Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:232

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-03-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
17/04020
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:653
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de vraag of na diefstal van de buitenboordmotor van een zeilboot het (betaalde) liggeld van die zeilboot naar civielrechtelijke maatstaven kan gelden als rechtstreekse schade in de zin van art. 51f lid 1 Sv en over het leerstuk van 'tevergeefs gemaakte kosten'. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de uitspraak te vernietigen en de zaak naar het hof terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04020

Zitting: 12 maart 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 30 mei 2017 wegens 1. “diefstal” en 2. “poging tot diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot het bedrag van € 385,85 ter zake van materiële schade en voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.

  2. Namens de verdachte heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt met twee motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij inzake feit 1, voor zover dit “liggeld” betreft, kan worden toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.

  4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 5 juli 2015 te Naarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kortstaart buitenboordmotor, een accu, twee tankjes, een zaklamp, een zakmes, lijnen en een buitenboordmotorslot, toebehorende aan [benadeelde] .”

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 mei 2017 heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:

“De schadepost ‘liggeld’ die is gevorderd, dient te worden afgewezen nu er onvoldoende verband bestaat met betrekking tot het delict. Het is niet nodig dat je een buitenboormotor hebt om met een dergelijke zeilboot te gaan varen.”

6. Dat proces-verbaal houdt voorts het volgende in:

“De voorzitter onderbreekt de zitting en hof trekt zich terug in raadkamer teneinde zich te beraden. Nadat de onderbroken zitting is hervat, verklaart de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.

Vervolgens deelt de voorzitter de uitspraak van het hof mede, inhoudende dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder één en twee tenlastegelegde conform de bewezenverklaring van de politierechter. Dit houdt in dat ter zake van feit één van alle goederen, met uitzondering van de zeilboot, bewezen wordt verklaard dat verdachte deze heeft weggenomen. De goederen zijn door verdachte van de boot gehaald en op het karretje geladen. Daarmee heeft verdachte met deze spullen gedaan wat hem goeddunkt en is de diefstal voltooid.

[…]

Ten aanzien van vordering tot schadevergoeding oordeelt het hof dat de post liggeld toewijsbaar is. De periode waarover dit bedrag is gevorderd komt het hof niet onredelijk lang voor en het hof is van oordeel dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de diefstal van de buitenboordmotor en de geleden schade. De barbecue komt eveneens voor vergoeding in aanmerking.1De vergoeding van de motor wordt afgewezen nu er reeds door de verzekering is uitgekeerd. Al met al wordt de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 338,85 toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

[…]

De voorzitter deelt mede dat binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.”

7. Het arrest houdt in, voor zover hier van belang:

“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.077,59. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 977,59. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Dit betreft het verschil tussen de uitkering van de verzekering en het aankoopbedrag van de vervangende buitenboordmotor. Op basis van de stukken moet het ervoor worden gehouden dat de verzekering op basis van de waarde van de ontvreemde motor reeds heeft vergoed en komt het meerdere niet voor vergoeding in aanmerking. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

8. Het toegewezen bedrag bestaat onder meer uit liggeld ten bedrage van € 238,85.2Kennelijk is het hof van oordeel dat (ook) het liggeld kan worden aangemerkt als “rechtstreekse schade” in de zin van art. 51f, eerste lid, Sv.

8. De eerste klacht werpt de vraag op of het liggeld is aan te merken als materiële schade, nu het om een zeilboot gaat en een buitenboordmotor niet nodig is om daarmee te (kunnen) varen. De tweede klacht betwist het causale verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis (het wegnemen van de buitenboordmotor) en de toegewezen schade aangaande het liggeld, nu liggeld hoe dan ook moet worden betaald, of er met de zeilboot wordt gevaren of niet.

9. Ingevolge art. 51f, eerste lid, Sv kan uitsluitend een persoon die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij ter zake van zijn of haar vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces. De voegingsprocedure is “een civiele procedure ingebed in het strafproces, waarlangs de benadeelde partij haar schade kan verhalen”.3 De toewijsbaarheid van de vordering benadeelde partij dient te worden beoordeeld naar maatstaven van burgerlijk recht. Dat betekent dat de bepalingen als bedoeld in de artikelen 6:95 – 6:110 BW hier van toepassing zijn.

10. In art. 6:95 BW is bepaald dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed onder meer bestaat in vermogensschade. Ingevolge art. 6:96 BW omvat vermogensschade zowel geleden verlies als gederfde winst (en enkele, hier niet relevante, andere vormen van vermogensschade4).

11. Voorts heeft de civiele kamer van de Hoge Raad enkele vormen van vermogensschade erkend die niet direct onder het bereik van art. 6:96 BW zijn te brengen.5 Zo heeft de Hoge Raad in het arrest van 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6460, NJ 2008/55, m.nt. Hijma geoordeeld dat tevergeefs gemaakte kosten kunnen gelden als vermogensschade:

“3.3.1 Indien iemand uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel en hij dit voordeel heeft moeten missen, zal met het oog op het begroten van de door hem geleden schade - die als vermogensschade moet worden aangemerkt - als uitgangspunt hebben te gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven die hun doel hebben moeten missen. Indien deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan een ander kan worden toegerekend als gevolg van een gebeurtenis waarvoor deze aansprakelijk is, zal die ander deze schade in haar geheel moeten vergoeden, tenzij dit, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, onredelijk zou zijn.”

