Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:24

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
17/02444
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:297
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over smaadschrift en de bijzondere strafuitsluitingsgrond van art. 261 lid 3 Sr. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02444

Zitting: 15 januari 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 2 mei 2017 door het gerechtshof Den Haag in de zaak met parketnummer 09-842492-14 wegens 1. “smaadschrift” en 2. “eenvoudige belediging, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 09-148247-15 wegens 1. en 2. “de voortgezette handeling van: poging tot oplichting en opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft tevens de teruggave aan de verdachte gelast van inbeslaggenomen voorwerpen. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ter hoogte van € 400,00 toegewezen en aan de verdachte voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. De vordering van de benadeelde partij Santander Consumer Finance Benelux B.V. is door het hof afgewezen.

  2. Namens de verdachte heeft mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen het verweer dat de verdachte op grond van art. 261, derde lid, Sr moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-842492-14 onder 1 bewezenverklaarde feit.

  4. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 09-842492-14 onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 20 augustus 2014 te ’s-Gravenhage opzettelijk de eer en/of de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft hij met voormeld doel op zijn, verdachtes, Twitter account (namelijk […] ) een bericht en foto geplaatst met daarin de tekst: “Dit is dus de vrouw die meerdere zusters in DH heeft lastiggevallen en uiteindelijk eentje aangevallen heeft” (met daarbij gevoegd een foto waarop [benadeelde] staat);”

5. De bewezenverklaringen in de zaak met parketnummer 09-842492-14, waaronder feit 1, heeft het hof doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

Parketnummer 09-842492-14

1. Een proces-verbaal van relaas d.d. 17 september 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014194363. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 9 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 20 augustus 2014 heeft een ruzie plaatsgevonden op het Hobbemaplein in Den Haag, wat heeft geleid tot een handgemeen tussen [benadeelde] en [betrokkene 1] . Naar later bleek was de verdachte [benadeelde] van Joodse afkomst en droeg een ketting met een Davidsster als hanger. De aangeefster [betrokkene 1] was van Soennitisch islamitische afkomst.

Door verbalisant [verbalisant] werd gezien dat een man met een smartphone gedurende langere tijd aan het filmen was. Onder andere filmde hij de aanhouding van de verdachte [benadeelde] . In het belang van het onderzoek werd de man naar zijn persoonsgegevens gevraagd op grond van de Wet Identificatieplicht. De man weigerde zich te legitimeren en werd op 20 augustus 2014 op het Hobbemaplein aangehouden en overgebracht naar het politiebureau De Heemstraat in Den Haag. Na onderzoek werd vastgesteld dat de identiteit van de man bleek te zijn:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] en wonende [a-straat] , [postcode] , in Den Haag.

De verdachte [verdachte] werd op 20 augustus 2014 in vrijheid gesteld.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014194363-5 met fotobijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 45-49):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 21 augustus werd ik door een opsporingsambtenaar van Bureau De Heemstraat geattendeerd dat een foto van de aangever/verdachte [benadeelde] openbaar was gemaakt via Twitter op het account […] :

Na onderzoek zag ik op de tijdlijn van het account […] de foto van [benadeelde] , met een begeleidend bericht; ‘Foto van vrouw die zusters met hoofddoek aanvalt in omgeving Den Haag. RT! Via […] (verhaal op zijn tl). Ik zag dat de betreffende foto een zogenaamde 'still' was van een video-opname.

Direct heb ik een onderzoek ingesteld middels de openbare bron zijnde het Twitteraccount […] .

Ik zag in de tijdlijn van […] twaalf opvolgende Twitterberichten, waarvan bij een aantal een foto was bijgevoegd. Ik zag dat het eerste Twitterbericht begon met; 'Zuster aangevallen door nazi wijf in Den Haag.’

In de overige opvolgende berichten in de tijdlijn las ik dat de verzender in de ik-vorm sprak, onder andere met de volgende inhoud;

‘Ik ben weer vrij alhamdulillah. Meisje met hoofddoek aangevallen door blanke vrouw. Ik kwam pas aanlopen toen het al gebeurd was. Ik als burgerjournalist filmde de arrestatie van de vrouw. Politie kwam met twee man op mij af. Ik zei ik ben geen getuige... Toen vroegen ze mijn ID. Heb een boete ontvangen voor niet tonen van id op 1e vordering...'

