Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:252

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-04-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
17/05853
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:723
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG onder meer over klacht betreffende de motivering van de bewezenverklaring van opzetheling, in het bijzonder dat de verdachte ‘ten tijde van’ het voorhanden krijgen van het voorwerp wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De conclusie sterkt tot verwerping van het cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05853

Zitting: 2 april 2019

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 27 november 2017 door het hof Den Haag wegens 1. “opzetheling”, 3. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 4. “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1, in het bijzonder over het onderdeel dat de verdachte ‘ten tijde van’ het voorhanden krijgen van de registratietag wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

  4. Ten laste van de verdachte is – voor zover relevant – bewezen verklaard dat:

“1:

hij op 26 juli 2016 omstreeks 02:00 te [woonplaats] een goed, te weten een registratietag (welke toegang biedt tot het appartementencomplex [A] , gelegen aan het [a straat] en de [b straat] ) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;”

5. Uit de als bijlage bij het arrest gevoegde aanvulling van de bewijsmiddelen blijkt dat het hof ten aanzien van feit 1 vier bewijsmiddelen heeft gebezigd:

Feit 1

1. De eigen waarneming van het hof.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2017 op de toen en daar getoonde zich in het dossier bevindende camerabeelden van 26 juli 2016 betreffende de flat, genaamd: [A] te [woonplaats] , waargenomen - zakelijk weergegeven- :

dat de persoon die op de beelden is te zien een sterke gelijkenis vertoont met de ter terechtzitting verschenen verdachte, als het gaat om de vorm van het hoofd, het postuur en het kapsel. Het beeldmateriaal is aan te merken als scherp en van goede kwaliteit.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700- 2016325287-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven - (blz. 54-55) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

De huismeester van het appartementencomplex [A] te [woonplaats] (gelegen aan het [a straat] en de [b straat] ) te [woonplaats] , verklaarde aan mij dat op 26 juli 2016 omstreeks 02:00, de registratietag met registratienummer 152892637 is gebruikt om het appartementencomplex binnen te komen. De gebruikte tag staat op naam van de brandweer geregistreerd. Er zijn twee registratietags van de brandweer weggenomen. Van de diefstal van de tags heeft de Vereniging van Eigenaren aangifte gedaan. Eén van de gestolen tags heeft ook registratienummer 152892637.

3 . Een proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden d.d. 22 september 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 2016245997-12. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 44-52):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

De uit te lezen camerabeelden betreffen het appartementencomplex [A] te [woonplaats] . Volgens de huismeester betreffen het beelden van 26 juli 2016, omstreeks 02.00 uur. Ik zag dat de toegangsdeur aan de [b straat] open ging. Op de beelden aangegeven met het tijdstip 00:00- 00:08 zag ik een jongen van rond de 20 jaar. Ik zag dat hij een grijze sweater, een grijze trainingsbroek en donkerkleurige schoenen droeg. Ik zag dat hij kort haar had en een beetje voorovergebogen liep.

4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 augustus 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700- 2016245997-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 53):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op dinsdag 26 juli 2016 bleek er te zijn ingebroken in een woning aan het [a-straat 1] te [woonplaats] , deel uitmakende van het complex [A] . In. het onderzoek naar deze woninginbraak is beeldmateriaal veiliggesteld. Op deze bewegende beelden komt een persoon vol in beeld. Ik herkende deze persoon direct als zijnde de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] en wonende aan de [c-straat 1] te [woonplaats] .

Ik herkende [verdachte] aan zijn manier van lopen en de kleding die hij op de door mij bekeken bewegende beelden droeg. Ik heb de verdachte [verdachte] meerdere keren zien lopen in soortgelijke kleding, namelijk een grijs joggingpak met daarop een soortgelijke sweater. Naast het opvallende loopje, namelijk iets voorovergebogen, heb ik vanuit mijn hoedanigheid als wijkagent om uiteenlopende redenen een groot aantal keren persoonlijk contact gehad met voornoemde [verdachte] . Gezien de beeldkwaliteit van de bewegende beelden is het voor mij dan ook absoluut geen twijfel dat [verdachte] de persoon is die ik op de door mij bekeken bewegende beelden heb zien lopen.”

