Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:256

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
19-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
18/01528
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:718
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG inzake de 'Drentse roofmoorden'. Verdachte is veroordeeld voor o.m. betrokkenheid bij de moord op een man in Dwingelderveld. 1) Falende bewijsklachten over medeplegen en voorbedachte raad, art. 47 en 289 Sr. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de verdachte bij de moord in alle facetten is opgetrokken met zijn mededader. Hoewel de verdachte niet zelf heeft geschoten was voor hem voorzienbaar dat dit zou gebeuren en hij heeft de gelegenheid gehad daarover na te denken. Het hof heeft in dit geval kunnen aannemen dat bij de verdachte sprake is van medeplegen van de levensberoving en voorbedachte raad daarop. 2) Falende klachten over oplegging levenslange gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft op 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf na de invoering in 2017 van een herbeoordelingsprocedure na 25 jaren, niet in strijd is met art. 3 EVRM. Volgens de AG zijn in cassatie geen nieuwe omstandigheden aangevoerd waarom daar nu anders over moet worden gedacht. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatiebroep te verwerpen. Samenhang met 18/01539.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/01528

Zitting: 19 maart 2019

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

1 Inleiding

1.1.

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, bij arrest van 15 maart 2018 wegens de feiten 1, 2 en 3, telkens primair “medeplegen van moord”, veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

1.2.

Deze zaak heeft betrekking op drie levensberovingen die in de media bekend zijn geworden als ‘de Drentse roofmoorden’. Kort gezegd komen de feiten erop neer dat de verdachte en zijn broer betrokken zijn geweest bij het om het leven brengen van [slachtoffer 1] uit [woonplaats 1] , die in november 2012 in het natuurgebied Dwingelderveld door een van hen is doodgeschoten (feit 1) en de dood van het echtpaar [slachtoffers] uit [woonplaats 2] , dat in juli 2013 door middel van wurging om het leven is gebracht (feiten 2 en 3).

1.3.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Namens de benadeelde partij met betrekking tot feit 1, [benadeelde 1] , heeft mr. Bijl, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partijen met betrekking tot de feiten 2 en 3, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , heeft mr. Korver, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

1.4.

Er bestaat samenhang met de zaak 18/01539, het cassatieberoep van de broer van de verdachte, die eveneens tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

2 Het eerste middel van de verdachte

2.1.

Het eerste middel van de verdachte richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1, en wel in de eerste plaats tegen het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt en in de tweede plaats tegen het oordeel van het hof dat er sprake is geweest van voorbedachte raad. Met het oog daarop geef ik met betrekking tot feit 1 eerst de inhoud van de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

2.2.

De bewezenverklaring en de bewijsmotivering ten aanzien van feit 1

2.2.1.

De bewezenverklaring van het hof met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde feit 1 luidt dat:

‘’hij op 4 november 2012 in de gemeente Westerveld, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met behulp van een vuurwapen kogels door het lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;’’

2.2.2.

Voor het bewijs heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

‘’1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL033W 20120788493, d.d. 6 november 2012 (map 4, p. 1103 en verder van een dossier genaamd procesdossier Dwingelderveld Bosrand, met de proces-verbaalnummers 2012078849 en 2013054198) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als relaas van verbalisant:

Op 4 november 2012 kwamen wij, verbalisanten, omstreeks 20:15 uur ter plaatse bij de woning van de vermiste [slachtoffer 1] . Zijn partner [betrokkene 1] was in de woonkamer. [betrokkene 1] vertelde ons dat haar partner, [slachtoffer 1] , samen met zijn twee hondjes weggegaan was in zijn auto om in het bos te wandelen. Hij zou met een uurtje terug zijn. Hij was echter op dat moment nog steeds niet terug en zij maakte zich ernstig zorgen.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van lijkvinding, nummer AH-060, d.d. 13 november 2013 (map 4 p. 1189 en verder van het onder 1 genoemde dossier) voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — :

als relaas van verbalisant:

Op 7 november 2012 werd in een bosperceel, gelegen aan de Spieregerweg, gemeente Westerveld, het lijk aangetroffen van [slachtoffer 1] .

3. Een schriftelijk stuk, te weten een NFI-rapport, opgemaakt door dr. B. Kubat, arts en patholoog, d.d. 21 november 2012 (ongenummerd opgenomen in map 11 van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :

Overledene

Naam: [slachtoffer 1]

Geboortedatum: [geboortedatum] 1957

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1957, is het navolgende gebleken:

1. In totaal vijf doorschoten:

Het overlijden van [slachtoffer 1] wordt volledig verklaard door uitval van lichaamsfuncties ten gevolge van verbloeding, opgetreden in het kader van schotletsels.

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, nummer 2013054198, d.d. 1 april 2014 (map 2, p. 337 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — :

als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

Ik had het idee gekregen dat ik op een snelle manier rijk moest worden.

Ik had een wapen, een Glock 9 millimeter, met een magazijntje er bij. Dit wapen had ik uit de wapenkamer van het leger gestolen. Er zat scherpe munitie bij.

Na mijn ontslag uit het leger trok [verdachte] bij mij in. Ik moest snel ergens aan de bak komen om de vaste lasten te kunnen betalen, maar dat lukte niet. [verdachte] en ik begonnen ons af te zonderen.

We waren met zijn tweeën, het wapen en munitie, in het bos van Spier. Ik kende de paden. Ik kende de omgeving redelijk. We gingen rondkijken. We deden alsof we aan het hardlopen waren. Wij zijn bij meerdere parkeerplekken geweest. Uiteindelijk zagen wij [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer 1] , wiens naam de verdachten later bekend is geworden) zijn auto staan. In onze, in mijn ogen was het een mooie auto. Wij dachten, die man heeft veel geld. Wij parkeerden onze auto. Toen zijn wij lopend deze kant opgegaan, toen hebben we in de bosjes gezeten en gekeken naar de auto van [slachtoffer 1] .

Wij zagen hem het bos ingaan. Toen zijn wij in die sloot gaan zitten. Niemand kon ons zien. Toen wij in de sloot stonden, waar uiteindelijk ook [slachtoffer 1] zijn lichaam is gevonden daar stonden wij ook. Wij stonden te wachten op hem. Ik had het wapen meegenomen.

Uiteindelijk kwam [slachtoffer 1] terug samen met die twee hondjes van hem. Hij liep ons voorbij. Richting zijn auto. [verdachte] keek hem ook gewoon zo voorbij. Hij zag hem helemaal voorbij lopen. Ik pakte het wapen en ik schoot. Ik schoot drie keer achter elkaar. Hij schreeuwde en viel op de grond.

Wij liepen naar hem toe. Ik vroeg de pincode. Na de tweede keer ‘wat is je pincode’. Ik was het aan het opschrijven. Ik had het niet goed meegekregen en vroeg het voor de tweede keer. Die kreeg ik niet meer. Hij is van me weggegaan.

Wat ik heb gedaan, dat was het pure kwaad.

Na de tweede keer vragen naar de pincode keek hij alleen naar boven. Toen heb ik hem bij zijn schouders gepakt. En toen zijn we wezen slepen. Naar de sloot. Wij hebben hem in de sloot gelegd. Takken over hem heen gelegd. Sleutels gepakt. Nog even gewacht.

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, nummer 2013054198, d.d. 15 april 2014 (map 2, p. 349 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - :

als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

A: Ik ben in zijn auto gestapt en [verdachte] is in mijn auto gestapt. Hondje in de bladcontainer. Toen zijn we teruggegaan. Ik heb de auto op de carpoolplek gezet. Ik ben in mijn eigen auto gestapt en we zijn doorgereden naar de Macdonalds. Daar hebben we geprobeerd met de telefoon, de pinpas, en dat lukte niet.

A: [verdachte] heeft nog geschoten, even proberen, dan weetje hoe het is, hoe het voelt. We hebben sigaretten van het slachtoffer weggenomen.

[verdachte] ging mee. Ik wist dat er extra oogjes nodig waren.

V: Was het vuurwapen schietklaar of moest je dit nog doen?

A: Ja altijd he. Testvuur. [verdachte] heeft nog geschoten.. even proberen, dan weet je hoe het is, hoe het voelt.

V: Hoe maak je de Glock schietklaar?

A: Magazijntje erin. Doorladen. Dat is het enige.

V: Dus als ik het goed begrijp, was het wapen schietklaar, ook toen [verdachte] had geschoten?

A: Ja.

Verder had ik een bivakmuts bij me, volgens mij wij allebei.

V: Wat had je aan?

A: Een trainingsbroek. Donkere kleren.

V: Die dag, 4 november, heb jij twee keuzes, je gaat hem of overvallen, of je maakt hem dood…

A: Ja...ja...

V: Waar richtte jij op toen je schoot?

A : Zijn hart... een headshot jongen, dat lukt niet...

Ik stond er ook van te kijken, dat hij nog leefde.

A: Ik heb wel geschoten in het leger met een Glock.

V: Wat voor schutter was jij?

A: Ik was goed.

V: Op hoeveel meter heb jij [slachtoffer 1] geschoten?

A: Vijf, zes, dat heb ik ook op de tekening gezet. Het zou me niets verbazen als het nog minder is, vanaf de sloot. Hij had geen kans.

V: Waarom ging het headshot niet?

A: Dat weet ik niet...een bewegend doel is altijd moeilijker. Rekening houden met dat ie beweegt, op en neer gaat, falen was geen optie.

Tussen de schoten zat geen pauze. Ook het tweede en derde schot richtte ik op het hart. Ik schoot om uit te schakelen.

V: Wie pakte hem waar?

A. [verdachte] bij een arm en ik bij een arm. De voeten sleepten over de grond.

V: Wat heb je van hem weggenomen?

A: Sigaretten. Pin. Portemonnee, sleutels en de telefoon.

V: Wie nam wat mee?

A. Ik had een extra man nodig, oortjes, oog, hulp... één man is geen man.

(...)

Het hof begrijpt in samenhang met de in bewijsmiddel 6 opgenomen verklaring van [medeverdachte] dat de hierna opgenomen vraag/antwoord (p. 352 van het dossier) gaat over de beroving van de touringcarchauffeur. Daaraan heeft het hof op blad 9 van het arrest een overweging gewijd.

V: Was [slachtoffer 1] je eerste actie, [medeverdachte] ? Jullie eerste actie?

A: (...) [verdachte] heeft erger voorkomen jongen.

6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, nummer 2013054198, d.d. 16 april 2014 (map 2, p. 374 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

O: verdachte geeft wel aan over de buschauffeur te willen vertellen.

V: Leeft die man nog?

A: Ja, dankzij [verdachte] .

7. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, zonder proces-verbaalnummer, d.d. 1 april 2014 (map 2, p. 477 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

als verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd op 31 maart 2014:

A: Het was ’s middags. We hadden trainingspakken aan. We wilden geld hebben. Ik ging rondkijken of ik iemand zag die er rijk uitzag. Toen kwam er iemand aanrijden met een beste auto van wie we dachten dat hij veel geld had. Die zouden we gaan beroven. Toen hebben we gewacht tot iedereen weg was. Toen hebben we gewacht tot die persoon terugkwam.

We zijn nog bij de Macdonalds geweest. Volgens mij zijn we toen later doorgegaan naar Dedemsvaart.

V: Wat heb je meegenomen?

We hebben een portemonnee en zonnebril meegenomen. In de portemonnee zat een rijbewijs, ID en vijftig euro. We hebben hem gesleept aan de armen.

Een hondje was weggerend en eentje in de auto. Ik heb dat hondje in de bladcontainer gegooid.

V: In hoeverre had [slachtoffer 1] een telefoon bij zich.

A: Hij had ook een telefoon bij zich. Die hebben we weggegooid of verbrand.

We hebben hem 6 of 8 meter gesleept. We hebben er takken opgelegd zodat hij uit het zicht was. Takken afgebroken en er op gelegd.

Ik stond weg te kijken. Ik wilde niet zien wat er gebeurde. Ik had vingers in mijn oren.

V: Hoe lang zijn jullie daar geweest?

A: Een paar uur.

V: Jij zegt dat jij je hebt omgedraaid. Wat zag jij toen jij je terugdraaide?

A: Dat [slachtoffer 1] op de grond lag. Ik wilde pinpas vragen en pincode. Er kwam niet veel leven meer uit.

Ik zei: wat is je pincode, wat is je pascode.

V: Je zegt toen gingen we naar de Macdonalds. Wat hebben jullie daar gedaan?

A: Volgens mij zijn we met de telefoon bezig geweest.

V: Hoe gaat het dan verder [verdachte] . Je was nog naar Dedemsvaart geweest om wiet te halen en hoe gaat het dan verder?

A: Toen zijn we naar huis gegaan. Wat er daarna is gebeurd weet ik niet.

8. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, zonder proces-verbaalnummer, d.d. 1 april 2014 (map 2, p. 494 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — :

als verklaring van verdachte [verdachte] :

V: Hoe kwamen jullie aan dat wapen?

A. Die heeft mijn broer uit het leger meegenomen.

A: We zaten in het bos verstopt, we zaten in de greppel te wachten op [slachtoffer 1] . Dit duurde nog wel een kwartiertje. Toen hij aan kwam lopen heeft [medeverdachte] hem geschoten en toen hebben we gevraagd naar de pincode. Hij zei nog wel wat maar dat was niet te verstaan

V: Dit hondje hoe pakje die?

A: Door gewoon lief te doen en aan te halen. Die heb ik toen achter in de auto van [slachtoffer 1] gezet. We zijn toen met twee auto’s naar de bladcontainer bij het zwembad gereden.

V: Wat hadden jullie nog meer bij?

A: Ik had alleen maar een bivakmuts bij mij.

We hebben geen ander materiaal gebruikt.

V: Wat was de volgende actie?

A: Ergens in Brabant, Bergeijck of zo. Dit moest op dezelfde manier als in [woonplaats 2] gaan gebeuren. We zouden weer geen vuurwapen meenemen. We hadden via Google Earth een mooi groot huis in het bos gevonden.

9. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, zonder proces- verbaalnummer, d.d. 1 april 2014 (map 2, p. 504 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — :

als verklaring van verdachte [verdachte] :

V: Jullie stonden in de greppel. Wat gebeurde er toen?

A: Mijn broer zei, daar komt hij aan.

V: [medeverdachte] zegt, daar komt hij aan. Hoe lang zit er tussen die opmerking en het moment dat er geschoten wordt?

A: Binnen een minuut.

V: [medeverdachte] die staat daar, jij stond achter hem. [medeverdachte] was aan het richten, jij doet je vingers in je oren en draait je om. Hoe lang duurde het voordat er geschoten werd?

A: Ik denk 30 seconden of zo.

Voor het schieten heeft [medeverdachte] niet met [slachtoffer 1] gesproken. Hij heeft alleen tegen mij gezegd daar komt hij aan. Toen heb ik mijn vingers in m’n oren gestopt.

10. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, zonder proces-verbaalnummer, d.d. 15 april 2014 (map 2, p. 513 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van verdachte [verdachte] :

A: We hadden geld nodig. We zochten een plek waar we bekend zijn.

V: Waarom juist die dag?

A: Het geld was op, de benzine was op, we moesten iets doen om te overleven.

We hadden een wapen meegenomen, bivakmuts hadden we meegenomen.

V: Je hebt verteld dat jij ook een keer had geoefend met het wapen, waar was dat?

A: ja, dat klopt. Precies er tegenover in het bos.

Dat was dezelfde dag.

V: Je hebt dezelfde dag dat [slachtoffer 1] is doodgeschoten ook geschoten in het bos. Dit was er tegenover?

A: Ja, dat klopt in een stuk hout.

Ik heb een keer geschoten. Ik wilde een beetje ervaring opdoen. Ervaring om te weten hoe het is om te schieten.

Dit was ongeveer vier uur voordat [slachtoffer 1] is doodgeschoten.

We hebben gewacht tot de auto van [slachtoffer 1] er nog alleen stond.

Toen we in de greppel zaten konden we in de gaten houden en zagen we waar hij vandaan zou komen.

Wij staan in de greppel en [medeverdachte] zei dat hij eraan kwam. Ik zag dat [slachtoffer 1] voorbij de greppel liep en ik zag [medeverdachte] richten. Toen heb ik mij omgedraaid en heb ik de vingers in mijn oren gedaan.

