Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:207

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12-03-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
17/03378
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1702
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over uitlating gedaan tijdens bijeenkomst Pegida en de vraag of sprake is van groepsbelediging. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de uitspraak te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03378

Zitting: 12 maart 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 30 juni 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van het onder 1 tenlastegelegde feit vrijgesproken en wegens feit 2 “zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is enkel gericht tegen de veroordeling voor feit 2. Namens de verdachte heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Waar het in deze zaak om gaat

3. Op 11 oktober 2015 vond in Utrecht een bijeenkomst plaats van de organisatie PEGIDA, een protestbeweging die zich keert tegen wat zij de “islamisering” van Europa noemt.1 Op deze bijeenkomst hield de verdachte een toespraak, waarvan een videofragment op de website youtube.com is aangetroffen en waarvan de verdachte de tekst op haar facebookpagina heeft geplaatst. De passage uit de tekst van de toespraak die in de onderhavige strafzaak centraal staat, luidt volgens de tenlastelegging: “Een andere reden om moslims te verachten en te haten is/om2 hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de religie van vrede.” Onder feit 1 is de verdachte vervolgd ter zake van het aanzetten tot haat en/of discriminatie (art. 137d, eerste lid, Sr). Daarvan is de verdachte door het hof vrijgesproken. Het feit waarvoor de verdachte door het hof is veroordeeld, ziet op groepsbelediging (art. 137c, eerste lid, Sr).

Bewezenverklaring en bewijsvoering

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder feit 2 bewezenverklaard dat:

“zij op 11 oktober 2015 in de gemeente Utrecht, zich in het openbaar, mondeling opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Moslims, wegens hun godsdienst door op een openbare Pegida-bijeenkomst een speech te houden en daarin te zeggen “Een andere reden om Moslims te verachten en te haten om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de religie van vrede”.”

5. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de inhoud van de volgende, in de aanvulling op het arrest opgenomen, bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2015327923-2 gesloten en getekend op 30 oktober 2015 door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland (pagina 3-7) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisant:

Naar aanleiding van de demonstratie van de organisatie Pegida op 11 oktober 2015 heb ik nader onderzoek ingesteld.

Ik heb een onderzoek op het internet gedaan. Op het internetkanaal YouTube vond ik een filmpje van 11 oktober 2015 waar [verdachte] te zien en te horen is. Dit filmpje had de naam “ [verdachte] gives racist speech during Pegida demonstration”. Dit filmpje behelst een gedeelte van de speech van [verdachte] . Het filmpje begint ergens tijdens de speech. Dit filmpje is kennelijk door iemand uit het publiek opgenomen. Ik heb de tekst van de speech van het genoemde filmpje letterlijk uitgewerkt:

Een andere reden om moslims te verachten en te haten is hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de religie van vrede.

Op Facebook trof ik een Word-document aan waarin de gehele speech van 11 oktober 2015 stond, welke was gehouden door [verdachte] . Ik heb het bedoelde Word-document uitgeprint en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

Uit onderzoek is gebleken dat de genoemde [verdachte] volledig is genaamd:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] (Indonesië).

Word-document p. 6:

Speech Utrecht 11 oktober 2015

Een andere reden om moslims te verachten en te haten om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit een religie van vrede.

2. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 16 juni 2017 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Het klopt dat ik op 11 oktober 2015 in Utrecht tijdens een bijeenkomst van Pegida een speech heb gehouden en de in de tenlastelegging opgenomen uitlatingen heb gedaan. Een schriftelijke uitwerking van mijn speech heb ik op Facebook geplaatst. Ik was uitgenodigd door de leider van Pegida Nederland om tijdens de demonstratie een speech te houden.”

6. Ten aanzien van het bewijs van feit 2 heeft het hof het volgende overwogen:

“De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de tenlastegelegde uitlating bezien in het geheel van de toespraak niet als beledigend voor moslims wegens hun godsdienst valt te kwalificeren. Indien het hof van oordeel is dat de tenlastegelegde uitlating groepsbeledigend is stelt de raadsman dat de context waarin deze uitlating is gedaan dat beledigende karakter geheel en al wegneemt. Tot slot heeft de raadsman ook nog gesteld dat de tenlastegelegde uitlating niet onnodig grievend is.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

De vraag of sprake is van strafbare belediging van een groep mensen als omschreven in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht dient te worden beantwoord aan de hand van de volgende in de jurisprudentie ontwikkelde criteria.

1. de uitlating dient op zichzelf beledigend te zijn en onmiskenbaar betrekking te hebben op een groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt;

2. de context waarin de uitlating wordt gedaan neemt het beledigend karakter niet weg;

3. de uitlating is, indien de context het beledigend karakter wegneemt, niet onnodig grievend.

