Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:163

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/02534
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:197
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552b Sv. Verzuim beslissing op verzoek geldelijke tegemoetkoming in geval van handhaving onttrekking aan het verkeer van personenauto met gestolen onderdelen, art. 33c.2 jo. 36b.2 Sr. Bij onherroepelijk arrest in strafzaak tegen A is onttrekking aan het verkeer bevolen van personenauto. Klaagster (partner van A) verzoekt primair herroeping daarvan en teruggave van auto aan haar en subsidiair geldelijke tegemoetkoming op de grond dat auto aan haar toebehoort. Hof verklaart beklag ongegrond zonder toekenning geldelijke tegemoetkoming. Gelet op bij klaagschrift gedaan verzoek om geldelijke tegemoetkoming en wat door raadsman is aangevoerd (klaagster heeft auto enkel ter reparatie bij haar vriend aangeboden, niet verwijtbaar gehandeld en wordt door onttrekking aan het verkeer onevenredig in haar belangen geschaad), diende Hof te motiveren waarom het niet toepassing heeft gegeven aan art. 33c.2 Sr. Volgt vernietiging v.zv. niet is beslist op verzoek geldelijke tegemoetkoming en terugwijzing. Samenhang met 17/02533 B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02534 B

Zitting: 8 januari 2019

Mr. J. Silvis

Conclusie inzake:

[klaagster]

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 31 maart 2017 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552b Sv, strekkende tot herroeping van de onttrekking aan het verkeer met een last tot teruggave aan de klaagster van een Audi A3 met kenteken [AA-00-AA] , ongegrond verklaard.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/02533 B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. R. Jonkers, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Procesverloop

4. Op 15 april 2014 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] op de voet van art. 94 Sv onder meer een Audi A3 met kenteken [AA-00-AA] in beslag genomen. Deze [betrokkene 1] is op 22 juli 2016 door het hof Amsterdam veroordeeld. Daarbij is door de strafrechter besloten tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen Audi A3. Op 20 oktober 2016 heeft [klaagster] , de partner van [betrokkene 1] , als belanghebbende een klaagschrift ex art. 552b Sv ingediend en verzocht de onttrekking aan het verkeer te herroepen en de Audi A3 aan haar te doen teruggeven. De raadkamer van het hof heeft het klaagschrift op 31 maart 2017 ongegrond verklaard en daarbij – kortgezegd – overwogen dat het ongecontroleerd bezit van de Audi A3 in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Het middel

5. Het middel bevat de klacht dat het hof heeft nagelaten (gemotiveerd) te beslissen op het verzoek tot een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art. art. 33c juncto 36b lid 2 Sr.

5.1.

Tijdens de behandeling van het klaagschrift in raadkamer is door de klaagster primair verzocht om herroeping van de onttrekking aan het verkeer met last tot teruggave aan haar van de Audi A3. Subsidiair is verzocht om een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen als bedoeld in art. 33c juncto 36b lid 2 Sr. Volgens de steller van het middel heeft het hof het beklag weliswaar ongegrond verklaard maar verzuimd te beslissen op het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming. Hoewel de raadkamerprocedure geen responsieplicht kent op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als bedoeld in art. 359 Sv, is de raadkamer op grond van art. 24 Sv wel verplicht om haar beschikkingen op een adequate wijze te motiveren. Daarmee is volgens de steller van het middel de beschikking van het hof niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

5.2.

Het middel richt zich dus nadrukkelijk niet tegen het oordeel van het hof dat het ongecontroleerd bezit van de inbeslaggenomen Audi A3 in strijd is met de wet of het algemeen belang.

5.3.

In het klaagschrift is ten aanzien van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming het volgende aangevoerd:1

‘’Klager is ten aanzien van dit goed belanghebbende omdat klager eigenaar van dit voornoemde goed [de Audi A3] is. Dit blijkt onder meer uit een tenaamstellingsverslag van de RDW (bijlage 2) en een geldoverboeking voor de koop van de auto (bijlage 3).

(…)

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte en tevens partner van klaagster vrijgesproken ten aanzien van het witwassen van de Audi A3 met kenteken [AA-00-AA] (p. 5 arrest).

(…)

Tot slot wil klaagster benadrukken dat zij bij een handhaving van de onttrekking aan het verkeer onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Klaagster heeft haar auto rechtmatig verkregen en daar destijds € 11.700 voor betaald. Dit blijkt onder meer uit haar verklaring van de politie. (bijlage 5). Verder had de auto op dat moment een dagwaarde van rond de 22.000 euro.

Klaagster heeft op geen enkele wijze verwijtbaar gehandeld. Zij heeft haar auto louter en alleen voor onderhoud naar de garage van haar partner gebracht. Er blijkt dan ook nergens uit dat klaagster wetenschap had van het feit dat er op enig moment een motorkap op de auto gemonteerd zou zijn.

