorgaans ook aanleiding voor, omdat veelal sprake is van een tot directe maatregelen dwingende gevaardreiging of van een aflopende eerdere rechterlijke machtiging17 of ander verblijf in een instelling, terwijl het niet geoorloofd is de betrokkene reeds uit de instelling te laten vertrekken, en van korte beslistermijnen. Het belang van een voortvarende procesvoering is in deze zaken dus groot. Ook in deze zaak is op de dag van de mondelinge behandeling een beschikking gegeven.

Bij een dergelijke gang van zaken is aan de in deze jurisprudentie gestelde eisen en voorschriften niet eenvoudig te voldoen en vallen daarbij wellicht dus wel enige kanttekeningen te maken. Een nadere mondelinge behandeling kost immers tijd en zal de duur van de procedure verlengen. De vraag is bijvoorbeeld of in deze zaken steeds kan worden verlangd dat de uitspraak wordt aangehouden tot een latere dag om partijen (betrokkene) (enige tijd) de gelegenheid te bieden om, bij een (directe) verwijzing als in het nu voorliggende geval, nog om een meervoudige mondelinge behandeling te verzoeken. De vraag is ook of in dat geval steeds een aan de uitspraak voorafgaande schriftelijke of elektronische mededeling kan worden vereist, of dat met een aan de uitspraak voorafgaande mondelinge mededeling ter zitting kan worden volstaan (niettegenstaande het feit dat de officier van justitie in het algemeen niet bij die zitting aanwezig zal zijn). Voorts kan men zich afvragen of de eis (en waarborg) van een voorafgaand aan de uitspraak opgesteld proces-verbaal, dat tegelijk met de mededeling aan partijen wordt gezonden en ter beschikking gesteld van de meervoudige kamer hier op dezelfde wijze kan (of dient te) worden gesteld18.

Denkbaar is in ieder geval dat de rechter bij een dergelijke verwijzing ter zitting met betrokkene (en zijn eventuele advocaat) kortsluit of deze nog prijsstelt op een meervoudige mondelinge behandeling, en dit in de beschikking opneemt. Als betrokkene dan afziet van een nadere mondelinge behandeling, kan alsnog met spoed door de meervoudige kamer uitspraak worden gedaan. Als betrokkene hier echter wel prijs op stelt, is denkbaar dat de rechter direct in de beschikking opneemt dat en waarom het belang van een voortvarende procesvoering in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het (eventuele) belang van betrokkene om zijn standpunt te mogen uiteenzetten ten overstaan van de rechters die over de zaak zullen oordelen. Het zal immers niet altijd lukken om een dergelijke meervoudige mondelinge behandeling nog op dezelfde dag, althans met voldoende voortvarendheid, te doen plaatsvinden. Denkbaar is ook dat de rechter zonder daadwerkelijk af te wachten of de betrokkene nog een nadere, meervoudige mondelinge behandeling wenst, in zijn uitspraak motiveert waarom het belang van een voortvarende procesvoering in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het (eventuele) belang van betrokkene om zijn standpunt te mogen uiteenzetten ten overstaan van de rechters die over de zaak zullen oordelen. Denkbaar is ten slotte zelfs dat in Bopz-gevallen in het algemeen mag of moet worden aangenomen dat het belang van een voortvarende procesvoering zwaarder weegt, en dit niet steeds door de rechter expliciet behoeft te worden gemotiveerd.

Overigens moet gezegd worden dat in het onderhavige geval ook met de hierboven gesuggereerde aanpassingen niet aan de eisen is voldaan.

2.20

In dit licht van het bovenstaande slagen de onderdelen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het onderdeel verwijst hier naar HR 6 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AG5959, NJ 1989/280; HR 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0575, NJ 1992/445; en HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1580, NJ 1995/223.