6. Daarnaast heeft het hof, in reactie op een verweer van de verdediging, het volgende overwogen:

Nadere bewijsoverwegingen

Feit 1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn in het dossier gevoegde pleitnota ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde betoogd dat de persoon op de camerabeelden onvoldoende zichtbaar is om te kunnen worden herkend en dat de herkenning van de verdachte door de verbalisant onbetrouwbaar is. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de beelden geen tijdsaanduiding hebben, zodat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte om 02:00 uur 's nachts op de beelden is te zien. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de gestolen sleutel voorhanden heeft gehad en daarmee de centrale deur heeft geopend.

Het hof overweegt hiertoe als volgt. Ter terechtzitting - in hoger beroep heeft het hof de camerabeelden bekeken. Het hof heeft waargenomen dat de persoon die op de beelden is te zien een sterke gelijkenis vertoond met de verdachte als het gaat om de vorm van het hoofd, het postuur en het kapsel van de verdachte, die ter terechtzitting is verschenen. Tevens is het beeldmateriaal aan te merken als scherp en van goede kwaliteit. De verbalisant heeft in zijn hoedanigheid van wijkagent meermalen contact gehad met de verdachte en herkent de verdachte direct op de bewegende beelden. Gezien het vorenstaande heeft het hof geen redenen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de verbalisant.

Ten aanzien van het ontbreken van de tijdsaanduiding op de camerabeelden overweegt het hof dat er geen reden is te twijfelen aan de verklaring van de huismeester tegenover de politie inhoudende dat op 26 juli 2016 omstreeks 02:00 uur blijkens de camerabeelden een persoon het appartementencomplex heeft betreden met een gestolen registratietag.

Met betrekking tot hetgeen meer subsidiair is betoogd overweegt het hof dat het standpunt dat mogelijk iemand anders dan de verdachte de gestolen sleutel voorhanden heeft gehad en de deur open heeft gemaakt onvoldoende is onderbouwd, waarbij wordt overwogen dat de verdachte ten aanzien van dit punt niets heeft verklaard.”

7. De bewezenverklaring is toegesneden op art. 416, eerste lid, onder a Sr, dat luidt:

“1. Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a.

hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

8. De Hoge Raad heeft onlangs uiteengezet aan welke voorwaarden – voor zover relevant - een bewezenverklaring van opzet in het kader van heling dient te voldoen:

“2.3.3. De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Art. 6, tweede lid, EVRM staat daaraan niet in de weg (vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL: HR:2012:BW7372, met verwijzing naar EHRM 18 maart 2010, nr. 13201/05 (Krumpholz tegen Oostenrijk) en het daarin opgenomen overzicht van de rechtspraak van het EHRM). Datzelfde geldt, mede gelet op overweging 28 van de preambule bij Richtlijn 2016/343/EU, voor art. 6 van deze Richtlijn, nog daargelaten dat de omzettingstermijn eerst op 1 april 2018 - en derhalve na de bestreden uitspraak - is verstreken (art. 14, eerste lid, Richtlijn 2016/343/EU).

