Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:263

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
19/00044
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:675
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over uitlevering ter strafvervolging aan de Russische Federatie. Verwerping van het verweer dat volgens de rechtspraak van de Hoge Raad het feit waarvoor de uitlevering is verzocht naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn als oplichting (art. 326 sr) en slechts sprake zou zijn van een civielrechtelijk tekortschieten in de nakoming van een overeenkomst. De AG adviseert het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 19/00044 U

Zitting: 26 maart 2019 (bij vervroeging)

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon ]

  1. De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 27 november 2018 de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Russische Federatie toelaatbaar verklaard ter zake van “het feit zoals omschreven in het bij het uitleveringsverzoek overgelegde ‘Bevel betreffende het starten en uitvoeren van een strafzaak’, afgegeven door A.V. Adamtsjevski, kapitein van justitie d.d. 14 februari 2012, welke stuk als bijlage I aan deze uitspraak is gehecht.”

  2. Namens de opgeëiste persoon hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het ter terechtzitting gevoerde verweer dat het feit ter zake waarvan de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht niet strafbaar is, waardoor de uitspraak onvoldoende met redenen is omkleed.

  4. Omdat in de toelichting op het middel bij de klacht tevens wordt betrokken – kort gezegd – de onschuld van de opgeëiste persoon, hetgeen op zichzelf bezien een ander thema betreft dan de eis van de dubbele strafbaarheid, zal ik voor de volledigheid hieronder ook in zoverre het verweer en de overwegingen van de rechtbank weergeven.

  5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 november 2018 houdt in dat aldaar, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende naar voren is gebracht en zich heeft voorgedaan:

“De raadsman voert als volgt het woord:

De zaak is op 31 juli 2018 op mijn verzoek aangehouden, omdat ik in afwachting was van stukken die de onschuld kunnen aantonen van cliënt en stukken waaruit blijkt dat cliënt, wanneer hij uitgeleverd zou worden, voor zijn leven moet vrezen.

Ik heb die stukken vandaag bij mij. Ik heb de Raad voor Rechtsbijstand om een vertaler verzocht, maar kreeg die niet. Er is vervolgens een vertaler gevonden, die door de familie van cliënt is betaald. Pas gistermiddag heb ik de vertaalde stukken ontvangen. Het gaat om een arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van de Russisch federatie met betrekking tot de civiele afwikkeling van de zaak waarvoor nu de uitlevering wordt verzocht.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor een korte leespauze van de door de raadsman ingebrachte stukken, nadat kopieën zijn overlegd aan de rechtbank en de officier van justitie. Vervolgens wordt het onderzoek voortgezet.

De officier van justitie voert als volgt het woord:

Ik betreur het dat pas heden de door de raadsman ingebrachte stukken worden overlegd. Ik vind het moeilijk om thans een standpunt in te nemen op grond van het overlegde Russische civiele vonnis. Ik zie dat er een terugverwijzing is geweest van de Russische Hoge Raad naar een Gerechtshof, en dat eerdere beslissingen van de rechtbank zijn vernietigd. Kennelijk is de civiele procedure in Rusland nog niet afgerond. Ik kan er ten aanzien van de procedure van vandaag in ieder geval geen consequenties aan verbinden.

Betrokkene stond gesignaleerd voor de Russische autoriteiten en is aangehouden op de luchthaven Schiphol. De Russische autoriteiten hebben binnen de gestelde termijn een uitleveringsverzoek ingediend, welk verzoek is doorgeleid naar ons parket.

Het verzoek dient vervolgens te worden vertaald en te worden gecontroleerd op inhoud. Ook dient te worden gekeken of de bij het verzoek overgelegde stukken genoegzaam zijn om een oordeel te kunnen vellen omtrent de uitlevering van betrokkene. Het wettelijk kader biedt geen ruimte voor een inhoudelijke beoordeling van de vraag of betrokkene het feit waarvan hij wordt verdacht daadwerkelijk heeft gepleegd.

De Russische autoriteiten hebben in hun verzoek de verdenking tegen betrokkene voldoende omschreven en genoegzaam met stukken onderbouwd. Dat betekent dat ik geen redenen zie om mij te verzetten tegen de uitlevering van betrokkene.

