Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:160

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
18/01798
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:249
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. OM-cassatie, beklag tegen beslag ex art. 94 en 94a Sv op inventaris van autoschadeherstelbedrijf van de klager. Toetsingskader ingeval van beslag ex art. 94a lid 3 Sv. De AG stelt dat art. 1 Eerste Protocol EVRM een invulling van de toepasselijke maatstaf – of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregeling ex art. 36f Sr zal opleggen – vereist die meebrengt dat er tenminste concrete aanwijzingen moeten zijn dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de bedoelde maatregel is voldaan, wil het voortduren van het beslag gerechtvaardigd zijn. De AG stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad het cassatieberoep zal verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/01798 B

Zitting: 8 januari 2019

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

  1. De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 9 februari 2018 het klaagschrift van de klager ex. art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van onder hem in beslag genomen goederen, te weten auto’s, auto-onderdelen, gereedschap en hulpmiddelen, ten aanzien van de auto’s en auto-onderdelen ongegrond verklaard en ten aanzien van het gereedschap en de hulpmiddelen gegrond verklaard en daarvan de teruggave gelast aan de klager.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie. Mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de klager heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.

3 Waarom het in deze zaak gaat

Het gaat in deze zaak om het volgende. Onder de klager is op 17, 18 en 29 augustus 2017 wegens verdenking van (gewoonte-)heling klassiek beslag (art. 94 Sv) gelegd op de volledige bedrijfsvoorraad en –inventaris van zijn autoschadeherstelbedrijf [A]. Het beslag omvat niet alleen alle auto’s en auto-onderdelen, maar ook alle gereedschap en alle hulpmiddelen van het bedrijf, waaronder een brug en een vorkheftruc. In feite is het hele bedrijf van de verdachte stilgelegd; de loods waarin dat bedrijf is gevestigd, is zelfs geruime tijd – vanaf 18 augustus 2017 tot in oktober 2017 – verzegeld geweest. Op 29 november 2017 is door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag (art. 94a Sv). De machtiging en bijbehorende vordering zijn daags voor de (tweede) raadkamerbehandeling van 1 december 2017 ter kennis gebracht van de rechtbank en de raadsman van de klager. Op de (derde) raadkamerbehandeling van 9 februari 2018 heeft de officier van justitie als “aanvullend standpunt” aangevoerd dat er conservatoir beslag is gelegd ten behoeve van een eventueel op te leggen schadevergoedingsmaatregel.1 De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ten aanzien van de auto’s en auto-onderdelen ongegrond verklaard en ten aanzien van het gereedschap en de hulpmiddelen (hierna tezamen te noemen: gereedschap) gegrond verklaard. Het cassatieberoep beperkt zich tot de gegrondverklaring ten aanzien van het gereedschap.

4 De bestreden beschikking

4.1.

De bestreden beschikking bevat – voor zover van belang – de volgende overwegingen:

Inleiding

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 17, 18 en 29 augustus 2017 gelegde beslag op diverse, hierna onder ‘beoordeling’ nader aan te duiden, voorwerpen en de teruggave daarvan aan klager.

De rechter heeft kennis genomen van een gedeelte van het strafdossier met bovenstaand parketnummer. De rechter stelt vast dat de rechtbank op 31 oktober 2017 de behandeling van het klaagschrift heeft aangehouden tot 01 december 2017, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een complete beslaglijst beschikbaar te stellen. Voorts stelt de rechter vast dat op 01 december 2017 is besloten de behandeling van het klaagschrift voor de duur van één maand aan te houden, teneinde klager in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat de inbeslaggenomen voorwerpen niet van diefstal afkomstig zijn.

Op 09 februari 2018 is het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Klager en de raadsman van klager, mr. M.J.J.E. Stassen, zijn in raadkamer verschenen. De raadsman van klager heeft verzocht om gegrondverklaring van het klaagschrift. De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat zijn cliënt van alle auto’s en alle 4.004 in beslag genomen auto-onderdelen kan aantonen dat deze niet van diefstal afkomstig zijn en tot de normale bedrijfsvoering van zijn cliënt behoren. De raadsman heeft zich - zo de rechter begrijpt - op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van alle in beslag genomen voorwerpen. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat, in het verlengde van hetgeen eerder is aangevoerd, er geen schade kan zijn geleden door anderen, waardoor er geen conservatoir beslag aan de orde kan zijn met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich tegen teruggave van de auto’s en 4.004 auto-onderdelen verzet. Immers is niet hoogst onwaarschijnlijk dat, de strafrechter later oordelend, deze voorwerpen verbeurd zal verklaren, dan wel de onttrekking aan het verkeer zal gelasten. Als aanvullend standpunt ten aanzien van het, later gelegde, conservatoire beslag op alle in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie aangevoerd dat het veiligstellen van de mogelijkheid van verhaal ten behoeve van een eventueel op te leggen schadevergoedingsmaatregel zich verzet tegen gegrondverklaring van het klaagschrift.

Beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat hij op grond van het dossier ervan uitgaat dat onder klager in beslag zijn genomen acht personenauto’s en 4.004 auto-onderdelen, zoals vermeld op de overgelegde beslaglijst (hierna te noemen: auto’s en auto-onderdelen), alsmede alle in de bedrijfsruimte van klager aan [a-straat] te [plaats] zich bevindende gereedschappen en hulpmiddelen, waaronder een heftruck en een werkbrug (hierna tezamen te noemen: gereedschap). Tussen partijen is niet in geschil dat ook het gereedschap in beslag is genomen. De rechtbank gaat er voorts vanuit dat het klaagschrift betrekking heeft op alle hiervoor aangeduide beslagen voorwerpen.

Auto ’s en auto-onderdelen

De rechtbank is, in navolging van hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de auto’s en auto-onderdelen. Uit twee op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, als bijlage gevoegd bij de door de officier van justitie ingediende conclusie, volgt dat er op het terrein van klager een gestolen auto van het merk BMW is aangetroffen, alsmede in de bedrijfsruimte van klager meerdere chassis waaruit het chassisnummer is verwijderd en 61 auto-onderdelen die van diefstal afkomstig zijn. Klager heeft bij de behandeling in raadkamer ook toegegeven dat hij beschikte over chassis waarvan het nummer was verwijderd. Door de Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (hierna: Vbv) is vervolgens onderzoek verricht naar de 4.004 (voertuig-)onderdelen die in beslag zijn genomen onder klager. Uit de voorlopige onderzoeksresultaten is naar voren gekomen dat van 1.271 onderdelen is vast komen te staan dat deze van diefstal afkomstig zijn. Het grootste deel van de overige onderdelen moet nog worden onderzocht. Dit zou betekenen dat ten minste ongeveer 31 procent van de onderdelen die klager in zijn bezit had bestaat uit onderdelen met een illegale herkomst. Gelet op de hiervoor genoemde bevindingen van de politie en de Vbv, bijeengenomen is het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen (voertuig-)onderdelen verbeurd zal verklaren.

Hetgeen klager als verweer, onderbouwd met stukken, heeft aangevoerd brengt de rechter niet tot een ander oordeel. Daarbij is ten eerste van belang dat hetgeen klager schriftelijk heeft aangevoerd geen betrekking heeft op de personenauto’s genoemd op de beslaglijst onder 2, 7 en 8. Voor wat betreft de personenauto genoemd op de beslaglijst onder 2 heeft klager bij de behandeling in raadkamer enkel gesteld, maar niet onderbouwd, dat deze niet van misdrijf afkomstig is. Voor wat betreft de overige auto’s en de auto-onderdelen overweegt de rechter voorts, nog daargelaten of wat klager heeft aangevoerd in alle gevallen eenduidig te herleiden is tot de beslagen auto’s of auto-onderdelen, dat klager zijn stelling dat deze voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn kennelijk baseert op informatie van de website www.stopheling.nl. Deze informatie acht de rechter onvoldoende om af te doen aan de bevindingen van de politie en Vbv. De rechter kan niet vaststellen dat de website www.stopheling.nl over dezelfde informatie beschikt als de politie. Niet kan worden uitgesloten dat de informatie van bedoelde website onvolledig en/of niet actueel is.

Het klaagschrift zal reeds hierom voor zover het betrekking heeft op de auto’s en auto-onderdelen ongegrond worden verklaard.