(…)

2.5.2. Voor een bewezenverklaring van opzetheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte "ten tijde van" onder meer het verwerven of het voorhanden krijgen van een goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De memorie van toelichting bij de wet van 9 oktober 1991, houdende aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met voorzieningen ten behoeve van de bestrijding van heling, Stb. 1991, 520, waarbij art. 416, eerste lid, Sr in de huidige vorm is ingevoerd, houdt onder meer in: "[ik] acht (...) het nodig in de delictsomschrijvingen van heling (artikelen 416, eerste lid, 417, eerste lid, bis Sr) uitdrukkelijk op te nemen dat betrokkene ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig is. Anders zou degene die ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van het goed te goeder trouw was, doch er na verloop van tijd op enigerlei wijze achter komt dat het goed door misdrijf verkregen is, zich vanaf dat moment aan heling schuldig maken, zolang hij het goed voorhanden heeft of zodra hij het goed overdraagt. Dit zou de strafbaarstelling van heling te ver oprekken. Men bedenke dat in veel gevallen de rechtmatige eigenaar niet meer te vinden is, zodat de koper te goeder trouw het goed helemaal niet aan hem terug kan geven, noch op grond van artikel 120, tweede lid, Boek 3, nieuw BW vergoeding kan vorderen. Ook kan het voorkomen dat er in het geheel geen rechtmatige eigenaar is, bij voorbeeld in het geval dat in een kluis van een bank geld ligt dat door drugshandel is verkregen. De bankier die erachter komt dat het geld door misdrijf is verkregen, kan het onmogelijk aan rechtmatige eigenaars teruggeven.

Volgens het voorgestelde eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 416 en 417bis zal echter degene die ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van een goed te goeder trouw was, maar er na verloop van tijd achter komt dat het goed door misdrijf verkregen is, zich wel schuldig maken aan heling, als hij het goed uit winstbejag voorhanden houdt of overdraagt.

De bepalingen beogen dus niet het voor de verkrijger te goeder trouw, die naderhand met de criminele herkomst van het goed bekend raakt, onmogelijk te maken dit goed straffeloos van de hand te doen. Slechts wanneer hij aldus handelt «uit winstbejag» is hij strafbaar. In de voorgestelde delictsomschrijving is zo de reikwijdte van het bestanddeel «uit winstbejag» in belangrijke mate teruggedrongen. De consequentie hiervan is dat de delictsomschrijving van heling wordt verruimd in die zin dat het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van een goed, terwijl betrokkene ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist of had behoren te vermoeden dat het van misdrijf afkomstig was, ongeacht de vraag of hij handelde uit winstbejag, als heling strafbaar wordt gesteld. De bewijslast van deze delicten wordt aldus tevens verlicht." (Kamerstukken II 1989/90, 21 565, nr. 3, p. 4-5)

2.5.3. Uit deze wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel "ten tijde van" onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van het goed in art. 416, eerste lid onder a, Sr heeft willen bewerkstelligen dat in het geval dat iemand eerst na het verwerven of voorhanden krijgen wetenschap heeft verkregen van de herkomst uit misdrijf, hij niet strafbaar is ter zake van opzetheling, zoals die in art. 416, eerste lid onder a, Sr als misdrijf is strafbaar gesteld. Wel kan dan onder omstandigheden sprake zijn van het strafbare feit van art. 416, eerste lid onder b, Sr of - tegenwoordig - van witwassen (art. 420bis e.v. Sr).

2.5.4. De rechter mag bij de bewijsvoering ter zake van de wetenschap van de herkomst uit misdrijf "ten tijde van" onder meer het verwerven of voorhanden krijgen van een goed betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van de herkomst uit misdrijf eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van het goed. Daarbij kan, naar volgt uit wat onder 2.3 is overwogen, de procesopstelling van de verdachte een rol spelen.”1

Voorts dient te worden vooropgesteld dat onder ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed “weten” dat het een door misdrijf verkregen goed betrof tevens is begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het goed van misdrijf afkomstig is.2

9. In cassatie is niet bestreden dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de registratietag uit misdrijf is verkregen, noch dat de verdachte de tag voorhanden had3. In feitelijke aanleg was dat nog volledig anders. Het in verband daarmee gevoerde verweer is door het hof in de bewijsoverweging besproken en verworpen. Bij die stand van zaken was er voor het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geen aanleiding nog afzonderlijk aandacht te besteden aan de vraag of verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van de registratietag wist dat deze uit misdrijf was verkregen. Een specifiek daarop gericht verweer was immers in feitelijke aanleg niet gevoerd en dat zou ook alleen een zinvol verweer zijn voor het geval ervan wordt uitgegaan dat verdachte de van misdrijf afkomstige registratietag voor handen heeft gehad. Hij zou dan bijvoorbeeld naar voren hebben moeten brengen dat hij pas na het verwerven of verkrijgen van het voorwerp er achter kwam dat het om een gestolen tag ging. Zie de onder randnummer 8 geciteerde overwegingen van de Hoge Raad.