Op 20 augustus was ik als eerste politieambtenaar aanwezig op het Hobbemaplein in Den Haag. Ik onderzocht of omstanders getuige waren geweest van het incident. Ik zag een jongeman, naar later bleek [verdachte] , terwijl ik bezig was met het onderzoek filmen met een smartphone. Omdat ik het vermoeden had dat hij mogelijk getuige was geweest van het incident en/of dat zijn filmopnames materiaal kon bevatten dat in het belang van de waarheidsvinding was, heb ik hem aangesproken en medegedeeld dat ik zijn identiteit wilde vaststellen op grond van de WID.

[verdachte] wilde hier niet aan voldoen. Derhalve werd [verdachte] op grond van de WID door mij aangehouden. Hij is naar het Bureau De Heemstraat overgebracht, alwaar zijn identiteit is vastgesteld.

De omstandigheden die de verzender van de berichten in de tijdlijn van het Twitteraccount […] beschrijft, komen overeen met de omstandigheden die ik heb bevonden ten aanzien van [verdachte] op 20 augustus 2014.

Gelet op mijn bevindingen en de berichten in de tijdlijn van het voornoemde account is het zeer aannemelijk dat de gebruiker van het Twitteraccount […] is: – [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 in Den Haag –.

Gelet op de ik-vorm die de opsteller/verzender van de bijgevoegde berichten in de bijlage bezigt, is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de berichten heeft opgesteld en verzonden via Twitter.

3. Een geschrift, zijnde een fotoblad Tijdlijn Twitteraccount […] (bijlage bij voornoemd proces-verbaal):

[12 afbeeldingen, AG]

4. Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 17 september 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014194363-19. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 78 e.v.):

als verklaring van de verdachte:

Ik ben al mijn hele leven moslim. Ik heb gefilmd als burgerjournalist.

5. Een proces verbaal van bevindingen d.d. 23 augustus 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014194363- 7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven.– (blz. 50 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Er werd door mij een nader onderzoek ingesteld naar relevante berichten in de tijdlijn van het Twitteraccount […] .

Het is mij ambtshalve bekend wat de betekenis van de Arabische woorden in het account […] zijn
Abu: broeder

Tawheed: eenheid. Het alleenrecht van Allah in aanbidding

Het Twitteraccount was ten tijde van het onderzoek een zogenaamde openbare bron.

Bij navraag in het opsporingssysteem van de Politie bleek dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 in Den Haag was gesignaleerd met de aandachtsvestiging: “betrokkene is bekend met Islamitisch radicaliseren”.

Bij nader onderzoek in de tijdlijn van het Twitteraccount […] bleek dat het eerste bericht, in: relatie tot het incident en de aanhouding van [benadeelde] op 20 augustus 2014 om 15:07 uur, op 20 augustus 2014 om 15:10 uur werd verstuurd met de inhoud:

‘Zuster aangevallen door nazi wijf in Den Haag.’

Het opvolgende relevante twitterbericht van […] werd verstuurd op woensdag 20 augustus 2014, om 18.07 uur met de inhoud: Ik ben weer vrij alhamdulillah.

[verdachte] werd op woensdag 20 augustus 2014, om 15.10 als verdachte aangehouden ter zake van de Wet op de Identificatieplicht. Op woensdag 20 augustus 2014, omstreeks 17.30 werd hij in vrijheid gesteld vanaf het Bureau De Heemstraat.

Vanaf het tijdstip 18:07 uur werden kort opeenvolgende relevante berichten ten aanzien van het incident verstuurd door het Twitteraccount […] tot het tijdstip 18:47 uur (op de voornoemde dag). Bij een aantal berichten werd een foto van een duidelijk herkenbare [benadeelde] toegevoegd. Tevens werd duidelijk naar [benadeelde] verwezen in een bericht. Daarnaast wordt in een aantal verstuurde berichten verwezen naar de vermeende Joodse afkomst van [benadeelde] door te verwijzen naar een Davidster, provocatiejood en letterlijke ‘jood of wannabe jood’ als tekst te versturen.

