Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:245

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
17/03449
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:679
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Voorhanden hebben van munitie in de zin van art. 26 lid 1 WWM. Munitie aangetroffen in een rode tas van Dirk van den Broek in de ouderslaapkamer van de woning van de verdachte. De verdachte heeft aangevoerd dat hij niets van de munitie afwist en dat ook anderen, waaronder zijn vriendin en volwassen zoon, toegang hadden tot de slaapkamer. Het hof heeft dit verweer besproken en weliswaar als vaststaand aangenomen dat ook anderen toegang hadden tot de slaapkamer, maar toch het scenario dat een ander dan de verdachte de tas met munitie daar zonder zijn medeweten heeft geplaatst als hoogst onwaarschijnlijk terzijde geschoven. De AG stelt zich op het standpunt dat dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk is en geeft de Hoge Raad in overweging de bestreden uitspraak te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03449

Zitting: 26 maart 2019

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 30 juni 2017 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 13 september 2016 waarbij de verdachte wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” is veroordeeld, met aanvulling van de bewijsvoering, bevestigd. De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van munitie.

4 De bewezenverklaring en de bewijsvoering

4.1.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“verdachte op 03 mei 2014 te [woonplaats] , gemeente Rucphen, voorhanden heeft gehad 100 patronen (kaliber 9 mm), zijnde munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III”

4.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen1:

“1. Het proces-verbaal van binnentreden woning d.d. 3 mei 2014 (pg. 19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 3 mei 2014, omstreeks 03:40 uur, werd er binnengetreden in de woning, [a-straat 1] , [postcode] [woonplaats] , bewoond door [verdachte] . In de woning werd inbeslaggenomen: 2 dozen à 50 patronen 9 mm.

2. Het proces-verbaal betreffende aangetroffen munitie van Regionaal Bureau Wapens en Munitie d.d. 25 juni 2014 (pg. 27-28), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 25 juni 2014 werd aan mij munitie voor nader onderzoek aangeboden. Deze munitie was op 3 mei 2014 bij een doorzoeking in een woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] aangetroffen en in beslag genomen.

De honderd in beslag genomen patronen zijn centraalvuur eenheidspatronen van het kaliber 9 mm. Al deze patronen hebben een volmantel kogel met loden kern en een cilindrische messinghuls met groef, een nitrokruit vulling en zijn als zodanig voor direct gebruik geschikt en bestemd om te worden afgevuurd met een 9 mm centraalvuur (semi) automatisch pistool.

De hierboven omschreven munitie betreft munitie die geschikt is voor vuurwapens van de categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III, van de WWM.

3. De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 3 mei 2014 (pg. 25-26), voor zover inhoudende:

Plaats: [a-straat 1] , [postcode] [woonplaats] , binnen de gemeente Rucphen

Datum en tijd: 3 mei 2014 te 05:00 uur

Achternaam: [verdachte]

Voornamen:

[verdachte]

Geboren:

[geboortedatum] 1973

Object:

Aantal:

Kaliber:

Inhoud:

Bijzonderheden:

Munitie

100

9 mm

2 dozen à 50 patronen per doos

aangetroffen in ouder slaapkamer in rode dirk v/d broek tas

3.1.4.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgenomen als pagina 13 in het eindproces- verbaal nr. PL2000-2014088582 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, voor zover dit inhoudt:

O: tijdens de doorzoeking zijn twee dozen met daarin 100 patronen in de slaapkamer aan de achterzijde van de woning aangetroffen. Van wie is die slaapkamer?

V: dat is mijn slaapkamer. Van mij en mijn vriendin.”

4.3.

Het aan het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter ten grondslag liggende proces-verbaal van de zitting van 13 september 2016 bevat de volgende overwegingen omtrent het bewijs:

3.2 De bewijsoverwegingen

In de slaapkamer van verdachte zijn 100 patronen aangetroffen. Hiervoor geeft verdachte geen geloofwaardige verklaring. De politierechter acht voldoende bewijs in het dossier voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van het aan verdachte tenlastegelegde.”

4.4.

Het bestreden arrest van het hof bevat in aanvulling op het vonnis van de rechtbank een nadere bewijsoverweging, die voor zover hier van belang als volgt luidt:

“Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het aldaar namens de verdachte gevoerde verweer en de geschetste alternatieve scenario’s, dient het bewijs te worden aangevuld met de volgende bewijsoverweging.

