Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:2

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
17/04738
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:118
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen moord in vakantiewoning op camping in Ewijk door met vuurwapen kogel af te vuren op ander (art. 289 Sr) en medeplegen opzettelijke brandstichting auto waarin stoffelijk overschot lag (art. 157.1 Sr). Bijdrage verdachte aan moord van voldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/04598, 17/04698, 17/05490 en 18/00253.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04738

Zitting: 8 januari 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 20 september 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens feit 1 primair “medeplegen van moord” en feit 2 primair “medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 9.762,65 en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.1

2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/04598, 17/04698, 17/05490 en 18/00253. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans op onjuiste gronden, tot een bewezenverklaring van ‘medeplegen’ is gekomen.

5. Ten laste van de verdachte is onder feit 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 22 juni 2014 te Ewijk, gemeente Beuningen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel afgevuurd op [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] door die kogel in het lichaam werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”

6. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, heeft het hof in het bestreden arrest ten aanzien van het medeplegen het volgende overwogen:

Medeplegen feiten 1 en 2

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het medeplegen van de moord. Voor hetgeen hiertoe in het bijzonder is aangevoerd, verwijst het hof naar de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de intensiviteit van de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding en/of de uitvoering en/of de afhandeling van de beide delicten, alsmede het belang van zijn rol bij die strafbare feiten, niet anders worden geconcludeerd dan dat hij een dusdanig wezenlijke bijdrage aan het bewezenverklaarde heeft geleverd dat van medeplegen behoort te worden gesproken.

Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage aan de delicten door verdachte van voldoende gewicht is geweest. Medeverdachte [medeverdachte 3] is degene die de trekker heeft overgehaald en de daadwerkelijke levensberovende handeling en brandstichting heeft verricht. Echter de bijdrage die verdachte heeft geleverd aan deze misdrijven wordt door het hof zodanig geacht dat van medeplegen kan worden gesproken.

Immers heeft verdachte met zijn broer, [medeverdachte 5] , wetende van het plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, een vuurwapen met munitie opgehaald bij medeverdachte [medeverdachte 2] en dit aan [medeverdachte 3] , de schutter, ter hand gesteld, heeft hij kort voor het plegen van het feit overleg gehad met zijn broers over wie het fatale schot zou lossen, waar die zich zou moeten opstellen om de komst van het slachtoffer ongezien af te wachten en heeft hij op korte afstand gewacht om naderhand het stoffelijk overschot en sporen te verwijderen. Het plan is gezamenlijk gemaakt en tot aan het eind tezamen uitgevoerd.

[medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] hebben een daadwerkelijke en belangrijke rol gespeeld bij het plegen van het delict. In de aanloop tot het delict heeft zich een dramatisch scenario afgespeeld dat is geëindigd in de dood van [slachtoffer] en het verbranden van diens lijk. Naar het oordeel van het hof hebben alle vijf verdachten daarin een wezenlijke rol vervuld. Er wordt in de aanloop tot het geheel gesproken over de dood van [slachtoffer] . Het ombrengen met één genadeschot. Uit de verklaringen komt naar voren dat de aanzet komt van [medeverdachte 2] , maar de andere vier verdachten gaan met dit idee verder en spreken hierover ook in afwezigheid van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] doet de andere vier verdachten zogenaamd toetreden tot de Italiaanse maffia. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit een gewelddadige organisatie is en alle andere vier verdachten, waaronder [medeverdachte 1] , doet daaraan mee. Kenmerk van de maffia is bendevorming en liquidaties en de verdachte kiest er blijkbaar voor om zich daarbij aan te sluiten. In de lijn van die deelname ligt dan ook het latere plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het blijft niet bij plannen. Als [medeverdachte 2] laat op de avond belt, vertrekken de broers [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] spoorslags naar [medeverdachte 2] om een wapen op te halen. Het hof twijfelt niet aan de wetenschap van die boodschap vanaf het moment dat zij het huis verlieten. Wanneer een plan wordt gemaakt om iemand om het leven te brengen met één genadeschot, is het toch wel duidelijk wat er moet worden opgehaald. Al die tijd heeft de verdachte de mogelijkheid gehad om zich aan het delict dan wel aan de samenwerking met de andere verdachten te onttrekken. Ook nadat het wapen is opgehaald hadden [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] dit wapen bijvoorbeeld in het water kunnen gooien om de uitvoering te voorkomen. Maar nee, het wordt ingepakt in een doek en laarzen om het te verbergen en zij veilig bij [medeverdachte 3] aan kunnen komen. Ook dan is er nog geruime tijd om zich te bedenken. De verdachte zegt bedreigd te zijn door [medeverdachte 2] , maar bij de daadwerkelijke uitvoering was [medeverdachte 2] niet aanwezig. Er was alle gelegenheid om of 112 te bellen of [slachtoffer] te waarschuwen zodat dit delict niet had plaatsgevonden. Mogelijke vrees voor [medeverdachte 2] neemt de eigen verantwoordelijkheid van de verdachte niet weg.