Gereedschap

Met betrekking tot het gereedschap stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie niet heeft gesteld dat, laat staan welke, er een grond als genoemd in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) aanwezig is voor het beslag hierop, dan wel het voortduren van dit beslag. De rechtbank gaat er daarom van uit dat een dergelijke grond niet aanwezig is. De officier van justitie heeft wel gesteld dat het gestelde in artikel 94a Sv. het voortduren van het beslag (ook) in zoverre rechtvaardigt, omdat het beslag zou dienen ter verzekering van de betaling van een aan klager op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Bij de beoordeling hiervan is van belang dat klager wordt verdacht van (gewoonte-)heling. Toewijzing van een vordering van een benadeelde partij voor schade door diefstal in een strafzaak tegen de heler van het gestolen voorwerp kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden enkel aan de orde zijn indien, kortweg, de heling en de diefstal dicht tegen elkaar aanliggen, waarbij onder meer het tijdsverloop tussen de diefstal en de heling een relevante omstandigheid is. In dit geval heeft de officier van justitie niet gesteld dat sprake is van heling die dicht tegen de diefstal aanligt in de hier bedoelde zin. Dat daarvan sprake is, is ook overigens op grond van het dossier en het verhandelde in openbare raadkamer niet aannemelijk geworden. Gelet hierop acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat aan klager te zijner tijd een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

Het klaagschrift zal daarom voor zover het betrekking heeft op het gereedschap gegrond worden verklaard en de rechtbank zal gelasten dat het gereedschap aan klager wordt teruggegeven.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beklag ten aanzien van de auto’s en auto-onderdelen (zoals vermeld op de overgelegde beslaglijst) ongegrond;

- verklaart het beklag ten aanzien van het gereedschap (zoals hiervóór in de uitspraak omschreven) gegrond en gelast de teruggave hiervan aan klager.”

5 Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt over de gegrondverklaring van het beklag tegen het klassieke beslag op het gereedschap. De klacht houdt kort gezegd in dat – gelet op hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd – het oordeel van de rechtbank dat geen grond aanwezig is voor het voortduren van het beslag, niet zonder meer begrijpelijk is.

5.2.

Het middel keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat de officier van justitie niet heeft gesteld dat, laat staan welke, grond als bedoeld in art. 94 Sv aanwezig is voor (het voortduren van) het beslag op het gereedschap en dat er daarom van moet worden uitgegaan dat een dergelijke grond niet aanwezig is. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de officier van justitie wel degelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat naar zijn mening het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter, later oordelend, zal komen tot een verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer van de onder klager in beslag genomen zaken. Daarbij wordt aangevoerd dat weliswaar geen onderscheid is gemaakt tussen de auto’s en auto-onderdelen enerzijds en het gereedschap anderzijds, maar dat steeds naar voren is gebracht dat het beslag op “al hetgeen is beslag is genomen” moet worden gehandhaafd.

5.3.

Ik begrijp de overweging van de rechtbank aldus, dat zij niet op de enkele grond dat de officier van justitie niet heeft gesteld welke van de in art. 94 Sv bedoelde gronden voor inbeslagneming zich voordoet, heeft geoordeeld dat een dergelijke grond niet aanwezig is. De rechtbank zal tot uitdrukking hebben willen brengen dat de aan haar overgelegde stukken en het verhandelde in raadkamer geen feiten en omstandigheden hebben opgeleverd die een aanknopingspunt bieden voor het oordeel dat zich een van de beslaggronden voordoet en dat, nu de officier van justitie niet specifiek ten aanzien van het gereedschap heeft aangegeven op welke beslaggrond het voortduren van het beslag zou rusten, er vanuit kan worden gegaan dat een dergelijke grond niet aanwezig is. Ik kan dat oordeel niet onbegrijpelijk vinden. Het valt immers, nu daaromtrent niets is aangevoerd, niet goed in te zien waarom de waarheidsvinding het voortduren van het beslag op het gereedschap zou vorderen, terwijl het, gelet op de wettelijke voorwaarden die aan onttrekking aan het verkeer en aan verbeurdverklaring zijn gesteld, voor hoogst onwaarschijnlijk kan worden gehouden dat de later oordelende strafrechter tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal overgaan. Het ongestoorde bezit van het gereedschap kan namelijk bezwaarlijk in strijd met de wet of het algemeen belang worden geoordeeld. De stukken gereedschap kunnen voorts, eventuele uitzonderingsgevallen daargelaten, niet worden aangemerkt als voorwerpen in de zin van art. 33a lid 1 Sr. Zij zijn, om mij tot de meest voor de hand liggende categorieën te beperken, niet grotendeels door middel van of uit de baten van de heling waarvan de klager wordt verdacht verkregen, noch voorwerpen met betrekking tot welke die heling is begaan of met behulp waarvan die heling is begaan of voorbereid.

5.4.