Ad 1. Beledigend

De door verdachte gedane uitlating richt zich op moslims. Zij heeft daarbij, anders dan door de verdediging is betoogd, geen onderscheid gemaakt tussen religie en ideologie. De uitlating van verdachte is naar het oordeel van het hof gericht op de belijders van de religie islam, moslims. Zij is naar het oordeel van het hof kwetsend en grievend voor moslims, zij worden door deze uitlating in diskrediet gebracht en het beeld over moslims wordt ernstig aangetast. De uitlating heeft derhalve naar objectieve maatstaven op zichzelf beoordeeld een beledigend karakter.

Ad 2. Context

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voornoemde uitlating door verdachte is gedaan binnen de context van een publiek debat over een zaak van algemeen belang (de komst van moslims naar Europa). Verdachte deed haar uitlating in een toespraak tijdens een demonstratie van PEGIDA, een protestbeweging. Het hof vermag evenals de rechtbank echter niet in te zien op welke wijze voornoemde uitlating een bijdrage levert of dienstig zou kunnen zijn aan het betreffende maatschappelijk debat. De context waarin de uitlating is gedaan en moet worden beoordeeld, neemt het beledigende karakter van de uitlating van verdachte niet weg.

Het derde criterium behoeft gelet op het vorenstaande geen nadere bespreking.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 tenlastegelegde groepsbelediging door zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uit te laten over een groep mensen, te weten moslims wegens hun godsdienst.

Een eventuele veroordeling van de verdachte ter zake van de onder 2 bewezenverklaarde uitlating maakt in beginsel inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Europese verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De vraag is of een dergelijke inbreuk in dit geval is gerechtvaardigd.

Het toetsingskader van artikel 10 EVRM

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in de rechtspraak met betrekking tot de verschillende aspecten van artikel 10 EVRM benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting één van de essentiële fundamenten van de democratische rechtsstaat vormt. Artikel 10 EVRM bevat echter geen absoluut recht op vrijheid van meningsuiting.

Dit recht kan krachtens artikel 10, tweede lid, EVRM worden onderworpen aan ‘bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen’.

De term ‘noodzakelijk’ houdt in dat er een dringende maatschappelijke noodzaak moet zijn voor zodanige beperking. Daarbij moet de zaak als geheel worden bekeken en moet acht worden geslagen op de inhoud van de bestreden bewoordingen of afbeeldingen en de context waarin deze werden gebruikt. Tevens moet vastgesteld worden of de tussenkomst van de autoriteiten proportioneel was in relatie tot de legitieme doelstellingen van de beperking van de vrijheid van meningsuiting.

Beoordeling onderhavige geval

In deze zaak is voldaan aan het in het tweede lid van artikel 10 EVRM gestelde vereiste dat de mogelijke beperking is voorzien bij wet te weten in de strafbepaling van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. Een mogelijke veroordeling van verdachte dient in elk geval een in het tweede lid van artikel 10 EVRM opgenomen doel, te weten de bescherming van de goede naam van anderen.

Ten slotte moet de vraag worden beantwoord of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Het hof beantwoordt deze laatste vraag evenals de rechtbank bevestigend. Daartoe wordt van belang geacht dat de zin, zoals ten laste gelegd onder feit 2, beledigend is voor een groep personen wegens hun geloof en dat verdachte deze beledigende zin welbewust in haar speech op een demonstratie van PEGIDA in het openbaar heeft uitgesproken,

Het hof is derhalve van oordeel dat de inbreuk op het recht op vrijheid van

meningsuiting van verdachte door vervolging noodzakelijk is in

een democratische samenleving ter bescherming van de gerechtvaardigde rechten van anderen.”

Juridisch kader

7. De in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende termen “beledigend” en “een groep mensen, [...] wegens hun godsdienst” zijn klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 137c, eerste lid, Sr, dat als volgt luidt:

“1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

8. In zijn bewijsoverwegingen heeft het hof een uit drie stappen opgebouwd beslissingsschema gehanteerd, dat zal zijn ontleend aan de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 137c Sr (en art. 266 Sr), mede in relatie tot art. 10 EVRM,3 en dat aansluit bij de rechtspraak van het EHRM over art. 10 EVRM. Op grond van dit beslissingsschema zag het hof zich gesteld voor de volgende drie vragen:
(i) hadden de uitlatingen van de verdachte – op zichzelf en in hun context bezien – de strekking om de bedoelde groep mensen te beledigen wegens hun godsdienst?;

(ii) zo ja, heeft de verdachte haar uitlatingen gedaan in een context die het beledigend karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in art. 10, eerste lid, EVRM verzekerde recht op vrijheid van meningsuiting?; en

(iii) zo ja, moeten de uitlatingen van de verdachte niettemin als onnodig grievend worden aangemerkt?