Later in de avond op 20 augustus 2014 werden, onderbroken door niet relevante berichten, vier berichten met een repeterend karakter en duidelijk herkenbare foto's van [benadeelde] verstuurd door het account […] .

1. 20-08-2014, 20:04 uur: ‘Dit is dus de vrouw die meerdere zusters in DH heeft lastiggevallen en uiteindelijk eentje aangevallen heeft.’

4. 20-08-2014, 22:24 uur: ‘Nogmaals foto van vrouw die zusters in DH lastigvalt en aanvalt.’

alsook de daarbij behorende Bijlagen A en B Fotoblad (p. 53 respectievelijk 54 e.v.):

met daarop zichtbaar afbeeldingen/tekst behorende bij de Twitteraccount tawheedvlag ( […] ), waaronder op pagina 53):

“Zuster aangevallen door nazi wijf in Den Haag.”

en op pagina 58 :

“Ik vermoed nu dat de politie mijn telefoon wilde innemen en mij mee te nemen om te voorkomen dat de waarheid over deze provocatiejood...”; en

“Meer info over de jood of wannabee jood die de zuster heeft aangevallen”

en op pagina 59:

‘Dit is dus de vrouw die meerdere zusters in DH heeft lastiggevallen en uiteindelijk eentje aangevallen heeft.’

6. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 21 augustus 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014194363-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 30 e.v.):

als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [benadeelde] :

In aanvulling op mijn eerdere aangifte doe ik nu ook aangifte van haat zaaien tegen Joodse mensen, smaad en laster.

Vanavond werd ik door u gebeld en geïnformeerd over het feit dat bij de politie bekend was geworden dat een foto, waarop ik te zien ben, verspreid wordt via Twitter. Ik heb begrepen dat de foto vergezeld gaat van Twitterberichten. U zegt mij dat uit een aantal twitterberichten is gebleken dat de verspreiders van de berichten mij bestempelen als een draagster van een Davidster, Joodse vrouw en Nazi vrouw.

U toont mij een foto en bijbehorend bericht dat de politie op Twitter heeft aangetroffen. U zegt mij dat de foto en het bericht zijn verstuurd door het Twitteraccount ‘ […] .’ U toont mij de foto.

Ja, dat ben ik. Ik schrik hier allemaal heel erg van. Ik voel mij hierdoor heel erg onveilig. Ik ben heel erg bang dat mijn foto en identiteit verspreid wordt onder gewelddadige mensen die opgehitst worden om mij iets aan te doen. Ik vind het zeer bedreigend.

U geeft mij een samenvatting van de inhoud van de berichten die de politie heeft aangetroffen op Twitter over mij. Dat is absolute onzin, dus smaad en laster. Ik heb niemand aangevallen.

Ik droeg inderdaad een Davidster. Dat ik nazi word genoemd doet mij heel veel pijn. Dat vind ik heel erg. Ik hoef niet uit te leggen over de geschiedenis van de Nazi's in relatie tot de joodse bevolking.

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2016 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014194363-23. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ongenummerd, gevoegd achter p. 79):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 21 januari 2016 heb ik aangeefster [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], telefonisch gesproken. Abusievelijk is er toentertijd bij haar aangifte geen klacht opgenomen ter zake smaad/belediging. Na aangeefster de procedure van een klacht te hebben uitgelegd gaf ze aan mij aan dat ze de bedoeling had dat er een vervolging zou worden ingesteld en dat ze daar klacht van had willen doen als ze had geweten dat dat noodzakelijk zou zijn voor de door haar gewenste vervolging.”

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2017 vermeldt dat de verdachte niet is verschenen en dat de gemachtigde raadsman van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn in het procesdossier gevoegde pleitnotities, inhoudende, voor zover hier van belang:

“feit 1: smaad
25. Eerst de vermeende smaad.

26. Daarvoor dient cliënt te worden ontslagen van rechtsvervolging.

27. Cliënt is ten laste gelegd dat hij via twitter de eer en/of goede naam van [benadeelde] zou hebben aangerand door het plaatsen van haar foto met daarbij gevoegd de tekst “Dit is dus de vrouw die meerdere zusters in DH heeft lastiggevallen en uiteindelijk eentje aangevallen heeft.