Ik had mijn vingers in mijn oren en ik dacht nog wel zal ik wat doen, hem aantikken of zo. Toen dacht ik: ‘boeie’, het interesseert mij niet.

Toen hij was neergeschoten vroegen we hem naar zijn pincode. Mijn broer heeft zijn sleutels gepakt. Toen lag hij al in de greppel.

V: Waar wordt [slachtoffer 1] geschoten?

A: Mijn broer had gezegd dat hij hem niet goed had geraakt, hij had hem in zijn been geraakt. Hier hebben we het na het incident over gehad.

We hebben hem naar de greppel gesleept.

A: De hond werd in de auto van [slachtoffer 1] neergezet. Ik reed in onze auto. [medeverdachte] reed achter mij aan in de auto van [slachtoffer 1] .

V: [slachtoffer 1] werd dus aangesproken?

A: Voor zover ik weet niet.

V: Waarom stond je weg te kijken?

A: Hij was vlak bij mij, ik wilde geen kruit op mijn lichaam of kleren krijgen.

A: We hebben een Duitse touringcarchauffeur bedreigd met het pistool en gezegd dat hij naar binnen moest gaan en toen hebben we hem geld afhandig gemaakt. Dat was tussen Spier en Beilen. Dat was vóór [slachtoffer 1] .

11. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, d.d. 13 oktober 2015, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Het klopt dat [medeverdachte] en ik financiële problemen hadden. Wij hadden al eerder een touringcarchauffeur beroofd. We hebben hem onder schot gehouden met een wapen. Tijdens die beroving heb ik [medeverdachte] ervan weerhouden om te gaan schieten.

12. Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, meervoudige kamer voor strafzaken, op 26 en 27 oktober 2016, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van verdachte [verdachte] :

U houdt mij met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde voor dat we die zondag 4 november 2012 op tijd op pad zijn gegaan om te kijken of we iemand konden beroven. Klopt. We zijn toen op twee plekken geweest. Het moest iemand zijn die rijk was, die geld of spullen had. [slachtoffer 1] was alleen en we zagen zijn auto. We dachten toen dat er bij hem wel wat te halen viel. We hebben wel besproken over dat hij het slachtoffer zou worden. We zagen [slachtoffer 1] in het bos, bij het monument, toen wij daar net wegreden. Toen we zijn auto hadden gezien zijn we teruggegaan naar die plek in het bos. Er was nog iemand daar in het bos en we hebben gewacht tot die persoon weg was. We kwamen terug met de bedoeling dat wij [slachtoffer 1] zouden beroven. We hebben toen in de greppel op [slachtoffer 1] gewacht. Het duurde een poosje voordat hij terug kwam. Op een gegeven moment zei mijn broer “daar is hij” en toen hoorde ik schoten.

Hij lag ten oosten van de greppel, volgens mij lag hij op zijn rug. We hebben [slachtoffer 1] om goederen en geld gevraagd, dat soort dingen.

Hij lag gewoon plat op de grond.

Zo hebben we [slachtoffer 1] naar de greppel gesleept en ongeveer halverwege in de greppel neergelegd.

Daarna hebben we er takken overheen gelegd. Ik heb die takken met de hand afgebroken. Vervolgens zijn we gaan rijden. We hebben vanaf het bos één van de hondjes meegenomen en in een bladcontainer gegooid. De auto’s hebben we wel naast elkaar geparkeerd en we zijn allebei uitgestapt.

We hebben de auto van [slachtoffer 1] naast de snelweg gezet.

Ik wist wel dat er een wapen mee was. Ik heb ook eerder die dag met het wapen geschoten. Nadat ik geschoten had, heb ik het wapen weer gezien in de auto, toen het werd meegenomen naar die greppel.

[slachtoffer 1] kwam er aan. [medeverdachte] zei dat [slachtoffer 1] er aan kwam en vervolgens richtte [medeverdachte] .

Ik stond een beetje schuin achter mijn broer, [slachtoffer 1] was niet ver weg.

Ik heb ook gezien dat [medeverdachte] het wapen meenam naar de plek van waaruit [slachtoffer 1] later neergeschoten is.

(…)

20. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal bevindingen Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC) met proces-verbaalnummer AH-212-01, d.d. 5 maart 2014, (map 7, p. 2352 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — :

A: [medeverdachte]

M: [verdachte]

A: Oh... euh... maar jammer dat we het niet op een zelfmoord hebben kunnen laten lijken.

M: ja... ik ben benieuwd hoe ze... hoe ze die eind... die definitieve...dinges eruit ziet.

A: ach man volgens mij hebben ze meer het idee weetje wel... het is geen zelfmoord omdat we gepind hebben met die pinpas weetje wel.

M: precies en omdat er meer spullen misten.

A: ja. precies ja, daarom zeggen ze denk ik eerder van dat het euh... want hoe kunnen ze eigenlijk... ja met bloed uit het oor en zo..

M. ja maar ik denk dat ze waarschijnlijk.. achter gekomen.. (onverstaanbaar) gewurgd.

A: ja uiteindelijk wel ja, dat denk ik ook hoor. Maar hoe kun je dat zien, dat kun je niet zo maar zien.

M: nee nee..maar...die kop van die vent..

A: ja nee maar aan de stand van de slokdarm misschien? En die vrouw had bloed uit haar oor weetje wel? Dat wijst er op datje dan gekilled wordt weetje wel. Omdat er dan druk op je gezicht komt zeg maar. Maar ach... spannend momentje weer voor ons. Het is niet goed voor ons hart jonge!

M: sowieso niet nee.

A: en dan moeten we nog een keer weer weetje.

A: Hee, ik zat er laatst nog over na te denken he. We moeten even een verhaal hebben wat duidelijk is weetje wel. Die hetzelfde is als elkaar. Als wij bij elkaar weg zouden moeten en we worden overhoord dan praten we langs elkaar heen. Dan moeten we een verhaal hebben weetje wel die gewoon op 1 lijn hetzelfde is.

M: en ook wel iets meer dan dat.

(...)

M: (gedeeltelijk onverstaanbaar)....tent opgezet....dagje gekeken... we moesten eerst euh...

A: ja moeten we er nou dingen bij gaan verzinnen of niet?

M: moetje niet teveel doen weetje wel

A: nee precies, want we zijn nog even bij [betrokkene 2] geweest om te vragen hoe duur het is om daar iets te huren maar dat was te duur dus dat deden we niet.

A: dit is het leven wat we leiden weetje. Hier hebben we voor gekozen, alleen... de volgende keer moet het gewoon vlekkeloos gaan. Geen telefoon, geen kenteken, geen gezicht, geen...ja..dna, helemaal niks, we weten nu precies wat en ik denk dat we hier nog goed mee weg komen. Denk het wel. Maar ja de volgende keer jonge.

M. dan moeten we ... (onverstaanbaar)... ik weet wel zeker het gaat ons nog een keer inhalen dit.

A: ja maar ik denk eerder dat andere... ik denk serieus dat van [woonplaats 2] of van euh Spier dat gaat ons inhalen. Dat van [woonplaats 2] hebben we echt wel professioneel aangepakt op die telefoon na weetje wel.

(...)

A: Ja maar dat is logisch dat jij niet meer weet, weetje wel. Kijk, wij moeten ook zeggen dat, ja kijk, [medeverdachte] die heeft dit allemaal bedacht weetje wel en die vroeg ik meeging. En ik zei van ja.

(...)

A: persoonlijk denk ik ook niet dat ze echt iets hebben, want we hebben het serieus professioneel aangepakt hoor.

De volgende keer moeten wij echt op de fiets en dan dik 10 of 7 kilometer fietsen weet je wel, zodat die afstand gewoon groter is weetje wel.

M: en de telefoon niet meenemen.

A: We moeten echt serieus meer afstand creëren daartussen.

(...)

A: ja maar daarom moeten we nu al een goed verhaal hebben weet je.

M: ja maar het moet niet zo zijn dat we precies weten (...) dat we gewoon heen gaan en uh...

21. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal bevindingen Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC) met proces-verbaalnummer AH-212-02, d.d. 10 maart 2014, (map 7, p. 2390 en verder van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — :

A: [medeverdachte]

M: [verdachte]

A. hee maar hee...zie je dat we hebben ons wel redelijk goed ingedekt weet je wel met [woonplaats 2] dus, maar het kan nog veel en veel beter.

(..)

A: ja maar dat is niet leuk weetje.... Want je kunt het allemaal een beetje voorkomen eigenlijk. Terwijl.....nogmaals wij hebben het echt goed aangepakt hoor op zich in [woonplaats 2] . Ja op dat bloed en die camerabeelden na dan maar daar moeten we nu echt van leren joh, dat zijn acties die moeten wij niet weer euh..ja.......daar moeten we gewoon alleen maar van leren.

M: dat heb je als we genoeg eten hadden meegenomen (fon)….we moeten geen eten kopen of zo.’’

2.2.3.

De nadere bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt:1

‘’Feit 1 (slachtoffer [slachtoffer 1] )

Het hof komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] . De overwegingen die aan deze bewezenverklaring ten grondslag liggen zijn hieronder uitgewerkt. De bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en deze bewijsoverwegingen worden weergegeven in de hieronder weergegeven aanvulling van de bewijsmiddelen.

Feiten en omstandigheden

In de middag van 4 november 2012 arriveert [slachtoffer 1] met zijn twee hondjes bij de bossen van het Dwingelderveld. Op dat moment vertoeven verdachte en zijn medeverdachte al enkele uren in het bos. Verdachten zijn die dag per auto onder medebrenging van een vuurwapen (een Glock) met munitie en een bivakmuts naar het Dwingelderveld gekomen. Dit gebied is voor medeverdachte redelijk bekend terrein. Beide verdachten dragen hardloopkleding, zodat ze zich onopvallend door het bos kunnen bewegen. Ze kijken uit naar een rijk (uitziend) slachtoffer, want er zijn grote geldzorgen.

Tijdens hun zoektocht naar een slachtoffer die dag, ongeveer vier uur voordat de medeverdachte [slachtoffer 1] doodschiet, heeft verdachte, die nog nooit eerder had geschoten, met het meegebrachte wapen geoefend. Naar eigen zeggen ‘om een beetje ervaring op te doen’. Medeverdachte noemt dit ‘testvuur’. Dat vindt plaats tegenover de plek waar medeverdachte de kogels op het latere slachtoffer afvuurt. Over de rol van verdachte heeft medeverdachte onder meer verklaard dat medeverdachte extra oogjes en oortjes nodig had en dat één man geen man is.

Uiteindelijk zien verdachten een geschikt slachtoffer, naar later blijkt [slachtoffer 1] het bos in lopen. Vanwege diens duur uitziende auto besluiten verdachten hem op te wachten. Verdachten gaan op een strategische plek in de greppel zitten. Niemand kan hen zien. Ze wachten tot de auto van het beoogde slachtoffer nog alleen op het parkeerterrein staat.

Na in ieder geval een kwartier keert [slachtoffer 1] terug en loopt langs de greppel. Medeverdachte waarschuwt verdachte ‘daar komt hij aan’ en pakt het schietklare wapen. Verdachte ziet medeverdachte richten en doet zijn vingers in zijn oren. Hij draait zich om omdat hij niet wil zien wat er gaat gebeuren en geen kruit op zijn lichaam of kleren wil krijgen. Het duurt ongeveer 30 seconden voordat medeverdachte schiet. Verdachte heeft nog even gedacht of

hij iets zou doen, medeverdachte aantikken of zo, maar dacht: ‘boeie, het interesseert mij niet’.

Medeverdachte schiet - op een afstand van 5 à 6 meter - meermalen in de richting van [slachtoffer 1] , gericht op de rug ter hoogte van het hart. Een ‘headshot’ lukt niet, omdat het een bewegend doel betreft. Falen was geen optie, aldus medeverdachte. Medeverdachte schiet met het doel het slachtoffer ‘uit te schakelen’. Medeverdachte heeft in het leger ervaring opgedaan met het schieten met een Glock. Hij noemt zichzelf een goede schutter en stelt dan ook dat het slachtoffer geen kans had. Achteraf zegt medeverdachte tegen verdachte dat hij het slachtoffer niet goed had geraakt, omdat hij hem ook in zijn been had geraakt.

Vervolgens gaan de verdachten naar het slachtoffer toe en vragen hem beiden naar zijn pincode. Medeverdachte heeft pen en papier bij zich om die code te kunnen opschrijven. Het slachtoffer vertelt zijn pincode, maar verdachten verstaan de code niet goed. Het slachtoffer herhaalt de code, maar overlijdt nog voordat hij de laatste getallen heeft kunnen zeggen. Hierop verslepen verdachten het slachtoffer naar de greppel en leggen takken die zij van bomen hebben afgebroken over hem heen. Medeverdachte pakt de sleutels van het slachtoffer en neemt die mee. Medeverdachte stapt in de auto van [slachtoffer 1] en rijdt er mee weg, verdachte bestuurt hun eigen auto.

Drie dagen later, op 7 november 2012, is het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] gevonden.

Het hof overweegt ten aanzien van de juridische beoordeling van het ten laste gelegde medeplegen, het opzet en de voorbedachte raad het volgende.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte.

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden volgt dat verdachten op 4 november 2012 hebben gehandeld als een twee-eenheid. Verdachten zijn samen - onder medeneming van een vuurwapen - naar het bos gegaan, hebben daar samen uitgekeken naar een geschikt slachtoffer, hebben samen het slachtoffer in de greppel opgewacht, bevonden zich naast elkaar in de greppel toen medeverdachte schoot, zijn na het schieten samen op het in doodsnood verkerende slachtoffer afgelopen en hebben het slachtoffer allebei gevraagd naar zijn pincode, hebben samen het levenloze lichaam naar de greppel gesleept en hebben samen geprobeerd hun sporen uit te wissen, waarbij het lichaam door hen werd verborgen onder takken. Zij hebben met medeneming van verschillende zaken waaronder ook Smits auto en een van Smits hondjes dat zij later in een bladcontainer hebben gegooid, het bos verlaten om er uiteindelijk samen met de buit vandoor te gaan. Door verdachtes aandeel in de voorbereiding en uitvoering van de dodelijke beroving heeft verdachte hieraan bewust een zodanige intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte.

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of verdachte met zijn handelen ook (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1] had en dat bij hem sprake was van voorbedachte raad.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig - zoals hier de dood - indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is met alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

Met in achtneming van het bovenstaande overweegt het hof verder als volgt. Door en namens verdachte is aangevoerd dat zijn opzet ‘slechts’ was gericht op de beroving van het slachtoffer. Opzet op de dood van [slachtoffer 1] had hij niet, laat staan dat hij samen met medeverdachte [slachtoffer 1] met voorbedachte raad heeft gedood.

Het plan van verdachten die dag heeft aldus hun verklaringen van meet af aan ingehouden dat een rijk uitziend slachtoffer beroofd zou worden, waarbij het vuurwapen van medeverdachte werd meegenomen naar de bossen. Het hof stelt vast dat daarmee sprake was van een vooropgezet plan tot beroving waarbij een vuurwapen werd gebruikt. Enkele uren voor het treffen met [slachtoffer 1] heeft verdachte dat wapen getest door er mee te oefenen en te schieten. Zij hebben zich gezamenlijk gedurende ten minste een kwartier in de greppel onzichtbaar voor het slachtoffer opgesteld, waarbij medeverdachte zijn schietklare vuurwapen gereed hield. Verdachte wist dat medeverdachte het wapen vanuit de auto had meegenomen en in die greppel bij zich had. Verdachte deed op het moment dat hij zag dat medeverdachte, een geoefend schutter, het vuurwapen op het wandelende slachtoffer dat zij opwachtten, richtte zijn vingers in de oren heeft gedaan, zich heeft omgedraaid en - naar eigen zeggen - heeft gedacht: ’ boeie, het interesseert mij niet'. Aldus zijn verklaring wilde hij niet zien wat er zou gebeuren en wilde hij geen kruit op zijn kleding.