2 Hier verwijst het onderdeel naar HR 31 oktober 2014 ([…]/Staat), ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 m.nt. W.H.D. Asser, JBPR 2015/18 m.nt. G. van Rijssen, BR 2014/139 m.nt. E.W.J. de Groot, JIN 2014/225 m.nt. N. de Boer, AA20160185 m.nt. C.J.M. Klaassen.

3 Verwezen wordt naar HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1580, NJ 1995/223.

4 Vgl. ook art. 6:1 van het (inmiddels aangenomen) wetsvoorstel voor de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Stb. 2018, 37), met verwachte inwerkingtreding op 1 januari 2020.

5 HR 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0575, NJ 1992/445.

6 Zie in die zin A-G Ten Kate in zijn conclusie vóór HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4277, NJ 1983/56 m.nt. W.H. Heemskerk.

7 HR 6 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AG5959, NJ 1989/280. Het ging in deze zaak overigens over een iets andere verwijzing dan hier aan de orde is (gebaseerd op art. 17 lid 7 Krankzinnigenwet), maar daarmee vergelijkbaar is. Dat was ook het geval in HR 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0575, NJ 1992/445 en (later) HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1580, NJ 1995/223.

8 HR 10 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0575, NJ 1992/445.

9 HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1580, NJ 1995/223 en HR 6 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AG5959, NJ 1989/280.

10 HR 31 oktober 2014 ([…]/Staat), ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 m.nt. W.H.D. Asser, JBPR 2015/18 m.nt. G. van Rijssen, BR 2014/139 m.nt. E.W.J. de Groot, JIN 2014/225 m.nt. N. de Boer, AA20160185 m.nt. C.J.M. Klaassen, rov. 3.4.2-3.4.4.

11 HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, RvdW 2016/517, JBPR 2016/46 m.nt. G. van Rijssen.

12 HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, RvdW 2018/67, TvPP 2018/2, p. 55-56 m.nt. M.M. Tak en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, RvdW 2018/86, JBPR 2018/30 m.nt. G. van Rijssen, in beide gevallen rov. 3.5.2, 3.6.5 en 3.7 onder (i); en het eerdergenoemde arrest van 31 oktober 2014, rov. 3.4.4.

13 Zie ook recent in dezelfde lijn: HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:106 en HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271.

14 HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, RvdW 2018/754 en HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971, RvdW 2018/763, rov. 4.1.3-4.1.7.resp. rov. 3.4.2-3.4.5.

15 HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1580, NJ 1995/223, zie rov. 1.

16 Vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7679, NJ 2012/276, JVGGZ 2012/14.

17 Op grond van art. 48 lid 1 Wet Bopz behoeft de geneesheer-directeur de betrokkene bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de verschillende rechterlijke machtigingen geen ontslag te verlenen als (onder b ten tweede) voor het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging en de termijn voor het geven van die beschikking (doorgaans drie of vier weken) nog niet is verstreken, of (onder c) hangende het onderzoek van de rechter, indien de rechter de beschikking niet binnen de gestelde termijn heeft gegeven ten gevolge van het horen van een deskundige op verzoek van de betrokkene.

18 Vgl. over het vereiste en het belang van het opmaken van proces-verbaal in Bopz-zaken ook HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336, JIN 2016/36 m.nt. J. van Weerden, JVGGZ 2016/2 m.nt. F.L.G. Geisel en HR 14 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5193, NJ 1986/400. In hun annotaties behandelen Van Weerden en Geisel ook de wijzigingen onder de (nieuwe) KEI-wetgeving, waarvan de optie tot vervanging van het proces-verbaal door beeld- en geluidsopnamen weer interessante nieuwe mogelijkheden biedt. Onder de KEI-wetgeving verplicht art. 30p Rv. ertoe om bij een mondelinge uitspraak ter zitting een proces-verbaal van deze uitspraak op te maken waarvan een afschrift binnen twee weken ter beschikking van partijen wordt gesteld. Zie echter ook HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650, JPF 2018/79 m.nt. P. Vlaardingerbroek.