28. Gelet op de omstandigheden van dit geval is echter geen sprake van smaad, nu cliënt te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat de inhoud van dit bericht waar was en dat het algemeen belang de berichtgeving vereiste (art. 261 lid 3 Sr).

29. Over die omstandigheden, het volgende.

30. Cliënt had – voorafgaand aan het onderhavige incident – in zijn kennissenkring vernomen dat er in de regio Den Haag een blanke vrouw rondliep die moslima’s met een hoofddoekje lastig viel door (onder andere) religieus getinte opmerkingen te maken. Op dat moment was het nog onbekend wie die vrouw nu precies was. Volgens cliënt heerste er daardoor onrust in de gemeenschap.

31. Op 20 augustus 2014 heeft cliënt de arrestatie van [benadeelde] waargenomen en gefilmd. Ter plaatse hoorde hij van één van de moslimmeisjes, namelijk [betrokkene 1] , dat [benadeelde] haar had benaderd en (onder andere) lachend zou hebben gezegd dat er in Palestina 5000 kinderen zijn vermoord. Daarna zou [benadeelde] haar hebben aangevallen.

32. Het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] ontbreekt in dit dossier. In het dossier is wel het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde] opgenomen (p. 41-43). [benadeelde] stelt dat zij werd geprovoceerd en aangevallen door de twee moslima’s. Ter verdediging zou zij “het meisje bij haar strot vastgepakt” hebben.

33. Dat het verhaal van [benadeelde] niet klopt, blijkt wel uit het proces-verbaal van aanhouding van [benadeelde] (p. 38-41). Bij het gevecht waren drie omstanders aanwezig, die hebben gezien dat [benadeelde] het moslimmeisje aanviel:

Ongeveer drie omstanders die aanwezig waren, verklaarden de aanleiding van het gevecht te hebben gezien. Ik hoorde van verschillende omstanders dat de blanke vrouw als eerste geweld had gebruikt door de keel van het Somalische meisje vast te pakken.

34. Cliënt heeft – zoals gezegd – beeldopnamen gemaakt van de arrestatie van [benadeelde] . Die beeldopnamen heeft hij aan een kennis, een “broeder” laten zien. Die broeder heeft [benadeelde] herkend als de vrouw die ook op 20 augustus 2014 een andere moslima had lastig gevallen. Die kennis had van dat incident eveneens een beeldopname gemaakt.

35. Cliënt was zodoende in de veronderstelling dat [benadeelde] de persoon was ten aanzien van wie er in de Haagsche moslimgemeenschap waartoe hij behoort, angst heerste, nu zij moslima’s zou lastigvallen en hij nota bene zelf de arrestatie had waargenomen van deze vrouw nadat zij een moslima fysiek had aangevallen.

36. Cliënt was te goeder trouw in de veronderstelling dat hij nu de identiteit kende van de vrouw die meerdere moslim vrouwen lastig had gevallen. Hij mocht – in het algemeen belang – die gemeenschap waarschuwen voor deze mevrouw.

37. De tekst die ten laste is gelegd

Dit is dus de vrouw die meerdere zusters in DH heeft lastiggevallen en uiteindelijk eentje aangevallen heeft

is ook niet disproportioneel te nemen. Client heeft evenmin gehandeld in strijd met het subsidiariteitsbeginsel.

38. Hij daarom te worden ontslag van rechtsvervolging.

39. De rechtbank heeft genoemd verweer verworpen met de overweging dat client de politie op de hoogte had kunnen stellen van het gedrag van [benadeelde] . Die overweging is zonder nadere toelichting echter onbegrijpelijk, nu genoemde mogelijkheid niet uitsluit dat client te goeder heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de plaatsing van het bericht vereiste (art. 261 lid 3 Sr).

40. Het is natuurlijk niet zo dat een geslaagd beroep op art. 261 lid 3 Sr slechts mogelijk is wanneer het onmogelijk is om je eerst tot de politie te wenden.