9. Vooraleer een uitlating als beledigend voor een groep mensen wegens hun godsdienst kan worden gekwalificeerd, zal deze allereerst een beledigend karakter moeten hebben. Uit de wetsgeschiedenis van art. 137c Sr heeft de Hoge Raad afgeleid dat een uitlating als beledigend in de zin van deze bepaling kan worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een groep mensen bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en aan te randen in hun eer en goede naam.4 Dat een uitlating beledigend is in deze zin, kan in de eerste plaats rechtstreeks blijken uit de inhoud van de uitlating zelf. Sommige uitingen zijn immers reeds naar hun bewoordingen zonder meer als beledigend aan te merken.5 Is de litigieuze uitlating in het algemeen op zichzelf niet beledigend, dan zal het oordeel dat van een beledigende uitlating niettemin sprake is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.6

10. Voor het bereik van in het bijzonder de strafbaarstelling van de belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst is daarnaast vooral het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655, NJ 2010/19, m.nt. Mevis van belang. De Hoge Raad overwoog dat voor belediging van een groep mensen wegens hun godsdienst – gelet op de beperkte reikwijdte die de wetgever aan art. 137c Sr heeft beoogd te geven – is vereist dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor van anderen onderscheidt. Dat betekent onder meer dat het zich beledigend uitlaten over de godsdienst als zodanig niet binnen het bereik van art. 137c Sr valt, ook niet indien dit geschiedt op een wijze die de aanhangers van de godsdienst in hun godsdienstige gevoelens krenkt. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt alleen onder art. 137c Sr als men de tot die groep behorende mensen collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Kritiek, ook de felle kritiek, op opvattingen die in die groep leven of op het gedrag van hen, die tot de groep behoren, blijft buiten het bereik van art. 137c Sr, aldus de Hoge Raad.

11. Aan een uitlating kan het beledigend karakter komen te ontvallen, wanneer wordt geoordeeld dat de uitlating in een context is gedaan die onder de door art. 10 EVRM beschermde belangen moet worden geschaard. De feitenrechter dient in dit verband te bezien of – in de woorden van de Hoge Raad – “de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie”.7 Met instemming haal ik (met vernummering van de voetnoten) aan hetgeen mijn ambtgenoot A-G Harteveld in zijn conclusie vóór HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:539, NJ 2018/283, m.nt. Dommering, heeft opgemerkt over de vraag wanneer een uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat:

“4.10 [...]

Het EHRM is, met betrekking tot inperking van het recht van vrije meningsuiting (the right to offend, shock and disturb) door nationale staten in het kader van een publiek debat geneigd tot het aanhouden van een smalle margin of appreciation.8 In EHRM 15 oktober 2015 (Perinçek v. Switzerland, (Grand Chamber) appl.nr. 27510/08) worden de beoordelingscriteria die het EHRM in dergelijke zaken hanteert op een rij gezet; het Europese Hof benadrukt de geringe ruimte voor inperking van het recht van public speech (nr. 197).9 In een democratie mag derhalve niet te snel uit het kwetsende karakter van bepaalde uitlatingen een rechtvaardiging voor een beperking op het onder meer in art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting worden afgeleid.10 Een “al te snel aannemen van belediging zou een ernstige hinderpaal vormen voor het voeren van een publiek debat over maatschappelijke verschijnselen die samenhangen met minderheidsgroeperingen of de situatie waarin zij in onze samenleving verkeren”, aldus J.W. Fokkens,11 welk standpunt ik deel. Het publiek moet met andere woorden kennis kunnen nemen van allerlei ideeën die in de maatschappij leven. Als een uitlating in de context van het maatschappelijke debat is gedaan, wordt het gewicht van de uitingsvrijheid vergroot.12 Dat wil overigens niet zeggen dat in zo’n geval art. 10 EVRM altijd is geschonden.13 Een dergelijke uitlating kan immers toch “onnodig grievend zijn”.14 Verder kunnen uitlatingen die geen bijdrage vormen aan de maatschappelijke discussie ook door art. 10 EVRM beschermd worden. De bescherming voor dergelijke uitlatingen (bijvoorbeeld commerciële informatie) is echter minder groot.15

4.11.

Wanneer wordt een uitlating gedaan in het kader van het maatschappelijke debat of wordt met die uitlating een bijdrage aan het maatschappelijke debat gegeven? Tot het maatschappelijk debat behoren in elk geval kritiek op de overheid en andere uitlatingen die deel uitmaken van het politiek debat. Het gaat meer in het algemeen om uitlatingen die in een democratie van publiek belang zijn. Voorbeelden daarvan zijn berichtgeving over gevaren voor de volksgezondheid, illegale praktijken bij de jacht op zeehonden, fraude in de bosbouw, etc.16 [...]”

12. In geval van een strafvervolging ter zake van art. 137c Sr ziet de rechter zich niet gesteld voor de vraag of de tenlastegelegde uitlating aan het publiek debat daadwerkelijk een bijdrage heeft geleverd, maar dient hij te beoordelen of zij aan dat debat een bijdrage kan leveren. Uitlatingen die worden gedaan binnen het bestek van een politiek debat hebben, naar het mij toeschijnt, in beginsel de potentie aan dat debat enige bijdrage te leveren. Ook grove, onaangename en overdreven uitlatingen die verre van politiek correct zijn en die een ander of anderen aanzienlijk dieper kwetsen dan daarvoor nodig is, kunnen een bijdrage leveren aan het publieke debat. Dit neemt in voorkomende gevallen evenwel niet weg dat een strafrechtelijke veroordeling mogelijk is, ook al bevinden de uitlatingen zich (nog) binnen de grenzen die art. 10 EVRM in dit verband stelt, omdat zij niettemin onnodig grievend zijn.