Naar het oordeel van het hof kan de bewoner in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor de goederen die zich in zijn woning bevinden. Dat is geen onweerlegbaar uitgangspunt (vandaar de toevoeging “in beginsel”). Van de verdachte mag voor het aantreffen van die goederen dan wel een redelijke verklaring worden gevergd.

In casu is in de ouderslaapkamer in de woning van de verdachte een rode tas met opdruk Dirk van de Broek aangetroffen. De enkele verklaring van de verdachte dat hij die tas niet heeft gezien komt het hof, evenals de politierechter, niet geloofwaardig voor. Een eventueel alternatief scenario waarin zonder wetenschap van de verdachte een ander de tas met munitie in zijn slaapkamer heeft geplaatst, kan als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven. Hiervoor is nog geen begin van aannemelijkheid gebleken.

In geval de rode tas de verdachte onbekend was voorgekomen had het op zijn weg gelegen om de tas en de inhoud daarvan te onderzoeken. In geval de tas hem wel bekend was voorgekomen, houdt het hof het er voor dat hij ook bekend was met de inhoud daarvan. Dat de slaapkamer ook door de vriendin van de verdachte werd gebruikt en de meerderjarige zoon van de verdachte ook in de woning verbleef, doet aan het voorgaande niet af.

Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte munitie voorhanden heeft gehad, zoals door de politierechter bewezen is verklaard.”

4.5.

Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2017 heeft zich aldaar onder meer het volgende voorgedaan:

“De raadsman voert het woord tot verdediging:

Er zijn meerdere scenario’s denkbaar. Er zijn meerdere mensen aanwezig in de woning, zoals de vrouw van verdachte en een volwassen zoon. Bij cliënt komen vrij veel mensen over de vloer. Dat heeft ook vaak geresulteerd in vervelende incidenten. Cliënt weet niets van de patronen af. Ze worden weliswaar in de slaapkamer aangetroffen, maar zijn vrouw slaapt daar ook en het is een zoete inval in huis. Het is een rotzooitje bij hem thuis. De een verkoopt wat en de ander komt met wat rommeltjes aanzetten. Het is dus niet raar dat hij niet weet wat er in de zak zit. Er is geen DNA afgenomen van cliënt.

Niet alleen het AT maar ook andere mensen zijn binnen geweest. Kennelijk is er een tip gegeven, maar als dat 100% betrouwbaar was hadden er ook vuurwapens aangetroffen moeten worden. Zijn vrouw en zoon hebben geen dagvaarding ontvangen. Daar ben ik het niet mee eens.”

5 Het middel

5.1.

Het middel klaagt dat uit het gebezigde bewijs en de nadere bewijsmotivering niet zonder meer is af te leiden dat de verdachte de verboden munitie voorhanden heeft gehad en dat het (impliciete) oordeel van het hof dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van de munitie in zijn woning, niet zonder meer begrijpelijk is.

5.2.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26 WWM is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie.2 De ondergrens van het daarmee tot uitdrukking gebrachte subjectieve bestanddeel lijkt daarbij te liggen bij de bewuste schuld. Tenminste vereist is zo gezien dat de dader zich bewust is van de mogelijkheid dat het wapen of de munitie aanwezig was, zonder dat hij die mogelijkheid hoeft te hebben aanvaard.3

5.3.

In de onderhavige zaak is de munitie aangetroffen in een rode tas van Dirk van de Broek in de ouderslaapkamer van de woning van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij van niets wist en dat ook anderen in de woning verbleven, zoals zijn vriendin en zijn volwassen zoon. Het hof heeft de verklaring van de verdachte dat hij de tas niet heeft gezien ongeloofwaardig geacht en een eventueel alternatief scenario waarin een ander zonder dat de verdachte dit wist de tas met munitie in zijn slaapkamer heeft geplaatst, als hoogst onwaarschijnlijk terzijde geschoven omdat daarvoor volgens het hof nog geen begin van aannemelijkheid is gebleken. Daarnaast overweegt het hof dat ‘in geval de rode tas de verdachte onbekend was voorgekomen het op zijn weg [had] gelegen om de tas en de inhoud daarvan te onderzoeken. In geval de tas hem wel bekend was voorgekomen, houdt het hof het er voor dat hij ook bekend was met de inhoud daarvan’. Dat de slaapkamer ook door de vriendin van de verdachte werd gebruikt en de meerderjarige zoon van de verdachte ook in de woning verbleef, doet aan het voorgaande volgens het hof niet af.