41. Daarnaast overweegt de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat client te goeder trouw handelde bij de plaatsing van het bericht. Ook dat is echter zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Alleen al de aard en inhoud van het bericht maakt het immers aannemelijk dat client het bericht heeft geplaatst met het doel anderen te beschermen tegen [benadeelde] :

“Dit is dus de vrouw die meerdere zusters in DH heeft lastiggevallen en uiteindelijk eentje aangevallen heeft”

42. Voor zover het OM dat anders ziet, zal dat dus minimaal nader moeten worden toegelicht.”

7. Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2017 het volgende in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities.

De advocaat-generaal deelt hierop mede dat zij niet beschikt over de stukken van de rechter-commissaris. Voorts vraagt de advocaat-generaal aan de raadsman waar zich in het dossier de verklaringen van de verdachte bevinden die zijn vervat onder punt 30 e.v. van de pleitnota.

De raadsman deelt hierop mede dat deze verklaringen door de verdachte zijn afgelegd tegenover de raadsman en dat deze verklaringen derhalve niet in het dossier zijn terug te vinden. De raadsman deels voorts mede dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens met zich meebrengt dat verklaringen van een verdachte die tegenover een raadsman zijn afgelegd kunnen meewegen in een rechterlijke beslissing.”

8. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het bij parketnummer 09-842492-14 onder 1 ten laste gelegde (smaadschrift)

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities – op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van het bij parketnummer 09-842492-14 onder 1 ten laste gelegde geen sprake is van smaad(schrift), nu de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat de inhoud van het bericht waar was en dat het algemeen belang de berichtgeving vereiste. De verdachte wilde de moslimgemeenschap namelijk waarschuwen voor [benadeelde] . De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat het de verdachte is geweest die het bij 09-842492-14 onder 1 ten laste gelegde bericht met daarbij een foto van [benadeelde] op zijn

Twitteraccount heeft gezet. Door het plaatsen van een foto met begeleidend bericht op Twitter, waarin de aangeefster wordt beschuldigd van het lastigvallen en aanvallen van anderen, heeft de verdachte de eer en/of goede naam van de aangeefster aangerand, met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich derhalve schuldig gemaakt aan smaadschrift in de zin van artikel 261, tweede, lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De vraag is of de verdachte met succes een beroep kan doen op de exceptie van artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte – zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – zelf geen enkele verklaring heeft afgelegd. De omstandigheden die de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van het verweer dat de verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat de inhoud van het ten laste gelegde bericht waar was en dat het algemeen belang de berichtgeving vereiste, vinden geen enkele steun in het dossier. Daar komt bij dat de door de raadsman genoemde omstandigheden ook niet nader zijn onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van een schriftelijke verklaring van de verdachte of van (een) getuige(n). Nu de stukken in het dossier geen enkele feitelijke steun bieden aan het verhaal van de verdachte, zoals dat door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, is het hof van oordeel dat de omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verweer onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt, zodat het verweer wordt verworpen.”

9. Ingevolge art. 261, derde lid, Sr bestaat smaad noch smaadschrift voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.1 Het betreft hier een strafuitsluitingsgrond met het karakter van een bijzondere rechtvaardigingsgrond, zo wordt algemeen aangenomen.2

10. Om de beslissing van de feitenrechter over een beroep op een strafuitsluitingsgrond te kunnen toetsen, stelt de Hoge Raad de eis dat de feitenrechter bij zijn beslissing op zo een verweer scherp onderscheidt tussen de feitelijke grondslag van dat verweer en de juridische implicaties ervan. Als het gaat om het oordeel van de feitenrechter over de feitelijke grondslag, beperkt de Hoge Raad zich als cassatierechter in het algemeen tot toetsing van de begrijpelijkheid. Indringender gecontroleerd wordt de rechtsopvatting van de feitenrechter over het verweer.3