Voor het leerstuk van tevergeefs gemaakte kosten is tevens HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042, NJ 2010/579, m.nt. Hijma van belang. In deze zaak moest de koper van een plezierjacht gedurende enige tijd het genot daarvan gedeeltelijk missen vanwege gebreken waarvoor de verkoper aansprakelijk was. De koper vorderde schadevergoeding wegens wanprestatie. Daartoe voerde hij aan dat hij uitgaven had gedaan ter verkrijging van onstoffelijk voordeel (o.a. het betalen van liggeld), maar dat het voordeel was uitgebleven nu hij het jacht onder meer een aantal dagen niet kon gebruiken en minder snel kon varen, zodat de uitgaven hun doel hadden gemist. Het oordeel van het hof dat het genot dat de koper had moeten missen zo gering van omvang was dat de daardoor geleden onstoffelijke schade niet voor vergoeding in aanmerking kwam, achtte de Hoge Raad niet onjuist. De Hoge Raad overwoog daarbij in het bijzonder dat niet kon worden gezegd dat het onstoffelijk voordeel de koper geheel was ontgaan, en dat de uitgaven hun doel geheel hadden gemist.

12. In het schadevergoedingsrecht neemt het leerstuk van tevergeefs gemaakte kosten een bijzondere plaats in.6 Goed beschouwd gaat het om een vergoeding voor het gemis van immateriële voordelen, waarvoor in beginsel slechts in de in art. 6:106 BW voorziene gevallen ruimte is. Desalniettemin kan van vermogensschade worden gesproken, omdat het gemiste immateriële voordeel kan worden gerelateerd aan materieel nadeel in de vorm van het doen van uitgaven. Vanwege het complexe karakter van dit leerstuk is terughoudendheid in beginsel geboden. Die terughoudendheid wordt op twee manieren bereikt. In de eerste plaats doordat de kosten tevergeefs moeten zijn, de uitgaven moeten hun doel hebben gemist. Uitgaven die hun doel niet (geheel) missen, zijn immers niet tevergeefs.7 In de tweede plaats komen alleen de schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een causaal verband staan tot de tevergeefs gemaakte kosten. Daarbij verdient opmerking dat een enkel condicio sine qua non-verband hier niet volstaat. In overeenstemming met art. 6:98 BW dient ook te worden beoordeeld of de tevergeefs gemaakte kosten in een zodanig verband staan met de tekortkoming dat zij in redelijkheid aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend.8 Voor beantwoording van de vraag welke schade in redelijkheid aan de schuldenaar kan worden toegerekend, zijn onder meer de voorzienbaarheid van de gevolgen, de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade en de mate van schuld van belang.9

13. Ik keer terug naar onderhavige zaak. De vraag is nu of het hof zonder nadere motivering op begrijpelijke wijze tot het oordeel is gekomen dat in het onderhavige geval het liggeld is aan te merken als rechtstreekse schade. Vooropgesteld moet worden dat het liggeld niet kan worden gezien als geleden verlies in de zin van art. 6:96, eerste lid, BW. De benadeelde partij zou immers, ook indien de motor niet was weggenomen, zijn gehouden tot het betalen van liggeld. Weliswaar tast het betalen van liggeld de benadeelde partij in zijn vermogenspositie aan, maar het is geen materieel geleden verlies ten gevolge van de schadeveroorzakende gebeurtenis, hier het wegnemen van de buitenboordmotor.

14. Kennelijk is het hof van oordeel dat het liggeld in deze zaak kan worden aangemerkt als tevergeefs gemaakte kosten. Gelet op hetgeen in de randnummers 11 en 12 is uiteengezet, acht ik dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft allereerst niets vastgesteld omtrent de vraag of de kosten ten gevolge van de schadetoebrengende gebeurtenis tevergeefs zijn gemaakt, dat wil zeggen of de uitgaven hun doel hebben gemist. Voorts is het kennelijke oordeel van het hof dat het liggeld in een rechtstreeks verband staat tot de schadetoebrengende gebeurtenis (het wegnemen van de motor) zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Daarbij heb ik in het bijzonder in aanmerking genomen dat het hof niets heeft vastgesteld omtrent de vraag of het redelijk is dat de verdachte de tevergeefs gemaakte kosten dient te vergoeden nu de benadeelde partij hoe dan ook was gehouden tot het betalen van het liggeld.

15. Het middel slaagt.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen wat betreft de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens het proces-verbaal heeft de verdachte verklaard dat hij ook vanaf de boot een barbecue heeft weggenomen. Dat is echter niet bewezen verklaard. Het maakte zelfs geen deel uit van de tenlastelegging. Nu over het oordeel van het hof dat “de barbecue” ook voor vergoeding in aanmerking komt niet wordt geklaagd, laat ik dit punt hier verder rusten.

2 Dit bedrag blijkt uit het Schadeopgaveformulier Misdrijven.

3 Kamerstukken II 1990/91, 21 345, nr. 5, p. 3. Zie voorts F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, tweede druk, Deventer: Kluwer 2010, p. 125.

4 Art. 6:96, tweede lid, BW noemt enige categorieën van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen indien zij redelijk zijn wat betreft het maken ervan en hun omvang.

5 Zie C.H. Sieburgh, Mr. Assers handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, Deventer: Kluwer 2017, nr. 30e en S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding algemeen, deel 1. Mon. BW nr. B34, Deventer: Wolters Kluwer 2014, nr. 43.

6 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2017:940) vóór HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145, NJ 2018/193, m.nt. Lindenbergh.

7 Vgl. het hiervoor genoemde HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042, NJ 2010/579, m.nt. Hijma.

8 Vgl. de noot (onderdeel 10) van A.L.M. Keirse bij HR 1 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6460, JA 2005/25.

9 Sieburgh, a.w., nrs. 57-73; C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2, Mon.BW B35, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nrs. 32-43; Groene Serie Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 4.3 (bewerkt door: R.J.B. Boonekamp, actueel t/m 9 september 2018).