Gezien deze feiten en omstandigheden verzoekt klaagster (…) een geldelijke tegemoetkoming - in de zin van het aankoopbedrag van de personenauto- toe te kennen.’’

5.4.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer gehechte pleitnotities heeft de raadsman ten aanzien van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming het volgende aangevoerd:2

‘’Allereerst stelt klaagster zich op het standpunt dat de in beslaggenomen Audi A3 – anders dan het Hof stelt - niet toebehoorde aan de verdachte [betrokkene 1] . Immers blijkt duidelijk uit de tenaamstelling en de girale overboeking dat [klaagster] de eigenaar van deze auto is. De Audi A3 is enkel in de garage van [betrokkene 1] aangetroffen omdat klaagster de auto daar ter reparatie aangeboden heeft.

(…)

Indien uw Hof zich niet met het voorgaande kan verenigen, verzoek ik u om -ook in het geval van een ongegrondverklaring - alsnog te voorzien in een geldelijke tegemoetkoming zoals bedoeld in art. 36b Jo art. 33c Sr.

Ik meen namelijk dat Klaagster door de onttrekking aan het verkeer onevenredig in haar belangen is geschaad. Klaagster had haar voertuig enkel ter reparatie bij haar vriend aangeboden. Zij is nu al 3 jaar bezig om haar auto terug te krijgen. Nergens blijkt uit dat klaagster op enige wijze verwijtbaar heeft gehandeld, of kennis zou moeten hebben gehad van de criminele herkomst van de nieuwe motorkap.

Indien het Openbaar Ministerie meent dat de nieuwe motorkap op klaagsters auto een criminele herkomst had, dan had het OM kunnen volstaan met het in beslag nemen van die motorkap. Niet valt in te zien waarom dan het gehele voertuig in beslag zou moeten worden genomen. Het is immers een kwestie van het losdraaien van vier schroefjes.

Let wel: de auto van klaagster is nu al 3 jaar lang van haar ontvreemd, enkel omdat de motorkap - die een ander heeft gemonteerd- wellicht uit een misdrijf afkomstig is. Dit kan in het kader van natrekking juridisch onderbouwd worden, maar dit is toch praktisch gezien volstrekt onredelijk. Indien u de onttrekking aan het verkeer handhaaft, meen ik dat een geldelijke tegemoetkoming aan klaagster niet meer dan redelijk is.’’

5.5.

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft de klaagster aldaar, voor zover hier relevant, nog het volgende aangevoerd:

‘’ De klaagster verklaart op de vragen van het hof, de advocaat-generaal en de advocaat als volgt:

De Audi A3 met het kenteken [AA-00-AA] is door mij gekocht en in februari 2014 via de Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW) op mijn naam gezet. Vlak vóór de overschrijving op mijn naam heeft mijn vader het aankoopbedrag van de eerdergenoemde Audi A3 betaald.

Mijn vriend, [betrokkene 1] , ontving weleens een e-mailbericht met betrekking tot auto’s die te koop waren. Hij vertelde mij dat die Audo A3 wel iets was. Ik vond het goed. Ik denk dat het ongeveer twee weken heeft geduurd voordat het geldbedrag naar de verkoper was overgemaakt.

(…)
Na aankoop van de Audi A3 met het kenteken [AA-00-AA] heb ik schade aan de motorkap en het zijpaneel gezien. Die schade was ook reeds op de foto’s te zien.

(…)

Alleen ik maakte gebruik van voornoemde Audi A3.

(…)

Volgens mij bedroeg het aankoopbedrag van de Audi A3 € 11.700,00. Mijn vader en ik hadden de Audi A3 niet eerder gezien. Het ging allemaal puur op basis van vertrouwen. (…) De Audi A3 was een gift van mijn vader aan mij. (…) Ik weet wel dat [betrokkene 1] de motorkap en het zijpaneel heeft hersteld. Alle reparaties/herstelwerkzaamheden zijn door [betrokkene 1] gedaan. Ik heb geen idee of in de belastingaangifte van destijds melding is gemaakt van een gift van € 11.700,00 door mijn vader aan mij. Ik wist aanvankelijk niet wat het aankoopbedrag van de Audi A3 bedroeg.

(…)

Het gaat allemaal om wat [betrokkene 1] heeft gedaan. Ik word disproportioneel benadeeld. In het dossier bevinden zich ongeveer 30 foto’s van onder meer mijn Audi A3. De toevallig belangrijkste foto’s bevinden zich echter niet in het dossier. De Audi A3 is mij afgenomen. Ik vind dat een zeer kwalijke zaak. Ik dacht dat het recht zijn loop zou hebben.’’

5.6.

Het hof heeft, zoals gezegd, het beklag ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

‘’Beoordeling

Het klaagschrift is namens de klaagster tijdig bij het hof ingediend.