In een eerder stadium heeft betrokkene tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard dat, wanneer hij uitgeleverd zou worden, hem de dood in Rusland te wachten staat.

Hij heeft aldus kennelijk een reden te veronderstellen dat hij levensgevaar loopt als hij wordt uitgeleverd aan Rusland. Het is dan vervolgens aan betrokkene en de verdediging om dit gestelde levensgevaar te onderbouwen. Ik heb geen onderbouwing gezien.

Betrokkene heeft gesteld dat er naar aanleiding van deze zaak door de Russische politie in overleg met de Israëlische autoriteiten een handschriftvergelijking is gedaan. Wat daarvan het resultaat is, is onduidelijk gebleven en kan daarom ook niet worden meegenomen in mijn standpunt omtrent het verzoek tot uitlevering.


De raadsman voert als volgt het woord:

Cliënt is op de luchthaven Schiphol aangehouden. Hij heeft een verklaring afgelegd, waarin hij heeft gezegd onschuldig te zijn ter zake van het feit waarvoor de uitlevering is verzocht. Hij heeft ook verklaard dat wanneer hij naar Rusland zou worden uitgeleverd, hij dat met de dood zal bekopen.

Ik ben ingeschakeld door de familie van cliënt. Op enig moment heb ik stukken ontvangen die de familie had bemachtigd uit Israël. Het was een groot pak papier waar ik geen touw aan kon vastknopen. Ik begreep wel dat ik een belangrijk stuk in handen had. Uiteindelijk hebben we nu een vertaald Russisch arrest.

Waar het om gaat is of het feit waarvan cliënt wordt verdacht in Rusland, ook in Nederland een strafbaar feit is.

De zogenaamde strafzaak is geen strafzaak, maar een uitsluitend civiele zaak. Cliënt heeft in Sint Petersburg in het toeristisch deel, een belangrijk blok onroerend goed gekocht van “ [betrokkene 2] ” op 4 augustus 2011 en hij heeft dit daarna doorverkocht aan [betrokkene 1] . [betrokkene 2] kreeg kennelijk achteraf spijt van deze verkoop en heeft aangifte van oplichting gedaan. Maar het is en blijft gewoon een civiele overeenkomst, waar ook een makelaar en notaris bij betrokken zijn. Dit is allemaal rechtmatig geweest.

De Hoge Raad van de Russische federatie heeft in het arrest ook gesteld dat cliënt het onroerend goed rechtsgeldig in zijn bezit heeft gekregen en het daarna rechtsgeldig heeft doorverkocht aan [betrokkene 1] .

De door mij overgelegde stukken betreffen de civiele procedure tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] om de verkoop terug te draaien en daarin wordt de positie van cliënt als tussenpersoon uitgebreid besproken. De Hoge Raad heeft gesteld dat zij de overeenkomst niet kunnen ontbinden omdat de koop en verkoop keurig volgens de wet zijn gegaan en voorts wanneer partijen menen nog geld te moeten ontvangen van cliënt, zij daartoe een civiele procedure tegen cliënt kunnen aanspannen.

In het uitleveringsverzoek staat dat er fraude heeft plaatsgevonden in een civiele deal, zijnde een koopovereenkomst van onroerend goed waarbij niet betaald zou zijn.

Er is echter alleen gevraagd om die koopovereenkomst te vernietigen.

In Nederland zou dit geen strafbaar feit opleveren. Er is dus geen sprake van dubbele strafbaarheid. Het is kennelijk voor Rusland een strafbaar feit. Ik meen dat door overlegging van het civiele arrest van de Hoge Raad van de Russische federatie de onschuld van cliënt genoegzaam is aangetoond.

Client heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat wanneer hij uitgeleverd wordt aan Rusland, hij de dood tegemoet kan zien. In Rusland gebeuren dingen waar je geen vinger op kan leggen, dat zien we ook in de media. De vrees van cliënt is gegrond. Zijn hele familie is ook uit angst verhuisd naar Israël.