Een belangrijk aspect waarom het hof dit feit als medeplegen ziet is dat de verdachte vervolgens na het afleveren van het wapen niet is weggegaan. [medeverdachten 1,3 en 5] hebben het slachtoffer [slachtoffer] met zijn drieën opgewacht. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] hebben het wapen afgeleverd en zijn niet vervolgens weggegaan. Zij hebben zich in de nabijheid opgehouden. Daardoor had [medeverdachte 3] intellectuele en fysieke steun van zijn broers die hij in de nabijheid wist. Er kan er nu eenmaal maar één de trekker overhalen. [medeverdachte 5] heeft in het donker in het huisje gewacht op de aangekondigde dood van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] nabij het huisje. Niemand, ook verdachte niet, is op enig moment tot bezinning gekomen. Naar het oordeel van het hof zou het plan niet zijn ontstaan en zou de uitvoering niet hebben plaatsgevonden wanneer er geen samenwerking zou zijn geweest tussen alle vijf de verdachten. Het was de bedoeling dat alle drie de broers aanwezig zouden zijn bij het plegen van het delict zodat [medeverdachte 3] steun heeft gehad ten tijde van het plegen van het feit en het wegmaken van het lijk.

De aaneenschakeling van feiten maakt een soms bizarre en wat klungelige indruk. Er wordt een nepritueel uitgevoerd tot toetreding van de maffia met een bloedcontract, de schutter krijgt pas kort tevoren het wapen, hij weet niet goed hoe hij ermee moet schieten en er zitten maar twee kogels bij. Echter het resultaat van de handelingen is verschrikkelijk en dramatisch voor het slachtoffer en zijn nabestaanden, alsook schokkend voor de maatschappij. Het resultaat is een strafbaar feit - moord - dat het ernstigste is in ons Wetboek van Strafrecht. Daar wordt de verdachte mede verantwoordelijk voor gehouden.

Anders dan de verdediging en de rechtbank, is het hof van oordeel dat de grens met medeplichtigheid is overschreden en dat kan niet gezegd worden dat verdachte slechts door anderen begane misdrijven heeft bevorderd en/of vergemakkelijkt.

[...]”

7. Tussen 2014 en 2016 heeft de Hoge Raad in enkele richtinggevende arresten belangrijke beschouwingen gewijd aan het medeplegen, in het bijzonder in relatie tot en ter afbakening van medeplichtigheid. Ik wijs hier met name op HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond. Aan deze arresten ontleen ik het volgende. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht – de Hoge Raad noemt: het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht –, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zijn bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Evenmin is uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd of – zelfs – hoofdzakelijk na het strafbare feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. Zeker in zulke situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.

8. De steller van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van medeplegen. Volgens de toelichting volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen geen van de feitelijke vaststellingen van het hof, inhoudende dat de verdachte (i) “kort voor het plegen van het feit overleg [heeft] gehad met zijn broers over wie het fatale schot zou lossen”, (ii) “overleg zou hebben gehad waar [medeverdachte 3] zich zou moeten opstellen om de komst van het slachtoffer ongezien af te wachten” en (iii) “op korte afstand [heeft] gewacht om naderhand het stoffelijk overschot en sporen te verwijderen.”