10. In de procesopstelling van verdachte ligt hiermee besloten dat enige verklaring omtrent de wetenschap van verdachte ten tijde van het verkrijgen van het voorwerp ontbreekt. In een geval als het onderhavige waarin verdachte in feitelijke aanleg het voorhanden hebben van een gestolen voorwerp ontkent, terwijl de rechter dat bewezen acht gaat het mij te ver van de rechter te eisen dat hij afzonderlijk motiveert dat verdachte de wetenschap van de criminele herkomst van het voorwerp reeds had ten tijde van het verwerven of voor handen krijgen van het voorwerp. Die wetenschap ligt besloten in zijn ontkenning van het voorhanden hebben van het gestolen voorwerp.

11 Het eerste middelfaalt.

12. Het tweede middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde opzet in de feiten 3 en 4.

13. Ten laste van de verdachte is – voor zover relevant – bewezen verklaard dat:

“3:

Hij op 4 oktober 2016 te [woonplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 192 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4:

Hij op 04 oktober 2016 te [woonplaats] om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken van een of meer hoeveelheden heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden 592 gram paracetamol (versnijdingsmiddel), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat dat bestemd was tot het plegen van dat feit.”

14. Uit de als bijlage bij het arrest gevoegde aanvulling van de bewijsmiddelen blijkt dat het hof ten aanzien van feit 3 en 4 vijf bewijsmiddelen heeft gebezigd:

Feit 3 en feit 4

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700- 2016245997-19. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 12-15):

als de op 4 oktober 2016 afgelegde verklaring van de verdachte :

V: Ik ben ook in de woning geweest aan de [c-straat 1] te [woonplaats] . Heb jij daar een eigen kamer?

A : Ik heb een eigen kamer. Dat is de kamer gelijk rechts.

6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016245997-37. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 56):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar :

Op 4 oktober 2016 vond een doorzoeking ter inbeslagname plaats in de woning aan de [c-straat 1] te [woonplaats] , het woonadres van de verdachte. De goederen werden inbeslaggenomen in één slaapkamer. Deze slaapkamer bevond zich op de eerste verdieping en was de eerste kamer rechts nadat de trap was opgelopen. Er werd een tas gevonden met drie verpakkingen gevuld met mogelijk verdovende middelen. Vindplaats: in de zitting van de bank.

7. Een proces-verbaal van Aanvraag forensisch onderzoek drugs d.d. 4 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2016245997-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

Tijdens de doorzoeking worden er in een tas in de bank drie zakken met poeder aangetroffen. Het vermoeden bestaat dat de inhoud van de zakken verdovende middelen betreft. Het verlangde onderzoek is: het bemonsteren en testen van de inhoud van de zakken op de aanwezigheid van verdovende middelen.

Goednummer : PL1700-2016245997-5236511

Object : Verdovende mid

Aantal : 3 stuks

8. Een proces-verbaal van testen verdovende middelen d.d. 4 oktober 2016 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2016245997. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 59):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 4 oktober 2016 heb ik een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de hierna genoemde ontvangen goederen:

Volgnr: BVH goednr: Omschrijving SVO:

I 2016 245997 5236511 plasticzak met bruin poeder

II 2016 245997 5236511 plasticzak met bruin poeder

III 2016 245997 5236511 plasticzak met bruin poeder

Van ieder stuk van overtuiging werd monstermateriaal genomen wat aan een aantal testen werd onderworpen. Deze testen geven een indicatief resultaat.