De vraag is of dit anders wordt doordat – zoals in de toelichting op het middel ook nog wordt aangevoerd – tijdens de eerste mondelinge behandeling in raadkamer d.d. 31 oktober 2017 wel onmiskenbaar het standpunt in zou zijn genomen dat het gereedschap voor verbeurdverklaring in aanmerking komt nu met behulp van dit gereedschap het strafbare feit is begaan of voorbereid. Gedoeld wordt op de volgende passage:

“Ik begrijp de belangen van klager bij teruggave van de spullen, maar het strafvorderlijk belang weegt op dit moment zwaarder. Ik zie frustratie bij klager, maar er zijn wellicht auto’s omgekat. Bij dit omkatten is gereedschap en de inventaris van de loods gebruikt en dat zou kunnen betekenen dat deze spullen ook in de toekomst niet teruggegeven gaan worden.”

Op grond van deze passage zou het – aldus nog steeds de toelichting op het middel – voor de hand hebben gelegen dat aan de klager (tevens) het misdrijf van art. 41 lid 1 onder c WVW 1994 en/of art. 219 Sr zal worden ten laste gelegd.

5.5.

Ik merk in de eerste plaats op dat de raadkamer bij de verschillende raadkamerbehandelingen telkens anders was samengesteld. Het proces-verbaal van de behandeling van 9 februari 2018 vermeldt dat de behandeling wordt hervat in de stand waarin die zich op 1 december 2017 bevond. Een vergelijkbare vermelding met betrekking tot de behandeling op 31 oktober 2017 ontbreekt in het proces-verbaal van de behandeling op 1 december 2017. De vraag is of het er daarom, gelet op het bepaalde in art. 322 lid 3 Sv, dat van overeenkomstige toepassing is2, niet voor moet worden gehouden dat de raadkamer op 1 december 2017 heeft bevolen dat de behandeling opnieuw wordt aangevangen. Dat betekent dat de raadkamer geen acht mocht slaan op hetgeen op 31 oktober 2017 in raadkamer is voorgevallen en dat daarop dus ook in cassatie geen beroep kan worden gedaan.

5.6.

Voor wie dat te formalistisch vindt, merk ik in de tweede plaats op dat het proces-verbaal van de dezelfde openbare raadkamerbehandeling van 31 oktober 2017 ook het volgende inhoudt:

“De rechter:

- Schorst de behandeling van het klaagschrift tot de raadkamer van 1 december 2017 om 16.00 uur teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een complete beslaglijst beschikbaar te stellen aan raadsman en rechtbank;

- Verzoekt de officier van justitie aan de rechtbank en aan de raadsman een complete beslaglijst en een standpunt van het openbaar ministerie waarin het strafvorderlijk belang van voortduren van beslag op goederen specifiek wordt aangegeven te verstrekken”

Uit dit verzoek aan de officier van justitie heeft deze kunnen opmaken dat de rechtbank de stelling dat de klager “wellicht” auto’s heeft omgekat, niet aanmerkte als een voldoende specifieke opgave van de gronden waarop het voorduren van het beslag op het gereedschap berustte. Noch uit de aanvullende conclusie van het openbaar ministerie van 28 november 2017, noch uit de processen-verbaal van de openbare raadkamerbehandelingen van 1 december 2017 en 9 februari 2018 kan ik opmaken dat de officier van justitie de bedoelde stelling heeft onderbouwd en geconcretiseerd dan wel een ander standpunt naar voren heeft gebracht waarin meer specifiek ten aanzien van het gereedschap het strafvorderlijk belang van het voortduren van beslag is aangegeven. Het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie niet heeft gesteld waarin dat strafvorderlijk belang was gelegen, kan daarom ook in het licht van het verhandelde op 31 oktober 2017 niet onbegrijpelijk genoemd worden.

5.7.

Ik merk in de derde plaats op dat de enkele mogelijkheid (“wellicht”) dat de klager zich schuldig heeft gemaakt aan het omkatten van auto’s onvoldoende is om inbeslagneming te rechtvaardigen. Daarvoor is tenminste een op feiten en omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden van schuld aan het bedoelde strafbare feit vereist. Op dergelijke feiten en omstandigheden is door de officier van justitie geen beroep gedaan, zodat de rechtbank kon oordelen dat de klager niet van omkatten werd verdacht, althans dat van een redelijke verdenking ter zake geen sprake was. Ik laat bij dit alles nog daar dat, zo van omkatten door de klager sprake is geweest, moeilijk valt vast te stellen met welk gereedschap dat precies is gebeurd en die omstandigheid wel eens zou kunnen maken dat verbeurdverklaring van (al?) het gereedschap hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht.