9. Dat de verdachte kort voor het plegen van het feit overleg heeft gehad met zijn broers over wie het fatale schot zou lossen, blijkt uit de als bewijsmiddel 12 tot het bewijs gebezigde verklaring van medeverdachte [medeverdachte 5] , voor zover inhoudend:

“ [medeverdachte 1] heeft het vuurwapen uit de kofferbak gepakt. Het vuurwapen zat in 2 laarzen geschoven met daar om heen een doek. We zijn vervolgens naar het huisje van [medeverdachte 3] gelopen, die al in het huisje was. Ik denk dat dit tussen 22.45 uur en 23.30 uur is geweest. In het huisje ontstond discussie over wie het zou gaan doen. [medeverdachte 3] zei dat hij het wel zou doen omdat het nu opgelost moest gaan worden. [...]”

En uit bewijsmiddel 15, de verklaring van de verdachte:

“ [medeverdachte 2] is ermee op de proppen gekomen, dat was al eerder besproken. Een van ons drie moest hem overhoop knallen. […]. In dat huisje heeft [medeverdachte 3] de keuze genomen. Eerst zou [medeverdachte 2] het doen. En toen heeft [medeverdachte 3] gezegd dan doe ik het.”

Uit deze bewijsmiddelen, ook in onderlinge samenhang bezien, kon door het hof worden afgeleid dat kort voor het feit is besproken wie zou schieten. Dat – zoals de steller van het middel betoogt – uit deze bewijsmiddelen niet volgt dat in het overleg aan de orde is geweest dat specifiek de verdachte zou schieten, doet niet ter zake, aangezien het hof dat niet heeft vastgesteld.

10. Dat in dat overleg kort voor het plegen van het feit tevens ter sprake is gekomen waar de medeverdachte [medeverdachte 3] zich diende op te stellen, heeft het hof kunnen afleiden uit de als bewijsmiddel 15 voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover deze inhoudt:

“ […] [medeverdachte 3] zou eerst [slachtoffer] opwachten in het halletje met de droger en de wasmachine. Ik heb tegen [medeverdachte 3] gezegd ‘hier ziet hij je gelijk staan’. Hij stond in dat hokje met de wasmachine, maar dat was veel te opvallend. Eerst was het plan dat we daar met zijn drieën zouden wachten. Ik zei dat gaat faliekant mis. Toen is [medeverdachte 5] naar de badkamer gegaan en ik naar buiten.”

De steller van het middel meent dat hieruit enkel volgt dat de positionering van de medeverdachte [medeverdachte 3] “terloops wordt genoemd” en niet meer dan dat. Wat van die uitleg ook zij, de steller van het middel ziet er mijns inziens in elk geval aan voorbij dat het hof over de duur en intensiteit van het ‘overleg’ niet iets heeft vastgesteld dat met een zekere terloopsheid ervan onverenigbaar zou zijn.

11. Ten derde zou volgens de steller van het middel evenmin uit de bewijsmiddelen kunnen volgen dat de verdachte op korte afstand heeft gewacht om naderhand het stoffelijk overschot en de sporen te verwijderen. Dit betoog berust op een nogal wonderlijke lezing van het gedeelte van de verklaring van de verdachte dat hiervoor onder 10. is weergegeven.2 Deze lezing van de woorden van de verdachte “Ik zei dat gaat faliekant mis” wil doen voorkomen dat de verdachte eerst uit het hokje en vervolgens naar buiten is gegaan om, in de woorden van de toelichting op het middel, zich uit de voeten te maken en juist niet betrokken te raken bij enige uitvoeringshandeling. Ik lees de verklaring van de verdachte, inhoudende “Ik zei dat gaat faliekant mis”, gelet op de context waarbinnen zij moet worden geplaatst, geheel anders. Deze context stelt buiten twijfel dat door de verdachte werd bedoeld te zeggen dat de gezamenlijke opstelling van de drie verdachte broers in het hokje onmiddellijk zichtbaar zou zijn voor het latere slachtoffer en het plan om die reden wel eens niet zou kunnen slagen, dat wil zeggen wel eens faliekant mis zou kunnen gaan. Dat het hof dit onderdeel van de verklaring van de verdachte niet heeft beschouwd als een “evidente gedraging van verzoeker om zich van de situatie te verwijderen”, is zonder meer begrijpelijk.3