Bij de voorbereiding van de actie hebben beiden dus niet alleen nagedacht over het beroven van het beoogde slachtoffer, maar de verdachte en zijn medeverdachte hebben al tijdens de voorbereiding rekening gehouden met en zich rekenschap gegeven van het gebruik van dat vuurwapen, welk gebruik ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Bij die beoordeling heeft het hof ook betrokken dat uit het dossier blijkt dat op enig moment vóór dit incident sprake is geweest van een beroving van een touringcarchauffeur, waarbij verdachten de buschauffeur onder schot hebben gehouden met een pistool. Verdachte heeft - naar eigen zeggen - tijdens die beroving zijn medeverdachte ervan weerhouden om te gaan schieten, terwijl ook medeverdachte heeft aangegeven dat verdachte in die situatie ‘erger’ heeft weten te voorkomen en dat die man dankzij [verdachte] nog leeft. Hieruit leidt het hof af dat verdachte toen al bekend was met het gegeven dat zijn broer over wilde gaan tot het gebruik van vuurwapengeweld. Dat verdachte bereid was onder de hierboven vastgestelde omstandigheden mee te doen aan de beroving van [slachtoffer 1] is bewijs voor bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dodelijke afloop van de beroving.

Vervolgens heeft, terwijl zij gezamenlijk het slachtoffer opwachtten, medeverdachte zijn wapen op het slachtoffer gericht, waarop verdachte als reactie zijn vingers in zijn oren heeft gedaan en zich heeft omgedraaid, en heeft medeverdachte - zonder enige vorm van communicatie in de richting van [slachtoffer 1] - gericht op het hart en van korte afstand geschoten waardoor het slachtoffer dodelijk is verwond. De tijd tussen het moment waarop verdachte zijn medeverdachte zag richten en hij de schoten hoorde bedroeg ongeveer 30 seconden. Verdachte dacht op dat moment: ‘boeie, het interesseert mij niet’.

Aldus is bij verdachte van meet af aan sprake geweest van ten minste voorwaardelijk opzet op levensberoving. Ook nadien bekommerden verdachten zich niet om het slachtoffer en hebben zij het stervende slachtoffer - elk - naar zijn pincode gevraagd.

Verdachte heeft ter zitting van het hof gesteld dat hij verbijsterd was door het schieten van zijn broer, waarmee hij heeft ontkend opzet op de dood van [slachtoffer 1] te hebben gehad.

Het hof gelooft verdachte niet. Verdachtes handelen ten tijde van het schieten en daarna, duidt in het geheel niet op enige vorm van verbijstering maar juist op het tegendeel. Verdachte heeft in de samenwerking met de medeverdachte volgens plan en onverschillig ten aanzien van de dood van [slachtoffer 1] gehandeld, waarbij illustratief voor die onverschilligheid en het planmatig handelen is dat verdachte, op het moment dat hij ziet dat het wapen op [slachtoffer 1] wordt gericht, zijn vingers in de oren doet, wegkijkt omdat hij niet wilde zien wat er gebeurde, zich ter voorkoming van kruitsporen op zijn eigen kleding omdraait en “boeie” denkt en vervolgens toen [slachtoffer 1] was beschoten ononderbroken is voortgegaan met de voorgenomen berovingshandelingen. Verdachte is direct tezamen met zijn broer naar de stervende [slachtoffer 1] gelopen om ook zelf de pincode te vragen en zij hebben het lichaam vervolgens gezamenlijk verborgen.

Het hof stelt daarnaast vast dat verdachte pas in een later stadium zijn verklaring heeft bijgesteld in die zin dat hij verbijsterd was toen er op [slachtoffer 1] werd geschoten. Hij heeft ter zitting van het hof meegedeeld dat zijn verklaring over “boeie” anders zou moeten worden gelezen.

Het hof volgt verdachte niet in die latere verklaring bij het hof. Het hof stelt in het kader van de beoordeling van hetgeen verdachte en zijn medeverdachte hebben verklaard, dat uit de OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat verdachten de ten laste gelegde feiten over het Dwingelderveld en [woonplaats 2] evalueren en vanuit die ervaringen plannen maken voor het opnieuw gezamenlijk plegen van nieuwe strafbare feiten - en dan op een “slimmere” manier om aan geld te komen. Uit die OVC-gesprekken volgt ook dat waar het gaat over de gepleegde feiten in het Dwingelderveld en [woonplaats 2] verdachte en medeverdachte hun verhaal inhoudelijk willen afstemmen. Ook de rol van verdachte ten opzichte van zijn broer wordt daarbij besproken. In het bijzonder op het punt dat verdachte slechts volgzaam zou zijn geweest ten opzichte van zijn broer volgt uit de OVC-gesprekken dat daarover wordt geprobeerd af te stemmen.

Het hof stelt vast dat verdachte allereerst toen hij zijn verhaal op 31 maart en 1 april 2014 tijdens zijn verhoren vertelde aan de politie, vanuit eigen gezichtspunt en feitelijk over zijn rol heeft verklaard. Tijdens die eerste inhoudelijke verklaringen over de toedracht rond de dood van [slachtoffer 1] en het echtpaar [slachtoffers] is verdachte gedetailleerd en tekent op kaarten gegevens in. Het hof acht juist die aanvankelijke verklaringen bruikbaar voor bewijs. Die verklaringen van verdachte worden ondersteund door de op diezelfde dagen door zijn broer in dat stadium afgelegde verklaringen. De broer van verdachte zegt in die verhoren dat hij volledig gaat meewerken. Verdachte geeft op 1 april aan dat hij alles zo’n beetje heeft verteld. Die aanvankelijke verklaringen van 31 maart 2014 en 1 april 2014 worden ondersteund door ander (forensisch) bewijs.

Dat verdachte nadien en ter zitting van het hof anders over zijn eigen rol heeft verklaard maakt niet dat verdachtes aanvankelijke verklaringen terzijde moeten worden gesteld. Het valt op dat hetgeen verdachte in een later stadium heeft verklaard overeenkomt met hetgeen verdachten, getuige de inhoud van de OVC-gesprekken voordat zij werden aangehouden aanvankelijk voor ogen hebben gehad waar zij door middel van afstemming afspraken over wilden maken. Een belangrijk punt voor hen was dat verdachte gedeeltelijk buiten schot zou blijven. Zijn rol zou worden gemarginaliseerd.

Het hof oordeelt, alles afwegende, dat de aanvankelijk op 31 maart 2014 en 1 april 2014 afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn en bruikbaar voor bewijs. Daarin spreekt verdachte geenszins over verbijstering. Hetgeen verdachte in een later stadium heeft verklaard over die verbijstering en over de mate van zijn betrokkenheid beschouwt het hof tegen de achtergrond van de beoogde afstemming niet als betrouwbare informatie.

Dit alles brengt mee dat het hof van oordeel is dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] bewust heeft aanvaard. De hiervoor vastgestelde nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte was aldus beschouwd ook gericht op de dood van het slachtoffer.

Uit hetgeen het hof hierboven heeft vastgesteld en overwogen en uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt daarnaast dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte [slachtoffer 1] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht.

Verdachte heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij heeft de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Tussentijds of in de periode daarvoor, toen verdachte en zijn medeverdachte in het bos in de greppel het beoogde slachtoffer lagen op te wachten, is er geen sprake geweest van enige van buiten komende prikkel of aanleiding. Evenmin is er een objectief aan te wijzen omstandigheid die de mogelijkheid voor verdachte om zich te beraden heeft belet of bemoeilijkt.

Verdachte heeft ook daadwerkelijk nagedacht over het schieten. Hij kon dat schieten op [slachtoffer 1] volgens zijn verklaring bij de politie voorkomen door zijn broer ‘aan te tikken of zo’. Hij verwierp deze gedachte, omdat hij naar eigen zeggen dacht: ‘boeie, het interesseert mij niet’. Met andere woorden een mensenleven was voor hem van generlei belang. Verdachte heeft er toen weer voor gekozen om voort te gaan met hun voorgenomen plan. Het hof ziet hierin geen contra-indicatie voor het bewijzen van voorbedachte raad en dus van moord.

Conclusie

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroofd.’’

2.3.

Bespreking eerste middel van de verdachte

2.3.1.

Het eerste middel komt zoals gezegd op tegen de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde medeplegen en de voorbedachte raad. Gesteld wordt dat het hof ten onrechte het aandeel van de verdachte in de voorbereiding en uitvoering van de dodelijke beroving heeft aangemerkt als bewuste en nauwe samenwerking in het kader van de bewezenverklaarde moord. Indien de verdachte als medepleger van een beroving met dodelijke afloop kan worden aangemerkt, dan maakt dat nog niet zonder meer dat de verdachte als medepleger van de bewezenverklaarde moord kan worden aangemerkt. Diezelfde redenering wordt ook ten aanzien van de voorbedachte raad gevolgd. Uit het antwoord op de vraag of de verdachte gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen beroving, kan nog niet worden afgeleid of de verdachte diezelfde gelegenheid heeft gehad ten aanzien van de door zijn broer voorgenomen levensberoving van het slachtoffer van de beroving.

Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsvoering geen wezenlijke bijdrage van de verdachte aan de moord worden afgeleid, noch kan daaruit de voorbedachte raad worden afgeleid. In elk geval is het oordeel van het hof dienaangaande niet toereikend gemotiveerd.

Juridisch kader

2.3.2.

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad houden de voorwaarden van medeplegen in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met één of anderen.2 Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat is het geval wanneer bijvoorbeeld in de kern sprake is van een gezamenlijke uitvoering. Wanneer dat niet het geval is, bijvoorbeeld omdat de bijdrage van de verdachte bestaat uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht of gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit, rust op de rechter de taak in de bewijsvoering het medeplegen nauwkeurig te motiveren indien hij toch tot een bewezenverklaring van dat medeplegen komt.

2.3.3.

Wat betreft de eisen die aan het bewijs van voorbedachte raad worden gesteld, geldt dat vast moet komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.3 In het geval dat vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, is het redelijk aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Voorbeelden van dergelijke contra-indicaties zijn de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een kort tijdbestek tussen besluit en uitvoering en dat de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Tot slot is van belang dat de rechter in zijn motivering nadere aandacht besteedt aan de vaststelling dat sprake is van de vereiste gelegenheid tot beraad. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is niet zonder meer toereikend voor het aannemen van voorbedachte raad.

Beoordeling van het middel

2.3.4.

Ik ben van oordeel dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kon afleiden dat er, ook wat de moord betreft, een nauwe en bewuste samenwerking was tussen de verdachte en zijn broer (de medeverdachte), dat de verdachte hieraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd en dat er ook bij de verdachte sprake was van voorbedachte raad.

De klacht die erop neerkomt dat het bestaan van een vooropgezet plan tot beroving waarbij een vuurwapen wordt gebruikt nog niet betekent dat sprake is van een vooropgezet plan tot het medeplegen van moord, faalt mijns inziens dan ook en wel op grond van het volgende.

2.3.5.

In de eerste plaats sluit een gezamenlijk plan tot beroving met behulp van een vuurwapen niet uit, dat het opzet – in ieder geval in voorwaardelijke zin – ook betrekking heeft op de levensberoving van het slachtoffer, ook al is het oorspronkelijke plan primair gericht op de beroving.4 In de tweede plaats kan voorwaardelijk opzet zonder bijzondere problemen met voorbedachte raad samengaan.5 In de derde plaats moeten de overwegingen van het hof over het medeplegen, het opzet en de voorbedachte raad in onderlinge samenhang worden gelezen.6

2.3.6.

Anders dan de steller van het middel leid ik uit de overwegingen van het hof niet af dat het hof de bijdrage van de verdachte aan de bewezenverklaarde moord slechts heeft ingevuld aan de hand van de bijdrage van de verdachte aan de beroving. Het hof heeft immers vastgesteld en overwogen:

- dat de verdachte wist dat de beroving zou plaatsvinden met het vuurwapen, waarmee hij enige uren voor de beroving zelf had ‘geoefend’ en dat het vuurwapen ook daadwerkelijk zou worden gebruikt;

- dat de verdachte op meerdere momenten gelegenheid had om na te denken en zich rekenschap te geven over de gevolgen van het gebruik van het vuurwapen bij de beroving op grond van een eerder incident dat met een vuurwapen had plaatsgevonden7;

- dat de verdachte zijn broer ook op het allerlaatste moment, terwijl daartoe wel de gelegenheid was, niet heeft (trachten te) weerhouden van het gebruik van het vuurwapen;

- en dat na het schieten volgens plan de verdachte samen met zijn broer is doorgegaan met de beroving en het verbergen van het lichaam.

Het oordeel van het hof komt erop neer dat de verdachte in alle facetten samen is opgetrokken met zijn broer en dat het plan tot beroving en de vervolgens uitgevoerde moord hand in hand gingen. Dat de broer van de verdachte en niet de verdachte zelf heeft geschoten was voor de verdachte voorzienbaar – het hof heeft er geen geloof aan gehecht dat de verdachte hierdoor verbijsterd was – en wie geschoten heeft is voor de vraag of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt niet van doorslaggevende betekenis.

2.3.7.

Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof uit alle omstandigheden die het bij het bewijs en in zijn bewijsoverwegingen heeft betrokken, afgeleid dat de verdachte ruim tevoren wist dat met het vuurwapen zou kunnen of zou worden geschoten en ook de gelegenheid heeft gehad daarover na te denken.8 In dat licht bezien is ook het oordeel van het hof dat in de uren voorafgaand aan de beroving, onder meer toen de verdachten lagen te wachten in de greppel, geen sprake is geweest van contra-indicaties niet onbegrijpelijk. Voor het aannemen van voorbedachte raad is volgens het hof tot slot – maar dus niet uitsluitend – relevant dat nadat de broer van de verdachte het vuurwapen op het slachtoffer richtte het nog 30 seconden heeft geduurd voordat de broer van de verdachte heeft geschoten. Volgens het hof kon de verdachte op het moment dat daadwerkelijk tot schieten werd overgegaan niet alleen (wederom) daarover nadenken maar is er zelfs bewijs voorhanden dát hij dat heeft gedaan. Het hof overweegt immers dat de verdachte volgens zijn verklaring bij de politie kon voorkomen dat zijn broer zou schieten door zijn broer ‘aan te tikken of zo’ maar in plaats daarvan heeft gedacht ‘’boeie het interesseert mij niet’’.9

2.3.8.

Kortom, het oordeel van het hof is zowel ten aanzien van het medeplegen als ten aanzien van de voorbedachte raad voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

2.4.

Het middel faalt.

3 Het tweede middel van de verdachte

3.1.

Het tweede middel van de verdachte komt op tegen de oplegde levenslange gevangenisstraf en de strafmotivering. Blijkens de eerste twee daarin vervatte deelklachten is de steller van het middel primair van oordeel dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met art. 3 EVRM. Blijkens de derde voorgestelde deelklacht is de steller van het middel subsidiair van mening dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd in het licht wat door de verdediging is aangevoerd over alternatieve straffen en/of maatregelen met betrekking tot de levenslange gevangenisstraf.

3.2.

Het hof heeft ter motivering van de straf het volgende overwogen:

‘’De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan de verdachte. Hiertoe heeft zij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 waarin hij heeft beslist - kortweg - dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf op zichzelf met in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Gelet hierop ziet de advocaat-generaal voor de Nederlandse strafrechter geen juridische belemmering om een levenslange gevangenisstraf op te leggen. Oplegging van een levenslange gevangenisstraf is de enige straf die recht doet aan de ernst van de feiten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft haar visie gegeven op de huidige regeling inzake de levenslange gevangenisstraf. Hierbij is door de verdediging aangevoerd dat zij in het gegeven dat in de nieuwe regeling pas na vijfentwintig jaren detentie re-integratieactiviteiten komen een evidente schending van het EVRM ziet.

Ook heeft de verdediging haar visie gegeven op de levenslange gevangenisstraf in het algemeen. Oplegging van een levenslange gevangenisstraf is naar de mening van de verdediging niet passend en aangewezen. Daarbij heeft de verdediging drie opties gepresenteerd: 1) oplegging van een (middellange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met de maatregel tbs met verpleging van overheidswege, 2) oplegging van een lange tijdelijke gevangenisstraf gecombineerd met de maatregel tbs met verpleging van overheidswege en met toepassing van artikel 37b lid 2 Wetboek van Strafrecht en 3) oplegging van een lange tijdelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van het hof

Is de oplegging van een levenslange gevangenisstraf onder de nieuwe regeling in strijd met artikel 3 EVRM?

