Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:168

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-04-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
18/01088
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cag over beklag ex art. 552a door erfgenaam van overleden verdachte. Vraag of nog strafvorderlijk belang bij voortduren van het beslag aanwezig is nadat de strafzaak tegen de verdachte is geëindigd in niet-ontvankelijkheid van het OM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/01088 B

Zitting: 9 april 2019

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[klaagster]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 4 december 2017 het door de klaagster ingediende klaagschrift, strekkende tot teruggave van een tweetal geldbedragen van € 51.720,- en $ 30.250,-, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel bevat de klacht dat de ongegrondverklaring van het beklag onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed, nu niet duidelijk is welk strafvorderlijk belang bestaat bij voortduring het beslag op de geldbedragen gelet op het overlijden van de gewezen verdachte.

3.1. Uit de gedingstukken blijkt de volgende voorgeschiedenis van deze beklagzaak. [verdachte] is op 13 december 2010 door de rechtbank Haarlem veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen geldbedragen. In hoger beroep heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, op 27 maart 2013 het strafvonnis vernietigd en de gewezen verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en 2 weken en – eveneens – verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld. Tegen het arrest van het hof is cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 3 februari 2015 het bestreden arrest vernietigd vanwege een verzuim met betrekking tot de betekening van de appeldagvaarding en de strafzaak teruggewezen.1 Voordat het gerechtshof zich opnieuw ten gronde kon uitspreken over de zaak, is de verdachte overleden. Om die reden heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem op 27 februari 2017 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.

3.2. Klaagster was getrouwd met de gewezen verdachte en is zijn erfgename. Zij heeft op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift ingediend die strekt tot teruggave van de bij de gewezen verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 51.720,- en $ 30.250,-.

3.3. Het proces-verbaal van de behandeling van de raadkamer houdt het volgende in:

“De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

Tegen mijn cliënt, [verdachte] , heeft hier bij het hof een strafzaak gediend. Hij is inmiddels overleden. Het openbaar ministerie is in verband hiermee niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging, De echtgenote van [verdachte] , te weten [klaagster] , heeft zich als klaagster tot uw hof gewend met een verzoek om teruggave van onder [verdachte] op Schiphol inbeslaggenomen geldbedragen. Ik heb enkele stukken - zoals onder meer aktes - aan het hof doen toekomen die aantonen dat de zij als erfgename valt aan te merken. Ik verzoek het hof dan ook om [klaagster] als erfgename van [verdachte] aan te merken.

In de strafzaak tegen [verdachte] zijn destijds door de verdediging bewijsstukken aangedragen om zijn onschuld aan te tonen. Er is toen tevens aan de rechter-commissaris verzocht om een tweetal getuigen te horen over de herkomst van het inbeslaggenomen geld. Daaraan is geen gevolg gegeven.

De echtgenote, [klaagster] , is tijdens het opsporingsonderzoek wel naar Nederland gekomen en heeft in september 2010 tegenover de verbalisanten van de FIOD een verklaring afgelegd. Zij heeft onder meer verklaard over het inbeslaggenomen geld. Zij heeft destijds daarover onder meer verklaard dat haar man vaker met grote sommen geld reisde en geld wisselde voor bepaalde doeleinden.

De strafzaak is - nadat er een cassatie beroep tegen de veroordeling van [verdachte] ingesteld - door de Hoge Raad naar het hof Arnhem-Leeuwarden teruggewezen om op het bestaande hoger beroep te berechten en af te doen. Het openbaar ministerie is door het hof bij arrest van 27 februari 2017 niet-ontvankelijk verklaard in verband met het overlijden van [verdachte] .

De advocaat-generaal deelt mee, zakelijk weergegeven:

Ik zal mij refereren aan het oordeel van het hof met betrekking tot het aanmerken van klaagster als erfgename van [verdachte] . Mijn ambtgenoot heeft in deze beklagprocedure een advies uitgebracht. Ik blijf bij dat advies. In deze zaak was sprake van een veroordelend vonnis van de rechtbank. Het vonnis was uitvoerig gemotiveerd. Door een tussentijds overlijden van [verdachte] is de zaak uiteindelijk - na een omweg via de Hoge Raad - niet ter berechting bij het hof terechtgekomen. Het standpunt van het openbaar ministerie blijft dat er in de strafzaak voldoende bewijs voorhanden was en dat - gelet op de inhoud van het dossier - er nog steeds een strafvorderlijk belang aanwezig is om het inbeslaggenomen geld niet terug te geven. Het ingediende beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

Op zich is het wel juist dat de verklaring die [verdachte] destijds op Schiphol heeft afgelegd op een stroeve wijze tot stand is gekomen. Op de vraag hoeveel geld hij bij zich had heeft hij toen enigszins wisselend verklaard. Daar staat tegenover dat zijn echtgenote consistent heeft verklaard over de herkomst van het geld. Er bestaat geen link met witwaspraktijken De getuigen die de verdediging in de strafzaak wilde horen zijn afgewezen.