Beoordeling van het eerste middel

13. Ook in de cassatieschriftuur wordt van het genoemde beslissingsschema uitgegaan. Het eerste middel van cassatie ziet op stap (i) van dit schema en klaagt dat het oordeel van het hof dat de tenlastegelegde uitlating “groepsbeledigend zou zijn” van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden berust, “waarbij met name van belang is dat het Gerechtshof heeft overwogen dat verzoekster geen onderscheid gemaakt zou hebben tussen religie en ideologie”.

14. Het hof heeft de tenlastegelegde uitlating van de verdachte op zichzelf beledigend geacht, dus los van stap (ii) van het beslissingsschema, inhoudende de vraag of de context waarin de uiting is gedaan (bijv. in het kader van een maatschappelijk debat) het beledigend karakter wegneemt vanwege het recht op vrijheid van meningsuiting. Daartoe heeft het hof in de eerste plaats overwogen dat de verdachte geen onderscheid heeft gemaakt tussen religie en ideologie, maar zich heeft gericht op de belijders van de islam. In deze overweging ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachte zich niet heeft beperkt tot het zich beledigend uitlaten over de godsdienst zelf op een wijze die eventueel de gevoelens van de aanhangers daarvan krenkt, maar dat zij zich met haar uiting onmiskenbaar heeft gewend tot een naar hun geloof herkenbare groep mensen.

15. Voor zover (de toelichting op) het middel tegen dit oordeel van het hof wil opkomen, vormt de klacht in wezen een herhaling van het in hoger beroep gevoerde verweer dat in de kern erop neerkomt dat de verdachte zich (slechts) heeft gericht op de “islam als ideologie”, zijnde een systeem van ideeën dat betrekking heeft op maatschappelijke, economische, juridische en politieke onderwerpen. “Als afgeleide daarvan” zou de verdachte zich in haar speech hebben gekeerd tegen het concrete gedrag van bepaalde moslims. Aldus zou zij slechts gedragingen aan de kaak hebben gesteld en/of een ideologie hebben bekritiseerd, hetgeen het hof, door tot een bewezenverklaring te komen, zou hebben veronachtzaamd.

16. Met de zinsnede “een andere reden om moslims te verachten en te haten” heeft de verdachte te kennen gegeven een (andere) grond te (zullen) noemen om moslims te verachten en haten. Aan de term “moslims” is geen nadere beperking verbonden op grond van gedrag of opvattingen; de verdachte heeft het over moslims in het algemeen. Het oordeel van het hof dat de uitlating van de verdachte aldus is gericht op de belijders van de godsdienst en dat de verdachte daarbij niet heeft onderscheiden naar ideologie op een wijze die het beledigend karakter van de uiting wegneemt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

17. Bovendien geeft de steller van het middel een te ruime uitleg aan het reeds in randnummer 10 genoemde oordeel van de Hoge Raad dat kritiek op opvattingen die in een groep leven of op het gedrag van hen die tot de groep behoren niet strafbaar is op grond van art. 137c, eerste lid, Sr. Felle of grove kritiek op godsdienstige opvattingen en daaruit voortvloeiend gedrag blijft weliswaar buiten het strafrecht, maar daaraan staat niet gelijk, en dit is dus wat anders, het beledigen van mensen omdat zij tot die groep behoren, waarbij die belediging een krenkende uitlating over het veronderstelde gedrag van die gehele groep impliceert. Het oordeel van de Hoge Raad geeft (uiteraard) evenmin een vrijbrief voor krenkende uitlatingen die zelf niet de opvattingen en/of het gedrag van de groep betreffen, maar in het denkbeeld van de verdachte door de in de groep levende opvattingen en/of voorkomende gedragingen zijn ingegeven. Het gaat immers om de aard en inhoud van de uiting, niet om de reden van het uiten ervan of de bedoeling die daar achter ligt.17

18. Betwist in de toelichting op het middel wordt voorts het oordeel van het hof dat de tenlastegelegde uitlating reeds op zichzelf een beledigend karakter draagt. Het hof heeft de uitlating als kwetsend en grievend voor moslims gekwalificeerd en geoordeeld dat moslims erdoor in diskrediet worden gebracht en het beeld over hen erdoor ernstig wordt aangetast. Dat betekent volgens het hof dat de uitlating naar objectieve maatstaven op zichzelf beoordeeld, een beledigend karakter heeft. Het hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dát het de woorden op zichzelf al beledigend acht. Een toelichting van het hof op het waaróm ontbreekt echter. In het bijzonder heeft het hof niet uitgelegd waarom het tot dat oordeel is kunnen komen buiten de context van de gehele toespraak om. Overigens, noch het bestreden arrest, noch de gebezigde bewijsvoering houdt een vaststelling in van de volledige tekst van de toespraak van de verdachte.18

19. Is het oordeel van het hof dat de tenlastegelegde uitlating naar objectieve maatstaven beledigend is voor moslims ook zonder zo een nadere motivering niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd? Daarover kan men aarzelen, lijkt mij. Zowel voor de aanduiding dat de door moslims aangehangen ideologie “krankzinnig” is, als voor de laatste zinsnede van de uitlating dat de “Islam nooit de religie van vrede” is, geldt, denk ik, dat zij niet reeds op zichzelf als beledigend voor moslims kan worden aangemerkt, aangezien beide onderdelen van de uitlating – op zichzelf beschouwd – hooguit iets zeggen over de godsdienst.