5.4.

De steller van het middel voert aan dat het hof te weinig aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat ook anderen, waaronder de vrouw (bedoeld zal zijn: vriendin) en de zoon van de verdachte, toegang hadden tot de munitie en wijst daarbij op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. In het gros van deze zaken werd het oordeel van het hof dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en/of de munitie, niet zonder meer begrijpelijk bevonden. De gemeenschappelijke noemer van deze zaken lijkt te zijn dat het enkele gegeven dat het voorwerp zich in de beschikkingsmacht van de verdachte bevindt, onvoldoende is voor het aannemen van het voorhanden hebben daarvan wanneer de verdediging aanvoert dat ook anderen toegang hebben tot de plaats waar de voorwerpen zijn aangetroffen. Ik zal een aantal van deze zaken kort weergeven en vergelijken met de onderhavige zaak.

5.5.

In HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169, NJ 1999/537 had het hof de bewustheid van de verdachte van een wapen dat in een jasje op zijn slaapkamer was aangetroffen, niet zonder nadere motivering uit de bewijsmiddelen mogen afleiden, gelet op hetgeen de verdachte had aangevoerd. De verdachte had onder meer aangevoerd dat het jasje niet van hem was en dat er meer wapens in zijn huis waren aangetroffen, onder andere in de woonkamer en in de slaapkamer van zijn zoon, die daarvoor een gevangenisstraf van acht jaren opgelegd had gekregen. In HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370, NJ 2010/682 ging het om een vuurwapen en munitie die in de opslagbox van de verdachte waren aangetroffen. Het oordeel van het hof dat de verdachte deze voorwerpen voorhanden heeft gehad, acht de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat de verdachte had verklaard dat ook andere personen de sleutel van deze box hadden. In HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804, NJ 2011/287 was in een opbergdoos in een metalen kast in de kantoorruimte van verdachtes fietsenhandel een gaspistool gevonden. Ook hier was het oordeel van het hof dat de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad niet zonder meer begrijpelijk, nu de verdediging had aangevoerd dat de verdachte niets wist van het wapen en dat verschillende mensen toegang tot de kantoorruimte hadden, ook op de vele momenten dat de verdachte daar niet aanwezig was. In HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3828 waren wapens en munitie aangetroffen in een kelderbox van een door de verdachte gehuurde woning. De verdediging had aangevoerd dat ook anderen sleutels van de berging hadden en de gelegenheid hadden om daar wapens te verbergen. Gelet hierop was het oordeel van het hof dat de verdachte deze voorwerpen voorhanden heeft gehad, niet zonder meer begrijpelijk.

5.6.

De onderhavige zaak laat zich in zoverre vergelijken met de bovenstaande zaken dat namens de verdachte is aangevoerd dat hij niets van de munitie afwist en dat ook anderen dan hijzelf toegang hadden tot de plaats waar de munitie is aangetroffen. Een verschil is dat het hof dit verweer heeft besproken en weliswaar als vaststaand heeft aangenomen dat ook anderen toegang hadden tot de slaapkamer, maar toch het scenario dat een ander dan de verdachte de tas met munitie daar zonder zijn medeweten heeft geplaatst als hoogst onwaarschijnlijk terzijde heeft geschoven.

5.7.