Het hof is van oordeel dat uit de stukken, waaronder het proces-verbaal voordeel uit (Duitse) Audi A3 met het kenteken [BB-00-BB] van 16 augustus 2016 van verbalisant [verbalisant 1] in het Ontnemingsdossier [...] , onder meer kan worden geconcludeerd dat de Audi A3 met het kenteken [AA-00-AA] was voorzien van de motorkap afkomstig van de gestolen Duitse Audi A3 met het kenteken [BB-00-BB] . Uit het proces-verbaal sporenonderzoek aan de Audi A3 met het kenteken [AA-00-AA] van 15 mei 2014 van verbalisant [verbalisant 2] , na de montage van de airbags, is verder gebleken dat de identificatienummers van de airbags onleesbaar waren gemakt. Voorts kon geconcludeerd worden dat voornoemde Audi A3 een schadevoertuig betreft dat op een niet-professionele manier is hersteld, waarbij gebruik is gemaakt van onderdelen die van diefstal afkomstig waren.

Het hof is van oordeel dat het onleesbaar maken van de identificatienummers van de airbags geen ander doel kan dienen dan te verhullen dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de Audi A3 met het kenteken [AA-00-AA] ingevolge het bepaalde in artikel 36c jo artikel 36d vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, nu het voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de veroordeelde [betrokkene 1] in strafzaak A onder 1 en in strafzaak B begane misdrijven is aangetroffen, het hierboven genoemde strafbare feit met behulp van voornoemd voorwerp is begaan, het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en/of kan dienen tot het begaan of het voorbereiden van soortgelijke feiten, zoals reeds bij arrest van 22 juli 2016 tegen de veroordeelde [betrokkene 1] in de strafzaak met parketnummer 23-000111-15 is beslist.

Derhalve zal het hof het beklag ongegrond verklaren.’’

Juridisch kader

5.7.

Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Art. 552b Sv voorziet in de mogelijkheid dat een belanghebbende, niet zijnde de verdachte of veroordeelde, zich beklaagt over de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van een hem toekomend voorwerp. Indien het beklag gegrond is, herroept de rechter de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer.

5.8.

In art. 552b lid 5, tweede volzin, Sv is onder meer art. 33c Sr van overeenkomstige toepassing verklaard. In verbinding met art. 36b lid 2 Sr volgt hieruit dat de rechter bij de ongegrondverklaring van het beklag een geldelijke tegemoetkoming toekent indien dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie het onttrokken voorwerp toebehoort, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen.3 Of de eigenaar van het voorwerp door de onttrekking aan het verkeer van zijn eigendom onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen, de waarde van het onttrokken voorwerp, alsmede eventueel voordeel dat de Staat na de onttrekking met betrekking tot dat voorwerp verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop (van onderdelen) daarvan.4

Beoordeling van het middel

5.9.

Gelet op het hierboven onder 5.3, 5.4 en 5.5 genoemde verweer van de klaagster en in aanmerking genomen dat het hof in het midden heeft gelaten aan wie de Audi A3 toebehoort, behoeft inderdaad (nadere) motivering waarom het hof het beklag ongegrond heeft verklaard zonder toepassing van een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art. 36b lid 2 juncto 33c lid 2 Sr. In zoverre is de beschikking van het hof dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.5

6. Het middel slaagt.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking maar uitsluitend wat betreft de ongemotiveerde beslissing omtrent een verzochte geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art. 36b lid 2 juncto 33c lid 2 Sr, en tot terugwijzing opdat het klaagschrift in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Met weglating van voetnoten.

2 Met weglating van voetnoten.

3 Zie bijv. HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1210, NJ 1998/863. De omstandigheid dat de bevoegdheid als bedoeld in art. 33c Sr is opgenomen in het vijfde lid van art. 552b Sv betekent niet dat de rechter alleen in het daar specifiek genoemde geval van omzetting van de verbeurdverklaring in onttrekking aan het verkeer een geldelijke tegemoetkoming zou mogen verlenen, zie rov. 4.3.2. van voornoemd arrest.

4 HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, rov. 3.4.1. Ik merk daarbij op dat (gehele) verkoop door de Staat in beginsel niet in de rede ligt omdat bij onttrekking aan het verkeer het gaat om voorwerpen waarvan het ongecontroleerd bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang. Het terugbrengen in het maatschappelijk verkeer van dergelijke voorwerpen zou de doelstelling van de maatregel doorkruisen.

5 Vgl. HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3154; HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1365, NJ 1999/329, rov. 4.3 en HR 27 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9338, NJ 1993/586, rov. 5.5.2. Vgl. ook HR 16 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2268 (niet gepubliceerd), alwaar een dergelijke motivering wel in het oordeel van het hof besloten lag.