20. De vraag die dan resteert is of het hof de opmerking dat er een “andere reden is om moslims te verachten en te haten” (welke reden is gelegen in hun ideologie en religie) wel zonder nadere motivering beledigend heeft kunnen achten. Alles afwegende meen ik dat déze vraag bevestigend moet worden beantwoord, waarbij ik in aanmerking neem de verwevenheid van het oordeel van het hof daarover met aan hem voorbehouden vaststellingen en waarderingen van feitelijke aard. Naar het mij voorkomt leest de steller van het middel de bewezenverklaarde uitlating ten onrechte aldus, dat de verdachte daarin tot uitdrukking brengt dat zij moslims veracht en haat. De verdachte heeft verkondigd dat “een andere reden moslims te verachten en te haten” hun “krankzinnige ideologie” is. Daarmee heeft zij woorden gebruikt die niet zozeer uiting geven aan haar eigen subjectieve gevoelens jegens moslims, maar die in algemener zin zijn geformuleerd en zijn gericht op gevoelens van verachting en haat bij eenieder en niet zozeer bij alleen haarzelf. Voorts is van belang dat aan de mate waarin een uiting grievend of kwetsend moet zijn ten einde deze als (op zichzelf) beledigend te kunnen kwalificeren, geen al te hoge eisen worden gesteld. Ook niet heel grove woorden als “mierenneuker” en “mafkees” kunnen voor een individueel persoon beledigend zijn, zolang uit de context waarin zij zijn gebruikt blijkt dat zij de strekking hadden de aangevallen persoon in diens eer en goede naam aan te tasten.19 Dat de mate waarin zij die eer en goede naam aantasten beperkt is, staat dan aan het beledigend karakter kennelijk niet in de weg. Bij art. 137c Sr gaat het met name om uitlatingen met de strekking om personen behorende tot een bepaalde groep in hun eigenwaarde aan te tasten en de groep als zodanig in diskrediet te brengen.20 Daarmee nauw verbonden is de waardigheid van dezelfde groep van mensen in de ogen van het bredere publiek.21

21. In het bestreden oordeel van het hof ligt besloten dat de tenlastegelegde uitlating reeds naar haar bewoordingen in staat is moslims in een kwaad daglicht te stellen, hun eer en goede naam in enige mate aan te tasten en de beeldvorming over hen in negatieve zin te beïnvloeden. Dat oordeel is – al met al – ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

22. Het eerste middel faalt.

Beoordeling van het tweede middel

23. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot deskundigenonderzoek.

24. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2017 vermeldt onder meer dat de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd en een pleitnota heeft overgelegd, welke aan dat proces-verbaal van de terechtzitting is gehecht. De kennelijk bedoelde pleitnota is niet aan dat proces-verbaal, maar aan de aanvulling op het bestreden arrest bevestigd.22 Ik ga ervan uit dat de raadsman die pleitnota ter terechtzitting heeft voorgedragen. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, houdt zij in:

2.3.4 Kritiek op gedrag

54. Van belang is dat [verdachte] heeft gezegd dat zij moslims niet zomaar en in hun algemeenheid "veracht en haat", maar (specifiek en beperkt) slechts voor zover zij bepaald gedrag vertonen en "om hun krankzinnige ideologie".

55. In haar toespraak heeft [verdachte] kritiek geleverd op de islam-als- ideologie, en in het bijzonder op het op die ideologie gebaseerde (en niets met de islam-als-heilsleer te maken hebbende) gedrag van moslims.

[...]

58. Mocht uw Hof dit verweer willen verwerpen (mede) op grond van de overweging dat het onderscheid tussen "heilsleer" en "ideologie" niet relevant zou zijn, dan verzoek ik u om de zaak aan te houden en om dr. Warner en de twee andere door mij in de appelschriftuur genoemde academici te benoemen als deskundigen, en hen nader te bevragen over de vraag in hoeverre de door mijn cliënte genoemde voorbeelden van gedrag vallen onder de islam-als-ideologie of onder de islam-als-heilsleer.”