11. In de onderhavige zaak heeft het hof het gevoerde verweer op feitelijke gronden verworpen. Met zijn slotsom dat “de omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verweer onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt”, heeft het hof – in enigszins ongelukkige bewoordingen – kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het beroep op de exceptie wordt verworpen met het argument dat de in dat kader aangevoerde feiten en omstandigheden uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden.4 Ik meen dat het oordeel van het hof in die zin verbeterd kan worden gelezen,5 nu het hof aan zijn oordeel niet slechts ten grondslag heeft gelegd de overweging dat de verdachte zelf noch bij de politie noch ter terechtzitting een verklaring (over zijn handelwijze en/of zijn motieven) heeft afgelegd, maar vooral ook zijn feitelijke vaststellingen dat de door de raadsman aangevoerde omstandigheden ter onderbouwing van het bedoelde verweer “geen enkele steun in het dossier” vinden en dat “de stukken in het dossier geen enkele feitelijke steun bieden aan het verhaal van de verdachte”. In deze verbeterde zin gelezen, getuigt het oordeel van het hof niet van onjuiste rechtsopvatting.

12. De toelichting op het middel komt nog met een motiveringsklacht op tegen de overweging van het hof dat voor de door de raadsman naar voren gebrachte omstandigheden waarop het verweer is gebaseerd “geen enkele steun in het dossier” is te vinden. De steller van het middel merkt op dat het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van bevindingen onder meer inhoudt dat de verdachte heeft staan filmen bij een ruzie in Den Haag tussen de aangeefster van het onderhavige feit ( [benadeelde] ) en [betrokkene 1] en dat [benadeelde] in dat proces-verbaal wordt aangeduid als “verdachte” en [betrokkene 1] als “aangeefster”, en dat blijkens bewijsmiddel 2 het door de verdachte beheerde twitteraccount de mededeling bevat: “Ik als burgerjournalist filmde de arrestatie van de vrouw”. De steller van het middel voert aan dat voor zover het verweer inhoudt dat de verdachte meende dat de aangeefster een andere vrouw had aangevallen waar was en dat het algemeen belang de berichtgeving vereiste, voor dit verweer in die bewijsmiddelen enige steun kan worden gevonden.

12. Gezien de hierboven, in ’s hofs arrest verwoorde, feitelijke vaststellingen, moet het ervoor worden gehouden dat het hof niet heeft bedoeld te overwegen dat voor de vermeende “aanval” van [benadeelde] op [betrokkene 1] geen enkele steun in het procesdossier zou zijn te vinden, maar dat het hof daarmee het oog heeft gehad op de stelling van de raadsman dat de verdachte handelde met goede bedoelingen, dat wil zeggen dat hij te goeder trouw aannam dat het algemeen belang zijn aantijgingen vereiste. Deze stelling van de raadsman is erop gebaseerd dat in de moslimgemeenschap waartoe de verdachte naar zijn zeggen behoort, angst zou hebben geheerst voor een vrouw die moslima’s lastig zou hebben gevallen, dat de verdachte van “een ander” zou hebben vernomen dat [benadeelde] ook andere vrouwen had aangevallen, dat het derhalve [benadeelde] was waarvoor angst zou bestaan en dat de verdachte tot de delictsgedragingen zou zijn gekomen ten einde de leden van die moslimgemeenschap tegen de aangeefster te beschermen door hen te waarschuwen. Het zijn nu juist déze omstandigheden die het hof niet aannemelijk geworden acht, onder meer omdat daarvoor geen enkele steun in (de stukken van) het procesdossier is te vinden. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk, terwijl het, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, zich in cassatie niet voor verdere toetsing leent.

12. Het middel faalt.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie daarover uitvoerig A.J. Nieuwenhuis & A.L.J. Janssens, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, p. 151 e.v.

2 Kamerstukken II 1975/76, 11 249, nr. 3, p. 6. Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 6.1 bij art. 261 Sv (bijgewerkt tot 15 augustus 2018, bewerkt door A.J. Machielse). Voorts wijs ik op de conclusie (punt 17) van toenmalig A-G Silvis vóór HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2001:BP0287, NJ 2011/504, m.nt. Dommering.

3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 262-263.

4 Dát is de juiste maatstaf. Zie daarvoor o.a. HR 10 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4370, NJ 1975/465, m.nt. Van Veen, HR 2 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB8198, NJ 1987/591, HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0737, NJ 1997/657 en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, m.nt. Rozemond. De last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van het beroep op de exceptie mag namelijk niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd.

5 Vgl. HR 2 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB8198, NJ 1987/591 (rov. 6.5).