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 voorziet het Nederlandse recht nu in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, zodat oplegging van een levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Het hof wijst in het bijzonder op het Besluit Adviescollege levenslanggestraften, de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Als op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nooit wordt verkort dan zal dat bepaaldelijk een factor van betekenis zijn bij de op dat moment te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met artikel 3 EVRM.

Het verweer van de verdediging dat op dit moment geen levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd omdat het ontbreken van re-integratieactiviteiten gedurende de eerste vijfentwintig jaren detentie een evidente schending van het EVRM oplevert wordt verworpen onder verwijzing naar hetzelfde arrest.

Motivering oplegging straf

Het hof zal die levenslange gevangenisstraf opleggen aan verdachte.

Verdachte heeft zich op 4 november 2012 en 25 juli 2013 samen met zijn medeverdachte, zijn één jaar oudere broer, aan drie moorden schuldig gemaakt. Telkens waren de slachtoffers nietsvermoedende burgers die als gevolg van het handelen van verdachten in hun zoektocht naar geld het leven moesten laten.

Op 4 november 2012 hebben verdachte en zijn medeverdachte het 55-jarige slachtoffer [slachtoffer 1] , die op een zondagmiddag met zijn twee hondjes door de bossen van het Dwingelderveld liep, doodgeschoten en vervolgens beroofd. Een kans om zijn spullen zelf af te geven kreeg [slachtoffer 1] niet. De verdachten hebben hem opgewacht en er is gericht op [slachtoffer 1] geschoten. De kogels hebben het slachtoffer dodelijk verwond. Nog voordat [slachtoffer 1] een tweede keer zijn pincode kon noemen is hij aan zijn verwondingen bezweken. Een zoektocht naar [slachtoffer 1] werd [door] familie en vrienden opgestart. Het door verdachten verstopte lichaam van [slachtoffer 1] werd pas drie dagen later ontdekt.

Ruim een half jaar later, op 25 juli 2013, hebben verdachte en zijn medeverdachte het echtpaar [slachtoffers] in hun woning overvallen en vermoord. Na een periode van zorgvuldige voorbereiding, bestaande onder meer uit een langdurige observatie van de woning van meerdere dagen zijn verdachten uiteindelijk in de late avond van 24 juli 2013 de woning binnengedrongen. In de woning hebben zij het echtpaar geboeid. Uren verstreken terwijl hun woning werd doorzocht. Slachtoffer [slachtoffer 2] is gedwongen geld over te maken van een spaar- naar een lopende rekening, een voicemailbericht in te spreken waarin hij moest meedelen dat hij vanwege vakantie afwezig was en een briefje voor de buren te schrijven waarmee de indruk moest worden gewekt dat het echtpaar enige tijd afwezig was. Uiteindelijk hebben verdachten de slachtoffers gewurgd. De schoonzoon van het echtpaar was degene die gealarmeerd door zijn vrouw naar de woning van het echtpaar ging en - samen met de politie - in de woning op bed de levenloze lichamen van zijn schoonouders aantrof. Een verschrikkelijk beeld dat op zijn netvlies staat gebrand.

Opvallend is de professionele en uitvoerige, met militaire precisie uitgevoerde, voorbereiding door verdachten. Ook bij de afwikkeling zijn verdachten op eenzelfde zeer berekenende manier te werk gegaan. Ze wisten zorgvuldig alle sporen. Ze hebben geprobeerd om familieleden en vrienden op het verkeerde been te zetten door de woning en de lichamen op een dusdanige manier achter te laten dat het leek op zelfdoding. Ook voor de politie lieten verdachten verschillende dwaalsporen achter, zoals gestolen sigaretten en een pinbon in de woning, een peuk in de tuin en een bankpas van [slachtoffer 2] in de trein.

Door telkens de levenloze lichamen te verbergen, hun sporen zorgvuldig uit te wissen en dwaalsporen uit te zetten probeerden verdachten tijd te winnen om geld te kunnen pinnen en het onderzoek te bemoeilijken en op die manier onder de consequenties van hun handelen uit te komen. Uit de afgeluisterde OVC-gesprekken volgt ook dat de broers dachten en hoopten dat hun daderschap onopgemerkt zou blijven. Uit die gesprekken blijkt daarnaast dat hun hang naar geld, rijk worden, nog onverminderd aanwezig was. Verdachten waren zelfs al bezig met het plannen van een volgende actie. Er waren concrete plannen om in een ‘groot mooi huis in het bos’ elders, gevonden via Google Earth, exact hetzelfde als in [woonplaats 2] te doen.

Illustratief voor de kille handelwijze van de verdachten zijn de gesprekken tussen de broers waaruit blijkt dat men leert van gemaakte fouten en afspreekt het in de toekomst beter te doen. Afgesproken wordt om de volgende actie net zo uit te voeren als de vorige keer, alleen zullen zij het lijk dan ook nog verstoppen. Het moet ‘vlekkeloos’ gaan.

Het hof is van oordeel dat sprake is van buitengewoon ernstige feiten. Verdachte heeft samen met zijn broer drie mensen het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt, te weten het recht op leven. Het gemak waarmee verdachten in hun zoektocht naar financieel gewin meedogenloos hun slachtoffers hebben gedood is schokkend.

De ernst en de impact van de feiten is ook in hoger beroep geïllustreerd door nabestaanden van de slachtoffers. Het verlies van [slachtoffer 1] en het echtpaar [slachtoffers] heeft bij de nabestaanden onherstelbaar leed en immens verdriet veroorzaakt, zoals treffend is verwoord in hun slachtofferverklaringen. De gevolgen voor de nabestaanden zijn diepingrijpend en nog dagelijks voelbaar.

De laatste uren van hun leven heeft het echtpaar [slachtoffers] in angst moeten doorbrengen. De nabestaanden moeten ook leven met de wetenschap dat [slachtoffer 3] voordat zij stierf heeft moeten meemaken, na uren van gijzeling, dat haar man vermoord werd.

Naast de gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden, benadrukt het hof dat de rechtsorde door dergelijke misdrijven ernstig wordt geschokt. Verdachten hebben nietsvermoedende slachtoffers in koelen bloede vermoord. De redenen die verdachten hebben aangegeven om juist deze mensen tot slachtoffer te maken (een mooie auto, thuis-zijn of een huisnummer) zijn zo triviaal dat daardoor grote gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving worden veroorzaakt.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte een langdurige gevangenisstraf oplegt in combinatie met terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof heeft ook kennisgenomen van een op verdachtes naam gesteld uittreksel Justitiële Documentatie van 25 januari 2018 en de omtrent verdachte opgemaakte rapportages. Hoewel uit deze rapporten volgt dat er sprake is van een bepaalde mate van psychische problematiek bij verdachte, zal het hof niet de door de verdediging voorgestelde maatregel, naast een tijdelijke gevangenisstraf, opleggen.

Los van de kwestie dat de deskundigen vanwege de beperkte mate van de problematiek geen gedragskundige basis voor een TBS advies zien en geen van de deskundigen een terbeschikkingstelling adviseert, is het hof van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten te ernstig zijn voor de door de verdediging voorgestelde bestraffing.

Een tijdelijke gevangenisstraf doet onvoldoende recht aan de ernst en de veelheid van de feiten. Al het voorgaande voert het hof tot de slotsom dat het hof geen ruimte aanwezig acht voor de oplegging van een andere gevangenisstraf dan de levenslange. Alleen deze straf kan leiden tot adequate vergelding van het leed dat verdachte zijn slachtoffers en hun nabestaanden heeft aangedaan en tot vereffening van de schade die verdachte door de bewezenverklaarde feiten de rechtsorde heeft toegebracht. Daarbij komt dat effectieve bescherming van de samenleving tegen verdachte, die meent te kunnen beschikken over leven en dood van anderen, oplegging van de langst mogelijke gevangenisstraf noodzakelijk maakt. Ook in het algemeen geldt dat het hof met de bestraffing van verdachte beoogt eraan bij te dragen dat ook anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof - zoals hiervoor reeds is vermeld - van oordeel is dat een levenslange gevangenisstraf dient te worden opgelegd.’’

3.3.

Volgens de steller van het middel heeft (de toelichting op) het middel niet de pretentie geheel nieuwe inzichten in de discussie over de levenslange gevangenisstraf in te brengen maar wordt voortgebouwd op standpunten die in andere schrifturen en in de literatuur zijn verwoord.10 Deze ontwikkelingen zijn door anderen reeds uitvoerig besproken en ik zal hier volstaan met een beschrijving in een notendop.

3.4.

Met betrekking tot de beantwoording van de vraag of de wijze waarop de levenslange gevangenisstraf in Nederland wordt opgelegd en ten uitvoer wordt gelegd in strijd is met art. 3 EVRM is de afgelopen jaren in de literatuur, de jurisprudentie en de politiek veel discussie geweest.11 Met name naar aanleiding van jurisprudentie van het EHRM en rechtspraak van de Hoge Raad is er een koerswijziging tot stand gebracht, met dien verstande dat er is voorzien in een procedure waarbij na 25 jaren beoordeeld wordt of de levenslanggestrafte in aanmerking kan komen voor invrijheidsstelling door middel van gratiëring. Daartoe is door de minister een Adviescollege levenslanggestraften ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 2017 geoordeeld dat het stelsel dat thans geldt met betrekking tot een herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf, niet in strijd is met art. 3 EVRM.12

3.5.

Het middel borduurt vooral voort op de kritiek die op het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 is gekomen. Daarom zal ik hieronder eerst de relevante overwegingen uit dit arrest weergeven:13

‘’3.2. Ter beoordeling staat of het Nederlandse recht thans voorziet in een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Daarbij staat de vraag centraal of die mogelijkheid tot herbeoordeling in het algemeen beschouwd van zodanige aard is dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met art. 3 EVRM kan plaatsvinden.

3.3.

Voor de beoordeling van het middel is, naast het in het tussenarrest onder 2 weergegeven juridische kader, ook de navolgende, recent tot stand gebrachte regelgeving van belang.

Op 1 maart 2017 is het Besluit Adviescollege levenslanggestraften (hierna: Besluit ACL) in werking getreden.14 Per 1 juni 2017 is dit besluit gewijzigd.15 Het Besluit ACL voorziet in een regeling ter zake van de advisering en de besluitvorming omtrent het aanbieden van zogeheten re-integratieactiviteiten aan levenslanggestraften, mede met het oog op eventuele gratieverlening. Deze advisering geschiedt door het Adviescollege levenslanggestraften (hierna: het Adviescollege).

Mede in verband met de totstandkoming van het Besluit ACL zijn met ingang van 1 september 2017 wijzigingen aangebracht in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, die betrekking hebben op de vaststelling van het detentie- en re-integratieplan voor levenslanggestraften alsmede het plaatsen van levenslanggestraften in het Pieter Baan Centrum ten behoeve van onderzoek. Voorts is de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting met ingang van diezelfde datum aangepast in verband met de regeling van het re-integratieverlof voor levenslanggestraften.16

3.4.

Op grond van de onder 3.3 genoemde regelgeving vindt de herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf – op hoofdlijnen weergegeven – plaats op de navolgende wijze.

a. In alle gevallen waarin een levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is opgelegd, wordt 25 jaar na aanvang van de detentie – te rekenen vanaf het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd17 – een (eerste) advies uitgebracht door het Adviescollege.18 Dit advies richt zich op de vraag voor welke re-integratieactiviteiten, als bedoeld in art. 1, aanhef en onder f, Besluit ACL, een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde in aanmerking komt.

b. Uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het uitbrengen van het onder a. genoemde advies wordt de veroordeelde – tenzij hij daaraan geen medewerking wil verlenen – geplaatst in het Pieter Baan Centrum ten behoeve van een onderzoek gericht op risicoanalyse, delictgevaarlijkheid en persoonlijkheidsontwikkeling.19

c. Alvorens het Adviescollege overgaat tot het uitbrengen van het onder a. genoemde advies, hoort het de veroordeelde alsmede de nabestaanden en slachtoffers.20 Het Adviescollege wordt voorzien van de in art. 5, tweede lid, Besluit ACL genoemde informatie, waaronder het penitentiair dossier en in voorkomend geval het verpleegdossier, terwijl het beschikt over bevoegdheden met betrekking tot het inwinnen van informatie en het zich verschaffen van bijstand van deskundigen.21 De rapportage betreffende het onder b. genoemde, in het Pieter Baan Centrum verrichte onderzoek wordt, indien beschikbaar, aan het Adviescollege toegezonden.22 Bij zijn advisering hanteert het Adviescollege de in art. 4, vierde lid, Besluit ACL genoemde criteria: het recidiverisico; de delictgevaarlijkheid; het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie; de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.

d. Op grond van het advies van het Adviescollege neemt de minister overeenkomstig art. 7 Besluit ACL een beslissing omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten. Indien het Adviescollege tot een negatief advies komt, beslist de minister dienovereenkomstig. Bij een positief advies van het Adviescollege kan de minister gemotiveerd een andere beslissing nemen.

e. Indien de minister beslist tot het aanbieden van re-integratieactiviteiten, worden in het detentie- en re-integratieplan als bedoeld in art. 1c Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden de re-integratieactiviteiten opgenomen waarvoor de veroordeelde in aanmerking komt. Dit zogeheten re-integratieplan is gericht op het geleidelijk toestaan van meer vrijheden aan de veroordeelde teneinde hem in staat te stellen te werken aan de voorbereiding op zijn mogelijke terugkeer in de samenleving.23 Het gaat daarbij blijkens de toelichting in het bijzonder om de ondersteuning van de veroordeelde ter zake van "een geldig identiteitsbewijs, onderdak direct na ontslag uit detentie, inkomen uit werk of een (tijdelijke) uitkering om na ontslag uit detentie in het eerste levensonderhoud te kunnen voorzien en indien arbeid niet beschikbaar is een vorm van dagbesteding, inzicht in schuldenproblematiek en het realiseren van (continuïteit van) zorg en een zorgverzekering".24 Onderdeel van de re-integratieactiviteiten kan ook het verlenen van verlof zijn. Het betreft daarbij het zogeheten re-integratieverlof, dat is geregeld in art. 20d Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting.

f. Ongeacht de strekking van het onder a. genoemde advies bepaalt het Adviescollege op de voet van art. 4, zesde lid, Besluit ACL bij het uitbrengen van dat advies binnen welke termijn het Adviescollege een vervolgadvies zal uitbrengen. Op diezelfde grondslag kan het Adviescollege zo nodig herhaaldelijk bepalen dat een vervolgadvies zal worden uitgebracht. Deze vervolgadviezen zijn van belang voor de nadere besluitvorming door de minister, op de voet van art. 7 Besluit ACL, omtrent het (alsnog) aanbieden van re-integratieactiviteiten.

g. Uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie wordt de mogelijkheid tot gratieverlening ambtshalve beoordeeld overeenkomstig de in art. 19 Gratiewet vastgelegde procedure.25 Daarnaast kan de mogelijkheid van gratie worden beoordeeld op grond van een daartoe strekkend verzoek dat door de veroordeelde wordt ingediend. In verband met de beoordeling, ambtshalve of op verzoek, van de mogelijkheid van gratie kan het Adviescollege de minister informeren over de voortgang van de resocialisatie- en re-integratieactiviteiten van de veroordeelde.26 Voorafgaand aan de beslissing omtrent gratieverlening worden voorts – zowel in geval van ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening als wanneer wordt beslist op een gratieverzoek – de adviezen ingewonnen van het openbaar ministerie en het gerecht dat de straf heeft opgelegd.27 Het advies van dat gerecht is met redenen omkleed.28 Aangenomen moet worden dat de minister voorafgaand aan de beslissing omtrent gratieverlening de veroordeelde hoort en voorts alle inlichtingen inwint die voor de beoordeling van belang zijn.29

3.5.1.

Met het oog op de beantwoording van de vraag of het onder 3.4 geschetste stelsel van herbeoordeling, mede gelet op de na de onherroepelijke oplegging van de levenslange gevangenisstraf beschikbare mogelijkheden tot toetsing in de fase van tenuitvoerlegging van die straf, voldoet aan de eisen die op grond van art. 3 EVRM moeten worden gesteld, is in het bijzonder het navolgende van belang.

3.5.2.