25. Het verzoek tot benoeming van dr. Warner en twee anderen als deskundigen, is door de raadsman voorwaardelijk gedaan. Noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch uit het bestreden arrest blijkt dat het hof op dit verzoek uitdrukkelijk heeft beslist. Daartoe was het hof evenwel ook niet gehouden. Het verzoek is immers afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat het hof het verweer dat de verdachte slechts kritiek heeft geleverd op “de islam-als-ideologie, en in het bijzonder op het op die ideologie gebaseerde [...] gedrag van moslims” zou verwerpen (mede) op de grond dat het onderscheid tussen de islam als heilsleer en de islam als ideologie niet relevant is. Aan de verwerping van het verweer heeft het hof in de kern ten grondslag gelegd:

“De door verdachte gedane uitlating richt zich op moslims. Zij heeft daarbij, anders dan door de verdediging is betoogd, geen onderscheid gemaakt tussen religie en ideologie. De uitlating van verdachte is naar het oordeel van het hof gericht op de belijders van de religie islam, moslims.”

Daarmee heeft het hof niet tot uitdrukking gebracht dat het onderscheid tussen de islam als heilsleer en de islam als ideologie niet zou bestaan of dat het verschil tussen kritiek op de islam als heilsleer enerzijds en kritiek op de islam als ideologie en het op deze ideologie gebaseerde gedrag van belijders van de islam anderzijds niet relevant zou (kunnen) zijn voor de vraag of het delict van art. 137c, eerste lid, Sr kan worden bewezen. Het hof heeft daarmee enkel gezegd dat de verdachte dat onderscheid niet heeft gemaakt en zij zich met de tenlastegelegde uitlating op de belijders van de religie islam in het algemeen heeft gericht.

26. De in de toelichting op het middel geponeerde stelling “dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld”, berust derhalve op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

27. Nu de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan niet is vervuld en het hof daarom niet gehouden was tot het nemen van een uitdrukkelijke beslissing op het bedoelde verzoek, faalt het tweede middel.

Beoordeling van het derde middel

28. Het derde middel komt op tegen de wijze waarop het hof vraag (ii) (de tweede stap) van het eerder genoemde beslissingsschema heeft beantwoord en valt uiteen in twee klachten. Ten eerste wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd in dit kader te onderzoeken of de uitlating van de verdachte door art. 10 EVRM wordt beschermd. Ten tweede klaagt het middel dat het hof op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft beslist dat de context waarbinnen de verdachte haar uitlating heeft gedaan het beledigende karakter van die uitlating niet wegneemt.

29. Ook voor de beoordeling van dit middel is van belang hetgeen ik hierboven onder het hoofd Juridisch kader heb opgemerkt, in dit verband met name in de randnummers 11 en 12. Daar zij hier dan ook allereerst naar verwezen.

30. Blijkens de toelichting op het middel is met de eerste klacht beoogd te klagen dat het hof de vraag of art. 10 EVRM de uiting van de verdachte beschermde, ten onrechte niet heeft geïntegreerd in de stappen (ii) en (iii) van het beslissingsschema dat het hof heeft gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of de uitlatingen van de verdachte beledigend waren. Aldus zou het hof ten onrechte art. 10 EVRM slechts hebben betrokken bij zijn oordeel over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit en niet al eerder hebben meegenomen bij de beoordeling van de bewijsbaarheid van het tenlastegelegde.

31. Deze klacht kan mijns inziens niet tot cassatie leiden. Dat het hof de vraag of art. 10 EVRM de toepassing van art. 137c, eerste lid, Sr in het onderhavige geval verhindert afzonderlijk heeft besproken na de stappen (i) tot en met (iii) van het beslissingsschema te hebben doorlopen, brengt nog niet mee dat het hof aldus een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de stappen (i) tot en met (iii). Niet gezegd is immers dat het hof niet ook bij de beantwoording van de vragen (ii) en (iii) uit dat schema aan het recht op vrije meningsuiting van art. 10 EVRM direct of indirect voldoende betekenis heeft toegekend. Maar zelfs als zou worden aangenomen dat door de wijze waarop het hof zijn oordeel heeft gemotiveerd, het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de verhouding tussen art. 137c Sr en art. 10 EVRM, dan nog hoeft zulks niet tot cassatie te leiden indien en voor zover de uitleg en toepassing die het hof aan art. 10 EVRM heeft gegeven voor juist moeten worden gehouden. Is immers het oordeel van het hof dat art. 10 EVRM aan de veroordeling van de verdachte niet in de weg staat rechtens juist, dan brengt dit mee dat de veroordeling van de verdachte niet onterecht is. Een ‘geïntegreerde’ beoordeling van art. 10 EVRM in het beslissingsschema van art. 137c, eerste lid, Sr zou dan geen aanleiding hebben kunnen geven om tot een andere beslissing te komen en mitsdien niet tot een andere beslissing hebben geleid. Er bestaat dan onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak op deze grond.23

32. Nu de tweede klacht. Deze richt haar pijlen op ‘s hofs bewijsmotivering onder “Ad 2. Context” (zie randnummer 6), meer in het bijzonder op het oordeel van het hof dat de verdachte haar uitlating weliswaar deed binnen de context van een publiek debat over een zaak van algemeen belang doch daaraan geen bijdrage levert en evenmin daaraan dienstig zou kunnen zijn.