Het is de vraag of dit oordeel van het hof zonder meer begrijpelijk is. Voor zover het hof met zijn overweging dat de verdachte in beginsel verantwoordelijk kan worden gehouden voor goederen die zich in zijn woning bevinden, slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat het uitblijven van een verklaring daarover van de zijde van de verdachte bij de waardering van het bewijs mag worden betrokken, getuigt die overweging niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat is naar mijn mening anders als in deze overweging gelezen zou moeten worden dat het hof de opvatting is toegedaan dat de eigenaar of huurder van een woning geacht moet worden zich bewust te zijn van al hetgeen zich in die woning bevindt. Dat is misschien een toelaatbaar bewijsvermoeden als de verdachte de enige bewoner is, maar niet als ook anderen het desbetreffende pand bewonen. Het is dan ook niet zonder meer begrijpelijk dat het hof de “enkele verklaring” van de verdachte dat hij de bewuste tas niet in de gezamenlijke slaapkamer van hem en zijn vriendin heeft gezien, niet geloofwaardig acht. Het hof heeft niets vastgesteld over de plaats waar de tas in de slaapkamer werd aangetroffen (in het zicht of juist niet), noch over de aan- of afwezigheid van andere (rondslingerende) voorwerpen in de slaapkamer (sprong de tas in het oog of juist niet?) en over de duur van de aanwezigheid van de tas in de slaapkamer (is de verdachte in de slaapkamer geweest toen die tas daar lag?). Waarom het op de weg van de verdachte had gelegen om de tas te onderzoeken als die hem onbekend voorkwam, vermag ik evenmin direct in te zien. Bovendien, ook als wél sprake zou zijn van een onderzoeksplicht, volgt daaruit niet dat de verdachte zich van de mogelijke aanwezigheid van munitie bewust is geweest. Ik tref met enige regelmaat mij onbekende tassen van winkelbedrijven in mijn slaapkamer aan, waarvan ik aanneem dat zij door mijn echtgenote naar binnen zijn gebracht. Ik pleeg die tassen niet te onderzoeken. Als ik al iets vermoed, betreft dat schoenen, zeker geen munitie. Dat maakt ook dat ik niet goed kan volgen dat het hof het ervoor houdt dat, als de tas de verdachte wel bekend was voorgekomen, de verdachte dan ook geweten heeft dat er munitie in die tas zat. Mijn echtgenote sleept ook schoenen aan in tassen die mij wel bekend voorkomen. Voor de vermoedens die ik koester, maakt dat geen verschil.

5.8.

Een vergelijking met HR 7 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8567 is hier niet misplaatst. In deze zaak was in een kamer onder het bed een tas met een wapen en munitie aangetroffen. De verdachte verklaarde niets van het wapen en de munitie af te weten. Het hof stelde echter vast dat de verdachte als enige bewaker was aangesteld over een partij drugs met een straatwaarde van meer dan een miljoen euro. Daartoe overnachtte hij ongeveer een jaar lang in de desbetreffende kamer, terwijl de verdediging niet aannemelijk had gemaakt dat anderen de slaapkamer hadden betreden. De verdachte had bovendien verklaard de tas onder het bed te hebben gezien. Het hof verwierp daarom het verweer en oordeelde dus dat de verdachte zich bewust was geweest van de mogelijke aanwezigheid van het wapen en de munitie. Mijn voormalig ambtgenoot Machielse achtte dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en de Hoge Raad deed het middel af met de aan art. 81 RO ontleende motivering. De mogelijkheid dat de verdachte van niets had geweten, is hier veel onwaarschijnlijker dan in de onderhavige zaak.

5.9.

Ook in een betrekkelijk recent, in de schriftuur vermeld arrest (HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1194, NJ 2016/286) achtte de Hoge Raad het bewijs van de meer of mindere mate van bewustheid toereikend. In deze zaak waren in de woning van de verdachte en zijn medeverdachte wapens aangetroffen in een kluis in de slaapkamer en in een la van de keukentafel en was munitie aangetroffen op de zolder van de garage. De verdachte had zich op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof oordeelde dat van de verdachte onder deze omstandigheden een redelijke verklaring kon worden gevergd en dat die verklaring was uitgebleven. Volgens de Hoge Raad was het oordeel van het hof dat de vereiste bewustheid aanwezig was geweest gelet daarop niet onbegrijpelijk. Er zijn twee belangrijke verschillen met de onderhavige zaak. Het eerste verschil is dat een van de wapens zich in een kluis bevond. Eigen aan een kluis is zo’n beetje dat weinigen daartoe toegang hebben. Waarom anders schaft men zich een kluis aan? Het tweede verschil is dat de verdachte niets had verklaard, dus ook niet dat er anderen waren die toegang tot de kluis (en de zolder van de garage) hadden.

5.10.

Mijn slotsom is dat het oordeel van het hof dat de verdachte de tas met munitie voorhanden heeft gehad, niet zonder meer begrijpelijk is. Het middel slaagt.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bewijsmiddel 3.1.4. is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 13 september 2016 waarin het vonnis van de politierechter is aangetekend. De bewijsmiddelen 1 t/m 3 zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest van het hof en vormen de uitwerking van de bewijsmiddelen 3.1.1 t/m 3.1.3 uit voormeld proces-verbaal.

2 O.m. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1193 en 1194, NJ 2016/286 onder verwijzing naar HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169, NJ 1999/537 respectievelijk HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403, NJ 1999/152.

3 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2018, par. IV.1.3 en M. Duker, Het subjectieve element bij het voorhanden hebben van wapens, in: Sporen in het strafrecht, Deventer: Kluwer 2014.