Er zijn mensen in Rusland die kennelijk niet blij zijn met cliënt. Het gaat klaarblijkelijk om veel geld dat mensen hebben verloren en terug willen hebben. Er is aan een rechtmatige civiele overeenkomst, waarin cliënt door de hoogte Russische rechter in het gelijk is gesteld, op oneigenlijke wijze een strafrechtelijke draai gegeven. Cliënt wil terug naar Israël. Daar woont hij en daar is hij veilig. Ik verzoek de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren.”

6. Met betrekking tot de dubbele strafbaarheid van het feit ter zake waarvan de uitlevering wordt verzocht, heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

2.3.1. Dubbele strafbaarheid

Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht is blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken strafbaar naar het recht van de verzoekende staat, strafbaar gesteld in artikel 159, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie (WvSr RF). Voor dit feit kan naar het recht van de verzoekende staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd of van langere duur.

Ook naar Nederlands recht is dit feit strafbaar. Het feit levert naar Nederlands recht op: oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht). Voor dit feit kan ook naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd.


Daarmee is voldaan aan de in artikel 2 EUV gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.”

7. Voor zover het in randnummer 5. weergegeven standpunt van de opgeëiste persoon en het ter onderbouwing van dit standpunt overgelegde arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van de Russische Federatie van 24 januari 2017 mede zijn bedoeld als een bewering dat de opgeëiste persoon kan aantonen niet schuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd in de zin van art. 26, derde lid, Uitleveringswet, heeft de rechtbank dat verweer als volgt samengevat en verworpen:

2.3.2. Onschuld van de opgeëiste persoon


De opgeëiste persoon heeft het plegen van het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, ontkend.

2.3.2.1. Standpunt van de verdediging

Blijkens het uitleveringsverzoek wordt de opgeëiste persoon er, kort gezegd, van verdacht dat hij door “oplichterij en misbruik van vertrouwen” op 4 augustus 2011 onrechtmatig het eigendomsrecht heeft verkregen op een aantal niet-residentiële gebouwen in Sint-Petersburg, toebehorende aan ‘ [betrokkene 2] ’.

De raadsman heeft ter zitting een in de Nederlandse taal vertaald arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van de Russische Federatie van 24 januari 2017 overgelegd en gesteld dat dit arrest betrekking heeft op deze zaak waarvoor de uitlevering wordt verzocht. In dit arrest is onder meer overwogen dat de opgeëiste persoon als bonafide verkrijger van het eigendomsrecht op de genoemde gebouwen dient te worden beschouwd. Hiermee is, aldus de raadsman, de onschuld van de opgeëiste persoon aan het hem ten laste gelegde misdrijf in rechte reeds komen vast te staan. Dat de directeur van ‘ [betrokkene 2] ’ bij de politie aangifte van oplichting heeft gedaan kan niet anders dan (enkel) zijn voortgekomen uit frustratie over zijn verlies van de civiele procedures of zijn panden. De opgeëiste persoon is als gevolg van deze valse aangifte dan ook op oneigenlijke wijze voorwerp van een strafrechtelijk onderzoek geworden. Nu het overgelegde arrest onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon aantoont, dient de verzochte uitlevering op die grond ontoelaatbaar te worden verklaard.

2.3.2.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het overgelegde civiele arrest niet onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon in de tegen hem aangespannen strafzaak aantoont. Nu de door Rusland bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken genoegzaam zijn en ook overigens aan de voorwaarden voor uitlevering is voldaan, dient de uitlevering volgens de officier van justitie toelaatbaar te worden geacht.

2.3.2.3. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsman ter zitting overgelegde arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van de Russische Federatie ontoereikend is om de onschuld van de opgeëiste persoon in de strafzaak waarvoor de uitlevering wordt verzocht onverwijld te kunnen aantonen en dat de rechtbank ook overigens niet kan treden in een inhoudelijke beoordeling van die zaak. Het oordeel wat de doorwerking is van de uitkomst van de in de zaak gevoerde civiele procedures in de strafzaak jegens de opgeëiste persoon is exclusief voorbehouden aan de gerechtelijke autoriteiten van de Russische Federatie die zich over de schuldvraag van de opgeëiste persoon in de tegen hem aangespannen strafzaak moeten buigen. Het verweer van de raadsman slaagt daarom niet. Evenmin, is anderszins gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.”