12. Voor het overige is de in het middel verwoorde klacht dat de bijdrage van de verdachte aan het delict van onvoldoende gewicht is geweest om medeplegen aan te nemen, niet nader geconcretiseerd. Het hof heeft in zijn bewijsvoering uitvoerig uiteengezet op welke wijze de verdachte voor, tijdens én na het misdrijf aan de tenlastegelegde moord heeft bijgedragen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere overwegingen van het hof blijkt te dien aanzien onder meer:

(i) dat de verdachte bij het beramen van het gezamenlijke moordplan aanwezig is geweest;

(ii) dat hij tezamen met drie van zijn medeverdachten bereid is gebleken zich aan te sluiten bij een internationale organisatie die bekend staat om haar gewelddadig karakter;

(iii) dat hij voor de uitvoering van het delict wezenlijke handelingen ter voorbereiding heeft verricht (het ophalen, het verbergen in een doek en laarzen en het vervoeren van het vuurwapen);

(iv) dat de verdachte en zijn broers het latere slachtoffer gezamenlijk hebben opgewacht;

(v) dat kort vóór de uitvoering van het delict in zijn bijzijn is gesproken over de vraag wie zou schieten en waar de schutter zich zou positioneren;

(vi) dat de verdachte zich ten tijde van de uitvoering en afhandeling van het delict ophield in de onmiddellijke nabijheid van het vakantiehuisje;

(vii) dat de schutter zich fysiek en intellectueel gesteund wist ten tijde van het plegen van het feit en het wegmaken van het lijk, juist doordat zijn twee broers in en bij het vakantiehuisje aanwezig bleven;

(viii) dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen de auto in brand heeft gestoken om het lijk weg te maken;

(ix) dat de verdachte dezelfde nacht nog in het vakantiehuisje heeft helpen schoonmaken en opruimen.

13. Deze, vastgestelde, bijdragen van de verdachte zijn in onderlinge samenhang beschouwd van zodanig gewicht dat zij zonder meer de kwalificatie medeplegen rechtvaardigen. Het oordeel van het hof dat gelet op de intensiviteit van de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding en/of de uitvoering en/of de afhandeling van de beide delicten, alsmede het belang van zijn rol bij die strafbare feiten, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat hij een dusdanig wezenlijke bijdrage aan het bewezenverklaarde heeft geleverd dat van medeplegen behoort te worden gesproken, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Tevens is dit oordeel toereikend gemotiveerd.

14. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het bestreden arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl: Hof ’s-Hertogenbosch 20 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4108.

2 Ik ga ervan uit dat de steller van het middel op deze passage doelt. In de toelichting op het middel (onder 10) wordt in algemene zin verwezen naar “de verklaring van verzoeker zelf, die door het hof als bewijsmiddel 12 wordt gebruikt” (dat deze verklaring van de verdachte niet als bewijsmiddel 12, maar als bewijsmiddel 15 is gebruikt, laat ik daar).

3 Vgl. ook het bestreden arrest, onder het hoofd “Voorbedachten rade”, p. 34: “Voordat ze bij het huisje kwamen was het idee kennelijk dat de drie broers [slachtoffer] bij binnenkomst in het huisje gezamenlijk zouden opwachten, maar omdat dit ter plaatse te risicovol werd bevonden, is ervoor gekozen dat alleen [medeverdachte 3] hem zou opwachten en heeft [medeverdachte 5] ervoor gekozen om zich op te houden in de badkamer en heeft [medeverdachte 1] zich buiten het huisje begeven.”