De gehele rechtsgang in de zaak heeft veel tijd in beslaggenomen, mede doordat het meermalen mis is gegaan met de oproepingen van [verdachte] . [verdachte] is in de tussentijd noodlottig overleden. Hij heeft de hoger beroep instantie gemist en heeft zich niet kunnen verweren en is met in staat geweest om zijn onschuld aan het hem tenlastegelegde aan te tonen.”

3.4. De bestreden beschikking van het hof luidt, voor zover van belang, als volgt:

“7. Ondanks de omstandigheid dat het openbaar ministerie in de strafzaak niet-ontvankelijk is verklaard in zijn strafvervolging en daarmee een onherroepelijke einde aan de zaak is gekomen, is er - gelet op de inhoud van het dossier over de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen van de gewezen verdachte daarover - nog steeds een strafvorderlijk belang dat het geld niet wordt teruggegeven. Het hof zal dan ook het klaagschrift ongegrond verklaren.”

3.5. Het hof heeft aldus het beklag ongegrond verklaard en daaraan ten grondslag gelegd dat er gelet op de inhoud van het dossier over de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen van de gewezen verdachte daarover, nog steeds een strafvorderlijk belang is dat het geld niet wordt teruggegeven. Door de steller van het middel wordt geklaagd dat het hof daarmee niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het nog steeds een strafvorderlijk belang aanwezig acht. Daarbij wordt gewezen op de onmogelijkheid om het geld verbeurd te verklaren of het geld aan het verkeer te onttrekken.

3.6. Het overlijden van een persoon die betrokken is in strafrechtelijke procedures, leidt ertoe dat er een punt achter deze procedures wordt gezet. Ook de executie van de straffen en maatregelen komen hiermee in beginsel tot een einde. Wel blijft het recht tot tenuitvoerlegging van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in stand.2 Wat betreft het recht tot strafvordering bepaalt art. 69 Sv dat dit recht vervalt door de dood van de verdachte. Voor de beslagprocedure zijn geen specifieke regelingen getroffen indien een klager overlijdt. De Hoge Raad neemt om die reden aan dat het beklag door het overlijden wordt geacht te zijn vervallen.3

3.7. Bij de beoordeling van een beklag tegen een beslag als bedoeld in art. art. 94 Sv geldt als maatstaf of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet.4 Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. In dit artikel worden het belang van de waarheidsvinding genoemd5 en het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich ook tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.

3.8. In zijn beschikking heeft het hof geoordeeld dat er nog steeds een strafvorderlijk belang is om het in beslag genomen geld niet terug te geven. Welk in art. 94 Sv belang gediend is bij het beslag, wordt echter niet verduidelijkt. Ook de toelichting van de advocaat-generaal in de raadkamer geeft hieromtrent geen uitsluitsel. Het hof verwijst enkel naar de verdachte herkomst van het geld en de ongeloofwaardige verklaringen die de gewezen verdachte hierover heeft gegeven, maar daarmee is een strafvorderlijk belang nog niet gegeven. Als het hof het oog had op de waarheidsvinding, behoeft dit nadere motivering aangezien de strafzaak tegen de gewezen verdachte tot een einde is gekomen door diens overlijden en uit de beschikking niet blijkt dat er anderen betrokken waren bij het ten laste gelegde witwassen.6 Verbeurdverklaring van de in beslag genomen geldbedragen is daarnaast niet meer mogelijk. Een verbeurdverklaring als bijkomende (vermogens)straf kan namelijk enkel worden uitgesproken bij veroordeling ter zake van een strafbaar feit, hetgeen vanwege het overlijden niet meer mogelijk is.7 Het overlijden van de verdachte staat er daarentegen niet aan in de weg voor het Openbaar Ministerie om een vordering tot onttrekking aan het verkeer zoals bedoeld in art. 36b lid 1 aanhef, sub 4 Sr in te dienen, waarop een afzonderlijke rechterlijke beschikking wordt gegeven.8 Geld als wettig betaalmiddel is volgens de Hoge Raad echter, ongeacht de herkomst en/of de bestemming ervan en ongeacht aan wie het toebehoort, niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.9 Een dergelijk strafvorderlijk belang is met het beslag op het geld dan ook niet gediend. Dan rest de mogelijkheid dat het beslag op het geldbedrag rust om wederrechtelijk voordeel aan te tonen. Nog los van de omstandigheid dat witwassen niet automatisch meebrengt dat de betrokkene ook daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, brengt het overlijden van de verdachte mee dat het recht tot strafvordering is komen vervallen.10 Ook dit in art. 94 Sv genoemde belang komt derhalve niet in beeld.