33. De vaststellingen van het hof houden in dat de verdachte heeft deelgenomen aan een demonstratie van PEGIDA, als gezegd een protestbeweging die zich verzet tegen de “islamisering” van Europa. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat de verdachte haar uitlating deed in de context van een publiek debat over een zaak van algemeen belang, te weten de komst van moslims naar Europa. Dat is een onderwerp dat nauw samenhangt met vreemdelingen- en migratiebeleid en daarmee een issue betreft waarbij ook het functioneren van de overheid aan de orde is. Het is bovendien een thema dat de gemoederen, zowel in de politiek als binnen de maatschappij in brede zin, bepaald bezighoudt. Een openbare demonstratie is (dan) een van de meest aangewezen wijzen waarop burgers die geen politieke functie bekleden hun opvattingen over de stand van en de situatie binnen de samenleving, alsook het functioneren van de overheid ten aanzien daarvan, kunnen laten horen. Een dergelijke demonstratie vormt bij uitstek een podium, dat ook derden kenbaar maakt dat het bestemd (en geschikt) is voor publiek debat. Op zichzelf heeft het hof er geen blijk van gegeven dat te hebben miskend, maar evenmin heeft het hof in dat kader zijn oordeel begrijpelijk gemaakt dat niet valt in te zien hoe de uitlating van de verdachte aan het maatschappelijk debat heeft kunnen bijdragen. En het is wel juist die achtergrond waartegen de begrijpelijkheid van dat oordeel dient te worden gewaardeerd. In randnummer 12 heb ik er op gewezen dat ook wanneer moet worden aangenomen dat een uitlating als hier bedoeld een bijdrage kan leveren aan het politieke debat, een strafrechtelijke veroordeling ter zake in bepaalde gevallen niet in strijd is met het in art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, en wel omdat alsdan niettemin kan worden gezegd dat zij onnodig grievend is. In hoeverre de tenlastegelegde uitlating van de verdachte in dat licht bezien nodeloos grievend was, heeft het hof echter geheel – en zelfs uitdrukkelijk – in het midden gelaten.

34. De steller van het middel wijst er mijns inziens terecht op dat de verdachte haar uitlating(en) deed in een context van maatschappelijk debat en dat haar uitlating(en) geen scheldkanonnade of een inhoudsloze leus inhield(en). In dat opzicht bestaat een niet onbelangrijk verschil met het, ook door de steller van het middel aangehaalde, arrest van HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, NJ 2016/248, m.nt. Keijzer. In die zaak was bij door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen arrest bewezenverklaard dat de verdachte zich tijdens een demonstratie van de Nederlandse Volksunie had schuldig gemaakt aan groepsbelediging door het scanderen van de woorden “ [naam 1] en [naam 2] , ga toch terug naar [plaats] ”. Over het oordeel van het hof – voorzien van een motivering vergelijkbaar met die in de onderhavige zaak – dat de uitspraak niet kon bijdragen aan het publieke debat, werd toen in cassatie niet geklaagd. Waar ik evenwel op wil attenderen is dat, anders dan de inhoudsloze en op zichzelf staande leus in HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, NJ 2016/248, de verdachte haar uitlating heeft gedaan (haar zin heeft gebruikt) in een toespraak tijdens een demonstratie. De inhoud van haar boodschap is allesbehalve genuanceerd of verfijnd te noemen, en men kan het daarmee uiteraard zeer wel oneens zijn, maar dat acht ik niet zonder meer voldoende om te kunnen aannemen dat die boodschap aan het publiek debat niet in potentie kan bijdragen.24

35. Door zijn oordeel dat de uitlating van de verdachte ondanks de context waarin deze is gedaan niet aan het publiek debat kan bijdragen niet nader te motiveren,25 meen ik, mede in het licht van art. 10 EVRM en de relevante rechtspraak te dezer zake, dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Het bestreden arrest lijdt daarom aan een motiveringsgebrek.

36. Het derde middel slaagt.

Slotsom

37. Het eerste middel en het tweede middel falen. Het tweede middel leent zich voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het derde middel treft doel.

38. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

39. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak – voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen26 – en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 PEGIDA is oorspronkelijk een Duitse protestbeweging, waarvan de naam een afkorting vormt van ‘Patriotische Europäer gegen die Islamisierung des Abendlandes’.

2 In de tenlastelegging van feit 2 staat “is/om”, waarvan “om” is bewezenverklaard. In bewijsmiddel 1 is zowel eenmaal “is” als eenmaal “om” te lezen. De meest heldere weergave heeft het alternatief: “is om”. Een blik achter de papieren muur op het in bewijsmiddel 1 bedoelde YouTube-fragment van de toespraak laat zien dat dit laatste alternatief de door verdachte uitgesproken tekst is.

3 Zie onder meer: HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003/261, m.nt. Mevis; HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6731, NJ 2012/37, m.nt. Dommering; HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108, m.nt. Rozemond; HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282 (alsmede de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Spronken) en HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:539, NJ 2018/283, m.nt. Dommering (en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld). Zie voorts A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Kluwer 2011, p. 98-115.