5.8.

Het middel faalt.

6 Het tweede middel

6.1.

Het middel klaagt, kort samengevat, over de gegrondverklaring van het beklag tegen het conservatoir beslag op het gereedschap. De klacht houdt in dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift te ver is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.

6.2.

Voordat ik deze klacht bespreek, merk ik op dat zich daarbij twee problemen voordoen. Zoals onder punt 3 al even werd aangestipt, bevindt zich bij de processtukken wel een stuk dat de machtiging van de rechter-commissaris en de daartoe strekkende vordering van de officier van justitie inhoudt, maar niet een stuk waaruit blijkt dat de officier van justitie daadwerkelijk op basis van de gegeven machtiging conservatoir beslag heeft gelegd. Met de mondelinge mededeling van de officier van justitie tijdens de raadkamerbehandeling van 9 februari 2018 moeten we het doen. Daardoor is onzeker op welke grond het beslag is gelegd. In de bedoelde vordering van de officier van justitie zijn twee gronden aangekruist, te weten bewaring van het recht van verhaal ten behoeve van zowel voordeelsontneming als de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De machtiging vermeldt dat zij op de “opgemelde gronden” wordt verleend. In de mondelinge mededeling van de officier van justitie wordt echter alleen de schadevergoedingsmaatregel genoemd. Onzeker is daarnaast ook of op het gereedschap conservatoir beslag is gelegd. De bijlage bij de bedoelde vordering geeft een omschrijving van de “voorwerpen waar beslag op rust op grond van art. 94 van het Wetboek van Strafvordering en die vatbaar zijn voor conservatoir beslag”. In de daarop volgende specificatie worden enkel de auto’s en auto-onderdelen genoemd, niet het gereedschap.

6.3.

Op het tweede probleem wordt in de toelichting op het middel de aandacht gevestigd. Dat probleem is dat uit niets blijkt dat de klager zich schriftelijk over het gelegde conservatoir beslag heeft beklaagd op de wijze voorzien in de artt. 449 e.v. Sv. Dit brengt mee dat de rechtbank, zo zij al had kunnen aannemen dat het beklag zich mede tegen het gelegde conservatoir beslag keerde, de klager in zoverre in zijn beklag niet-ontvankelijk had moeten verklaren.3 Nu wordt in de toelichting op het middel gesteld dat hiervan geen punt wordt gemaakt, omdat het kennelijk de bedoeling van de officier van justitie is geweest dat de rechtbank zich ook zou uitlaten over het conservatoir beslag. Mr. Stassen sluit zich daarbij in zijn schriftuur houdende tegenspraak aan: “zowel officier als verdediging als rechtbank zijn uitgegaan van een alles omvattende behandeling”.

6.4.

De rechtbank stelt in haar beschikking onder het kopje “Inleiding” dat het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 17, 18 en 29 augustus 2017 gelegde beslag. Het is zo gezien de vraag of de rechtbank heeft geoordeeld dat het klaagschrift ook strekte tot de opheffing van het beweerdelijk gelegde conservatoir beslag, dat van veel later datum is. De beschikking zou ook zo uitgelegd kunnen worden dat de overwegingen die de rechtbank wijdt aan de stelling van de officier van justitie dat het voortduren van het beslag gerechtvaardigd wordt door art. 94a Sv, ten overvloede zijn gegeven. De consequentie van die uitleg is dat de gedeeltelijke gegrondverklaring van het beklag niet op die overwegingen berust, zodat de daartegen gerichte klacht niet tot cassatie kan leiden en derhalve geen bespreking behoeft. De consequentie is ook dat de met die gegrondverklaring overeenkomende last tot teruggave zich beperkt tot het beslag dat op grond van art. 94 Sv is gelegd en dat aan die last geen gevolg kan worden gegeven zolang op de desbetreffende voorwerpen conservatoir beslag rust. Het is daarbij aan de klager om tegen dat beslag alsnog een klaagschrift in te dienen.

6.5.