Op grond van de rechtspraak van het EHRM heeft als uitgangspunt te gelden dat de (eerste) herbeoordeling na niet meer dan 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek de mogelijkheid van herbeoordeling wordt geboden. Daarmee is niet onverenigbaar dat art. 4, derde lid, Besluit ACL bepaalt dat de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie geschiedt, in aanmerking genomen dat blijkens art. 1, aanhef en sub g, Besluit ACL die termijn reeds aanvangt op het moment van de inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ter zake van het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd.30 Voorts is de veroordeelde op grond van de Gratiewet te allen tijde bevoegd een verzoek tot gratie in te dienen. Indien een gratieverzoek ter zake van een levenslange gevangenisstraf wordt ingediend na ommekomst van de genoemde termijn van 27 jaar, is het Adviescollege belast met de taak om de minister te informeren over de voortgang van resocialisatie- en re-integratieactiviteiten.31

3.5.3.

Bij de herbeoordeling moet, gelet op de eisen die art. 3 EVRM stelt, de vraag aan de orde komen of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. De algemene maatstaf die – voor zover hier relevant – op grond van art. 2, aanhef en onder b, Gratiewet wordt aangelegd, houdt in of het aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Met het oog op de toepassing van die maatstaf is van belang dat, in de onder 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling, de beslissing omtrent gratie onlosmakelijk is verbonden met de advisering door het Adviescollege omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten, waarbij deze advisering als "het voortraject van de gratieprocedure" is te beschouwen.32

De criteria die het Adviescollege aanlegt, zoals opgenomen in art. 4, vierde lid, Besluit ACL, zijn derhalve tevens van belang voor de beslissing omtrent gratieverlening.33 Het komt bij de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of de beoordeling van een nadien ingediend verzoek tot gratieverlening derhalve aan op de vraag of – gelet op het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie, en in aanmerking genomen de overige in art. 4, vierde lid, Besluit ACL genoemde criteria – verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Vanwege deze samenhang tussen enerzijds de in de gratieprocedure toepasselijke maatstaf en anderzijds de advisering door het Adviescollege, verschaft art. 4, vierde lid, Besluit ACL voor de veroordeelde ook in voldoende mate inzicht in de objectieve criteria die worden aangelegd bij de in 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling.34

3.5.4.

Met betrekking tot de procedurele waarborgen in verband met de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dan wel de beoordeling van een gratieverzoek is het navolgende van belang.

Nadat door het Adviescollege advies is uitgebracht, neemt de minister op de voet van art. 7 Besluit ACL een beslissing omtrent het (al dan niet) aanbieden van

re-integratieactiviteiten. De minister kan slechts gemotiveerd afwijken van het advies van het Adviescollege om die activiteiten aan te bieden.35 Indien het verloop van de procedure dan wel (de motivering van) de beslissing van de minister daartoe aanleiding geeft, kan de veroordeelde tegen die beslissing opkomen in een procedure bij de burgerlijke rechter.36

De Gratiewet kent geen termijn waarbinnen een beslissing omtrent het al dan niet verlenen van gratie wordt genomen. Indien echter niet binnen een redelijke termijn de beslissing wordt genomen ter zake van de in art. 4, derde lid, Besluit ACL genoemde ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of op een door de veroordeelde ingediend gratieverzoek, kan de burgerlijke rechter op vordering van de veroordeelde gebieden dat binnen een daartoe gestelde termijn die beslissing wordt genomen.

Voorts voorziet de Gratiewet niet in een rechtsmiddel tegen een (negatieve) beslissing omtrent de verlening van gratie. Naar ook in parlementaire stukken wordt opgemerkt,37 kan de veroordeelde echter in verband met die beslissing het oordeel inroepen van de burgerlijke rechter. Deze kan beoordelen of de negatieve beslissing omtrent de verlening van gratie, in het licht van de eisen die art. 3 EVRM stelt, onrechtmatig is. Die beoordeling richt zich met name op de redenen die zijn opgegeven voor deze beslissing. Die motiveringsplicht berust, indien een verzoek tot gratieverlening wordt afgewezen, op art. 18, tweede lid, Gratiewet. Eenzelfde verplichting tot opgaaf van redenen moet, in het licht van de rechtspraak van het EHRM,38 worden aangenomen indien de in art. 4, derde lid, Besluit ACL genoemde ambtshalve beoordeling niet tot gratieverlening leidt. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing omtrent gratieverlening is in het bijzonder van belang indien wordt afgeweken van het onder 3.4 sub (g) genoemde advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies – naar wordt bevestigd in de parlementaire stukken – in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing omtrent gratieverlening.39

3.5.5.

Binnen het kader van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf dienen, in overeenstemming met de eisen die art. 3 EVRM stelt, voor de ommekomst van de onder 3.4 sub (a) genoemde termijn van 25 jaar aan de veroordeelde activiteiten – onder meer in de vorm van arbeid, scholing en gedragsinterventies – te worden aangeboden die hem in staat stellen zich gedurende de detentie te ontwikkelen, alsook inzicht te verkrijgen in de relevante en noodzakelijke ontwikkelingsmogelijkheden, ten behoeve van een mogelijke terugkeer in de samenleving en met het oog op de advisering en de besluitvorming omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten na ommekomst van die termijn. De onder 3.3 genoemde regelingen sluiten een zodanig aanbod van activiteiten niet uit, waarbij nog van belang is dat, in verband met het aanbieden van passende (medische) behandeling en (psychiatrische) zorg aan de veroordeelde, reeds in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragsdeskundige rapportage plaatsvindt.40

De Penitentiaire beginselenwet voorziet in het recht van (beklag en) beroep ter zake van beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, ook voor het einde van de eerder genoemde termijn van 25 jaar, alsook beslissingen omtrent het verlenen van re-integratieverlof. De vraag of het detentieverloop in een individueel geval in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt, komt in deze penitentiaire rechtsgang aan de orde.

3.6.

De Hoge Raad is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de onder 3.3 en 3.4 geschetste regelingen en in aanmerking genomen hetgeen onder 3.5 is overwogen met betrekking tot de beoordelingsmogelijkheden van de burgerlijke rechter alsmede de penitentiaire rechter in de fase van tenuitvoerlegging, het Nederlandse recht thans voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met art. 3 EVRM. De recente introductie van dit stelsel betekent dat thans geen (doorslaggevende) betekenis toekomt aan de feitelijke mogelijkheden tot bekorting van de levenslange gevangenisstraf zoals die voordien bestonden. Dat laat onverlet dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nimmer wordt verkort, zulks bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de alsdan te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM. Die vraag is thans echter niet aan de orde.’’

3.6.

Bespreking van de eerste deelklacht

3.6.1.

Wat betreft het primair ingenomen standpunt dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met art. 3 EVRM voert de steller van het middel als eerste deelklacht aan dat het huidige stelsel van herbeoordeling niet in overeenstemming is met de door het EHRM voorgeschreven positieve verplichting om rehabilitatie/resocialisatie (ook bij levenslanggestraften) binnen de gevangenismuren mogelijk te maken. Volgens de steller van het middel brengt de huidige praktijk mee dat geen reëel perspectief op vrijlating bestaat en dat de levenslange gevangenisstraf in Nederland (nog steeds) ‘’de facto irreducible’’ is.

3.6.2.

Het belangrijkste argument dat daarvoor wordt aangevoerd, is het ontbreken van re-integratieactiviteiten in de eerste 25 jaren van de levenslange gevangenisstraf.41

3.6.3.

Ik vraag mij af of de verplichting tot het aanbieden van re-integratieactiviteiten gedurende de eerste 25 jaar van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, zoals die zijn gedefinieerd in art. 1 onder f van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften (hierna Besluit ACL) wel uit de jurisprudentie van het EHRM, die door de steller van het middel wordt aangehaald, kunnen worden afgeleid.

3.6.4.

Volgens mij speelt hier een definitieprobleem dat de helderheid van de discussie niet ten goede komt. In de schriftuur en ook de literatuur worden de termen resocialisatieactiviteiten en re-integratieactiviteiten nogal eens door elkaar gebruikt terwijl het bij het door het EHRM vereiste “prospect of rehabilitation” in de kern gaat om de vraag welke mogelijkheden de levenslanggestrafte krijgt om zich te ontwikkelen ten behoeve van een mogelijke terugkeer in de samenleving.

3.6.5.

AG Machielse benoemt in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 een aantal aspecten die hieronder kunnen worden geschaard, zoals de mogelijkheden contacten te onderhouden met de buitenwereld en de straftijd op enigerlei wijze positief in te vullen en inspanningen die mogen worden gevergd om het recidiverisico te verminderen. De Hoge Raad verstaat daar in zijn arrest van 19 december 2017 arbeid, scholing en gedragsinterventies onder, ook wel resocialisatie-activiteiten genoemd en die gedurende de eerste 25 jaar dienen te worden aangeboden. De in de jurisprudentie van het EHRM genoemde termen prospects of rehabilitation omvat een breed scala aan omstandigheden die de levenslang gestrafte moeten helpen in aanmerking te komen voor een mogelijke invrijheidsstelling in de toekomst, zonder dat daarbij een precies onderscheid in te maken valt tussen resocialisatie en re-integratie zoals dat in de Nederlandse context gebeurt. Het EHRM laat de lidstaten een ruime margin of appreciation, zowel wat betreft de termijn waarbinnen een herbeoordeling dient plaats te vinden als de vorm waarin dat plaatsvindt, zolang de veroordeelde een reeële mogelijkheid wordt geboden zich voor te bereiden op een terugkeer in de samenleving.42

3.6.6.

Onder re-integratie activiteiten worden volgens het Besluit ACL verstaan:

“f. re-integratie activiteiten: activiteiten, inclusief verlof, die aanvullend op de resocialisatieactiviteiten de gedetineerde in staat stellen te werken aan de voorbereiding op zijn mogelijke terugkeer in de samenleving;”

3.6.7.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2017 in de hierboven geciteerde rechtsoverweging 3.4. onder e. heeft weergegeven bestaan de re-integratie activiteiten, naast mogelijk re-integratieverlof, uit ondersteuning van de veroordeelde bij het verkrijgen van een geldig identiteitsbewijs, onderdak direct na ontslag uit detentie, inkomen uit werk of een (tijdelijke) uitkering om na ontslag uit detentie in het eerste levensonderhoud te kunnen voorzien en indien arbeid niet beschikbaar is een vorm van dagbesteding, inzicht in schuldenproblematiek en het realiseren van (continuïteit van) zorg en een zorgverzekering.

3.6.8.

Dat deze ondersteuning niet wordt aangeboden gedurende de eerste 25 jaar van de detentie lijkt mij logisch, omdat zij als het ware het sluitstuk vormt van de herbeoordelingsprocedure waarover het Adviescollege op grond van art. 7 Besluit ACL moet adviseren en bovendien naar zijn aard verbonden is met het verlaten van de inrichting. Dat de levenslanggestrafte ook gedurende de eerste 25 jaar van zijn detentie de inrichting moet kunnen verlaten kan niet aan de jurisprudentie van het EHRM worden ontleend. Voor zover in de toelichting op de klacht gesteld wordt dat het in strijd is met art. 3 EVRM deze re-integratieactiviteiten niet gedurende de eerste 25 jaar van de detentie aan te bieden, kan deze klacht dan ook niet slagen.

3.6.9.

Als in het middel bedoeld wordt dat het huidige beleid, in strijd met art. 3 EVRM, niet voldoende voorziet in mogelijkheden tot resocialisatie gedurende de eerste 25 jaar van detentie, dan gaat het voorbij aan hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2017 hierover in rechtsoverweging 3.5.5. heeft opgemerkt. De Hoge Raad vermeldt hierin dat aan de veroordeelde activiteiten dienen te worden aangeboden onder meer in de vorm van arbeid, scholing en gedragsinterventies die hem in staat stellen zich gedurende de detentie te ontwikkelen.43 De Hoge Raad stelt vast dat de herbeoordelingsregeling dergelijke activiteiten niet uitsluit en dat er ook passende medische en psychiatrische zorg moet worden aangeboden. Beslissingen dienaangaande kunnen getoetst worden in het kader van de beklag- en beroepsregeling van de Penitentiaire beginselenwet, waarin aan de orde kan komen of het detentieverloop in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt.44

3.6.10.

Afgezien van verwijzingen naar de berichtgeving van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, dat de eerste 25 jaar gevangenisstraf in het teken staan van vergelding en daarin geen re-integratieactiviteiten worden aangeboden, waaraan de conclusie wordt verbonden dat het beleid gedurende de eerste 25 jaar uitsluitend is gericht op vergelding en bestraffing en een individueel programma dat toegesneden is op rehabilitatie ontbreekt, worden in de schriftuur geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hetgeen de Hoge Raad over de resocialisatie-activiteiten heeft opgemerkt in de praktijk niet wordt uitgevoerd.

3.6.11.

Evenmin kan ik in de toelichting op het middel feiten of omstandigheden ontwaren die erop wijzen dat er sinds het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 dusdanige wijzigingen zijn opgetreden dat daarmee de levenslange gevangenisstraf (toch) in strijd komt met art. 3 EVRM omdat het stelsel ‘’de facto’’ geen reëel perspectief op vrijlating biedt.

3.6.12.

Dat het arrest van de Hoge Raad door onder anderen Van Hattum45 en Claessen46 van kritische kanttekeningen is voorzien en dat de wijze waarop levenslang gestraften worden bejegend (veel) beter zou kunnen worden georganiseerd – een streven dat ik persoonlijk overigens steun – betekent nog niet dat het huidige stelsel niet aan de vereisten van art. 3 EVRM voldoet. Zo ziet Claessen alleen mogelijke strijd van de huidige regeling met art. 3 EVRM, voor zover de regeling (geen) garanties biedt, in de vorm van inspanningsverplichtingen van de overheid, zodat al voorafgaand aan de eerste herbeoordeling zodanige volwaardige rehabilitatie van de levenslanggestrafte mogelijk wordt gemaakt dat hij bij die eerste herbeoordeling een reële kans maakt in vrijheid te worden gesteld.47 Ik vraag mij echter af in hoeverre nu al kan worden vastgesteld dat de huidige regeling deze garanties op een reële kans niet biedt.48 Wat dit betreft heeft de Hoge Raad terecht in rechtsoverweging 3.6. van zijn arrest van 19 december 2017 een slag om de arm gehouden door te overwegen dat mogelijk op enig moment kan komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder het nieuwe stelsel in de praktijk nooit wordt verkort en dat dan opnieuw de vraag op tafel ligt of de tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM. Naar mijn mening biedt de huidige regelgeving voldoende (procedurele) handvatten via de penitentiaire beklagprocedure en de civiele rechter49, om dit aan de orde te stellen c.q. aan het licht te brengen.50 Het hof heeft in onderhavig geval, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, dan ook overwogen dat daarover pas kan worden geoordeeld na verloop van tijd, omdat juist de praktische toepassing van de nieuwe regeling zal uitwijzen of de beslispraktijk in overeenstemming is met de vereisten die voortvloeien uit art. 3 EVRM.51

3.6.13.

Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat de eerste deelklacht faalt.

3.7.

Bespreking van de tweede deelklacht

3.7.1.

De tweede deelklacht heeft betrekking op de door het EHRM gestelde eis dat de regels omtrent de verkorting van een levenslange gevangenisstraf een voldoende ‘’degree of clarity and certainty’’ moeten hebben, dat de beoordeling moet zijn gebaseerd op ‘’objective, pre-established criteria’’ en de procedure met voldoende rechtswaarborgen moet zijn omkleed. Volgens de steller van het middel voorziet de huidige procedure met betrekking tot het Adviescollege levenslanggestraften en de beslissing van de minister onvoldoende in heldere en objectieve criteria. Aangevoerd wordt:

- dat het Adviescollege slechts een advies geeft waarvan de minister, weliswaar gemotiveerd, kan afwijken;

- de maatstaf van art. 2 onder b Gratiewet, inhoudende dat aannemelijk moet zijn dat met de voortzetting van de tenuitvoerlegging in redelijkheid geen doel meer wordt gediend, geen objectieve en heldere criteria biedt;

- voor zover de criteria die voor het Adviescollege gelden eveneens van toepassing zijn op de beslissingen die de minister moet nemen, het criterium genoemd in art. 4 lid 4 van het Besluit ACL (de impact op het slachtoffer en nabestaanden) geen objectief criterium biedt dat de veroordeelde in staat stelt te weten wat hij moet doen voor zijn invrijheidstelling.