3.9. Gelet op het voorgaande behoeft het nadere motivering waarom het hof van oordeel is dat er nog steeds een strafvorderlijk belang aanwezig is om het inbeslaggenomen geld niet terug te geven. Dat het Openbaar Ministerie vanwege de mogelijk dubieuze herkomst van het geld dit niet wil teruggeven aan de erfgename is op zichzelf begrijpelijk, maar het in stand houden van het beslag zonder dat duidelijk is welk strafvorderlijk doel daarmee beoogd wordt, is daarvoor niet de geëigende route.

3.10. Daarbij merk ik ten overvloede op dat een gegrondverklaring van het klaagschrift niet automatisch betekent dat het geld ook in handen komt van de erfgename. Indien geoordeeld wordt dat voor het beslag geen goede grond meer is, staat dit niet eraan in de weg dat het beslag door een tweede beslag wordt gevolgd ten laste van de klaagster.11 Daarvoor zal er wel een (nieuw) strafvorderlijk belang moeten zijn. Een dergelijk belang kan bijvoorbeeld zijn gelegen in een – nieuwe – verdenking van witwassen. Aanvaarding van de nalatenschap door een erfgenaam kan namelijk het voorhanden hebben in de zin van art. 420bis lid 2 Sr (witwassen) opleveren, zo blijkt uit HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, NJ 2006/612 m.nt. Borgers (rov. 8.4). Wel brengt volgens de Hoge Raad redelijke wetsuitleg mee dat het voorhanden hebben van die goederen door de erfgenaam niet steeds zal kunnen worden gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr. De Hoge Raad heeft hierover overwogen:

“Dit geval kan zich in het bijzonder voordoen indien een erfgenaam die reeds bij de aanvaarding weet dat de nalatenschap een of meer goederen bevat die afkomstig zijn uit enig misdrijf, niet het oogmerk heeft de feitelijke zeggenschap daarover te gaan uitoefenen. Het ontbreken van dat oogmerk zou daaruit kunnen blijken dat de erfgenaam - al dan niet door tussenkomst van de notaris - onverwijld heeft gemeld aan de politie of de officier van justitie dat de nalatenschap zodanige goederen omvat en tevens die goederen ter beschikking heeft gesteld en gehouden van de Staat. Hetzelfde geldt indien de wetenschap omtrent de herkomst van de nalatenschap eerst is opgekomen na de aanvaarding van de nalatenschap en de erfgenaam daarna insgelijks heeft gehandeld.”

3.11. Wat daar ook van zij, het oordeel van het hof dat er nog steeds een strafvorderlijk belang is dat het geld niet wordt teruggeven, acht ik onvoldoende met redenen omkleed. Het middel slaagt dan ook.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:210.

2 Art. 75 Sr. Ook kan gewezen worden op de herzieningsprocedure. Art. 458 Sv opent de deur hiervoor indien de gewezen verdachte is overleden. Herziening ten nadele is niet mogelijk indien de verdachte is overleden. Zie art. 482b lid 3 sub b Sv.

3 HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:899.

4 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, dient de rechter de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

5 Dit kan ook een andere zaak betreffen dan de klager. Vgl. HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2496.

6 Ook uit de behandeling van de strafzaak in cassatie blijkt niet van enige betrokkenheid van anderen. Zie HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:210.

7 Art. 33 Sr.

8 HR 6 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4430, NJ 2002/173. Zie ook Kamerstukken II 1954/55, 4 034, nr. 3, p. 11.

9 Zie HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, NJ 2007/437, rov. 3.5.1 en HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, rov. 9.2.

10 HR 17 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0760, DD 1997/303.

11 Vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008/113.