4 Zie vooral HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, NJ 2016/248, m.nt. Keijzer. De Hoge Raad verwijst daarin naar Kamerstukken II 1969/70, 9724, nr. 6, p. 4.

5 Verwezen zij naar HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1003, waarin het oordeel van het hof dat de uitlating “flikkers geef ik geen hand” op zichzelf beschouwd beledigend is, in cassatie stand hield.

6 Aldus HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, NJ 2016/248, m.nt. Keijzer, onder verwijzing naar HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671, m.nt. Buruma waarin niet een groepsbelediging, maar een eenvoudige belediging (van een ambtenaar) aan de orde was. De context van de uitlating speelt in dit verband overigens een wat andere rol dan in de tweede stap van het genoemde beslissingsschema (aldus ook A-G Spronken in haar conclusie (onderdeel 4.1.1 en 4.1.2) vóór HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282).

7 Bijv. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:541, NJ 2018/282. En ook omdat een uitlating in een direct verband staat met de geloofsovertuiging van de zich uitende persoon, kan zij haar beledigend karakter verliezen. Zie daarvoor: HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203, HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9367, NJ 2001/204, m.nt. De Hullu en HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003/261, m.nt. Mevis.

8 E. Janssen, Faith in Public Debate, Cambridge (Intersentia) 2015, p. 517-518.

9 Zie ook A.J. Nieuwenhuis, ‘Van catalogusformules en strong reasons: de ontwikkeling van de artikel 10 jurisprudentie van het ERHM van 2010 tot en met 2016 (deel I), Mediaforum 2017-I, p. 6.

10 Zie A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten (studiepockets strafrecht nr. 36), Deventer: Kluwer 2011, p. 20.

11 J.W. Fokkens in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 10 bij art. 137c Sr.

12 Zie A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten (studiepockets strafrecht nr. 36), Deventer: Kluwer 2011, p. 17 en 20. Vgl. bijvoorbeeld EHRM 23 september 1994, NJ 1995/387 (Jersild v. Denmark).

13 Zie Van Noorloos a.w. p. 82. (Zie nader mijn voetnoot 21, AG).

14 Waarover hierna in par. 4.12 en verder meer.

15 Zie A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten (studiepockets strafrecht nr. 36), Deventer: Kluwer 2011, p. 17.

16 Zie A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten (studiepockets strafrecht nr. 36), Deventer: Kluwer 2011, p. 16.

17 Aldus Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, art. 137c Sr, aant. 11 (bewerkt door prof. mr. J.W. Fokkens; bijgewerkt t/m 20 september 2017).

18 Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Machielse vóór HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655, NJ 2010/19, m.nt. Mevis: “Die context wordt gevormd door de achtergrond van het gehele werk waarin bijvoorbeeld een geschreven zin voorkomt.” Zie ook HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2776, NJ 2002/76, m.nt. De Hullu: “5.4.1. Het gaat hier om een door de steller van de tenlastelegging beledigend geachte passage in een roman. In een zodanig geval heeft allereerst te gelden dat voor de beoordeling van de vraag of die passage beledigend is in de zin van art. 137c of van de art. 266 en 267 Sr, die passage niet op zichzelf gelezen moet worden, doch in samenhang met de overige inhoud van de roman.”

19 Zo bleek in HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2003, NJ 2014/181, m.nt. Keijzer, respectievelijk in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671, m.nt. Buruma.

20 Vgl. de samenvatting van het onjuiste noch onbegrijpelijke oordeel van het hof in HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510, NJ 2016/248, m.nt. Keijzer.

21 Vgl. M. van Noorloos, Strafbaarstelling van ‘belediging van geloof’, een onderzoek naar mogelijke aanpassing van de uitingsdelicten in het Wetboek van Strafrecht, mede in het licht van internationale verdragsverplichtingen, Den Haag: WODC/Boom Lemma uitgevers 2014, p. 49-50, die meent dat hier de waardigheid (reputatie) van de groep bij het bredere publiek het beschermde rechtsgoed vormt.

22 Aan het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting, is de preliminaire notitie gehecht (naast de tekst van het requisitoir).

23 Vgl. – mutatis mutandis – mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie (onderdeel 4.5) vóór HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108, m.nt. Rozemond.

24 Vgl. ook NLR, art. 137, aant. 10: “Een al te snel aannemen van belediging op de in deze wetsbepaling genoemde grond zou bovendien een ernstige hinderpaal vormen voor het voeren van een publiek debat over maatschappelijke verschijnselen die samenhangen met minderheidsgroeperingen of de situatie waarin zij in onze samenleving verkeren.”

25 Volledigheidshalve merk ik op dat een nadere motivering ook niet te herkennen valt in de afzonderlijke overweging van het hof over de vraag of art. 10 EVRM de veroordeling van de verdachte belet. Dat de veroordeling van de verdachte “noodzakelijk in een democratische samenleving” is, heeft het hof niet nader gemotiveerd.

26 Zie randnummer 2.