Een andere, wellicht meer praktische oplossing is gezien de opstelling waarvoor de beide procespartijen in cassatie kiezen, ook verdedigbaar. De beschikking kan zo uitgelegd worden dat de rechtbank, zij het ten onrechte, heeft aangenomen dat het beklag ook betrekking had op het conservatoir beslag dat volgens de officier van justitie is gelegd, zodat de last tot teruggave ook betrekking heeft op dat beslag. Daarbij zou het er dan in cassatie voor gehouden moeten worden dat in de overwegingen van de rechtbank als haar feitelijk en in cassatie niet aangevochten oordeel besloten ligt dat op het gereedschap daadwerkelijk conservatoir beslag is gelegd en wel enkel ten behoeve van een eventuele schadevergoedingsmaatregel. Op basis van die aanname kan dan het middel, dat als gezegd niet klaagt over het feit dat de rechtbank niet de hand heeft gehouden aan de eis van schriftelijk beklag, worden besproken. Ik kies met enige aarzeling voor deze oplossing.

6.6.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De grondslag voor het hier opgelegde conservatoire beslag is gelegen in art. 94a lid 3 Sv. Dit artikellid is in werking getreden op 1 januari 20144 en luidt:

“3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.”

6.7.

In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat de Hoge Raad zich voor zover bekend nog niet expliciet heeft uitgelaten over het toepasselijke toetsingskader ten aanzien van beklag waarin wordt opgekomen tegen een conservatoir beslag dat is gebaseerd op art. 94a lid 3 Sv. ik meen met de steller van het middel dat aangenomen mag worden dat het aan te leggen criterium – naar analogie van het criterium dat geldt met betrekking tot het eerste en tweede lid van art. 94a Sv – is dat de rechter dient te onderzoeken of (i) er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en (ii) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr zal opleggen.5

6.8.

In zijn overzichtsarrest heeft de Hoge Raad opgemerkt dat het summiere karakter van een beklagprocedure met zich brengt dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde te treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure.6 Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingsprocedure zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel, aldus de Hoge Raad.7

6.9.

De rechtbank heeft het hiervoor beschreven toetsingskader toegepast door te onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de klager te zijner tijd een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr zal worden opgelegd. Het middel klaagt dat de rechtbank de maatstaf niet juist heeft toegepast, althans dat zij hierbij het summiere karakter van de beklagprocedure heeft miskend en te ver vooruit is gelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak, waardoor het oordeel van de rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de klager een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd, ontoereikend is gemotiveerd.

6.10.

In twee eerdere conclusies heb ik aandacht gevraagd voor de betekenis die aan art. 1 Eerste Protocol EVRM toekomt bij de toets die de beklagrechter moet aanleggen bij de vraag of (het voortduren van) het beslag gerechtvaardigd is. Ik heb daarbij een indringender toetsing bepleit dan thans door de Hoge Raad voor juist pleegt te worden gehouden.8 Ik zal dat betoog hier niet herhalen. Ik merk slechts op dat een invulling van de door de Hoge Raad voorgeschreven maatstaf, die meebrengt dat een theoretische kans dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel is voldaan, al een voldoende rechtvaardiging oplevert voor de handhaving van een gelegd beslag, zich slecht verdraagt met het Eerste Protocol. Een dergelijke invulling zou namelijk betekenen dat, zodra sprake is van de verdenking van een strafbaar feit, op basis van een uit de lucht gegrepen beslaggrond naar believen beslag gelegd kan worden op welk voorwerp dan ook, met als argument dat het onderzoek nog gaande is en men nooit kan weten hoe een koe een haas vangt. Er zal toch op zijn minst sprake moeten zijn van concrete aanwijzingen op basis waarvan serieus rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bedoelde wettelijke voorwaarden zijn vervuld. Als zelfs dat begin van aannemelijkheid ontbreekt, mist het beslag goede grond.

6.11.

In de onderhavige zaak heeft het openbaar ministerie conservatoir beslag gelegd nadat tegen het gelegde klassieke beslag een klaagschrift was ingediend. In de ‘Aanvullende conclusie OM’ van 28 november 2017 wordt dat beslag aangekondigd en wordt ter onderbouwing daarvan (op p. 3) aangevoerd dat de klager verdacht wordt van heling op grote schaal van voertuigen en voertuigonderdelen en dat hij “daarmee de diefstallen van die voertuigen in de hand heeft gewerkt”. Daaraan wordt toegevoegd dat “de schade onomkeerbaar is geworden” door het demonteren en afvoeren van de gestolen voertuigen. Gewezen wordt daarbij op een overweging uit het vonnis van de rechtbank Gelderland van 20 juni 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3210, die betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vordering tot schadevergoeding. In die overweging, die in de cassatieschriftuur wordt geciteerd, acht de rechtbank het van belang “dat de voertuigen in een kort tijdsbestek vóór het binnenrijden van de loods van verdachte zijn gestolen”. Dat er in de onderhavige zaak aanwijzingen zijn dat sprake is van een dergelijk kort tijdsbestek wordt in de ‘Aanvullende conclusie OM’ niet gesteld, laat staan onderbouwd. Ook tijdens de raadkamerbehandelingen is door de officier van justitie geen beroep gedaan op een dergelijk nauw verband tussen de heling en de diefstallen.