8. Volgens de stellers van het middel heeft de rechtbank verzuimd te reageren op het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer dat het feit waarvoor de uitlevering wordt gezocht naar Nederlands recht niet strafbaar is en in het bijzonder niet het misdrijf oplichting oplevert (gelet op de in de rechtspraak van de Hoge Raad aan de bestanddelen van dit delict gegeven uitleg).1 Deze klacht berust op een onjuiste lezing of uitleg van de bestreden uitspraak. Zoals hiervoor in randnummer 6. weergegeven, heeft de rechtbank immers overwogen van oordeel te zijn dat het feit ter zake waarvan de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht wél strafbaar is en dat dit feit (anders dan namens de opgeëiste persoon is betoogd) naar Nederlands recht het in art. 326 Sr strafbaar gestelde misdrijf oplichting oplevert. De rechtbank heeft daarmee wel degelijk gereageerd op het gevoerde verweer.

9. Mitsdien mist het middel in zoverre feitelijke grondslag.

10. Omdat ik noch in het middel zelf, noch in de toelichting daarop een klacht over de begrijpelijkheid of over de genoegzaamheid van deze motivering van de rechtbank ontwaar, meen ik dat het middel reeds vanwege dit gebrek aan feitelijke grondslag tevergeefs is voorgesteld.

11. Het is dan ook geheel ten overvloede dat ik over het oordeel van de rechtbank dat aan de voor uitlevering vereiste dubbele strafbaarheid van het feit in de onderhavige zaak is voldaan, nog het volgende opmerk.

12. Of sprake is van de voor uitlevering vereiste dubbele strafbaarheid dient de rechtbank te beoordelen op de grondslag van hetgeen de autoriteiten van de verzoekende staat aan hun uitleveringsverzoek ten grondslag leggen. Het gaat anders gezegd om het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Welk feit dit is, dient te blijken uit het ingevolge art. 12, tweede lid aanhef en onder b, Europees Uitleveringsverdrag verplicht bij het uitleveringsverzoek te voegen “statement of the offences for which extradition is requested.” Het is niet aan de autoriteiten van de aangezochte staat om te beoordelen of de opgeëiste persoon het in dit “statement of the offences” omschreven delict daadwerkelijk en op de daarin omschreven wijze heeft begaan, althans niet voor zover door of namens de opgeëiste persoon niet wordt beweerd dat hij zijn onschuld kan aantonen.2 Voor zover dit laatste namens de opgeëiste persoon is betoogd, heeft de rechtbank daarop met zijn hiervoor in randnummer 6 aangehaalde overwegingen wel degelijk afzonderlijk gerespondeerd.

13. In het kader van het vereiste van dubbele strafbaarheid stond derhalve ter beoordeling van de rechtbank of het in het uitleveringsverzoek omschreven feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. Bij die beoordeling moet bovendien tot op zekere hoogte van de concrete delictsomschrijving worden geabstraheerd. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad vergt het vereiste van dubbele strafbaarheid niet dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat. Het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat, dient binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling te vallen. Niet van belang is dus of de buitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenstemt met de Nederlandse, maar voldoende is dat de buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Is dat het geval, dan kan worden gezegd dat een wettelijke bepaling is aan te wijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld.3

14. Het hof heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard ter zake van “het feit zoals omschreven in het bij het uitleveringsverzoek overgelegde ‘Bevel betreffende het starten en uitvoeren van een strafzaak’, afgegeven door A.V. Adamtsjevski, kapitein van justitie d.d. 14 februari 2012, welke stuk als bijlage I aan deze uitspraak is gehecht.” Dit stuk bevindt zich onder de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken en houdt in Nederlandse vertaling – voor zover hier van belang – het volgende in:

“BEVEL Strafzaak Nr. 582730
betreffende het starten en uitvoeren van een strafzaak
stad Sint-Petersburg 14-02-2012