3.7.2.

Het argument dat de Adviescommissie slechts een advies kan geven, waarvan de minister kan afwijken, maakt niet dat de procedure op grond daarvan niet in heldere criteria zou voorzien of overigens onduidelijk zou zijn. De waarborg dat het advies serieus moet worden genomen, moet worden gevonden in de voorwaarde dat de minister slechts gemotiveerd van een dergelijk advies kan afwijken en dat deze beslissing door de (burgerlijke) rechter getoetst kan worden.52

3.7.3.

Wat de criteria zelf aangaat heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2017 geoordeeld dat het stelsel van herbeoordeling zodanig is vormgegeven, dat in de zich daarvoor lenende gevallen overgegaan kan worden tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf en de oplegging van die straf daarmee op zichzelf niet in strijd is met art. 3 EVRM. Hierbij heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5.3 zoals hiervoor onder 4.5 geciteerd opgemerkt, dat in de procedure van herbeoordeling de beslissing over gratie onlosmakelijk is verbonden met de advisering door het Adviescollege omtrent het aanbieden van re-integratieactiviteiten, waarbij deze advisering als "het voortraject van de gratieprocedure" is te beschouwen. Daarbij heeft de Hoge Raad vastgesteld dat de criteria die het Adviescollege aanlegt, zoals opgenomen in art. 4, vierde lid, Besluit ACL, tevens van belang zijn voor de beslissing omtrent gratieverlening. Naar mijn mening is daarmee voldoende duidelijk welke criteria (moeten) worden gehanteerd voor de beoordeling of de veroordeelde in aanmerking kan komen voor een re-integratietraject dat kan leiden tot gratiëring of een op andere wijze te realiseren verkorting van de straf.

3.7.4.

Waarom de impact van een eventuele gratiëring voor het slachtoffer of nabestaanden of het vergeldingsaspect als criterium onvoldoende helder is, zie ik niet. Ik begrijp wel dat sommigen vinden dat dit criterium als zodanig niet zou mogen worden gehanteerd omdat deze effecten na 25 jaar niet meer (zouden mogen) meespelen bij een eventuele gratiëring.53 Maar ook dat standpunt kan niet worden ontleend aan de eisen die door het EHRM ter voorkoming van een schending van art. 3 EVRM worden gesteld. Bovendien kan tegen dit criterium ook anders en meer in positieve zin worden aangekeken zoals Claessen doet.54 Zo noemt hij de mogelijkheid van een herstelgericht proces waaraan de levenslanggestrafte en het slachtoffer of de nabestaanden op vrijwillige basis kunnen deelnemen, hetgeen in positieve zin kan uitwerken voor alle betrokkenen en daarom een gratiëring zou kunnen bevorderen.

3.7.5.

Kortom, in de klacht wordt niet overtuigend onderbouwd dat de gestelde voorwaarden waarin het toetsingskader van het huidige stelsel voorziet, niet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit art. 3 EVRM.

3.7.6.

Daarbij wil ik nog wijzen op een recent arrest van het EHRM van 12 maart 2019 in de zaak Petukhov tegen de Oekraïne55, waarin onder andere de klacht voorlag dat de levenslange gevangenisstraf waartoe Petukhov veroordeeld was noch de jure noch de facto bekort kan worden.

3.7.7.

In de Oekraïne geldt sinds 2000 een met Nederland vergelijkbaar stelsel dat door gratiëring (presidential clemency) omzetting van de levenslange naar een tijdelijke gevangenisstraf mogelijk is na 20 jaar. Daartoe zijn zogenaamde Clemency Procedure Regulations in het leven geroepen en een Clemency Commission, die de aanvragen van levenslanggestraften in dat kader onderzoekt.

3.7.8.

Bij het EHRM wordt geklaagd dat de regeling onvoldoende helder en voorzienbaar is. Zo is het onder meer niet duidelijk vanaf welk moment de 20-jaartermijn moet worden berekend, vanaf het begin van de detentie, of vanaf het moment van de aanvraag. Dat maakt nogal wat uit. In het laatste geval zou dat kunnen betekenen dat de 25 jaarstermijn die uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid aanzienlijk wordt verlengd, namelijk met de tijd die de betrokkene reeds in gevangenschap heeft doorgebracht.

Daarnaast is aangevoerd dat de Clemency Commission niet zodanig is samengesteld dat deze in staat is tot een professioneel onderzoek van de aanvraag, de criteria die gelden om voor clemency in aanmerking te komen vaag zijn geformuleerd en noch de Clemency Commission noch de president een beslissing aangaande een aanvraag hoeft te motiveren. Tot slot is het niet mogelijk de beslissing op een aanvraag door een rechter te laten toetsen.

3.7.9.

Het EHRM refereert in paragraaf 168 van zijn arrest naar de algemene uitgangspunten die het EHRM in de Hutchinson tegen het Verenigd Koninkrijk heeft geformuleerd. Ik zal deze voor het lezersgemak hieronder citeren:

‘’(a) General principles laid down in the Court’s case-law

168. The general principles established in the Court’s case-law on life sentences have been summarised, quite recently, in Hutchinson v. the United Kingdom ([GC], no. 57592/08, §§ 42-45, 17 January 2017) and read as follows:

“42. The relevant principles, and the conclusions to be drawn from them, are set out at length in the Vinter judgment (cited above, §§ 103-122; recently summarised in Murray v. the Netherlands [GC], no. 10511/10, §§ 99-100, ECHR 2016). The Convention does not prohibit the imposition of a life sentence on those convicted of especially serious crimes, such as murder. Yet to be compatible with Article 3 such a sentence must be reducible de jure and de facto, meaning that there must be both a prospect of release for the prisoner and a possibility of review. The basis of such review must extend to assessing whether there are legitimate penological grounds for the continuing incarceration of the prisoner. These grounds include punishment, deterrence, public protection and rehabilitation. The balance between them is not necessarily static and may shift in the course of a sentence, so that the primary justification for detention at the outset may not be so after a lengthy period of service of sentence. The importance of the ground of rehabilitation is underlined, since it is here that the emphasis of European penal policy now lies, as reflected in the practice of the Contracting States, in the relevant standards adopted by the Council of Europe, and in the relevant international materials (Vinter and Others, cited above, §§ 59-81).

43. As recently stated by the Court, in the context of Article 8 of the Convention, ‘emphasis on rehabilitation and reintegration has become a mandatory factor that the member States need to take into account in designing their penal policies’ (Khoroshenko v. Russia [GC], no. 41418/04, § 121, ECHR 2015; see also the cases referred to in Murray, cited above, § 102). Similar considerations apply under Article 3, given that respect for human dignity requires prison authorities to strive towards a life sentenced prisoner’s rehabilitation (see Murray, cited above, §§ 103-104). It follows that the requisite review must take account of the progress that the prisoner has made towards rehabilitation, assessing whether such progress has been so significant that continued detention can no longer be justified on legitimate penological grounds (Vinter and Others, cited above, §§ 113-116). A review limited to compassionate grounds is therefore insufficient (ibid., § 127).

44. The criteria and conditions laid down in domestic law that pertain to the review must have a sufficient degree of clarity and certainty, and also reflect the relevant case-law of the Court. Certainty in this area is not only a general requirement of the rule of law but also underpins the process of rehabilitation which risks being impeded if the procedure of sentence review and the prospects of release are unclear or uncertain. Therefore prisoners who receive a whole life sentence are entitled to know from the outset what they must do in order to be considered for release and under what conditions. This includes when a review of sentence will take place or may be sought (Vinter and Others, cited above, § 122). In this respect the Court has noted clear support in the relevant comparative and international materials for a review taking place no later than twenty-five years after the imposition of sentence, with periodic reviews thereafter (ibid., §§ 68, 118, 119 and 120). It has however also indicated that this is an issue coming within the margin of appreciation that must be accorded to Contracting States in the matters of criminal justice and sentencing (ibid., §§ 104, 105 and 120).

45. As for the nature of the review, the Court has emphasised that it is not its task to prescribe whether it should be judicial or executive, having regard to the margin of appreciation that must be accorded to Contracting States (Vinter and Others, cited above, § 120). It is therefore for each State to determine whether the review of sentence is conducted by the executive or the judiciary.”

3.7.10.

Bij de toepassing van de hiervoor gemelde uitgangspunten op de zaak zelf overweegt het EHRM onder andere het volgende:

172. The Court notes that the procedure for dealing with requests forclemency is set out in the Clemency Procedure Regulations, approved by a presidential decree to that effect. Among the considerations to be taken into account during the examination of a request for clemency, the regulations refer to “the seriousness of the committed crime, the duration of the sentence already served, the character of the convict, his or her behaviour, the existence of sincere repentance, compensation for or redress of the damage caused, as well as family-related and other circumstances” (…)

173. In the Court’s opinion, the above considerations provide some guidance as to the criteria and conditions for review of a life sentence and could be construed as referring to legitimate penological grounds for the continuing incarceration of prisoners (see and compare with Bodein v. France, no. 40014/10, § 60, 13 November 2014, Murray v. theNetherlands [GC], no. 10511/10, § 100, 26 April 2016, as well asHarakchiev and Tolumov v. Bulgaria, nos. 15018/11 and 61199/12, § 258, ECHR 2014 (extracts), and the Court’s further analysis in Hutchinson, cited above, § 61). It is noteworthy, however, that those considerations are applicable in the context of a broader restriction. Namely, the Clemency Procedure Regulations state that “persons convicted for serious or particularly serious crimes, or having two or more criminal records inrespect of the commission of premeditated crimes ... may be granted clemency in exceptional cases and subject to extraordinary circumstances”(see paragraph 86 above). All life prisoners clearly fall within this category (see paragraph 76 above). It is not known what is meant by “exceptional cases” and “extraordinary circumstances”, and there is nothing to suggest that the penological grounds for keeping someone in prison are of relevance for the interpretation of those notions under the legal frameworks as they presently stand in Ukraine.

174. In other words, prisoners who receive a whole life sentence do notknow from the outset what they must do in order to be considered forrelease and under what conditions (see Vinter and Others, cited above, § 122, and Hutchinson, also cited above, § 44).

175. The Court also takes note of the Government’s submission that as of April 2016 there were no life prisoners in Ukraine eligible for presidential clemency, given that the twenty years’ “waiting” period was to be calculated from 2000 when life imprisonment had been introduced in Ukraine and would therefore not expire until 2020 (see paragraph 166 above). However, according to the information provided by the head of the Clemency Department during a media briefing on 6 July 2016, by June 2016 more than seventy life prisoners had already served the required minimum of twenty years in prison and forty of them had requestedpresidential clemency, but their requests had been rejected (see paragraph 91 above). Such a drastic discrepancy in the authorities’ interpretation of the twenty-year “waiting” period is another indication for the Court of the lack of sufficient clarity and certainty in the applicable criteria and conditions for a life-sentence review under the presidential clemency procedure.

176. Against that background, the Court is inclined to accept the applicant’s argument that the calculation of the twenty-five years’ imprisonment replacing a life sentence as a result of presidential clemency might be open to different interpretations too. (…)

177. The Court further observes that the procedure in Ukraine requires neither the Clemency Commission nor the President to give reasons in their decisions regarding requests for clemency. The Court has held in its case-law that transparency of a life sentence review may nonetheless be ensured by other means, such as, for example, the established requirement for the Clemency Commission to take account of the relevant case-law of international courts and other bodies on the interpretation and application of international human rights in force in respect of the State in question, and to publish activity reports on a regular basis detailing the examination of requests for clemency (see Hutchinson, cited above, § 61). No such information is made public in Ukraine, except for the general outline of the criteria relevant for the examination of requests for clemency (see paragraph 86 above), to demonstrate how, if at all, those criteria are applied in practice by the President of Ukraine. (…)

178. The Court acknowledges that having regard to the margin of appreciation which must be accorded to Contracting States in matters of criminal justice and sentencing, it is not its task to prescribe the form(executive or judicial) such a review should take (see paragraph 168 above). It nevertheless considers that in order to guarantee proper consideration of the changes and the progress towards rehabilitation made by a life prisoner, however significant they might be, the review should entail either the executive giving reasons or a judicial review, so that even the appearance of arbitrariness is avoided (see Matiošaitis and Others, cited above, § 181, with further case-law references).

179. In the present case the absence of an obligation on the President of Ukraine and his subordinate authorities to give reasons in their decisions on clemency requests is further aggravated by the lack of any judicial review of those decisions. In such circumstances, the exercise by life prisoners of their right to a review of their life sentence by way of presidential clemency cannot be regarded as surrounded by sufficient procedural guarantees (see Murray, cited above, § 100).

180. Therefore, in the light of the above considerations, the Court considers that in Ukraine the presidential power of clemency is a modern-day equivalent of the royal prerogative of mercy, based on the principle of humanity, rather than a mechanism, based on penological grounds and with adequate procedural safeguards, for review of a prisoner’s situation so that the adjustment of his or her life sentence could be obtained (see and compare with Matiošaitis and Others, cited above, § 173).

181. The Court also reiterates that European penal policy currently places emphasis on the rehabilitative aim of imprisonment, even in the case of life prisoners (see, for example, Matiošaitis and Others, cited above, § 163). Life prisoners are to be provided with an opportunity to rehabilitate themselves. As to the extent of any obligations incumbent on States in this regard, the Court considers that even though States are not responsible for achieving the rehabilitation of life prisoners, they nevertheless have a duty to make it possible for such prisoners to rehabilitate themselves. Were it otherwise, a life prisoner could in effect be denied the possibility of rehabilitation, with the consequence that the review required for a life sentence to be reducible, in which a life prisoner’s progress towards rehabilitation is to be assessed, might never be genuinely capable of leading to the commutation, remission or termination of the life sentence or to the conditional release of the prisoner. The obligation to offer a possibility of rehabilitation is to be seen as an obligation of means, not one of result. However, it entails a positive obligation to secure prison regimes to life prisoners which are compatible with the aim of rehabilitation and enable such prisoners to make progress towards their rehabilitation In this context the Court has previously held that such an obligation exists in situations where it is the prison regime or the conditions of detention which obstruct rehabilitation (see Murray, cited above, § 104, with further references). [onderstreping AG TS].

182. The Court notes that life prisoners in Ukraine are segregated from other prisoners and spend up to twenty-three hours per day in their cells, which are usually double or triple occupancy, with little in terms of organised activities and association (see paragraphs 83 and 107 above). The Government have failed to explain how a prisoner can progress towards rehabilitation in such conditions.

183. The Court also notes that the Government’s observations in the present case did not even mention the issue of social rehabilitation for life prisoners.

184. Consequently, the Court cannot but conclude that the existing regime for life prisoners in Ukraine is incompatible with the aim of rehabilitation. (…)’’

3.7.11.

Het EHRM komt, na te hebben overwogen dat er ook geen gegevens beschikbaar zijn dat er daadwerkelijk levenslanggestraften in aanmerking zijn gekomen voor verkorting van hun straf, tot een schending van art. 3 EVRM.

3.7.12.

Deze zaak biedt inzicht in hoe het EHRM de criteria, die laatstelijk in de zaak Hutchinson tegen het Verenigd Koninkrijk zijn geformuleerd, toepast. Daar waar het gaat om voorzienbaarheid en helderheid van de procedure, het vereiste om beslissingen die betrekking hebben op het voortduren of bekorten van een levenslange gevangenisstraf te motiveren, de vereisten die aan een detentieregime kunnen worden gesteld waarin de levenslanggestrafte zich bevindt, en de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, kunnen aan deze uitspraak naar mijn mening geen argumenten worden ontleend dat de Nederlandse regeling in strijd zou zijn met art. 3 EVRM. De Nederlandse regeling voldoet, althans op papier en dus de jure, aan de vereisten die kunnen worden afgeleid uit de toetsing van het EHRM in de zaak Petukhov tegen de Oekraïne.

3.7.13.

Ik meen dan ook dat het impliciete oordeel van het hof dat verkorting van de levenslange gevangenisstraf volgens het huidige stelsel de jure mogelijk is, niet in strijd komt met art. 3 EVRM. De tweede deelklacht over het ontbreken van de vereiste objectieve en heldere criteria stuit daar dus op af.

3.7.14.

De tweede deelklacht faalt.

3.8.