6.12.

De rechtbank heeft overwogen dat de klager wordt verdacht van (gewoonte-)heling en dat toewijzing van een vordering van een benadeelde partij voor “schade door diefstal” in een strafzaak tegen de heler van het gestolen voorwerp volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad enkel aan de orde kan zijn indien, kortweg, de heling en de diefstal dicht tegen elkaar aanliggen, waarbij onder meer het tijdsverloop tussen de diefstal en de heling een relevante omstandigheid is. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de officier van justitie in dit geval niet heeft gesteld dat sprake is van heling die dicht tegen de diefstal aanligt in de hier bedoelde zin en dat dit ook overigens op grond van het dossier en het verhandelde in openbare raadkamer niet aannemelijk is geworden. Gelet hierop acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat aan de klager een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

6.13.

De vaste rechtspraak van de Hoge Raad waar de rechtbank op doelt, houdt in dat “de concrete omstandigheden van het geval bepalend [zijn] voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden.”9 In deze overweging ligt besloten dat het bij dit vereiste verband niet per se hoeft te gaan om het verband tussen de helingshandeling en de daaraan voorafgaande diefstal. Het verband tussen de schade en de helingshandeling kan ook uit iets anders bestaan. Een voorbeeld levert HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3291, NJ 2004/343, waarin het ging om de schade die aan de gestolen en geheelde auto was toegebracht doordat de heler in die auto aan de politie trachtte te ontkomen. Het ging hier dus niet om schade die door de diefstal was veroorzaakt en in ieder geval niet om schade die bestond uit het door de diefstal veroorzaakte bezitsverlies. De eigenaar had de auto teruggekregen en vorderde vergoeding van de schade die door de vluchtpoging was veroorzaakt. Tussen die schade toebrengende poging om aan bestraffing wegens heling te ontkomen en de helingshandeling bestond, zo meen ik het arrest van de Hoge Raad te mogen begrijpen, voldoende verband. De rechtbank heeft dit type gevallen buiten beschouwing gelaten en zich beperkt tot “schade door diefstal”, dat wil zeggen schade die primair bestaat uit bezitsverlies (en daarnaast eventueel uit andere schade zoals beschadigingen veroorzaakt door de braak of verbreking waarmee de diefstal gepaard ging). Deze beperking komt mij niet onbegrijpelijk voor. Bij de vraag of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet, is het oordeel van het openbaar ministerie leidend. De rechtbank heeft kennelijk en gelet op hetgeen in de ‘Aanvullende conclusie OM’ werd gesteld niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het openbaar ministerie het belang van de strafvordering zocht in de vergoeding van de “onomkeerbare” schade die door de diefstallen was veroorzaakt. Dit oordeel wordt overigens als ik het goed begrijp in de toelichting op het middel niet aangevochten.

6.14.

Het oordeel van de rechtbank dat toewijzing van een vordering van een benadeelde partij voor schade door diefstal in een strafzaak tegen de heler van het gestolen voorwerp “enkel” aan de orde kan zijn “indien, kortweg, de heling en de diefstal dicht tegen elkaar aanliggen”, lijkt mij een adequate beschrijving van de rechtspraak van de Hoge Raad in te houden. Voor de verabsolutering die het woord “enkel” teweegbrengt, zal de Hoge Raad zich weliswaar hoeden, maar andere gevallen van schade door diefstal dan waarin de heler nauw betrokken was bij het misdrijf dat tot het bezitsverlies leidde, heb ik in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet aangetroffen.10 Het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX5551, NJ 2012/643), dat in de toelichting op het middel wordt geciteerd, maakt dit mijns inziens niet anders. De desbetreffende overweging luidt:

“3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de bewezenverklaarde gewoonteheling en de gepleegde diefstal in zodanig nauw verband staan met elkaar dat de door de verdachte gepleegde gewoonteheling rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het bestaan van zodanig verband in gevallen als deze niet is uitgesloten (vgl. HR 24 maart 1998, LJN ZD0985, NJ 1998/537) en door of namens de verdachte in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij en dus ook niet is betwist dat in het onderhavige geval dit verband aanwezig was.”