RESULTATEN

Volgnr: BVH goednr: Net gewicht Resultaat SIN nummer

I 20162459975236511 93 gram Heroïne lijst 1 AAJH1086NL

II 20162459975236511 99 gram Heroïne lijst 1 AAJH1087NL

III 20162459975236511 592 gram Paracetamol (versnijding)

9. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut : te Den Haag, nr. 2016.10.19.141 (aanvraag 001), d.d. 27 oktober 2016, opgemaakt en ondertekend door de deskundige Ing. C.M.M. Diever-Heezen. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze deskundige:

Resultaten en conclusies

Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en conclusie

Kenmerk

Omschrijving

Conclusies

AAJH1086NL

Monster bruin poeder en brokjes

Bevat heroïne

AAJH1087NL

Monster bruin poeder en brokjes

Bevat heroïne

Aanvullende informatie

Heroïne is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.”

15. Daarnaast heeft het hof, in reactie op een verweer van de verdediging, het volgende overwogen:

Nadere bewijsoverwegingen

(…)

Feit 3 en 4

Ten aanzien van hetgeen onder 3 en 4 is ten laste gelegd, heeft de raadsman overeenkomstig zijn in het dossier gevoegde pleitnota betoogd dat de verdachte geen wetenschap had van de drugs in zijn kamer en daarover ook geen beschikkingsmacht had. Ten aanzien van hetgeen onder 4 is ten laste gelegd wordt tevens betoogd dat niet kan worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een versnijdingsmiddel nu dit niet door het NFI is getest.

Het hof overweegt hiertoe als volgt. Vooropgesteld wordt dat de heroïne en het versnijdingsmiddel in de slaapkamer van de verdachte zijn aangetroffen. De verdachte heeft niet van meet af aan ontkend dat de verdovende middelen van hem zijn. De verdachte heeft aangevoerd dat meerdere personen — zijn broers en vrienden - in zijn slaapkamer komen. De verdachte heeft dit echter niet verder onderbouwd en evenmin blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, dat de verdovende middelen en de versnijdingsmiddelen aan een ander dan aan de verdachte toebehoorden. Nu deze middelen in de slaapkamer van de verdachte zijn aangetroffen en niet aannemelijk is geworden, dat ze aan een ander toebehoorden, stelt het hof vast dat de middelen zich wel degelijk in de beschikkingsmacht van de verdachte bevonden.

Ten aanzien van het aangetroffen versnijdingsmiddel overweegt het hof dat het feit dat de politie heeft vastgesteld dat de aangetroffen materie paracetamol betrof, voldoende is. Gelet op de aard van de materie is nader onderzoek in deze niet nodig. De omstandigheid dat de grote hoeveelheid paracetamol en de heroïne samen is aangetroffen en samen was verstopt, geeft genoegzaam aan dat het een versnijdingsmiddel betreft.”

16. In de bewijsoverweging van het hof wordt enerzijds ingegaan op het aanwezig hebben van heroïne en het voorhanden hebben van paracetamol en anderzijds op het vereiste opzet/de vereiste wetenschap. Aan het aanwezig/voorhanden hebben besteedt het hof het meeste aandacht. In cassatie wordt nu zowel gelet op de formulering van het middel als gelet op de toelichting op het middel de aandacht gericht op het ontbreken van toereikend bewijs voor het opzet/de wetenschap. Er wordt in de toelichting overigens nog wel enig verband tussen opzet/wetenschap en aanwezig/voorhanden hebben gelegd. Immers gesteld wordt dat aanwezig en voorhanden hebben niet toereikend en begrijpelijk zijn gemotiveerd, omdat het opzet/de wetenschap niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

17. In de toelichting op het middel wordt terecht gesteld dat voor het opzettelijk aanwezig hebben niet beslissend is wie de middelen toebehoren. Ik onderschrijf dat en het geldt ook voor het voorhanden hebben. Ook een bewaarder voor een ander kan de middelen aanwezig c.q. voorhanden hebben. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het hof niet geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat vrienden en broers van verdachte toegang hadden tot de slaapkamer van verdachte. Voor zover de toelichting op het middel daarop voortborduurt behoeft het middel geen bespreking.