Bespreking van de derde deelklacht

3.8.1.

De derde deelklacht, waarin het subsidiaire standpunt van de steller van het middel in is vervat, komt zoals gezegd op tegen de strafmotivering. Volgens de toelichting is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht wat door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van mogelijke alternatieven ten opzichte van de levenslange gevangenisstraf, namelijk de door de raadsman in hoger beroep toegelichte mogelijkheden van een middellange of lange tijdelijke gevangenisstraf al dan niet in combinatie met oplegging van de tbs-maatregel.56 Deze deelklacht bestaat vervolgens weer uit drie sub-klachten die achtereenvolgens inhouden dat:

1) het hof de oplegging van een levenslange gevangenisstraf als een vanzelfsprekendheid heeft gepresenteerd;

2) het hof nader had moeten motiveren waarom de effectieve bescherming van de maatschappij (tegen de verdachte) de oplegging van de levenslange gevangenisstraf noodzakelijk maakt omdat gelet op de verminderede toerekenbaarheid van de verdachte tbs bij een uitstek een maatregel is die deze bescherming kan bieden.

3) het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de persoonlijke omstandigheden die door de verdediging naar voren zijn gebracht zodat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.

3.8.2.

Bij de beoordeling van de klacht stel ik het volgende voorop. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste (dat wil zeggen meest passende) straf of maatregel is opgelegd en ook niet of de straf of maatregel beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.57 De keuze van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl deze keuze geen motivering behoeft.58 In cassatie kan dus niet worden gewogen of de opgelegde straf of maatregel werkelijk gedragen wordt door de opgegeven factoren.59 Kort samengevat heeft de rechter een ruime straftoemetingsvrijheid, mits hij binnen de door de wet aan de straf gestelde grenzen blijft, de redenen opgeeft die hebben geleid tot de opgelegde straf of maatregel (art. 359 Sv) en de opgelegde straf geen verbazing wekt.

3.8.3.

Gelet op de hierboven weergegeven uitvoerige motivering van het hof deel ik de opvatting van de steller van het middel dan ook niet dat het hof de oplegging van een levenslange gevangenisstraf als een vanzelfsprekendheid heeft gepresenteerd. Integendeel. Zo heeft het hof een aantal factoren, zoals de buitengewone ernst van de feiten, de wijze waarop de verdachte handelde en zijn motieven, benoemd en toegelicht. Daarnaast is het hof uitvoerig ingegaan op de volgens het hof relevante strafdoelen van vergelding, bescherming van de maatschappij en generale preventie die tot de oplegging van de levenslange gevangenisstraf hebben geleid. Ook de klacht dat het hof nader had moeten motiveren waarom een effectieve bescherming van de maatschappij tegen de verdachte de oplegging van de levenslange gevangenisstraf noodzakelijk maakt, faalt daarmee. Het hof heeft de oplegging van de levenslange gevangenisstraf immers niet alleen gebaseerd op het strafdoel van bescherming van de maatschappij maar bijvoorbeeld ook (en primair) op het strafdoel van vergelding en in mindere mate generale preventie. Mede gelet op de ruime straftoemetingsvrijheid van de rechter, het gegeven dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de meest passende straf is opgelegd en kan worden gewogen of de opgelegde straf werkelijk gedragen wordt door de opgegeven factoren, was het hof dus niet gehouden tot een nadere motivering. Datzelfde geldt tot slot met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij ik nog opmerk dat het hof zich in zijn uitspraak daarvan wel rekenschap heeft gegeven.60 De strafoplegging is ook in het licht wat door de verdediging daaromtrent is aangevoerd niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Verbazing wekt de straf evenmin, waarbij ik mede in aanmerking neem dat de opgelegde straf zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitgebreid aan de orde is geweest.

3.8.4.

Ook de derde deelklacht faalt in al zijn onderdelen.

3.9.

Het middel faalt.

4 De middelen van de benadeelde partij met betrekking tot feit 1

4.1.

Zowel het eerste als het tweede middel van de benadeelde partij met betrekking tot feit 1 komen op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de vordering benadeelde partij, voor zover het gemaakte reiskosten betreft. Dat maakt dat zij zich voor gezamenlijke bespreking lenen. Het volgende is hierbij van belang.

4.2.

De benadeelde partij heeft een bedrag van totaal 21.850,87 euro aan materiële schade gevorderd. Een deel daarvan, 1.067,87 euro, ziet op reiskosten. Het hof heeft met betrekking tot de vordering, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

‘’De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.850,87, bestaande uit € 20.640,- ter zake van gederfd levensonderhoud, € 1.067,87 ter zake van reiskosten en € 143 - voor de eigen bijdrage aan benadeeldes rechtsbijstand. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen, hoofdelijk, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel waarbij de vervangende hechtenis is vastgesteld op 1 dag. De benadeelde partij heeft zich eveneens opnieuw gevoegd.

De raadsman heeft zich bij pleidooi gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot deze vordering.

De benadeelde partij vordert een vergoeding voor:

- materiële schade

a) kosten voor gederfd levensonderhoud (€ 20.640,-)

b) reiskosten (€ 1.067,87)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 20.640,-. De vordering is ook niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering, voor zover het de reiskosten betreft, anders dan ten behoeve van het bijwonen van de zittingen, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

(…)

- proceskosten

a) de kosten voor de eigen bijdrage aan juridische bijstand ad € 143,-.

b) reiskosten voor het bijwonen van zittingen.

Het hof acht een vergoeding van de gemaakte reiskosten betrekking hebbend op het bijwonen van de zittingen redelijk. Deze vordering is niet inhoudelijk bestreden. Het hof stelt de schade vast op een bedrag ex aequo et bono van € 400,- Het hof veroordeelt de verdachte dan ook tot betaling van deze kosten.

(…)’’

4.3.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzittingen van hoger beroep van 26 en 27 oktober 2016, p. 8, het volgende:

‘’Mr. Harteveld voert namens de benadeelde partij [benadeelde 1] het woord overeenkomstig het door haar overgelegde stuk, dat aan dit proces-verbaal is gehecht als bijlage II en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoerd.

De benadeelde partij [benadeelde 1] geeft desgevraagd aan dat hij zich aansluit bij hetgeen door zijn advocaat naar voren is gebracht.’’

4.4.

Uit het namens de benadeelde partij hierboven bedoelde overgelegde stuk, p. 2, blijkt, voor zover hier van belang, het volgende:

‘’Reiskosten

6. De moeder van cliënt heeft namens hem, reiskosten gemaakt door het feit. Dit zijn reiskosten die zien op de afwikkeling van de erfenis en nalatenschap van zijn vader, evenals op de reiskosten die cliënt heeft gemaakt ten behoeve van de strafzaak. Uit de rechtspraak volgt genoegzaam dat dergelijke kosten toewijsbaar zijn in een strafzaak, ook aan nabestaanden.’’

4.5.

Volgens het eerste middel heeft het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk geoordeeld dat de vordering, voor zover deze ziet op de gemaakte reiskosten van de moeder anders dan ten behoeve van het bijwonen van de zittingen, een onevenredige belasting oplevert van het strafproces en daardoor niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten eerste voert de steller van het middel aan dat het hof niet nader motiveert waarom dit deel van de vordering een evenredige belasting zou opleveren. In de toelichting wordt gesteld dat de reiskosten als rechtstreekse schade zijn aan te merken omdat de moeder als wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde deze kosten in het kader van de afwikkeling van de erfenis en de nalatenschap van het slachtoffer heeft gemaakt. Uit rechtspraak volgt volgens de steller van het middel dat kosten die gemaakt worden in verband met de afwikkeling van de nalatenschap voor vergoeding in aanmerking komen.61 Tot slot wijst de steller van het middel erop dat de wetsgeschiedenis erop duidt dat de strafrechter zoveel als mogelijk inhoudelijk over de vordering beslist en art. 6:97 BW aan de rechter de mogelijkheid biedt de omvang van de schade te schatten.

4.6.

Volgens het tweede voorgedragen middel heeft het hof zich daarnaast niet lijdelijk opgesteld. De vordering is niet door de verdachte betwist en het hof kon gezien de onderbouwing en toelichting van de vordering op eenvoudige wijze vaststellen dat de kosten waren gemaakt ten behoeve van de afwikkeling van de erfenis en nalatenschap van de benadeelde partij.

Juridisch kader

4.7.

Bij de beoordeling van de middelen is het volgende van belang. De benadeelde partij kan op grond van art. 51f lid 1 Sv vergoeding van schade vorderen die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Daarnaast biedt art. 592a Sv de benadeelde partij de mogelijkheid om vergoeding van proceskosten vorderen. Daarop dient door de rechter apart te worden beslist.62 Het gaat dan om bijvoorbeeld de kosten van rechtsbijstand, eigen loonderving op de dag van de zitting, de kosten van het nemen van afschriften van stukken of gemaakte reiskosten om naar de zitting te komen.

4.8.

Wat betreft het begrip benadeelde partij als bedoeld in art. 51f Sv kan ingevolge lid 1 in beginsel alleen het slachtoffer zelf een vordering tot schadevergoeding indienen. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever aanvankelijk aan het begrip slachtoffer een beperkte betekenis heeft toegekend door alleen degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade heeft geleden als slachtoffer te beschouwen.63 Sinds 1 april 2017 vallen daar ingevolge art. 51a lid 1 onder a sub 2 Sv ook nabestaanden onder.64 Het begrip ‘slachtoffer’ is daarmee echter nog niet één op één gelijk te trekken met het begrip ‘benadeelde partij’.65 Bij het overlijden van het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit voorziet art. 51f lid 2 Sv in slechts twee mogelijkheden waarin naast het oorspronkelijke slachtoffer ook nabestaanden zich kunnen voegen als benadeelde partij in het strafproces en bepaalde kosten kunnen vorderen.

4.9.

De eerste mogelijkheid is voorzien in art. 51f lid 2 Sv in verbinding met art. 6:108 BW. Art. 6:108 BW, zoals dit ten tijde van het tenlastegelegde gold, geeft als limitatieve opsomming van hetgeen gevorderd kan worden de kosten van gederfd levensonderhoud en lijkbezorging.66 Vanaf 1 januari 2019 voorziet het nieuwe art. 6:108 lid 3 BW daarnaast ook in vergoeding van zogenoemde immateriële schade (affectieschade).67 Deze limitatieve opsomming is te verklaren vanuit het uitgangspunt in het civiele recht dat in beginsel alleen de gekwetste zelf aanspraak kan maken op vergoeding van zijn (materiele en immateriële) schade. Derden hebben slechts recht op schadevergoeding voor zover de wet hen daarop uitdrukkelijk recht op geeft. Het gaat hierbij om zogenoemde verplaatste schade als bedoeld in art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW. In het kader van de strafprocedure was tot 1 januari 2019 alleen art. 6:108 BW relevant omdat art. 51f lid 2 Sv destijds alleen de nabestaanden het recht gaf zich te voegen als benadeelde partij. Sindsdien geeft art. 51f lid 2, laatste volzin, Sv in verbinding met art. 6:107 BW echter ook aan zogenaamde naasten68 en personen die kosten ten behoeve van het slachtoffer hebben gemaakt69 het recht zich te voegen als benadeelde partij indien het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft (maar niet is overleden).70

4.10.

De tweede mogelijkheid voor een nabestaande van het slachtoffer om zich te voegen als benadeelde partij en bepaalde kosten te vorderen wordt geboden doordat een nabestaande als erfgenaam onder algemene titel een (reeds bestaande) vordering van het slachtoffer kan verkrijgen. Dit betreft dan een vordering voor schade veroorzaakt bij het (inmiddels overleden) slachtoffer waarvoor een derde (de verdachte) aansprakelijk is. Doordat deze vordering onder algemene titel overgaat op de erfgenaam treedt deze erfgenaam in de positie van de overledene en is de derde aansprakelijk voor deze schade jegens de erfgenaam.71

Beoordeling van de middelen

4.11.

Allereerst merk ik op dat het hof, anders dan de steller van het middel meent, niet 400 euro van de gevorderde 1.067,87 euro aan reiskosten heeft toegewezen als rechtstreekse schade (art. 51f Sv) maar een deel van de vordering kennelijk heeft opgevat als vordering tot betaling van proceskosten als bedoeld in art. 592a Sv. Het hof heeft immers op basis van schatting (‘’ex aequo et bono’’) – en zonder nadrukkelijk verzoek van de benadeelde partij daartoe – de verdachte veroordeeld tot betaling van 400 euro aan gemaakte reiskosten door de (moeder van de) benadeelde partij ten behoeve van de strafzaak. Het resultaat in cassatie blijft echter hetzelfde, namelijk dat aan de orde is een bedrag van 667,87 euro aan gestelde reiskosten die de moeder van de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap.

4.12.

Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader volgt kort samengevat dat de nabestaande (van het slachtoffer)72, als benadeelde partij, alleen vorderingen kan indienen die zien op kosten genoemd in art. 6:108 BW of vorderingen die hij als nabestaande onder algemene titel van het slachtoffer heeft verkregen. Reiskosten van de moeder van de nabestaande van het slachtoffer ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap vallen daar evident niet onder. Dat die reiskosten zijn gemaakt door de moeder in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de nabestaande, maakt dat niet anders. Deze reiskosten vallen immers niet onder de noemer ‘levensonderhoud’ of ‘lijkbezorging’ en kunnen ook niet worden aangemerkt als een (reeds bestaande) vordering die de nabestaande onder algemene titel zou hebben verkregen van het slachtoffer. Ten overvloede merk ik daarbij op dat zij ook niet als proceskosten in de zin van art. 592a Sv kunnen worden aangemerkt.

4.13.

Dat betekent dat het hof niet anders kon dan bovengenoemde gedeelte van de vordering afwijzen, wat er ook zij van het oordeel van het hof dat de behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Door de niet-ontvankelijkverklaring is de benadeelde partij in theorie zelfs beter af omdat – anders dan bij afwijzing – dit in beginsel meer ruimte biedt de vordering alsnog (succesvol) bij de civiele rechter te kunnen aanbrengen. Dat maakt dat de benadeelde partij geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn voorgedragen middelen.

4.14.

De middelen zijn vergeefs voorgesteld.

5 Het middel van de benadeelde partijen met betrekking tot feit 2

5.1.

De benadeelde partijen met betrekking tot feit 2 komen gezamenlijk met eenzelfde middel op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van hun vorderingen, voor zover het immateriële schade betreft. Het volgende is hierbij van belang.

5.2.

De benadeelde partijen hebben, naast een bedrag aan materiële schade, ieder een bedrag van totaal 35.000 euro aan immateriële schade gevorderd. Het hof heeft de gevorderde bedragen aan materiele schade toegewezen en de benadeelde partijen met betrekking tot de door hun gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

‘’Immateriële schade.

Het hof ziet aanleiding de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoeding van telkens € 35.000,-, bestaande uit € 17.500,- per verloren ouder, hierna gezamenlijk te behandelen. Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke bespreking wordt opgemerkt dat de verdediging de vorderingen van deze benadeelde partijen voor wat betreft de gevorderde immateriële schade uitdrukkelijk heeft betwist.

Algemene overwegingen

Het hof stelt in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002, beter bekend als het Taxibus-arrest, het volgende voorop. In het onderhavige geval is sprake van een tragische gebeurtenis die bij alle nabestaanden heeft geleid tot veel pijn en verdriet. De toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade kan slechts in (zeer) beperkte mate hun leed verzachten, maar kan wel in zekere mate een erkenning van het ondervonden leed betekenen. Echter, enkel deze erkenning kan niet de grond voor toewijzing zijn. Daartoe dient een rechtsgrond te worden aangewezen die leidt tot aansprakelijkheid voor schade als de onderhavige. Een rechter mag in dit kader slechts beoordelen welke vergoeding binnen het stelsel van de wet voor toewijzing in aanmerking komt.