Senior opsporingsambtenaar van AO DBZ voor CAD HD MinBiza voor de stad Sint-Petersburg, kapitein van justitie Adamtsjevski, A.V. heeft na het bestuderen van de materialen van [onleesbaar] KUSP - 43790 van 18-11-2011, ontvangen van de Afdeling Economische Veiligheid en Corruptiebestrijding van Bureau Binnenlandse zaken voor CAD HD MinBiza voor de stad Sint-Petersburg
VASTGESTELD:

Een niet-vastgestelde persoon heeft met het doel om het recht te verkrijgen op het eigendom van een ander ten gunste van zichzelf en met het doel om de verdere feitelijke verkrijging van dat eigendom te bewerkstelligen, alsmede het gebruik daarvan en het overnemen in eigen beheer, uit hebzuchtige motieven, dat gepleegd is niet later dan 04-08-2011, onder voorwendsel van rechtmatige verkrijging van de niet-residentiële gebouwen: 1N, 2N, 3N, 4N, 5N, 7N, 8N, 9N, 10N, UN, 14N en 15N op het adres: [a-straat 1] , die toebehoren aan “ [betrokkene 2] ” (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), door het zich voor te doen als een vertegenwoordiger van een koper, willens en wetens en zonder intenties om de verantwoordlijkheden na te komen jegens “ [betrokkene 2] ”, door het vertrouwen te wekken in de rechtmatigheid en voordelen van de overeenkomst, de algemeen directeur [betrokkene 3] overtuigd om een koopovereenkomst zonder nummer te tekenen d.d. 04-08-2011 betreffende de verkoop aan [de opgeëiste persoon ] van de bovengenoemde niet-residentiële gebouwen voor het totale bedrag van 216 miljoen roebel. Bovendien, bij het ondertekenen van de overeenkomst, heeft [de opgeëiste persoon ] . zich verplicht om het bedrag ter hoogte van 216 miljoen roebel te betalen ten gunste van “ [betrokkene 2] " na de staatsregistratie van de overdracht van de eigendomsrechten op de koper in de persoon van hem, [de opgeëiste persoon ] . Bovendien, ter uitvoering van zijn criminele voornemen dat gericht was op het verkrijgen van het eigendom van een ander, en zich ervan bewust zijnde dat er niet voldaan zal worden aan de betalingsverplichting jegens “ [betrokkene 2] ", heeft hij de nodige documenten ingediend bij de Federale Registratiedienst voor Sint-Petersburg en oblast Leningrad dat gevestigd is op het adres: [b-straat 1] , voor het overschrijven van de eigendomsrechten.

Op deze wijze heeft een niet-vastgestelde persoon een materiële schade toegebracht aan “ [betrokkene 2] " voor een totaal bedrag van 216 000 000 roebel, wat een schade op een bijzonder grote schaal is.

De aanleiding voor het starten van een strafzaak is de aangifte van de algemeen directeur van “ [betrokkene 2] ” [betrokkene 3] De gronden voor het starten van de strafzaak zijn de verzamelde materialen gedurende de uitgevoerde controle.

Gelet op het feit dat er [onleesbaar] gegevens zijn die duiden op een misdrijf dat bepaald is in art 159 deel 4 Sr RF en gelet op de bepalingen van de artikels 149,145,146 (147) en art 156 deel 1 Sv RF,

[...]”

15. Bij het uitleveringsverzoek is tevens een “BEVEL betreffende het stellen in staat van beschuldiging”, gedateerd 29 augustus 2014, overgelegd. In dit bevel is het feit ter zake waarvan de uitlevering wordt verzocht, in de Nederlandse vertaling als volgt omschreven:

[de opgeëiste persoon ] heeft oplichting gepleegd, dat wil zeggen, het verkrijgen van eigendomsrecht op het vermogen van een ander of anderen door oplichterij en misbruik van vertrouwen, gepleegd in een georganiseerd verband op een bijzonder grote schaal, met name:

hij ( [de opgeëiste persoon ] .) handelend als onderdeel van een georganiseerde groepering, waarin behalve hem de volgende personen deelnamen: [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] en de andere niet-vastgestelde personen, met het doel om het recht te verkrijgen op het eigendom van een ander ten gunste van zichzelf, en met het doel om de verdere feitelijke verkrijging van dat eigendom te bewerkstelligen, alsmede het gebruik daarvan en het overnemen in eigen beheer, uit hebzuchtige motieven, dat gepleegd is niet later dan 04-08-2011, onder voorwendsel van rechtmatige verkrijging van de niet-residentiële gebouwen IN, 2N,3N, 4N, 5N, 7N, 8N, 9N, 10N, UN, 14N en 15N op het adres: [a-straat 1] , die toebehoren aan " [betrokkene 2] " (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid], door het zich voor te doen als een vertegenwoordiger van een koper, willens en wetens en zonder intenties om de verantwoordlijkheden na te komen jegens " [betrokkene 2] ", door het vertrouwen te wekken in de rechtmatigheid en voordelen van de overeenkomst, hebben ze de vertegenwoordigers van " [betrokkene 2] ", waaronder de algemeen directeur [betrokkene 3] overtuigd om een deal te sluiten en een koopovereenkomst zonder nummer te tekenen d.d. 04-08-2011 betreffende de verkoop aan hem ( [de opgeëiste persoon ] .] van de bovengenoemde niet-residentiële gebouwen voor het totale bedrag van 216 miljoen roebel, waar de marktwaarde van was 172 303 599 roebel. Bovendien, bij het ondertekenen van de overeenkomst conform het criminele plan, heeft hij ( [de opgeëiste persoon ] .] zich verplicht, conform de bovengenoemde overeenkomst, om het bedrag ter hoogte van 216 miljoen roebel te betalen ten gunste van " [betrokkene 2] " na de staatsregistratie van overdracht van de eigendomsrechten op de koper in de persoon van hem, van [de opgeëiste persoon ] . Bovendien, ter uitvoering van het gezamenlijke criminele voornemen dat gericht was op het verkrijgen van het eigendom van een ander, en zich ervan bewust zijnde dat er niet voldaan zal worden aan de betalingsverplichting jegens " [betrokkene 2] ", heeft hij de nodige documenten ingediend bij de Federale Registratiedienst voor Sint-Petersburg en oblast Leningrad dat gevestigd is op het adres: [b-straat 1] , voor het overschrijven van de eigendomsrechten.

Op deze wijze heeft hij, [de opgeëiste persoon ] . samen met [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en andere niet-vastgestelde personen, in een georganiseerd verband, door oplichterij en misbruik van vertrouwen onrechtmatig het eigendomsrecht verkregen op de niet-residentiële gebouwen: IN, 2N, 3N, 4N, 5N, 7N, 8N, 9N, ION, UN, 14N en 15N die gevestigd zijn op het adres: [a-straat 1] , die toebehoren aan " [betrokkene 2] " met een marktwaarde 172303599 roebel, en daarbij een materiele schade toegebracht ter grootte van het genoemde bedrag, dat een schade op grote schaal is, wat inhoudt dat hij een misdrijf heeft gepleegd dat bepaald is in art 159 deel 4 Sr RF.”

16. Het oordeel van het hof dat het in voornoemde bevelen omschreven feit waarvan de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht oplichting oplevert en strafbaar is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daarbij wijs ik er in het bijzonder op dat de opgeëiste persoon niet slechts wordt verdacht van een civielrechtelijk tekortschieten in de nakoming van een overeenkomst, maar dat hij ervan wordt beschuldigd zich de eigendom over hem niet toebehorende goederen te hebben verschaft in georganiseerd verband en “door het zich voor te doen als een vertegenwoordiger van een koper” en “door oplichterij en misbruik van vertrouwen”.

17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de schriftuur wordt onder meer verwezen naar HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2017/157, m.nt. Keijzer.

2 Vgl. V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering (diss. VU), Nijmegen: WLP 2013, p. 301-302.

3 Zo o.a. HR 4 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0451, HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6798, NJ 2012/368 en HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1442. Vgl. in het kader van andere vormen van internationale rechtshulp in dezelfde zin HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7564, NJ 2005/541 en HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7322, NJ 2009/462.