18. Voor het bewijs van opzet/wetenschap van verdachte acht het hof gelet op de bewijsoverweging doorslaggevend dat hij niet van meet af aan heeft ontkend. In andere woorden: verdachte heeft toen hij werd geconfronteerd met de aanwezigheid van de middelen in zijn kamer niet meteen gezegd dat hij daarvan niet op de hoogte was. Door enkel de wetenschap van aanwezigheid van de middelen te ontkennen belast verdachte anders dat in de toelichting op het middel wordt gemeend uiteraard nog geen familieleden. Ik zie niet in dat de bewijsconstructie voor het opzet/de wetenschap ontoereikend is.

19Het tweede middelfaalt.

20 Het derde middelklaagt over de motivering van de strafoplegging.

21. Het hof heeft de opgelegde straf, voor zover relevant, als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. ”

22. In HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:112, NJ 2019/76 wordt verwezen naar de volgende overwegingen uit HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391:

"2.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.

2.4.2. Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd - al dan niet soortgelijk - feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.

2.4.3. Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd."

23. De tweede volzin van r.o. 2.4.2 uit het hierboven geciteerde arrest van de Hoge Raad is hier toepasselijk: was er sprake van een veroordeling ter zake van een niet tenlastegelegde feit dat reeds onherroepelijk was ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft? Het moet daarmee dus gaan om feiten van voor 26 juli 2016 ter zake waarvan de veroordeling op die datum ook al onherroepelijk was.

24. Bij de volledig afgedane zaken betreffende misdrijven op het zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindende Uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 oktober 2017 zijn veroordelingen van het hof Den Haag vermeld van 25 augustus 2016 die onherroepelijk zijn geworden op 18 april 2017. Die veroordelingen komen dus niet in aanmerking om te gelden als veroordelingen waardoor verdachte zich niet heeft laten weerhouden als bedoeld in de strafmotivering van het hof.

25. Bij de volledig afgedane zaken betreffende overtredingen op genoemd Uittreksel wordt een afdoening door het CVOM (strafbeschikking) van 5 augustus 2014 vermeld. Het betreft een overtreding van art. 107, eerste lid, WVW 1994 op 26 april 2014, welke onherroepelijk is geworden op 25 september 2014. Die strafbeschikking heeft het hof kennelijk en in overeenstemming met het bepaalde in art. 78b Sr gelijkgesteld met een veroordeling ter zake van strafbare feiten4. Deze afdoening komt in aanmerking om te gelden als veroordeling waardoor verdachte zich niet heeft laten weerhouden als bedoeld in de strafmotivering van het hof.

26 Het derde middelfaalt.

27. De middelen falen en het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97. Zie voorts HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:128, ECLI:NL:HR:2019:125 en ECLI:NL:HR:2019:132 en de door de steller van het middel aangehaalde HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644, rov. 2.3.1, NJ 2017, 277, m.nt. Kooijmans.

2 Zie HR 19 januari 1993, ECLI:NL:PHR:1993:AD1812, NJ 1993/491, m.nt. van Veen en HR 16 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1828, NJ 1994/32, m.nt. Schalken. Zie voorts meer in zijn algemeenheid over het bestanddeel “wetende dat” HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8673, NJ 2008/318.

3 Voor zover in de toelichting wordt beoogd te klagen dat het (precieze) moment van het voorhanden krijgen van het goed uit de bewijsmiddelen moet blijken, wordt een eis gesteld die het recht niet kent.

4 Zie voor het meervoud als het slechts om één delict gaat HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:536.