Gestelde grondslag

Aan de vorderingen is door de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 2] het verlies van hun ouders, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , ten grondslag gelegd. Het hof begrijpt hieruit dat door de benadeelden genoegdoening wordt gevraagd voor de ernstige gevolgen die zij moeten ondervinden van het overlijden van een persoon tot wie zij in een affectieve relatie hebben gestaan, zogenoemde affectieschade. Namens de benadeelde partijen is door hun advocaat, mr. Korver, gewezen op de Europese Richtlijn van 12 oktober 2012 (EU-Richtlijn 2012/29/EU, hierna: de Richtlijn), op grond waarvan immateriële schade voor vergoeding in aanmerking zou komen. Nu de Richtlijn op uiterlijk 16 november 2015 geïmplementeerd had moeten zijn, kunnen de benadeelde partijen een rechtstreeks beroep doen op deze Richtlijn, aldus mr. Korver. Daarnaast heeft de advocaat gewezen op het wetsvoorstel vergoeding van affectieschade (nr. 34.257). Hoewel het slechts een wetsvoorstel betreft wordt namens de benadeelden gesteld dat reeds thans vergoeding van immateriële schade in het strafproces op grond hiervan toewijsbaar is. Hiermee samenhangend heeft de advocaat bepleit dat de benadeelden op grond van artikel 8 EVRM bovendien een zelfstandig recht op schadevergoeding zou toekomen wegens een schending van het in dit artikel neergelegde recht op ‘family life’. Uiterst subsidiair is verzocht om een minimumbedrag van € 5.000,- toe te kennen, nu nabestaanden volgens huidig beleid van het Schadefonds Geweldsmisdrijven dit bedrag ontvangen als een verzoek tot schadevergoeding wordt ingediend.

(…)

Wetsvoorstel tot vergoeding van affectieschade

In lijn met de rechtbank stelt het hof vast dat het huidige wettelijke stelsel – in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – niet, althans op dit moment nog niet voorziet in de mogelijkheid om zogenoemde affectieschade te vergoeden. In dit kader verdient het opmerking dat de Hoge Raad in voornoemd Taxibus-arrest reeds heeft bepaald dat artikel 8 EVRM evenmin ertoe noopt dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op immateriële schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Uit het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening - vergoeding van affectieschade - te bieden. Dergelijke ruimte is er ook niet wanneer dergelijke schade het gevolg is van een opzettelijk begane normschending, zoals in het onderhavige geval. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen. Nu de rechter in dit kader terughoudendheid past, zal het hof mr. Korver niet volgen in zijn voorstel om te anticiperen op dit wetsvoorstel.

De Richtlijn

Mr. Korver heeft terecht aangegeven dat de implementatietermijn van de Richtlijn verstreken is. Dit heeft tot gevolg dat de Richtlijn in beginsel rechtstreekse werking heeft doch alleen in verticale zin. Dit houdt in dat de Richtlijn alleen inroepbaar is tussen de burger en de overheid, alleen dan indien de Richtlijn of de desbetreffende Richtlijnbepaling onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig is.

Richtlijnen verkrijgen na het verstrijken van de implementatietermijn rechtens geen rechtstreekse horizontale werking. Dit houdt in dat zij niet tegen een burger of particulier ingezet kunnen worden. Reeds gelet hierop faalt het door mr. Korver bepleite rechtstreekse beroep op de Richtlijn voor zover hij dit tegen verdachte heeft willen inroepen.

Beleid Schadefonds Geweldsmisdrijven

Door mr. Korver is uiterst subsidiair verzocht om gelet op het beleid van het Schadefonds een minimumbedrag van € 5.000,- toe te kennen.

Zoals overwogen zal het hof niet vooruitlopen op het toekennen van een vergoeding voor affectieschade. Daarnaast wordt overwogen dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven juist als doel heeft om een financiële tegemoetkoming te geven aan slachtoffers of nabestaanden die hun schade niet op een andere wijze vergoed krijgen. Een ontvangen schadevergoeding door anderen moet achteraf ook worden terugbetaald aan het Schadefonds. Het verzoek wordt afgewezen. (…)’’

5.3.

Zoals gezegd komt het middel op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de gevorderde immateriële schade door de benadeelde partijen. Het middel bestaat uit achtereenvolgens drie deelklachten:

- Ten eerste heeft het hof de gevorderde immateriële schade ten onrechte gekwalificeerd als (alleen) affectieschade, aangezien de immateriële schade niet (alleen) als affectieschade is gevorderd maar als schade als gevolg van de schending van het recht op ‘family life’ als bedoeld in art. 8 EVRM van de benadeelde partijen.

- Ten tweede heeft het hof ten onrechte nagelaten een beslissing te nemen op de gevorderde immateriële schade met als grondslag art. 8 EVRM, althans heeft het hof die beslissing onvoldoende gemotiveerd omdat het door het hof genoemde Taxibus-arrest dateert van voor de inwerkingtreding van de Richtlijn 2012/29/EU inzake kortgezegd slachtofferrechten.73

- Ten derde is volgens de steller van het middel de beslissing van het hof in strijd met heersende rechtspraak.

Beoordeling van het middel

5.4.

Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader onder 4.7-4.10 blijkt dat de wet ten tijde van het tenlastegelegde feit (en voor 1 januari 2019) geen mogelijkheid kende om als nabestaande immateriële schade te vorderen als benadeelde partij in het strafproces. Ook art. 8 EVRM verplichtte destijds en ook nu niet dat in een dergelijke mogelijkheid wordt voorzien en dat heeft het hof onder verwijzing van het Taxibus-arrest van de Hoge Raad74, anders dan de steller van het middel meent, ook genoegzaam gemotiveerd. Dat de hiervoor genoemde Richtlijn van een later datum is dan het Taxibus-arrest maakt dat niet anders. Ook overigens getuigt het oordeel van het hof dat de vorderingen voor wat betreft de immateriële schade niet kunnen worden ontvangen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de onder 5.2 weergegeven overwegingen van het hof is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In strijd met heersende rechtspraak is het oordeel van het hof evenmin, waarbij ik opmerk dat het in het door de steller van het middel aangehaalde uitspraak van het hof Amsterdam van 26 april 2013 (Amsterdamse zedenzaak) ging om de schending van het recht op privéleven als bedoeld in art. 8 EVRM van het slachtoffer zelf en niet van een nabestaande. Dat betekent dat het middel hoe dan ook faalt, wat er ook zij van het oordeel van het hof dat de gevorderde immateriële schade (alleen) affectieschade betreft.75

5.5.

Het middel faalt.

6 Conclusie

6.1.

De middelen van zowel de verdachte als de benadeelde partijen leiden niet tot cassatie en kunnen met een aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

6.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6.3.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van voetnoten.

2 Zie onder meer HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716; HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis.

3 Zie bijv. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518 m.nt. Keulen en HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156 m.nt. Keulen.

4 Zie bijvoorbeeld HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:581 en de conclusie van AG Knigge voorafgaand aan dit arrest ECLI:NL:PHR:2017:210.

5 J. de Hullu, Materieel strafrecht, zevende druk, Wolters Kluwer, Deventer 2018, p. 261.

6 Het hof overweegt immers na zijn oordeel te hebben gegeven over de opzet en het medeplegen: ‘’Uit hetgeen het hof hierboven heeft vastgesteld en overwogen en uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt daarnaast dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte [slachtoffer 1] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht.’’

7 De steller van het middel ziet hierin juist een contra-indicatie: tijdens de beroving van de buschauffeur heeft de verdachte zijn broer ervan weerhouden te schieten, hetgeen zou impliceren dat de verdachte niet bereid was te accepteren dat het vuurwapen voor iets anders zou worden gebruikt dan voor de bedreiging. De overweging van het hof kan echter ook zo worden gelezen dat de verdachte kon verwachten, dat als hij zijn broer niet zou tegenhouden, deze zou schieten.

8 Vgl. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:581.

9 Vgl. conclusie AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2017:210, onder 8.9, laatste volzin.

10 Verwezen wordt naar de schrifturen van de samenhangende zaak van de broer van de verdachte (18/01539), de zaak 17/04015 en 17/03280 en een notitie over de levenslange gevangenisstraf geschreven door Michelle Coster. Ook wordt in de schriftuur verwezen naar W.F. van Hattum, Van gratie naar herbeoordeling. Over de verkorting van de levenslange gevangenisstraf, DD 2017/25; W.F. van Hattum, De Hoge Raad en het reviewmechanisme. Een misplaatste uitnodiging aan levenslanggestraften om re-integratieactiviteiten te ontplooien, NJB 2018/691; J.A.A.C. Claessen, De levenslange gevangenisstraf in Nederland anno 2018, TPWS 2018/22 en het advies van de RSJ van 28 juni 2016 over de voornemens tot wijziging van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf.

11 Ik volsta hier met een verwijzing naar bespreking hiervan in de uitvoerige conclusies van AG Machielse voorafgaand aan de arresten van de Hoge Raad HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, NJ 2016/348 m.nt. T. Kooijmans (tussenarrest) en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185.

12 Zie Stcrt. 2016, 65365; Stcrt. 2017, 32577 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185.

13 Met vermelding van voetnoten die in deze conclusie onder eigen nummering zullen worden opgenomen.

14 Verwezen wordt naar: Stcrt. 2016, 65365.

15 Verwezen wordt naar: Stcrt. 2017, 32577.

16 Verwezen wordt naar: Stcrt. 2017, 48627.

17 Art. 1, aanhef en onder g, Besluit ACL.

18 Art. 4, tweede lid, Besluit ACL.

19 Art. 12, tweede en derde lid, Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en Toelichting, Stcrt. 2017, 48627, p. 5-6.

20 Art. 4, vijfde lid, Besluit ACL.

21 Art. 5, eerste lid, en 9 Besluit ACL.

22 Art. 12, derde lid, Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden.

23 Art. 1, aanhef en onder f, Besluit ACL en Toelichting, Stcrt. 2016, 65365, p. 4.

24 Toelichting, Stcrt. 2016, 65365, p. 4.

25 Art. 4, derde lid, Besluit ACL.

26 Art. 4, eerste lid aanhef en onder b en d, Besluit ACL en Toelichting, Stcrt. 2017, 32577, p. 2.

27 Vgl. art. 4, eerste en tweede lid, 5, vierde lid, 6, 7 en 19, eerste lid, Gratiewet.

28 Art. 7, eerste lid, Gratiewet.

29 Vgl. art. 5, leden 1 en 2, Gratiewet.

30 Vgl. in dit verband EHRM 13 november 2014, nr. 40014/10, Bodein tegen Frankrijk, § 61.

31 Art. 4, eerste lid aanhef en onder b en d, Besluit ACL.

32 Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 338, p. 22 en Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 10, 16.

33 Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 354, p. 2 en Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 8, 15.

34 Vgl. EHRM 17 januari 2017, nr. 57592/08, Hutchinson tegen Verenigd Koninkrijk, § 59-65 en EHRM 23 mei 2017, nr. 22662/13, 51059/13, 58823/13, 59692/13, 59700/13, 60115/13, 69425/13 en 72824/13, Matiošaitis en anderen tegen Litouwen, § 168.

35 Art. 7, tweede lid, Besluit ACL.

36 Vgl. Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 338, p. 20 en Toelichting, Stcrt. 2016, 65365, p. 6-7.

37 Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16, waarin wordt verwezen naar het arrest van het Hof Den Haag van 5 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:952.

38 Vgl. EHRM 23 mei 2017, nr. 22662/13, 51059/13, 58823/13, 59692/13, 59700/13, 60115/13, 69425/13 en 72824/13, Matiošaitis en anderen tegen Litouwen, § 181, waarin onder "review" tevens wordt begrepen "the executive giving reasons".

39 Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.

40 Toelichting, Stcrt. 2017, 48627, p. 6.

41 Daartoe wordt verwezen naar Art. 1c lid 4 Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden juncto art. 1 onder f van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften.

42 Zie J. Silvis, Levenslang in perspectief gezet: binnen de ruime marges van het EVRM, Sancties 2018/23.

43 In zijn tussenarrest voorafgaand aan deze uitspraak, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, NJ 2016/348 m.nt. T. Kooijmans, verwoordde de Hoge Raad het in rov. 3.3 zo: ”Aan de veroordeelde moeten mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden voordat de herbeoordeling plaatsvindt, omdat hij zich moet kunnen voorbereiden op een mogelijke terugkeer in de samenleving.”

44 Zie hiervoor ook de conclusie AG Harteveld in een van de Passagezaken waarin ook cassatieklachten zijn geformuleerd met betrekking tot de opgelegde levenslange gevangenisstraffen, ECLI:NL:PHR:2018:1389, onder 28.5-28.14.

45 W.F. van Hattum, De Hoge Raad en het reviewmechanisme. Een misplaatste uitnodiging aan levenslanggestraften om re-integratieactiviteiten te ontplooien, NJB 2018/691.

46 J.A.A.C. Claessen, De levenslange gevangenisstraf in Nederland anno 2018, TPWS 2018/22

47 Zie Claessen, a.w. die onder het kopje “Kritische reflectie”.

48 Zie ook J. Silvis, Levenslang in perspectief gezet: binnen de ruime marges van het EVRM, Sancties 2018/23.

49 Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Den Haag 27 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:320, waaruit kan worden afgeleid dat de toetsing door de civiele rechter bepaald geen wassen neus is.

50 HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rov. 3.5.4, 3.5.5 en 3.6.

51 Vgl. ook conclusie AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2018:1387, onder 18.8 en conclusie AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2018:1389, onder 28.5-28.14.

52 HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rov. 3.5.4.

53 Zie bijv. Van Hattum 2018, a.w. p. 922.

54 Claessen, a.w. p. 43.

55 EHRM 12 maart 2019, Petukhof tegen de Oekraïne, nr. 41216/13.

56 Zie de pleitnotities van mr. Anker, p. 3-11, die zijn aangehecht als bijlage VI bij het proces-verbaal ter terechtzitting hoger beroep d.d. 26 en 27 oktober 2016.

57 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 264-265.

58 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3; HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3; HR 25 november 2003, NS 2004, 18, rov. 4.4; HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en Van Dorst 2018, p. 268.

59 Van Dorst 2018, p. 268.

60 Het hof stelt immers kennis te hebben genomen van de omtrent verdachte opgemaakte rapportages en overweegt: ‘’De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.’’

61 Verwezen wordt naar Rb. Noord-Holland 25 juli 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:7224; Rb Roermond 6 juni 2008, ECLI:NL:RBROE:2008:BD3293; Rb Amsterdam 14 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4091 en Rb Rotterdam 25 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3365.

62 Zie bijv. HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9405.

63 Kamerstukken II 1989/90, 21345, 3, p. 11. Wat betreft de omvang van die ‘’rechtstreekse schade’’ heeft de jurisprudentie laten zien dat daar – anders dan ten aanzien van de kring van gerechtigden – niet al te strikt mee hoeft worden omgegaan, zie bijv. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522.

64 Zie Wet van 8 maart 2017, houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), Stb. 2017, 90 en Stb. 2017, 128.

65 Dat volgt bijvoorbeeld ook uit de schakelbepaling van art. 51d Sv, hoewel doorgaans de personen genoemd in art. 51f Sv zullen vallen onder het begrip ‘slachtoffer’ als bedoeld in art. 51a Sv, zie T&C op art. 51d Sv, online bijgewerkt t/m 1 juli 2018.

66 Wat de kosten van lijkbezorging betreft, kunnen naast nabestaanden ook derden daarop aanspraak maken voor zover zij die kosten hebben gedragen, zie art. 6:108 lid 2 BW.

67 Zie Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen, Stb. 2018, 132 en Stb. 2018, 339.

68 Dit zijn personen als bedoeld in art. 6:107 lid 2 BW.

69 Art. 6:107 lid 1 onder a BW.

70 Stb. 2018, 132 en Stb. 2018, 339.

71 Voor wat betreft immateriële schade (‘ander nadeel’ als bedoeld in art. 6:106 BW) ging deze vordering tot 1 januari 2019 pas onder algemene titel over op de nabestaande wanneer het slachtoffer bij leven aan de aansprakelijke persoon heeft laten weten op vergoeding aanspraak te maken (art. 6:106 lid 2 oud BW).

72 Of anders gezegd: het slachtoffer zoals bedoeld in art. 51a lid 1 onder a sub 2 Sv. Nabestaanden zijn op grond van zojuist genoemde bepaling immers ook slachtoffer in de zin van de wet.

73 Voluit Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.

74 Zie HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 m.nt. Vranken, rov. 6.2-6.3.

75 Ook dat oordeel acht ik overigens niet onbegrijpelijk. Dat de raadsman er zelf een ander etiket aan heeft gegeven maakt dat niet anders.