In deze overweging kan niet gelezen worden dat ingeval van gewoonteheling het vereiste verband in beginsel aanwezig mag worden geacht. De overweging heeft betrekking op de motiveringsplicht die op de rechter rust in een geval waarin de vordering van de benadeelde partij niet door de verdachte is betwist. Dan behoeft het oordeel dat het vereiste verband aanwezig is niet te worden gemotiveerd. Dat wordt anders als het bestaan van een dergelijk verband uitgesloten is (dan namelijk getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting). Daarmee is bepaald niet gezegd dat, als de verdachte wel verweer voert, volstaan kan worden met de vaststelling dat het bestaan van het vereiste verband niet is uitgesloten. Dan zal uit concrete feiten en omstandigheden moet blijken dat aan het ontvankelijkheidsvereiste is voldaan.

6.15.

Nu klaagt het middel er niet, althans niet expliciet over dat de rechtbank de jurisprudentie van de Hoge Raad zou hebben miskend. De kern van de klacht is dat de rechtbank niet mocht toekomen aan het inhoudelijke oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de heling en de diefstal dicht tegen elkaar liggen, in aanmerking genomen dat het strafrechtelijk onderzoek nog gaande was. Voor zover daarmee bedoeld mocht zijn dat de rechtbank zich ten onrechte een oordeel heeft aangematigd over de “aannemelijkheid” van het bestaan van een nauw verband tussen de heling en de diefstal, berust de klacht op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft de omstandigheid dat het bedoelde verband ook overigens – dat wil zeggen naast het feit dat de officier van justitie niet heeft aangevoerd dat zich een dergelijk verband voordeed – uit het dossier en het verhandelde in raadkamer niet aannemelijk is geworden, in aanmerking genomen bij haar oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter en schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Voor zover met de klacht bedoeld mocht zijn dat de rechtbank zich geheel van een oordeel over de door het openbaar ministerie opgevoerde beslaggrond diende te onthouden zolang het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, lijkt die klacht te berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Op het moment waarop de beklagrechter oordeelt, moet tenminste sprake zijn van een uit concrete aanwijzingen af te leiden begin van aannemelijkheid dat de gestelde beslaggrond zich voordoet (hiervoor, onder 6.10). Nu van de zijde van het openbaar ministerie niet werd aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek erop was gericht aan te tonen dat de heling en de diefstallen dicht tegen elkaar lagen en het openbaar ministerie er zelfs in het geheel geen blijk van had gegeven te beseffen dat dit nauwe verband een vereiste was voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, is het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van een grond die het voortduren van het beslag rechtvaardigde, niet onbegrijpelijk.

6.16.

Het middel faalt.

7. Beide middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij de stukken heb ik noch een kennisgeving van inbeslagneming (die ingeval van conservatoir beslag niet is vereist), noch een proces-verbaal van inbeslagneming en een bewijs van ontvangst als bedoeld in art. 94c onder d Sv) aangetroffen, hetgeen spoort met de op 9 februari 2018 in raadkamer gedane mededeling van de officier van justitie dat van de zijde van het OM na 1 december 2017 geen nadere stukken meer zijn overgelegd.

2 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, NJ 2007/300.

3 Zie o.m. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.3.

4 Bij Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer, Stb. 2013, 278.

5 Zo maak ik ook op uit de MvT bij het wetsvoorstel: “Het wetsvoorstel dat het leggen van conservatoir beslag door de staat ten behoeve van slachtoffers regelt, sluit in de verdere uitwerking bij de al bestaande mogelijkheden conservatoir beslag te leggen aan.”, Kamerstukken II 2011/12, 33295, nr. 3, p. 2. Zie voor het aan te leggen criterium bij art. 94a lid 1 en 2 Sv: HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.14.

6 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.2

7 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2025, rov. 5.6.

8 Zie ECLI:NL:PHR:2015:2368 en ECLI:NL:PHR:2017:1197. Vergelijk de noot van F. Vellinga-Schootstra onder HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3065, NJ 2018/356. Zie ook Nils Gonzalez Bos & Erik Witjens, ‘Goed beslagen ten ijs komen’, NJB 2018, 2152.

9 HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985, NJ 1998/537, rov. 5.2.

10 Zie naast het al genoemde HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0985, NJ 1998/537 ook HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256. Vergelijk HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:216, NJ 2015/359, waarin het niet om heling, maar om witwassen ging.